De politieke partijen en de taalwetgeving. Een argumentatieanalyse van de Kamerdebatten (1873-1963). (Maarten Van Ginderachter)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

“Wanneer hier vóór den oorlog en in de eerste jaren na den oorlog moest gestemd worden over taalwetten toepasselijk op het Vlaamsche land en op Brussel, werden de strijdgroepen hier als volgt opgesteld: van den eenen kant de Vlaamschvoelende volksvertegenwoordigers, van den anderen kant de gedenationaliseerden uit Vlaanderen, de Brusselaars en de Walen.
           Die posities zijn eenigszins veranderd. De Walen, tot groote ergernis der gedenationaliseerden, die bij elke verkiezing in aantal verminderden, om plaats te maken voor Vlaamschvoelende volksvertegenwoordigers, hebben deze laatsten eenigszins gelost.[…]
           Doch wij houden staan dat voor wat de verzwakking betreft van het Waalsch verzet tegen het toekennen van een brok Vlaamsch recht, de voorzichtigheid, om niet te zeggen de schrik, hier de hoofdrol heeft gespeeld. Tientallen jaren hebben de Walen bij de bespreking van taalwetten voor het Vlaamsche land in het offensief gestaan met de pretentie best te weten wat het Vlaamsche volk noodig had voor zijn stoffelijke welvaart en cultureele ontwikkeling. […] Indien de Walen nu tot een ander inzicht zijn gekomen dan is het wel uit noodzakelijkheid des gebods. Want Brussel heeft het spook der tweetaligheid op Wallonië losgelaten.”

Staf Declercq op 8 juni 1932 tijdens de bespreking van de taalwet op het onderwijs (A.P.C., 1931-1932, p. 1972-1973).

 

 

DEEL 3: DE TAALWETTEN UIT HET TIJDPERK VAN HET ALGEMEEN ENKELVOUDIG MANNELIJK STEMRECHT (1918-1935)

 

I. Inleiding: De jaren ’20

 

De sociaal-economische en politieke evolutie van België

 

België herstelde relatief snel van de economische klappen die ‘de groote oorlog’ had uitgedeeld. Rond het midden van de jaren ’20 bereikte de economie weer haar vooroorlogse peil. De openbare financiën, lang het zorgenkind (cf. de problemen met de Duitse herstelbetalingen), raakten in 1926 gesaneerd. Vlaanderen ontwikkelde zich economisch dankzij de Kempense steenkool en de expansie van de Antwerpse haven. De touwtjes bleven echter in handen van de Brusselse haute finance.[934] De Vlaamse bevolking groeide sneller aan dan de Waalse en de Brusselse.[935] De internationale crisis, ingeleid door de beurskrach van 1929, kreeg België vanaf 1932 stevig in de greep. [936]

     Tijdens de oorlog hadden de socialisten bewezen regierungsfähig te zijn. Hun eisen konden niet meer genegeerd worden. Een hele reeks sociale maatregelen werd genomen[937], maar bovenal kwamen er in 1919 parlementsverkiezingen op basis van het algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen ouder dan 21 - twee jaar vóór de grondwet werd aangepast.[938] Ook werd de apparentering ingevoerd, i.e. het aan elkaar koppelen van kieslijsten binnen een provincie over de arrondissementsgrenzen heen, waardoor kleine partijen makkelijker de kiesdrempel konden halen (belangrijk voor de ontwikkeling van de frontpartij). De senaat bleef echter conservatiever dan de Kamer, wat enkele malen tot een conflict zou leiden. Tot 1921 gold er immers een verkiesbaarheidscijns, nadien werden conservatieve politici die niet rechtstreeks verkozen raakten, als provinciale of gecoöpteerde senatoren aan een zitje geholpen.[939]

     De eerste vrije verkiezingen na de oorlog draaiden uit op een overwinning voor de socialisten. De Kamervertegenwoordiging van de BWP (van 40 naar 70 zetels) was nauwelijks kleiner dan die van de katholieke partij, die 73 van haar 99 zetels overhield. De liberalen schoten er een kwart van hun zetels bij in: van 45 naar 34. Dat coalitieregeringen onvermijdelijk geworden waren, was volgens A.W. Willemsen positief voor de Vlaamse eisen. De levensbeschouwelijke tegenstellingen verzwakten immers, zodat de VB niet meer gekneld zat tussen het ideologische gekissebis van de partijen.[940]

 

De evolutie van de houding van de politieke partijen tegenover de VB

 

In de katholieke partij verloor de oude censitaire Fédération des Cercles haar monopolie op de macht. Door de invoering van de standenvertegenwoordiging[941] kregen de christen-democraten en de flaminganten, die onder impuls van Frans van Cauwelaert steeds nauwer gingen samenwerken[942], meer inspraak.[943] Na de parlementsverkiezingen van 1921 stelden de katholieke ‘franskiljons’ in Vlaanderen nog weinig voor. Zo kwam de democratische Vlaamse vleugel van de partij tegenover de conservatieve, Fransgezinde Brusselse en Waalse vleugel te staan.[944]

     In de literatuur is men het er vrijwel over eens dat “tijdens het interbellum [de] houding [van de liberale partij] tegenover de Vlaamse Beweging en haar eisen, grotendeels zoniet uitsluitend, negatief is geweest”.[945] De liberale partij werd heel wat conservatiever[946] omdat de BWP ontegensprekelijk de leidende rol opeiste in het linkse kamp.[947] Het liberale flamingantisme kwam amechtig uit de oorlog, het was aan J. Hoste jr. met zijn ‘Laatste Nieuws’ te danken dat het kon overleven.[948] Enkel het Liberaal Vlaams Verbond en het Willemsfonds bleven een Vlaamsgezinde koers uitzetten, maar door hun “minimalistische doch beginselvaste liberale Vlaamsgezindheid” distantieerden zij zich volgens A. Verhulst van de partij.[949]

     Heel wat Vlaamsgezinde liberalen hadden zich gebrand aan het activisme en werden door de partij, die zich na WO I opwierp als kampioen van het patriottisme, verketterd. De partijleiding was in handen van een Franstalige, Brusselse oligarchie.[950] De Brusselse parlementsleden waren immers de enigen die zich electoraal konden handhaven.[951] Door de inerte en weinig democratische partijstructuur konden zij de deur op de knip houden voor “volks- en Vlaamsgezinde elementen”.[952] Er waren enkele Vlaamsgezinde liberale Kamerleden, zoals J. Boedt, L. Boeckx, L. Joris, maar geen van hen was een politiek zwaargewicht. De rest van de weinige Vlaamse liberalen[953] vertegenwoordigden grotendeels de ‘franskiljonse’ burgerij.[954]

     Naar buiten uit trad de BWP eensgezind op. Meningsverschillen werden binnenskamers beslecht, op de lange baan geschoven, of werden, zoals het taalvraagstuk in de jaren ’20, een vrije kwestie.[955] Na WO I groeiden de tegenstellingen echter. Niet alleen hadden de Waalse socialisten deel aan de naoorlogse Belgicistische vague, ze hielden ook vast aan het tweetalige Vlaanderen. De Vlaamse socialisten stelden zich gereserveerder op tegenover de patriottische heropleving en legden een grotere belangstelling aan de dag voor de VB - o.a. een gevolg van de verschuiving van het socialistische zwaartepunt in Vlaanderen van Gent naar het Vlaamsgezinde Antwerpen van Camille Huysmans.[956]

     In de BWP waren er dus met de woorden van Willemsen “enkele zeer bewust Vlaamsgezinde personen, die in de partij een belangrijke positie innamen [...], maar zij vormden, in tegenstelling tot de Vlaamse vleugel in de katholieke partij, niet een enigzins coherente groep.”[957] In de jaren ’20 ging het alleen om de ‘Antwerpenaren’[958], de Oost- en West-Vlaamse socialisten stonden toen onverschillig tegenover de VB “al trokken ze inzake de taalwetgeving doorgaans één lijn met de Antwerpenaars”.[959] Willemsen besluit dat de Vlaamsgezinde BWP’ers na WO I de rol overnamen van de liberale flaminganten, maar niet hun plaats als voortrekkers in de VB.[960]

     Wat vóór WO I nooit gelukt was, lukte nu wel: er kwam een eigen Vlaamse partij, het ‘Vlaamse front’ ofte de frontpartij. Zij ontwikkelde zich uit de frontbeweging en droeg het ‘zelfbestuur’ en het antibelgicisme hoog in het vaandel. Nadat de leiders van de beweging in de eerste naoorlogse jaren toenadering hadden gezocht tot het Algemeen Vlaams Verbond van Van Cauwelaert (zie verder), gingen ze volgens H. Elias zeker vanaf november 1921 hun eigen weg.[961] Het kwam al gauw tot een samenwerking met de activisten, die sleutelposities in de partij wisten in te nemen.[962]

     De fronters hebben nauwelijks een rechtstreekse rol gespeeld bij de totstandkoming van de taalwetten.[963]

“Hun getalsterkte was klein, hun aandeel aan de parlementaire activiteit onbetekenend. Het ontbrak de Fronters aan een eigen Vlaams-nationale visie op de problemen die in het parlement ter sprake kwamen. Slechts bij enkele gelegenheden leverden ze een constructieve bijdrage tot het parlementaire werk.”[964]

Toch mag hun indirecte invloed in het interbellum niet onderschat worden volgens Willemsen.

“Het Vlaams-nationalisme heeft er mijns inziens dus in grote mate toe bijgedragen, dat een klimaat geschapen werd, waarin bepaalde gematigde Vlaamse verwezenlijkingen - het bekende minimumprogramma - tot stand konden komen. Zonder het bestaan van die gematigde vleugel en zonder de communicatie van het Vlaams-nationalisme en die gematigde vleugel zou evenwel een kleine oppositiepartij als de Vlaams-nationalistische niet veel betekend hebben.”[965]

Parallel met de opgang van de fonters “ontstond er in de jaren twintig een echte Vlaams-nationalistische maatschappijzuil”, die aanleunde tegen de katholieke.[966]

De evolutie van de taalwetgeving, de Vlaamse beweging en de Waalse beweging

 

De taalwetgeving van het interbellum scharniert rond de symbolische verkiezingsoverwinning van A. Borms in 1928 en die van de Vlaams-nationalisten in 1929 (zie III. Inleiding: De jaren ’30, p. 324). Ervoor sanctioneerden de wetten nog een bepaalde tweetaligheid van Vlaanderen, erna erkenden ze de taalhomogeniteit van Vlaanderen en maakten ze komaf met de individuele tweetaligheid.

     De Vlaamse kwestie zou het hele interbellum lang actueel blijven.[967] Koning Albert had in zijn troonrede van 22 november 1918 de Vlamingen een gelijkheid in rechte en in feite voorgespiegeld en de oprichting beloofd van een Vlaamse universiteit in Gent. De regering-Delacroix, daartoe aangespoord door de liberalen[968], alludeerde in haar regeringsverklaring van 28 november 1918 enkel op het recht van de Vlamingen op een hoger onderwijs in de eigen taal. Het amnestiedebat en de figuur van A. Borms zouden in de jaren ’20 de belangstelling voor het talenvraagstuk smeulende houden.

     WO I verzwakte de VB danig. Ze had niet alleen af te rekenen met een golf van chauvinisme, maar kreeg ook het odium op zich geladen van het activisme en raakte blijvend verdeeld. [969] Aan de ene kant stonden de activisten en de in de loopgraven achter de IJzer ontstane frontbeweging, aan de andere kant de loyale passivisten die elke samenwerking met de bezetter hadden afgewezen. De eerstgenoemden, de Vlaams-nationalisten, stelden hun hoop op een onafhankelijk Vlaanderen, terwijl de laatstgenoemden vrede namen met de eentaligheid van Vlaanderen binnen België. Zij volgden het zgn. minimumprogramma, dat F. Van Cauwelaert, het boegbeeld van de ‘actieve’ passivisten[970], ontwikkeld had. In 1917 had hij samen met J. Hoste jr. het ‘Vlaamsch-Belgisch Verbond’ gesticht, een organisatie voor Vlaamse vluchtelingen in Nederland, dat een voorlopig programma had opgesteld:

 

“ a) Vervlaamsching in Vlaanderen van het onderwijs in al zijn graden en vertakkingen.
  b) Indeeling van het leger in Vlaamsche en Waalsche eenheden, hulpdiensten, krijgsinrichtingen enz., volgens de beginselen neergelegd in het verslag der legerkommissie van het V.-B. V.
  c) Vervlaamsching van de openbare besturen en van het rechtswezen in en voor Vlaanderen en de hervormingen van de hoofdbesturen, welke voor de volledige doorvoering van dit beginsel vereischt worden.
  Bij de toepassing van deze beginselen kunnen voor Brussel en voorsteden uitzonderingsbepalingen worden voorzien, maar zonder te breken met het beginsel, dat deze gemeenten historisch en werkelijk behooren tot het Vlaamsche taalgebied.”
[971]

Na de oorlog, op 6 juli 1919, richtte Van Cauwelaert, samen met enkele Brusselse passivisten onder leiding van A. Vermeylen, het ‘Algemeen Vlaamsch Verbond’ op, dat het minimumprogramma zou trachtten te verwezenlijken. Het AVV kon echter geen speler van betekenis worden.[972]

     Er moet benadrukt worden dat de scheidslijn tussen Vlaams-nationalisten en minimalisten niet duidelijk gemarkeerd was. B. De Wever bv. wijst erop dat er vlak na WO I nog geen noodzakelijke tegenstelling bestond tussen beide groepen[973] en volgens L. Wils kreeg het anti-belgicisme een kans in de VB omdat o.a. Van Cauwelaert de activisten weigerde te desavoueren. Willemsen ten slotte ziet een “fundamentele eenheid [...]: zowel minimalisten als maximalisten streefden de volledige vernederlandsing na.”[974]

     Na enkele jaren zou de VB dankzij het enkelvoudige stemrecht uitgroeien tot een massabeweging, de massificatiefase van M. Hroch was ingezet. De slepende amnestiekwestie - die in 1928 met de uitdovingswet ten dele werd opgelost - speelde hier een belangrijke rol in, net als de voortschrijdende tertialisering van de maatschappij. De slogan ‘taalbelang is stoffelijk belang’ kreeg voor vele bedienden en ambtenaren een zeer reële en alledaagse dimensie. De Wever vat de ‘Vlaamse evolutie’ tijdens het interbellum als volgt samen:

“In de loop van de jaren twintig ontstond een Vlaams natiegevoel dat evenwel alleen maar leefde bij het katholieke kleinburgerlijke deel van de bevolking. Tegelijkertijd voltrok zich vooral bij katholieke jongeren, scholieren en studenten een radicaliseringsproces. Er ontstond een ‘nieuwe’ Vlaamse Beweging die zich door haar anti-belgicisme onderscheidde van de ‘oude’ Vlaamse Beweging maar die er tegelijkertijd door een keten van verwantschappen mee verbonden bleef. De haperende taalwetgeving, de moeizame en frustrerende strijd voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit, het amnestiedebat, het Belgische eeuwfeest... het waren zovele gelegenheden tot agitatie. Het radicaliseringsproces werd er volop door gevoed.”[975]

 

De Waalse beweging evolueerde volgens C. Kesteloot tijdens het interbellum naar de fase van politieke agitatie.[976] De opmars van de VB en de Vlaamse economische en bevolkingsgroei droegen hier in aanzienlijke mate toe bij. Tot 1930 ongeveer was de WB anti-Vlaams[977] en verdedigde ze de eentaligheid van Wallonië en de tweetaligheid van Vlaanderen. Kesteloot noemt dit paradoxaal:

“La confusion est donc totale en matière de revendications. D’une part, le mouvement wallon s’exprime au nom de la Wallonie prise dans sa totalité, d’autre part, il s’exprime au nom de de considérations linguistiques qui ne sont en rien limitées au seul territoire wallon.”[978]

Andere programmapunten van de Assemblée wallonne, de vaandeldrager van de Waalse beweging tot 1930, waren: de verdediging van het Belgische grondgebied, toenadering tot Frankrijk, de vertegenwoordiging van Walen in de regering, de Waalse economische belangen, het probleem van de nataliteit, de taalrechten van de Walen in de openbare overheden, de rechten van de Franstalige minderheden in Vlaanderen en het statuut van de taalgrens en Brussel.[979]

     Tot 1925 ongeveer was de WB unitair Belgischgezind, vanaf dan evolueerde ze weer in federale richting, onder invloed van de luider klinkende flamingantische eisen. Nadat ze de tweetaligheid van Vlaanderen had opgegeven, werd het federalisme “une revendication dominante au sein du mouvement wallon”.[980] Wils schrijft hierover: “Le mouvement wallon, qui perd ainsi son objectif, le remplace par ce qui, jusque-là, n’était que son moyen de chantage: la séparation administrative ou pour mieux dire le fédéralisme.”[981] De taalwetten van 1932 betekenden ook een breuk tussen de Waalse en Brusselse vleugel van de WB. De Brusselaars wilden hun machtspositie binnen België veilig stellen en daartoe “diende de eigen francofone Brusselse taalidentiteit sterker te worden beklemtoond”.[982] De Walen van hun kant gruwden van de Brusselse centraliseringsdrang.

     Naast de liberalen en de socialisten gingen volgens Kesteloot ook Waalse katholieken zich tijdens het interbellum interesseren voor “le problème wallon”, maar “des militants convaincus et convaincants” waren het daarom nog niet.[983]

 

 

II. De wetten van de jaren ’20

 

Hoofdstuk 6: De wet van 31 juli 1921

 

1. Inleiding

 

Vóór de oorlog al hadden de ‘witteboordflaminganten’, o.a. de ‘Vereniging van Vlaamse Staatsbedienden’, aangedrongen op een nieuwe taalwet op het bestuur om de carrièrekansen van Nederlandstaligen in de overheidsadministraties te verbeteren.[984] Pas na de eerste naoorlogse verkiezingen kregen de flaminganten opnieuw volop de kans zich te manifesteren in de Kamer. Van Cauwelaert diende op 24 december 1919 het vooroorlogse wetsvoorstel ter vernederlandsing van de Gentse universiteit in, maar ging zich al gauw concentreren op een bestuurs-taalwet. Hij was er immers niet zo zeker van dat een Vlaamse universiteit in het patriottische klimaat haalbaar was en hij wilde met een Vlaamse overwinning de jaren ’20 inzetten.[985]

 

2. Verloop van de parlementaire procedure

 

Op 4 februari 1920 dienden enkele Vlaamse Kamerleden uit alle partijen het nagenoeg ongewijzigde wetsvoorstel van J. Delaet van 6 april 1876 opnieuw in. In tegenstelling tot de wet van 1878 onderwierp het ook de gemeente- en de provinciale besturen aan een wettelijke regeling (zie Bijlage 6.1).[986] Het voerde het territorialiteitsbeginsel in, maar de gemeente-, provincie- en staatsbesturen mochten akten (op verzoek van particulieren) en stukken in het Frans vertalen en in beide talen tegelijk publiceren.

     In de Brusselse agglomeratie[987] moesten de berichten aan het publiek tweetalig zijn en mochten de provincie en de gemeenten de verslagen van hun raden, verordeningen, akten e.d. in het Frans opstellen, mits ze er een Nederlandse vertaling aan toevoegden. De correspondentie met particulieren en administraties moest in het Nederlands gevoerd worden als die daarom vroegen. Ten slotte werden er voorzieningen getroffen voor de zgn. verdwaalde gemeenten op de taalgrens.

     Dit voorstel werd door een bijzondere Kamercommissie onder handen genomen. Van de negen commissieleden waren er “vijf uitgesproken flaminganten”.[988] Van Cauwelaert had een belangrijk aandeel in de redactie van het voorstel[989], dat op 30 juni 1920 voorgesteld werd (zie Bijlage 6.2, p. 558).[990] De Vlaamsgezinden waren tevreden.[991]

     Voor het eerst proclameerde een wetsvoorstel de volledige wettelijke gelijkheid tussen Vlaanderen en Wallonië. De gemeente-, provincie- en staatsbesturen moesten intern de streektaal gebruiken, maar konden mededelingen aan het publiek in beide talen bekendmaken en moesten een particulier antwoorden in diens taal. Als een bepaald percentage van de kiesgerechtigden erom vroeg, moesten de mededelingen en de documenten bestemd voor het publiek, in beide talen opgesteld worden. Wie de streektaal niet kende, kon geen staatsfunctie vervullen.[992] In de centrale besturen moesten het Frans en het Nederlands “une égalité de droit et de fait réelle” genieten.

     Voor Brussel was er een compromis gesloten tussen Vlaams- en Fransgezinden. Enerzijds werd de Brusselse agglomeratie niet afgebakend en mochten de provincie- en gemeenteraden zelfstandig hun interne diensttaal bepalen. Wel moesten ze “l’égalité effective des langues françaises et flamandes” respecteren. [993] Anderzijds moesten de berichten aan het publiek tweetalig zijn en moesten de administratieve akten opgesteld worden in de taal van de betrokkenen. De ambtenaren van de Brusselse agglomeratie dienden beide talen te spreken, net zoals die van de centrale staatsbesturen. Ten slotte waren er bepalingen ter wille van de ‘verdwaalde’ gemeenten en de Duitstaligen.

Dit voorstel belandde op 3 augustus 1920 in de Kamer en werd in vier opeenvolgende vergaderingen afgehandeld. Op dat moment was er een driepartijenregering onder leiding van Delacroix aan de macht en vormde het parlement een constituante, die de grondwet aan de naoorlogse situatie moest aanpassen.

 

 

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

45[994]

7[995]

21[996]

= 73

liberalen

15

6

13

= 34

socialisten

23

9

38

= 70

fronters

4

1

-

= 5

andere

1

3

-

= 4

 

= 88

= 26

= 72

 

 

Van de elf regeringsleden hadden er 10 zitting in de Kamer: twee Vlaamse (onder wie één christen-democraat) en twee Waalse katholieken; een Waalse en een Vlaamse liberaal; een Vlaamse, een Brusselse en twee Waalse socialisten.

     Art. 1, de ruggengraat van het commissievoorstel, werd op 4 augustus aan een stemming onderworpen. 98 Kamerleden stemden voor, 45 tegen en 7 onthielden zich[997].[998]

 

stemden voor

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

44[999]

4

10[1000]

= 58

liberalen

8

0

0

= 8

socialisten

18

5

3

= 26

fronters

4

1

-

= 5

andere

1

0

-

= 1

 

75

10

13

 

 

stemden tegen

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

0

0

6[1001]

= 6

liberalen

4

3

11

= 18

socialisten

0

0

20

= 20

fronters

0

0

-

= 0

andere

0

1

-

= 1

 

4

4

37

 

 

onthielden zich

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

0

1

1

= 2

liberalen

1

0

1

= 2

socialisten

0

0

3

= 3

fronters

0

0

-

= 0

andere

0

0

-

= 0

 

1

1

5

 

 

     Bij deze eerste stemming bleek dat enkel in de katholieke partij de Vlaamse eisen op welwillendheid aan beide zijden van de taalgrens konden rekenen. De BWP stemde communautair (alle Vlamingen en Brusselaars voor, op drie na alle Walen tegen). Een derde van de Vlaamse liberalen stemde tegen, de Brusselse en Waalse liberalen waren unaniem in hun afwijzing.

     De overige stemmingen bevestigden dit beeld. Een amendement van Max[1002] dat bepaalde dat de provincie- en gemeenteraden zelf hun interne diensttaal konden kiezen en dat de mededelingen aan het publiek steeds tweetalig moesten zijn, werd verworpen met 73 stemmen tegen 43 bij 1 onthouding (zie Bijlage 6.3).[1003] Een amendement van Braun[1004], dat aan de ambtenaren de taalkeuze liet voor speciale technische studies, was hetzelfde lot beschoren: 70 stemmen tegen 67 bij 4 onthoudingen (zie Bijlage 6.4, p. 560).[1005]

     Het wetsvoorstel dat op 6 augustus 1920 de Kamer verliet, had drie belangrijke aanpassingen ondergaan, die al na de eerste lezing aangebracht waren:

1.    Art. 2: de Brusselse agglomeratie werd als volgt afgebakend: Anderlecht-Kuregem, Brussel(-Laken), Etterbeek, Elsene, Koekelberg, Oudergem, Schaarbeek, Sint-Jans-Molenbeek, Sint-Gillis, Sint-Joost-ten-Node, Sint-Lambrechts-Woluwe, Sint-Pieters-Jette, Ukkel, Vorst en Watermaal-Bosvoorde.

2.    Art. 6: de ambtenaren van de centrale besturen en van de Brusselse agglomeratie “worden voortaan in gelijk getal benoemd onder de candidaten die de examens in de Fransche taal en onder die welke de examens in de Vlaamsche taal hebben afgelegd”.[1006]

3.    Art. 8: waar een meerderheid van de inwoners Duits sprak, moesten de mededelingen aan het publiek tweetalig (Duits-Frans of Nederlands-Frans) zijn. De ingezetenen konden er vrij de taal kiezen (Nederlands, Duits of Frans) waarin zij zich tot de openbare besturen richtten, in gemeenten met minstens 15.000 inwoners waren die verplicht te antwoorden in die taal.

Het aldus geamendeerde voorstel haald het met 95 stemmen tegen 43 bij 9 onthoudingen.[1007]

stemden voor

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

43

5

10[1008]

= 58

liberalen

5

0