De politieke partijen en de taalwetgeving. Een argumentatieanalyse van de Kamerdebatten (1873-1963). (Maarten Van Ginderachter)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

BIJLAGEN

 

WOORD VOORAF

 

De bijlagen in deze bundel horen bij de eindverhandeling De politieke partijen en de taalwetgeving. Een argumentatieanalyse van de Kamerdebatten (1873-1963).

 

Gent, juli 1998

Maarten Van Ginderachter

INLEIDING

 

 

Bijlage 0.1

 

In het hierna volgende overzicht zet ik het argumentatiemodel uiteen waarmee ik mijn tekstcorpus geanalyseerd heb. Om de relevante informatie te destilleren uit de parlementaire handelingen heb ik mijn teksten opgevat als argumentatieketens. Dit houdt in dat ik op zoek ben gegaan naar stellingen en de erbij horende (sub)argumenten, rechtvaardigingen, ondersteuningen en vooronderstellingen. Door deze elementen te integreren in overzichtelijke getrapte structuren werd mijn materiaal handelbaar en kon ik het makkelijker verwerken.

     Ik ga achtereenvolgens in op de inhoud van de argumentatieleer en haar doelstellingen, de theorieën waar deze studie op gebaseerd is en het analysemodel dat ik samengesteld heb uit deze theorieën.

1. De inhoud en doelstellingen van de argumentatieleer

De term ‘argumentatieleer’ (in het Engels ‘argumentation theory’) is misleidend omdat er niet zoiets bestaat als één toonaangevende argumentatieleer. Er is een grote verscheidenheid aan theorieën, maar ze hebben één ding gemeen. Ze houden zich alle bezig met argumentatie en meer bepaald het onderscheid tussen deugdelijke en niet-deugdelijke argumentatie (in het Engels ‘sound’ en ‘unsound’).

Van Eemeren, Grootendorst en Kruiger geven de volgende definitie van argumentatie

“Argumentation is a social, intellectual, verbal activity serving to justify or refute an opinion, consisting of a constellation of statements and directed towards obtaining the approbation of an audience.”[899]

Wanneer je een uitspraak doet, moet je steeds bereid zijn die met argumenten te verdedigen. De bewijslast van een stelling ligt immers bij wie die stelling naar voren brengt. Een argumentatie bestaat uit minstens twee elementen : een stelling (of bewering, standpunt, conclusie, claim) en een argument. Het verband tussen de stelling en het argument wordt verzekerd door een argumentatieschema (of rechtvaardiging, zie verder). Bij de analyse van argumentatie moet je steeds het uitgangspunt (i.e. alles wat diegene die de stelling naar voren brengt, expliciet en impliciet aanneemt) en het gebruikte argumentatieschema beoordelen op hun redelijkheid, volgens bepaalde redelijkheidscriteria. Deze stellen je in staat om na te gaan of de argumentatie deugdelijk is. Uit dit alles besluiten Van Eemeren, Grootendorst en Kruiger het volgende :

“The aim of argumentation theory is to distinguish between sound and unsound points of departure and between sound and unsound argumentation schemata; to this end, criteria are systematically formulated which are then applied, or ought to be applied, in the assessment of the soundness of points of departure and argumentation schemata.”[900]

Het publiek beoordeelt argumentatie volgens bepaalde rationele criteria, maar hoe moeten we rationaliteit (of redelijkheid) definiëren? Elke argumentatietheorie probeert deze vraag te beantwoorden. Toulmin onderscheidt drie verschillende visies op rationaliteit : een (formeel) geometrische, een antropo-relativistische en een (transcendentale) kritische opvatting.[901] De geometrische redelijkheidsopvatting is gebaseerd op de formele logica, dit wil zeggen dat de uitgangspunten van een argumentatie onomstootbaar bewezen moeten zijn en dat de argumentatieschema’s formeel-logisch geldig moeten zijn. De antropo-relativistische opvatting gaat uit van de in een bepaalde cultuurgemeenschap vigerende redelijkheidsstan­daard. In de (transcendentale) kritische opvatting ten slotte is een argument redelijk als het helpt verschillen van mening op een adequate manier op te lossen.

In mijn eindverhandeling waarmee ik als germanist ben afgestudeerd, heb ik niet gekozen voor de geometrische opvatting omdat er in de werkelijkheid niet volgens logische regels geargumenteerd wordt. Evenmin heb ik de (transcendentale) kritische opvatting gebruikt omdat verschillen van mening niet noodzakelijk opgelost worden met deugdelijke argumenten. Ik heb dus een antropo-relativistische redelijkheidsopvatting gehanteerd en een belangrijke rol toegekend aan het publiek.

De verschillende argumentatietheorieën verschillen niet alleen naargelang van hun redelijkheidsopvatting, maar ook naar gelang van hun doel. Drie benaderingen zijn hierbij mogelijk. Ten eerste is er de empirisch-descriptieve benadering, die nagaat welke uitgangs­punten en argumentatieschema’s in de praktijk als redelijk beschouwd worden. Ten tweede gaan sommige onderzoekers uit van een normatief-analytische opvatting. Dit houdt in dat ze zelf bepalen welke uitgangspunten en argumentatieschema’s als redelijk beschouwd moeten worden. Het doel van de diagnostische (of therapeutische) benadering ten slotte is de argumentatie te verbeteren. Daarvoor doet zij een beroep op descriptieve en normatieve theorieën.

Een andere doelstelling van de argumentatieleer is de samenhang tussen verschillende argumenten te achterhalen, met andere woorden de argumentatiestructuur te onderzoeken. Wanneer een stelling door meer dan één argument onderbouwd wordt, noemen we de argumentatie samengesteld. Samengestelde argumenten kunnen zich op drie manieren tot elkaar verhouden. Ten eerste kunnen ze afhankelijk zijn, dit wil zeggen dat ze enkel samen tot de conclusie kunnen leiden. Ten tweede kunnen we te maken hebben met onafhankelijke argumenten. Die leiden elk afzonderlijk tot de conclusie. Een derde vorm van samengestelde argumentatie is de ketenargumentatie, waarbij een stelling verdedigd wordt met een argument dat op zijn beurt onderbouwd wordt met een ander argument.

2. Theoretische achtergronden

Omdat geen van de bestaande argumentatietheorieën bij de praktische analyse van teksten bleek te voldoen, heb ik elementen uit verschillende theorieën samengevoegd. Deze elementen zijn : de begrippen aanvaardbaarheid, relevantie en voldoendheid uit de informele logica, het analysemodel van Toulmin en de argumentatietypologie van Schellens.

 

2.1 Aanvaardbaarheid, relevantie en voldoendheid

Volgens de antropo-relativistische redelijkheidsopvatting waar ik - bij mijn vorige eindverhandeling - van uitging, is een argumentatie deugdelijk als het publiek argument en argumentatieschema (het verband tussen argument en conclusie) redelijk vindt. Praktisch gezien betekent dit dat een deugdelijk argument aanvaardbaar, relevant en voldoende moet zijn.  Om deze begrippen - die uit de informele logica stammen - te definiëren, moet ik een nieuwe term introduceren, nl. premisse. De premissen in een argumentatie zijn zowel het argument op zich (ook wel premisse minor genoemd) als het argumentatieschema (ook wel premisse maior). Een premisse is aanvaardbaar als ze waar, waarschijnlijk of betrouwbaar is. Bij relevantie moeten we ons de vraag stellen of er een redelijk verband is tussen het argument en de conclusie, met andere woorden of het argumentatieschema aanvaardbaar is. Voldoendheid van een argu­ment, ten slotte, betekent dat de premissen genoeg bewijsmateriaal moeten verschaffen voor de conclusie. Men is er tot nu toe nog niet in geslaagd relevantie en voldoendheid bevredi­gend te beschrijven.

 

2.2 Het model van Toulmin    

De begrippen aanvaardbaarheid, relevantie en voldoendheid heb ik geïntegreerd in het analysemodel van S. E. Toulmin.[902] Ik zet hier kort zijn model uiteen zonder in te gaan op de filosofische achtergronden ervan. Toulmin ziet argumentatie als volgt. Iemand doet een uitspraak (in Toulmins terminologie ‘claim’; ook ‘stelling’) en daardoor moet hij de bewijslast ervoor op zich nemen. Hij kan deze stelling verdedigen door ‘data’ die de stelling steunen (gegevens of argumenten) aan te dragen. Deze argumenten kan hij op hun beurt verdedigen met andere argumenten en zo kan elk argument stelling worden (= ketenargumentatie). Het verband tussen stelling en argument (het argumentatieschema dus) wordt verzekerd door een ‘warrant’ of ‘justification’ (rechtvaardiging). De rechtvaardi­ging kan verdedigd worden met een ‘backing’ (ondersteuning). Uitzonderingen op de recht­vaardiging kunnen de vorm aannemen van een ‘reservation’ of ‘rebuttal’ (voorbehoud), waardoor de stelling verzwakt moet worden met een ‘qualifier’ (kwalificeerder). Het volgende voorbeeld zal dit alles duidelijk maken.

claim

Harry is a British subject.

datum    

Harry was born in Bermuda.

warrant

A man born in Bermuda will generally be a British subject.

rebuttal

If his parents are foreigners or if he has become a naturalized American, then the rule doesn’t apply.

qualifier

Presumably, he is a British subject.

backing

It is embodied in the legislation that, generally, people born in Bermuda are British.[903]

 

Ik heb bij mijn analyse enerzijds gebruik gemaakt van elementen uit Toulmins theorie waarvan ik de invulling enigszins aangepast heb, nl. stelling, argument, rechtvaardiging en ondersteuning; anderzijds van termen waar ik een eigen invulling aan gegeven heb, nl. hoofdar­gument, subargument en vooronderstelling. Een stelling is een descriptieve of normatieve uitspraak die verdedigd wordt met een argument. Een argument is een gegeven dat de stelling verdedigt, een rechtvaardiging verdedigt de stap van argument naar stelling. Toulmin geeft zelf toe dat het onderscheid tussen beide soms problematisch is. In de praktijk heb ik echter gemerkt dat een rechtvaardiging steeds twee elementen in zich draagt die in een als-danverbinding geplaatst kunnen worden, terwijl dat bij een argument niet het geval hoeft te zijn. De preciese vorm van een rechtvaardiging hangt af van het argumentatietype, maar het is meestal een als-danverbinding van argument en stelling. Er is ook nog een pragmatisch verschil tussen argument en rechtvaardiging : het argument is meestal expliciet aanwezig, een rechtvaardiging niet. De ondersteuning ten slotte kunnen we een argument voor de rechtvaardiging noemen.

Om van argumentatie te kunnen spreken moet er tenminste een expliciete stelling aan te wijzen zijn en een expliciet argument of een expliciete rechtvaardiging. Hierin verschil ik van mening met Toulmin, die stelt dat stelling en argument steeds expliciet aanwezig zijn. Uit de door mij onderzochte argumentatie blijkt dat dit niet het geval is. Bepaalde stellingen worden onderbouwd met een expliciete rechtvaardiging, terwijl het argument verzwegen wordt. Stelling, argument en rechtvaardiging zijn dus steeds aanwezig, expliciet of impliciet, ondersteuningen niet.

Omdat een stelling een uitspraak is die onderbouwd wordt door een argument, zou je kunnen stellen dat een argument dat onderbouwd wordt met een ander argument, ook een stelling is. Om uit deze impasse te geraken, gebruik ik de termen hoofd- en subargument. Een hoofdargument onderbouwt rechtstreeks een stelling die geen argument is voor een andere stelling, een subargument onderbouwt een ander argument of een ondersteuning.

Omdat sommige rechtvaardigingen vrij ondoorzichtig zijn en steunen op niet expliciete denkbeelden, heb ik de term ‘vooronderstelling’ ingevoerd. Een vooronderstelling is een denkbeeld dat schuilgaat achter een rechtvaardiging. Bijvoorbeeld, de rechtvaardiging ‘als door de afschaffing van de sociale zekerheid (SZ) tienduizenden Belgen in moeilijkheden komen, mag de SZ niet afgeschaft worden’ steunt op de vooronderstelling dat je te allen prijze moet vermijden dat zovele Belgen het moeilijk krijgen. Dit is echter niet evident want sommigen zullen de enorme besparingen door de afschaffing van de SZ belangrijker vinden.

Aangezien Toulmin ervan uitgaat dat de data accuraat zijn, hangt de deugdelijkheid van een argumentatie bij hem af van de rechtvaardiging. De rechtvaardiging moet de stap van argument naar stelling garanderen en moet acceptabel zijn. Ik heb de criteria van een deugdelijk argument uit de informele logica (aanvaardbaarheid, relevantie en voldoendheid) geïntegreerd in Toulmins model. In grove lijnen komt het erop neer dat ik de relevantie en voldoendheid van een argument verbind met de aanvaardbaarheid van dat argument of de rechtvaardiging erachter. Vooraleer ik dit in detail kan uiteenzetten, moeten we het hebben over de verschillende argumentatietypen. De relatie tussen aanvaard­baarheid, relevantie en voldoendheid aan de ene kant en argument en rechtvaardiging aan de andere kant verschilt immers naargelang van het argumentatietype.

 

2.3 Argumentatietypes

Een populair studieobject in de argumentatieleer zijn de argumentatietypes. F. H. van Eemeren en R. Grootendorst schrijven hierover :

“Het uitgangspunt in de studies over argumentatieschema’s is dat er verschil­lende typen argumenten kunnen worden onderscheiden en dat bij elk type kritische vragen horen die als criteria fungeren bij de beoordeling van de redelijkheid van de argumentatie.”[904]

Ik heb de typologie van Schellens als uitgangspunt genomen omdat die in de praktijk het makkelijkst te hanteren valt.[905] Schellens onderscheidt zes argumentatietypen : argumentatie op basis van regelmaat, op basis van regels, op basis van voor- en nadelen (= pragmatische argumentatie), op basis van autoriteit, op basis van voorbeelden en op basis van analogie. Aan elk van deze types wordt een hele reeks evaluatievragen verbonden. Die zal ik hier niet behandelen omdat ik ze vervangen heb door een kortere evaluatieprocedure. Een kleine tekortkoming aan Schellens’ indeling is dat zij ongelijksoortig is, wat niet vermeld wordt door de auteur. De ‘regelmaat’ en ‘regels’ waarvan sprake hebben immers betrekking op de rechtvaardiging, terwijl voor- en nadelen, autoriteit, voorbeelden en analogie verwijzen naar het argument zelf.

Essentieel in Schellens’ theorie is het onderscheid tussen descriptieve en normatieve uitspraken. Een descriptieve uitspraak heeft feitelijke pretentie en zegt dus iets over hoe de wereld is, was, of zal zijn. Zo’n uitspraak kan (in principe) nu of in de toekomst empirisch gecontroleerd worden. Een normatieve uitspraak geeft steeds een oordeel over iets.

 

De rechtvaardiging verbindt de gegevens (argumenten) en de conclusie (standpunt of stelling) met elkaar. Als dit verband berust op regelmaat, spreken we van argumentatie op basis van regelmaat. Volgens Schellens is er sprake van regelmaat

“[A]ls de leden van een klasse van eigenschappen, situaties, gebeurtenissen of acties onder bepaalde omstandigheden steeds of vrijwel steeds gepaard gaan met het optreden van de leden van een andere klasse van eigenschappen etc.” [906]

“Gepaard gaan met” kan zowel op een causaal als op een niet-causaal verband (correlatie) wijzen :

(1)

De politieke koorts stijgt. De verkiezingen zijn immers op komst.

Bij argumentatie op basis van regels wordt het verband tussen gegevens en conclusie verzekerd door gedragsregels (i.e. algemene uitspraken die aangeven wanneer een bepaald gedrag, een actie, maatregel of ingreep al dan niet op zijn plaats is) of waarderingsregels (i.e. regels die betrekking hebben op beoordelingen of waarderingen). De stelling moet steeds normatief zijn, het argument daarentegen kan ook van descriptieve aard zijn; met andere woorden de rechtvaardiging moet steeds een gedrags- of waarderingsregel zijn.

(2)

Turkije mag geen lid worden van de Europese unie want inbreuken op de mensenrechten mogen niet getolereerd worden.

(3)

Ik hou niet van Spanje want ik spreek geen Spaans.

De rechtvaardiging achter voorbeeld (2) (een normatieve stelling onderbouwd met een normatief argument) is een gedragsregel : ‘landen waar men de mensenrechten niet respec­teert, mag men niet toelaten tot de Europese unie’. De rechtvaardiging achter voorbeeld (3) (een normatieve stelling onderbouwd met een descriptief argument) is een waarderingsregel: ‘ik hou niet van landen waar ze een taal spreken die ik niet begrijp’.

Zoals reeds gezegd slaat de benaming van de overige argumentatietypen niet op de aard van de rechtvaardiging, maar op de aard van de gegevens. Bij argumentatie op basis van voor- en nadelen (pragmatische argumentatie) wordt dus in het argument een voor- of nadeel genoemd, dat het gevolg is van de actie die in de stelling beschreven wordt. Het houdt in dat je een toekomstige situatie of een mogelijke actie positief waardeert op grond van een voordelig gevolg ofwel negatief op grond van een nadelig gevolg. Je kan dus enkel normatie­ve stellingen (nl. stellingen over de wenselijkheid van een actie of maatregel) onderbouwen met pragmatische argumentatie. Het is niet voldoende dat het argument een voor- of nadeel noemt, om van pragmatische argumentatie te kunnen spreken. Het verschil tussen voorbeeld (4) en (5) maakt dit duidelijk.

(4)

Kerncentrales moeten gesloten worden want ze produceren radioactief afval.

(5)

Kerncentrales moeten gesloten worden want dan zal er minder radioactief afval geproduceerd worden.

Hoewel in voorbeeld (4) een nadeel van kerncentrales wordt aangehaald, is het geen pragmatische argumentatie, maar wel argumentatie op basis van regels. Het genoemde nadeel is immers geen gevolg van de actie die in de stelling wordt voorgesteld. Voorbeeld (5) is wel een pragmatische argumentatie want het genoemde voordeel (nl. minder radioactief afval) is een rechtstreeks gevolg van de in de stelling voorgestelde actie (nl. kerncentrales sluiten).

     Schematisch kunnen we pragmatische argumentatie als volgt voorstellen :             

Actie A leidt tot B

B is gewenst

Dus: actie A is gewenst                       

of

Actie X leidt tot Y

Y is ongewenst

Dus: actie X is ongewenst

Bij correcte pragmatische argumentatie wordt geïmpliceerd dat actie A geen nadelen tot gevolg heeft die voordeel B teniet doen en dat er geen alternatieve actie C is die een groter voordeel oplevert dan B (en dat actie X geen voordelen tot gevolg heeft die nadeel Y teniet doen en dat het enige alternatief voor actie X geen grotere nadelen oplevert). Een voorbeeld kan dit verduidelijken. Stel dat er meer energie en elektriciteit nodig is; een mogelijke argumentatie is dan :

 

(6)

Er moeten meer kerncentrales komen want dan kan er meer energie geproduceerd worden.

 

Deze redenering past perfect in het schema :

Actie ‘meer kerncentrales’ leidt tot ‘meer energie’

‘meer energie’ is gewenst

Dus: Actie ‘meer kerncentrales’ is gewenst.

Toch zullen sommigen hier niet mee akkoord gaan omdat (volgens hen) niet voldaan is aan de impliciete voorwaarden. De actie ‘meer kerncentrales’ draagt immers een nadeel in zich dat het voordeel van de energiewinst teniet kan doen, nl. radioactief afval. Bovendien zijn er alternatieve acties, zoals electriciteitswinning door zonne-energie, die hetzelfde voordeel kunnen opleveren met minder ernstige nadelen.

Uit bovenstaande schema’s blijkt dat pragmatische argumentatie een beroep doet op argumentatie op basis van regelmaat en regels. De eerste premisse (actie A/X leidt tot B/Y) duidt een causaal verband aan (= regelmaat), de tweede (B is gewenst/ Y is ongewenst) wijst op een waarderingsregel. Bovendien kunnen we de impliciete voorwaarden parafraseren als een algemene gedragsregel : ‘een actie die tegen de geringste kosten de hoogste baten oplevert, is te verkiezen boven andere acties’.

Argumentatie op basis van regelmaat, op basis van regels en op basis van voor- en nadelen noemt Schellens gebonden argumentatievormen. De reden hiervoor is dat ze slechts één soort uitspraak kunnen onderbouwen : argumentatie op basis van regelmaat kan enkel descriptieve uitspraken beargumenteren, argumentatie op basis van regels en op basis van voor- en nadelen enkel normatieve. Hierin verschillen ze van de ongebonden argumentatievormen (argumentatie op basis van autoriteit, op basis van voorbeelden en op basis van analogie) die zowel descriptieve als normatieve stellingen kunnen onderbouwen.

Wie argumenteert op basis van autoriteit zet zijn stelling kracht bij door te verwijzen naar een autoriteit die de stelling onderschrijft. Wanneer het een descriptieve stelling betreft, is het gezag van de aangehaalde autoriteit gebaseerd op deskundigheid : 

 

(7)

Roken is ongezond. Dit blijkt duidelijk uit de cijfers van het Ministerie van Volksgezondheid.

Bij een normatieve stelling ontleent de autoriteit zijn gezag aan zijn bevoegdheid :

 

(8)

Katholieken mogen geen anticonceptiemiddelen gebruiken want de paus heeft er zich tegen uitgesproken.

In een autoriteitsargument wordt dus steeds hetzelfde gezegd als in de stelling die het onderbouwt. Vandaar dat de volgende argumentatie geen autoriteitargumentatie is, althans niet op het hoogste niveau.

(9)

De aarde zal over vier miljard jaar vernietigd worden. Kondratieff, één van de voornaamste astronomen ter wereld, heeft immers berekend dat de zon dan zal exploderen.

Op het hoogste niveau hebben we hier te maken met een argumentatie op basis van regel­maat: ‘als de zon over vier miljard jaar explodeert, zal de aarde vernietigd worden’. Toch is de verwijzing naar Kondratieff een autoriteitsargument, maar dan wel een subargument ter onderbouwing van het hoofdargument (‘de zon zal over vier miljard jaar exploderen’). Verder moeten we steeds nagaan of de aangehaalde autoriteit deskundig of bevoegd is. Als dit niet het geval is, hebben we te maken met een autoriteitsdrogreden.

We hebben te maken met argumentatie op basis van een voorbeeld  wanneer gegevens over een lid van een klasse als argument worden gebruikt voor een conclusie over de hele klasse. Dit type argumentatie kan zowel descriptieve als normatieve stellingen onderbouwen (respectievelijk voorbeeld (10) en (11).

(10)    

Financiële steun aan ontwikkelingslanden komt steeds terecht in de verkeerdehanden. De ervaringen met Zaïre bewijzen dit.           

(11)

De overheid moet de financiële steun aan ontwikkelingslanden stopzetten. De ervaringen met Zaïre hebben dit overduidelijk gemaakt.

Het is vaak moeilijk een onderscheid te maken tussen een voorbeeld dat een stelling onderbouwt en een voorbeeld dat een uitspraak enkel illustreert. Dit onderscheid hangt uiteindelijk af van de interpretatie van de lezer. 

Voorbeeldargumentatie is verwant met inductie. Dit is de wetenschappelijke methode waarbij men aan de hand van waarnemingen uit een steekproef een algemene uitspraak doet over een hele klasse. Om tot een correcte algemene conclusie te leiden, moet de steekproef voldoende groot en typerend (representatief) voor het geheel zijn. Bij voorbeeldargumentatie moeten we de eerste eis laten vallen. Het is immers karakteriserend voor dit type argumenta­tie dat er slechts een beperkt aantal voorbeelden gegeven wordt, waardoor de steekproef nooit groot genoeg kan zijn. De enige eis die we dus kunnen stellen is dat de voorbeelden typerend moeten zijn voor een gehele klasse. Op grond hiervan kunnen we vragen stellen bij de correctheid van voorbeelden (10) en (11) : ‘Is Zaïre een typerend voorbeeld van een ontwikke­lingsland?’

Wanneer op basis van een aantal voorbeelden een universele uitspraak verdedigd wordt, is één tegenvoorbeeld voldoende om de argumentatie te ontkrachten. Wanneer het echter gaat om een niet universele uitspraak, verliest een tegenvoorbeeld aan kracht. De volgende voorbeelden maken dit duidelijk :

(12)

Alle zwanen zijn zwart want mijn neef heeft een zwarte zwaan.

(13)    

De meeste Belgen houden niet van volksmuziek uit Togo want de meeste van mijn vrienden hebben er een hekel aan

De argumentatie in voorbeeld (12) kan je ontkrachten door één witte zwaan te vinden; die in voorbeeld (13) kan je echter niet ontkrachten door één Belg aan te wijzen die wel van volksmuziek uit Togo houdt.

Argumentatie op basis van analogie ten slotte is nauw verwant met voorbeeldargumenta­tie. Terwijl men bij voorbeeldargumentatie op grond van een voorbeeld tot een algemene conclusie komt over de klasse waartoe het voorbeeld behoort, komt men bij analogieargu­mentatie tot een specifieke conclusie over een vergelijkbaar geval. Analogieargumentatie kan zowel descriptieve stellingen, zoals (14), als normatieve, zoals (15), verdedigen.

(14)

Deze beurscrach zal leiden tot massale werkeloosheid want in 1929 hebben we dat ook gezien.

(15)

Er moet ingegrepen worden in het voormalige Joegoeslavië want ook in het door Saddam Hussein bezette Kuweit is men tussenbeide gekomen.

De vooronderstelling achter descriptieve stellingen luidt : ‘in vergelijkbare gevallen gebeurt doorgaans hetzelfde’; die achter normatieve stellingen : ‘vergelijkbare gevallen dienen gelijkaardig behandeld te worden’. Om geldig te zijn moeten argument en conclusie in alle relevante opzichten vergelijkbaar zijn.

Nu ik de belangrijkste theoretische achtergronden uit de doeken heb gedaan, zal ik in de volgende paragraaf  uiteenzetten hoe ik de begrippen aanvaardbaarheid, relevantie en voldoendheid in het model van Toulmin geïntegreerd heb.

3. Een praktisch model bij de analyse van argumentatie

In deze paragraaf ga ik nader in op de inhoud van de begrippen aanvaardbaarheid, relevantie en voldoendheid en hun relatie met gegevens en rechtvaardigingen. Ook geef ik per argumentatietype een overzicht van de te volgen stappen bij de evaluatie van argumenta­tie. 

Volgens de informele logica moeten deugdelijke premissen aanvaardbaar, relevant en voldoende zijn. Ik pas deze criteria echter toe op argumenten en niet op premissen (i.e. argumenten + de relatie tussen argumenten en conclusie). Aanvaardbare argumenten zijn waar, waarschijnlijk of betrouwbaar. Relevantie houdt in dat er een adequaat inhoudelijk verband bestaat tussen de argumenten en de conclusie. Argumenten zijn voldoende als ze genoeg bewijsmateriaal leveren om de conclusie eruit af te leiden. De precieze invulling van de vragen ‘Is het argument aanvaardbaar?’, ‘Is het relevant?’ en ‘Is het voldoende?’, verschilt per argumentatietype.

Deze begrippen hebben een hiërarchische rangschikking. Eerst moet nagegaan worden of een argument aanvaardbaar is, vervolgens of het relevant is en ten slotte of het voldoende is. Wanneer een argument niet aanvaardbaar is, moet de relevantie niet meer onderzocht worden; als het niet relevant is heeft het geen zin meer de voldoendheid van naderbij te bekijken.

Afgezien van aanvaardbaarheid zijn deze termen nogal vaag gedefinieerd. De vraag rijst immers wat een adequaat inhoudelijk verband tussen argumenten en conclusie is, en wanneer er voldoende bewijsmateriaal is voor de conclusie. Omdat enkel aanvaardbaarheid een duidelijk begrip is, heb ik dit als uitgangspunt gekozen voor mijn analysemodel. Hierdoor is het noodzakelijk relevantie en voldoendheid te integreren in een begrip waar we de aanvaardbaarheid van na kunnen gaan. Afhankelijk van het argumentatietype heb ik relevantie en voldoendheid geïntegreerd in de aanvaardbaarheid van het argument of van de rechtvaardiging (behalve bij voorbeeldargumentatie, zie verder).

Voor alle types argumentatie geldt dat een argument aanvaardbaar gemaakt kan worden door een (aanvaardbaar, relevant en voldoende) subargument; een rechtvaardiging door een (aanvaardbare, relevante en voldoende) ondersteuning. Een argument, rechtvaardiging of stelling kan echter niet onaanvaardbaar worden door een niet deugdelijke subargumentatie. Het volgende nonsensvoorbeeld bewijst dit: ‘Radioactiviteit is schadelijk voor de gezondheid want dat is mij ingefluisterd door marsmannetjes.’

Op de vraag of argument en rechtvaardiging aanvaardbaar zijn, kan niet altijd een sluitend antwoord gegeven worden omdat het aanvaarden ervan soms afhangt van de mening van het publiek of van de interpretatie van de tekst. In wat nu volgt, behandel ik per argumentatie­type de stappen voor de evaluatie van de argumentatie (aan de hand van enkele voorbeelden).

 

In mijn studie De toekomst van het Nederlands. Een argumentatieanalyse heb ik argumentatie op basis van regelmaat steeds behandeld als oorzakelijke argumentatie - tenzij uitdrukkelijk anders vermeld. In de praktijk is het onder­scheid tusen oorzaak-gevolgargumentatie en correlatieve argumentatie immers problema­tisch. Bovendien gingen de auteurs in mijn corpus er meestal van uit dat een regelmaatsargumen­tatie een oorzaak-gevolgargumentatie is - ook als het een correlatieve is. De eerste stap in de evaluatie van regelmaatsargumentatie is de controle van de aanvaardbaarheid van het argument. We moeten ons dus de vraag stellen of wat in het argument gezegd wordt, waar, waarschijnlijk of op zijn minst betrouwbaar is. Toegepast op voorbeeld (16) betekent dit dat we ons moeten afvragen of de contacten tussen Vlaanderen en Nederland werkelijk beperkt zijn.

(16)

Het Nederlands zal uiteenvallen in twee varianten want de contacten tussen Nederland en Vlaanderen zijn beperkt.

     Bij argumentatie op basis van regelmaat hangt de relevantie en de voldoendheid van de argumenten af van de aanvaardbaarheid van de rechtvaardiging. Aangezien de rechtvaardi­ging meestal niet expliciet aanwezig is, moet de lezer een beroep doen op wat hij in de tekst vindt en op zijn kennis van de wereld om ze te reconstrueren. De rechtvaardiging kan een als-danverbinding zijn tussen gegevens en conclusie, maar het kan ook een algemenere als-danverbinding zijn. Een mogelijke rechtvaardiging voor voorbeeld (16) is : ‘als de contacten tussen twee gemeenschappen die dezelfde taal spreken beperkt zijn, dan zal hun taal uiteenvallen in twee varianten’. Rechtvaardigingen van dit type, i.e. rechtvaardigingen waarin in het dan-gedeelte een zekerheid wordt uitgedrukt, maken het argument relevant en voldoende, althans als de rechtvaardiging aanvaardbaar is bevonden. Dit betekent met andere woorden - als we ons beperken tot oorzakelijke regelmaatsargumentatie - dat het als-gedeelte een rechtstreekse oorzaak noemt van de situatie die in de stelling beschreven wordt. De rechtvaardiging achter voorbeeld (16) kan echter ook geformuleerd worden als: ‘als de contacten tussen twee gemeenschappen die dezelfde taal spreken beperkt zijn, dan kan hun taal uiteenvallen in twee varianten’. Deze rechtvaardiging maakt het argument enkel relevant. Het is niet voldoende omdat een beperking van de contacten niet noodzakelijk leidt tot twee varianten. Rechtvaardigingen waarin in het dan-gedeelte enkel een mogelijkheid en geen zekerheid wordt uitgedrukt, kunnen een argument enkel relevant maken. Dit betekent dat in het dan-gedeelte slechts een medeoorzaak gegeven wordt, een mogelijke oorzaak of een oorzaak die enkel aanleiding geeft tot een rechtstreekse oorzaak (van de situatie die in de stelling genoemd wordt). Dit laatste is het geval in voorbeeld (17).

(17)

Het Nederlands zal verdwijnen want het heeft weinig prestige.

Het feit dat het Nederlands weinig prestige heeft kan enkel aanleiding geven tot een situatie waarin het Nederlands kan verdwijnen, het is er geen rechtstreekse oorzaak van. Vandaar dat de rechtvaardiging luidt : ‘als het Nederlands weinig prestige heeft, kan het verdwijnen’.

De moeilijkheid bij argumentatie op basis van regelmaat bestaat erin te bepalen of we in het dan-gedeelte te maken hebben met een mogelijkheid of een zekerheid. Het is daarom nuttig op zoek te gaan naar kwalificeerders in de stelling. Dit zijn elementen die de auteur gebruikt om zijn stelling af te zwakken, zoals in voorbeeld (18), of kracht bij te zetten, zoals in voorbeeld (19). Deze kwalificeerders moeten dan in het dan-gedeelte van de rechtvaardi­ging geïntegreerd worden.

(18)

Misschien zal het regenen/ het zou kunnen dat het gaat regenen.

(19)

Het zal ongetwijfeld regenen/ natuurlijk gaat het regenen.

Soms moet de lezer echter voortgaan op zijn gezond verstand bij de formulering van de rechtvaardiging en de expliciete kwalificeerders negeren. Dit is het geval in het volgende voorbeeld.

(20)

Het heeft ongetwijfeld geregend want de straat is nat.

De correcte rechtvaardiging achter deze argumentatie is niet ‘als de straat nat is, heeft het

ongetwijfeld geregend’, maar wel ‘als de straat nat is, is het mogelijk dat het geregend heeft’. Een natte straat hoeft niet het gevolg te zijn van regen, er kan bijvoorbeeld ook een brand­kraan gesprongen zijn; met andere woorden het argument ‘de straat is nat’ is relevant, maar niet voldoende. Welke rechtvaardiging gekozen wordt, hangt uiteindelijk dus af van de lezer.        

Ook bij argumentatie op basis van regels moet eerst nagegaan worden of het argument aanvaardbaar is. Als het een descriptief argument is, zoals in voorbeeld (21), gelden dezelfde criteria als bij argumentatie op basis van regelmaat, nl. het moet waar, waarschijnlijk of betrouwbaar zijn.

(21)    

Kerncentrales moeten gesloten worden want men werkt er met uiterst radioactieve stoffen .

Dat men in kerncentrales met radioactieve stoffen werkt, staat buiten kijf. Dit argument is dus aanvaardbaar.

Als het een normatief argument betreft, zoals in voorbeeld (22), veranderen de criteria.

(22)

De veiligheidsmaatregelen in kerncentrales moeten strikt nageleefd worden want ongelukken met radioactief materiaal moeten vermeden worden.

Omdat waarderings- en gedragsregels gebaseerd zijn op conventies en voorkeuren (en dus plaats-, tijd- en persoonsgebonden zijn), kunnen ze nooit waar, waarschijnlijk of betrouwbaar zijn. Vandaar dat ik een aanvaardbare regel definieer als ‘een regel die geaccepteerd is door een groot deel van het publiek’. Hiermee begeven we ons op glad ijs want er is nagenoeg geen cijfermateriaal voor handen over de mate waarin regels geaccepteerd zijn; we kunnen enkel vertrouwen op ons gezond verstand. Er zal dus steeds discussie mogelijk zijn wanneer we een regel als aanvaardbaar beschouwen. Toch kunnen we zeggen dat de regel ‘ongelukken met radioactief materiaal moeten vermeden worden’ op instemming kan rekenen van een breed publiek en dus aanvaardbaar is.

Ook bij argumentatie op basis van regels hangt de relevantie en voldoendheid van een argument af van de aanvaardbaarheid van de rechtvaardiging. De rechtvaardiging is steeds een regel en kan geëxpliciteerd worden door argument en stelling in een als-danverbinding te plaatsen en eventueel te veralgemenen. Een algemenere rechtvaardiging voor voorbeeld (21) zou als volgt kunnen luiden : ‘zaken die een gevaar opleveren voor de volksgezondheid moet men afschaffen’. Indien de rechtvaardiging aanvaardbaar is, is het argument relevant en voldoende; als de rechtvaardiging niet aanvaardbaar is, is het argument niet relevant.

 

Enkel bij argumentatie op basis van voor- en nadelen en autoriteitsargumentatie heeft de aanvaardbaarheid van een argument gevolgen voor de relevantie ervan. Bij alle overige argumentatietypes staat de aanvaardbaarheid van een argument los van de relevantie of voldoendheid ervan.

Pragmatische argumentatie onderbouwt steeds een stelling waarin een oordeel wordt uitgesproken over een toekomstige situatie of actie door te wijzen op voor- of nadelen die het gevolg zijn van die situatie of die actie. Een pragmatisch argument omvat dus steeds een voor- of nadeel en de situatie of de actie die in de stelling beschreven wordt. Zo luidt het volledige argument in voorbeeld (23) : ‘wanneer het Engels onderwijstaal wordt aan de universiteiten, zal er een sociale taalgrens ontstaan’.

(23)

Het Engels mag geen onderwijstaal worden aan de universiteiten want dan zal er een sociale taalgrens ontstaan.

Een pragmatisch argument is relevant als het aangehaalde voor- of nadeel werkelijk voort­vloeit uit de situatie of de actie die in de stelling beschreven is. Als we nu tot de conclusie komen dat het argument uit voorbeeld (23) aanvaardbaar is, is het duidelijk dat het nadeel (het ontstaan van een sociale taalgrens) wel degelijk een gevolg is van de actie beschreven in de stelling. Met andere woorden als een pragmatisch argument waar, waarschijnlijk of betrouwbaar is, is het ook relevant; als het niet aanvaardbaar is, is het evenmin relevant.

Bij pragmatische argumenten bepaalt de rechtvaardiging dus enkel de voldoendheid. De rechtvaardiging heeft ook hier de vorm van een als-dan verbinding tussen argument en stelling, maar het dan-gedeelte of de vooronderstelling achter de rechtvaardiging bevat steeds een zinssnede als ‘koste wat kost’ of ‘te allen prijze’. De rechtvaardiging achter voorbeeld (23) luidt: ‘als er door de invoering van het Engels als onderwijstaal aan de universiteiten een sociale taalgrens zal ontstaan, moet koste wat kost vermeden worden dat het Engels onderwij­staal wordt aan de universiteiten’. De toevoeging van ‘koste wat kost’ of ‘te allen prijze’ is noodzakelijk. Zo wordt duidelijk gemaakt dat de mogelijke voordelen van de invoering van het Engels aan de universiteit kleiner zijn dan het genoemde nadeel en dat het handhaven van het Nederlands geen grotere nadelen zal meebrengen dan de invoering van het Engels.

 

Ook bij argumentatie op basis van autoriteit is er een verband tussen relevantie en aanvaardbaarheid. Een autoriteitsargument is aanvaardbaar als de autoriteit correct wordt aangehaald. Voor voorbeeld (24) moeten we dus nagaan of professor Ickxs dit werkelijk beweerd heeft.                    

(24)

De aarde zal over vier miljard jaar vernietigd worden. Professor Ickxs, hoogleraar Sinologie aan de universiteit van Leuven, zegt dit immers.

Een relevant autoriteitsargument moet inhoudelijk betrekking hebben op de stelling. Aangezien in de meeste autoriteitsargumenten ongeveer hetzelfde gezegd wordt als in de stelling, is zo’n argument relevant als het aanvaardbaar is.

De rechtvaardiging achter een autoriteitsargument bepaalt de voldoendheid en luidt steeds: ‘als autoriteit x zus zegt, dan is dat zo’. Dit is enkel aanvaardbaar als de autoriteit (in ons voorbeeld) bevoegd of deskundig is (op het gebied van astronomie) of wanneer vermeld wordt waarom iemand deskundig of bevoegd is. Vandaar dat in voorbeeld (24) de rechtvaar­diging niet aanvaardbaar is. Een sinoloog is geen deskundige in de astrologie.

 

Een argument op basis van een voorbeeld is aanvaardbaar als het waar, waarschijnlijk of betrouwbaar is of als het door een meerderheid geaccepteerd is. Het voorbeeldargument in voorbeeld (25) is aanvaardbaar want naar alle waarschijnlijkheid heeft Jef inderdaad meer zwarte dan witte zwanen.

(25)

De meeste zwanen zijn zwart want Jef heeft meer zwarte dan witte zwanen.

     Voorbeeldargumentatie is het enige argumentatietype waarbij we geen beroep doen op de rechtvaardiging om de relevantie en voldoendheid te bepalen. Om relevant te zijn moet voorbeeld x (uit het argument) werkelijk tot klasse y (uit de stelling) behoren. Het argument in voorbeeld (25) is dus relevant want zwarte zwanen behoren tot de klasse van de zwanen. Voor wat de voldoendheid betreft, moeten we nagaan of uit het aangehaalde voorbeeld een algemene regel te brouwen is, met andere woorden of er sprake is van een correcte inductie. De vraag die we ons moeten stellen is : ‘Is x een typerend voorbeeld van klasse y?’ Het is duidelijk dat zwarte zwanen geen typerend voorbeeld zijn van de klasse der zwanen. Het argument uit voorbeeld (25) is dus niet voldoende.

 

Wanneer we geconfronteerd worden met een argumentatie op basis van analogie, moeten we eerst nagaan of het argument aanvaardbaar is, met andere woorden of het waar, waar­schijnlijk, betrouwbaar of aannemelijk voor een meerderheid is. Voor voorbeeld (26) moeten we ons afvragen of er voor WO II werkelijk een opleving was van rechts extremisme.

(26)

Europa staat aan de vooravond van een nieuwe wereldoorlog, want ook voor WO II zagen we een opleving van rechts extremisme.

De rechtvaardiging achter analogieargumenten is een als-danverbinding van stelling en argument, die steunt op de vooronderstelling dat in gelijkaardige gevallen hetzelfde gebeurt of dient te gebeuren. Zowel relevantie als voldoendheid van een analogieargument zijn afhankelijk van de aanvaardbaarheid van de rechtvaardiging . De reden hiervoor is dat de vooronderstelling de voldoendheid bepaalt. Zonder de vooronderstelling (dat in gelijkaardige gevallen hetzelfde gebeurt of dient te gebeuren) kan je immers niet besluiten dat een toekom­stige situatie parallel zal of moet verlopen aan een gelijkaardige situatie uit het verleden. Die vooronderstelling kan echter pas meespelen als de rechtvaardiging aanvaardbaar is, vandaar dat zowel relevantie als voldoendheid afhangen van de rechtvaardiging.

De rechtvaardiging in voorbeeld (26) kunnen we als volgt formuleren : ‘als er ook voor WO II een opleving was van rechts extremisme, staat Europa aan de vooravond van een nieuwe wereldoorlog’. Deze rechtvaardiging kan enkel aanvaardbaar zijn als ‘de huidige situatie in Europa’ in relevante opzichten lijkt op ‘de situatie in Europa voor WO II’. Bij elke rechtvaardiging achter een analogieargument moeten we dus onderzoeken of het argument werkelijk analoog is aan de situatie zoals die voorgesteld wordt in de stelling. Als er markante relevante verschillen zijn tussen beide is de rechtvaardiging niet aanvaardbaar, het argument niet relevant. Of iets een relevant verschil is, kan echter van persoon tot persoon verschillen. Over voorbeeld (26) kunnen we zeggen dat er in beide situaties een opleving was van extreem rechts, maar markante verschillen zijn onder andere : de economische crisis van voor 1940 was veel zwaarder dan de huidige en extreem rechts krijgt nu meer tegenwind dan in 1940. De rechtvaardiging is dus niet aanvaardbaar, het argument niet relevant. 

 

Bijlage 0.2

 

Chronologisch overzicht van de taalwetgeving in België sinds de Franse tijd[907]

Deze lijst bevat de volgende informatie: officiële datum van uitvaardiging van de wet, de verordening, het KB of het decreet, inhoud, eventueel alternatieve benaming van de wet (bv. wet-Coremans), datum van publicatie in de Moniteur belge (M.B.) of Belgisch staatsblad (B.S.) (vanaf 3 maart 1895 verscheen de M.B. volledig tweetalig).

 

2 Frimaire Jaar IV (23 nov 1795)

pleidooien en vonissen moeten voor de rechtbanken in het Frans opgesteld zijn, decreet-Pérès-Portiez

28 Frimaire Jaar IV (19 dec 1795)

alle officiële documenten die niet in het Frans zijn geschreven, moeten vertaald worden op straf­fe van verwer­ping, decreet-Pérès-Portiez

24 Prairial Jaar XI (13 juni

1803)

besluit op het taalgebruik in authentieke akten

18 juli 1814

besluit op het taalgebruik in notariële akten

1 oktober 1814

KB op het taalgebruik in burgerlijke en rechterlijke akten

15 september 1819

KB op het taalgebruik in publieke akten

26 oktober 1822

KB op de uitbreiding van het KB van 15 september 1819 tot de arrondissementen Brussel en Leuven

18 juni 1823

KB op het taalgebruik in het M.O.

28 augustus 1829

KB’s op het taalgebruik in openbare akten en strafzaken

4 juni 1830

KB op het taalgebruik in bestuurszaken en gerecht

16 en 27 oktober 1830

besluit op het taalgebruik in het leger

16 november 1830

Het ‘Bulletin officiel des lois et actes du Gouvernement’ wordt in het Frans gepubliceerd, maar in de provincies waar Nederlands of Duits wordt gesproken les gouverneurs (...) sont autorisés à le faire traduire. Deze vertaling is echter niet officieel.

7 februari 1831

grondwet, art. 23 over de vrijheid van het taalgebruik

18 maart 1838

organieke wet voor de Koninklijke Militaire School, art. 4 over het onderricht van het Nederlands

17 augustus 1873

wet op het taalgebruik in strafrechtzaken, wet-Coremans (M.B. 26 augustus 1873)

22 mei 1878

wet op het taalgebruik in be­stuursza­ken, wet-Delaet (M.B. 24 mei 1878)

15 juni 1883

wet op het taalgebruik in het officieel middel­baar onder­wijs, wet-Coremans-de Vigne (M.B. 17 juni 1883)

10 juli 1883

KB op de wet op de arbeidsboekjes, art. 2: wettelijke bepalingen in de dienstboekjes van arbeiders moeten ook in het Nederlands

24 juni 1885

wet op de Buurtspoorwegen, art. 8 de wet van 22 mei 1878 zal door de Nationale maatschappij nageleefd worden (M.B. 25 juni 1885)

29 maart 1886

 

KB op de fabricatie van munten: tweetalige muntstukken (M.B. 4 april 1886)

6 mei 1888

wet op de reorganisatie van de militaire school, art. 5: het Nederlands zal aan de Koninklijke Militaire School gedoceerd worden zodat alle aspirant-officieren er een voldoende kennis van kunnen verwerven (M.B. 10 mei 1888)

3 mei 1889

wet op het taalgebruik in strafrechtzaken, wet-Coremans-de Vigne (M.B. 11 mei 1889)

10 april 1890

wet op het hoger onderwijs, art. 49: verplichte kennis van het Nederlands voor de magistra­tuur vanaf 1895 + invoering van Nederlandstalige colle­ges strafrecht en strafprocedure (M.B. 24 april 1890)

4 september 1891

wet op het taalgebruik in de beroepshoven van Brussel en Luik, wet-Coremans-Lejeune (M.B. 20 september 1891)

26 maart 1891

KB op zegels, art. 3: tweetalige zegels (M.B. 30/31 maart 1891)

30 juli 1894

wet op de vrijheid van taalkeuze bij de eedaflegging in het parlement (M.B. 22 september 1894)

4 september 1896

wet op de werkplaats­reglementen: het werkplaatsreglement moet in een voor de arbeiders verstaanbare taal bekend worden gemaakt (B.S. 13 september 1896)

9 september 1897

wet op de organisatie van de burgerwacht, art. 137: wet van 3 mei 1889 is ook van toepassing op tuchtzaken waarover de burgerwacht uitspraak doet (B.S. 11 september 1897)

18 april 1898

wet op het taalgebruik in officiële weteksten, gelijk­heidswet (B.S. 15 mei 1898)

15 juni 1899

wet op de herziening van het militaire strafwetboek, gebruik van Neder­lands voor mili­taire rechtbanken moge­lijk (B.S. 30 juni 1899)

26 maart 1900

wet op de Nationale Bank, art. 5 + art. 7: de N.B. moet de wet van 22 mei 1878 naleven (B.S. 28 maart 1900)

22 februari 1908

wet op het gebruik van het Nederlands in strafzaken in het arrondissement  Brussel, wet-Van Der Linden-Renkin (B.S. 1 maart 1908)

4 mei 1910

wet op het taalgebruik in het middelbaar onderwijs, wet-Franck-Se­gers (B.S. 15 mei 1910)

2 juli 1913

wet op het taalgebruik in het leger, wet-de Brocqueville (B.S. 31 juli 1913)