De politieke partijen en de taalwetgeving. Een argumentatieanalyse van de Kamerdebatten (1873-1963). (Maarten Van Ginderachter)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

DEEL 3: DE TAALWETTEN UIT HET TIJDPERK VAN HET ALGEMEEN ENKELVOUDIG MANNELIJK STEMRECHT (1918-1935)

 

III. Inleiding: de jaren ’30. De Bormsverkiezing en het Compromis des Belges

 

In dit inleidende hoofdstuk bij de taalwetten van de jaren 30 wil ik het vooral hebben over de factoren die de taalkwestie op het politieke voorplan plaatsten en over de houding van de partijen.

 

De doorbraak van het territorialiteitsbeginsel in de taalwetgeving

 

Toen Jaspar, eerste minister van de liberaal-katholieke regering, in juni 1929 verklaarde zijn politieke lot te verbinden aan een oplossing van het taalvraagstuk - beducht als hij ervoor was het Belgische eeuwfeest door enkele ongenode gasten te laten verstoren - voldeden ‘halfslachtige’ oplossingen niet meer. De regering zou het voortouw nemen van de taalwetgeving. Traditioneel heeft men de verklaring voor deze wending gezocht in de Bormsverkiezing en de Vlaams-nationalistische triomf bij de parlementsverkiezingen van 1929. Lode Wils heeft het belang van beide gebeurtenissen - symptomen van de ontwikkeling van een Vlaams natiegevoel in katholieke, kleinburgerlijke kringen - in de Vlaamse bewustwording gerelativeerd.[1360] Reeds tijdens de bespreking van de uitdovingswet en de legerwet van 1928 was volgens hem een kentering merkbaar. Al in het begin van 1928 had de regering Jaspar trouwens gealludeerd op een volledige oplossing van de taalkwestie[1361].

     Vanaf 1923 begon in Vlaanderen de agitatie voor amnestie aan personen die veroordeeld waren wegens oorlogsmisdaden. De actie kristalliseerde zich rond de figuur van August Borms. Op 9 december 1926 diende Van Cauwelaert samen met politici uit de drie nationale partijen[1362] een wetsvoorstel in “tot verlening van amnestie voor sommige misdaden en wanbedrijven, gepleegd tegen de veiligheid van de staat”.[1363] Op 6 december 1928, drie dagen voor de Bormsverkiezing, werd uiteindelijk een beperktere ‘uitdovingswet’ goedgekeurd.[1364] Vijf jaar lang had de amnestiekwestie de Vlaamse gemoederen kunnen verhitten.[1365]

     De amnestiecampagne was ondertussen verstrengeld geraakt met de strijd voor de taalwet op het leger. Uit de Kamerdebatten, die van juli tot september 1928 liepen, bleek volgens Wils een mentaliteitswijziging.[1366] In de Kamercommissie had een nieuwe geest geheerst, nl. één

“van begrip voor de Vlaamse eis tot gelijkberechtiging. Uit vrees dat die gelijkberechtiging zou leiden tot een officiële tweetaligheid in het hele land, had de wallingantische voorman Destrée tijdens het openbaar debat zijn vroegere stelling voor het behoud van de Franstalige universiteit in Gent prijsgegeven.”[1367]

Verschillende wallinganten en o.a. Van Cauwelaert hadden in 1928 aangedrongen op een gesamtregeling van de taalkwestie[1368] en de Fransgezinde liberalen hadden voor het eerst de tweeledigheid van België erkend[1369].

     H. Van Velthoven en E. Witte wijzen er ook op dat binnen de katholieke partij de angst voor een breuk zo groot geworden was na het travaillistische kabinet-Poullet-Vandervelde dat de partijtenoren (o.a. J. Renkin[1370]) bereid waren tegemoet te komen aan christen-democraten en flaminganten in een poging om de BWP en de Vlaams-nationalisten de pas af te snijden.[1371]

     In de eerste helft van 1929 kreeg de regering de beslissende zet in de rug. Het communistische gevaar, het irredentisme in de Oost-kantons en de verhevigde druk van het nationalisme in Nederland en België, die culmineerde in de overwinning van de Frontpartij bij de verkiezingen van 26 mei 1929, maakten de regering met de woorden van A.W. Willemsen ‘stormrijp’.[1372] Ten slotte speelde ook de verkiezingsnederlaag van de Waalse socialisten in 1929 een belangrijke rol volgens Wils. “[D]e Waalse kiezers [hadden] de wallingantische koers van de partij niet electoraal beloond”[1373] waardoor zij ontvankelijker werd voor de idee van taalhomogene gebieden (zie p. 331).

 

De houding van de politieke partijen

 

Socialisten

Op 16 maart 1929 lanceerde de BWP haar Compromis des Belges.[1374] Dit was een overeenkomst tussen de Waalse en Vlaamse socialisten, die een totaaloplossing van de taalstrijd wilde bieden. Uitgewerkt door Destrée maar vooral door Huysmans werd het meeondertekend door 14 Waalse en 12 Vlaamse socialisten.

     In de wetenschappelijke literatuur bestaat er heel wat onenigheid over het Compromis. Het ene kamp bestempelt het zoals Mieke Van Haegendoren als een sanctionering van “de taalhomogeniteit zowel van Vlaanderen als van Wallonië”[1375], “waarmee de Vlaamse socialisten mede de wegbereiders van de taalwetgeving van de jaren dertig” waren.[1376] De socialisten zelf beroemden zich hier ook op. Tijdens de Kamerbespreking noemden Léon Troclet (Luik) en Louis Piérard (Bergen) de bestuurswet resp. de onderwijswet van 1932 doordrukjes van het compromis.[1377]

     Lijnrecht hiertegenover staan H. Hasquin[1378] en Lode Wils, die schrijft:

“Het Compromis des Belges was niet, zoals dikwijls werd geschreven, een mijlpaal in de geschiedenis van de BWP, waarin deze laatste in haar geheel de eentaligheid van Vlaanderen zou hebben erkend. Het was een verkiezingsstunt waarin twaalf socialistische volksvertegenwoordigers met vijftien Waalse het programma van Destrée onderschreven: namelijk de tweetaligheid in de gemeenten waar een deel van het kiezerskorps zulks zou vragen, en zelfs elders nog anderstalige scholen voor kleinere minderheden. De flaminganten Eekelers en Gelders ondertekenden het niet.”[1379]

Wils is hier te streng. Het Compromis sprak nergens over een onderwijsregeling voor anderstaligen - daarvoor bleef het te vaag - en Eekelers ondertekende het wel degelijk[1380].

     Beide kampen zijn iets te voortvarend. Ze gaan voorbij aan het essentieelste kenmerk van deze compromistekst: de vage, polyinterpretabele formulering waarin elk het zijne kon lezen en waarrond dus een akkoord mogelijk was. Voor de Vlamingen was het belangrijk dat het elk streven naar separatisme, dat hen in Vlaanderen zou minoriseren, veroordeelde (art. 1) en dat het erkende dat “tous les services officiels de l’Etat (enseignement, administration, justice, défense nationale etc.) doivent employer en Flandre le néerlandais, en Wallonie, le français” (art. 2).[1381] De zin die hierop volgde, heeft heel wat historici hun hersenen doen pijnigen.

“Dès lors, le bilinguisme ne leur [i.e. de ondertekenaars] paraît qu’un expédient peu recommendable et particulièrement intolérable lorsqu’il est imposé par une contrainte directe ou indirecte; loin d’étendre celle-ci, ils pensent qu’il ne faut pas récourir au bilinguisme que dans des cas exceptionnels où il est indiqué par la nécessité ou le voeu des populations”.[1382]

De ambiguïteit wordt hier gecultiveerd. Ten eerste is het totaal onduidelijk of het enkel gaat om een veroordeling van de individuele tweetaligheid, van de tweetaligheid in de vermelde officiële domeinen of van beide. In de eerste interpretatie is het een toegeving aan de wallinganten, in de tweede aan de Vlaamsgezinden en in de derde aan beide groepen.

     Wat bedoeld wordt met de “voeu des populations” blijkt uit het derde artikel:

“3° Ils voient, dans les autonomies provinciale et communale, tradition trop oubliée de nos pays, le moyen le plus efficace de faire respecter la libre volonté des citoyens.
  Ainsi, il conviendra de laisser au suffrage universel, soit dans chaque province, soit dans chaque commune, le libre choix de la langue ou des langues qu’elles entendent employer pour leurs rapports avec les administrés.”
[1383]

In tegenstelling tot wat soms beweerd wordt, gold deze bepaling niet alleen de gemeenten van de taalgrens en van de Brusselse agglomeratie, maar alle Belgische gemeenten zodat de wallinganten feitelijk de eentaligheid van Vlaanderen verwierpen. Over de minderheden was er immers nog geen eensgezindheid, blijkens art. 7 waarin de ondertekenaars er zich toe verbonden binnen afzienbare tijd te onderzoeken “comment on pourrait respecter les droits des minorités linguistiques”.[1384]

     Toch was art. 3 dubbelzinnig genoeg om de steun van radicaal Vlaamsgezinden als Eekelers en Doms niet te verspelen. Ten eerste konden zij de gemeentelijke en de provinciale autonomie zo interpreteren dat die - via het algemeen stemrecht - enkel een keuzevrijheid inhield voor de taal waarin de plaatselijke besturen zich tot individuen richtten, waarbij de interne diensttaal van het bestuur, de onderwijstaal, de gerechtstaal en de commandotaal in het leger conform art. 2 de streektaal bleef. Ten tweede was het mogelijk de inbreng van het algemeen stemrecht te beperken tot een provinciaal referendum over de vraag welke taal gebruikt moest worden in (een bepaald domein van) het openbare leven.[1385] Provinciale referenda zouden steeds uitdraaien op een Vlaamse overwinning omdat de landelijke, Nederlandstalige bevolking de kleine stedelijke, francofone minderheid zou overvleugelen. Ten derde hadden de Vlaamsgezinde socialisten de mogelijkheid om met kiesdrempels te werken die de Franstaligen en hun sympathisanten nooit konden overschrijden.

     De wallinganten kregen ten slotte nog voldoening met art. 4 en 5. De staatsdiensten moesten gedecentraliseerd worden en gesplitst in Vlaamse en Waalse afdelingen, voor zover dit verenigbaar was met de eenheid van het bestuur. Tweetaligen zouden enkel in uitzonderlijke gevallen aangeworven worden, met respect voor de pariteit van de taalgroepen (art. 4). Met art. 5 legden de Vlaamsgezinden zich neer bij de toepassing van de taalvrijheid in Brussel: “Une situation spéciale sera réservée à l’agglomération bruxelloise selon les désirs de celle-ci.”[1386]

     Kortom, beide kampen van historici kunnen hun visie op het Compromis enkel staande houden door zich te vereenzelvigen met het Vlaamsgezinde resp. het wallingantisch-Fransgezinde uitgangspunt. M. Van Haegendoren c.s. zien over het hoofd dat het Compromis te veel achterpoortjes openliet om de tweetaligheid in Vlaanderen helemaal buiten te sluiten. Hoewel je niet kan ontkennen dat vooral Eekelers en de zijnen hadden ingebonden, was het niet, zoals L. Wils beweert, een totale overwinning voor de wallinganten rond Destrée en een volledige capitulatie van de Vlaamsgezinden:

“We doen het geen geweld aan als we vaststellen dat het de volgende essentiële eisen van Destrée omvat: 1. behoud van de eentaligheid voor Wallonië en voor de Franstalige ambtenaren en officieren; 2. behoud of herstel van de tweetaligheid in Vlaanderen via gemeentelijke referendums; 3. vrije verfransing van het Brusselse en van de taalgrens via tienjaarlijkse referendums. Heel het programma van Destrées Wallons et Flamands zit erin […] Inderdaad hield het compromis heel het statuut van [Jacques] Pirenne in, wat verdoezeld in gewilde onduidelijkheid.”[1387]

Afgezien van het feit dat er in het Compromis geen sprake was van tienjaarlijkse referenda[1388], gaat Wils eraan voorbij dat het in essentie ging om het herstel van de partijeenheid zonder gezichtsverlies voor een van beide groepen. De wallinganten waren wel degelijk teruggekomen op enkele van hun stellingen. Het Compromis liet het kiezerskorps enkel nog de expliciete keuze van de externe bestuurstaal. Carlier, een van de medeondertekenaars, had bij de besprekingen van de taalwet van 1921 nog een volledige taalvrijheid geëist voor Vlaamse gemeentebesturen wanneer 10% van de kiezers daarom vroeg. In zijn ‘Wallons et Flamands’ had Destrée er zelfs voor gepleit het kiezerskorps van een gemeente te laten beslissen over een Vlaams, Waals of Brussels regime voor het hele openbare leven.

“La nécessité a donc instauré, en Belgique, trois régimes linguistiques différents: le régime flamand, le régime français, le régime bilingue. Ne pourrait-on s’accorder pour définir avec précision les caractéristiques de ces trois régimes et, cela fait, permettre aux communes de choisir librement, par un vote secret de tous les électeurs (hommes et femmes), le régime qu’elles préfèrent?”[1389]

     Daarnaast hadden de socialistische wallinganten in 1921 nog principieel geweigerd de eentaligheid van Vlaanderen te aanvaarden. Typerend is een uitspraak van Destrée:

“[L]e flamand est parlé exclusivement dans les campagnes flamandes, tandis que les villes, à Anvers, à Gand, à Bruges, à Ypres, la population est, en très grande majorité, bilingue. [...] C’est le bilinguisme des cités flamandes qui nous permet d’y avoir la sensation que nous sommes en Belgique […]. Le jour où le français serait banni de la Flandre, nous y serions des étrangers autant qu’à Rotterdam ou à Utrecht. Nous avons donc à défendre le français chez nous, mais encore chez les Flamands.”[1390]

Nu erkenden zij met art. 2 in theorie de eentaligheid van het Vlaamse openbare leven. Ik kan het dus evenmin eens zijn met C. Kesteloot, die schrijft: “De fait, les principes qui régissent le Compromis figurent dans leur quasi totalité dans le dernier chapitre [...] de l’ouvrage Wallons et Flamands publié par Destrée en 1923.”[1391]

     Het Compromis werd, na een beslissing van het partijcongres van 7-8 juli 1929 doorverwezen naar een taalcommissie, met L. Troclet als verslaggever. [1392] Het bijgewerkte akkoord werd goedgekeurd op het partijcongres van 9-10 november 1929.[1393] Volgens Willemsen waren onder impuls van de wallinganten de ambigue tweetaligheidsclausules verdwenen.[1394]

     Het rapport-Troclet ging uit van het principe van de culturele autonomie. Het voorzag in de splitsing van het ministerie van Kunsten en Wetenschappen (punt 2) en de vastlegging van de taalgrens via een volksraadpleging van de inwoners van de taalgrensgemeenten (‘algemeen beginsel’). De Gentse universiteit zou trapsgewijs vernederlandst worden: 1/3 van de cursussen zou Franstalig blijven tot de docenten ervan met emeritaat gingen (punt 12). Punt 7 schoeide het onderwijs op territoriale leest:

“Het onderwijs zal in alle graden, in de taal van de streek gegeven worden. Deze regel zou opgelegd worden aan al de schoolinstellingen, die toelagen krijgen van de openbare machten en aan deze waarvan de leerlingen de geldigverklaring der diploma’s vragen.”[1395]

Vanaf het 5de leerjaar kon een facultatief tweedetaalonderwijs georganiseerd worden en in het MO was vanaf 14 de studie van de tweede landstaal verplicht (punt 8). Belangrijk is echter dat lessen in de andere landstaal niet uitgesloten waren.

“Op aanvraag van een groep van ouders, die ten minste 25 kinderen hebben die den ouderdom hebben bereikt om de lessen te volgen, zouden de openbare besturen een les in de andere taal moeten doen geven als de voertaal van de streek, met dien verstande dat dit slechts een bijkomende les zou zijn.”[1396]

Huysmans hield op het congres een rede waarin hij verder ging: “In het middelbaar onderwijs wordt Fransch onderwezen; een derde Fransche herhalingslessen doet geen kwaad. In andere partijen denkt men dat ook.” [1397] Op basis hiervan zou hij zijn ‘transmutatievoorstel’ opstellen (zie hoofdstuk 10, p. 412). Ten slotte erkende de BWP de noodzaak van afdoende sancties (subsidiestop en niet-homologatie van diploma’s).

     De taalcommissie van de BWP werkte ook nog een regeling uit voor het bestuur, voor het gerecht[1398] (zie hoofdstuk 11, p. 455) en voor het leger[1399].

     Volgens Lode Wils vervingen de socialisten het dubbelzinnige Compromis door het rapport Troclet omdat “[h]et kiezerscorps [...] haar afkeuring [scheen] te hebben uitgesproken voor het wallingantische opbod van de socialisten”.[1400] De parlementsverkiezingen van 1929 hadden de partij inderdaad 10% van haar stemmen en 8 van haar 78 zetels gekost. Het lijkt mij echter een te monocausale verklaring haar terugval en ‘koerswijziging’ toe te schrijven aan het electorale failliet van haar wallingantische programma in Wallonië. Het Compromis speelde immers geen rol van betekenis in de verkiezingscampagne[1401] en de wallingantische vleugel van de liberalen werd niet afgestraft[1402]. Mijns inziens was het dan ook vooral de electorale slagkracht van het Vlaams-nationalisme die de Waalse socialisten overhaalde. Angst voor tweetaligheid en taaleilandjes deden de rest. Soms wordt in deze context ook gewezen op het groeiende belang van de partijeenheid binnen de BWP in het aanschijn van de economische crisis.

     Andere factoren verklaren de terugval van de BWP. De liberalen en de Vlaams-nationalisten kwamen als grote overwinnaars, met elk vijf zetels winst, uit de verkiezingen. De katholieken hielden redelijk stand, maar verloren twee zetels.[1403] Höjer schrijft hierover: “Le corps électoral avait donc exprimé sa confiance dans la coalition gouvernementale, plus particulièrement dans le parti libéral.”[1404] De katholiek-liberale regering had tussen 1926 en 1929 op economisch en sociaal vlak een succesvolle politiek gevoerd.[1405] Dit verminderde de aantrekkingskracht van de BWP, die vooral gezien werd als een ‘crisispartij’, i.e. een partij die opkwam voor de kleine man in tijden van rampspoed. Bovendien was de terugval van de socialisten en de winst van de liberalen een te verwachten correctie. In 1925 had de BWP haar grootste overwinning ooit behaald. Ze was de grootste partij geworden met  39,43% van alle stemmen en had tien zetels gewonnen. De katholieken waren lichtjes achteruitgegaan en de liberalen hadden er tien zetels bij ingeschoten[1406]. Dat de socialisten in 1929 ondanks hun grote verlies toch nog hun op twee na beste score van het interbellum haalden, wijst ook in deze richting.

 

Katholieken

In de katholieke partij eiste het ACW vanaf 1929 de voortrekkersrol op in de taalkwestie.[1407] Belangrijk in deze evolutie was het conflict tussen de LNTC (Ligue nationale des travailleurs chrétiens), i.e. het Waalse ACW, en de conservatieve meerderheid van de Waalse katholieken over het monopolie van de sociale werken.[1408] De LNTC ging zich manifesteren “als een volwaardige partij [...] binnen de katholieke zuil”, met als gevolg, zo schrijven Wils en Gerard, dat het ACW een flamingantischer politiek ging voeren.[1409]

     Drie dagen vóór de publicatie van het Compromis des Belges trad het ACW als eerste grote nationale belangenvereniging “mede namens haar Waalse vleugel” naar buiten met een manifest[1410] dat uitging van twee hoofdgedachten:

“1) Dat Vlaanderen en Wallonië in hun geheel genomen eentalig zijn en dat bijgevolg het openbaar leven en alle officiële betrekkingen in Vlaanderen Vlaams en in Wallonië Frans moeten zijn, met uitzondering voor Groot-Brussel, voor de gemengde gemeenten der taalgrens en voor de duitssprekende gemeenten, voor welke gevallen een bijzonder regime moet worden vastgesteld.
2) Dat in de middenbesturen een aanpassing moet geschieden, zodat de bestuurlijke aangelegenheden voor het Vlaamse land in het Vlaams, deze voor Wallonië in het Frans behandeld worden, zonder tussenkomst van een vertaaldienst […].
Zodat rekening houdende met de regeling in vorige paragraaf voorzien, alle posten gelijkelijk verdeeld worden over Vlamingen en Walen, zonder dat het toekennen van deze ambten, de hogere inbegrepen, afhankelijk gemaakt worde van de kennis der tweede landstaal. Uitzondering dient gemaakt voor de verbindingsagenten, onmisbaar voor het behoud der bestuurlijke eenheid.
Van deze grondgedachten uitgaande vraagt het ACW dat de wetgeving eens voor goed België met een taalstatuut zou bedélen krachtens hetwelk de officiële taal van het bestuur, leger en gerecht, en de voertaal van het onderwijs in Vlaanderen Vlaams en in Wallonië Frans zal wezen […].”
[1411]

     Lode Wils contrasteert het - volgens hem - wallingantische Compromis des Belges met de duidelijke, flamingantische beginselverklaring van het ACW. De ACW-tekst is inderdaad Vlaamsgezinder, maar draagt ook de sporen van geschipper. In zijn ‘abstractheid’ zwijgt hij over bestaansrechten van minderheden in Vlaanderen. Met de bepaling dat Vlaanderen en Wallonië “in hun geheel genomen” eentalig zijn, kan je immers enkele kanten uit.

     Op 23 april publiceerde de Katholieke Unie haar verkiezingsmanifest dat de gelijkheid “in rechte en in feite aan het Vlaamse volk” beloofde.[1412] Het ACW trok na de verkiezingen onmiddellijk het initiatief naar zich toe en nam de Katholieke Vlaamse Landsbond en de Vlaamse Kamergroep op hun eigen terrein in snelheid.[1413] Op 24 juni 1929 al maakte een ACW-delegatie haar opwachting bij premier Jaspar. E. Rubbens drong aan op “de voortzetting van de sociale politiek der regering, en vooral de volledige en snelle oplossing van de taalkwestie in de zin van het taalstatuut van het ACW”.[1414]

     De christen-democraten en de flaminganten stonden sterk in de katholieke partij. Ze drongen aan op een nieuwe taalregeling in het besef dat de conservatieve katholieken en de liberalen hun steun nodig hadden om de voor de conservatieven zo belangrijke belastingvermindering door te voeren.[1415] Bovendien waren hun Waalse collega’s parlementair ongeorganiseerd zodat alleen de Vlaamse katholieken met de liberalen zouden onderhandelen over de nieuwe taalwetten.[1416]

 

Liberalen

De oplossing die de liberale partij naar voren schoof, leek, ondanks het protest van het Willemsfonds en het Liberaal Vlaams Verbond, sterk op het in februari 1929 gepubliceerde voorstel van Jacques Pirenne, de spilfiguur van de patriottische en Fransgezinde ‘Ligue nationale pour la défense de la langue française’. De taal van de meerderheid van de bevolking moest de officiële taal zijn, maar in gemeenten met 20% anderstalige inwoners kon een referendum gehouden worden over de vraag of het bestuur, het onderwijs en het gerecht tweetalig dienden te worden. De tweede landstaal zou in heel België verplichte leerstof zijn en de Franstalige universiteit van Gent moest blijven bestaan.[1417] Op 20 november namen de liberalen gas terug. Ze aanvaardden de vernederlandsing van de Gentse universiteit in ruil voor de bescherming van de minderheidsrechten in het lager en middelbaar onderwijs in Vlaanderen.[1418] Op 1 december 1929 bekrachtigde de liberale landsraad dit als het officiële partijstandpunt.[1419]

 

Vlaams-nationalisten

Het Vlaams-nationalisme, tot slot, verrechtste zienderogen in de jaren ’30.

“Veel meer dan de toch essentieel ideologische disputen in de schoot van het Vlaams-nationalisme was het de sociaal-economische toestand die tot een attitudeverandering bij de militanten leidde. Het snel verdwijnen van de ideologische weerstand tegen een nieuw partij- en samenlevingsmodel was een gevolg van de economische crisis. Er moet vooral worden gewezen op de dramatische proportie van de werkloosheid die in de eerste plaats de jongeren trof.”[1420]

Terwijl de minimalisten (zowel socialisten als christen-democraten) steeds nadrukkelijker de culturele autonomie op hun programma zetten[1421], opteerden de Vlaams-nationalistische Kamerleden met de woorden van B. De Wever “meer en meer voor een ‘verrottingsstrategie’. De constructieve wettige wet werd principieel afgewezen omdat het de vernietiging van België niet dichterbij bracht.”[1422]

 

 

IV. De wetten van de jaren ’30

 

Hoofdstuk 8: De wet van 5 april 1930

 

1. Inleiding

 

Toen op 29 oktober 1929 de discussie over de Gentse universiteit in de ministerraad begon, was de Nolfbarak, na zeven bewogen jaren, nog steeds gecontesteerd. De Ecole des Hautes Etudes, in 1923 met drie haasten opgericht als Franstalige tegenhanger, was een te duchten concurrent. Daarenboven hadden het Algemeen Vlaams Hoogstudentenverbond en het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond opgeroepen tot een boycot van de ‘half en Nolf-universiteit’, die in de eerste jaren succesvol was.[1423]

     Eerste minister Jaspar (Luik) deed de liberalen beloften inzake lager en middelbaar onderwijs zodat op 21 november het akkoord over de vernederlandsing van Gent rond was.[1424] Op 25 november werden de ministers verondersteld het ontwerp te ondertekenen. Omdat Hymans (Brussel), de liberale minister van Buitenlandse Zaken, zijn greep had verloren op 1/3 van zijn mandatarissen, die de vernederlandsing in elk geval afkeurden, vroeg hij uitstel, maar kreeg er geen. De liberale ministers weigerden daarop hun handtekening te plaatsen. Er restte Jaspar niets anders dan het ontslag van zijn kabinet in te dienen.

     Een coalitiewissel was niet aan de orde. De BWP had op haar congres van 9-10 november 1929 elke regeringsdeelname uitgesloten. De liberalen van hun kant wisten dat onder een christen-democratisch-socialistische regering de vernederlandsing van de Gentse universiteit onvermijdelijk was zonder dat zij de hen dierbare garanties voor de minderheden in het onderwijs zouden krijgen. Bovendien vreesden ze de financiële en sociale politiek van zo’n regering.

     Het ontslag had het gewenste effect: de liberale ministers konden zich verzekeren van de steun van hun partij. Na op 4 december met dezelfde ploeg de draad weer opgepakt te hebben, legde Jaspar op 10 december een regeringsverklaring af. De Gentse universiteit zou vernederlandst worden met behoud van enkele niet-verplichte Franstalige cursussen. In het LO en MO zou de moedertaal de onderwijstaal zijn en moest het nodige respect opgebracht worden voor de vrijheid van het gezinshoofd. De liberalen en de katholieken spraken hun vertrouwen uit in de regering, maar sommige Kamerleden maakten een voorbehoud. Enkele Vlaamse katholieken eisten taalwetten voor het bestuur en het leger en vonden het respect voor het gezinshoofd te ver gaan: minderheden mochten niet dezelfde rechten krijgen als de Vlaamse massa[1425]. Een aantal liberalen (o.a. Cocq) keurden, ondanks hun steun aan de regering, haar taalpolitiek af.

 

2. Verloop van de parlementaire procedure

 

Het op 10 december 1929 ingediende wetsontwerp[1426] voorzag in het volgende. Vanaf oktober 1930 werd het Nederlands trapsgewijs ingevoerd als onderwijstaal aan de Gentse universiteit, aan de technische scholen vanaf het academiejaar 1935-36.[1427] De studenten die vóór oktober 1930 hun studie begonnen waren, mochten het Nolfregime blijven volgen (art. 1, 2 en 3). Er kwamen niet-verplichte Franstalige cursussen (art. 4)[1428] en de verworven rechten van de professoren en docenten bleven gevrijwaard (art. 7).

     De centrale afdeling keurde deze tekst (met enkele zuiver redactionele aanpassingen) op 28 januari 1930 goed.[1429] In acht Kamerzittingen van 6 februari tot 5 maart 1930 werd het ontwerp besproken. De zetels waren op dat moment als volgt verdeeld:

 

 

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

43[1430]

9[1431]

24[1432]

= 76

liberalen

10

7

11

= 28

socialisten

24

8

38

= 70

fronters

9

1

-

= 10

andere[1433]

2

1

-

= 3

 

= 88

= 26

= 73

 

 

Van de elf regeringsleden hadden er acht zitting in de Kamer: drie Vlaamse christen-democraten en twee Waalse katholieken, een Brusselse en twee Waalse liberalen.

     Art. 1, de kern van het ontwerp, werd aangenomen met 155 stemmen voor, 10 tegen en 6 onthoudingen.[1434]

stemden voor

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken[1435]

41

8

24

= 73

liberalen

8

3

9

= 20

socialisten

21

7

21

= 49

fronters

9

1

-

= 10

andere

2

1

-

= 3

 

81

20

54

 

 

stemden tegen

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

0

0

0

= 0

liberalen

0

3

1

= 4

socialisten

0

0

6

= 6

fronters

0

0

-

= 0

andere

0

0

-

= 0

 

0

3

7

 

 

onthielden zich

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

0

0

0

= 0

liberalen

2

0

0

= 2

socialisten

0

0

4

= 4

fronters

0

0

-

= 0

andere

0

0

-

= 0

 

2

0

4