De politieke partijen en de taalwetgeving. Een argumentatieanalyse van de Kamerdebatten (1873-1963). (Maarten Van Ginderachter)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

DEEL 2: DE TAALWETTEN UIT HET TIJDPERK VAN HET ALGEMEEN MEERVOUDIG MANNELIJK STEMRECHT (1894-1914)

 

I. Inleiding

 

De sociaal-economische en politieke evolutie van België

 

Tijdens de twee laatste decennia vóór WO I begon België aan een steile economische opgang, waar ook Vlaanderen de vruchten van plukte: Kempense steenkool werd ontdekt en de haven van Antwerpen groeide. Er ontstond een klasse van bewust Vlaamse ondernemers (Lieven Gevaert, het Vlaamsch Handelsverbond). Daarnaast kende de tertiaire sector een grote uitbreiding dankzij de modernisering en bureaucratisering van de staat. Vlaamse ambtenaren en bedienden, die de taalongelijkheid aan den lijve ondervonden, stonden open voor een Vlaamsgezinde politieke actie. Deze ‘witteboordflaminganten’ organiseerden zich vanaf 1910 in een ‘Vereniging van Vlaamse Staatsbedienden’.[567]

     Cruciaal in de politieke ontwikkeling van België was de vervanging van het cijnsstemrecht door het algemeen meervoudig mannelijk stemrecht (AMMS) in 1893. Het aantal kiezers vertienvoudigde in één klap tot 1.370.687, maar door het systeem van extra stemmen voor gezinshoofden, eigenaars en gestudeerden was 39% van de stemmen in handen van 60% van de kiezers. De eerste verkiezingen onder het nieuwe stelsel schokten de goegemeente. Ondanks de zetelwinst van de katholieken, maakten 27 Waalse socialisten hun opwachting in de Kamer, naast de kleine liberale fractie (21 man), die voornamelijk bestond uit radicalen.[568] Ook de christen-democratie en het daensisme deden hun intrede. Omdat de katholieken vreesden alleen te komen te staan tegenover het ‘rode gevaar’ en de Vlaams-Waalse tegenstelling op de spits te drijven, vervingen ze in 1899 het meerderheidsstelsel door de evenredige vertegenwoordiging (EV). Bij de verkiezingen van 1900 verloren ze meteen 1/5 van hun zetels (18 in Vlaanderen en 10 in Brussel) en tot 1912 zou hun meerderheid blijven slinken. De Vlaamse socialisten maakten in 1900 hun entree in de Kamer (drie verkozenen) en de Vlaamse liberalen ‘herrezen uit de dood’.[569]

     Van 1884 tot 1914 waren homogeen katholieke regeringen aan de macht, die steunden op het katholieke monopolie in Vlaanderen (vóór 1899 hadden maximaal twee Vlaamse liberalen zitting in de Kamer). Een zestal factoren verklaren dit overwicht volgens Wils.[570] De verdediging van de godsdienst en de landbouwbelangen speelde een belangrijke rol in het godsvruchtige, rurale Vlaanderen. Daarnaast gingen een aantal liberaalgezinden voor de katholieke partij stemmen, de behoeder van het status quo tegen de radicale liberalen en de socialisten. Desondanks slaagde de partij erin een zekere aanhang te verwerven onder de arbeidersbevolking door een christelijke arbeidersbeweging onder haar vleugels te nemen en een aantal sociale maatregelen goed te keuren. Ten slotte waren ook het antimilitarisme en de Vlaamsgezindheid aantrekkingspolen.

De evolutie van de houding van de politieke partijen tegenover de VB

Over de Vlaamsgezindheid van de katholieke partij in deze periode lopen de meningen uiteen. Volgens Lode Wils versmolten vanaf de jaren 1880 de Vlaamse en de christelijke arbeidersbeweging met elkaar[571], waardoor “de Vlaamse Beweging eindelijk een volksbeweging” werd.[572] J. Craeybeckx echter wijst erop dat de VB niet doorbrak bij het fabrieksproletariaat, maar enkel bij de landarbeiders, de kleine ambachtslui en de keuterboeren en dat de katholieke flaminganten de sociale wetgeving niet steunden[573]. Voor H. Van Velthoven bestaat er weinig twijfel over de kwestie:

“Onder druk van het episkopaat werd de kristen-demokratische taktiek afgestemd op een verzoeningsgezinde houding, die lang aan overgave grensde, om op die manier politieke erkenning te verkrijgen. In die omstandigheden kon het zich nauwelijks permitteren zich met een andere kontesterende beweging [nl. de Vlaamse] te kompromitteren.”[574]

Enkel in het daensisme kwam het volgens hem tot een echte osmose.[575] A.W. Willemsen van zijn kant ziet hooguit 10 radicaal Vlaamsgezinde katholieken in de Kamer vóór WO I, die weliswaar een aanzienlijke invloed hadden voor zover hun wensen strookten met die van het episcopaat.[576] Wat we echter niet kunnen ontkennen, en hiermee sluit ik me aan bij Elias, is dat er vanaf de jaren 1880 een “verschuiving van het zwaartepunt der Beweging naar de katholieke partij en de katholieke groepen in Vlaanderen” was.[577]

 

     In de liberale partij stonden de flaminganten sinds de schoolstrijd met de rug tegen de muur. “Dat kwam”, volgens Van Velthoven, “door het Waals parlementair monopolie, het ontstaan van Waalse ambtenarenkringen in de grote Vlaamse steden, de bijkomende tegenstellingen tussen radikalen en doktrinairen.”[578] De EV bracht hierin verandering. In 1900 raakten 14 Vlaamse liberalen verkozen, tegenover 5 Brusselse en 15 Waalse. De partij borg haar rabiaat anti-Vlaamse houding op[579] en vanaf 1907 herleefde het liberale flamingantisme[580]. Volgens Willemsen streefde ongeveer de helft van de Vlaamse liberale Kamerleden niet alleen naar “de integrale vernederlandsing van Vlaanderen” - een idee van vrijzinnige flaminganten trouwens - ze stonden ook veel sterker in hun partij dan de katholieke flaminganten. De ‘franskiljonse’ burgerij was zelfs in het defensief gedrongen.[581] E. Durnez betwist deze visie: “Vóór 1914 werd het ideaal van Vuylsteke niet bereikt: de Liberale Partij in Vlaanderen werd wel een beetje Vlaamser, maar dat veranderde niets wezenlijks aan haar Fransgezind karakter.”[582]

 

     Over de Vlaamsgezindheid van de socialisten hebben al heel wat historici hun hoofd gebroken.[583] L. Wils heeft hun afwezigheid uit de Vlaamse ontvoogdingsstrijd bekritiseerd als een afwijking van de regel. De Europese socialisten namen volgens hem steeds het voortouw in de nationale bewegingen.[584] J. Craeybeckx daarentegen stelt

“dat er vóór 1914 in de schoot van de Tweede Internationale geen dergelijk patroon bestond. Het internationaal Klassenstrijdaspect [...] stond feitelijk het dichtst bij de opvattingen van de toonaangevende meerderheid in de schoot van de Tweede Internationale.”[585]

Volgens J. Debrouwere hebben de socialisten zich enkel met het nationalisme verbonden in landen waar een feodaal systeem de burgerlijke vrijheden beknotte. Eenmaal die veroverd, werd het een zuiver behoudend instrument waarmee de burgerij zich omhoog hees. Het is volgens hem logisch dat de socialisten daar geen hand in wilden.[586] Deze analyse sluit aan bij die van Miroslav Hroch.

     Het partijprogramma van de BWP sprak zich uit voor de gelijkheid van de landstalen, maar in het eerste decennium van de 20ste eeuw werd het een vrije kwestie omdat de Fransgezinde, Waalse vleugel het er moeilijk mee kreeg. De Vlaamse socialisten van hun kant waren geen “geëngageerde Vlaamsgezinden”[587], enkel in de Antwerpse federatie was het flamingantisme (vanaf 1894) ideologisch geïntegreerd.[588]

“Hen daarom als ‘onvlaams’ evalueren, of hen een volstrekt onverschillige houding aanwrijven, lijkt een wat gevoelsgeladen en a-prioristische benadering. [...] De Vlaamse kwestie beschouwden ze als een weliswaar rechtvaardig, maar toch ondergeschikt streefdoel, dat na de overwinning van de demokratie, na het afdwingen van algemeen stemrecht, een oplossing zou krijgen.”[589]

Immers de Vlaamse BWP was door en door Vlaams: haar leden spraken enkel Nederlands, “de propaganda gebeurde dan ook uitsluitend in de volkstaal”.[590]

     Deze relatieve verwaarlozing wordt aan een samenspel van factoren toegeschreven. Ten eerste wijzen historici op het Waalse electorale overwicht in de BWP.[591] Tot WO I werden maximaal vijf Vlaamse socialisten voor de Kamer verkozen tegenover 31 Waalse en Brusselse[592], die sowieso al minder begrijpend en zelfs vijandig stonden tegenover de VB. Ten tweede was er het klerikale en conservatieve imago van de flaminganten.[593] Het experiment van de Commune van 1871 had de kloof tussen socialisten en flaminganten, die als leden van de kleinburgerij de klassenstrijd verfoeiden, verbreed.[594] Bovendien verwaterde volgens Wils het radicalisme, dat oorspronkelijk nauw verbonden was met de VB, na 1870 snel.[595] Het cultuurflamingantisme dat de Vlaamse massa een volkseigen elite wou geven, wezen de socialisten als een kapitalistische machinatie van de hand.

     Ten derde hadden volgens L. Wils de socialisten, via de inbreng van radicale liberalen, de ‘antinationale’ nalatenschap van de Franse revolutie geërfd. Onder invloed van de reactionaire encycliek ‘Quanta cura’ van december 1864 hadden ze definitief de strijd voor de vrije gedachte, tegen het geloof verkozen boven de Vlaamse ontvoogding.[596]

     Ten slotte moet ook de coöperatieve organisatie van de Vlaamse BWP in rekening gebracht worden.

“De Belgische sociaal-democratische partij bouwde zich uit als een los federatief verbond van regionale coöperaties, vakbonden en mutualiteiten, waarvan de leden collectief bij de partij werden aangesloten. Veel meer dan de politieke kringen of zelfs de vakbonden, beoogden de coöperaties als basisorganisaties uitsluitend de materiële lotsverbetering van de arbeidersklasse. [...] Deze organisatievorm verklaart in belangrijke mate het pragmatisme van de BWP, haar dominante belangstelling voor de materiële lotsverbetering van de arbeiders. ”[597]

Het resultaat hiervan was dat “in de BWP [...] weinig plaats was voor doctrinaire discussies (over de Vlaamse kwestie b.v.)”.[598] De partij had met andere woorden geen socialistische interpretatie van de taalstrijd.[599]

     H. Balthazar heeft een ander facet van de coöperatieve beweging belicht. “Naarmate deze doorwoog versterkte het een kleinburgerlijke mentaliteit. Dit had o.m. ook een invloed op de opvattingen inzake een zgn. Belgisch nationaal karakter.” Men geloofde “in de noodzaak van een socialisme ‘van het gezonde verstand’, aangepast aan de partikulariteiten van het Belgisch temperament.”[600] Het gevolg was dat in de Vlaamse vleugel van de BWP de belangrijkste leiders streefden “naar een image van deugdelijk Belgisch staatsmanschap”. Door de zeer ongelijke inplanting van de partij in Vlaanderen - uitsluitend in fabriekssteden - en de ermee samenhangende neiging om “sterk [te] blijven inspelen in attitudes en taalgebruik op het partikularisme van de eigen stedelijke arbeidersmassa” had deze ‘Belgischgezindheid’ weinig affiniteit met het nationaliteitenvraagstuk.

“Ook in Wallonië kende de socialistische beweging dit partikularisme, maar in tegenstelling tot de stedelijke getto-vorming in Vlaanderen, was het aldaar meer regionaal gespreid. [...] Daarenboven bracht de bijna onmiddellijke meerderheidsposities in Henegouwen en Luik mee dat het ouvriëristische partikularisme in Wallonië gemakkelijker in symbiose kon komen met een zeker wallingantisme. Vanaf de eerste fase dus stond het Waalse socialisme helemaal anders ingesteld tegenover het wallingantisme dan het Vlaamse socialisme tegenover het flamingantisme, maar dit bleef vrij lang gemaskeerd in de unitaire poging van de B.W.P., een sterke partij in Belgisch nationaal kader te maken.”[601]

     Beïnvloed door die kleinburgerlijke tendensen beschouwden de Vlaamse socialisten - denken we maar aan Anseele sr. - het Frans als een middel om respectabiliteit af te dwingen. Eentaligheid wezen ze ook om materiële redenen af: tweetalige arbeiders konden het verder schoppen.

     Het slotwoord over de invloed van de VB in de partijen gun ik aan H. Elias:

“Er was aldus, door de conservatief-traditionalistische inslag van het katholieke flamingantisme, de mogelijkheid geschapen van een tegemoetkoming der katholieke partij tot op een door de omstandigheden te bepalen grens van de Beweging. Dit was een veel gunstiger toestand dan bij de vrijzinnigen, zowel liberalen als socialisten, die daarenboven hun zwaartepunt hadden in het Waalse land. Daar tegenover moet men rekening houden met de mogelijkheid van heel wat groter hinderpalen op de weg der katholieke flaminganten. De grootste dezer hinderpalen was het bisschoppelijk gezag, zowel rechtstreeks op het gebied der Vlaamse eisen als onrechtstreeks in het partijleven.”[602]

De evolutie van de taalwetgeving, de Vlaamse beweging en de Waalse beweging

Over de taalwetten die tussen 1884 en 1900 aan het lijstje toegevoegd werden (zie Bijlage 0.2), woedt een hevige polemiek. In de ogen van Van Velthoven c.s. net zo krakkemikkig als tevoren, waren ze volgens de Wils-school radicaler dan ooit en erkenden ze de eentaligheid van Vlaanderen of de tweetaligheid van heel België. Dat het na 1900 niet veel zaaks was, daarover zijn ze het allen eens. Van Velthoven wijt dit aan de katholieke partij zelf (zie III. Besluit: De taalwetten uit het tijdperk van het algemeen meervoudig mannelijk stemrecht, p. 203)[603], terwijl Wils de EV en de daaruit voortvloeiende slinkende meerderheid van de katholieken als oorzaak aanwijst. De Vlaamse katholieken moesten voortaan (tevergeefs) op de steun rekenen van Vlaamse liberalen en socialisten.[604]

 

     Op politiek vlak veranderde er niet zo veel in de VB. Een eigen Vlaamse partij kwam er niet, daarvoor miste ze een totaalprogramma. De flaminganten bleven binnen hun respectieve partijen voor hervormingen ijveren. Dit droeg er, volgens M. De Vroede, toe bij dat de VB vóór WO I niet nationalistisch werd en bleef strijden “pour des réformes au sein de l’Etat, non pour une modification de sa structure”.[605] De agitatie rond de gelijkheidswet zorgde voor een kortstondige partijoverschrijdende samenwerking, die pas door de campagne rond de vernederlandsing van de Gentse universiteit vanaf 1910 nieuw leven werd ingeblazen.

     Zoals het enkelvoudige stemrecht na WO I, hielp het AMMS de VB over een dood punt heen. Binnen het censitaire stelsel had zij immers haar grenzen bereikt. Rond de eeuwwende ging ze volledige taalgelijkheid met Wallonië opeisen.[606] De gelijkheidswet was hier de emanatie van. Binnen de beweging kwam een discussie op gang over de wenselijkheid van de tweetaligheid van heel België of de eentaligheid van Vlaanderen. Die laatste optie won het pleit rond 1910.[607] Toch mogen we de draagwijdte hiervan niet overschatten. Het bleef

“een feit dat de meesten [van de flaminganten], zoniet allen - akkoord gingen over de noodzakelijkheid van een zover gevorderde kennis van het Frans, dat die alleen te bereiken was ofwel door een gedeeltelijke verfransing van het onderwijs, ofwel door te leven in een milieu waar het Frans, aangeleerd in de school, ook een gelegenheid vond om omgangstaal te worden.”[608]

De doorbraak van de eentaligheidsgedachte was te danken aan J. MacLeod en L. De Raet. De VB bevrijdde zich uit haar nauwe taalstrijdcorset en kreeg aandacht voor de sociaal-economische ontvoogding van Vlaanderen: het cultuurflamingantisme zag het licht. Het middelbaar en hoger onderwijs moesten een volkseigen elite vormen, die de volkskracht van de Vlaamse massa zou activeren en haar uit het materiële en intellectuele isolement zou trekken. In de groeiende Vlaamse dienstensector, waar men hypergevoelig was voor taalachterstelling en -barrières, had men wel oren naar deze ideeën.[609]

 

Het belangrijkste versnellingsmoment van de Waalse beweging in de 19de eeuw was het Waalse verzet tegen de gelijkheidswet in 1897-1898[610]. In Luik richtte Julien Delaite zijn ‘Ligue wallonne’ (1897) op die tot 1912 de Waalse beweging zou domineren, maar zowat de enige haard van Waals verzet zou blijven. Vóór WO I was de WB een weinig populaire aangelegenheid van bezittenden en beter opgeleiden, waarin de liberalen de boventoon voerden.

     In de aanvangsjaren was er van separatisme, federalisme of regionale autonomie geen sprake, zoals C. Kesteloot opmerkt.

“Le mouvement wallon naissant s’inscrit donc dans une perspective belge telle qu’ont été définis les contours et surtout l’identité linguistique de cet Etat en 1830. Il considère l’acquisition de la langue française comme une forme d’adhésion à la Belgique et aux grands principes de liberté dans la Constitution.”[611]

Daar kwam vanaf 1905, maar vooral na 1910 verandering in.[612] De georganiseerde beweging sloot de socialisten aan haar boezem (Jules Destrées ‘Lettre au roi’ in 1912) en verruimde haar unitaire anti-flamingantische ideeëngoed met Waalse grieven strictu senso. Het ongenoegen over de Waalse verbanning uit het centrum van de macht[613] en over de wet tot vernederlandsing van het vrij MO (12 mei 1910), maar vooral over het wetsvoorstel tot vernederlandsing van de Gentse universiteit (31 maart 1911) hadden haar geradicaliseerd. De eis tot het behoud van het Frans in Vlaanderen ging nu hand in hand met misnoegdheid over de landsverdediging - bij een Duitse aanval zou het leger zich terugtrekken in Antwerpen en de Ardennen aan hun lot overlaten - en over de financiële bevoordeling van Vlaanderen. De onvrede over de Vlaamse politieke hegemonie vergroeide met een minoriseringsangst die o.a. aangewakkerd werd door de invoering van het AMMS, een daling van het Waalse aandeel in de Belgische bevolking en Vlaanderens schuchtere deelname aan de tweede industriële revolutie.[614]

     In 1912 werd op het Congrès National wallon, georganiseerd door Delaites ‘Ligue wallonne de Liège’, een comité opgericht dat het vraagstuk van de bestuurlijke scheiding moest bestuderen. Dat richtte op zijn beurt een Waals parlement op, l’assemblée wallonnne, in de woorden van Lothe en V. Vagman een permanent propagandabureau voor de Waalse zaak.[615] De scheidingsgedachte - in de Vlaamse beweging marginaal, zoniet onbestaande[616] - brak door omdat de Waalse socialisten en liberalen na de teleurstellende verkiezingen van 1912 naar radicalere middelen grepen om in Wallonië, los van het klerikale, behoudsgezinde Vlaanderen een vooruitstrevender koers uit te zetten. Toch mag de betekenis hiervan niet overschat worden. Binnen de assemblée bestonden verschillende strekkingen: “een belgicistische Brusselse afvaardiging, een kleine groep die radicale federalisering wilde en voor wie de flaminganten potentiële bondgenoten waren, de meerderheid die vooralsnog een tweesporenstrategie volgde.”[617]

 

II. De wetten

 

Hoofdstuk 4: De wet van 18 april 1898

 

1. Inleiding

 

Een besluit van het Voorlopig Bewind van 20 november 1830 had bepaald: “Le bulletin officiel des lois et actes du gouvernement sera publié en Français.” In de provincies waar men ‘Vlaams’ of Duits sprak moest, zo nodig, een vertaling gemaakt worden.[618] Door de stemrechtuitbreiding van 1893 kon men echter niet langer geredelijk aannemen dat de ‘stem van de natie’, het parlement, ook Frans sprak en moesten er maatregelen getroffen worden.

     Als lid van de constituante had Coremans in 1893 tevergeefs geprobeerd de wettelijke taalgelijkheid erkend te krijgen. Met hun vraag om Nederlandskundige stenografen voor de Kamer hadden hij en Anseele een jaar later nogmaals de aandacht gevestigd op het probleem van de wettelijke status van het Nederlands.

 

2. Verloop van de parlementaire procedure

 

Na de eerste ‘democratische’ verkiezingen in 1894 diende de katholiek Devriendt (Brussel) [619] een (tweetalig) wetsvoorstel[620] in waarvan de hoofdbepaling luidde: “’s Lands wetten worden in de fransche en in de vlaamsche taal gestemd, bekrachtigd en afgekondigd. Beide teksten zijn officieel.” Het regelde de volledige procedure van de indiening van een wetsontwerp of -voorstel tot de publicatie ervan in het staatsblad.

     Coremans reageerde onmiddellijk met een eigen (beperkter) voorstel[621]: “De wetten worden uitgevaardigd en afgekondigd in het Staatsblad in de twee landstalen, fransch en vlaamsch, beide teksten nevens elkander. Beide teksten zijn officieel.” Wetten die slechts 1 landsgedeelte aanbelangden, hoefden enkel afgekondigd te worden in de streektaal (art. 2).[622] Beide voorstellen belandden in een bijzondere commissie die ze tot één tekst[623] omsmolt: “Artikel 1. De wetten worden gestemd, bekrachtigd, afgekondigd en bekend gemaakt in de fransche taal en in de vlaamsche taal.” Art. 6 voorzag in de vertaling van de bestaande wetten. De bespreking ervan werd uitgesteld tot na de parlementsverkiezingen zodat pas op 18 november 1896 de debatten begonnen.

In de Kamer van 1896 hadden 111 katholieken[624] zitting, 13 liberalen, 28 socialisten, als volgt over de regio’s verdeeld.

 

 

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

72[625]

18[626]

21

= 111

liberalen

-

-

13

= 13

socialisten

-

-

28[627]

= 28

 

= 71

= 18

= 62

 

 

Van de acht regeringsleden hadden er zeven zitting in de Kamer: F. Schollaert (Leuven), P. de Smet de Nayer (Gent), P. de Favereau (Marche), V. Begerem (Gent), A. Nyssens (Leuven), L. De Bruyn (Dendermonde) en J. Vandenpeereboom (Kortrijk).

Op 19 november 1896 werd het voorstel ongewijzigd aangenomen met 92 stemmen voor, 3 tegen[628] bij 1 onthouding (de Luikse liberaal Fléchet).[629]

 

stemden voor

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

55[630]

8

7

= 70

liberalen

-

-

5

= 5

socialisten

-

-

17[631]

= 17

 

= 55

= 8

= 29

 

 

stemden tegen

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

0

0

3

= 3

liberalen

-

-

0

= 0

socialisten

-

-

0

= 0

 

= 0

= 0

= 3

 

 

Alle socialisten, liberalen, de Vlaamse en de Brusselse katholieken stemden voor de wettelijke gelijkheid, 1/3 van de Waalse katholieken tegen.

     Zodra de wet goedgekeurd was, begon er in Wallonië, Gent en Brussel een campagne tegen. Verschillende verzoekschriften, waaronder vooral die van het beroepshof van Luik en van het hof van cassatie indruk maakten, werden aan de senaat gericht.[632] De senaat, door de hoge verkiesbaarheidsdrempel nog steeds een censitair bastion, wijzigde het voorstel grondig in januari/februari van 1897. De nieuwe tekst[633] proclameerde niet meer de volledige wettelijke gelijkheid van het Frans en het Nederlands:

“Article premier. Tout arrêté royal sanctionnant une loi contiendra, à côté du texte adopté par les Chambres, un texte flamand de la loi.
La loi sera promulguée en langue française et en langue flamande.”

Voor het eerst sinds 1830 rees er een massaal, partijoverschrijdend Vlaams protest[634], maar het Waalse verzet luwde evenmin[635]. De centrale afdeling, die in mei/juni 1897 over de senaatstekst beraadslaagde, herstelde het oorspronkelijke gelijkheidsprincipe, maar gaf het voorstel een andere redactie zodat de senaat niet volledig voor schut kwam te staan.[636] Het bepaalde dat bij de interpretatie van wetten geen van beide talen voorrang had op de andere en legde regels vast voor de behandeling van een wetsontwerp- of voorstel in het parlement (zie Bijlage 4.1).

     De Kamer boog er zich opnieuw over van 9 maart tot 18 maart 1898 in 7 zittingen. De liberaal Lorand (Virton), die zich in 1896 voorstander getoond had, vroeg onmiddellijk de bespreking te verdagen. Zijn voorstel werd verworpen met 65 stemmen tegen 37, de Vlaamse en Brusselse katholieken tegen de Waalse Kamerleden (zie Bijlage 4.2).[637] Hierna probeerde de katholiek de Montpellier (Dinant) met twee amendementen tevergeefs het gelijkheidsprincipe achter de wet aan te passen:

Dans tous les cas, il est procédé par un vote unique sur un texte complet formulé dans les deux langues. Toutefois, lorsequ’aucun membre ne réclame la lecture du texte flamand, le Bureau peut se contenter de donner lecture du texte français.” (art. 1bis)

“Les contestations basées sur la divergence des textes sont décidées d’après la volonté du législateur, et, s’il y a doute, d’après le sens du texte français.”[638] (art. 1ter)

Lorands poging om het Duits op dezelfde voet als het Nederlands en het Frans te plaatsen, mislukte. Zijn amendement[639] werd met 77 stemmen tegen 30 verworpen bij 13 onthoudingen (zie Bijlage 4.3).[640] Het gros van de voorstemmen kwam van de liberalen en de socialisten. Aangezien het hier ging om een wijziging die de senaat zeker zou verwerpen, kunnen we hun houding, hoe rechtvaardig het amendement op zich ook was, obstructief noemen. De 10 Waalse liberalen en katholieken die zich onthielden, verklaarden tegenstanders van de wet te zijn en dus geen amendement goed te kunnen keuren “qui en élargit l’application”.[641]

De Kamer keurde uiteindelijk het (ongewijzigde) voorstel van de centrale afdeling goed met 99 stemmen voor, 19 tegen en 4 onthoudingen.[642]

 

stemden voor

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

66

11

3

= 80

liberalen

-

-

4

= 4

socialisten

-

-

15[643]

= 15

 

= 55

= 8

= 29

 

 

stemden tegen

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

0

0

12

= 12

liberalen

-

-

7

= 7

socialisten

-

-

0

= 0

 

= 0

= 0

= 19

 

 

Alle Vlaamse en Brusselse katholieken stemden voor, een grote meerderheid van Waalse katholieken en liberalen tegen. De BWP gaf zijn fiat, maar kon niet verhinderen dat enige dissidentie in de rangen sloop: vier Bergenaars onthielden zich.

     De senaat durfde het niet meer aan de Kamer tegen de haren in te strijken en nam de wet op 15 april 1898 aan met 47 stemmen voor, 39 tegen bij 3 onthoudingen. De koning ondertekende de wet op 18 april en die verscheen op 15 mei 1898 in het staatsblad. Op 20 december 1898 werd het reglement van de Kamer aangepast aan de nieuwe wet. [644]

 

3. Standpunten en argumenten

 

Bij de behandeling van de parlementaire groepen ga ik eerst in op hun algemene oordeel over de wet en hun argumenten daarvoor. Daarna behandel ik, voor zover mogelijk, hun ideeën over de rechtsgelijkheid, wederkerigheid, vrijheid, België en rechten voor Duitstaligen.

 

3.1. Katholieken

 

3.1.2 Vlaamse en Brusselse katholieken

Elf Vlaamse en Brusselse katholieken kwamen min of meer uitgebreid aan het woord: minister van Justitie Begerem (Gent) en minister van Binnenlandse Zaken en Onderwijs Schollaert (Leuven), Colaert (Ieper), Coremans (Antwerpen), Daens (Aalst), De Vriendt (Brussel), Janssens (Sint-Niklaas), Van Cauwenbergh (Mechelen), Van Cleemputte (Gent), Van Der Linden (Brussel) en Woeste (Aalst). Allen spraken ze zich zonder voorbehoud uit voor de volledige wettelijke taalgelijkheid.

     Een vijftal argumenten moest hun stellingname schragen. Het gelijkheidsprincipe waarop de wet berustte was volgens minister Begerem “en dehors et au-dessus de toute contestation”.[645] De Vriendt stelde:

“Het recht van elk volk wetten te bezitten in eigene taal bewerkt en opgesteld is onbetwistbaar. Dit recht is volkomen. […] Dit miskennen is een aanslag op het maatschappelijk leven van een volk. […] Dit recht erkennen is eene eer voor de wetgeving; zij zal […] zich daarop mogen beroemen en de geschiedenis zal dit feit in goud aantekenen in onze jaarboeken!” [646]

Het AMMS noopte trouwens tot een wettelijke ingreep. Enerzijds, aldus Coremans, kon men niet heen om de 2.700.000 Fransonkundige Vlamingen[647] en moesten er volgens Van Der Linden officiële Vlaamse wetteksten komen “par égard pour ceux qui nous envoient ici et qui ont le droit de recevoir de nous la loi dans la langue qu’ils parlent”[648]. Anderzijds konden Fransonkundigen naar de Kamer afgevaardigd worden[649] en moesten zij zonder vertaling deel kunnen nemen aan het wetgevende werk.[650]

     Daarnaast was het wetsvoorstel volgens De Vriendt “indispensable à la pacification sociale: la nécessité absolu de rapports constants, intimes, directs des classes élevées avec les classes populaires”. Het dédain van de leidende klassen voor het ‘Vlaams’ zou erdoor verdwijnen. Zo zouden zij hun opdracht (“qui leur est assignée par la Providence”) kunnen vervullen, nl. “d[’...] offrir [au travailleur] non seulement le pain du corps, mais aussi le pain de l’intelligence, sa part de lumière”. [651]

     Ook in naam van al wat België lief was, moest deze wet er komen, “la plus sûre garantie de la nationalité belge est dans l’entente fraternelle des Wallons et des Flamands et […] cette entente n’est possible que par l’égalité et par la justice”.[652]

“Vol vertrouwen in […] uwe vaderlandsliefde hebben wij deze wetsvoorstellen neergelegd. […] In naam van het gemeene Vaderland mag ik u zeggen dat deze stemming, verre van eene oorzaak van verdeeldheid te zijn, de banden nauwer zal toesluiten die tusschen onze twee volksstammen bestaan en de nationale geest versterken. […] Gelijkheid en rechtvaardigheid stichten gehechtheid - en wederzijdse gehechtheid is noodwendig om ons vaderland tegen alle wederwaardigheden der toekomst te beschermen.”[653]

     Ten slotte wezen de Vlaamse katholieken erop dat de wet een betere rechtsbedeling tot gevolg zou hebben. Niet alleen was het Nederlands wel degelijk een juridische taal[654], het was zelfs rijker dan het Frans. Had het Nederlands, zo vroeg Colaert, niet twee woorden voor het Franse ‘dicter’, nl. voorzeggen en voorlezen?[655] Bovendien verhelderden zorgvuldige vertalingen de originele tekst.[656] De bijbelstudie had dit volgens Daens voldoende aangetoond.[657]

     Het tijdperk van de rechtsgelijkheid was aangebroken. Het volstond niet langer, dixit Coremans, Fransonkundigen alleen te vrijwaren tegen machtsmisbruik.[658] Dat het voor sommige Vlaamse Kamerleden echter alleen om een symbolische en geen feitelijke gelijkheid ging, bleek uit Van Cauwenberghs belofte om slechts met mondjesmaat Nederlands te praten tijdens de Kamerdebatten: “Or, la situation du parlement exige que généralement dans les débats, on se serve de la langue française; le flamand sera l’exception et n’apparaîtra qu’à titre d’affirmation du droit.”[659]

     Hoewel Daens en Coremans pleitten voor de tweetaligheid van de Kamerleden[660], hield gelijkheid zelfs voor hen geen wederkerigheid van rechten voor Nederlandstaligen in Wallonië in. Herhaaldelijk hamerden ze erop dat de wet helemaal niets veranderde in Wallonië.[661] Woeste voegde daaraan toe dat hij in tegenstelling tot Anseele[662] het Nederlands helemaal niet wou verplichten in Wallonië. De tweetaligheid moest er zich verspreiden, maar zonder dwang.[663] Minister Schollaert stelde bovendien dat ‘Vlaams’ leren of spreken in Wallonië zo goed als onmogelijk was.[664]

     Het vrijheidsideaal als funderingsmythe van België kon de Vlaamsgezinden niet meer zo sterk mobiliseren. De Vriendt bv. zei: “La réaction [de la révolution de 1830] fut violente et le nouveau gouvernement fut plus injuste, plus despotique que le gouvernement déchu ne l’avait été.”[665]