| De politieke partijen en de taalwetgeving. Een argumentatieanalyse van de Kamerdebatten (1873-1963). (Maarten Van Ginderachter) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
“[V]ous indiquez aux Flandres la terre promise, vous leur en annoncez la conquête sur les Sarrasins, qui sont pour vous les Wallons, et voilà que tout à coup les Wallons Sarrasins vous disent: ‘Entrez dans la terre promise, personne n’y fait obstacle.’ Les Flandres vont certainement être surprises qu’il ait fallu plus de 20 ans pour entrer dans une fortresse dont les portes étaient grandes ouverts.”
Jules Bara op 12 juli 1873 tijdens de bespreking van de taalwet op het gerecht (A.P.C., 1872-1873, p. 1509).
DEEL 1: DE TAALWETTEN VAN HET CENSITAIRE BELGIE (1873-1893)
De sociaal-economische en politieke evolutie van België
België was in 1830 ontstaan als een van de meest vooruitstrevende staten ter wereld.[87] De liberale vrijheden waren verankerd in de grondwet en de burgerij kreeg de touwtjes in handen dankzij het cijnsstemrecht.[88] De eerste 18 jaar van zijn bestaan werd België bestuurd door unionistische regeringen, vanaf 1848 wisselden katholieken en liberalen elkaar af aan de top, maar de geest van het liberalisme triomfeerde[89]. Door de cijns en het meerderheidsstelsel kregen andere partijen geen voet aan de grond.
Binnen de katholieke partij streden de ultramontanen, die geen genoegen namen met de liberale grondwet, en de liberaal-katholieken, die eraan vasthielden, om de macht. Ook de liberalen kenden een interne partijstrijd: de doctrinaire liberalen stonden tegenover de progressistische radicalen. De groeiende animositeit tussen liberalen en katholieken zou uitmonden in de schoolstrijd (1878-1884).
Hoewel het economische zwaartepunt van het nieuwe land bij de zware industrie van het Franstalige zuiden lag en Vlaanderen economisch verviel, waren het niet alleen deze gegevens die van het officiële België een Franstalige staat maakten. Al sinds de Middeleeuwen was er op het grondgebied van het huidige Vlaanderen een zekere verfransing van de adel.[90] Die nam een hogere vlucht in de nieuwe tijden dankzij het Europese prestige van het Frans. Door de inlijving bij Frankrijk op de overgang van de 18de naar de 19de eeuw werd in de Zuidelijke Nederlanden zelfs een heuse verfransingspolitiek gevoerd.
Het Hollandse interludium kon niet verhinderen dat in 1830 het Frans de staatstaal werd, hoewel art. 23 van de grondwet officieel de taalvrijheid proclameerde: “L’emploi des langues usitées en Belgique est facultatif; il ne peut être règlé que par la loi, et seulement pour les actes de l’autorité publique et les affaires judiciaires.” Dit lag in de lijn van de verwachtingen. De hoge burgerij die de macht had gegrepen, kwam weliswaar uit beide landsdelen - hoewel het anachronistisch is die Belgische tweeledigheid reeds in 1830 te veronderstellen - maar had hetzelfde sociaal-economische profiel en was Franstalig.[91]
Vanaf 1830 kwam er een trage, maar gestage verfransing van het openbare leven in Vlaanderen op gang.[92] In Brussel was er een radicale breuk. De rechtspleging werd er onmiddellijk na 1830 volledig verfranst en dit gold waarschijnlijk ook voor het bestuur. Zelfs het lager onderwijs verfranste er, iets wat in Vlaanderen nooit zou gebeuren.[93] Met het Nederlands ging het niet zo best in de 19de eeuw. Er groeide bij de Vlaamsbewuste burgerij wel een bovenregionaal ‘Vlaams’[94], maar de aansluiting bij de Nederlandse standaardtaal verliep moeizaam. Dat de Vlaamse bevolking aan de dialecten vasthield, was, in tegenstelling tot wat vele auteurs schrijven, niet zo’n nadeel. Nederland kende dit probleem immers ook.[95] Belangrijker was dat in België het Nederlands een taal zonder uitzicht was: wie het wou maken moest aan zijn Frans schaven.[96]
De evolutie van de Vlaamse beweging
Tegen deze achtergrond ontstond de Vlaamse beweging als een Belgischgezinde reactie tegen de verfransing. Zij werd gedragen door de kleine burgerij (onderwijzers, ambtenaren, beoefenaars van vrije beroepen, etc. ) die in hun respectabiliteitsstreven en hun verlangen naar machtsparticipatie op de muur van het cijnsstemrecht botsten.[97] “De meer intellectuele groep”, zo schrijven Van Velthoven en Witte, “kende Frans maar wilde de ongelijkheid weg, het andere deel werd door de vereiste zelf van het Frans gehandicapt.”[98] De VB stelde de tweetaligheid niet in vraag, wel het monopolie van het Frans. Daarmee ging ze regelrecht in tegen de heersende taalideologie volgens welke er slechts één beschaafde taal in België bestond, het Frans, met daarnaast twee conglomeraten van onderling onverstaanbare dialecten, het ‘Vlaams’ en het ‘Waals’. De VB kwam dit taalevenwicht verstoren door de rechten op te eisen van haar standaardtaal. Het is niet verwonderlijk dat dit bij de Franstalige bourgeoisie in het verkeerde keelgat schoot, te meer omdat de VB het ‘Vlaams’ beschouwde als een waarborg voor de Belgische onafhankelijkheid. Volgens L. Wils verloor zij echter in de jaren 1860 haar exclusief Belgischgezinde inspiratie en werd de erkenning van de Vlaamse nationaliteit prioritair.[99]
Aanvankelijk had de VB een progressief en democratisch karakter en was er een wisselwerking met de ontluikende arbeidersbeweging. Door de verhevigde godsdiensttegenstellingen en de schok van de Parijse commune in 1871 verloor ze, met de woorden van L. Wils, “absoluut gezien veel van haar democratische bezieling”.[100]
Tijdens de overgang van haar literair-folkloristische fase naar de politieke actie in de jaren 1840-1860 trachtte de VB via druk op de partijen wettelijke hervormingen af te dwingen. Na enkele mislukte pogingen om een onafhankelijke Vlaamse partij of drukkingsgroep uit de grond te stampen (o.a. de meetingpartij[101]), zouden de Vlaamsgezinden vanaf de jaren 1870 proberen binnen de klassieke partijen hun doelstellingen te verwezenlijken.[102]
De evolutie van de houding van de politieke partijen tegenover de VB
In de periode 1872-1894 was het Vlaamse vraagstuk nauwelijks een politieke factor van belang. Als de flaminganten binnen hun partij al invloed hadden, was dit niet in de eerste plaats het gevolg van hun Vlaamsgezindheid. Over de houding van de politieke families tegenover de VB rond 1870 lopen de meningen uiteen. Volgens Willemsen lag “[h]et politieke accent in de Vlaamse Beweging [...] overwegend aan liberale zijde, zoals de liberale Vlaamsgezinden ook in de culturele Vlaamse Beweging de toon aangaven”. In de grote Vlaamse steden konden zij hun zegje doen dankzij het losse liberale partijapparaat. Ze slaagden er echter niet in de macht van de Franstalige bourgeoisie in de partij te breken, waardoor de liberale partij in haar geheel anti-Vlaams bleef.[103]
De katholieke partij was meer “vlaamsvoelend” omdat zij het ‘Vlaams’ beschouwde als een middel tegen de laïcisering, maar zij had, nog steeds volgens Willemsen, buiten de Nederduitsche bond nauwelijks politieke flamingantische organisaties. Bovendien waren de Franstalige top van de katholieke partij en de kerk allerminst bereid tegemoet te komen aan de Vlaamse eisen.[104] Lode Wils van zijn kant beklemtoont niet alleen de vijandigheid van de liberale partijleiding tegenover de VB[105], maar ook de vervlechting van de katholieke opinie met het flamingantisme en de welwillendheid van de katholieke regeringen tussen 1870 en 1878[106].
Hoofdstuk 1: De wet van 17 augustus 1873
1. Inleiding
Dat het tot 17 augustus 1873 duurde vooraleer België zijn eerste taalwet kreeg, was niet zo verwonderlijk. Artikel 23 van de grondwet had in 1830 immers de taalvrijheid geproclameerd.[107] Die vrijheid bleek in de praktijk uit te draaien op een overwicht van het Frans in het openbare leven. In het Vlaamse petitionnement van 1840 werd al gepleit voor Nederlands in de rechtszaal. Het zouden echter enkele breed in de pers uitgemeten schandalen zijn, die vanaf de jaren 1860 een Nederlandstalige rechtspraak op de politieke agenda deden belanden. Dat vanaf 1871 door de verlaging van de kiescijns voor de gemeentelijke en de provinciale verkiezingen een deel van de Vlaams(gezind)e middenklasse naar de stembus trok, speelde natuurlijk ook mee.[108]
In 1863 werd Karsman voor de Antwerpse rechtbank veroordeeld tot 5 frank boete omdat hij op een van zijn drukwerken vergeten was de verantwoordelijke uitgever te vermelden. Voor het hof van beroep in Brussel wou hij zich door zijn advocaat, J. Vuylsteke, laten verdedigen in het Nederlands. Dit was echter buiten de rechtbank gerekend, die dit verbood en hem veroordeelde tot drie maanden gevangenisstraf. In 1864 gispte de Bavay, de procureur-generaal bij het Brusselse beroepshof, de Vlaamse beweging openlijk voor haar kritiek op het gerecht. Sinds de Belgische omwenteling, zo beweerde hij, had het systeem van de taalvrijheid naar ieders voldoening gefunctioneerd. Als om dit te logenstraffen, kwam in 1865 de zaak van Coucke en Goethals de gemoederen verhitten. Die twee Vlaamse arbeiders waren in Henegouwen gehalsrecht na een Franstalig proces waar ze nauwelijks iets van begrepen hadden. De Kamer werd toen overspoeld met verzoekschriften om iets te doen aan de wantoestanden in het gerecht.
Van 1866 af grepen de Vlaamsgezinde parlementsleden de bespreking van de justitiebegroting aan om veranderingen in het gerecht te bepleiten. Jan Delaet, de volksvertegenwoordiger uit Antwerpen, diende op 12 december 1867, onder de liberale regering Rogier-Frère Orban, een amendement in op het wetsontwerp over de juridische organisatie dat bepaalde dat in Vlaanderen geen Nederlandsonkundige magistraten meer benoemd mochten worden. Het werd met 54 stemmen tegen 40 verworpen.
Op het Vlaamse front werd het echter niet meer rustig. De katholieke regering de Theux-Malou belastte in 1871 de commissie die de herziening van het Wetboek van Strafvordering voorbereidde, met een onderzoek. Dit duurde de Vlaamsgezinden echter te lang en op 13 april 1872 diende Coremans, met 17 andere katholieken, het wetsvoorstel in waaruit de wet van 1873 zou groeien.
2. Verloop van de parlementaire procedure
Het voorstel dat Coremans op 13 april 1872 indiende was vooral een beginselverklaring:
“Article unique. Dans les provinces
d’Anvers, de Flandre Occidentale, de Flandre Orientale, de Limbourg et dans les
arrondissements judiciaires de Bruxelles et de Louvain, les magistrats et
officiers ministériels sont tenus, en matière répressive, d’administrer la
justice en flamand dans tous les cas où il ne sera pas constaté que l’accusé, le
prévenu ou le contrevenant possède la connaissance de la langue française et
préfère qu’il en soit fait emploi.
La non-observation de cette préscription constituera un cas de nullité de la
procédure.”[109]
Dit voorstel raakte niet aan het personaliteitsbeginsel. Wie Frans sprak, kon aanspraak blijven maken op een Franstalige procedure, net als Fransonkundigen die liever in het Frans berecht werden. Het sprak evenmin over de procedure die voorafging aan de rechtszitting. Enkele dagen later verstuurde minister van Justitie de Lantsheere een circulaire (24 april 1872) waarin hij de magistraten verzocht hun strafvordering in het Nederlands uit te spreken als de beklaagde geen advocaat had en enkel Nederlands begreep. Zij volgden dit verzoek op.[110]
Het voorstel kwam ter tafel in de zes afdelingen van de Kamer, die met de bespreking weinig haast maakten tot de zaak Schoep alles in een stroomversnelling bracht. Schoep had verzuimd de geboorte van zijn dochter aan te geven omdat de ambtenaar van de burgerlijke stand in St.-Jans-Molenbeek zijn aangifte niet in het Nederlands wou verwerken (19 oktober 1872). Hij werd daarvoor in eerste aanleg veroordeeld (februari 1873) en het beroepshof van Brussel bevestigde het vonnis (maart 1873). Het hof van cassatie weigerde daarop Schoeps advocaten in het Nederlands te laten pleiten en bezegelde dit met zijn arrest van 12 mei 1873.[111] Het protest hiertegen van 75 advocaten van de Gentse balie en de vele verzoekschriften die de Kamer ontving, bespoedigden de verdere behandeling van het voorstel.
De centrale afdeling diende op 31 mei een wetsvoorstel[112] in, gebaseerd op het oervoorstel Coremans.[113] Volgens deze tekst moest de rechtspleging pas in het Nederlands verlopen vanaf de eerste verschijning van de verdachte voor de onderzoeksrechter. De verdediging en het openbaar ministerie (OM) moesten hun pleidooien en hun vorderingen in het Nederlands uitspreken tenzij de beklaagde erin toestemde dat zijn advocaat Frans gebruikte; in dat geval had ook het OM dit recht. Brussel, ten slotte, kreeg dezelfde regeling als de rest van Vlaanderen.
De regering speelde dit voorstel door aan de commissie ter herziening van het Wetboek van Strafvordering. Zij zorgde voor een apart regime voor Brussel. In de politie- en correctionele rechtbanken van het arrondissement Brussel zou de taalkeuze afhangen van “les besoins de chaque cause” (art. 7). Voor het assisenhof van Brabant en het beroepshof van Brussel en Luik moest steeds het Frans gebruikt worden (art. 8 en 9).[114]
Hierop herwerkte de centrale afdeling haar eerste voorstel en het was deze tweede tekst[115] die van 11 juli tot 25 juli in 9 zittingen in de Kamer besproken werd (zie Bijlage 1.1). Voor Vlaanderen veranderde ze nauwelijks iets aan het commissievoorstel.[116] Het Nederlands werd de basis van de Vlaamse rechtspraak. Voor het hele vooronderzoek[117] werd in Vlaanderen (met uitzondering van het gerechtelijke arrondissement Brussel) het territorialiteitsbeginsel ingevoerd, hoewel beklaagden en getuigen hun verklaringen in het Frans konden deponeren en experts hun verslagen in het Frans konden opstellen, mits ze vertaald werden. Ter zitting moest de procedure (inclusief het vonnis) steeds Nederlandstalig zijn, tenzij de beklaagde enkel Frans kende; dan gold een Franstalige procedure. Het verzoek van een beklaagde of getuige om Frans te spreken kon ingewilligd worden, maar de advocaat van de beklaagde had steeds het recht in het Frans te pleiten met de toestemming van zijn cliënt, op voorwaarde dat hij er het OM van verwittigde. Het OM kon dan ook gebruikmaken van het Frans (= relatieve taalvrijheid). De burgerlijke partij (BP) moest steeds de taal van het OM gebruiken.
Bij niet-naleving van de wet tijdens de zitting moesten procedure en vonnis nietig verklaard worden, enkel en alleen als een van de partijen geprotesteerd had. Door deze relatieve nietigheid kon de wet genegeerd worden als beide partijen daarmee instemden. Voor overtredingen tijdens het vooronderzoek waren geen sancties voorzien.
Voor Brussel werkte de centrale afdeling een compromis uit. In het gerechtelijke arrondissement Brussel en voor het assisenhof van Brabant moest voor het vooronderzoek en het vonnis het Frans of het Nederlands gebruikt worden “selon les besoins de chaque cause”. In haar rapport verduidelijkte de centrale afdeling wat ze hieronder verstond:
“Mais il s’entend que les mots les besoins de chaque cause doivent s’entendre non des facilités des juges ou des jurés, mais de la nature de l’affaire et de la langue que les accusés connaissent le mieux.”[118]
Als de beklaagde enkel Nederlands sprak, golden echter dezelfde regels als voor de rest van Vlaanderen. Ten slotte was de wet niet van toepassing op het beroepshof van Luik. Dit was van belang omdat het een deel van Limburg onder zijn ressort had.
De Kamer waar dit wetsvoorstel in terecht kwam, werd gedomineerd door de katholieken.
|
|
Vlaanderen |
Brussel |
Wallonië |
|
|
katholieken |
56 |
- |
15 |
= 71 |
|
liberalen |
2 |
13 |
38 |
= 53 |
|
|
= 58 |
= 13 |
= 53 |
= 124 |
(bron: eigen cijfers[119])
Vlaanderen was homogeen katholiek op twee liberalen na, Vandenpeereboom (Ieper) en Van Iseghem (Oostende). Vier volksvertegenwoordigers zaten in de 8-koppige regering: de Lantsheere (Diksmuide), de Theux (Hasselt), Delcour (Leuven) en Moncheur (Namen).
Tijdens de eerste (artikelgewijze) bespreking (van 11 juli tot 17 juli) werd het wetsvoorstel grondig aangepast.[120] Frans- en Vlaamsgezinde[121] toegevingen hielden elkaar in evenwicht. Art. 1 werd zonder hoofdelijke stemming door een amendement van Jacobs beperkt tot het vooronderzoek vanaf de eerste verschijning van de beklaagde voor de rechter.[122] Over het geheel van het aldus aangepaste art. 1 werd wel hoofdelijk gestemd: 65 Kamerleden stemden voor, 9 onhielden zich.[123]
|
stemden voor |
Vlaanderen |
Brussel |
Wallonië |
|
|
katholieken |
41 |
- |
8 |
= 49 |
|
liberalen |
2 |
6 |
8 |
= 16 |
|
|
= 44 |
= 6 |
= 16 |
|
|
onthielden zich |
Vlaanderen |
Brussel |
Wallonië |
|
|
katholieken |
0 |
- |
0 |
= 0 |
|
liberalen |
0 |
3 |
6 |
= 9 |
|
|
= 0 |
= 3 |
= 6 |
|
(bron: eigen cijfers[124])
Alle katholieken, onder wie de 3 Vlaamse regeringsleden, stemden voor. De 9 liberale onthouders, onder wie Pirmez (Charleroi) en Bara (Doornik), verklaarden zich akkoord met het (rechtvaardige) principe achter art. 1, maar stemden niet voor “parce que le principe pourra être étendu abusivement dans les articles suivants”.[125]
Art. 2 werd zonder hoofdelijke stemming door de liberaal Van Humbeeck (Brussel) geamendeerd. Niet enkel eentalig Franssprekenden, maar ook tweetaligen zouden in Vlaanderen voortaan een Franstalige procedure kunnen krijgen:
“Lorsqu’un inculpé demandera qu’il soit
fait usage de la langue française, l’interrogatoire sera reçue et consignée en
français; à partir de cet interrogation, la procédure se fera en français.
Toutefois, les dépositions des témoins continueront à être reçues et
consignées en flamand, à moins qu’ils ne demandent à faire usage de la langue
française.”[126]
Als tegemoetkoming hiervoor werd een aanvullend amendement van Jacobs op art. 2 met 43 stemmen tegen 25 goedgekeurd.[127] Het voorzag in een verplichte vertaling van de belangrijkste dossierstukken en de verklaringen die in het Frans opgesteld waren.[128]
|
stemden voor |
Vlaanderen |
Brussel |
Wallonië |
|
|
katholieken |
35 |
- |
5 |
= 40 |
|
liberalen |
1 |
2 |
0 |
= 3 |
|
|
= 36 |
= 2 |
= 5 |
|
|
stemden tegen |
Vlaanderen |
Brussel |
Wallonië |
|
|
katholieken |
6 |
- |
2 |
= 8 |
|
liberalen |
0 |
4 |
13 |
= 17 |
|
|
= 6 |
= 4 |
= 15 |
|
Dit Vlaamsgezinde amendement werd verworpen door alle Waalse liberalen en de 4 aanwezige regeringsleden - de regering zou haar eigen meerderheid tijdens de eerste lezing vaker niet volgen (of vice versa). Ontevredenheid over de al te voortvarende Vlaamsgezinde stemmingen kon de reden nog niet zijn, Fransgezindheid lijkt de enige verklaring te bieden. De Brusselse liberalen stemden verdeeld, net als de Waalse katholieken. Het Vlaamse katholieke kamp kunnen we vrij eensgezind noemen: er waren slechts 3 dissidenten (op de 3 Vlaamse regeringsleden na).
Van Humbeecks aanvullende amendement op art. 3, dat zonder hoofdelijke stemming aangenomen werd, zorgde ervoor dat magistraten met elkaar konden blijven corresponderen in de taal van hun keuze.[129]
Om de balans in evenwicht te brengen werd een nieuw art. 4 van Coremans zonder meer aangenomen: voor de assisenhoven zou men zich niet meer kunnen beroepen op de stilzwijgende instemming van de beklaagde om een Franstalige procedure te starten.
“En matière criminelle, le président de la
cour d’assises ou le juge qu’il aura délégué, après avoir interpellé l’accusé de
déclarer s’il a fait choix d’un conseil et, avant de lui en désigner un
d’office, lui demandera s’il veut être défendu en français ou en flamand.
Si l’accusé n’a pas de conseil, le président lui donnera un avocat d’office
capable de le défendre dans la langue qu’il aura choisie.
Il sera tenu acte, sous peine de nullité, de l’interpellation et de la reponse
y donnée.”[130]
Op 16 en 17 juli kwamen de cruciaalste artikelen ter stemming, nl. die over de taal van het OM en de BP. Art. 6 van het voorstel van de centrale afdeling bepaalde dat het OM het Frans mocht gebruiken als de beklaagde zijn advocaat in die taal liet pleiten. Een amendement van Coremans dat het OM verplichtte steeds de taal van de beklaagde te gebruiken[131], haalde met de hakken over de sloot een meerderheid van 42 stemmen tegen 41.[132]
|
stemden voor |
Vlaanderen |
Brussel |
Wallonië |
|
|
katholieken |
37 |
- |
3 |
= 40 |
|
liberalen |
0 |
2 |
0 |
= 2 |
|
|
= 37 |
= 2 |
= 3 |
|
|
stemden tegen |
Vlaanderen |
Brussel |
Wallonië |
|
|
katholieken |
7 |
- |
8 |
= 15 |
|
liberalen |
2 |
7 |
17 |
= 26 |
|
|
= 9 |
= 7 |
= 25 |
|
Opnieuw stemden de 4 aanwezige regeringsleden tegen een Vlaamsgezind voorstel, net als alle Waalse en Vlaamse liberalen. De Vlaamse katholieken hadden af te rekenen met een minieme dissidentie (op de drie regeringsleden na): 4 stemden tegen. De Waalse katholieken en de Brusselse liberalen waren verdeeld, maar met een duidelijk overwicht van de tegenstemmers.
Art. 7 van het voorstel van de centrale afdeling verplichtte de BP dezelfde taal te gebruiken als het OM. Door het amendement van Coremans betekende dit dat zij in Vlaanderen steeds Nederlands moest gebruiken. Minister van Justitie De Lantsheere wilde haar echter een absolute taalvrijheid garanderen.[133] Zijn amendement werd nipt verworpen met gelijkheid van stemmen: 36 tegen 36. [134]
|
stemden voor |
Vlaanderen |
Brussel |
Wallonië |
|
|
katholieken |
9 |
- |
9 |
= 18 |
|
liberalen |
1 |
5 |
12 |
= 18 |
|
|
= 10 |
= 5 |
= 21 |
|
|
stemden tegen |
Vlaanderen |
Brussel |
Wallonië |
|
|
katholieken |
29 |
- |
4 |
= 33 |
|
liberalen |
1 |
2 |
0 |
= 3 |
|
|
= 30 |
= 2 |