De politieke partijen en de taalwetgeving. Een argumentatieanalyse van de Kamerdebatten (1873-1963). (Maarten Van Ginderachter)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

“[V]ous indiquez aux Flandres la terre promise, vous leur en annoncez la conquête sur les Sarrasins, qui sont pour vous les Wallons, et voilà que tout à coup les Wallons Sarrasins vous disent: ‘Entrez dans la terre promise, personne n’y fait obstacle.’ Les Flandres vont certainement être surprises qu’il ait fallu plus de 20 ans pour entrer dans une fortresse dont les portes étaient grandes ouverts.”

Jules Bara op 12 juli 1873 tijdens de bespreking van de taalwet op het gerecht (A.P.C., 1872-1873, p. 1509).

 

DEEL 1: DE TAALWETTEN VAN HET CENSITAIRE BELGIE (1873-1893)

 

I. Inleiding

 

De sociaal-economische en politieke evolutie van België

 

België was in 1830 ontstaan als een van de meest vooruitstrevende staten ter wereld.[87] De liberale vrijheden waren verankerd in de grondwet en de burgerij kreeg de touwtjes in handen dankzij het cijnsstemrecht.[88] De eerste 18 jaar van zijn bestaan werd België bestuurd door unionistische regeringen, vanaf 1848 wisselden katholieken en liberalen elkaar af aan de top, maar de geest van het liberalisme triomfeerde[89]. Door de cijns en het meerderheidsstelsel kregen andere partijen geen voet aan de grond.

     Binnen de katholieke partij streden de ultramontanen, die geen genoegen namen met de liberale grondwet, en de liberaal-katholieken, die eraan vasthielden, om de macht. Ook de liberalen kenden een interne partijstrijd: de doctrinaire liberalen stonden tegenover de progressistische radicalen. De groeiende animositeit tussen liberalen en katholieken zou uitmonden in de schoolstrijd (1878-1884).

     Hoewel het economische zwaartepunt van het nieuwe land bij de zware industrie van het Franstalige zuiden lag en Vlaanderen economisch verviel, waren het niet alleen deze gegevens die van het officiële België een Franstalige staat maakten. Al sinds de Middeleeuwen was er op het grondgebied van het huidige Vlaanderen een zekere verfransing van de adel.[90] Die nam een hogere vlucht in de nieuwe tijden dankzij het Europese prestige van het Frans. Door de inlijving bij Frankrijk op de overgang van de 18de naar de 19de eeuw werd in de Zuidelijke Nederlanden zelfs een heuse verfransingspolitiek gevoerd.

     Het Hollandse interludium kon niet verhinderen dat in 1830 het Frans de staatstaal werd, hoewel art. 23 van de grondwet officieel de taalvrijheid proclameerde: “L’emploi des langues usitées en Belgique est facultatif; il ne peut être règlé que par la loi, et seulement pour les actes de l’autorité publique et les affaires judiciaires.” Dit lag in de lijn van de verwachtingen. De hoge burgerij die de macht had gegrepen, kwam weliswaar uit beide landsdelen - hoewel het anachronistisch is die Belgische tweeledigheid reeds in 1830 te veronderstellen - maar had hetzelfde sociaal-economische profiel en was Franstalig.[91]

     Vanaf 1830 kwam er een trage, maar gestage verfransing van het openbare leven in Vlaanderen op gang.[92] In Brussel was er een radicale breuk. De rechtspleging werd er onmiddellijk na 1830 volledig verfranst en dit gold waarschijnlijk ook voor het bestuur. Zelfs het lager onderwijs verfranste er, iets wat in Vlaanderen nooit zou gebeuren.[93] Met het Nederlands ging het niet zo best in de 19de eeuw. Er groeide bij de Vlaamsbewuste burgerij wel een bovenregionaal ‘Vlaams’[94], maar de aansluiting bij de Nederlandse standaardtaal verliep moeizaam. Dat de Vlaamse bevolking aan de dialecten vasthield, was, in tegenstelling tot wat vele auteurs schrijven, niet zo’n nadeel. Nederland kende dit probleem immers ook.[95] Belangrijker was dat in België het Nederlands een taal zonder uitzicht was: wie het wou maken moest aan zijn Frans schaven.[96]

 

De evolutie van de Vlaamse beweging

 

Tegen deze achtergrond ontstond de Vlaamse beweging als een Belgischgezinde reactie tegen de verfransing. Zij werd gedragen door de kleine burgerij (onderwijzers, ambtenaren, beoefenaars van vrije beroepen, etc. ) die in hun respectabiliteitsstreven en hun verlangen naar machtsparticipatie op de muur van het cijnsstemrecht botsten.[97] “De meer intellectuele groep”, zo schrijven Van Velthoven en Witte, “kende Frans maar wilde de ongelijkheid weg, het andere deel werd door de vereiste zelf van het Frans gehandicapt.”[98] De VB stelde de tweetaligheid niet in vraag, wel het monopolie van het Frans. Daarmee ging ze regelrecht in tegen de heersende taalideologie volgens welke er slechts één beschaafde taal in België bestond, het Frans, met daarnaast twee conglomeraten van onderling onverstaanbare dialecten, het ‘Vlaams’ en het ‘Waals’. De VB kwam dit taalevenwicht verstoren door de rechten op te eisen van haar standaardtaal. Het is niet verwonderlijk dat dit bij de Franstalige bourgeoisie in het verkeerde keelgat schoot, te meer omdat de VB het ‘Vlaams’ beschouwde als een waarborg voor de Belgische onafhankelijkheid. Volgens L. Wils verloor zij echter in de jaren 1860 haar exclusief Belgischgezinde inspiratie en werd de erkenning van de Vlaamse nationaliteit prioritair.[99]

     Aanvankelijk had de VB een progressief en democratisch karakter en was er een wisselwerking met de ontluikende arbeidersbeweging. Door de verhevigde godsdiensttegenstellingen en de schok van de Parijse commune in 1871 verloor ze, met de woorden van L. Wils, “absoluut gezien veel van haar democratische bezieling”.[100]

     Tijdens de overgang van haar literair-folkloristische fase naar de politieke actie in de jaren 1840-1860 trachtte de VB via druk op de partijen wettelijke hervormingen af te dwingen. Na enkele mislukte pogingen om een onafhankelijke Vlaamse partij of drukkingsgroep uit de grond te stampen (o.a. de meetingpartij[101]), zouden de Vlaamsgezinden vanaf de jaren 1870 proberen binnen de klassieke partijen hun doelstellingen te verwezenlijken.[102]

 

De evolutie van de houding van de politieke partijen tegenover de VB

 

In de periode 1872-1894 was het Vlaamse vraagstuk nauwelijks een politieke factor van belang. Als de flaminganten binnen hun partij al invloed hadden, was dit niet in de eerste plaats het gevolg van hun Vlaamsgezindheid. Over de houding van de politieke families tegenover de VB rond 1870 lopen de meningen uiteen. Volgens Willemsen lag “[h]et politieke accent in de Vlaamse Beweging [...] overwegend aan liberale zijde, zoals de liberale Vlaamsgezinden ook in de culturele Vlaamse Beweging de toon aangaven”. In de grote Vlaamse steden konden zij hun zegje doen dankzij het losse liberale partijapparaat. Ze slaagden er echter niet in de macht van de Franstalige bourgeoisie in de partij te breken, waardoor de liberale partij in haar geheel anti-Vlaams bleef.[103]

     De katholieke partij was meer “vlaamsvoelend” omdat zij het ‘Vlaams’ beschouwde als een middel tegen de laïcisering, maar zij had, nog steeds volgens Willemsen, buiten de Nederduitsche bond nauwelijks politieke flamingantische organisaties. Bovendien waren de Franstalige top van de katholieke partij en de kerk allerminst bereid tegemoet te komen aan de Vlaamse eisen.[104] Lode Wils van zijn kant beklemtoont niet alleen de vijandigheid van de liberale partijleiding tegenover de VB[105], maar ook de vervlechting van de katholieke opinie met het flamingantisme en de welwillendheid van de katholieke regeringen tussen 1870 en 1878[106].

 

 

II. De wetten

 

Hoofdstuk 1: De wet van 17 augustus 1873

 

1. Inleiding

 

Dat het tot 17 augustus 1873 duurde vooraleer België zijn eerste taalwet kreeg, was niet zo verwonderlijk. Artikel 23 van de grondwet had in 1830 immers de taalvrijheid geproclameerd.[107] Die vrijheid bleek in de praktijk uit te draaien op een overwicht van het Frans in het openbare leven. In het Vlaamse petitionnement van 1840 werd al gepleit voor Nederlands in de rechtszaal. Het zouden echter enkele breed in de pers uitgemeten schandalen zijn, die vanaf de jaren 1860 een Nederlandstalige rechtspraak op de politieke agenda deden belanden. Dat vanaf 1871 door de verlaging van de kiescijns voor de gemeentelijke en de provinciale verkiezingen een deel van de Vlaams(gezind)e middenklasse naar de stembus trok, speelde natuurlijk ook mee.[108]

     In 1863 werd Karsman voor de Antwerpse rechtbank veroordeeld tot 5 frank boete omdat hij op een van zijn drukwerken vergeten was de verantwoordelijke uitgever te vermelden. Voor het hof van beroep in Brussel wou hij zich door zijn advocaat, J. Vuylsteke, laten verdedigen in het Nederlands. Dit was echter buiten de rechtbank gerekend, die dit verbood en hem veroordeelde tot drie maanden gevangenisstraf. In 1864 gispte de Bavay, de procureur-generaal bij het Brusselse beroepshof, de Vlaamse beweging openlijk voor haar kritiek op het gerecht. Sinds de Belgische omwenteling, zo beweerde hij, had het systeem van de taalvrijheid naar ieders voldoening gefunctioneerd. Als om dit te logenstraffen, kwam in 1865 de zaak van Coucke en Goethals de gemoederen verhitten. Die twee Vlaamse arbeiders waren in Henegouwen gehalsrecht na een Franstalig proces waar ze nauwelijks iets van begrepen hadden. De Kamer werd toen overspoeld met verzoekschriften om iets te doen aan de wantoestanden in het gerecht.

     Van 1866 af grepen de Vlaamsgezinde parlementsleden de bespreking van de justitiebegroting aan om veranderingen in het gerecht te bepleiten. Jan Delaet, de volksvertegenwoordiger uit Antwerpen, diende op 12 december 1867, onder de liberale regering Rogier-Frère Orban, een amendement in op het wetsontwerp over de juridische organisatie dat bepaalde dat in Vlaanderen geen Nederlandsonkundige magistraten meer benoemd mochten worden. Het werd met 54 stemmen tegen 40 verworpen.

     Op het Vlaamse front werd het echter niet meer rustig. De katholieke regering de Theux-Malou belastte in 1871 de commissie die de herziening van het Wetboek van Strafvordering voorbereidde, met een onderzoek. Dit duurde de Vlaamsgezinden echter te lang en op 13 april 1872 diende Coremans, met 17 andere katholieken, het wetsvoorstel in waaruit de wet van 1873 zou groeien.

 

2. Verloop van de parlementaire procedure

 

Het voorstel dat Coremans op 13 april 1872 indiende was vooral een beginselverklaring:

“Article unique. Dans les provinces d’Anvers, de Flandre Occidentale, de Flandre Orientale, de Limbourg et dans les arrondissements judiciaires de Bruxelles et de Louvain, les magistrats et officiers ministériels sont tenus, en matière répressive, d’administrer la justice en flamand dans tous les cas où il ne sera pas constaté que l’accusé, le prévenu ou le contrevenant possède la connaissance de la langue française et préfère qu’il en soit fait emploi.
La non-observation de cette préscription constituera un cas de nullité de la procédu­re.”
[109]

Dit voorstel raakte niet aan het personaliteitsbeginsel. Wie Frans sprak, kon aanspraak blijven maken op een Franstalige procedure, net als Fransonkundigen die liever in het Frans berecht werden. Het sprak evenmin over de procedure die voorafging aan de rechtszitting. Enkele dagen later verstuurde minister van Justitie de Lantsheere een circulaire (24 april 1872) waarin hij de magistraten verzocht hun strafvordering in het Nederlands uit te spreken als de beklaagde geen advocaat had en enkel Nederlands begreep. Zij volgden dit verzoek op.[110]

     Het voorstel kwam ter tafel in de zes afdelingen van de Kamer, die met de bespreking weinig haast maakten tot de zaak Schoep alles in een stroomversnelling bracht. Schoep had verzuimd de geboorte van zijn dochter aan te geven omdat de ambtenaar van de burgerlijke stand in St.-Jans-Molenbeek zijn aangifte niet in het Nederlands wou verwerken (19 oktober 1872). Hij werd daarvoor in eerste aanleg veroordeeld (februari 1873) en het beroepshof van Brussel bevestigde het vonnis (maart 1873). Het hof van cassatie weigerde daarop Schoeps advocaten in het Nederlands te laten pleiten en bezegelde dit met zijn arrest van 12 mei 1873.[111] Het protest hiertegen van 75 advocaten van de Gentse balie en de vele verzoekschriften die de Kamer ontving, bespoedigden de verdere behandeling van het voorstel.

De centrale afdeling diende op 31 mei een wetsvoorstel[112] in, gebaseerd op het oervoorstel Coremans.[113]  Volgens deze tekst moest de rechtspleging pas in het Nederlands verlopen vanaf de eerste verschijning van de verdachte voor de onderzoeksrechter. De verdediging en het openbaar ministerie (OM) moesten hun pleidooien en hun vorderingen in het Nederlands uitspreken tenzij de beklaagde erin toestemde dat zijn advocaat Frans gebruikte; in dat geval had ook het OM dit recht. Brussel, ten slotte, kreeg dezelfde regeling als de rest van Vlaanderen.

De regering speelde dit voorstel door aan de commissie ter herziening van het Wetboek van Strafvordering. Zij zorgde voor een apart regime voor Brussel. In de politie- en correctionele rechtbanken van het arrondissement Brussel zou de taalkeuze afhangen van “les besoins de chaque cause” (art. 7). Voor het assisenhof van Brabant en het beroepshof van Brussel en Luik moest steeds het Frans gebruikt worden (art. 8 en 9).[114]

Hierop herwerkte de centrale afdeling haar eerste voorstel en het was deze tweede tekst[115] die van 11 juli tot 25 juli in 9 zittingen in de Kamer besproken werd (zie Bijlage 1.1). Voor Vlaanderen veranderde ze nauwelijks iets aan het commissievoorstel.[116] Het Nederlands werd de basis van de Vlaamse rechtspraak. Voor het hele vooronderzoek[117] werd in Vlaanderen (met uitzondering van het gerechtelijke arrondissement Brussel) het territorialiteitsbeginsel ingevoerd, hoewel beklaagden en getuigen hun verklaringen in het Frans konden deponeren en experts hun verslagen in het Frans konden opstellen, mits ze vertaald werden. Ter zitting moest de procedure (inclusief het vonnis) steeds Nederlandstalig zijn, tenzij de beklaagde enkel Frans kende; dan gold een Franstalige procedure. Het verzoek van een beklaagde of getuige om Frans te spreken kon ingewilligd worden, maar de advocaat van de beklaagde had steeds het recht in het Frans te pleiten met de toestemming van zijn cliënt, op voorwaarde dat hij er het OM van verwittigde. Het OM kon dan ook gebruikmaken van het Frans (= relatieve taalvrijheid). De burgerlijke partij (BP) moest steeds de taal van het OM gebruiken.

Bij niet-naleving van de wet tijdens de zitting moesten procedure en vonnis nietig verklaard worden, enkel en alleen als een van de partijen geprotesteerd had. Door deze relatieve nietigheid kon de wet genegeerd worden als beide partijen daarmee instemden. Voor overtredingen tijdens het vooronderzoek waren geen sancties voorzien.

Voor Brussel werkte de centrale afdeling een compromis uit. In het gerechtelijke arrondissement Brussel en voor het assisenhof van Brabant moest voor het vooronderzoek en het vonnis het Frans of het Nederlands gebruikt worden “selon les besoins de chaque cause”. In haar rapport verduidelijkte de centrale afdeling wat ze hieronder verstond:

“Mais il s’entend que les mots les besoins de chaque cause doivent s’entendre non des facilités des juges ou des jurés, mais de la nature de l’affaire et de la langue que les accusés connaissent le mieux.”[118]

Als de beklaagde enkel Nederlands sprak, golden echter dezelfde regels als voor de rest van Vlaanderen. Ten slotte was de wet niet van toepassing op het beroepshof van Luik. Dit was van belang omdat het een deel van Limburg onder zijn ressort had.

De Kamer waar dit wetsvoorstel in terecht kwam, werd gedomineerd door de katholieken.

 

 

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

56

-

15

= 71

liberalen

2

13

38

= 53

 

= 58

= 13

= 53

= 124

(bron: eigen cijfers[119])

 

Vlaanderen was homogeen katholiek op twee liberalen na, Vandenpeereboom (Ieper) en Van Iseghem (Oostende). Vier volksvertegenwoordigers zaten in de 8-koppige regering: de Lantsheere (Diksmuide), de Theux (Hasselt), Delcour (Leuven) en Moncheur (Namen).

Tijdens de eerste (artikelgewijze) bespreking (van 11 juli tot 17 juli) werd het wetsvoorstel grondig aangepast.[120] Frans- en Vlaamsgezinde[121] toegevingen hielden elkaar in evenwicht. Art. 1 werd zonder hoofdelijke stemming door een amendement van Jacobs beperkt tot het vooronderzoek vanaf de eerste verschijning van de beklaagde voor de rechter.[122] Over het geheel van het aldus aangepaste art. 1 werd wel hoofdelijk gestemd: 65 Kamerleden stemden voor, 9 onhielden zich.[123]

stemden voor

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

41

-

8

= 49

liberalen

2

6

8

= 16

 

= 44

= 6

= 16

 

 

onthielden zich

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

0

-

0

= 0

liberalen

0

3

6

= 9

 

= 0

= 3

= 6

 

(bron: eigen cijfers[124])

 

Alle katholieken, onder wie de 3 Vlaamse regeringsleden, stemden voor. De 9 liberale onthouders, onder wie Pirmez (Charleroi) en Bara (Doornik), verklaarden zich akkoord met het (rechtvaardige) principe achter art. 1, maar stemden niet voor “parce que le principe pourra être étendu abusivement dans les articles suivants”.[125]

     Art. 2 werd zonder hoofdelijke stemming door de liberaal Van Humbeeck (Brussel) geamendeerd. Niet enkel eentalig Franssprekenden, maar ook tweetaligen zouden in Vlaanderen voortaan een Franstalige procedure kunnen krijgen:

“Lorsqu’un inculpé demandera qu’il soit fait usage de la langue française, l’interrogatoire sera reçue et consignée en français; à partir de cet interrogation, la procédure se fera en français.
  Toutefois, les dépositions des témoins continueront à être reçues et con­signées en flamand, à moins qu’ils ne demandent à faire usage de la langue française.”
[126]

Als tegemoetkoming hiervoor werd een aanvullend amendement van Jacobs op art. 2 met 43 stemmen tegen 25 goedgekeurd.[127] Het voorzag in een verplichte vertaling van de belangrijkste dossierstukken en de verklaringen die in het Frans opgesteld waren.[128]

stemden voor

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

35

-

5

= 40

liberalen

1

2

0

= 3

 

= 36

= 2

= 5

 

 

stemden tegen

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

6

-

2

= 8

liberalen

0

4

13

= 17

 

= 6

= 4

= 15

 

 

Dit Vlaamsgezinde amendement werd verworpen door alle Waalse liberalen en de 4 aanwezige regeringsleden - de regering zou haar eigen meerderheid tijdens de eerste lezing vaker niet volgen (of vice versa). Ontevredenheid over de al te voortvarende Vlaamsgezinde stemmingen kon de reden nog niet zijn, Fransgezindheid lijkt de enige verklaring te bieden. De Brusselse liberalen stemden verdeeld, net als de Waalse katholieken. Het Vlaamse katholieke kamp kunnen we vrij eensgezind noemen: er waren slechts 3 dissidenten (op de 3 Vlaamse regeringsleden na).

     Van Humbeecks aanvullende amendement op art. 3, dat zonder hoofdelijke stemming aangenomen werd, zorgde ervoor dat magistraten met elkaar konden blijven corresponderen in de taal van hun keuze.[129]

Om de balans in evenwicht te brengen werd een nieuw art. 4 van Coremans zonder meer aangenomen: voor de assisenhoven zou men zich niet meer kunnen beroepen op de stilzwijgende instemming van de beklaagde om een Franstalige procedure te starten.

“En matière criminelle, le président de la cour d’assises ou le juge qu’il aura délégué, après avoir interpellé l’accusé de déclarer s’il a fait choix d’un conseil et, avant de lui en désigner un d’office, lui demandera s’il veut être défendu en français ou en flamand.
  Si l’accusé n’a pas de conseil, le président lui donnera un avocat d’office capable de le défendre dans la langue qu’il aura choisie.
  Il sera tenu acte, sous peine de nullité, de l’interpellation et de la reponse y donnée.”
[130]

     Op 16 en 17 juli kwamen de cruciaalste artikelen ter stemming, nl. die over de taal van het OM en de BP. Art. 6 van het voorstel van de centrale afdeling bepaalde dat het OM het Frans mocht gebruiken als de beklaagde zijn advocaat in die taal liet pleiten. Een amendement van Coremans dat het OM verplichtte steeds de taal van de beklaagde te gebruiken[131], haalde met de hakken over de sloot een meerderheid van 42 stemmen tegen 41.[132]

stemden voor

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

37

-

3

= 40

liberalen

0

2

0

= 2

 

= 37

= 2

= 3

 

 

stemden tegen

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

7

-

8

= 15

liberalen

2

7

17

= 26

 

= 9

= 7

= 25

 

 

Opnieuw stemden de 4 aanwezige regeringsleden tegen een Vlaamsgezind voorstel, net als alle Waalse en Vlaamse liberalen. De Vlaamse katholieken hadden af te rekenen met een minieme dissidentie (op de drie regeringsleden na): 4 stemden tegen. De Waalse katholieken en de Brusselse liberalen waren verdeeld, maar met een duidelijk overwicht van de tegenstemmers.

     Art. 7 van het voorstel van de centrale afdeling verplichtte de BP dezelfde taal te gebruiken als het OM. Door het amendement van Coremans betekende dit dat zij in Vlaanderen steeds Nederlands moest gebruiken. Minister van Justitie De Lantsheere wilde haar echter een absolute taalvrijheid garanderen.[133] Zijn amendement werd nipt verworpen met gelijkheid van stemmen: 36 tegen 36. [134]

stemden voor

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

9

-

9

= 18

liberalen

1

5

12

= 18

 

= 10

= 5

= 21

 

 

stemden tegen

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

29

-

4

= 33

liberalen

1

2

0

= 3

 

= 30

= 2

= 4

 

 

Een kwart van de Vlaamse katholieken (inclusief de drie Vlaamse regeringsleden) stemde voor deze Fransgezinde bepaling, daarin gevolgd door alle Waalse liberalen. De Brusselse liberalen en de Waalse katholieken waren weer verdeeld, maar helden over naar het Fransgezinde kamp (zoals de Waalse minister Moncheur). Hetzelfde beeld kwam naar voren uit de stemming over het hele (Vlaamsgezinde) artikel:

“La partie civile se servira de la même langue que la partie publique. L’emploi des langues, soit flamande, soit française est facultatif pour la partie qui est poursuivie comme civilement responsable du fait de l’inculpé”.

45 stemden voor, 33 tegen (de 4 regeringsleden inbegrepen) en 1 Vlaamse katholiek onthield zich.[135]

stemden voor

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

35

-

5

= 40

liberalen

1

2

0

= 3

 

= 36

= 2

= 5

 

 

stemden tegen

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

9

-

8

= 17

liberalen

1

5

10

= 16

 

= 10

= 5

= 18

 

     De bepalingen in verband met Brussel raakten niet geheel ongewijzigd door de eerste lezing. De Vlaamsgezinden konden art. 8 van het voorstel van de centrale afdeling goedgekeurd krijgen. De eerste alinea, die stelde dat in het gerechtelijke arrondissement Brussel en voor het assisenhof van Brabant de rechtbank de taal moest kiezen “selon les besoins de chaque cause”, werd zonder meer aangenomen. De tweede die bepaalde dat het Nederlands gebruikt moest worden als de beklaagde enkel die taal begreep[136], haalde het met 45 tegen 33 stemmen.[137]

stemden voor

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

35

-

3

= 38

liberalen

2

3

2

= 7

 

= 37

= 3

= 5

 

 

stemden tegen

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

9

-

10

= 19

liberalen

0

4

11

= 15

 

= 9

= 4

= 21

 

(bron: eigen cijfers op basis van de stemresultaten uit de P.A.)

 

De regering stemde weer tegen haar Vlaamse meerderheid. Voor het eerst konden de Waalse liberalen hun unanimiteit niet handhaven, de dissidentie bleef echter beperkt. Opnieuw stemde een grote meerderheid van de Vlaamse katholieken voor een Vlaamsgezinde maatregel. De Brusselse liberalen waren verdeelder dan ooit.

Het laatste hete hangijzer van de eerste lezing was art. 9 van het voorstel van de centrale afdeling, dat het beroepshof van Luik buiten de wet hield. Een amendement van de Lantsheere[138] onttrok ook het Brusselse beroepshof aan de toepassing van de wet. 50 stemden voor en 22 tegen.[139]

stemden voor

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

19

-

12

= 31

liberalen

2

5

12

= 19

 

= 21

= 5

= 24

 

 

stemden tegen

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

21

-

1

= 22

liberalen

0

0

0

= 0

 

= 21

= 0

= 1

 

 

De liberale partij was eensgezind in haar goedkeuring van deze maatregel, net als de Waalse katholieke vleugel (op 1 tegenstemmer na). De Vlaamse katholieken waren hevig verdeeld, twee gelijkwaardige kampen - met de regeringsleden opnieuw in het Fransgezinde - stonden tegenover elkaar.

Ten slotte werden zonder hoofdelijke stemming nog twee minder belangrijke amendementen van Coremans en Van Wambeke aanvaard over de vertaalkosten en de vertaling van het Wetboek van Strafvordering.[140]

     Het resultaat van de eerste stemming was voor beide kampen billijk te noemen. De Fransgezinden waren erin geslaagd het bereik van de wet in te perken[141], maar de Vlaamsgezinden hadden binnen dat beperkte toepassingsdomein meer voldoening gekregen[142].

     Tijdens de tweede lezing (van 22 tot 25 juli) werd het voorstel “afgebroken” en “sterk verminkt”, zoals het bij sommige historici heet.[143] Zonder discussie of stemming werd het personaliteitsbeginsel restrictieloos ingevoerd in de Vlaamse rechtspraak.[144] Een amendement van Bara dat de rechten van de beklaagde op vertalingen beperkte[145], werd nog verworpen met 69 stemmen tegen 33.[146]

 

stemden voor

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

41

-

12

= 53

liberalen

2

2

2

= 6

 

= 43

= 2

= 12

 

 

stemden tegen

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

1

-

2

= 3

liberalen

0

8

22

= 30

 

= 1

= 8

= 24

 

 

Op dit onbelangrijke amendement stemde de regering voor het eerst tegen de liberalen. Hiermee wilde ze de Vlaamsgezinden sussen.[147]

Coremans kon nog één overwinning behalen. Zijn amendement op art. 7, dat de beklaagde tegen de willekeur van zijn advocaat moest beschermen [148], werd aangenomen met 56 stemmen tegen 44, bij 1 onthouding.[149]

 

stemden voor

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

43

-

8

= 51

liberalen

1

2

2

= 5

 

= 44

= 2

= 10

 

 

stemden tegen

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

6

-

6

= 12

liberalen

1

8

23

= 30

 

= 7

= 8

= 29

 

 

De 4 regeringsleden stemden tegen, het gros van de Waalse en Brusselse liberalen eveneens. De Waalse katholieken waren verdeeld, met een licht overwicht voor de voorstanders. De Vlaamse katholieken spraken zich voor het amendement uit: slechts drie (afgezien van de regeringsleden) stemden tegen.

     Hierna kwam een Fransgezinde reactie op gang. Een amendement van De Baets, dat de relatieve taalvrijheid van het OM herstelde, haalde het met 83 stemmen tegen 17.[150]

stemden voor

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

33

-

13

= 46

liberalen

2

11

24

= 37

 

= 35

= 11

= 37

 

 

stemden tegen

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

15

-

2

= 17

liberalen

0

0

0

= 0

 

= 15

= 0

= 2

 

 

De regering was er eindelijk in geslaagd haar meerderheid achter zich te krijgen. Tijdens de eerste lezing had het ‘tegenovergestelde’ amendement het immers gehaald dankzij de massale steun van de Vlaamse katholieken (zie p. 44). Twee derden van hen stemden nu voor een Fransgezinde maatregel, net als alle liberalen en vrijwel alle Waalse katholieken. Hoe was deze ommekeer mogelijk? Bepaalde auteurs hebben gewezen op de massale mobilisatie van de (Fransgezinde) liberalen.[151] Hieraan kan het grote stemmenverschil (van 66 eenheden) echter niet gelegen hebben want slechts 9 extra liberalen[152]  kwamen opdagen (van 28 naar 37) tegen 8 extra katholieken[153] (van 55 naar 63).

De echte oorzaak was de grote stemmenverschuiving aan Vlaams-katholieke zijde. Als we het stemgedrag nagaan van de 75 Kamerleden die aan beide stemmingen deelnamen, zien we dat tijdens de eerste lezing 36 van hen voor een beperking van de taalvrijheid van het OM stemden en 39 tegen. Tijdens de tweede waren dat resp. 12 Kamerleden tegen 63. Met andere woorden, 24 Kamerleden veranderden van mening.

 

stemden voor

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

29 à 10

-

2 à 1

= 31à11

liberalen

0 à 0

2 à 0

0 à 0

= 2 à 0

 

= 29 à 10

= 2 à 0

= 2 à 1

 

 

stemden tegen

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

6 à 25

-

9 à 10

= 15 à 35

liberalen

2 à 2

4 à 6

16 à 16

= 22 à 24

 

= 8 à 27

=  4 à 6

= 25 à 26

 

 

Uit deze tabel blijkt duidelijk dat ongeveer 55% van de Vlaamse katholieken hun huik naar de wind hingen[154] en dat de stemmen van de liberalen niet nodig waren voor een ommekeer. De Brusselse liberalen kozen ook eieren voor hun geld en stemden mee met de Waalse liberalen.

     De regering, die tijdens de eerste lezing haar partijgenoten vrij had gelaten, was blijkbaar geschrokken van de Vlaamsgezinde stemmingen en had voor de tweede lezing haar troepen een ‘stemsuggestie’ gegeven. Onmiddellijk bleek dat van de 35 à 40 katholieke Vlaamsgezinden die de Kamer telde, slechts 10 à 15 ‘preciezen’ onvoorwaardelijk Vlaamsgezind waren. De overigen, ‘de rekkelijken’, waren bereid de radicale Vlaamsgezinden een eind tegemoet te komen als dat spoorde met hun andere politieke doeleinden.[155]

     De Lantsheeres amendement uit de eerste lezing m.b.t. de BP werd ook gerehabiliteerd: “La partie civile fera usage, à son choix, de la langue flamande ou de la langue française.” 59 Kamerleden stemden voor, 36 tegen. [156]

stemden voor[157]

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

16 (9)

-

7 (9)

= 23

liberalen

2 (1)

9 (5)

25 (12)

= 36

 

= 18

= 9

= 32

 

 

stemden tegen

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

34 (29)

-

2 (4)

= 36

liberalen

0 (1)

0 (2)

0 (0)

= 0

 

= 34

= 0

= 2

 

 

Opnieuw werd een stemming uit de eerste lezing ongedaan gemaakt. De liberalen en de Waalse katholieken sloten de rangen tegen de Vlaamsgezinden. Bij de Vlaamse katholieken deed er zich geen absolute stemmenverschuiving voor. Integendeel, de groep Vlaamsgezinden werd groter (van 29 naar 34). Het was echter makkelijker op dit punt radicaal Vlaamsgezind te zijn omdat de taal van de BP niet dezelfde symboolwaarde had als die van het OM. Als het OM, de vertegenwoordiger van de overheid in het gerecht, ertoe verplicht kon worden steeds in het Nederlands te pleiten, hield dit een officiële erkenning in van het Nederlands als juridische taal. Bovendien had zelfs het behoud van de tekst uit de eerste lezing weinig soelaas gebracht voor de radicale Vlaamsgezinden. Die stelde immers: “La partie civile se servira de la même langue que la partie publique.” In combinatie met de relatieve taalvrijheid van het OM, die net goedgekeurd was, betekende dit dat ook de BP er niet meer toe verplicht was de taal van de beklaagde te spreken. De Vlaamse katholieken wisten dit.

De indruk dat zij slechts pro forma - als troostprijs voor hun trouw aan de regering - vrij mochten stemmen, wordt nog versterkt door het feit dat de meerderheid sowieso verzekerd was door de grotere mobilisering van de liberalen (van 21 naar 36) en de Fransgezinde katholieken (van 18 naar 23). Ik wil echter benadrukken dat die 15 extra liberale stemmen niet nodig waren om de Vlaamsgezinde meerderheid omver te werpen; de talrijker opgekomen Fransgezinde katholieken volstonden.[158] Ik meen hierop te mogen insisteren omdat bepaalde historici[159] de (Fransgezinde) liberalen verantwoordelijk stellen voor de ‘verminking’ van het voorstel in tweede lezing.

De bepaling dat het Nederlands in het arrondissement Brussel gebruikt moest worden als de beklaagde enkel die taal begreep[160], werd met 65 tegen 33 stemmen aangenomen (in de eerste lezing met 45 tegen 33).[161]

 

stemden voor

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

49

-

10

= 59

liberalen

2

3

1

= 6

 

= 51

= 3

= 11

 

 

stemden tegen

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

0

-

2

= 2

liberalen

0

8

23

= 31

 

= 0

= 8

= 25

 

 

Belangrijk was dat de regering en de Waalse katholieken van mening veranderd waren, waarschijnlijk uit erkentelijkheid voor de ‘positieve’ houding van de rekkelijken. Hun welwillendheid mag echter niet overschat worden aangezien een amendement van Demeur deze bepaling had weten te beperken tot de correctionele en politierechtbanken van het arrondissement Brussel. De onmiddellijk daaropvolgende stemming ging immers over de vraag of het assisenhof van Brabant dezelfde regeling moest krijgen als de correctionele en politierechtbanken.[162] 59 Kamerleden antwoordden neen, 39 ja.[163]

stemden ja

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

35

-

3

= 39

liberalen

1

0

0

= 0

 

= 36

= 0

= 3

 

 

stemden neen

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

14

-

11

= 25

liberalen

1

9

24

= 34

 

= 15

= 9

= 35

 

 

Deze stemming vertoonde dezelfde kenmerken als die over de taalvrijheid van de BP (zie p. 51).

De hele wet werd op 25 juli goedgekeurd met 93 stemmen voor, 2 tegen en 2 onthoudingen.[164]

 

stemden voor

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

47

-

13

= 60

liberalen

2

10

21

= 33

 

= 49

= 10

= 34

 

 

stemden tegen

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

0

-

1

= 1

liberalen

0

0

1

= 1

 

= 0

= 0

= 2

 

De senaat gaf op 5 augustus zijn fiat. De koning zette op 17 augustus zijn handtekening onder de wet en op 26 augustus 1873 verscheen hij in het staatsblad.

 

3. Standpunten en argumenten

Bij de behandeling van de parlementaire groepen bekijk ik eerst hun algemene oordeel over de wet en hun argumenten daarvoor. Daarna besteed ik aandacht, voor zover mogelijk, aan hun ideeën over de een- of tweetaligheid van het Vlaamse gerecht, over de regeling voor het vooronderzoek en ter zitting, over de taalvrijheid van de advocaat, het OM en de BP en over Brussel. Ten slotte ga ik in op hun houding tegenover de taalgelijkheid en de wederkerigheid.

 

3.1 Katholieken

 

3.1.1 Vlaamse katholieken

Er kwamen in het hele debat zeven Vlaamse katholieken uitgebreid aan het woord.[165] Op basis van hun stemgedrag kunnen we al een eerste ruwe onderverdeling maken tussen radicale Vlaamsgezinden, de ‘preciezen’: Coomans (Turnhout), Coremans (Antwerpen), Delaet (Antwerpen); de gematigd Vlaamsgezinden, de ‘rekkelijken’: Jacobs (Antwerpen), De Baets (Gent) en Van Wambeke (Aalst); en minister van Justitie de Lantsheere, een Fransgezind tegenstander.

De Vlaamse katholieken, behalve de Lantsheere, hamerden erop dat een wet eindelijk een eind moest maken aan de wantoestanden die de dominantie van het Frans in het Vlaamse gerecht meebracht.

“Nous ne voulons pas que la langue flamande opprime la langue française; mais nous ne voulons certes pas que le français continue à opprimer le flamand, nous ne voulons pas se laisser perpétuer cet état d’infériorité dans lequel se trouve la race flamande depuis 1830.” [166]

Voorbeelden van gerechtelijke dwalingen waren legio.[167] Het ging toch niet aan dat een beklaagde geen kennis kon nemen van wat hem ten laste werd gelegd “chez lui, dans son pays, là où il doit jouir de tous ses droits”.[168] Zelfs in Indië werden de inboorlingen in hun eigen taal, het hindustani, berecht.[169] Voor De Haerne (Kortrijk), een priester, was het wetsvoorstel “une nouvelle barrière que nous élèverons contre l’envahissment de l’esprit français. Ce me semble évidemment patriotique au point de vue de l’intérêt national que tout belge doit comprendre.”[170]

Het doel van de wet was voor de Vlaamsgezinden duidelijk:

“[L]orsqu’un accusé du pays flamand demande que l’instruction et les débats aient lieu en néerlandais, afin qu’il ne reste pas étranger à la chose qui l’intéresse le plus, il doit être satisfait à sa demande.”[171]
“[L]e prévenu […] a […] le droit de compulser son dossier, d’en causer avec son avocat, de comprendre ce que les témoins sont venus dire et de connaître la correspondance que le ministère public a échangée avec les juges d’instruction d’autres localités! […] J’insiste donc que la loi soit rédigée de telle façon qu’il soit possible au prévenu de comprendre,
au moins, sur quoi et de quoi on parle.
[172]

Vertalingen waren uit den boze, “la traduction est un véritable danger”.[173] Het was “irrégulier et dangereux” Nederlandse verklaringen in het Frans te deponeren. [174]

     Geen van de Vlaamsgezinde katholieken wilde het Frans uit de Vlaamse strafrechtspraak bannen. Coomans en Delaet klonken zowat het extreemst:

“[N]ous désirons qu’on applique autant que possible la juste exigence de nos compatriotes: ‘In Vlaanderen vlaamsch,’[…]; mais nous consentons, c’est une concession que nous faisons, […] à ce qu’on parle français devant les tribunaux flamands, alors que toute la procédure aurait été faite en flamand.”[175]
“Pour nous, il est entendu que la langue du territoire sera la langue employée
de préférence et c’est la règle.”
[176]

Dit sloot echter geen Franstalige rechtspraak in Vlaanderen uit:

“Nous avons si bien compris la rigueur de ce traitement que nous ne voulons pas l’appliquer à nos frères des provinces wallonnes; nous voulons que les Wallons puissent, même en pays flamands, être entendus dans leur langue et que certaines pièces de la procédure soient rédigées en cette langue-là.”[177]

Coremans, het boegbeeld van de preciezen, wees expliciet elk territorialiteitsbeginsel af:

“La première proposition, celle que j’ai formulée, était excessivement modérée; elle ne tendait nullement à faire décider par exemple, que la langue du territoire devait, en pays flamand, être toujours, dans tous les cas, la langue de la justice répressive.”[178]

Hij bleek, net als de rekkelijken[179], een aanhanger van het personaliteitsbeginsel:

“Dès l’origine, nous avons demandé que tout individu devant comparaître devant la justice répressive, même en pays flamand, pût exiger qu‘il fût fait usage, dans l’instruction et dans le débat de la langue française, si cet idiome était préféré par lui.”[180]

Het motto ‘in Vlaanderen Vlaams’, dat de Vlaamse katholieken zo graag in de debatten lieten vallen, had dus maar een mild territoriale betekenis: als de beklaagde er niet tegen protesteerde, zou het Nederlands gebruikt worden. In de praktijk kwam het neer op: ‘in Vlaanderen ook Vlaams, soms’. Desalniettemin stonden ze erop elke regeling voor Franstaligen als een uitzondering te presenteren.

“[J]e crois que nous pouvons nous rallier tous à l’amendement de l’honorable M. Van Humbeeck, qui n’est pas l’amendement de l’honorable M. Demeur [[181]]; voici la différence entre eux: En principe, ils peuvent aboutir à des conséquences qui se rapprochent; mais en fait, l’un est destructif de l’article 1er, tandis que l’autre ne l’est pas. […] M. Van Humbeeck [[182]] apporte à ce principe, qu’il maintient et qu’il reconnait, une véritable exception.”[183]

     Over de taal van de “procédure préparatoire” verschilde de retoriek van de rekkelijken en de preciezen grondig. De eerstgenoemden hadden er niets op tegen dat “toute la partie de la procédure qui précède la comparution devant le juge d’instruction ne doit pas être règlée”[184], m.a.w. “les rapports de gendarmerie et de commissaires de police pourront se faire dans la langue qu’ils choisiront”[185]. Dit bleek uit Jacobs’ amendement op art. 1 (zie voetnoot 122, p. 43).

     Coremans daarentegen eiste dat het volledige vooronderzoek in het Nederlands zou verlopen. Hij hechtte hier zoveel belang aan, dat hij bereid was een volledige tweetaligheid toe te staan als het vooronderzoek vóór de eerste voorgeleiding van de beklaagde maar niet aan een wettelijke regeling ontsnapte:

“Dans les provinces de la Flandre Occidentale, de la Flandre Orientale, d’Anvers et de Limbourg, ainsi que dans l’arrondissement judiciaires de Louvain, la procédure préparatoire sera faite en flamand ou dans les deux langues, sauf les restrictions qui suivent.”[186]

In de praktijk volgde hij de rekkelijken echter want al snel liet hij dit amendement vallen ten gunste van dat van Jacobs.[187] Hij keerde nog verder op zijn schreden terug: “Pour les communications qu’on retire du dossier quand l’affaire va être renvoyée devant le tribunal, il n’importe pas beaucoup que les magistrats y emploient de préférence telle ou telle langue.” [188]

     Inzake de taal van de rechtszitting verschilden de ideeën van beide Vlaamsgezinde kampen minimaal, maar hun stemgedrag zou hen tegenover elkaar plaatsen. De Baets was voorstander van “la liberté la plus absolue pour la défense, c’est au client à s’entendre avec son avocat.”

“Vous ne pouvez pas enchaîner la liberté de la défense; je parle dans l’intérêt des Flamands et des Wallons, parce qu’il y a là un intérêt de justice, un intérêt social, un intérêt de bonne administration de la justice.” [189]

Coremans had evenmin iets tegen de taalvrijheid van de advocaat zolang die de wil van zijn cliënt respecteerde, maar daar schortte het aan:

“[L’] état des choses auquel nous voulons rémédier provient, en très grande partie, de l’abus (je ne trouve pas d’autre mot) qu’avaient fait de la liberté de se servir de la langue flamande, vis-à-vis d’individus qui ne savaient que le flamand, les magistrats d’un côté, et les avocats de l’autre.” [190]

Het was zijn bedoeling de taalvrijheid van de beklaagde in ere te herstellen door hem voldoende bescherming te geven tegen de verfransingsdruk van het juridische milieu:

“J’ai tâché de trouver un moyen de rendre impossible que l’on pût se contenter d’un consentement tacite, passif, inconscient de la part de l’accusé flamand pour donner à l’avocat le droit de plaider en français.” [191]

Zijn amendementen voegden niets toe aan het principe achter de wet, ze gaven vooral blijk van zijn bezorgdheid om loyale naleving ervan.[192]

     De taalvrijheid gold in de ogen van de preciezen enkel voor de beklaagde en zijn advocaat. Delaet stelde resoluut: “[V]ous ne pouvez rien préscrire à l’avocat, qui n’est pas un fonctionnaire, qui exerce une profession.” [193] Dit lijkt enkel contradictoir. De preciezen wilden Vlaamse advocaten opnieuw de mogelijkheid geven om in het Nederlands te pleiten. Het OM echter moest steeds de taal van de beklaagde gebruiken. Als dit niet gebeurde, zo stelde Coremans, zou de wet niets substantieels veranderen.[194] Hij verzette zich dan ook met hand en tand tegen het amendement van De Baets (zie voetnoot 150 p. 49).[195]

     Van Wambekes houding was representatief voor die van de rekkelijken. Op 16 juli had hij tegen de relatieve vrijheid van het OM gestemd, maar op 23 juli haalde hij bakzeil:

“[J]’adopte en son entier l’amendement de M. de Baets. Je crois que l’avocat qui prend la défense d’un prévenu d’après son désir librement exprimé s’exprime en français, le ministère public doit avoir le droit de répondre dans la même langue. […] Je crois qu’il est de la dignité de la justice que la défense comme le réquisitoire se fassent dans la même langue.” [196]

     Tegenover de taalvrijheid van de BP namen de rekkelijken een harder standpunt in: zowel in de eerste als in de tweede lezing stemden ze tegen.[197] Van Wambeke hield voet bij stuk: “l’accusé a le droit de connaître ce dont il est accusé”. [198] “Quelle est la partie la plus intéressée devant un tribunal correctionnel? C’est évidemment le prévenu contre lequel on requiert l’application de la loi pénale et non la partie civile.”[199] Toch was hij weinig consequent. Tijdens de tweede lezing aanvaardde hij immers de relatieve taalvrijheid van het OM[200], waarvan hij wist dat die de relatieve taalvrijheid van de BP impliceerde.

     De officiële rechtsgelijkheid van het Nederlands en het Frans streefden de Vlaamsgezinden nog niet na, blijkens deze verklaring van Van Wambeke

“[L]a loi […] n’a qu’un texte; vous le traduierez en flamand de la manière la plus littérale, que ce ne serait plus la loi. La loi n’existe que dans une langue. C’est donc un objet d’une nature à part, comme le nom de famille, qui n’est pas susceptible de traduction, qui doit être cité dans la langue où il existe, quelle que soit celle dont on se sert dans le texte d’un jugement. […] Les honorables MM. Boulenger et Mouton n’admettraient pas, et avec raison, si en justice flamande on les appelait ‘Bakker’ et ‘Schaap’. C’est pas là notre nom, diraient-ils.” [201]

Hij merkte op bij zijn voorstel om het Wetboek van Strafrechtpleging in het Nederlands te vertalen: “Je ne demande pas qu’on fasse de cette traduction un texte officiel, mais je désirais […] une traduction officieuse faite par les soins du gouvernement.”[202]

 

De ‘on-Vlaamse’ houding van de regering tijdens de stemmingen werd bevestigd in de debatten. Wel gaf minister de Lantsheere bij zijn eerste tussenkomst te kennen dat de regering positief stond tegenover de Vlaamse eisen. Dat in 1867 Delaets amendement om in Vlaanderen geen Nederlandsonkundige magistraten te benoemen verworpen was, betekende niets:

“Ce n’est pas que quelqu’un, soit au banc du gouvernement, soit sur les bancs de la Chambre, méconnût la nécessité de nommer en Flandre que des magistrats parlant la langue du pays. Mais la majorité crut pouvoir admettre comme suffisante la déclaration très nette et très catégorique du gouvernement que l’on n’avait jamais nommé et que jamais on ne nommerait dans les provinces flamandes des magistrats ne sachant que le français.” [203]

Hij meende echter dat het voorstel van de centrale afdeling de rechten van de Franstaligen niet voldoende beschermde.

“[N]ous Flamands, qui nous plaignons, nous ne devons ni demander ni même permettre qu’en Flandre, nos magistrats, qui savent le français, accusent et condamnent un Wallon en notre langue qu’il ne comprend point. Ce serait manquer sinon de logique, du moins générosité. Nous ne devons pas permettre cela, parce que nous infligerions ainsi à nos compatriotes wallons les griefs dont nous nous plaignons nous-mêmes et dont le projet de loi a pour but de nous affranchir.” [204]

Hij kon niet geloven dat het Vlaamse gerecht de bal soms missloeg:

“Personne n’est parvenu jusqu’à ce jour à établir un seul fait dans lequel la liberté, la vie d’un accusé n’auraient pas trouvé en Belgique, devant l’impartiale justice du pays, toutes les garanties qu’il était en droit d’exiger.”

Niemand had volgens hem veertig jaar lang zo’n onrecht kunnen verdragen.[205] 

     Inzake het vooronderzoek ging de Lantsheere verder dan de rekkelijken. Hij pleitte ervoor een onderscheid te maken tussen substantiële en niet-substantiële akten en handelingen. Die laatste categorie bestond o.a. uit: correspondentie tussen magistraten, rogatoire commissies, rekwisities, etc.

“Il est certain, à mon avis, que le projet de loi n’oblige pas les magistrats à faire ces actes en langue flamande, à peine de nullité. […] Ce sont autant des actes auxquels l’inculpé est personellement étranger.” [206]

Hij verzette zich ook tegen de verplichte vertaling van alle in het Frans gestelde stukken, “c’est pousser trop loin l’amour des principes”.[207] Het doel van het vooronderzoek was te beslissen of een zaak al dan niet ontvankelijk was. Het gebeurde dan ook zelden dat een beklaagde zelf zijn dossier inkeek. Enkel de advocaten raadpleegden het ná het vooronderzoek om hun verdediging voor te bereiden.[208] Vandaar de Lantsheeres amendement op art. 2:

“En matière criminelle, il sera joint au dossier, si l’accusé le demande, une traduction flamande des pièces qui doivent être délivrées à celui-ci, conformément à l’article 305 du Code d’instruction criminelle.”[209]

Met zijn amendement van 22 juli leek hij in te binden:

“La traduction des pièces de la procédure préparatoire et des dépositions des témoins sera faite aux frais du trésor, même en cas de condamnation du prévenu ou l’accusé.
  En matière criminelle, si la procédure se fait en langue flamande, il sera joint au dossier une traduction des procès-verbaux des déclarations des témoins et des rapports d’experts rédigés en français; si la procédure se fait en langue française, il sera joint au dossier une traduction des prédites pièces rédigées en flamand.
  Les frais de ces traductions demeureront, dans tous les cas, à la charge du trésor.”
[210]

Twee zaken relativeren echter het belang van deze ommekeer. Ten eerste was dit geen origineel amendement. Het was een samenvoeging van de tijdens de eerste lezing goedgekeurde amendementen van Jacobs en Coremans (zie resp. voetnoot 128, p. 43; voetnoot 140, p. 48.) waartegen de Lantsheere zich verzet had. Ten tweede was het voor de regering een uitgelezen kans om de Vlaamsgezinden milder te stemmen.

     De Lantsheere geloofde in de taalvrijheid van de advocaat. Zijn verzet tegen een controle laat daar weinig twijfel over bestaan:

“On ne peut, en effet, supposer qu’il se trouve en Belgique un homme portant la robe, qui ait assez peu de souci de sa dignité pour prétendre imposer au prévenu qui lui confie la défense de ses intérêts, une langue que celui-ci ne comprend pas.” [211] 

Dat de toestemming van de beklaagde om zijn advocaat in het Frans te laten pleiten in het protocol van de rechtszitting vastgelegd moest worden, was “une humiliation que la dignité de sa profession ne lui permet pas d’accepter.”[212]

     Aan de BP, zo zei hij, kon men geen taal opleggen.

“Cela n’est pas constitutionnel, car si vous avez le droit de réglementer l’usage des langues en matière judiciaire, vous ne l’avez que pour la magistrature, peut-être pour les avocats en qualité d’auxiliaires de la magistrature.”

Het belang van de BP was immers “aussi respectable, sinon plus respectable que l’intérêt de l’accusé lui-même”.[213] Het OM ten slotte moest kunnen genieten van een relatieve taalvrijheid. [214]

 

     Voor Brussel leek de Lantsheeres eerste tussenkomst op 11 juli veelbelovend voor de Vlaamsgezinden. Hij zei dat aan het assissenhof van Brabant en het beroepshof van Brussel het Nederlands gebruikt moest worden “toutes les fois que les besoins de la cause ne s’y opposent point”.[215] Dit hield volgens hem in dat voor alle rechtbanken van het arrondissement Brussel de taalkeuze steeds aan de rechter overgelaten diende te worden, zelfs als de beklaagde Fransonkundig was.[216] Voor het assisenhof van Brabant, zo beweerde hij, kon je immers onmogelijk garanderen dat alle juryleden Nederlandskundig zouden zijn aangezien ze bij lot werden aangewezen. Voor de correctionele rechtbank was het mogelijk alle Vlaamse zaken door te spelen aan Nederlandssprekende magistraten, maar omdat in vrijwel alle Brusselse processen naast Nederlands- ook Franstalige beklaagden en getuigen betrokken waren - “les deux langues se pénètrent tellement dans la population” - was het onzinnig het Nederlands in bepaalde gevallen te verplichten.[217] Ten slotte maakte de wet op de juridische organisatie (meer bepaald het doorschuifsysteem van de magistraten) in het hof van beroep van Brussel elke Vlaamse procedure onmogelijk. Men kon volgens de minister niet tornen aan die wet:

“Qu’est-ce donc, dit-on, que votre loi d’organisation judiciaire? Mais rien ne vous empêche de la changer. Il y a quelque chose de plus sacré que la loi d’organisation judiciaire, c’est le droit de l’inculpé d’être jugé dans sa langue. Messieurs, on a fait bon marché d’une chose bien grave. Cette règle du roulement, qui semble de si peu d’importance, a été jugée indispensable par toutes les législations […].”[218]

 

3.1.2 Waalse katholieken

Er kwam slechts 1 Waalse katholiek aan het woord, nl. Lelièvre (Namen), die zich Fransgezind toonde.[219] Hij oordeelde als volgt over het voorstel:

“Quant à moi, je considère le projet, non comme réalisant un progrès, mais comme produisant un véritable recul sous tous les rapports. Aussi je ne crains pas de me tromper en prédisant que la durée de la loi future en cette matière sera très courte et qu’elle n’est pas destinée à déparer longtemps notre législation.” [220] 

De nieuwe wet zou tot straffeloosheid leiden:

“Un individu étranger aux provinces dont s’occupe l’article 1er, et ne comprenant pas le flamand, se verra butte aux inculpations les plus graves dans les plaidoiriers des avocats, qui se donneront d’autant plus licence qu’ils sauront que l’individu injurié ne comprend pas ce qu’on lui jette à la face. Des fonctionnaires publics français ou wallons pourront être impunément harcelés et atteints dans leur honneur.” [221]

     Hij wierp zich op als verdediger van de absolute taalvrijheid van de BP en de advocaat.[222] Het was “outrageante pour l’avocat” dat hij officieel toestemming moest krijgen van zijn cliënt om in het Frans te pleiten. “L’avocat est présumé parler conformément aux intentions de son client.”[223] Daarnaast moesten volgens Lelièvre de belangen van andere betrokkenen (zoals de benadeelde partij, de getuigen en “des tiers dont l’honneur et la considération peuvent être atteints par les débats”) voorrang hebben op die van de beklaagde.[224] Van nietigheid kon voor hem geen sprake zijn: “Si l’on admettait des peines de nullité telles qu’elles sont proposées par la section centrale, diverses complications surgiront et elles auront pour conséquence de prolonger les détentions préventives.” [225] 

 

3.2 Liberalen

 

3.2.1 Vlaamse liberalen

Er kwam slechts 1 Vlaamse liberaal uitgebreid aan het woord, nl. A. Vandenpeereboom (Ieper), die bekend stond als een van de meest Vlaamsgezinde liberale parlementsleden.[226] Daarom is het opvallend dat hij in zijn eerste tussenkomst met geen woord repte over de rechten van de Vlamingen, maar enkel oog had voor de mogelijke gevolgen van het wetsvoorstel voor de Franstaligen in Vlaanderen:

“[I]l y a dans les Flandres […] des communes où les habitants ne comprennent pas le flamand […]. Il ne faut pas que les habitants de ces communes soient moins bien traités que les habitants des autres communes de la province […] indépendamment des habitants des communes auxquelles j’ai fait allusion, il y a dans les Flandres des catégories d’habitants qui ne comprennent pas le flamand ou qui le comprennent très peu.
  Ce sont des gens qui ont reçu leur instruction en France et qui ont très peu habité la Flandre; ils y sont revenus et ils parlent généralement le français.
  Je crois donc, au nom de la liberté des langues, qu’il faut laisser aux habitants de la Flandre la même liberté qu’à ceux des autres provinces et à tous les Belges.”
[227]

     Hij stemde niet zo Vlaamsgezind als de preciezen of de rekkelijken, maar onderscheidde zich in zijn eigen partij door voor enkele Vlaamsgezinde bepalingen te stemmen. [228]

 

3.2.2 Brusselse liberalen

Bij de Brusselse liberalen waren er twee kampen. Aan de ene kant was er Couvreur en aan de andere Demeur, Van Humbeeck en G. Jottrand. Guillery zat tussen beide groepen geprangd.

     Enkel Couvreur kan men ongenuanceerd Vlaamsgezind noemen. In de eerste lezing stemde hij met de ‘preciezen’ mee, maar in de tweede toonde hij zich soepeler dan de rekkelijken.[229] Dit wijst erop dat de Fransgezinde druk in de liberale partij groter was dan in de katholieke. Hij meende dat als men Vlaanderen in de vaart der volkeren wilde opstuwen, het Nederlands er gereanimeerd moest worden:

“[I]l n’y a de salut et d’avenir pour les parties flamandes du pays, que par l’usage de sa langue, par la réhabilitation de cette langue, auprès des classes gouvernantes de notre société, wallonnes et flamandes. La participation des Flandres aux idées et à la civilisation modernes, leur émancipation morale et politique, tout est impliqué dans la solution de cette question.” [230]

Bovendien zouden de liberalen er enkel kunnen doorbreken, als ze Nederlands kenden:

“Je ne saurais assez le dire à mes amis de la gauche, à ceux surtout qui appartiennent à la partie wallonne du pays, où les idées libérales dominent, s’ils veulent propager leur conviction dans les Flandres, […] il faut qu’ils résignent à parler le Flamand dans les pays flamands. Ce n’est que par le flamand qu’ils feront la conquête des Flamands. […] Ce serait un très grand malheur, si, en Flandre, on pouvait croire que la cause flamande n’a pas, sur les bancs de la gauche, des amis très fermes et très dévoués.” [231]

De oplossing was dan ook het territorialiteitsprincipe toe te passen in Vlaanderen:

“C’est un principe de droit public élémentaire, admis chez tous les peuples libre qui pratiquent le self-government qu’en matière judiciaire et administrative - le territoire commande la langue - ce que les Flamands expriment par ces mots: In Vlaanderen Vlaamsch.” [232]

Het ging hier net als bij de Vlaamse katholieken om een uitgehold territorialiteitsbeginsel: in de regel moest het Nederlands gebruikt worden, maar via de uitzonderingen werd het personaliteitsbeginsel gehuldigd.

Voor Brussel, ten slotte, verzette Couvreur zich tegen een volledige verfransing en eiste hij de legitieme plaats van het Nederlands op:

“J’attache une grande importance à ne pas abandonner la capitale du pays à la préponderance incontestée de la langue française. Je veux, au contraire, en faire, pour les deux membres de notre famille belge, un domaine qu’ils se partagent fraternellement, un boulevard où […] ils puissent résister à l’envahissement des idées annexionistes de l’étranger.” [233]

 

Guillery nam een positie in tussen Couvreur en de Fransgezinden. Tijdens de eerste lezing stemde hij voor alle Vlaamsgezinde bepalingen die enkel betrekking hadden op Vlaanderen, maar niet op Brussel; tijdens de tweede stemde hij Fransgezind.[234] Hij was voorstander van “la liberté la plus complète de la défense”. De advocaat moest de vrije hand hebben want “l’accusé est souvent le plus mauvais juge de ses intérêts”.[235] Ter wille van Fransonkundigen was hij echter bereid alle vertaalkosten aan de staat aan te rekenen. “[S]’il y a inégalité entre les citoyens belges, c’est au trésor public qu’il appartient de rétablir l’égalité.”[236]

 

     Het standpunt van Demeur, G. Jottrand en Van Humbeeck leunde zeer dicht aan tegen dat van de regering: ondanks hun zelfverklaarde bekommernis om het ‘Vlaams’ stemden zij tegen de belangrijkste Vlaamsgezinde bepalingen.[237]

     Volgens Van Humbeeck waren er geen wantoestanden in het Vlaamse gerecht. “S’il fallait en croire ces accusations, depuis quarante ans il n’y aurait pas eu de justice en Belgique pour la moitié de la population.”[238]

“Jamais devant un tribunal où une partie civile a comparu personnelle­ment, il ne lui a été défendu de se servir de sa langue et on ne pourrait pas le lui défendre, à moins de lui interdire la parole, ce qu’on ne faisait pas [...].”[239] 

     Alle drie erkenden ze echter dat het Nederlands een zekere plaats verdiende in het Vlaamse gerecht.

“Nous voulons que les accusés flamands ou wallons soient tou­jours à même de discuter les charges portée contre eux; nous voulons que, dans la mesure du possible, ces charges leur soient indiquées dans la langue qui leur est la plus familière. Voilà le principe que nous avons voté et que nous maintiendrons dans toutes ses conséquences praticables.”[240]

De wet mocht niet beschouwd worden “comme un moyen de supplanter en quelque sorte la langue française là où cet emploi est rationnel et normalement admis”. De meeste Vlaamse magistraten kenden geen ‘Vlaams’ en het was bovendien geen juridische taal.[241] Hét ‘Vlaams’ bestond tenslotte niet, er waren enkel dialecten.

“Plus d’un Flamand, connaissant parfaitement son dialecte local, le parlant avec la plus grande facilité, pourra se juger incapable de répondre au magistrat dans le langage correct que celui-ci emploierait; il se fera même qu’il ne pourra pas le comprendre.” [242] 

     Allen waren ze het erover eens dat een maximum aan vrijheid de ideale oplossing was.[243] Vandaar dat zij art. 1 en 2 van het voorstel van de centrale afdeling bestreden: zij zweemden naar het territoriale. De amendementen Van Humbeeck (zie p. 43) en Demeur (zie voetnoot 181, p. 57) moesten het personaliteitsbeginsel in ere herstellen.

     Het verplichte aandeel van het Nederlands tijdens het vooronderzoek trachtten ze te beperken.[244] Op 16 juli stelde Demeur voor het personaliteitsbeginsel toe te passen op het vooronderzoek.[245] De Kamer aanvaardde dit pas in de tweede stemronde. Wat de procedure ter zitting betreft vatte Jottrand hun houding samen:

“[S]i l’on […] fait disparaître l’obligation pour le ministère public de discuter en flamand avec un défenseur qui discute en français, l’obligation pour la partie civile, dans tous les cas de discuter dans la langue du prévenu et l’application de la loi à la cour d’assises de Brabant […] je voterai la loi; si [ces trois dispositions] sont maintenues, je serai forcé de voter contre.”[246]

Ze waren voorstander van een absolute taalvrijheid voor de advocaat van de beklaagde en de BP, en een relatieve voor het OM. Getuige daarvan Demeurs amendementen:

“L’usage des langues, soit flamande, soit française, est facultatif pour les avocats et défenseurs. L’accusation pourra, en tous cas, se servir de la langue dans laquelle le prévenu ou l’accusé aura manifesté la volonté d’être défendu.”[247]

“L’emploi des langues, soit flamande, soit française, est facultatif pour la partie civile. Il en est de même pour la partie civilement responsable du fait de l’inculpé.”[248]

 

In Brussel moest het principe van de taalvrijheid op zich voldoende zijn. Demeur wilde met zijn amendement op art. 1 het uitzonderingsregime voor Brussel uitbreiden tot heel (Vlaams) Brabant[249] Voor het Brabantse assisenhof moest de taalvrijheid echter wijken, er waren immers onoverkomelijke praktische obstakels, nl. de samenstelling van een Nederlandstalige jury[250]. Er in het Nederlands rechtspreken was volgens Jottrand vergelijkbaar met “l’exigence élévée vis-à-vis de M. le Ministre des travaux publics de faire construire toutes nos locomotives sur un type magnifique, superbe en théorie, mais qui serait trop large de voie pour circuler sur nos railways ou trop haut de chéminée pour passer sous nos tunnels”.[251]

 

3.2.3 Waalse liberalen

Er kwamen slechts twee Waalse liberalen aan het woord: Bara (Doornik) en Pirmez (Charleroi).

     Het voorstel kon hen niet bekoren. Het Franstalige gerecht functioneerde immers prima:

“[N]ous n’avons jamais vu signaler un fait grave, un abus évident. Quand un Flamand a-t-il été victime de la justice à cause de son ignorance de la langue française? Qu’on parle, si l’on a des faits. […] La vérité est que les cléricaux ont exploité cette question et que beaucoup de ces griefs sont, par conséquent, des griefs politiques que l’on a soulevés et que l’on exagère dans un but électoral.”[252]

Niet alleen tastte de nieuwe wet de grondwettelijke taalvrijheid aan[253] en rehabiliteerde ze de taaldwang van Willem I[254], ook de Belgische eenheid stond op het spel: “Des graves conflits peuvent naître […] je n’aime pas à toucher ce côté de la question si contraire à l’union belge, mais enfin ce n’est pas nous qui avons présenté ce projet de loi […].”[255] De wet zou ten koste gaan van “la science du droit dans les provinces flamandes”.[256]

Bovendien vond Bara dat de Walen en de Nederlandsonkundigen benadeeld werden: “Vous allez empêcher les Wallons de plaider en français devant les tribunaux flamandes.”[257] Zonder de verplichting van het Nederlands hadden de Walen het al niet onder de markt: “Cependant, aujourd’hui encore, nous sommes exclus de fait de toutes les positions judiciaires dans les Flandres.”[258] Nu zouden ze ook wettelijk uitgestoten worden aangezien de Vlamingen twee talen spraken, maar het ‘Vlaams’ een onoverkomelijk struikelblok bleef voor Walen.[259] Deze klacht sloeg natuurlijk ook op de benoemingspolitiek van de katholieken in Vlaanderen, waar de liberalen zich het slachtoffer van voelden.

     Rechtsgelijkheid tussen het Frans en het Nederlands zagen Bara en Pirmez niet zitten:

“Vouloir ce que vous voulez dans un pays mélangé, vouloir qu’un usage égal des langues existe, lorsque vous savez qu’il y a une langue qui par le fait est prédominante, est absolument la même chose que de vouloir faire remonter un fleuve de l’embouchure vers sa source.” [260]

Vandaar dat het tijdens het vooronderzoek enkel van belang was “de faire en flamand que l’interrogatoire et les dépositions des témoins qui suivent l’interrogatoire”.[261] Bara was ervan overtuigd dat een verplichte vertaling van alle Franstalige dossierstukken “ne servira en rien à la justice.”[262] Enkel de advocaat van de beklaagde las immers het dossier en wie zich geen raadsman kon permitteren, kon zeker niet lezen of een gerechtelijk dossier begrijpen.[263] De onderzoeksrechter, “qui agirait selon les besoins de la justice”, moest de taal van het vooronderzoek kiezen.[264]

     Bara en Pirmez verdedigden de absolute taalvrijheid.[265] De beklaagde moest zijn taalrechten volgens hen echter volledig delegeren aan zijn advocaat, “c’est le droit de l’avocat de parler la langue qu’il veut. Or, l’avocat, c’est le client; ce qu’il dit, c’est le client qui le dit.”[266] Hij was immers “le meilleur juge de l’intérêt de son client” en moest autonoom de taal kunnen kiezen die het nuttigst was “à la recherche de la vérité ou à la défense des inculpés”.[267] Ook het OM moest vrij gelaten worden. In Wallonië, zo stelde Pirmez, begrepen de volksmensen het OM en hun eigen verdediging evenmin.[268] Volgens Bara moesten processen volledig in het Frans verlopen. Aan het einde volstond het “de traduire à l’accusé le dispositif du jugement qui le condamne”.[269] Voor het arrondissement Brussel namen ze enkel genoegen met een uitsluitend Franstalige procedure.

 

4. Besluit

 

Hoe evolueerde de  wet?

 

De taalwet van 1873 onderging een aanzienlijke metamorfose tijdens de Kamerdebatten. De Vlaamsgezinden mochten niet echt mopperen na de eerste lezing. Vergeleken met het oorspronkelijke voorstel van de centrale afdeling hadden ze op slechts twee belangrijke punten moeten inbinden: het hof van beroep van Brussel en het vooronderzoek vóór de eerste voorgeleiding van de beklaagde vielen buiten de wet. Daarnaast werd in Vlaanderen het personaliteitsbeginsel onbeperkt ingevoerd[270] en konden de magistraten in het Frans met elkaar blijven corresponderen, maar hier stonden de Vlaamsgezinden in wezen neutraal tegenover. Aan de creditzijde stonden: de verplichte vertaling van de belangrijkste dossierstukken en verklaringen op kosten van de overheid, het OM en de BP moesten steeds in de taal van de beklaagde pleiten en in het gerechtelijke arrondissement Brussel en voor het assissenhof van Brabant moest steeds de Vlaamse procedure gevolgd worden als de beklaagde enkel Nederlands sprak.

     De eindrekening na de tweede stemronde was minder gunstig. Het OM en de BP kregen hun taalvrijheid terug (resp. een relatieve en een absolute), voor het assissenhof van Brabant was het Nederlands in geen geval meer verplicht. De enige positieve aanpassing was een extra garantie voor de beklaagde. [271]

 

Wie was verantwoordelijk voor de aanpassingen aan de wet?

 

Hoe was deze ommekeer mogelijk? Voor Coremans was het duidelijk:

“[L]a gauche wallonne a rejeté presque tout entière, comme un seul homme, les dispositions essentielles de la loi! La gauche wallonne ne veut donc pas le redressement des griefs des Flamands. […] Vos votes sont là pour le prouver.”[272]

Dit verwijt was niet onterecht - de Waalse liberalen hadden inderdaad alle Vlaamsgezinde amendementen verworpen. Coremans’ verontwaardiging was echter al te selectief. Het voorstel had nooit zo’n gedaantewisseling kunnen ondergaan zonder de steun van een aantal Vlaamse katholieken en van de regering.

     Over wie precies de verantwoordelijkheid droeg, verschillen de meningen in de literatuur. H. Van Goethem leek de discussie in zijn voordeel beslecht te hebben. In 1990 toonde hij in zijn studie De taaltoestanden in het Vlaams-Belgisch gerecht aan dat de regering zich in de hoek had laten dringen door de liberale partij.

“De bespreking van het wetsvoorstel in de Kamer was voor de katholieke regering een pijnlijke vertoning. Bijna twee derde (43/67, d.i. 64%) van de volksvertegenwoordigers uit eigen rangen, alsook twee van de vier Vlaamsgezinde liberalen, bleken voor essentiële punten een radicaler standpunt voor te staan dan de regering. […] Het wekte sterk de indruk dat de regering haar slag enkel kon behalen door de steun van de liberalen. In feite schipperde ze enkel: ze wilde geen standpunten verdedigen die al te ver afstonden van de liberalen, uit vrees voor straatrumoer. In 1857 al had Leopold I daarom een katholieke regering ontslagen. Vers nog in het geheugen lagen de verwikkelingen in 1871. Toen ontdeed Leopold II zich van het katholieke kabinet-de Theux-Malou na woelingen te Brussel door supporters van Bara, de felste parlementaire tegenstander van de taalwet.”[273]

Dat de regering haar standpunt enkel kon laten zegevieren met de steun van de liberalen, klopt niet. In mijn inleiding heb ik aangetoond dat de relatieve taalvrijheid van het OM alleen hersteld kon worden door de verschuiving van katholieke stemmen en niet door extra liberale (zie p. 50) en dat voor de taalvrijheid van de BP evenmin extra liberale stemmen nodig waren (zie p. 51). De katholieke partij had met andere woorden alles zelf in de hand.

Dat de regering uit angst voor relletjes de liberalen volgde, is een zwakke verklaring. De regering-d’Anethan die de koning in 1871 ontsloeg[274], weigerde rekening te houden met het liberale straatgeweld en er politieke consequenties uit te trekken, zoals Gita Deneckere heeft aangetoond.[275] Bovendien rijst de vraag of de taalkwestie in 1873 al zo’n mobiliserend karakter had. Aansluitend bij X. Mabille lijkt het me aanneemlijker dat in deze periode de kritieke, activerende breuklijnen vooral langs de confessionele as (de tegenstelling kerk-staat) en de as kapitaal-arbeid[276] liepen. De VB situeerde zich op de derde grote as, de as centrum-periferie, die vooralsnog weinig greep had op de geesten.[277] Tenzij zij al zodanig gemonopoliseerd was door de katholieke partij en als dusdanig met de confessionele tegenstellingen was vergroeid - wat niet het geval was[278] - zou niemand zich de moeite getroosten de straat op te gaan voor een taalwetje dat slechts een kleine groep van magistraten en beklaagden aanbelangde. In een latere publicatie evolueert Van Goethem ook naar dit standpunt.[279]

Kortom, de toegeeflijkheid van de regering tegenover de liberalen was waarschijnlijk niet opportunistisch geïnspireerd, maar was het resultaat van haar eigen Fransgezinde houding. Van Goethem gaat hieraan voorbij. Zo beweert hij dat de verplichte Vlaamse procedure voor Fransonkundigen in het arrondissement Brussel “enkel op verzet vanwege de liberalen” stuitte. In voetnoot voegt hij daaraan toe:

“Tijdens de eerste bespreking stemde de regering wel tegen de tweede alinea (over de hypothese dat de beklaagde enkel Nederlands kent […], maar enkel omdat de eerste alinea toen ook op het hof van assisen van Brabant van toepassing was […].”[280]

Dit is onjuist. Minister de Lantsheere vroeg de opheffing van de tweede alinea voor alle rechtbanken in Brussel (zie p. 62). Tijdens de tweede lezing stemde hij voor omdat het Brusselse beroepshof uit de wet was gelicht en omdat hij wist dat het volledige amendement van Demeur (zie voetnoot 162, p. 53), dat aan het assisenhof een speciale regeling gaf, goedgekeurd zou worden.

     Van Goethems bewijsvoering voor zijn stelling dat de katholieke partij in haar geheel beduidend Vlaamsgezinder was dan de liberale is voor kritiek vatbaar. Hij deelt bv. de Kamerleden die deelnamen aan de hoofdelijke stemmingen in vier groepen in:

“- groep 1: de tegenstanders van de taalwet: 37 liberalen; dus allemaal, op vier na. Van deze tegenstemmers waren er in de eerste stemronde gemiddeld 18 aanwezig, in de tweede gemiddeld 30.

- groep 2: de gematigde voorstanders: de regering (de ministers de Lantsheere, Delcour, de Theux, Moncheur) en 20 andere katholieken; twee liberalen. In de eerste stemronde kwamen gemiddeld 17 uit deze groep, in de tweede gemiddeld 23.

- groep 3: de radicale voorstanders: 22 à 25 katholieken en één à twee liberalen. In de eerste stemronde waren gemiddeld 19 à 21 van deze katholieken aanwezig, in de tweede 21 à 23.

- groep 4: de radicaalste voorstanders: 18 katholieke volksvertegenwoordigers. Tijdens de eerste bespreking telde de Kamer gemiddeld 15 aanwezigen, in de tweede stembeurt gemiddeld 17.” [281]

 

Het resultaat van deze classificatie is dat enerzijds nagenoeg alle liberalen gestanst worden als tegenstanders en alle katholieken als voorstanders en dat anderzijds de enorme stijging van het aanwezigheidsgemiddelde in groep 1 slechts in één richting lijkt te wijzen: de liberalen hadden door hun hogere opkomst de wet aangepast. Van Goethem expliciteert dit trouwens:

“[I]n de eerste stemming kon een amendement van groep 3 en 4 nipt worden goedgekeurd (bijvoorbeeld 20 + 17 stemmen tegen 19 + 17), maar in de tweede stemming was dat niet meer het geval. Daarin gaf de verhoogde opkomst van groep 1 en 2 de doorslag; vooral de liberalen kwamen nu in groter aantal opdagen (groep 1: van 18 naar 30, dus een stijging met 66%; in groep 2 van 17 naar 23, een stijging van 35%).”[282]

 

Ik heb twee essentiële bedenkingen bij Van Goethems indeling. Ten eerste is zij ongelijksoortig. Van Goethem definieert zijn groepen als volgt:

groep 1: “We noemen ze tegenstanders omdat ze systematisch voor de minst gunstige oplossing vanuit Vlaams oogpunt kozen, hetzij door tegen te stemmen bij katholieke voorstellen, hetzij door zelf amendementen in te dienen die de te bespreken bepaling geweld aandeden.”[283]

groep 3: “Het betrof volksvertegenwoordigers die normaal in de eerste ronde stemden voor de verplichting om Nederlands te gebruiken door het openbaar ministerie […], maar niet meer in de tweede ronde, en die bovendien nooit stemden tegen de toepasbaarheid van de wet op het hof van assisen van Brabant […].”[284]

groep 4: “Representatief voor hun gedrag is het verwerpen van het essentiële amendement tijdens de tweede stemming waardoor werd bepaald dat, bij een Nederlandse rechtspleging, het openbaar ministerie Frans mocht gebruiken voor zijn vordering, indien de beklaagde of beschuldigde er mee had ingestemd dat zijn advocaat in het Frans pleitte […].”[285]

groep 2: “Gematigd was wie niet tot een van de drie andere groepen behoorde; het komt er ongeveer op neer dat deze groep kon instemmen met de belangrijkste goedgekeurde bepalingen van de uiteindelijke wet”.[286]

 

Natuurlijk valt er niet te twisten over conceptuele waarheden als ‘tegenstanders zijn zij die systematisch voor de minst gunstige oplossing vanuit Vlaams oogpunt kozen’. De classificatie waar die noties de bouwstenen van zijn, moet echter interne coherentie vertonen. Daar knelt het schoentje. Van Goethem gebruikt vlottende criteria om de groepen af te bakenen. Groep 1, 3 en 4 scheidt hij van elkaar volgens hun houding tegenover de amendementen, m.a.w. op basis van hun stemgedrag. Voor groep 2 (met de regering) verwijst hij naar de houding tegenover de uiteindelijke wet, m.a.w. naar de redevoeringen van de Kamerleden[287]. Dit is conceptueel onzuiver want de amendementen waren veel radicaler in Frans- of Vlaamsgezind opzicht dan de gematigde wet zodat de groepen 1, 3 en 4 wel naar het extreme moeten overhellen en de regeringsgroep automatisch in het centrum terechtkomt.

Ten tweede heeft Van Goethem met zijn eigen criteria in de hand de parlementsleden verkeerd over de groepen verdeeld. Het probleem is dat je op basis van het stemgedrag onmogelijk de regering en groep 2 kan onderscheiden van de liberalen. Slechts in 2 van de 14 hoofdelijke stemmingen koos de regering niet de zijde van de liberale oppositie (zie Bijlage 1.3): die over het amendement-Bara (zie voetnoot 145, p. 48) en die over de verplichte Vlaamse procedure in Brussel. Zij kon het zich veroorloven tegen de liberale oppositie te stemmen omdat het amendement van Bara totaal onbelangrijk was en omdat de verplichte Vlaamse procedure in Brussel een zoethouder was voor haar Vlaamsgezinde partijgenoten - een bepaling die bovendien uitgehold was omdat ze niet van toepassing was op het Brabantse assisenhof (zie p 53). Toch haalt Van Goethem net deze twee atypische stemmingen aan om groep 1 te scheiden van groep 2.[288]

     Als we Van Goethems criteria consequent hanteren, moeten we tot het besluit komen dat de regering/groep 2 en de liberalen tot hetzelfde kamp behoorden. Ofwel waren het gematigde voorstanders omdat zij konden “instemmen met de belangrijkste goedgekeurde bepalingen van de uiteindelijke wet”, bij de eindstemming keurden ze immers allen de wet goed. Ofwel waren het tegenstanders omdat “ze systematisch voor de minst gunstige oplossing vanuit Vlaams oogpunt kozen”. De regering hoefde op dit punt immers niet onder te doen voor de liberalen. Zij diende zelf Fransgezinde amendementen in en stemde tegen de ‘Vlaamse’ ruggengraat van het voorstel[289]. Van Goethems terminologie vertekent dus de politieke verhoudingen.

 

Wat waren de opvattingen van de Vlaams- en Fransgezinden?

 

De ruwe indeling tussen Fransgezinden enerzijds en rekkelijke en precieze Vlaamsgezinden anderzijds, die ik in punt 2 gehanteerd heb, wil ik hier verfijnen. Op basis van de stemmingen en de debatten stel ik de volgende groepen voor:

In wat volgt situeer ik de Kamerleden van beide partijen op deze schaal.

 

Wat was de houding van de regering en de partijen?

 

Katholieken

In de katholieke partij waren alle strekkingen aanwezig, maar de extreme Vlaams- en Fransgezinden vormden slechts een kleine groep. Bij de Vlaamse katholieken bekende een minderheid (de 3 Vlaamse regeringsleden en ongeveer 3 à 6 Vlaamse Kamerleden) zich tot het gematigde Fransgezinde standpunt, maar zij behoorde tot de machtigste factie van de partij. Ondanks hun steunbetuigingen aan de Vlaamse zaak[291] hielden ze door hun pleidooien voor een maximale taalvrijheid van de advocaat, het OM en de BP de facto vast aan het overwicht van het Frans. Voor Brussel wilden ze in geen enkel geval het Nederlands verplichten, de taalkeuze moest er aan de rechtbank overgelaten worden. Uiteindelijk gaven ze toe voor de correctionele en  politierechtbanken, maar, zoals ik hierboven heb aangetoond, was dit niet meer dan een tactische tegemoetkoming aan de Vlaamsgezinden.

Ongeveer 40 van de Vlaamse katholieken die deelnamen aan de stemmingen waren Vlaamsgezind. Zij hadden de vrijheidscultus van het 19de-eeuwse België volledig geassimileerd want de taalvrijheid van de beklaagde was volgens hen het aangewezen instrument om de rechten van Fransonkundigen te beschermen. Geen van hen had er dan ook moeite mee dat de wet het personaliteitsbeginsel huldigde. Daarnaast eisten ze garanties voor de beklaagde tegen zijn eigen advocaat en de magistratuur (o.a. de nietigheidssanctie, de expliciete toestemming om in het Frans te pleiten). De taalvrijheid van de BP en het OM was volgens hen ondergeschikt aan de belangen van de beklaagde.

     Preciezen noch rekkelijken waren het Frans vijandig gezind, ze legden zich zelfs neer bij de dominantie ervan. Dit mag blijken uit het feit dat twee essentiële aanpassingen enkel bij zitten en opstaan aangenomen werden: het vooronderzoek vóór de eerste verschijning van de beklaagde voor de rechter werd uit de wet gelicht en het personaliteitsbeginsel werd onbeperkt ingevoerd in Vlaanderen.[292] Ze eisten evenmin wederkerigheid op of rechtsgelijkheid tussen het Nederlands en het Frans. Dat de Vlaamsgezinden weinig oog hadden voor de sociale implicaties van de taalkwestie, kan gezien hun beperkte doelstellingen weinig verbazen.

     Terwijl tijdens de eerste lezing de stemmingen aansloten bij hun retoriek, kwam het tijdens de tweede tot een breuk binnen het katholieke Vlaamsgezinde kamp. Slechts een vijftiental preciezen bleef elke vorm van taalvrijheid voor het OM bestrijden, 20 à 25 rekkelijken konden zich verzoenen met een relatieve taalvrijheid. Dit was een belangrijke nederlaag voor de rekkelijken want zij beschouwden deze kwestie als de symbolische kern van het voorstel.[293] De Lehaye stelde:

“[Le but de la loi] était de mettre l’accusé ou le prévenu à même de comprendre tout ce qui se dit à sa charge. […] On ne voulait pas que le ministère public […] pût avancer un seul fait, tirer une seule conclusion des faits passés, qui ne peut être compris par l’accusé ou par le prévenu. […] si l’article 8 tel qu’il a été adopté primitivement et qui exige que le ministère public s’exprime toujours en flamand lorsque l’accusé ou le prévenu est Flamand, que si cet article est supprimé, on fait disparaître le but de la loi, la seule concession aux Flamands.” [294]

Dat de Vlaamsgezinden hun rangen sloten rond de taalvrijheid van de BP had nog weinig belang (zie p. 51).

We kunnen besluiten dat een grote groep Vlaamse katholieken de Vlaamse eisen niet ongenegen was, maar dat ze die, eventueel rekening houdend met wat in hun ogen politiek haalbaar was, ondergeschikt maakte aan de wensen van de regering. Rekkelijken en preciezen verschilden dus niet zozeer door hun opvattingen dan wel door hun compromisbereidheid. Op basis van deze bevindingen kan ik mij zeker niet aansluiten bij Van Goethem, die H. Van Velthoven en A.W. Willemsen[295] terecht meent te kunnen wijzen omdat zij de impact van het katholieke flamingantisme (buiten Antwerpen) op het platteland en in de kleine steden sterk relativeren.

“Wij hebben de stemverhoudingen in het parlement bestudeerd, en daaruit blijkt iets volledig anders. Zo behoorden tot de radicale of radicaalste groep in 1873 30 à 35 katholieke volksvertegenwoordigers, niet enkel afkomstig uit Antwerpen, Gent en Turnhout, maar wel van overal; daaronder zelfs vijf Walen. Er waren 24 gematigde katholieken waaronder de regeringsleden, enkele Vlamingen en de overige Walen.”[296]

Het feit dat de regering erin slaagde haar visie door te drukken, is al een bewijs op zich dat de flaminganten geen al te sterke greep op de partij hadden. Bovendien bleek de helft van de preciezen wel degelijk uit de provincie Antwerpen of uit Gent te komen.[297]

     Hoe de regering de rekkelijken overtuigde, daarover blijft de wetenschappelijke literatuur vaag. Het is duidelijk dat zij een toegeving deed door in de correctionele en politierechtbanken van het arrondissement Brussel de Vlaamse procedure te verplichten voor Fransonkundige beklaagden. Dit vormde echter geen billijke ruil voor het herstel van de taalvrijheid in het Vlaamse gerecht. De rekkelijken lieten zich m.i. (relatief) makkelijk overhalen omdat door de groeiende tegenstellingen tussen de kerk en de liberalen[298] de partijeenheid een sterk argument was.

Ondanks de gespierde taal van enkele preciezen[299] deden de Vlaamsgezinden geen poging, op Coremans’ oorspronkelijke wetsvoorstel na, om voor Brussel het Vlaamse regime te bekomen. Zo rechtvaardigden ze het speciale statuut van Brussel, waar de Franstaligen, volgens Van Velthoven, van bij het begin op aandrongen “eerst vanuit een nog zwakke positie met verwijzing naar de hoofdstad als Belgisch ontmoetingscentrum, later vanuit een sterke positie om op het Franstalig karakter te wijzen”.[300] De Vlaamsgezinden probeerden wel de Nederlandstaligen te beschermen binnen het arrondissement Brussel, maar slaagden daar niet goed in.[301]

 

Voor de Waalse katholieken zijn de verhoudingen moeilijker te bepalen omdat enkel Lelièvre, die zich liet kennen als een radicaal Fransgezinde, aan het woord kwam. Op basis van hun stemmingen kan ik enkel een onderscheid maken tussen Fransgezinden in het algemeen en de rekkelijken of de preciezen. Ongeveer 9 Waalse katholieken (onder wie minister Moncheur) stemden consequent met de regering mee over de kern van het voorstel, ongeveer 3 volgden de rekkelijken en 2 de preciezen. Van Goethem concludeert “dat bij de katholieken de taalwet wel op substantiële steun kon rekenen vanuit Wallonië en Brussel, bij de liberalen niet.”[302] Dit klopt in zoverre dat vijf Waalse katholieken Vlaamsgezind waren, Van Goethem noemt er echter 14, een gevolg van zijn conceptueel onzuivere classificatie.[303] Om zijn punt volledig te bewijzen haalt hij een personderzoek van J.M. Lermyte aan:

“De houding van de pers weerspiegelde ook dezelfde verhoudingen: de ganse katholieke pers, ook de Waalse, steunde het beginsel van een taalwetgeving, en behoorde tot de strekking van groep 2, 3 of 4. Van liberale zijde was de ganse Waalse pers tegen, alsook de overgrote meerderheid van die in Vlaanderen: ze beschouwde de wet als overbodig, en een clericaal manoeuver om stemmen te winnen.”[304]

Een belangrijke nuance van Lermyte vermeldt hij echter niet: “De hele katholieke en de hele radikale pers zijn voorstander van de taalwet; wel zijn er enkele Franstalige bladen die niet willen dat aan de burgerlijke partij het Nederlands wordt opgelegd.”[305]

Liberalen

De liberale partij moest het stellen zonder een radicaal Vlaamsgezinde fractie. De groep van de rekkelijken telde daarenboven slechts 1 Brusselse liberaal (Couvreur).[306] Alle overigen behoorden tot het Fransgezinde kamp, maximaal vijf tot het gematigde[307], ongeveer 30 tot het radicale. De grotere weerstand in de liberale partij bleek ook uit de geringere opkomst bij de eindstemming. Terwijl in de katholieke partij de uiteindelijke wet zowel de Vlamingen als de Walen op de been bracht[308], waren in de liberale partij de Walen er minder happig op mee te stemmen.[309]

     Hoewel heel wat Brusselse radicale liberalen zich Vlaamsgezind uitlieten (o.a. Van Humbeeck, A. Dansaert, Demeur, G. Jottrand en J. Guillery[310]), bleken ze als puntje bij paaltje kwam Fransgezind. “Kortom,” zoals Els Witte opmerkt, “een vlaamsgezindheid gedicteerd door electorale nuttigheidsoverwegingen: dat is de enige stempel die men op de stellingname van deze links-liberalen kan zetten.”[311] Pas vanaf eind 1873 zouden volgens haar overtuigde flaminganten zoals K. Buls, C. Graux, E. Picard en Leon Vanderkindere, hun invloed laten gelden in het Brusselse progressisme.[312]

     Bara was de woordvoerder van de radicale Fransgezinden. Zij wilden het ‘Vlaams’ enkel in uitzonderlijke gevallen tolereren. Dat Brussel Franstalig gebied was, daarover waren ze het eens.[313] Opvallend is dat Bara, nog vóór er sprake was van een Waalse beweging, het wallingantische register bespeelde. Zo stelde hij dat Walen en Nederlandsonkundigen uit het Vlaamse gerecht verdreven werden, terwijl Vlamingen, die tweetalig waren, overal terechtkonden. Het ging hier mijns inziens nog niet om een zuiver Waalse klacht, maar vooral om de frustratie van de liberalen over een wet die in hun ogen de klerikale benoemingspolitiek en de katholieke hegemonie in Vlaanderen moest stutten.

 

 

Hoofdstuk 2: De wet van 22 mei 1878

 

1. Inleiding

 

In alle (gemeentelijke, provinciale en staats-)besturen gold sinds de Belgische onafhankelijkheid de taalvrijheid voor ambtenaren.[314] Hierdoor konden Nederlandsonkundigen carrière maken in de Vlaamse administratie. De eisen van de flaminganten beperkten zich aanvankelijk (rond het midden van de 19de eeuw) tot de rijksadministratie: de correspondentie met de lagere besturen en particulieren en de mededelingen aan het publiek moesten minstens tweetalig zijn en in Vlaanderen moesten Nederlandssprekenden benoemd worden.

Onder de liberale regering Rogier-Frère Orban (1857-1867) werden enkele aanpassingen doorgevoerd. Op het ministerie van Binnenlandse Zaken hield een Vlaams ambtenaar zich voortaan bezig met de Nederlandstalige correspondentie en de Vlaamse literatuur, op dat van Openbare Werken werd het Nederlands gebruikt in enkele publicaties. De katholieke regering die in 1870 aan de macht kwam, deed de belofte geen Nederlandsonkundigen meer te benoemen in Vlaanderen en de circulaires aan gemeente- en provinciebesturen in de twee talen te publiceren in het staatsblad. Omdat het voorlopig bij beloften bleef, was het woord aan de Vlaamsgezinde volksvertegenwoordigers.

 

2. Verloop van de parlementaire procedure

 

Al tijdens de bespreking van de taalwet van 1873 had het katholieke Kamerlid Jan Delaet (Antwerpen) een initiatief aangekondigd. Op 6 april 1876 diende hij dan ook een wetsvoorstel[315] in ter regeling van het taalgebruik in bestuurszaken, dat mede ondertekend was door zijn partijgenoten Van Wambeke (Aalst), De Kerckhove (Mechelen), Vander Donckt (Oudenaarde), Coomans (Antwerpen) en De Lehaye (Gent).

In Vlaanderen werd het Nederlands de basistaal van de administratie, maar terwille van de Franssprekenden liet het voorstel ruimte aan het Frans.

In de provincies Antwerpen, Oost- en West-Vlaanderen en Limburg en in het arrondissement Leuven moest het Nederlands gebruikt worden

Het was aan al deze besturen toegestaan maar niet verplicht de administratieve stukken in het Frans te vertalen en in de twee talen te publiceren (art. 3) en op verzoek van particulieren de akten die hen aanbelangden in het Frans te vertalen (art. 4).[316] De besturen van de ‘verdwaalde’ taalgrensgemeenten moesten de taal gebruiken van de meerderheid van hun bevolking (art. 5 en 6). [317]

De Brusselse agglomeratie werd beperkt tot negen gemeenten.[318] Het provinciebestuur van Brabant en de besturen van die negen gemeenten konden de verslagen van hun verschillende raden en colleges, reglementen en andere overheidsakten in het Frans opstellen, mits ze vertaald werden in het Nederlands. De mededelingen aan het publiek moesten in beide landstalen opgesteld worden en de correspondentie met particulieren en administraties moest in het Nederlands als die daarom vroegen (art. 2).

     Hoever Delaet precies wilde gaan, werd duidelijk op 25 april 1876, toen hij zijn voorstel in de Kamer verdedigde. De voorkeur van de flaminganten om hun eisen in territoriale bewoordingen te gieten, bleek weer: “[Le projet] veut que le pays flamand soit administré en flamand: in Vlaanderen Vlaamsch[319]. Toch hadden volgens Delaet de overheid en de Franstaligen in Vlaanderen het recht zich met elkaar in het Frans te onderhouden.[320] Het ging hem niet om een volledige vernederlandsing van de Vlaamse besturen, noch om een gegarandeerde tweetaligheid. De externe diensttaal[321] zou het Nederlands zijn met faciliteiten voor Franstaligen.

“Nous avons donc limité pour chacune des trois branches de l’administration l’emploi de la langue flamande à ceux des actes que les habitants ont un intérêt direct à connaître et aux documents que le citoyen, au voeu de la loi, doit toujours être admis à consulter.” [322]

Wat de besturen intern deden, interesseerde hem minder. De nood om dat te reglementeren “se fait sentir ici moins impérieusement”. Hij vertrouwde daarbij op de taalvrijheid. Evenmin was het de bedoeling, zo beweerde hij, het Nederlands te verplichten voor de zittingen van de gemeente- en de provincieraad of voor de correspondentie van gemeenten en provincies “avec toutes les personnes qui n’ont avec elles que des rapports privés” (zoals werknemers, advocaten, ondernemers, enz.), hoewel artikel 23 van de grondwet dat toeliet.[323]

Brussel, zo ging hij verder zou niet te maken krijgen met de “obligations qui incombent aux localités purement flamandes”. Hoewel de Franstalige bevolking er niet in de meerderheid was, moest men er rekening mee houden want “[elle] y est cependant très nombreuse et y prend une large part à la vie publique”.[324]

     Op 28 februari 1878 diende de centrale afdeling haar verslag over het voorstel in. Zij liet het ongewijzigd op één punt na. Volgens art. 4 zouden niet-tweetalige particulieren in heel België de vertaling kunnen eisen van de aan hen gerichte correspondentie en de hen aanbelangende stukken.[325] Dit was volgens A. Prayon-Van Zuylen een tactische blunder van formaat. De Frans- en Waalsgezinde lobby oefende druk uit op de regering om de bespreking van het voorstel uit te stellen. Dit mislukte door een oproep van vooraanstaande Vlaamse liberalen[326], volgens Lode Wils door petitieacties van katholieke flaminganten[327].

Met de parlementsverkiezingen van 11 juni in het vooruitzicht werd het voorstel in amper drie zittingen tussen 2 en 8 mei 1878 door de Kamer behandeld, zonder verhitte debatten. De Kamerzitjes waren als volgt verdeeld.

 

 

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

57

-

11

= 68

liberalen

1

13

42

=56

 

=58

=13

=53

 

 

Van de zes regeringsleden zaten er vier in de Kamer: Malou (Sint-Niklaas), de Lantsheere (Diksmuide), Delcour (Leuven) en Beernaert (Tielt).

Onmiddellijk bij de aanvang van het debat op 2 mei diende de katholiek Thonissen (Hasselt) enkele amendementen in die het toepassingsdomein van de wet beperkten tot de centrale besturen (zie Bijlage 2.1). De mededelingen aan het publiek van de rijksbesturen moesten in Vlaanderen in het Nederlands of  in beide talen opgesteld worden. De rijksambtenaren moesten in het Nederlands met gemeenten en particulieren corresponderen tenzij die het Frans verkozen, in het arrondissement Brussel gold het tegenovergestelde.

Delaet reageerde met een eigen reeks amendementen (zie Bijlage 2.2), die sterk leken op die van Thonissen - hij liet de gemeente- en de provinciebesturen ook vallen. Hij voegde er echter aan toe dat agenten voor hun processen-verbaal het Nederlands moesten gebruiken, tenzij de betrokkene die taal niet begreep. Ook moesten de akten van de burgerlijke stand in het Nederlands opgesteld worden, tenzij de betrokkene het Frans verkoos. Voor het arrondissement Brussel bepaalde Delaet dat rijksambtenaren Nederlands moesten gebruiken in hun correspondentie als hun correspondent daarom vroeg. De mededelingen aan het publiek moesten er steeds tweetalig zijn en de processen-verbaal van politie zouden er in het Nederlands gesteld worden als de gemeenten daartoe beslisten of als de betrokkenen daarom vroegen.

Het voorstel van Thonissen werd tijdens de eerste lezing - op een enkele cosmetische aanpassing na - ongewijzigd aangenomen (zonder hoofdelijk stemming), tijdens de tweede werd een amendement van Coremans goedgekeurd: de mededelingen aan het publiek in het arrondissement Brussel moesten Nederlands- of tweetalig zijn.[328] Aan de eindstemming namen 98 Kamerleden deel, allen stemden voor.[329]

 

stemden voor

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

50

-

5

= 55

liberalen

1

12

30

= 43

 

= 51

= 12

= 35

 

 

Zo kort voor de verkiezingen namen beide partijen de gelegenheid te baat hun Vlaamse blazoen op te poetsen. Of zoals M. Oukhow schrijft: “In de schoot van beide staatspartijen tekende zich rond de taalstrijd altijd een verdeeldheid af die bij de nadering van de verkiezingen steeds werd opgelapt.”[330]

     De senaat gaf eenparig haar goedkeuring op 15 mei 1878, de koning zette zijn handtekening op 22 mei en de wet verscheen op 25 mei 1878 in het staatsblad.

 

3. Standpunten en argumenten

 

Geen enkele Brusselaar, Waalse katholiek of Vlaamse liberaal mengde zich in de debatten. Bij de behandeling van de parlementaire groepen ga ik eerst in op hun algemene oordeel over de wet en hun argumenten daarvoor. Daarna besteed ik aandacht, voor zover mogelijk, aan hun ideeën over de een- of tweetaligheid van de Vlaamse administratie, de taalvrijheid, Brussel, taalgelijkheid, wederkerigheid en rechten voor Duitstaligen.

 

3.1 Vlaamse katholieken

 

De scheiding tussen de rekkelijke en de precieze Vlaamsgezinden was niet zo uitgesproken als in 1873, aangezien geen van hen écht dwars ging liggen toen Delaets voorstel aangepast werd. Het enige relevante onderscheid dat we kunnen maken is dat tussen de Kamerleden die de wet als een minimum beschouwden (preciezen), zij die er wel tevreden over waren (rekkelijken) en zij voor wie het de absolute limiet was en die er zich daarenboven negatief over uitlieten (Fransgezinden). Tot die eerste groep behoorden: Delaet, Kervyn de Volkaersbeke (Gent), A. De Decker (Antwerpen) en Coremans (Antwerpen), tot de tweede Thonissen (Hasselt), Magherman (Oudenaarde) en Van Wambeke (Aalst). Op basis van haar houding uit 1873 en enkele opmerkingen van minister van Binnenlandse Zaken Delcour (Leuven) en minister van Financiën Malou (Sint-Niklaas) durf ik de regering Fransgezind te noemen.

Typerend voor de eerste (precieze) groep was dat zij bezwaar aantekende toen Delaets oorspronkelijke voorstel vervangen werd door dat van Thonissen en dat zij hechtte aan een regeling voor processen-verbaal en akten van de burgerlijke stand, een verzet dat zij uiteindelijk makkelijk liet varen.

Delaet had op 25 april 1876, toen hij zijn oorspronkelijke voorstel verdedigde, duidelijk gemaakt dat er iets moest veranderen. “Tout pays où les agents de l’autorité peuvent s’adresser aux administrés dans une langue que ceux-ci n’entendent point, est dans une situation anormale et violente.”[331] Tijdens de eigenlijke Kamerbespreking hield hij hieraan vast. De ambtenaren waren er voor het publiek en niet omgekeerd.[332]

“Quand nous venons réclamer au nom des populations flamandes, nous ne réclamons pas au nom d’un mythe: il y a en Belgique plus de deux millions et demi de citoyens belges qui ne comprennent pas le français. […] Je ne parle donc pas au nom d’un mythe, mais au nom de la grande moitié de nos compatriotes qui sont exclus de la pleine jouissance de leurs droits civiques et civils.”[333]

Hij vroeg “au nom de la concorde nationale de ne plus faire peser sur le pays flamand un état de choses qui pourrait présenter de graves dangers”.[334]

Bij zijn eerste tussenkomst, op 2 mei, trok Delaet van leer tegen Thonissen. De grondwet, zo zei hij, maakte in art. 23 geen onderscheid tussen staat, provincie en gemeente, zodat de wet voor alle drie tussenbeide kon komen. [335] Bovendien klopte het niet dat het taalgebruik van de besturen via de verkiezingen voldoende geregeld kon worden: “La question de la langue n’est pas le seul facteur électoral et dès ce moment il est évident que les communes ont le droit de voir règler l’usage des langues par la loi.” [336] Toch ging hij er onmiddellijk mee akkoord het debat over de gemeenten en de provincies uit te stellen omdat de parlementaire sessie op zijn einde liep. De Kamer zou zich immers binnen afzienbare tijd over dit probleem moeten buigen[337]: “[N]ous nous résignons […] à ne pas tout demander, ce n’est pas que nous renoncions à le faire, mais c’est parce que nous croyons que le moment n’est pas venu [...].”[338] Met Thonissens amendementen kon hij zich verzoenen op voorwaarde dat die aangevuld werden met de zijne.[339] Belangrijk was vooral dat de gendarmes Nederlands kenden. Dit was nu nog niet het geval, waardoor Vlamingen nog al te vaak gearresteerd werden omdat men hen niet begreep.[340]

“Pourquoi ne déciderait-on pas, une fois pour toutes, que les gendarmes dans le pays flamand n’ont pas absolument besoin de connaître le français au point de savoir rédiger un rapport de police ou un rapport de service en cette langue?” [341]
“Il y a […] nécessité absolue d’avoir en pays flamand des gendarmes parlant le flamand. […] Comment voulez-vous que les gendarmes wallons fassent les poursuites et les enquêtes nécessaires pour pouvoir découvrir les coupables au milieu de populations entièrement flamandes? Pour les enquêtes avant les arrestations les inconvénients sont encore plus grands et les injustices sont bien souvent odieuses.”
[342]

Het is dan ook verwonderlijk dat Delaet zo makkelijk zijn amendement dat Nederlandstalige processen-verbaal verplichtte, liet vallen en niet reageerde toen de Kamer de amendementen van Thonissen zonder hoofdelijke stemming aannam. Waarschijnlijk besefte hij dat door vast te houden aan zijn eigen voorstel, de bespreking niet vóór de verkiezingen van 11 juni beëindigd zou kunnen worden. Zo zou hij zijn kiezers onder ogen moeten komen zonder concrete resultaten en bovendien het risico lopen na de verkiezingen geconfronteerd te worden met een Kamer die zijn voorstel op de lange baan zou schuiven.

Het principe van de eentaligheid van Vlaanderen was voor Delaet en de zijnen nog ondenkbaar. Dat een Vlaams ambtenaar bv. geen Frans zou hoeven te kennen, “c’est aussi absurde que de vouloir confier des fonctions de comptable à un homme qui ne savait pas les quatre règles de l’arithmique”.[343] Coremans van zijn kant verwierp de stelling van de liberale voorman Frère-Orban als zou een loutere, officieuze vertaling volstaan voor de akten die in het Nederlands opgesteld moesten worden. Hij eiste een officiële vertaling, maar had er niets op tegen dat burgers twee documenten kregen, een Franstalig en een Nederlandstalig exemplaar.[344]

De taalvrijheid droeg Delaet hoog in het vaandel, maar de grondwet, zo zei hij, had een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de burger wiens taalvrijheid absoluut was en de “fonctionnaire administratif ou judiciaire, qui doit faire usage de la langue prescrite par la loi”.[345] De overheid had dus het recht van zijn ambtenaren te eisen

“qu’ils soient capables de rendre tous les services qu’impliquent leurs fonctions; elle peut, dans ce but, formuler le programme des connaissances et des aptitudes requises. […] On ne contestera pas que la première, la plus indispensable aptitude que l’on doive exiger d’un fonctionnaire, c’est de comprendre le public et d’en être compris.” [346]

Dat er onoverkomelijke praktische obstakels waren, weigerde Delaet te geloven.[347] De wet van 1873 had, alle onheilstijdingen ten spijt, “aucun inconvénient sérieux”[348] veroorzaakt:

“[L]e parquet et le barreau s’y accomodent sans trop de peine; […] la magistrature assise l’a acceptée sans défaveur et […], grace à un peu de bonne volonté et d’indulgence de part et d’autre, des difficultés, que l’on disait devoir être insurmontable, ont été facilement aplanies.” [349]

Dit bewees dat “avec un peu de bonne volonté il est facile de faire droit aux justes réclamations des Flamands.” [350]

Ook in de centrale besturen en in Brussel was er geen reden om het Nederlands niet te gebruiken:

“[Les articles 1 et 2] ne nécessiteront que l’adjonction d’un petit nombre de traducteurs au personnel actuel des bureaux; c’est dire que les charges qu’elles entraînent se réduisent à une dépense relativement légère à inscrire aux budgets.” [351]

Wederkerigheid van rechten voor Vlamingen in Wallonië wees Delaet van de hand. Art. 4 van het voorstel van de centrale afdeling “serait inexécutable dans les provinces wallonnes”. “Or, les Flamands, qui sont souvent accusés d’exagération et à qui l’on reproche parfois de demander l’impossible, ne demandent, en réalité, que le possible et le facile.” Op de tegenwerping van de liberaal Tesch (Aarlen) dat de Duitstalige Belgen in de kou bleven staan door dit art. 4, antwoordde hij dat het dialect van de Duitstaligen even ver stond van het Nederlands als van het Duits. “M. Altmeyer […] m’a dit souvent qu’à l’aide de son idiome local de Luxembourg, il avait appris le flamand et qu’il n’avait jamais réussi à bien apprendre l’allemand.” [352]

 

Delaets oorspronkelijke voorstel kon voor Thonissen, het boegbeeld van de rekkelijken, niet door de beugel.[353] Het maakte het de Walen niet alleen onmogelijk om nog openbare functies te vervullen in Vlaanderen[354], het vormde ook een inbreuk op de taalvrijheid, waarin hij absoluut geloofde: “[L]e meilleur système consiste à avoir confiance dans la liberté.” Enkel staatsambtenaren kon men de kennis van een taal opleggen. De taalvrijheid die art. 23 van de grondwet proclameerde, gold immers voor particulieren, voor gemeente- en provinciebesturen en onrechtstreeks voor hun werknemers.[355] Als de Vlamingen wilden dat hun gemeentelijke en provinciale besturen Nederlands gebruikten, moesten ze daar een voorwaarde van maken bij de verkiezingen.[356] De raadsleden hadden immers het recht daartoe te beslissen.[357] Van Wambeke ging hier volledig mee akkoord. Wel was hij er voorstander van gendarmes te dwingen in hun processen-verbaal de taal van de bevolking te gebruiken en van de gemeentebesturen te eisen dat de akten van de burgerlijke stand in de twee talen opgesteld zouden worden. Hij vond het voorlopig echter beter “de faire [...] le sacrifice de notre opinion personnelle”.[358] Magherman ten slotte kon zich niet akkoord verklaren met de amendementen van Delaet omdat er in het kanton Ronse en in het arrondissement Kortrijk gemeenten waren waar men uitsluitend ‘Waals’ sprak: “[L]es magistrats communaux ainsi que les secrétaires, parlent exclusivement le français ou le Wallon et n’écrivent que le français.”[359]

In Thonissens ogen kon er geen sprake zijn van wederkerigheid en taalgelijkheid. Nederlands verplichten in Wallonië zou alle Walen uitsluiten van openbare functies. Art. 4 van het voorstel van de centrale afdeling moest dan ook verdwijnen. Wie hen een beetje kende, aldus Thonissen, besefte dat de Walen geen Nederlands zouden leren onder morele druk.[360]

 

De regering hield zich tijdens de debatten op de vlakte, slechts 2 Vlaamse regeringsleden mengden er zich kort in. Op basis van deze tussenkomsten kan ik hen als Fransgezind bestempelen.

Delcour was tegen een taalverplichting voor gemeenten en provincies. Kervyn de Volkaersbeke, die de regering suggereerde de besturen een circulaire te zenden om hen aan te sporen in Vlaanderen meer Nederlands te gebruiken[361], antwoordde hij: “Au contraire; je ne le ferai certainement pas.” [362]

Volgens Malou schortte er niets aan het taalregime in de Vlaamse besturen. Na zes en een half jaar “je suis encore à attendre la première plainte contre le régime qui s’est pratiqué quant à l’emploi des deux langues en usage en Belgique”.[363]

 

3.2 Waalse liberalen

 

Bara (Doornik), Pirmez (Charleroi) en Frère-Orban (Luik) toonden zich uitgesproken Fransgezind. Tesch (Aarlen) bekommerde zich enkel om de Duitstaligen: volgens hem schond art. 4 van het voorstel van de centrale afdeling flagrant de Belgische grondwet, die stelde dat alle Belgen gelijk waren voor de wet. Walen en Vlamingen kregen immers een recht dat onthouden werd aan de Duitstaligen. [364] Dit argument hoeft geen obstructieve spitsvondigheid te zijn van Tesch. Als Kamerlid voor Aarlen vertegenwoordigde hij immers ook Duitstaligen.

Hoewel Bara verklaarde dat hij voor de amendementen van Thonissen zou stemmen [365], waren hij, Frère-Orban noch Pirmez ermee opgezet. Ten eerste was het een volkomen nutteloze wet:

“[M]algré tout ce que l’on croit avoir fait en matière judiciaire et administrative, on a consacrée en définitive le status quo; on a admis […] ce qui a été pratiqué par tous les gouvernements qui se sont succédé.” [366]

De taalvrijheid had nog nooit aanleiding gegeven tot ernstige klachten:

“[C]e que j’ai pu constater […] c’est que toujours le gouvernement s’est attaché à faire en sorte qu’il n’y eût point de grief du côté des Flamands quant à l’usage de la langue. […] Vous me citerez peut-être, dans telle ou telle localité flamande […] un […] fonctionnaire qui ne sait pas le flamand. C’est possible […] On n’y peut trouver un grief sérieux.”[367]

Ten tweede sluimerden er gevaren voor het vaderland in de wet. De taalvrijheid had immers “le sentiment national” ontwikkeld. “[N]e faisons rien qui puisse l’atténuer, l’affaiblir, qui puisse nous diviser.”[368]

“[I]l faut être modéré, tolérant, ne demander que des choses possibles. C’est une oeuvre de sagesse et de patriotisme d’éviter tout ce qui pourrait créer un antagonisme entre les deux races qui sont sur notre territoire.”[369]

Ten derde waren de Walen volgens deze Fransgezinden zoals in 1873 het kind van de rekening en dreigde er een Vlaams overwicht in de staat.

“Le danger, ce serait la prédominance d’une race sur l’autre; le danger, ce serait de faire en sorte qu’un seule race pût avoir accès aux fonctions publiques. […] Les Flamands ont un avantage incontestable sur les Wallons, puisqu’ils peuvent aller partout; il faut, pour être juste et sauvegarder un intérêt national, veiller à ce que les Flamands n’envahissent pas toutes les fonctions publiques.” [370]

Nederlandsonkundigen zouden geen minister meer kunnen worden. “Vous ne pouvez exiger d’un ministre qu’il signe aveuglement ce qu’il ne comprendrait pas.”[371] In Wallonië, zo zei Bara, zouden enkel nog Walen openbare functies mogen bekleden, nu die in Vlaanderen voortaan grotendeels voorbehouden waren aan Vlamingen. Immers, “il est évident que les Wallons ne pourront plus, dans un grand nombre de cas, aller en Flandre, à moins de savoir le flamand”. Volgens Bara hadden ze echter “le droit de ne pas apprendre le flamand”.[372]

Over de eentaligheid van Vlaanderen waren ze het eens. Alleen het Frans kon aanspraak maken op de status van officiële taal, voor het ‘Vlaams’ waren uitzonderingsmaatregelen het maximaal haalbare. Pirmez bv. stelde dat het onzinnig was “[qu’] on veut que quand il plaira à une personne sachant le français, ayant déjà répondu en français, d’écrire une lettre en flamand, le fonctionnaire soit tenu de changer aussi et d’écrire en flamand”.[373] Volgens Frère-Orban moesten vertaalfaciliteiten voor Fransonkundigen volstaan. Voor de stukken die in het Nederlands opgesteld moesten worden, meende hij “que des traductions suffisent pour satisfaire aux intérêts des populations.”[374] Als men voor eensluidend verklaarde vertalingen ging eisen, moesten in naam van de gelijkheid de Vlaamse ambtenaren alle Vlaamse dialecten spreken en de Waalse de Waalse.

 

 

4. Besluit

 

Hoe evolueerde de  wet?

 

Tussen het oorspronkelijke wetsvoorstel en de uiteindelijke wet waren er heel wat verschillen. Delaet wou met zijn voorstel van 1876 alle gemeente-, provincie- en staatsbesturen aan een wettelijke regeling onderwerpen. In Vlaanderen zou het Nederlands gebruikt worden voor alle bestuurshandelingen waar particulieren belang bij hadden, maar de administaties mochten die in het Frans vertalen. Intern zou de taalvrijheid blijven heersen. Brussel werd beperkt tot negen gemeenten, waar het gebruik van het Nederlands extern verplicht en dat van het Frans intern toegelaten was.

De centrale afdeling nam dit voorstel over, maar voegde eraan toe dat overal in België eentaligen konden eisen dat de hen betreffende documenten in hun taal werden opgesteld. De uiteindelijke wet was niet meer van toepassing op de gemeente- en de provinciebesturen. De mededelingen aan het publiek van de Vlaamse staatsbesturen moesten Nederlands- of tweetalig zijn, hun correspondentie met gemeenten en particulieren zou in de regel in het Nederlands verlopen, tenzij de correspondenten het Frans verkozen. Over akten en documenten bestemd voor particulieren zweeg de wet. Het uitzonderingsregime voor Brussel werd uitgebreid tot het hele arrondissement. Daar golden dezelfde regels als in Vlaanderen voor de mededelingen van het publiek, maar de tegenovergestelde voor de correspondentie.

 

Wie was verantwoordelijk voor de aanpassingen aan de wet?

 

Een numerieke inschatting van de verhoudingen tussen preciezen, rekkelijken, gematigde en radicale Fransgezinden zoals in 1873, is voor 1878 onmogelijk omdat er slechts 1 hoofdelijke stemming plaatsvond. Alle Vlaamsgezinden legden zich neer bij Thonissens voorstel opdat ze niet zonder resultaat naar de parlementsverkiezingen van 11 juni 1878 zouden hoeven te trekken.

Dat de Waalse liberalen voor de wet stemden, schrijft Willemsen toe aan een overwinning van de Vlaamsgezinden in de partij. Die hadden “door een hardnekkige actie kans gezien de meerderheid van de liberale partij te winnen, ondanks de felle oppositie van de Waalse partijleiders Bara en Frère-Orban” met het argument dat de VB de machtigste bondgenoot was voor de verspreiding van de liberale ideeën.[375] Denkelijk wilden de liberalen, zo vlak vóór de verkiezingen de Vlaamsgezinde kiezers niet al te zeer voor het hoofd stoten, voor een al bij al beperkte taalwet.

We kunnen toch enkele conclusies trekken uit de eindstemming. Vergeleken met 1873 waren de Waalse katholieken minder geïnteresseerd: slechts 45% van hen kwam opdagen (tegenover 93% in 1873). Bij de Waalse liberalen was er nog steeds dezelfde terughoudendheid: 66% van hen stemde mee, bij de Vlamingen en de Brusselaars lag de opkomst zeer hoog.[376] Tussen 1873 en 1878 had het liberale flamingantisme immers een sterkere positie kunnen veroveren in de hoofdstad. Door de scheuring tussen progressieven en doctrinairen binnen de ‘Association libérale’ van Brussel waren de liberale flaminganten scherprechter geworden. Dit was voor het eerst gebleken bij de gemeenteraadsverkiezingen van 18 november 1873.[377]

Wat waren de opvattingen van de Vlaams- en Fransgezinden en hoe verhielden die groepen zich tot elkaar binnen de regering en de partijen?

 

Op basis van hun retoriek kunnen we de verschillende kampen van elkaar scheiden. Bij de Vlaamse katholieken waren er opnieuw wrijvingen tussen precieze en rekkelijke Vlaamsgezinden. De regering liet zich als Fransgezind kennen, zij het gematigder dan de Waalse liberalen.

De preciezen protesteerden toen Thonissen zijn amendementen onderschoof aan Delaets voorstel. Ze stonden erop dat agenten in Vlaanderen Nederlands moesten gebruiken in hun processen-verbaal, maar schikten zich snel naar de meerderheid van de Kamer. Wel beklemtoonden ze dat de uiteindelijke wet enkel een tussenoplossing was. De rekkelijken berustten onmiddellijk - zonder het op te nemen voor Delaets oorspronkelijke voorstel of voor Nederlandstalige processen-verbaal - in Thonissens amendementen. Hetzelfde mechanisme als in 1873 was aan het werk. De flaminganten formuleerden een vergaand voorstel - dat niet raakte aan de tweetaligheid van Vlaanderen en de taalvrijheid van het individu. In de Kamer lieten rekkelijken én preciezen stante pede enkele principes vallen[378], maar de rekkelijken waren tot nog meer toegevingen bereid, de preciezen niet (onmiddellijk)[379].

Volgens de Vlaamsgezinden was een tussenkomst van de wetgever onvermijdelijk geworden. Toch figureerden de wantoestanden in het bestuur minder prominent in het Vlaamse discours dan die in het gerecht in 1873. Niet dat er minder misbruiken waren of dat ze er minder zagen, maar wel de korte duur van de besprekingen is de oorzaak hiervan. De debatten verliepen zo gedisciplineerd - iedereen hield zich aan de hem toegemeten tijd, onderbrekingen waren er niet - dat morele verontwaardiging geen kans kreeg.

Het moge duidelijk zijn dat de wensen van de Vlaamsgezinden inzake bestuur niet verder reikten dan tegemoetkomingen voor Fransonkundigen. Ze hechtten er vooral aan dat het Nederlands steeds gebruikt zou worden (eventueel naast het Frans) in contacten met de bevolking. Zodra het publiek geen rechtstreeks belang meer had bij het taalgebruik van de ambtenaren, was een wettelijke ingreep minder dringend: de besturen waren vrij de ene of de andere taal intern te gebruiken. Taalgelijkheid in heel België wezen ze om praktische redenen af. De facto aanvaardden ze voor Wallonië het territorialiteitsbeginsel.

De Vlaamsgezinden geloofden nog steeds in de Belgische vrijheidsretoriek, maar, in tegenstelling tot de Fransgezinden, kloegen zij het misbruik en de gebrekkige toepassing van de taalvrijheid aan. Ze wilden dit via een wettelijke regeling verhelpen.[380] Volgens hen gold de taalvrijheid niet voor ambtenaren. Die moesten zich in contacten met het publiek schikken naar de wensen van de betrokkenen, ook van tweetaligen. Dit laatste erkenden de Waalse liberalen niet: Nederlandstaligen die ook Frans spraken, konden volgens hen niet rekenen op inschikkelijkheid van de administratie.

     Inzake Brussel konden de Vlaamsgezinden geen vuist maken. Het voorstel van Delaet respecteerde de rechten van de Nederlandstaligen in de (negen gemeenten van de) Brusselse agglomeratie. Ze moesten echter uiteindelijk aanvaarden dat Nederlandstaligen in het hele arrondissement Brussel geen akten in hun taal konden eisen.

     De regering, waarin enkel Vlaamse Kamerleden zitting hadden, was Fransgezind te noemen omdat zij weigerde met een (vrijblijvende) circulaire de gemeenten en provincies aan te sporen meer Nederlands te gebruiken en omdat zij ontkende dat er iets haperde in de Vlaamse administratie. Er was dus geen sprake van een Vlaamsgezinde regering die alleen uit angst voor een verkiezingsnederlaag genoegen nam met een beperkte wet.

Voor de Waalse liberalen kon het ‘Vlaams’ niet meer dan een achterafplaatsje in de Vlaamse staatsadministratie opeisen. Officieuze vertaalfaciliteiten moesten volstaan[381] en een maximale taalvrijheid moest gegarandeerd worden. Op bestuursvlak was de gemeentelijke en provinciale autonomie voor hen het equivalent van de absolute taalvrijheid van de burgerlijke partij en de advocaat in het gerecht. Gemeenten en provincies moesten zelfstandig kunnen beslissen over het taalregime van hun besturen.[382] Dat dit niet noodzakelijk de goedkeuring wegdroeg van een meerderheid van de ingezetenen, kon volgens hen niet. In de verkiezingen kwam immers de volkswil over de taalkwestie tot uiting.[383] Met andere woorden, via een collectief besluit van hun onderhorigen kozen gemeenten en provincies hun bestuurstaal zonder inmenging van bovenaf. In theorie was dit de ultieme verdediging van de vrijheid van het individu, maar in de praktijk kwam het neer op de taalautonomie van die instellingen. Verkiezingen konden immers nooit herleid worden tot referenda over het taalgebruik.

     Bara, Pirmez en Frère-Orban profileerden zich als Waalsgezind door hun angst voor een Vlaamse ‘mainmise sur l’Etat’ en hun verdediging van de carrièrekansen van eentalige Walen in Vlaanderen. We moeten er natuurlijk rekening mee houden dat in de ogen van een overtuigd Waals liberaal maatregelen ten gunste van het Nederlands enkel de Vlaamse klerikalen konden begunstigen. Partijpolitieke redenen speelden dus mee bij dit Waalsgezinde verzet.

 

 

Hoofdstuk 3: De wet van 15 juni 1883

 

1. Inleiding

 

Toen tussen 1878 en 1883 de onderwijstaal in Vlaanderen een van de belangrijkste strijdpunten van de Vlaamse beweging werd, waren de lagere scholen, net als de voorbereidende afdelingen aan de middelbare, grotendeels Nederlandstalig. In het middelbaar onderwijs (MO) echter had het Frans een aanzienlijke plaats. De organieke wet op het officiële middelbaar onderwijs van 1850 had bepaald dat in Vlaanderen het Nederlands even grondig aangeleerd moest worden als het Frans. Het resultaat was dat in 1878 in de rijksmiddelbare scholen het vak Nederlands 1/3 tot de helft van de uren toebedeeld kreeg die aan het vak Frans besteed werden[384], of dat het in het Frans gedoceerd werd zoals alle andere vakken[385]. In het vrij onderwijs ging het net zo, maar volgens L. Wils kwam daar vanaf 1870 verandering in en was de toestand in de colleges zelfs beter dan die in de athenea.[386] A.W. Willemsen is het hier niet mee eens.[387]

     De aandacht van de VB voor het onderwijs verscherpte toen in 1878 een liberale regering aan de macht kwam. Op haar programma stond immers de grondige hervorming van het lager onderwijs (LO) en het MO (o.a. de oprichting van nieuwe middelbare scholen) - wat de aanleiding tot de schoolstrijd zou zijn. Uit angst voor “nieuwe verfransingshaarden” eisten de flaminganten wettelijke maatregelen; de liberalen namen hierin het voortouw. Jan Van Beers publiceerde in 1879 in het ‘Nederlandsch museum’ een artikel waarmee hij een volledige vernederlandsing opeiste van de eerste jaren van het MO. Binnen het Willemsfonds kwam het hierover tot een breuk. De radicalen (Van Beers, Max Rooses, J. Sabbe, Prayon-Van Zuylen, Buls) kwamen tegenover de gematigden te staan (Heremans, Vuylsteke, de Vigne), die vrede namen met enkele Nederlandstalige vakken. In oktober 1880 werd de eensgezindheid hersteld rond een (gematigd) voorstel van de ‘Ligue de l’enseignement’, waarvan K. Buls voorzitter was.[388] Ondertussen had minister van Openbaar Onderwijs Van Humbeeck beslist het vak Nederlands en het vak Frans even veel lesuren te geven en had hij met een circulaire geprobeerd de leraren ertoe te overhalen voor de vakken Duits, Engels en geschiedenis het Nederlands te gebruiken.[389]

 

2. Verloop van de parlementaire procedure

 

De katholieken, die zich volgens Fredericq en Willemsen nauwelijks in de discussie gemengd hadden[390], dienden als eersten (tijdens de bespreking van het wetsvoorstel ter hervorming van het MO, op 7 april 1881) een reeks amendementen in, die het Nederlands in het Vlaamse officiële MO ten goede moesten komen (zie Bijlage 3.1).[391] Het stelde dat in de voorbereidende afdelingen[392] het Nederlands de onderwijstaal was; het vak Frans mocht pas vanaf het derde leerjaar op het programma komen. In het MO moesten naast de lessen Germaanse talen minstens 4 vakken in het Nederlands gegeven worden.

     De reactie liet niet lang op zich wachten. De volgende dag dienden de liberalen hun voorstel in (zie Bijlage 3.2).[393] Het ging om de ongewijzigde formule van de Ligue de l’Enseignement.[394] Dit voorstel ging minder ver dan het katholieke. Het had enkel betrekking op de humaniora-afdelingen van de Vlaamse athenea, dus niet op de beroeps- en middelbare afdelingen[395] of de voorbereidende afdelingen.

     Op basis hiervan dienden beide groepen een gemeenschappelijk voorstel in, dat vooral geïnspireerd was op het katholieke (zie Bijlage 3.3).[396] In de voorbereidende afdelingen was het Nederlands de onderwijstaal, het vak Frans mocht pas vanaf het derde leerjaar op het programma komen. In gemeenten waar “une fraction notable”  van de bevolking meestal Frans sprak, mochten de lessen in beide talen gegeven worden (“simultanément”). In het MO moesten naast de lessen Germaanse talen minstens 3 vakken in het Nederlands gegeven worden.

     Dit voorstel ging naar de centrale afdeling, die het verbod schrapte om vóór het derde leerjaar Frans aan te leren (zie Bijlage 3.4).[397] De regering diende op 28 november 1881 haar amendementen[398] in en de centrale afdeling aanvaardde die. De meest in het oog springende aanpassing was dat in plaats van ten minste drie lessen (naast de Germaanse talen), nu ten minste twee in het Nederlands gegeven moesten worden. Nieuw was ook dat enkel de regering en de gemeenteraden konden beslissen tot een gelijktijdig Franstalig onderwijs en niet de schooldirectie (zie Bijlage 3.5).[399]

De druk van de liberale flaminganten om dit voorstel vóór de parlementsverkiezingen van juni 1882 te behandelen, baatte niet. De Gentse liberale Kamerleden deden echter de verkiezingsbelofte het voorstel ongewijzigd door de Kamer te zullen loodsen.[400] Op 8 december 1882 begonnen de debatten, die 6 bijeenkomsten lang duurden tot 23 januari 1883. De Kamerzitjes waren als volgt verdeeld:

 

 

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

52

-

7

= 59

liberalen

11

16

52

= 79

 

= 63

= 16

= 59

 

 

Van de zeven regeringsleden zaten er vijf in de Kamer: Frère-Orban (Luik), J. Bara (Doornik), G. Rolin-Jacquemyns (Gent), P. Van Humbeeck (Brussel) en X. Olin (Nijvel).

     Hoewel alle partijen zich vóór de verkiezingen akkoord hadden verklaard met het voorstel, dienden de liberalen Wagener (Gent), Vanderkindere en minister Van Humbeeck onmiddellijk amendementen in die de wet wezenlijk aanpasten. Het Frans moest volgens hen ook onderwijstaal zijn in de voorbereidende afdelingen:

 

amendement Wagener op art. 1: “Dans la partie flamande du pays, les cours de la section préparatoire annexée aux écoles moyennes sont donnés simultanément en flamand et en français.” [401]

amendement Vanderkindere op art. 1: “Dans la partie flamande du pays, les cours de la section préparatoire annexée aux écoles moyennes sont donnés en flamand et en français. L’enseignement en flamand et l’enseignement en français auront la même importance.”[402]

amendement Van Humbeeck op art. 1: “Dans la partie flamande du pays, les cours de la section préparatoire annexée aux écoles moyennes sont donnés en flamand et en français. Le temps attribué à l’enseignement dans chaque langue est déterminé par le règlement de l’établissement.” [403]

Coremans pareerde met dit amendement:

“Dans la partie flamande du pays, les cours de la section préparatoire annexée aux écoles moyennes seront donnés en flamand. L’enseignement du français n’y pourra commencer qu’à partir de la troisième année d’études.”[404]

Wagener en Van Humbeeck sloten zich aan bij Vanderkindere, zodat alleen zijn amendement en dat van Coremans aan een hoofdelijke stemming onderworpen werden. Eerst werd er gestemd over het gemeenschappelijke deel: “Dans la partie flamande du pays, les cours de la section préparatoire annexée aux écoles moyennes seront donnés en flamand.” 83 Kamerleden stemden voor, 13 tegen.[405]

stemden voor

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

36

-

4

= 40

liberalen

8

12

23

= 43

 

= 44

= 12

= 27

 

 

stemden tegen

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

0

-

0

= 0

liberalen

1

1

11

= 13

 

= 1

= 1

= 11

 

 

Een derde van de aanwezige Waalse liberalen weigerde deze bepaling goed te keuren, hoewel het in de lijn van de verwachtingen lag dat onmiddellijk erna “et en français” toegevoegd zou worden. 48 Kamerleden stemden voor deze toevoeging, 44 tegen bij 3 onthoudingen.[406]

stemden voor

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

0

-

0

= 0

liberalen

7

7

34

=48

 

= 7

= 7

= 34

 

 

stemden tegen

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

36

-

4

= 40

liberalen

0

4

0

= 4

 

= 36

= 4

= 4

 

 

De hele katholieke partij profileerde zich als Vlaamsgezind, maar slechts 5% van de aanwezige liberalen (geen enkele Vlaming!) volgde hen daarin.[407]

Vervolgens was het de beurt aan de tweede alinea van Coremans’ amendement: “L’enseignement du français ne pourra commencer qu’à partir de la troisième année.” Dit werd verworpen met 56 stemmen tegen 38. [408]

 

stemden tegen

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

1

-

0

= 1

liberalen

9

12

34

= 55

 

= 10

= 12

= 34

 

 

stemden voor

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

34

-

4

= 38

liberalen

0

0

0

= 0

 

= 34

= 0

= 4

 

 

De katholieke partij toonde zich weer Vlaamsgezinder dan de liberale. Ten slotte werd Vanderkinderes hele amendement aanvaard.

     Bij de bespreking van art. 2 trachtte minister Van Humbeeck de volledige vernederlandsing van de lessen Germaanse talen en van twee overige vakken ongedaan te maken. Hij stelde voor aan de wet toe te voegen: “La création de ces cours ne peut entraîner la suppression de l’enseignement des mêmes matières en français.”[409]

Coremans reageerde met een voorstel om - in plaats van (ten minste) twee - vier vakken, waaronder zeker wiskunde en geschiedenis, te vernederlandsen. [410] Hij liet zijn numerieke eis onmiddellijk vallen  zodat er enkel gestemd werd over “Les mathématiques et l’histoire feront partie de ces cours.” Dit werd verworpen met 51 stemmen tegen 41. [411]

 

stemden voor

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

33

-

4

= 37

liberalen

1

3

0

= 4

 

= 34

= 3

= 4

 

 

stemden tegen

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

1

-

0

= 1

liberalen

7

9

34

= 50

 

= 8

= 9

= 34

 

 

De stemming verliep volgens het al bekende patroon: de hele katholieke partij en slechts 5% van de liberalen schaarden zich achter de Vlaamsgezinde maatregel.

     Van Humbeecks amendement op art. 2 verging het al niet veel beter, het werd weggestemd met 49 stemmen tegen 43. [412]

stemden voor

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

1

-

0

= 1

liberalen

4

4

34

= 42

 

= 5

= 4

= 34

 

 

stemden tegen

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

34

-

4

= 38

liberalen

3

8

0

= 11

 

= 37

= 8

= 4

 

 

Deze stemming wijkt af van de voorgaande. Voor het eerst toonde een minderheid van Vlaamse en een grote meerderheid van Brusselse liberalen zich Vlaamsgezind.

     De tekst die tijdens de eerste lezing werd goedgekeurd, verschilde grondig van het voorstel van de centrale afdeling. De voorbereidende afdelingen waren tweetalig geworden: eenzelfde vak zou er voor dezelfde leerlingen zowel in het Nederlands als in het Frans gegeven worden. Over hoe dit in de praktijk moest, waren de meningen verdeeld (bv. de lessen in het Nederlands en de herhalingsoefeningen in het Frans of de ene week les geven in het Nederlands, de andere in het Frans).

     Bij de aanvang van de tweede lezing op 19 december vroeg de Vigne de bespreking te verdagen. Van verschillende mensen had hij te horen gekregen dat Vanderkinderes amendement op art. 1 de situatie enkel kon verslechten. Hiermee alludeerde hij op een onderzoek van het Brusselse Willemsfonds dat had aangetoond dat de lessen in de voorbereidende afdeling al grotendeels in het Nederlands gegeven werden[413]. De regering moest de tijd krijgen, zo zei hij, die beweringen te onderzoeken.[414] Vanderkindere stelde zelfs voor zijn gewraakte amendement “qui a été mal compris par le pays” in te trekken.[415] Na hun slechte pers en de kritiek van de flamingantische liberale verenigingen - met het Willemsfonds op kop - restte de liberale Kamerleden niets dan op hun schreden terug te keren. Met 69 stemmen tegen 46 werd beslist de tweede lezing te verdagen.

 

     De Vigne werkte in de tussentijd een compromisamendement uit.

“Dans la partie flamande du pays, les cours de la section préparatoire annexée aux écoles moyennes sont donnés en flamand.
L’enseignement de la langue française y est organisé de manière à rendre les élèves aptes à suivre avec fruit les cours français des sections moyennes.”
[416]

Het werd op 23 januari, toen de tweede lezing herbegon, zonder hoofdelijke stemming aanvaard. Door dit amendement konden de regering noch de gemeenten als inrichtende macht een ‘simultaan’ tweetalig onderwijs invoeren in de voorbereidende afdelingen (wat ze krachtens art. 5 wel konden in het MO).[417]

     Coremans ten slotte trachtte zijn (tijdens de eerste lezing weggestemde) amendement op art. 1 (zie p. 106) nog goedgekeurd te krijgen, maar het werd onontvankelijk verklaard. De wet werd uiteindelijk aangenomen met een verpletterende meerderheid van 94 stemmen tegen 2. [418] 

 

stemden voor

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

36

-

4

= 40

liberalen

9

14

31

= 54

 

= 45

= 14

= 35

 

 

stemden tegen

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

 

katholieken

0

-

0

= 0

liberalen

0

0

2

= 2

 

= 0

= 0

= 0

 

 

De wet bepaalde dat in de voorbereidende afdelingen het Nederlands de onderwijstaal was, maar dat de leerlingen er Frans moesten leren zodat ze het Franstalige MO zouden kunnen volgen.[419] In het MO moesten naast de lessen Germaanse talen minstens twee vakken in het Nederlands gegeven worden. De regering en de gemeenteraden die MO organiseerden, konden steeds, na het advies van de directies van de scholen ingewonnen te hebben, de Nederlandstalige lessen in het MO (niet in de voorbereidende afdelingen) ‘simultaan’ in het Frans laten geven. Het normaalonderwijs moest Nederlandskundige leraren opleiden. Als de wet niet toegepast werd vóór 1886, moest de regering rekenschap afleggen tegenover het parlement en remediëringsvoorstellen doen (zie Bijlage 3.6). [420]

     Op 31 mei 1883 nam de senaat de wet aan met 49 stemmen voor, 2 tegen en 9 onthoudingen. De koning zette zijn handtekening eronder op 15 juni 1883 en 2 dagen later verscheen ze in het staatsblad. Pas in 1910 zou ze van toepassing worden op het katholieke onderwijs (wet-Franck-Segers).

 

3. Argumenten en standpunten

 

3.1 Katholieken

 

In het hele debat kwam geen enkele Waalse katholiek aan het woord. Bij de behandeling van de parlementaire groepen ga ik eerst in op hun algemene oordeel over de wet en hun argumenten daarvoor. Daarna behandel ik, voor zover mogelijk, hun ideeën over de onderwijstaal in de voorbereidende afdelingen en in het MO, over de taalvrijheid van de regering, de schooldirecties en de ouders en over Brussel. Ten slotte besteed ik aandacht aan de taalgelijkheid en de retoriek van de Kamerleden.

 

3.1.1 Vlaamse katholieken

Voor de Vlaamse katholieken voerden Coremans, Delaet, De Sadeleer (Aalst), De Kerckhove (Mechelen), Woeste (Aalst) en Jacobs (Antwerpen) het woord. Allen toonden ze zich Vlaamsgezind.

     Voor geen van hen kon er twijfel over bestaan dat de wet een Vlaams onderwijs moest garanderen. Ten eerste moest er volgens Delaet een eind gemaakt worden aan “un long et intolérable deni de justice”[421]. Coremans stelde:

“J’ai demandé que pour le peuple flamand, il fût fait ce qu’ont fait chez eux tous les peuples civilisés depuis l’origine de l’histoire de l’humanité jusqu’à nos jours; ce qu’ont fait les peuples du vieil Orient; ce qu’ont fait les Grecs et les Romains […] les Anglais, les Allemands, les Français, les Espagnols, les Italiens, les peuples du Nord, les peuples américains, en un mot, tous les peuples civilisés. Tous basent leur système d’enseignement sur la langue maternelle, la langue nationale du peuple.”[422]

     Ten tweede was het overmatige gebruik van het Frans pedagogisch nefast. Men had “cette fameuse génération de crétins” gevormd, die niets afwist van klassieke talen, ‘de mathématiques, rien; de langues modernes, rien ou presque rien; en matière d’histoire, les élèves raconteraient sérieusement les bourdes les plus incroyables!”[423]

“Votre méthode, messieurs, consiste à faire de nos enfants des perroquets plus ou moins savants, connaissant plus ou moins bien beaucoup de mots, mais peu de choses et peu d’idées. […] On gaspille ainsi le temps de nos enfants et l’on produit une impression funeste, mauvaise sur leur intelligence. Lisez les auteurs de pédagogie […] et vous verrez que tous critiquent comme la chose la plus mauvaise […] l’enseignement d’une langue étrangère donné aux jeunes enfants avant qu’ils connaissent suffisamment leur langue maternelle.” [424]

     Ten derde moest deze taalwet de taalkloof dempen[425] en de ermee samenhangende verfransingsdruk doen verdwijnen. De Vlamingen leerden immers Frans “pas parce qu[‘] ils détestent leur langue de propos délibéré, c’est parce qu’il y a contraintes, nécessité. […] Celui qui ignore le français ne peut avoir dans notre pays de relations publiques, parce que toute l’administration se fait en français.”[426]

     Coremans en de zijnen eisten dat het Nederlands de onderwijstaal zou worden van de voorbereidende afdelingen en dat het vak Frans pas vanaf het derde jaar op het programma zou komen.[427] Ze beklemtoonden dit omdat het tot vóór de Tweede Wereldoorlog de gewoonte was het Frans aan te leren door herhalingslessen van andere vakken in het Frans te geven. Tegen deze praktijk op zich verzetten ze zich niet, maar wel tegen het gebruik ervan in de eerste twee jaren van het LO.

     Voor het eigenlijke secundair onderwijs streefden ze slechts naar een gedeeltelijke vernederlandsing. Ze aanvaardden dat andere dan herhalingslessen in het Frans gegeven werden. De Germaanse talen en minstens vier andere vakken, waaronder zeker geschiedenis en wiskunde moesten echter wel in het Nederlands gegeven worden (cf. Coremans’ amendementen).

     De vrijheid van de overheid en de schooldirecties om het Frans of het Nederlands als onderwijstaal te kiezen, wees Coremans resoluut van de hand.

“Le projet a précisément pour but d’enlever à la bureaucratie la direction de notre enseignement moyen, de lier la bureaucratie par une loi expresse, par un texte indiscutable, pour la containdre à faire dorénavant autre chose que ce qu’elle a fait jusqu’ici.” [428]

Van Humbeecks amendement op art. 1 kon dan ook niet door de beugel:

“[C]’est la destruction complète de la loi, c’est le remplacement des dispositions législatives par l’arbitraire le plus complet du personnel administratif. […] L’arbitraire administratif, mais c’est le maintien du status quo, ou pis encore! […] Laisser déterminer […] par quelques fonctionnaires ministériels que l’enseignement sera donné en flamand pendant autant d’heures, c’est maintenir l’état de choses actuel, si mauvais, si déplorable, dont tout le monde se plaint!” [429]

De compromistekst van de Vigne had hetzelfde manco: “La bureaucratie pourra préscrire l’enseignement simultane de deux langues à des enfants qui n’en connaissent encore une. […] Elle ne manquera de le faire.”[430]   

     De vrijheid van de ouders om de onderwijstaal voor hun kind te kiezen, erkende Coremans evenmin. Door de sociale druk was die illusoir.[431] Het onderwijzend personeel was immers “en grande majorité wallon, sorti de l’école normale de Nivelle, habitué à méconnaître nos droits, obéissant aux influences venant de haut lieu et persuadé que plus il aidera à franciser le pays flamand, plus il sera bien noté et favorisé de ses chefs.” De ouders en de leerlingen zouden niet kunnen weerstaan “à ces suggestions franscicatrices, qui pourront s’appuyer en outre sur mille petites faveurs quotidiennes de professeurs à élèves”.[432] Het eindresultaat was dat de taalkloof er enkel breder op zou worden[433] en dit duidde Coremans de liberalen ten kwade. Hij beschuldigde Vanderkindere ervan met zijn tweetalige voorbereidende afdelingen - die betalend waren - de kinderen van de burgerij en de arbeiders te willen scheiden.

“[Vanderkindere], le libéral avancé, il veut, en matière d’enseignement primaire, autre chose pour les enfants de la bourgeoisie, autre chose pour les enfants des classes populaires; à ceux-ci le flamand; à ceux-là, dès le début, le français et le flamand.”[434]

Van een tweetalig systeem in het MO waarin men vrij kon kiezen tussen aparte Nederlands- of Franstalige afdelingen kon dan ook geen sprake zijn.[435]

     Brussel was nauwelijks een discussiepunt in de debatten. Delaet bv. stelde enkel dat het amendement van de Vigne onaanvaardbaar was omdat men Nederlandstalige kinderen in Brussel te vroeg met het Frans zou confronteren. Zo kweekte je leerlingen “qui lisent le français sans le comprendre et qui parlent le Flamand sans le savoir lire.”[436]

 

     Voor het eerst hechtten de flaminganten eraan de taalgelijkheid op te eisen:

“[N]ous voulons que nous n’ayons pas à subir, en pays flamand un régime autre moins bon, moins juste, moins efficace en matière d’enseignement que le régime dont jouissent, chez eux, nos frères wallons.”[437]
“Je ne réclame pas de faveur pour les Flamands, ce que je demande c’est qu’ils soient mis sur un pied d’égalité avec les Wallons.”
[438]

Het ging hier niet om de taalgelijkheid tussen Vlaanderen en Wallonië, maar om die tussen het Frans en het Nederlands in Vlaanderen (niet in heel België). Toch waren er (weifelende) zinspelingen op wederkerigheid van rechten voor Nederlandstaligen in Wallonië:

“Vous voulez une protection spéciale, des garanties spéciales, des faveurs spéciales au profit du dernier des Wallons immigré en pays flamand; mais à Liège, à Gilly, dans l’agglomération carolorégienne et autres centres industriels, les Flamands se comptent par dizaines de mille et que faites-vous pour ces Flamands immigrés chez vous? Rien, absolument rien! Il serait juste cependant que vous fissiez pour les Flamands établis en Wallonie ce que vous réclamez pour les Wallons établis en pays flamand!” [439]

 

     Een van de belangrijkste kenmerken van de debatten van 1883 was de verhevigde Vlaamse retoriek van de katholieke Vlaamsgezinden, die zich op drie manieren uitte. Ten eerste, als reactie op de monopolisering van het patriottisme door de Franstaligen en de verwijten van onvaderlandsheid die ze naar hun hoofd kregen, gingen ze het vaderland verbinden met al wat Vlaams was. Zo konden ze hun verheerlijking van de Vlaamse volksaard verantwoorden.

“[N]ous voulons rester Flamands […] c’est non seulement notre droit, c’est aussi notre intérêt et le premier de nos devoirs nationaux.”[440] “Nous devons rester ce que la nature nous a faits. C’est là la loi de notre existence; la méconnaître, c’est nous suicider.”[441]

Ze legden zelfs beslag op de hele Belgische erfenis: de Vlamingen waren de échte Belgen.

“[L’oppression du flamand] est fatale, et à moins que des circonstances heureuses ne nous viennent en aide, elle doit conduire la Belgique à sa perte. Quand il conviendra aux deux grands pays, qui nous enserrent, de nous supprimer, nous serons, hélas! sans force pour la résistance. Les Wallons sont naturellement entraînés vers la France.”[442]

Het ‘Vlaams’ was dé dam tegen het Franse annexionisme en volksvreemde (geïmpliceerd werd laïciserende) ideeën: “[Depuis 1830] peu à peu les idées françaises ont envahi l’enseignement, comme elles ont envahi malheureusement bien d’autres branches de notre activité nationale.”[443]

     Dit alles belette de Vlaamsgezinde katholieken niet ontevreden te zijn over België. Delaet riep na de eerste lezing ontgoocheld uit: “Les vrais vaincus de 1830, ce sont les habitants de la Belgique flamande, qui ont perdu tous leurs droits quand ils combattraient pour conquérir les vôtres.”[444] Deze kritiek richtte zich echter nooit tegen de idee ‘België’, enkel tegen de uitvoerders ervan (o.a. de regering en de Fransgezinden). De bureaucraten werden er bv. van beschuldigd het Germaanse karakter van België te willen vernietigen.[445]

“Vous allez donc, par votre système, condamner la Belgique à n’avoir plus une nationalité distincte [...] Vous allez condamner les Flamands à un sujetion […] irréparable et insupportable.” [446]

Delaet stelde dat het Vlaamse protest enkel tot doel had “le caractère nationale belge” te redden en te reageren tegen “ce courant puissant qui tend, depuis cinquante ans, à faire sortir la Belgique d’elle-même”.[447]

     Ten tweede, de radicalere Vlaamse retoriek uitte zich eveneens in uithalen naar Franstaligen. De verfransing heette “cet état de décadence nationale, de francisation honteuse […] cet état d’abâtardissement”.[448] Vooral de franskiljons - “ces produits héteroclites [...] qui possèdent trois mots différents pour chaque chose qu’ils connaissent, mais qui connaissent malheureusement très peu de choses”[449] - moesten het ontgelden:

“Nous voulons que le pays flamand produise des Flamands et non des fransquillons, c’est-à-dire cette race neutre, sans originalité, sans caractère vraiment humain que les français eux-mêmes ont baptisée du nom moitié singe, moitié Bédouin!”[450]

Delaet ontzag zelfs zijn ‘compatriotes wallons’ niet:

“Je me bornerai à faire remarquer que [le] discours [de M. Magis] porte l’empreinte de ce sentiment de supériorité que les Wallons parviennent si mal à dissimuler lorsqu’ils parlent de leurs compatriotes flamands.”[451]

     Ten derde lieten de katholieke Vlaamsgezinden het ‘Vlaams’ niet meer in de hoek dringen. Coremans noemde het Frans zelfs minderwaardig.

“La langue française n’a aucune force génératrice propre […] elle doit continuellement faire des emprunts aux langues mortes, greque et latine. La langue flamande, au contraire, trouve en elle même, la génèse des mots dont elle a besoin, et ces mots emportent en eux-mêmes […] leur signification en quelque sorte évidente.”[452]

 

3.2 Liberalen

 

3.2.1 Vlaamse liberalen

Drie Vlaamse liberalen kwamen aan het woord. Willequet (Gent) was het meest Fransgezind, hij stemde consequent met de Waalse liberalen mee.[453] Wagener (Gent) en de Vigne (Gent) waren tijdens de eerste lezing voor tweetalige voorbereidende afdelingen, maar stemden beiden tegen Van Humbeecks amendement op art. 2, de Vigne stemde zelfs voor de verplichting om wiskunde en geschiedenis in het Nederlands te geven.

     Wagener en de Vigne waren voorstander van een ‘simultaan’ tweetalig onderwijs in de Vlaamse voorbereidende afdelingen. Ze legden echter andere klemtonen. De Vigne vestigde vooral de aandacht op het belang van het Nederlands: “[L’] expérience a suffisamment démontré aujourd’hui que la véritable connaissance du flamand ne peut s’acquèrir que par l’enseignement en flamand.”[454];  Wagener op de plaats die het Frans kreeg. Hij zag de lagere schooltijd als “[la] période la plus favorable” om vreemde talen, m.a.w. het Frans, te leren.[455]

     Met ‘simultanément’ bedoelde Wagener dat een leraar tijdens eenzelfde les van de ene op de andere taal zou overschakelen[456]; de Vigne dat hetzelfde vak afwisselend in de twee talen gegeven zou worden.[457] Het was immers de bedoeling van de wet leerlingen te verplichten zowel Nederlands als Frans te kennen. “Il ne s’agit pas là d’une question d’intèrêt personnel, individuel; il y a une question d’intérêt social en jeu.”[458] Beiden konden zich dan ook moeilijk verzoenen met de idee van aparte Nederlands- en Franstalige afdelingen en stemden tegen Van Humbeecks amendement op art. 2.

     Hier lag een positieve houding tegenover de individuele tweetaligheid aan ten grondslag: “[I]l faut qu’on sache bien les deux langues […] On n’est donc pas fondé à prétendre qu’il est impossible d’apprendre plusieurs langues; les Belges ne sont pas des Béotiens, ils savent apprendre deux langues […].”[459] Natuurlijk speelden ook partijpolitieke overwegingen mee. Aan de ene kant zouden Vlaamsgezinde maatregelen Vlaanderen ontvankelijker maken voor de liberale ideeën.[460] Aan de andere kant vreesde Wagener - in de hectische sfeer van de schoolstrijd - “que si l’article 5 se trouvait entre les mains d’un gouvernement clérical, on n’en fasse usage pour nuire à l’enseignement de l’Etat.” Een katholieke regering zou steeds een schooldirectie vinden die “par un amour plus ou moins sincère de la langue flamande, viendrait proposer le régime exclusivement flamand”.[461] 

“Qu’en résulterait-il? Je viens de vous le dire: l’école se viderait en grande partie. Les écoles étant dépeuplées, on pourrait diminuer le nombre des professeurs, et, de diminutions en diminutions, on en arriverait successivement à la suppression des établissements de L’Etat!” [462]

Ten slotte speelde ook de taalvrijheid van de gezinshoofden een belangrijke rol in de stellingname van de Vigne en Wagener. Eentalig Vlaamse voorbereidende afdelingen konden eenvoudigweg niet omdat de ouders wilden dat hun kinderen al vroeg Frans leerden.

“On peut regretter et critiquer cette situation, se revolter contre elle, mais elle est incontestable. […] Je me demande donc de quel droit on imposerait à des milliers d’enfants un régime antipathique au désir de leurs parents.” [463]

“Le jour où un régime exclusivement flamande entrerait par une porte, 300 élèves sortiraient par l’autre. […] On imposerait à 300 enfant [sic] un régime dont leurs parents ne veulent absolument pas. Ce serait une véritable tyrranie.”[464]

     De Vignes verantwoording van zijn ommekeer (tijdens de tweede lezing) vergde minder kunst- en vliegwerk dan men zou verwachten, hoewel hij zich onvoorwaardelijk had uitgesproken voor het tweetalige systeem[465]. In het besef dat er door zijn amendement minder voorzieningen getroffen werden voor Nederlandsonkundigen in het Vlaamse onderwijs, wees hij erop dat de voorbereidende afdelingen volledig Nederlandstalig werden, maar dat katholieke regeringen het Frans niet stiefmoederlijk zouden kunnen behandelen. Het moest immers voldoende aangeleerd worden, het liefst, zo zei de Vigne, via Franstalige herhalingslessen. Er was voor hem dus geen dilemma mogelijk omdat het eindresultaat van het tweetalige en het eentalige systeem hetzelfde bleef: kinderen zouden op het eind zowel Frans als Nederlands spreken. In tegenstelling tot de katholieke Vlaamsgezinden stond hij niet huiverig tegenover ‘l’arbitraire administratif’, de vrijheid van de regering of de bureaucratie om een ‘simultaan’ onderwijs in te voeren in het MO.[466]

3.2.2 Brusselse liberalen

Namens de Brusselse liberalen spraken Arnould, die zich even Vlaamsgezind toonde als de katholieke flaminganten, Vanderkindere, wiens houding die van de Vigne en Wagener benaderde, en ten slotte, de Fransgezinde minister Van Humbeeck.

     Arnould hield zodanig vast aan het voorstel van de centrale afdeling dat hij zowel tegen alle Vlaamsgezinde als tegen de Fransgezinde amendementen stemde, omdat zij “l’économie de la loi” aantastten. De voertaal van de voorbereidende afdelingen moest Nederlands zijn want “le développement des Flamands ne peut se faire que par le flamand”.

     Behalve met pedagogische argumenten verdedigde hij zijn standpunt met partijpolitieke. De liberalen moesten toch inzien, zo pleitte hij, dat “par le flamand seul nos idées, nos tendances pourront pénétrer”. “[L]e parti libéral s’est toujours préoccupé autaunt et plus que le parti catholique [des demandes flamandes]”, maar de Vlaming luisterde nog steeds naar Vlaamse preken over zijn hemelse belangen “et nous lui parlions de ses intérêts terrestres, de la science et de la patrie en langue étrangère”. In tegenstelling tot zijn partijgenoten vreesde hij niet dat de wet een wapen in de handen van de klerikalen zou worden.

“[L]a latitude accordée au gouvernement par l’article 5 n’est en somme applicable que dans les grands centres, et dans les grands centres nous n’avons pas à craindre l’influence catholique dans l’enseignement.” [467]

     Ten slotte nam hij de verdediging op zich van het ‘Vlaams’. Het was geen inferieure taal, ongeschikt voor filosofie en wetenschap, “le développement du peuple hollandais qui se fait entièrement en hollandais ou en flamand, ce qui est la même chose, le prouve suffisamment”. De moedertaal verdiende al die denigrerende opmerkingen niet.

“[L’] enfant n’apprend pas sa langue maternelle par des méthodes; il l’apprend spontanément, ou pour mieux dire, il s’en imprègne tout naturellement dans le milieu où il vit. Elle est dans l’atmosphère autour de lui, comme dans les yeux, dans la sourire de sa mère; il la boit avec le lait maternel tout ce qui l’entoure […]. La langue maternelle c’est le sang même qui coule dans ses veines […].”[468] 

 

     Vanderkinderes ideeën leunden dicht aan tegen die van de Vigne - hun stemgedrag was trouwens hetzelfde. Het stond voor hem buiten kijf dat de moedertaal de onderwijstaal moest zijn.[469] De emancipatie van het Vlaamse volk en de doorbraak van de liberale partij hingen daarvan af:

“La partie éclairée du peuple flamand n’a pas l’influence bienfaisante, moralisatrice et civilisatrice qu’elle devrait avoir […] Nous le sentons d’autant mieux de ce côté de la Chambre que nous voyons combien la grande majorité du pays flamand reste soumise à l’action exclusive du clergé. […] Ce que nous voulons, c’est créer ce point de contact, établir ce trait d’union entre ceux qui savent, qui prennent part au mouvement général de la civilisation à notre époque et ceux qui par leur position sociale sont empêchés d’aller au delà de l’école primaire.” [470]

Hiermee bedoelde hij dat het Nederlands ook zijn plaats had in het Vlaamse onderwijs. Enerzijds moesten de voorbereidende afdelingen tweetalig zijn (cf. zijn amendement op art. 1) en moest het Frans er zo vroeg mogelijk aangeleerd worden.

“[A Gand et à Bruxelles] la plupart de ces enfants entrant dans nos écoles moyennes savent beaucoup plus de français que de flamand. […] ce serait faire, en matière de pédagogie, la chose la plus absurde du monde que de les obliger pendant trois ans d’apprendre toujours le flamand et non le français. […] il y a là un état de chose que nous pouvons déplorer, mais qui existe.” [471]

Anderzijds kon men voor het MO toch niet eisen dat men enkel in het Nederlands les zou geven. “Je crois que sur les bancs de la droite personne ne le demandera […].”[472] In tegenstelling tot de Vigne leek Vanderkindere echter geen principiële bezwaren te hebben tegen aparte Nederlands- en Franstalige afdelingen in het MO waartussen men vrij kon kiezen. Voor Brussel wilde hij daar zelfs de regel van maken, getuige zijn amendement op art. 5: “Pour l’arrondissement de Bruxelles, le gouvernement organisera un régime mixte. La même mesure pourra être prise ailleurs sur l’avis conforme des bureaux administratifs ou des conseils communaux.”[473] Op 14 december, nog tijdens de eerste lezing, trok hij dit amendement in.

 

     Volgens minister van Openbaar Onderwijs Van Humbeeck had het ‘Vlaams’ slechts een beperkte plaats in het officiële MO. Hij erkende het principe van de volledige vernederlandsing van de lessen Germaanse talen en twee andere vakken niet. Waar er een algemene voorkeur was voor Franstalig onderwijs, “on pourrait devoir aller jusqu’à ne pas admettre l’enseignement par le flamand.” Waar “une partie très notable de la population” erom vroeg, kon de regering tussenbeide komen “en faisant enseigner par le français en même temps que le flamand.”[474] ‘Tezelfdertijd’ hield voor Van Humbeeck de oprichting van aparte Frans- en Nederlandstalige afdelingen in zodat Franstaligen geen Nederlandse lessen zouden hebben. Zijn amendement op art. 2 liet hier geen twijfel over bestaan (zie p. 106). Hij beriep zich op de taalvrijheid van het gezinshoofd om zijn standpunt kracht bij te zetten.

“La liberté des langues, que les Flamands ont invoquée […] en d’autres occasions, les oblige à reconnaître le droit de ceux qui pour un motif quelconque désirent faire élever leurs enfants dans un autre idiome.[...] Votre confiance dans les sentiments du peuple devrait vous faire dire que vous n’avez rien à craindre du maintien provisoire des cours français?” [475]

Daarnaast wilde hij, blijkens zijn amendement op art. 1, de schooldirecties vrij laten om de verhouding tussen Vlaamse en Franse lessen te bepalen (= de door de Vlaamsgezinde katholieken verworpen willekeur van de bureaucratie).

3.2.3 Waalse liberalen

Minister van Justitie Bara (Doornik) en Magis (Luik) namen voor de Waalse liberalen deel aan de debatten. Zij gedroegen zich Fransgezind.

     Bara huldigde het regeringsstandpunt van Van Humbeeck: het was onmogelijk Franstalige lessen af te schaffen, “c’est contraire à la Constitution qui a proclamé la liberté des langues quand cela est possible d’accorder à tous le libre choix de la langue”.[476]

     Magis had enkel oog voor de Waalse belangen. De rechten van de Walen in Vlaanderen werden miskend[477]:

“Il est incontestable que si l’on en arrive à supprimer l’enseignement en français pour le remplacer par l’enseignement en flamand, les pères de famille wallons devront retirer leurs enfants de nos écoles moyennes et de nos athenées dans les régions flamandes.” [478]

     Hij sprak zich in theorie uit voor wederkerigheid[479], maar verwierp die in de praktijk.

 

4. Besluit

 

Hoe evolueerde de  wet?

 

De wet die uiteindelijk goedgekeurd werd, verschilde nauwelijks van het laatste voorstel van de centrale afdeling. Vergeleken met het voorstel dat tijdens de eerste lezing was aangenomen en dat in de voorbereidende afdelingen het Frans naast het Nederlands had ingevoerd als onderwijstaal, was het een grote vooruitgang. Het voorbereidende onderwijs bleef Nederlandstalig, al moest het vak Frans genoeg aandacht krijgen zodat de leerlingen zonder problemen konden overgaan naar het Franstalige MO. In het MO moesten de lessen Germaanse talen en twee andere vakken in het Nederlands gegeven worden. De regering en de gemeenteraden die onderwijs organiseerden, konden die lessen echter ‘simultaan’ in het Frans en het Nederlands laten geven. Over de betekenis daarvan verschilden de meningen. Een essentiële verbetering van het voorstel van de centrale afdeling was dat art. 5 niet meer gebruikt kon worden om in het voorbereidende onderwijs het Frans als onderwijstaal in te voeren.

     Al even opvallend was dat Brussel geen aparte taalregeling kreeg en dat er op een amendement van Vanderkindere na (zie p. 119)  - waar geen van de partijen ernstig rekening mee hield - ook geen gevraagd werd. Dat, zoals Van Velthoven meent, “uit de debatten was […] gebleken dat het beruchte artikel 5 […] vnl. de bijzondere situatie van Brussel beoogde”[480], klopt niet. Geen van de sprekers maakte een onderscheid tussen Vlaanderen en Brussel. Voor de Fransgezinden betekende “simultanément” dat overal Waalse en Vlaamse afdelingen opgericht konden worden, Brussel hoefde dus geen apart statuut te krijgen. De Vlaamsgezinden van hun kant konden er zich - door een andere interpretatie - mee verzoenen dat in Vlaanderen en Brussel tweetalige lessen georganiseerd mochten worden, waaraan niemand zich kon onttrekken.

     Zeker voor deze taalwet ben ik het oneens met H. Van Velthovens besluit dat in de periode 1830-1894 “geen taalwet voor Vlaanderen mogelijk was zonder uitzonderingsstatuut voor het hoofdstedelijk gebied.”[481] Brussel kreeg net als de rest van Vlaanderen een eentalig voorbereidend onderwijs. Dat de gelijke wettelijke regeling uiteindelijk een andere toepassing kreeg in Brussel weerlegt mijn conclusie niet.

     Deze ‘faux pas’ in de taalwetgeving kwam er waarschijnlijk onder invloed van de groep rond Kamerlid K. Buls, de eerste en laatste Vlaamsgezinde burgemeester van Brussel. Hij was voorzitter van de Ligue de l’enseignement, die het liberale wetsvoorstel had opgesteld en waarvan alle Brusselse liberale Kamerleden lid waren, ook minister Van Humbeeck.[482] Na de eerste lezing was hij beginnen te lobbyen tegen het amendement van Vanderkindere.[483]

Wie was verantwoordelijk voor de aanpassingen aan de wet?

 

Door een unieke samenloop van omstandigheden heeft de niet bepaald Vlaamsgezinde liberale partij de belangrijkste taalwet van de 19de eeuw goedgekeurd.[484] Dat het met de toepassing de verkeerde kant uitging, doet daar niets aan af. De basis werd immers gelegd voor de vervlaamsing van het openbare leven. Het is mijns inziens nogal vreemd dat de katholieke Vlaamsgezinden daar nauwelijks naar verwezen. Enkel Delaet en De Sadeleer alludeerden erop.[485] Deze terughoudendheid was niet alleen ingegeven door de overtuiging dat het slechts ging om een relatief succes - het staatsonderwijs had slechts een fractie van de leerlingen van het vrije[486], maar ook door het knagende besef dat het de afgestudeerden van ‘goddeloze’ scholen waren die voor die vervlaamsing zouden zorgen.

 

Wat waren de opvattingen van de Vlaams- en Fransgezinden?

 

Op basis van de debatten en het stemgedrag tijdens de eerste lezing kunnen we een onderscheid maken[487] tussen

Wat was de houding van de regering en de partijen?

 

De hele katholieke partij profileerde zich als radicaal Vlaamsgezind, zij had hoogstens af te rekenen met één dissident.[489] Ongeveer een derde van de aanwezige Brusselse liberalen (Féron, Janson, Buls en Arnould) sloot zich aan bij de katholieken. Een minderheid van Vlaamse liberalen (3 op 7; de Vigne, Wagener en d’Elhoungne) en een derde van de Brusselse (Goblet d’Alviella, Scailquin, Vanderkindere[490] en Dansaert) waren gematigd Vlaams- of Fransgezind. De Waalse liberalen en de regering stemden radicaal Fransgezind. De Vlaamsgezinde liberalen waren een marginale groep in het parlement, desondanks gaf de regering aan hen toe. Hoe was deze ommekeer mogelijk?

     Volgens H. Van Velthoven zijn er drie redenen waarom de Vignes compromisvoorstel het haalde. Ten eerste:

“Het cijnskiesstelsel en een systeem van absolute meerderheid maakten op dat ogenblik de regeringen erg wankel, afhankelijk van een paar kiesarrondissementen, waardoor het Vlaamsgezinde opbod stimulerend werkte en op regeringsniveau niet genegeerd kon worden.”[491]

Dit is een noodzakelijke, maar geen voldoende verklaring. Ook in 1873 en vooral in 1878, toen de bestuurswet goedgekeurd werd aan de vooravond van de verkiezingen, waren er labiele meerderheden. Dit verhinderde niet dat de Fransgezinden beide taalwetten in hun voordeel konden aanpassen.

     Ten tweede:

“Daarnaast was er een opportuun en gedisciplineerd stemmende katholieke oppositie die ten opzichte van taalverplichtingen voor het rijksonderwijs blok met haar flaminganten bleef vormen, zodat een beperkt aantal Brusselse en Gentse liberale kamerleden de gevaarlijkste bepalingen konden ongedaan maken. Ook al omdat de kabinetskwestie niet gesteld werd.”[492]

Het zou fout zijn uit het stemgedrag van de katholieke partij te besluiten dat zij als geheel Vlaamsgezind was, vooral met de katholieke Fransgezinde tegenstand tegen de wetten van 1873 en 1878 in het achterhoofd. De hevige levensbeschouwelijke twisten in deze periode hadden echter de nood aan een uiterlijke eensgezindheid aangezwengeld. De Fransgezinde katholieken konden zonder gewetensbezwaren front vormen met de flaminganten omdat het door hen verfoeide rijksonderwijs de gevolgen van de vernederlandsing zou moeten dragen. Het feit dat de katholieken zich vóór de verkiezingen akkoord hadden verklaard met het voorstel van de centrale afdeling, versterkt de indruk dat hun eensgezinde Vlaamse houding tijdens de debatten vooral een oppositietactiek was.

     Ten derde

“kwam de wet er omdat het liberaal flamingantisme voldoende druk had weten uit te oefenen. Hoe het hele beïnvloedingsproces gewerkt heeft, is nog niet helemaal duidelijk. Vast staat wel de sleutelrol van het Willemsfonds en hoe aansluitend J. De Vigne tijdens die laatste fase als brugfiguur fungeerde […].”[493]

De katholieke Vlaamsgezinden konden zeker op 4 liberalen rekenen. L. Wils’ besluit dat er zich in de liberale partij niet “één lid bevond aan wie men de titel ‘flamingant’ zou geven indien hij een katholiek was geweest”, is dan ook te overhaast.[494] Die vier bevonden zich echter in een lastig parket omdat zij zich, door consequent Vlaamsgezind te stemmen, tegen hun meerderheid zouden keren, wat in de context van de schoolstrijd onaanvaardbaar was. Daarom stemden zij tegen elke amendering van het voorstel van de centrale afdeling, een houding die hen moeilijk kwalijk genomen kon worden aangezien zowel de katholieken als de liberalen er zich vóór de verkiezingen van juni 1882 akkoord mee hadden verklaard. Nog eens zeven liberalen volgden de katholieken soms.

     Lode Wils beklemtoont sterk de druk van de katholieken in het parlement als doorslaggevende factor:

“De enige [taalwet] die onder een liberale regering tot stand kwam, nl. die op het officieel middelbaar onderwijs in 1883, werd doorgedreven in de Kamer door de katholieke minderheid met de steun van een dozijn liberale volksvertegenwoordigers.”[495]

Natuurlijk speelde de eensgezinde oppositie van de katholieke partij mee, maar dat de Vigne de Fransgezinde Kamerleden zijn voorstel kon laten slikken, was niet alleen toe te schrijven aan de katholieke druk. In de context van de schoolstrijd was het trouwens weinig waarschijnlijk dat de liberalen zich op sleeptouw zouden hebben laten nemen door de katholieken, in hun eigen onderwijsnet.

     De goedkeuring van de wet bewijst mijns inziens dat de Vlaamsgezinde liberalen zich wel degelijk konden laten gelden bij de partijtop; een invloed die gebaseerd was niet op een parlementaire vertegenwoordiging, maar op de Vlaamsgezinde liberale verenigingen in Vlaanderen.[496] Bovendien mag de inbreng van Buls c.s. niet onderschat worden.[497] H. Van Velthoven merkt terecht op dat het Brusselse liberale flamingantisme

“grotendeels in verstandhouding met het progressisme, binnen de liberale partij een zekere invloed gekregen [had]. De kandidaten die door de Kamers, provincie- of gemeenteraad wensten gekozen of herkozen te worden, hielden met haar rekening. De meesten kwamen zich voorstellen en deden elektorale beloften zowel in nationaal vlak als voor Brussel-stad. De Vlaamse taalwet op het middelbaar onderwijs van 1883 […] werd mede daardoor mogelijk.”[498]

     Een factor waar geen enkele auteur naar verwijst, maar die volgens mij zeker heeft meegespeeld bij de goedkeuring van deze wet, was de invoering van het bekwaamheidsstemrecht.[499] Door deze aanpassing van het kiesstelsel kreeg iedereen die het diploma LO had of voor een bekwaamheidsproef slaagde stemrecht voor de gemeenteraadsverkiezingen[500]. Een deel van de Vlaamse middengroepen (onderwijzers, lagere ambtenaren, enz.) kreeg zo een politieke stem en kon niet genegeerd worden. Vaak waren die zeer ‘Vlaamsgevoelig’ omdat hun eentaligheid hun sociale ambities doorkruiste. Zowel liberalen als katholieken hoopten hen voor zich te winnen en stoomden kandidaat-kiezers klaar voor de bekwaamheidsproef. Een Vlaamsgezinde wet paste in hun beider strategie.

 

Katholieken

 

De katholieke Vlaamsgezinden hadden niet de bedoeling het Frans uit Vlaanderen te bannen.[501] Enkel voor de voorbereidende afdelingen eisten ze een volledige vernederlandsing op, maar het systeem van de Franstalige herhalingslessen duldden ze na de eerste twee jaar. In het eigenlijke MO moesten de Germaanse talen, geschiedenis, wiskunde en twee andere vakken in het Nederlands gegeven worden, de rest kon Franstalig blijven. Van een ‘système mixte’ met aparte taalafdelingen kon geen sprake zijn: in het Vlaamse MO moest iedereen beide talen leren. Ze wezen het personaliteitsbeginsel in deze af en vervingen het door een bijzonder territorialiteitsbeginsel: aan het Vlaamse grondgebied werden twee talen gekoppeld. Met andere woorden, de bescherming van Fransonkundigen was niet hun enige doel meer.[502] Hun stellingname impliceerde meteen een erkenning van een zekere gelijkheid van het Frans en het Nederlands in Vlaanderen.

     Vergeleken met 1873 en 1878 was het standpunt van de Vlaamsgezinde katholieken dus verhard. Dit uitte zich op nog drie andere manieren. Ten eerste namen ze een radicaal-Vlaamse retoriek in de mond. Ze probeerden het patriottisme te heroveren op de Fransgezinden: al wat Vlaams was, werd de enige garantie voor het voortbestaan van België. De stap van België, nog steeds het onbetwiste vaderland, naar Vlaanderen was een trippelpasje geworden. De ‘franskiljons’ moesten het volledig ontgelden, maar ook tegenover de Walen stonden ze kritischer. De evolutie die Lode Wils beschrijft naar een krachtige bevestiging van het Vlaamse gevoel vanaf 1860, kan dus ik pas ten vroegste vanaf 1883 voor de Kamer bevestigen.[503]

Ten tweede begonnen ze onder de ban van de vrijheidsretoriek uit te komen. Uit alles bleek hun afkeuring voor de vrijheid van de ouders om deze of gene onderwijstaal voor hun kind te kiezen. De vrijheid van de overheid om al dan niet Nederlandstalig onderwijs te organiseren, kreeg een uitgesproken negatief label: ‘de willekeur van de bureaucratie’, “l’arbitraire administratif”[504]. Taalvrijheid was een loos begrip zolang enkel het Frans uitzicht gaf op sociale promotie.

“Donc au moyen de la langue flamande on ne parvient à rien et au moyen du français on parvient à tout. Voilà le mal primordial. Quand cela ne sera plus, vous n’aurez plus à faire des lois, parce que tout le monde apprendra une langue qui aura son rang dans la vie civile et dans la vie politique.”[505]

Parallel hiermee dook de taalkloof en de verfransingsdruk voor het eerst prominent op in het discours van de katholieke Vlaamsgezinden. Meer dan een ‘talige’ preoccupatie met de sociale kwestie, hoeft er niet achter gezocht te worden.[506]

     Ten derde werd wettelijke gelijkheid tussen Vlamingen en Walen een issue. Dit hield nog geen wederkerigheid in met Wallonië. De katholieke Vlaamsgezinden aanvaardden dat er enkel voor Vlaanderen wetten gemaakt werden, maar die mochten daar geen al te opzichtige ongelijkheid rechtvaardigen tussen Vlamingen en Franssprekenden.          

     Uit dit alles mag blijken dat de katholieke Vlaamsgezinden (onbewust) begonnen waren een Vlaamse tegenhegemonie op te bouwen tegenover de Belgische - om het in de terminologie van Gramsci te zeggen (zie III. Besluit: De taalwetten van het censitaire België, p. 136). In deze optiek moeten we misschien ook het amendement van Coremans zien dat bepaalde dat geschiedenis in het Nederlands gegeven moest worden. Hoopte hij vat te krijgen op de Belgisch-Franstalige beeldvorming van het geschiedenisonderwijs?

     Alleen de oppositiehouding van de katholieken kan deze radicalisering niet verklaren. Er was natuurlijk ook de ontgoocheling over de beperkte gevolgen van de vorige taalwetten en de nakende stemrechtuitbreiding (zie boven), maar volgens mij speelde de schoolstrijd een niet te onderschatten rol. Die wierp zijn schaduw over de debatten. De liberalen verweten de katholieken hun ‘toch wel verdachte’ interesse voor het staatsonderwijs.

“[P]as un [des membres de la droite] n’envoie ses enfants dans un établissement d’enseignement moyen de l’Etat; les écoles du gouvernement sont dénigrés par eux de la façon la plus indigne; et tout à coup ils se lèvent pour indiquer les moyens d’améliorer l’enseignement publique! Ce désir d’amélioration est fort suspect!”[507]

Door de ‘scolaire’ spanningen waren de besprekingen vaak heel bits. Deze korte woordenwisseling kan representatief genoemd worden:

Coremans: Ce qu’il faut, d’après vous, c’est d’extirper l’élément germanique du pays?
Van Humbeeck: C’est vous qui voulez extirper l’élément latin du pays.
Coremans: Je maintiens que vous voulez extirper l’élément flamand du pays.”
[508]

     Mijns inziens is de schoolstrijd een belangrijk versnellingsmoment in de ‘Vlaamse strijd’ geweest en hebben de verhevigde levensbeschouwelijke tegenstellingen de (katholieke) VB geradicaliseerd. Het is een lacune in de geschiedschrijving van de VB dat daar tot nu toe zo weinig aandacht aan besteed is.

     Reeds vóór de schoolstrijd hadden beide partijen geprobeerd de VB in te lijven[509], maar een echt monopolie had geen van hen kunnen bekomen. Toch lagen de kaarten gunstiger voor de katholieke partij aangezien haar macht steunde op de Vlaamse gelovige kiezers. Zoals Willemsen schrijft:

“In het algemeen was de Katholieke Partij in het Vlaamse land geneigd, Vlaams belang te vereenzelvigen met het katholieke belang. Ze hanteerde daarvoor ook wel flamingantische argumenten, of veeleer de traditionalistische argumenten, die vroeger ook aangevoerd waren, nl. dat het behoud van de volkstaal en de godsdienstzin de twee elementen vormden, waardoor het eigen karakter van het Vlaamse volk bewaard werd.”[510]

Toen onder de laatste liberale regering van de 19de eeuw een hevig ideologisch conflict losbarstte, moesten de rangen gesloten worden rond het geloof, resp. het liberale erfgoed.[511] Omdat de machtsbasis van de katholieke partij in Vlaanderen lag, konden de flaminganten zich nog steeds blijven manifesteren zonder van de orthodoxie af te wijken, wat minder het geval was in de liberale partij door haar Waalse verankering. In de verfransing van de massa (niet van de leidende standen) vreesden de katholieken nog meer dan vroeger de dreigende laïcisering. Zo werd het ‘Vlaams’ een wapen tegen de goddelozen. “Het Vlaams werd”, zoals Van Velthoven schrijft, “daarbij voorgesteld als het slot, waarachter het gezonde katholieke Vlaamse volk tegen het Frans en de ermee verbonden ‘onvlaamse’ revolutionaire gedachten kon beschermd worden.”[512] Elke kaakslag aan het geloof deed de spanningen steeds hoger oplopen, wat niet alleen het catacombengevoel van de katholieke flaminganten aanscherpte, maar ook hun Vlaamsgezindheid.

     Het is belangrijk hierbij op te merken dat enkel de flaminganten radicaliseerden. De macht in de partij was nog steeds in handen van Fransgezinden. Verder dan enkele schijntoegevingen reikte hun Vlaamse engagement niet. Ook L. Wils erkent dit, want instemmend haalt hij het volgende citaat van Willemsen aan[513]:

“De leidende figuren in de kerk en Vlaamse politici voelden zich op een paternalistische wijze verbonden met dit christelijke, Vlaamse volk en met de taal, die het sprak. In dit beperkte opzicht waren de kerkelijke overheid, de geestelijkheid en de Katholieke partij in Vlaanderen vrijwel in hun geheel vlaamsgezind of beter gezegd [...] ‘vlaamsvoelend’. Dit nam niet weg, dat men terzelfder tijd aanvaardde, ook als ware het een natuurlijk gegeven, dat de leidende standen in eigen kring, d.w.z. in het openbaar bestuur, in het hogere gezelschapsleven, in de wetenschap en in het onderwijs aan hen die later tot de leidinggevende laag zouden behoren, volledig Franstalig waren.”[514]

     In de liberale partij zou de schoolstrijd de Vlaamsgezinden marginaliseren. Na de verkiezingsnederlaag in 1884 zouden tot 1900 nauwelijks Vlaamse liberalen in het parlement zitting hebben. Ze werden bovendien door hun Waalse partijgenoten met de nek aangekeken omdat hun geringe succes in Vlaanderen de liberale partij op de oppositiebanken vast leek te spijkeren.

     Op basis van deze bevindingen poneer ik de hypothese dat het vooral na de schoolstrijd was dat de liberale partij zodanig is gaan geloven in de synonymie van ‘Vlaams’ en ‘katholiek’ dat ze zich heeft afgewend van de VB. Hierin verschil ik van mening met L. Wils die de VB reeds vanaf de jaren 1840 terecht ziet komen in een zichzelf versterkende spiraal van aantrekking tot de katholieken en afstoting door de liberalen.[515]

 

Liberalen

 

De krachtsverhoudingen bij de liberalen lijken op die bij de katholieken tijdens de bespreking van de wet van 1873. Een kleine groep van vier ‘preciezen’ hield vast aan de radicaalste voorstellen, een grotere groep van zeven ‘rekkelijken’ was bereid hen soms te steunen en de regering hield de boot af. De gelijkenis is echter enkel oppervlakkig. De preciezen vormden een uiterst marginale groep in de liberale partij, maar konden hun standpunt doen zegevieren.

     De standpunten van de liberale radicale Vlaamsgezinden (zoals naar voren gebracht door Arnould) waren nagenoeg inwisselbaar met die van de katholieke, behalve dat zij vooral wezen op de emancipatorische kracht van het Nederlands als vehikel van de liberale ideeën. Evenmin hadden zij de ‘Vlaamse radicalisering’ gemeen met de katholieken, wat mijn hypothese over de impact van de schoolstrijd op de katholieke flaminganten bevestigt. In tegenstelling tot de rest van de liberalen vreesden zij geen leegloop van de staatsscholen.

     De gematigde (Frans- of Vlaamsgezinde) liberalen wilden dat de afgestudeerden van het staatsonderwijs Nederlands en Frans spraken en wezen daarom het ‘régime mixte’ in het MO van de hand. Het voorbereidende onderwijs wilden zij echter ook tweetalig maken om de taalvrijheid van de ouders te respecteren. Uit een personderzoek van J. Verschaeren blijkt dat de krant ‘La Flandre libérale’ eenzelfde houding aannam:

“De krant heeft wel aandacht voor de Vlaamse kwestie en wil de indruk wekken er met sympathie tegenover te staan. Zij wilde de vlaamsgezinde intellectuelen onder haar lezers niet afschrikken. Bij de bespreking van het wetsvoorstel tot vernederlandsing van het officieel middelbaar onderwijs gaat LFL ‘in principe’ akkoord, maar zij is bang voor de grote toegevingen, waardoor de Franssprekenden hun kinderen in groten getale naar de katholieke colleges zouden sturen. [...] Het ideaal van de krant is in feite het Franstalige standpunt dat ten hoogste een tweetalig statuut voor Vlaanderen wil toestaan.”[516]

     L. Wils’ stelling dat “de liberale flaminganten [...] bepaalden tot waar de katholieke flaminganten hun veel radikaler programma konden doordrukken”, moet genuanceerd worden.[517] Ten eerste, de katholieken werden al snel bereid gevonden water bij hun wijn te doen. Nog vóór de centrale afdeling in actie kwam, hadden Coremans en de andere katholieke ondertekenaars hun voorstel al samengesmolten met het liberale (zie p 103), waardoor ze in principe het ‘simultane’ onderwijs aanvaardden. Vóór de verkiezingen verklaarden de katholieken zich zelfs akkoord met het voorstel van de centrale afdeling. Ten tweede was het niet het standpunt van de gematigde liberalen dat het inzake voorbereidend onderwijs haalde, maar het radicale voorstel van Buls c.s., dat aansloot bij de opvattingen van de katholieke flaminganten. Dat het Frans grondig aangeleerd moest worden, eventueel via herhalingslessen, daar hadden de katholieke flaminganten weinig op tegen.[518] De limieten van de radicaalste katholieke en liberale flaminganten waren in deze dus dezelfde. Ten slotte, hoewel het ‘simultane’ onderwijs ontegensprekelijk een liberale innovatie was, zou een katholiek minister van Binnenlandse Zaken, Thonissen, in 1886 het ‘système mixte’ sanctioneren. “Simultanément” hield volgens hem zowel gesplitste afdelingen in (de zgn. ‘Waalse’ en ‘Vlaamse’) als een “système bilingue… donné par le même professeur à la fois dans les deux langues”.[519] Dit toont aan dat men ook in de katholieke partij het streven van de flaminganten probeerde te begrenzen.

     De radicaal Fransgezinden stonden negatief tegenover de individuele tweetaligheid voor Franstaligen. Zij wilden de gezinshoofden een totale taalvrijheid gunnen. Onder ‘gelijktijdig’ verstonden ze dan ook een apart Frans- en Nederlandstalig onderwijs zowel in de voorbereidende als de middelbare afdelingen. Zo zouden Vlaamsgezinden in het Nederlands les kunnen volgen zonder dat Franstaligen dat ook moesten. Uiteindelijk gaven zij toe door zich niet te verzetten tegen de Vignes compromis.

 

     Opvallend is dat ze geen Waalsgezinde argumenten gebruikten, hoewel de wet gevolgen zou hebben voor het onderwijzende personeel. Bara hield als minister zijn mond en Magis, een van de hardnekkigste tegenstanders van de wet - hij stemde tegen -, verklaarde zich in principe akkoord met wederkerigheid. Dit wijst erop dat Waalse parlementsleden zich nog konden onttrekken aan het Waalsgezinde discours en dat het ‘proto-wallingantisme’, zoals het zich geuit had in 1873 en 1878, enkel een gelegenheidspose, een oppositietactiek was die de Waals-liberale ontevredenheid over ‘klerikale’ taalwetten en de macht van de katholieken kanaliseerde.

 

 

III. Besluit: De taalwetten van het censitaire België

 

Hoe evolueerde de taalwetgeving?

 

De taalwetten van het censitaire België waren in territoriale bewoordingen gegoten, maar huldigden in feite het personaliteitsbeginsel. Zoals genoegzaam bekend beschermden ze enkel de rechten van Fransonkundigen. Van een gegarandeerde tweetaligheid in Vlaanderen was nog geen sprake, hoewel de onderwijswet van 1883 daar een aanzet toe gaf. Volgens de geest van die wet moest elke leerling van het staatsonderwijs de twee talen kennen, maar door een uiteenlopende interpretatie werden Waalse afdelingen opgericht[520], waarin de leerlingen niet met het Nederlands te maken kregen.

     Hoewel Brussel en omstreken nog overwegend Nederlandstalig waren[521], kreeg het hele arrondissement een uitzonderingsregime dat de taalvrijheid en dus het overwicht van het Frans sanctioneerde. Enkel de wet van 1883 voegde Brussel bij Vlaanderen. Typisch voor de taalwetten uit deze periode, ten slotte, was de afwezigheid van een afdoende sanctie.

     De totstandkoming van deze wetten was weinig bemoedigend voor de Vlaamsgezinden. Een vergaand voorstel, dat evenwel niet raakte aan de tweetaligheid van Vlaanderen, werd door de Kamer geamendeerd tot een ersatz van het origineel. Opnieuw was de onderwijswet van 1883 de uitzondering. Het voorstel waarvan de Kamer de bespreking begon, weliswaar een afzwakking van het oorspronkelijke katholieke, kwam radicaler uit de debatten te voorschijn: in het voorbereidende onderwijs in Vlaanderen waren Franstalige lessen uitgesloten.

 

Hoe evolueerden de opvattingen van de Vlaams- en Fransgezinden?

 

Vlaamsgezinden

Het moge duidelijk zijn dat in 1873 en 1878 zelfs de extreemste Vlaamsgezinden met hun slogan ‘In Vlaanderen Vlaams’ noch de eentaligheid van Vlaanderen noch een gegarandeerde tweetaligheid opeisten. Ze namen genoegen met tegemoetkomingen voor Fransonkundigen. Dat het Frans in bepaalde domeinen (bv. in de correspondentie tussen magistraten of tijdens de gemeenteraadszittingen) domineerde, liet hen onverschillig zolang Fransonkundigen er geen rechtstreeks belang bij hadden. Ik kan het dan ook niet eens zijn met H. Hasquin:

“De littéraire et linguistique qu’il était à ses débuts, [le mouvement flamand] va s’organiser politiquement à partir de 1860. Ses membres les plus actifs, ardents patriotes belges jusque-là, vont d’abord se considérer comme Flamands avant d’être Belges; dorénavant, ils réclameront un unilinguisme absolu en Flandre et en Wallonie sans plus aucune concession au bilinguisme […].”[522]

M. De Vroede klinkt overtuigender:

“Beaucoup de flamingants ne concevaient même pas la possibilité d’une société unilingue en Flandre. Ils n’exigeaient pas la priorité pour le néerlandais dans les régions flamandes; tout ce qu’ils réclamaient, c’était que le néerlandais fût utilisé conjointement avec le français, donc, un bilinguisme officiel et ‘de facto’.”[523]

Deze officiële en feitelijke tweetaligheid, m.a.w. de taalgelijkheid in Vlaanderen, werd volgens mij pas vanaf de schoolstrijd een breekpunt voor de Vlaamsgezinden. Tijdens de bespreking van de onderwijswet van 1883 wezen ze immers het personaliteitsbeginsel af en eisten het territorialiteitsprincipe met twee talen op. Niemand zou zich in het middelbare staatsonderwijs nog kunnen onttrekken aan Nederlandstalige lessen. Gelijkheid van beide talen in heel België was echter nog ondenkbaar: ze aanvaardden de facto de Waalse taalintegriteit. Dit was tactisch gezien ook het beste uitgangspunt. Ze wisten dat elke Vlaamse eis op een Waalse afwijzing zou stuiten als ze op een of andere manier de positie van het Nederlands in Wallonië wilden begunstigen.

De wet van 1883 vormde mijns inziens voor de Vlaamsgezinden een breuk in hun denken over de vrijheid en over de verhouding België-Vlaanderen. De vrijheids- en liberale staatsideeën, ten eerste, waarop België gegrondvest was, waren niet alleen het gemeengoed van de liberalen, ze hadden ook de katholieken in hun greep.[524] Het is dus niet verwonderlijk dat de VB zich had opgeworpen als “le garant des libertés constitutionnelles” [525]. Toch stonden de Vlaamsgezinden sceptischer tegenover de taalvrijheid dan de Fransgezinden en waren ze niet blind voor de feilen ervan. In het vrijheidsregister moesten zij het immers steeds afleggen tegen die laatsten. Exemplarisch hiervoor waren hun nederlagen voor het hof van cassatie. Op 12 mei 1873 bv. had het advocaten verboden in het Nederlands te pleiten. Enkel ‘ex negativo’ konden ze vrijheidsargumenten gebruiken door erop te wijzen dat hun voorstellen de taalvrijheid niet aantastten.[526] Vanaf 1883 echter begonnen de flaminganten, ook de liberale, de taalvrijheid te relativeren (in de zin dat niemand in Vlaanderen het recht had geen Nederlands te leren in het Vlaamse staatsonderwijs).

Hiermee samenhangend heeft de VB een ambigue houding aangenomen tegenover een democratische legitimering van het taalgebruik in Vlaanderen. Aanvankelijk, onder het cijnskiesstelsel, had zij te weinig electorale steun om het pleit in haar voordeel te beslechten. Na 1893 weigerde ze zich te onderwerpen aan taalreferenda omdat die in bepaalde Vlaamse steden de tweetaligheid en op de taalgrens de verfransing zouden legitimeren. Haar vertegenwoordigers in het parlement zijn zich wel blijven profileren als de stem van het (onmondige) Vlaamse volk. Deze neiging om in naam van  een massa van 3 miljoen Vlamingen rechten op te eisen, kan niet democratisch genoemd worden. Het volk was enkel een machtsfactor in zoverre er enige toegevingen in het parlement mee los konden worden gewrikt. Of zoals Van Velthoven het zegt:

“Het Vlaamse volk werd wel ervaren als een machtselement, maar dan meestal vanuit louter taaloogpunt, zonder aandacht voor de opheffing van de materiële nood […] waarbinnen het kultuurvraagstuk zich maar eerst kon stellen.” [527]

     Ten tweede, in 1883 bleken de katholieke flaminganten in een Vlaamse furie ontstoken; de schoolstrijd speelde daarin een belangrijke katalyserende rol, iets waar de literatuur te weinig aandacht aan besteed (zie besluit hoofdstuk 3, p. 128). Al wat Vlaams was, werd dé garantie voor het voortbestaan van België en de Walen en de ‘franskiljons’ werden als patriotten de minderen van de Vlamingen. Dit was een reactie op de monopolisering van de vaderlandsliefde door de Fransgezinden. Die hadden (in het parlement) elke Vlaamse eis gepareerd met beschuldigingen van landverraad en Franstalig België (niet alleen Wallonië) voorgesteld als de enige echte erfgenaam van de revolutie van 1830. Daar waren twee redenen voor. In een jonge staat als België, waar ‘l’union faisait la force’, was elke verwijzing naar wat de Belgen verdeelde uit den boze. De zo evidente taalverschillen waar de flaminganten mee uitpakten, werden beschouwd “comme une atteinte à l’unité nationale, comme un dangereux germe séparatiste, comme un argument fourni à ceux qui, à l’étranger dénient à la Belgique une existence morale et nationale” [528]. Daarnaast was er de vrijheidscultus die verstrengeld was met de ‘belgitude’. Vrijheid nam in het collectieve bewustzijn van de (politiek bewuste) Belgen een centrale plaats in. De flaminganten met al hun taalmaatregelen tastten dat heilige goed aan.[529]

     België stond voor de Vlaamsgezinden helemaal niet ter discussie. De Vlaamse strijd was gericht “niet tegen de Walen, […] niet tegen de staat [maar wel] tegen het systeem, de verwenste en de vervloekte centralisatie”. [530] Zoals E. Gubin schrijft:

“C’est une profonde erreur que de confondre la tendance antigouvernementale [...] qui anime [le flamingantisme] avec une quelconque animosité à l’égard de la Belgique. Au contraire: s’il s’en prend vivement aux gouvernements parce qu’ils les accuse de partialité, de créer des priviligés au profit des Francophones et de trahir ainsi l’esprit de 1831.”[531]

Wel was de stap van België naar Vlaanderen zeer klein geworden omdat de Vlaamsgezinden ze zodanig vereenzelvigd hadden. L. Wils’ opmerkingen dat “het einde van de patriottische bezieling van de Vlaamse beweging als geheel […] in de jaren zestig [geplaatst moet worden]” en dat “het Vlaams bewustzijn […] zijn verantwoording niet meer [zocht] in een versterking van de Belgische nationaliteit, maar in een erkenning van de Vlaamse” moeten misschien in het licht hiervan herzien worden.[532]

     De Vlaamse radicalisering die ik in de vorige paragrafen beschreven heb, was een stap in de Vlaamse natievorming. Aan de hand van de opvattingen van de Italiaanse socioloog Gramsci over de klassenstrijd, die Lode Wils toepast op de natievorming, wordt dit duidelijker.[533] Gramsci stelt dat een succesvolle proletarische revolutie niet alleen een materiële verovering van het staatsapparaat veronderstelt, maar ook een ideeënoorlog. Het gezag van machthebbers steunt immers zowel op een repressieapparaat als op een morele en intellectuele hegemonie die door de overheersten aanvaard wordt. Vooraleer je de staatsstructuren in handen krijgt, moet je dan ook het volk warm maken voor jouw gedachtegoed en een tegenhegemonie creëren. Wils nu stelt dat de bourgeoisie die in 1830 de macht greep in België

“alle andere klassen aan het bestel [wist] te binden met als kernidee de door haar intellectuelen bejubelde ‘vrijheid in alles en voor alles’ […]. Die verheerlijking van de verworven vrijheid gebeurde ook door flamingantische intellectuelen en werkte na tot in het midden van de twintigste eeuw.”[534]

De relativering van de taalvrijheid en de nadruk op het ‘Vlaamse’ waren volgens mij de opmaat tot een Vlaamse tegenhegemonie.[535] Dit betekent evenwel niet dat H. Elias gelijk heeft als hij stelt dat

een belangrijk gedeelte van de flaminganten - d.i. het geheel van de taalbewuste Vlamingen - duidelijk nationalistische posities heeft ingenomen in de klare bevestiging van het bestaan van twee nationaliteiten binnen het kader van de staatsnatie België […] zonder de vernietiging van de Belgische eenheidsstaat na te streven”.[536]

Met E. Gubin meen ik dat het de bewustwording van dit Vlaams-Waalse onderscheid mangelde aan

“un élément primordial pour être germe de nouveau nationalisme: l’élément territorial. Au XIXe s., la présence non contestée des Francophones en Flandre confère aux différences linguistiques un contenu exclusivement social et nullement communautaire.”[537]

     In de lijn van P. Bourdieus ideeën kunnen we aansluitend bij Gramsci de ‘Vlaamse kwestie’ interpreteren als een ‘symbolische strijd’. Symbolische systemen stellen ons in staat omgangsvormen te onderscheiden en actief toe te passen en bepalen hoe wij de sociale werkelijkheid waarnemen en vormgeven. De appreciatie van cultuuruitingen berust op de vaardigheid om met symbolische systemen om te gaan. Die vaardigheid wordt door bepaalde groepen gebruikt om zich te profileren en anderen uit te sluiten. Zo ontstaat een strijd om de symbolen.[538] Frans spreken was zo’n vaardigheid op basis waarvan groepen afgebakend werden. De kleine Vlaamse burgerij werd hierdoor in haar sociale ambitie gedwarsboomd. In het sociale veld vocht zij de legitimiteit van het Franstalige monopolie op de machtsuitoefening aan door het centrale element van die machtsaanspraak, de taalvrijheid, te relativeren en het ‘Vlaams’ naar voren te schuiven.

     De rechten van de Duitstaligen hebben de Vlaamsgezinden in het parlement niet verdedigd tenzij dat spoorde met hun Vlaamse strijd. Daarnaast hebben ze door het discours rond het tweetalige Brussel te aanvaarden willens nillens bijgedragen tot de verfransing van de hoofdstad. Van Velthoven heeft aangetoond hoe het groeiende aantal tweetaligen het Nederlands- en zelfs het tweetalige karakter van Brussel heeft aangetast omdat zij in het beste geval niet werden meegerekend in de talentellingen en in het slechtste als Franstaligen werden aangekruist.

“Het gevolg van de explosie van tweetaligen was dus dat

-     in nationaal vlak steeds sterker op een speciaal regime kon aangedrongen worden, eerst vanuit een nog zwakke positie met verwijzing naar de hoofdstad als Belgisch ontmoetingscentrum, later vanuit een sterke positie om op het Franstalig karakter te wijzen;

-     in lokaal vlak de Brusselse gemeenten nog minder met de louter Vlaamssprekenden gingen rekening houden.”[539]

Enkel de onderwijswet van 1883 bood een wettelijke basis om het verfransingsproces tegen te gaan. De Nederlandstalige voorbereidende afdelingen werden echter nooit opgericht in Brussel.

 

Fransgezinden

De Fransgezinden wilden alleen in taalfaciliteiten voorzien voor Fransonkundigen. Hun geloof in België en zijn taalvrijheid, die de minst prestigieuze taal weg zou concurreren, bleek uit hun ontkenning niet alleen van structurele wantoestanden, maar ook van occasionele dwalingen. Volgens hen hadden de taalwetten dan ook geen nut. ‘Vlaams’ leren hielden ze voor uitgesloten om drie redenen.

     Om te beginnen bestond hét ‘Vlaams’ niet. In België waren er enkel Vlaamse en Waalse dialecten die overkoepeld werden door 1 standaardtaal: het Frans. Als men aan het ‘Vlaams’ rechten gaf, moest het ‘Waals’ die ook krijgen - wat volgens hen onzinnig was. Dit was, zoals C. Kesteloot opmerkt, een van de thema’s van de beginnende Waalse beweging (zie verder).[540] De Fransgezinden konden zich uiteraard ook beroepen op “het beschavingsargument en de nutsfactor van het Frans als wereldtaal”.[541]

     Ten tweede gebruikten ze de (beperkte) taalgelijkheid die de Vlamingen opeisten als argument tegen het leren van de tweede taal. De Vlamingen - althans zij die in hun ogen telden, nl. de cijnskiezers - waren tweetalig, een onbetwistbaar, maar oneerlijk concurrentievoordeel ten opzichte van de eentalige Walen, voor wie het ‘Vlaams’ een onmogelijke taal was. Enerzijds waren ze er rotsvast van overtuigd dat je Nederlands enkel in Vlaanderen kon leren. Zoals Bara in 1878 zei: “C’est précisément par suite de la tolérance qui existait avant qu[e les magistrats wallons en Flandre] ont pu, dans leurs fonctions, apprendre une autre langue.”[542] Anderzijds weigerden ze een taal zonder uitzicht te leren. Via wettelijke bepalingen het Nederlands aantrekkelijker maken (door het bv. te verplichten voor ambtenaren), was tot mislukken gedoemd. De Walen, zo zeiden ze, hechtten zodanig aan de vrijheid dat ze elke vorm van dwang zouden afwijzen.[543]

Ten slotte wezen ze erop dat de Franstaligen het slachtoffer zouden worden van de vervlaamsing. Bara combineerde dit in 1873 al met de verdediging van de carrièrekansen van Nederlandsonkundigen in Vlaanderen, klachten over de achterstelling van Walen, een afkeer van verplichte tweetaligheid en een vrees voor Vlaams imperialisme. Toch kunnen we dit nog geen volgroeid wallingantisme noemen. Het miste de twee essentiële kenmerken van een beweging: “un soutènement sociologique et la prise de conscience d’un problème”[544]. Daarenboven bleef het voorlopig een oppositietactiek, waarmee Bara uiting gaf aan zijn ontevredenheid over de in zijn ogen klerikale taalwetten, die de machtspositie van de katholieken en de uitsluiting van de liberalen in Vlaanderen sanctioneerden. In 1883, onder de liberale regering, waren er immers geen Waalsgezinde klachten te horen.

De aanwezigheid van deze embryonale Waalsgezindheid in het parlement, waar nagenoeg geen auteurs aan refereren[545], maakt duidelijk dat de georganiseerde Waalse beweging niet zomaar uit het niets ontstond. Door een langdurige oppositiekuur van de liberalen zou hun frustratie de voedingsbodem kunnen worden voor een beweging. Net als in de radicalisering van de VB speelde de schoolstrijd een cruciale rol. Door de verhevigde levensbeschouwelijke tegenstellingen kwamen de twee landsdelen tegenover elkaar te staan en als tegengewicht van de VB die in het katholieke kamp gedreven werd, ontstond er aan liberale zijde een WB (zie besluit hoofdstuk 3, p. 129). Meteen wordt hierdoor het belang gerelativeerd van de (eventuele) betere toepassing van de taalwetgeving onder de katholieke regeringen[546] als zwengel van de WB.

     De Fransgezinde Kamermeerderheid in deze periode was niet verwonderlijk aangezien zowel de liberale als de katholieke leidende klassen, die via het cijnskiesrecht hun stem konden laten horen, homogeen samengesteld waren. Op de as kapitaal-arbeid en centrum-periferie, waarop de VB actief was, stonden ze aan dezelfde kant: ze waren gegoed en Franstalig. Enkel op de as kerk-staat waren er tegenstellingen.[547] Dat de (aangepaste) taalwetten er toch nog kwamen was toe te schrijven aan de wankele regeringsmeerderheden.

“Op regeringsniveau kon geen van beide partijen het zich bovendien permitteren die Vlaamsgezinde stemmen in het Parlement te negeren. Taaleisen konden dus met kans op enig succes in de strijd van de oppositie worden geworpen en als partijbelangen worden voorgeschoteld aan de Franstalige partijgenoten. Drie wetten kwamen op die manier achtereenvolgens tot stand [in 1873, 1878 en 1883].”[548]

Het is belangrijk te beklemtonen dat dit niet het ‘Vlaamse’ gehalte van de taalwetten verklaart, maar wel dat ze sowieso ter tafel kwamen en zo’n grote meerderheid kregen.

 

Hoe evolueerde de houding van de regering en de partijen?

 

Katholieken

In de publicaties van o.a. L. Wils overheerst het beeld van de katholieke partij en regering die probeerden zo radicaal mogelijke taalwetten door het parlement te loodsen.[549] Dit mislukte omdat “het liberale verzet de taalwetten van 1873 en 1878 heeft doen verminken.”[550]

“De katholieke partij en regering realizeerden de vernederlandsing niet verder dan tot waar ze een fraktie van de liberalen konden meekrijgen. Zo was het al bij de taalwetten van 1873 en 1878 geweest en zo zou het blijven. [...] In die zin speelden de liberale flaminganten een belangrijke rol: zij bepaalden tot waar de katholieke flaminganten hun veel radikaler programma konden doordrukken.”[551]

     Ik ben het erover eens met H. Van Goethem dat het aandeel van de katholieken in de taalwetgeving uit deze periode “wezenlijk en doorslaggevend” geweest is[552], maar anders dan hij stel ik ze medeverantwoordelijk voor de negatieve bijdragen. Als tussen 1873 en 1878 ‘afkooksels’ van wetsvoorstellen goedgekeurd werden, mochten ook de katholieke regeringen zich daarvoor op de borst slaan. Zoals ik aangetoond heb, sloten zij zich uit overtuiging en niet uit opportunisme aan bij de Fransgezinden en bepaalden zij - en niet zozeer de liberalen - de limiet tot waar de flaminganten konden gaan.[553] Dat zij in 1883, toen de liberalen aan de macht waren, radicaal Vlaamsgezind stemden, was vooral een oppositietactiek. Van Goethem stelt trouwens dat de katholieke partij niet Vlaamsgezind was op onderwijsvlak.[554]

     Als, zoals Van Goethem beweert, “de polemiek tussen historici over de katholieken en de liberalen [...] zich vooral tot de betekenis van de katholieke regeringen voor de Vlaamse zaak tussen 1873 en 1900”[555] beperkt, dan kunnen mijn bevindingen uitsluitsel brengen: zowel in 1873 als in 1878 remde de katholieke regering de flaminganten eerder af dan dat ze ze stimuleerde. Desalniettemin staat het buiten kijf dat in deze periode de katholieken meer Vlaamsgezinden in hun rangen telden, die (soms) radicalere standpunten innamen, dan de liberalen. Een grote groep Kamerleden (20 à 25 Vlamingen en drie Walen in 1873) was bereid de Vlaamsgezinde haviken (+/- 15 Vlamingen en 2 Walen in 1873) te volgen zolang dat niet indruiste tegen de wil van de regering.[556] A.W. Willemsen noemt hen “‘flamands de coeur’, ‘vlaamsvoelenden’, die de culturele Vlaamse Beweging niet ongenegen waren en zich met de volkstaal verbonden voelden, zoals men tradities en gebruiken uit eigen streek een warm hart kan toedragen”.[557]

“Het ‘Vlaams’ was voor hen niet zo heel veel meer dan folklore. Hun aanwezigheid in het Parlement legde voor de Vlaamse Beweging niet veel gewicht in de schaal, waar het ging om Vlaamse initiatieven te nemen. Toch zouden vermoedelijk zonder hun aanwezigheid de enkele werkelijke flaminganten in het Parlement daar nauwelijks een klankbord hebben gevonden.”[558]

Ongeveer 20 katholieke Kamerleden waren Fransgezind in 1873 (6 à 9 Vlamingen en 9 Walen).

     De redenen voor de ‘Vlaamsvoelendheid’ van de katholieke partij laten zich raden. Zij putte haar macht uit het Vlaamse electoraat en beschouwde het ‘Vlaams’ als “een verdediging van de oude gebruiken en tradities van een hele samenleving tegen de subversies van de moderniteit”.[559] Daar kwam bovenop dat het centralisme en de ermee samenhangende taalpolitiek niet onverdeeld populair waren. Niet alleen konden de ultramontanen in de partij het moeilijk vinden met de centrale staat, maar haar kiespubliek woonde bovendien “dans des zones éloignées du centre au nord-ouest, au nord-est et au sud-est du pays” [560].

 

Liberalen

De Vlaamsgezinde Kamerfractie in de liberale partij was uiterst marginaal (vier radicalen in 1883, één gematigde in 1873, zeven gematigden in 1883), de overige liberalen waren radicaal Fransgezind. Dat de partij een minderheidspositie had in Vlaanderen en enkel in de grote verfranste steden op Kamerleden kon hopen, was hier niet vreemd aan. Els Witte vat de houding van de partij als volgt samen:

“Onverschilligheid, stelselmatige moedwil, tergend optreden, electorale schijnmanoeuvers, een tot niets verplichtende tegemoetkomende houding, het waren stuk voor stuk varianten op één zelfde Vlaams-vijandig thema. De meerderheid van de liberalen was het erover eens dat het Vlaams slechts de status van dialect mocht bezitten; als dusdanig mocht het beoefend worden, maar het opdringen als onderwijs- en kultuurtaal was in hun ogen onaaneemlijk en grensde zelfs aan het absurde. Het Frans daarentegen was de taal van de beschaving en van het liberalisme. Vlaanderen verfransen betekende dus tegelijkertijd Vlaanderen toegankelijk maken voor het liberale ideeëngoed.”[561]

Ondanks hun beperkte manoeuvreerruimte, slaagden de Vlaamsgezinden er in 1883 in de onderwijswet (relatief) ongehavend goedgekeurd te krijgen, waardoor ‘de anti-Vlaamse’ liberale partij de radicaalste taalwet van de 19de eeuw goedkeurde.

 

L. Wils zoekt de reden voor de scheefgetrokken verhouding in de liberale partij tussen Vlaams- en Fransgezinden in de ‘denationalisering’ van de liberalen tijdens de Franse tijd.[562] Andere auteurs hebben er daarentegen op gewezen dat het de burgerij in zijn geheel was die ‘gedenationaliseerd’ werd, niet enkel de liberale.[563] Een factor die m.i. zeker meespeelde waren de sterk centralistische tendenzen in de liberale partij, meer dan in welke andere ook[564]. Dat zij uitzonderlijk sterk stond in Brussel, waar ze 150 jaar lang de burgemeesterssjerp kon opeisen, droeg hier zeker toe bij. Daarnaast assimileerde zij als dé staatse partij volledig “la politique linguistique d’un Etat pour lequel la langue est effectivement un instrument de centralisation”[565]. Ze werd daarenboven volledig beheerst door Franstaligen en recruteerde haar kiezers uit Wallonië en de verfranste burgerij van de Vlaamse steden[566]. Door de radicalisering van de katholieke Vlaamsgezinden tijdens de schoolstrijd is het niet onwaarschijnlijk dat de liberale partij de VB toen definitief als een klerikale aangelegenheid is gaan beschouwen. (zie besluit hoofdstuk 3, p. 129). 

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  
 

[86] Wanneer ik een volksvertegenwoordiger voor het eerst noem, vermeld ik tussen haakjes het arrondissement waarvoor hij verkozen is. Op grond hiervan deel ik hem in bij de Vlaamse, Brusselse of Waalse Kamerleden. Als volksvertegenwoordigers niet voor hun ‘eigen taalgroep’ verkozen werden (bv. E. Anseele sr.), vermeld ik dit, maar ik deel hen toch in volgens hun kiesarrondissement. Het is nl. interessant na te gaan of hun houding daardoor essentieel beïnvloed werd.

      De spelling van de namen heb ik overgenomen uit de lijst met volksvertegenwoordigers aan het begin van elk deel van de Handelingen.

[87] In wat volgt beperk ik mij bewust tot de grove lijnen. Voor een goede synthese van de politieke en sociale ontwikkelingen vóór de jaren 1870, zie o.a. VELTHOVEN, H. van, De Vlaamse kwestie, 1982, p. 69-95; VELTHOVEN, H. Van en WITTE, E., Taal en politiek, 1998, p. 43-58.

[88] In 1848 werd de cijns (voor de parlementsverkiezingen) tot zijn grondwettelijke minimum beperkt: het aantal kiezers steeg van 46.000 tot 79.000. Voor de gemeentelijke en de provinciale verkiezingen werd de cijns in 1836 en 1871 verlaagd.

[89] WITTE, E., CRAEYBECKX, J. en MEYNEN, A., Politieke geschiedenis, 1997, p. 61 e.v.

[90] O.a. in het graafschap Vlaanderen, dat leenhulde verschuldigd was aan de Franse koning, en in het hertogdom Brabant.

[91] H. Van Goethem wijst erop dat de grondwettelijke taalvrijheid, die in het voordeel zou spelen van de meest prestigieuze taal, geen doelbewust verfransingsmanoeuver geweest hoeft te zijn. De Congresleden, die de grondwet opstelden, geloofden misschien te goeder trouw “in een effectieve en reële taalvrijheid in Vlaanderen”. (GOETHEM, H. Van, ‘Taalpolitiek en staatshervorming’, in: SMET, G.A.R. De (ed.), De geschiedschrijving van de VB, 1993, p. 10)

[92] H. Van Goethem heeft er de aandacht op gevestigd dat er verschillende verfransingstempo’s waren. Verfransten sneller: de hogere echelons van het openbare leven (het humanioraonderwijs, rechtbanken vanaf het arrondissementele en besturen vanaf het provinciale niveau), de interne administratieve en gerechtelijke diensten, de steden en ten slotte de kantons of arrondissementen met zowel Vlaamse als Waalse gemeenten. Verfransten trager: de lagere niveaus van het openbare leven, de diensten waar de burger rechtstreeks contact mee had en het platteland.

Oost -en West-Vlaanderen verfransten het minst, Vlaams-Brabant en Limburg het sterkst, Antwerpen nam een tussenpositie in (met een sterk verfranst arrondissement Antwerpen, het Vlaamsgezinde Turnhout en het meer verfranste Mechelen). (GOETHEM, H. Van, art. cit., p. 8-9)

[93] GOETHEM, H. Van, art. cit., p. 8-9.

[94] Zie GOOSSENS, J., ‘De ontwikkeling van het gesproken Nederlands in Vlaanderen’, in: GEERTS,  G. (ed.), Een bloemlezing taalpolitieke beschouwingen over het Nederlands, 1987, p. 213.

[95] Zie DAAN, J., ‘The relation between dialect and standard language in the Netherlands in the past as a key to the present’, in: LEUVENSTEIJN, J. Van en BERNS, J. (eds.), Dialect and standard language, 1992, p. 154.

[96] Taal fungeerde als een sociaal distinctief en lag aan de basis van sociale uitsluitingsprocessen. Het Frans was de taal van de macht omdat haar sprekers politiek, sociaal en economisch sterker stonden dan de Nederlandstaligen.

      Zie voor de confrontatie tussen lagere en hogere statustalen en de gevolgen daarvan voor de sociale integratie, VELTHOVEN, H. Van en WITTE, E., op. cit., p. 16-20.

[97] Lode Wils schrijft in dit verband:

“Aangezien het gebruik van het Frans als bestuurstaal binnen België [...] in feite de Walen bevoordeelde, werd de Vlaamse beweging versterkt door het groepsbelang van de middenklasse, die zich een benadeelde Vlaamse natie ging voelen.” (WILS, L., ‘Natie en geschiedenis’, in: Tussen herinnering en hoop, 1998, p. 80)

[98] VELTHOVEN, H. Van en WITTE, E., op. cit., p. 54.

[99] WILS, L., Van Clovis tot Happart, 1992, p. 168-69.

[100] WILS, L., De Vlaamse Beweging in het kader van de nationale bewegingen, 1977, p. 13.

[101] Zie WILS, L., Het ontstaan van de meetingpartij te Antwerpen en haar invloed op de Belgische politiek, 1963.

[102] Voor een uitgebreide behandeling van de VB vóór 1870, verwijs ik o.a. naar WILLEMSEN, A.W., ‘De Vlaamse Beweging’, dl. I, in: Twintig eeuwen Vlaanderen, dl. IV, 1974.

[103] Ibid., p. 203.

[104] Ibid., p. 202-204.

[105] WILS, L., Honderd jaar Vlaamse beweging, dl. I, 1977, p. 56-57.

[106] Ibid., p. 99-100; zie ook WILS, L., Van Clovis tot Happart, 1992, p. 165.

[107] Voor een gedetailleerd overzicht van de voorgeschiedenis van de wet van 1873 zie GOETHEM, H. Van, De taaltoestanden, 1990, p. 162-169.

[108] Deze uitbreiding had de bedoeling de “democratische, Vlaamsgezinde en antimilitaristische oppositie binnen de katholieke opiniestroming” te paaien (DENECKERE, G., Geuzengeweld. Antiklerikaal straatrumoer in de politieke geschiedenis van België, 1831-1914, 1998, p. 81, zie ook p. 64).

[109] A.P.C., 1871-1872, 13 april 1872, p. 825.

[110] GOETHEM, H. Van, De taaltoestanden, 1990, p. 168.

[111] Pasinomie, 1873, 12 mei 1873, p. 179.

[112] D.P.C., 1872-1873, 31 mei 1873, nr. 201.

[113] De centrale afdeling bestond uit de katholieken Schollaert (voorzitter, Leuven), Van Wambeke (Aalst), Gerrits (Antwerpen), Jacobs (Antwerpen), de Haerne (Kortrijk), Berten (Ieper) en de Kerckhove (Mechelen).

[114] D.P.C., 1872-1873, 28 juni 1873, nr. 246, p. 394-399.

[115] Ibid., 8 juli 1873, nr. 248, p. 397-399.

[116] Wallonië werd nog niet in een taalwet betrokken.

[117] Het vooronderzoek werd in het voorstel de ‘procédure préparatoire’ genoemd, i.e. de voorafgaandelijke rechtspleging. “[P]ar les mots: procédure préparatoire, on entend les actes faits depuis le moment où le juge d’instruction est saisi, jusqu’à l’arrêt de mise en accusation. Tout ce qui précède fait partie de la police judiciaire.” (Pasinomie, 1873, 17 augustus 1873, p. 282, originele cursivering)

[118] D.P.C., 1872-1873, 8 juli 1873, nr. 248, p. 398 (originele cursivering).

[119] Al het cijfermateriaal dat ik in de rest van mijn eindverhandeling geef, is gebaseerd op de lijst van Kamerleden in elke aflevering van de parlementaire annalen van de Kamer en VULDERE, R. De, Biografisch repertorium der Belgische parlementairen, 1965 of MOLLE, P. Van, Het Belgisch parlement 1894-1969, 1969, tenzij anders vermeld.

[120] Voor een schematisch overzicht van de veranderingen die het voorstel onderging in de Kamer tijdens de twee lezingen zie Bijlage 1.2.

[121] Ik beschouw als Vlaamsgezind alle uitingen, handelingen, amendementen, enz. die er - in theorie of in praktijk - toe strekten het Nederlands een groter aandeel te geven in de Vlaamse en Brusselse rechtspraak. Ik beschouw als Fransgezind alle uitingen, handelingen, amendementen, enz. die er - in theorie of in praktijk - toe strekten het Frans een groter aandeel te geven of de positie van het Frans te handhaven in de Vlaamse en Brusselse rechtspraak.

[122] “Dans les provinces […] la procédure en matière répressive, à partir de la première comparution de l’inculpé devant le juge d’instruction, sera faite en flamand […].” (A.P.C., 1872-1873, 11 juli 1873, p. 1498, mijn cursivering)

[123] Ibid., p. 1498.

[124] Alle overzichten van stemmingen in deze eindverhandeling zijn eigen cijfers op basis van de stemresultaten uit de parlementaire annalen, tenzij anders vermeld.

[125] Funck ibid., p. 1498.

[126] A.P.C., 1872-1873, 12 juli 1873, p. 1504.

[127] Ibid., p. 1512.

[128] “Il sera joint au dossier une traduction en flamand des dépositions reçues et consignées en français et des principales pièces rédigées en langue françai­se.” (ibid., p. 1512)

[129] “L’emploi de la langue française restera facultatif dans toutes les communica­tions de magistrat à magistrat que l’instruction pourra nécessiter.” (A.P.C., 1872-1873, 15 juli 1873, p. 1515).

[130] Ibid., p. 1517.

[131] “Le défenseur du prévenu ou de l’accusé pourra, du consentement de celui-ci, faire usage de la lange française, même dans le cas où le prévenu ou l’accusé n’aurait pas antérieurement requis qu’il fût fait usage du français.
L’accusation devra néanmoins se servir de la langue comprise du prévenu ou de l’accusé.” (A.P.C., 1872-1873, 16 juli 1873, p. 1535)

[132] Ibid., p. 1535.

[133] “La partie civile fera usage, à son choix, de la langue française ou de la langue flamande.” (A.P.C., 1872-1873, 17 juli 1873, p. 1544)

[134] Ibid., p. 1544.

[135] Ibid., p. 1546.

[136] “Si l’inculpé ne comprend que la langue flamande, il sera fait emploi de cette langue, conformément aux dispositions qui précèdent.”

[137] Ibid., p. 1549.

[138] “La présente loi ne s’applique point à la procédure devant les cours d’appel de Bruxelles et de Liège.” (Ibid, p. 1551)

[139] Ibid., p. 1552.

[140] Het amendement-Coremans:“La traduction des pièces de la procédure préparatoire et des dépositions des témoins sera faite aux frais du trésor, même en cas de condamnation du prévenu ou l’accusé.” (Ibid, p. 1552)

Het amendement-Van Wambeke:“Dans le delai d’un an, il sera publié, par les soins du gouvernement, une traduction flamande du Code d’instruction criminelle.” (ibid., p. 1552)

[141] Het onderzoek vóór de eerste verschijning van de verdachte voor de rechter, de correspondentie tussen magistraten en het taalgebruik voor het beroepshof van Brussel werden niet aan de wet onderworpen. Tweetaligen konden bovendien in Vlaanderen opteren voor de Franstalige procedure en getuigen moesten op hun verzoek in het Frans gehoord worden.

[142] Voor het assisenhof kon men geen misbruik meer maken van de zgn. stilzwijgende instemming van de beklaagde om een Franstalige procedure op te starten. Het OM en de BP moesten in Vlaanderen Nederlands gebruiken.

[143] ELIAS, H.J., Geschiedenis van de Vlaamse gedachte, dl. III, 1971, p. 46.

[144] Het volgende art. 2 werd aanvaard:

Lorsqu’un inculpé demandera qu’il soit fait usage de la langue française, la procédure se fera en français, et le jugement sera rendu dans cette langue.

Les témoins seront interrogés, et leurs dépositions seront reçues et con­signées en flamand, à moins qu’ils ne demandent à faire usage de la langue française.” (mijn cursivering)

[145] “Cette traduction n’aura toutefois lieu que si l’accusé le demande lors de l’interrogatoire qu’il subira conformément à l’article 293 du Code d’instruction criminelle.” (A.P.C., 1872-1873, 23 juli 1873, p. 1594)

[146] Ibid., p. 1594.

[147] Tijdens de eerste lezing had De Lantsheere immers een soortgelijk amendement als Bara ingediend: “En matière criminelle, il sera joint au dossier, si l’accusé le demande, une traduction flamande des pièces qui doivent être délivrées à celui-ci, conformément à l’article 305 du Code d’instruction criminelle.” (A.P.C., 1872-1873, 12 juli 1873, p. 1511, mijn cursivering)

[148] Het bepaalde dat de toestemming van de beklaagde om zijn advocaat in een andere taal te laten pleiten, in het protocol van de zitting opgenomen moest worden: “Le consentement sera actée au plumitif.” (A.P.C., 1872-1873, 23 juli 1873, p. 1601).

[149] Ibid., p. 1601.

[150] Ibid., p. 1602.

“L’officier du ministère public pourra se servir dans son réquisitoire de la langue dans laquelle l’accusé permet sa défense.” (A.P.C., 1872-1873, 22 juli 1873, p. 1576)

[151] GOETHEM, H. Van, De taaltoestanden, 1990, p. 169-170. Zie besluit voor een grondige analyse van Van Goethems opvattingen.

[152] 2 Brusselaars en 7 Walen.

[153] 4 Vlamingen en 4 Walen.

[154] Slechts 1 Kamerlid roeide tegen de stroom in: de katholiek Verbrugghen (Aalst) stemde eerst tegen en daarna voor.

[155] Ik verbind geen waardeoordeel aan deze classificatie. Welke van beide groepen uiteindelijk de beste tactiek hanteerde om Vlaamsgezinde hervormingen af te dwingen, blijft een open vraag.

[156] A.P.C., 1872-1873, 24 juli 1873, p. 1611.

[157] Tussen haakjes staan de resultaten van de stemming over hetzelfde amendement tijdens de eerste ronde op 17 juli.

[158] De 18 liberale voorstemmers uit de eerste lezing plus de 23 katholieke voorstemmers uit de tweede lezing haalden het op de 36 katholieke tegenstemmers uit de tweede lezing.

[159] Lode Wils en H. Van Goethem (zie besluit).

[160] “Si l’inculpé ne comprend que la langue flamande, il sera fait emploi de cette langue, conformément aux dispositions qui précèdent.”

[161] A.P.C., 1872-1873, 25 juli 1873, p. 1622.

[162] Demeur had op 24 juli het volgende amendement op art. 10 ingediend:

“Devant les tribunaux correctionnels et de police de l’arrondissement de Bruxelles, la langue française et la langue flamande seront employées pour l’instruction et pour le jugement selon les besoins de chaque cause.
Si l’inculpé ne comprend que la langue flamande, il sera fait emploi de cette langue, conformément aux dispositions qui précèdent.
Les dispositions de l’article 4 sont applicables aux procédures suivies devant ces tribunaux et devant la cour d’assises du Brabant.”
(A.P.C., 1872-1873, 24 juli 1873, p. 1611).

Nadat de eerste alinea (zonder hoofdelijke stemming) en de tweede (met: 65 stemmen tegen 33) aangenomen waren, werd er over de derde gestemd. De Kamervoorzitter vatte de bedoeling van de stemming als volgt samen:

M. le président. -  Il va être procédé au vote relatif à la cour d’assises du Brabant. Il s’agit de comprendre la cour d’assises du Brabant dans le paragraphe premier, comme la Chambre l’a admis au premier vote, ou de rejeter cette proposition. Ceux qui sont d’avis d’appliquer la disposition du paragraphe premier à la cour d’assises du Brabant comme au tribunal correctionnel et aux tribunaux de police répondront oui; ceux qui sont d’un avis contraire répondront non.” (A.P.C., 1872-1873, 25 juli 1873, p. 1622)

[163] Ibid., p. 1622.

[164] Ibid., p. 1624-1625.

De Vlaamse katholieken Coomans en Delehaye onthielden zich omdat ze zich niet konden verzoenen met de ‘verminking’ van de wet (ibid., p. 1623).

[165] Voor een overzicht van het stemgedrag van alle Kamerleden die aan de debatten deelnamen en van de regering, zie Bijlage 1.3.

[166] Coremans A.P.C., 1872-1873, 11 juli 1873, p. 1491.

[167] Coomans vertelde dat “moi présent, un homme condamné à la prison demandait après sa condamnation: Qu’ai-je eu? Il n’en savait rien.” (Coomans ibid., 12 juli 1873, p. 1503)

De Baets vertelde: “Une cour devait statuer sur un acte rédigé en flamand, dans lequel il était dit: Hij zal jaarlijks rekening doen over zijne beheer. […] Et la cour traduisait: Il n’a qu’à répondre sur son honneur.” (De Baets ibid., 15 juli 1873, p. 1522, oorspronkelijke cursivering)
Coremans had het over “cette comédie qu’on appelle la justice criminelle dans les parties flamandes du pays”, “[…] une véritable farce, une farce lugubre […] cette justice criminelle en pays flamand.” (Coremans ibid., 16 juli 1873, p. 1530)

[168] Coremans ibid., 12 juli 1873, p. 1507; zie ook Schollaert (Leuven) ibid., 25 juli 1873, p. 1629.

[169] Schollaert ibid., 25 juli 1873, p. 1629.

[170] De Haerne ibid., 15 juli 1873, p. 1519.

[171] Coremans ibid., 11 juli 1873, p. 1491.

[172] De Baets ibid., 12 juli 1873, p. 1513 (mijn cursivering).

[173] Delaet ibid., 17 juli 1873, p. 1547.

[174] Van Wambeke ibid., 12 juli 1873, p. 1504; zie ook Delaet ibid., 11 juli 1873, p. 1496.

[175] Coomans ibid., 16 juli 1873, p. 1532 (originele cursivering).

[176] Delaet ibid., 11 juli 1873, p. 1496 (mijn cursivering).

[177] Coomans ibid., 12 juli 1873, p. 1502.

[178] Coremans ibid., 11 juli 1873, p. 1491.

[179] Zie o.a. Jacobs ibid., 12 juli 1873, p. 1501 en Jacobs ibid., 15 juli 1873, p. 1520.

[180] Coremans ibid., 11 juli 1873, p. 1491; zie ook Coremans ibid., 15 juli 1873, p. 1520.

[181] “Tout inculpé, lors de sa première comparution devant le juge, sera interpellé sur le point de savoir s’il entend se défendre en langue française ou en langue flamande. Il sera tenu acte de sa déclaration, à peine de nullité.” (ibid., 12 juli 1873, p. 1501)

[182] Zie p. 43.

[183] Jacobs ibid., 12 juli 1873, p. 1501; zie ook Van Wambeke ibid., p. 1504.

[184] Jacobs ibid., 11 juli 1873, p. 1494.

[185] Van Wambeke ibid., p. 1495.

[186] Ibid., p. 1495 (mijn cursivering).

[187] Coremans ibid., p. 1498.

[188] Coremans ibid., 15 juli 1873, p. 1516.

[189] De Baets ibid., 16 juli 1873, p. 1529.

[190] Coremans ibid., p. 1528.

[191] Coremans ibid., p. 1529.

[192] Het taalkeuzerecht van de beklaagde trachtte hij te beschermen met een nieuw art. 4 dat in de wet werd opgenomen (zie p. 44) en een (niet zo succesvol) amendement op art. 2:

“§2 Cette demande sera actée, sous peine de nullité, dans le procès-verbal d’interrogatoire ou de déposition. Il sera joint au dossier une traduction en flamand des dépositions reçues et consignées en français, ainsi que des autres pièces françaises du dossier, dans le cas où l’inculpé n’aura pas demandé qu’il soit fait usage de la langue française.” (ibid., 12 juli 1873, p. 1505-1506)

Zijn amendement op het Brussel-artikel paste ook in die tactiek:

“Toutefois si l’inculpé ne comprend que la langue flamande, il sera fait emploi de cette langue, conformément aux dispositions des articles précédents.
L’inculpé en sera cru sur sa déclaration, quant au point de savoir s’il ne comprend que la langue flamande.
Il sera tenu acte de cette déclaration sous peine de nullité.”
(ibid., 17 juli 1873, p. 1546, mijn cursivering)

[193] Delaet ibid., 15 juli 1873, p. 1525. Wie door deze woorden zou twijfelen aan Delaets Vlaamse radicalisme, leze zijn oordeel over de uiteindelijke wet: “[…] je trouve cette loi insuffisante à tous les égards. […] le vote de la loi ne mettra pas fin à nos réclamations en matière judiciaire et […] tous nos griefs en matière administrative doivent disparaître.” (ibid., 25 juli 1873, p. 1623)

[194] Coremans ibid., 23 juli 1873, p. 1599.

[195] Het was vreemd dat precies De Baets het wetsvoorstel zo grondig aanpaste. Tijdens de eerste lezing had hij zich immers nog opgewonden over de tegenstand waarop het volgens hem stuitte:

“Ce que nous demandons, c’est ce qui nous revient, c’est notre héritage légitime que la Constitution nous a conferé. Et quelles que soient vos arguties et vos chicanes, vous ne nous en priverez pas. [...] ce sont [...] des épouvantailles que vous montez sur les plates-bandes des maraîchers.” (De Baets ibid., 15 juli 1873, p. 1518).

[196] Van Wambeke ibid., 23 juli 1873, p. 1598.

[197] Jacobs echter stemde tweemaal voor de taalvrijheid van de BP. Als het OM in het Nederlands pleitte, maar de beklaagde liet zich in het Frans verdedigen, dan was het volgens hem onzinnig de BP te verplichten Nederlands te gebruiken (Jacobs ibid., 17 juli 1873, p. 1543).

[198] Van Wambeke ibid., 16 juli 1873, p. 1537.

[199] Van Wambeke ibid., 17 juli 1873, p. 1544, zie ook Van Wambeke ibid., 24 juli 1873, p. 1608.

[200] Zie Van Wambeke ibid., 23 juli 1873, p. 1598.

[201] Jacobs ibid., 15 juli 1873, p. 1522.

[202] Van Wambeke ibid., 17 juli 1873, p. 1553.

[203] De Lantsheere ibid., 11 juli 1873, p. 1490.

De Lantsheere beroemde er zich ook op de parketten op vraag van verschillende Kamerleden een circulaire gestuurd te hebben.

“Il importe, disais-je, que les officiers du ministère public dans les provinces flamandes se servent de la langue flamande lorsqu’il sont appelés à requérir devant les cours et tribunaux répressifs contre des personnes qui ne comprennent pas la langue française et qui ne sont point assistées d’un conseil.” (De Lantsheere ibid., p. 1490)

[204] De Lantsheere ibid., 12 juli 1873, p. 1504.

[205] De Lantsheere ibid., 16 juli 1873, p. 1531.

[206] De Lantsheere ibid., 12 juli 1873, p. 1504.

[207] De Lantsheere ibid., p. 1506.
Cruyt (Gent) was de enige Vlaamse katholiek die zich hier openlijk bij aansloot met het argument dat de vertalers personen zouden zijn “d’une valeur contestable comme écrivains et qui ne manqueraient pas de commettre, par-ci par-là, dans leurs traductions, des incorrections et des contre-sens.”  (Cruyt ibid., 22 juli 1873, p. 1582)

[208] De Lantsheere A.P.C., 1872-1873, 12 juli 1873, p. 1506.

[209] Ibid., p. 1511.

[210] De Lantsheere ibid., 22 juli 1873, p. 1580.

[211] De Lantsheere ibid., 16 juli 1873, p. 1531.

Andere voorbeelden zijn: “[U]ne suffisante garantie contre tout abus [est] la dignité de l’avocat qui plaide et […] la vigilance de ceux à qui la loi confie la garde d’honneur et des traditions du barreau.” (ibid., p. 1531)

“Il n’est pas possible d’admettre [...] qu’il se présente un seul cas où l’avocat se permettra de parler la langue française malgré la volonté de son client.” (De Lantsheere ibid., 23 juli 1873, p. 1597)

[212] De Lantsheere ibid., 16 juli 1873, p. 1531.

[213] De Lantsheere ibid., 23 juli 1873, p. 1603.

[214] De Lantsheere ibid., p. 1596.

[215] De Lantsheere ibid., 11 juli 1873, p. 1490.

[216] Hij drong immers aan op de schrapping van de bepaling “Si l’inculpé ne comprend que la langue flamande, il sera fait emploi de cette langue, conformément aux dispositions qui précèdent.” (De Lantsheere ibid., 17 juli 1873, p. 1546-1547)

[217] De Lantsheere ibid., p. 1546-1547.

[218] De Lantsheere ibid., p. 1550.

[219] R. De Vuldere schrijft dat Lelièvre in 1870 van de liberale naar de katholieke partij overstapte (VULDERE, R. De, Biografisch repertorium, 1965).

[220] A.P.C., 1872-1873, 15 juli 1873, p. 1519.

[221] Ibid., p. 1517-1518.

[222] Ibid., 17 juli 1873, p. 1543.

[223] Ibid., 23 juli 1873, p. 1598.

[224] Ibid., 15 juli 1873, p. 1517.

[225] Ibid., p. 1518.

[226] SCHRYVER, R. de, ‘Peereboom, Alfons van den’, in: EVB, dl. II, 1975, p. 1184-1185.

[227] Vandenpeereboom A.P.C., 1872-1873, 12 juli 1873, p. 1504-1505.

[228] Zie Bijlage 1.3

[229] Zie Bijlage 1.3

Zijn koerswijziging inzake de BP rechtvaardigde hij als volgt:

“[Imposer une langue à la partie civile] se concilie difficilement avec l’article de la Constitution qui assure la liberté des langues […]. Dans ces conditions que faut-il faire? Ne rien céder des principes ou composer avec eux après les avoir affirmés, et remettre au temps, aux efforts des intéressés, à l’esprit de justice de nos contradicteurs, le soin de les faire triompher. C’est à ce dernier parti que je me suis arrêté. Il a déjà dicté mon vote hier sur l’amendement de M. de Baets.” (Couvreur A.P.C., 1872-1873, 24 juli 1873, p. 1604)

[230] Ibid., p. 1604.

[231] Ibid., p. 1604.

[232] Ibid., p. 1604 (oorspronkelijke cursivering).

[233] Ibid., p. 1604.

[234] Zie Bijlage 1.3

Guillery stemde voor de twee cruciaalste Vlaamsgezinde bepalingen, nl. de beperking van de taalvrijheid van het OM en de BP. H. Van Goethem deelt Guillery ten onrechte in bij de tegenstanders van de taalwet omdat hij, in Van Goethems woorden, “systematisch voor de minst gunstige oplossing vanuit Vlaams oogpunt [koos], hetzij door tegen te stemmen bij katholieke voorstellen, hetzij door zelf amendementen in te dienen die de te bespreken bepaling geweld aandeden”. (GOETHEM, H. Van, De taaltoestanden, 1990, p. 170, voetnoot 161)

[235] Guillery A.P.C., 1872-1873, 16 juli 1873, p. 1532.

[236] Guillery ibid., 17 juli 1873, p. 1552.

[237] Demeur en Van Humbeeck weken tijdens beide lezingen slechts eenmaal af van het regeringsstandpunt, Jottrand tweemaal (Zie Bijlage 1.3).

[238] Van Humbeeck ibid., 12 juli 1873, p. 1503.

[239] Van Humbeeck ibid., 17 juli 1873, p. 1545.

[240] Van Humbeeck ibid., 12 juli 1873, p. 1503; zie ook Demeur ibid., p. 1505 en Jottrand ibid., 15 juli 1873, p. 1522.

Demeur ging hierin het verst: 

“Je crois que, dans l’intérêt même des Wallons, il serait désirable que nul ne pût devenir docteur en droit sans connaître le flamand. […] Et pourquoi ne pourrait-on pas rendre la connaissance du flamand obligatoire aussi bien, par exemple, que la connaissance des pandectes?” (Demeur ibid., 11 juli 1873, p. 1492)
“J’admets parfaitement que, dans une ville flamande, l’officier de l’état civil soit obligé de parler flamand, et je dis qu’il doit le parler.” (Demeur ibid., p. 1493)

Hij pleitte zelfs voor wederkerigheid:

“Lorsque l’inculpé ne connaîtra que le flamand, rien que le flamand, l’emploi de la langue flamande sera obligatoire dans la procédure. […] Il serait désirable même que ce principe pût être appliqué dans tout le pays. On ne peut renoncer à l’appliquer qu’en présence d’impossibilités pratiques évidentes.” (Demeur ibid., 25 juli 1873, p. 1625)

[241] Demeur ibid., 11 juli 1873, p. 1492.

[242] Van Humbeeck ibid., 15 juli 1873, p. 1518.

Jottrand protesteerde tegen deze visie (ibid., p. 1522).

[243] Demeur ibid., 11 juli 1873, p. 1492; zie ook Van Humbeeck ibid., 15 juli 1873, p. 1519 en G. Jottrand ibid., 25 juli 1873, p. 1619.

[244] Zie o.a. Van Humbeecks amendement op art 3 (voetnoot 129, p. 44).

[245] Demeur ibid., 16 juli 1873, p. 1527.

[246] G. Jottrand ibid., 22 juli 1873, p. 1579.

[247] Ibid., 23 juli 1873, p. 1595-1596.

[248] Ibid., 17 juli 1873, p. 1541.

[249] Zijn amendement lichtte de provincie Brabant uit de wet: “Les dispositions ci-après seront suivis en matière répressive, dans les provinces d’Anvers, de la Flandre occidentale, de la Flandre orientale et du Limbourg.”(ibid., 11 juli 1873, p. 1498, mijn cursivering)

[250] Demeur ibid., 25 juli 1873, p. 1625-1626.

[251] Jottrand ibid., 25 juli 1873, p. 1618.

[252] Bara ibid., 12 juli 1873, p. 1509.

[253] Bara ibid., p. 1502.

[254] Bara ibid., p. 1507.

[255] Bara ibid., p. 1508.

[256] Bara ibid., 15 juli 1873, p. 1521.
Bara en Pirmez gaven hier drie voorbeelden van:

1) Als men in de correctionele rechtbank van Brussel niet vasthield aan het Frans, zou er een tweederangsrechtspraak ontstaan. De Nederlandstalige magistraten zouden vast komen te zitten in de correctionele kamers. “En ne pratiquant plus le droit civil, ils l’oublieront et ce au grand préjudice de leur éducation professionelle et de la justice.” Wie zou nog zo’n “besogne fatigante et fastidieuse” op zich willen nemen? “[C]e ne seront pas les meilleurs docteurs en droit.” (Bara ibid., 25 juli 1873, p. 1621)

2) “[Cette loi] sera une prime pour quelques avocats secondaires qui, ne sachant pas bien le français et cultivant la langue flamande, parviendront à réunir dans leur cabinet toutes les causes correctionnelles flamandes.” (Bara ibid., 12 juli 1873, p. 1507)

3) De nietigheidssanctie zou koren op de molen zijn van perfide advocaten, “l’avocat du prévenu pourra lui-même fabriquer des nullités à son profit”. Als een advocaat zich voor een bepaald punt beter kon uitdrukken in het Frans en de voorzitter liet dit uit vergetelheid toe, dan was er sprake van nietigheid “et c’est cela que vous voulez!” (Pirmez ibid., 16 juli 1873, p. 1529)

[257] Bara ibid., 12 juli 1873, p. 1524.

[258] Bara ibid., p. 1507.

[259] Bara ibid., p. 1507-1508.

[260] Bara ibid., 16 juli 1873, p. 1538; zie ook Pirmez ibid., 11 juli 1873, p. 1496 en Pirmez ibid., 23 juli 1873, p. 1599.

[261] Bara ibid., 11 juli 1873, p. 1495.

[262] Bara ibid., 12 juli 1873, p. 1506.

[263] Bara ibid., p. 1506.

[264] Bara ibid., 11 juli 1873, p. 1495.

[265] Bara ibid., 12 juli 1873, p. 1509.

[266] Bara ibid., 16 juli 1873, p. 1539.

[267] Bara ibid., 12 juli 1873, p. 1507; zie ook Pirmez ibid., 16 juli 1873, p. 1529.

[268] Pirmez ibid., 23 juli 1873, p. 1599.

[269] Bara ibid., 15 juli 1873, p. 1521.

[270] De oorspronkelijke tekst liet enkel Nederlandsonkundigen de keuze van hun proceduretaal.

[271] De toestemming van de beklaagde aan zijn advocaat om in het Frans te pleiten moest in het protocol van de rechtszitting genoteerd worden.

[272] Coremans A.P.C., 1872-1873, 23 juli 1873, p. 1600.

[273] GOETHEM, H. Van, De taaltoestanden, 1990, p. 171-172.

[274] En niet de regering-de Theux-Malou, zoals Van Goethem schrijft.

[275] DENECKERE, G., Geuzengeweld, 1998, p. 81, p. 78-82.

De regering beschouwde het oproer als “‘opgefokt’ en ‘kunstmatig’ [...] zonder wortels in de bevolking”. Volgens G. Deneckere was het trouwens niet de bedoeling van de koning de hele regering te ontslaan. Dat beschouwde hij “als een concessie aan de straat en een blijk van onvergeeflijke zwakte”. (DENECKERE, G., ibid., p. 80-81)

[276] Deze tegenstelling zou pas vanaf 1893 met het algemeen meervoudig mannelijk stemrecht tot in het parlement reiken.

[277] MABILLE, X., Histoire de la politique de la Belgique, 1992, p. 170 en 381.

[278] Lode Wils bv. erkent dat vanaf 1870 de vrijmetselarij interesse kreeg voor de VB (WILS, L., Honderd jaar VB, dl. I, 1977, p. 56-61).

[279] In 1993 schreef Van Goethem:

“Maar speelde in de terughoudendheid van de katholieken ook niet de vrees voor links straatrumoer een rol, zoals in 1857, 1871, 1884, 1899? Dat is zeer de vraag. Zou de oppositie wel bereid geweest zijn om dat zo belangrijke oppositiewapen te gebruiken tegen taalwetten? De liberalen en de socialisten, en in 1899 ook de christen-democraten, kwamen op straat voor fundamentele levensbeschouwelijke kwesties (de ‘kloosterwet’, de reactionaire regeringen van 1870 en 1884) of voor de democratisering van het stemrecht. Beroerde de taalkwestie hen ook in die mate? De quasi afwezigheid ervan in de briefwisseling van vele belangrijke leidinggevende politici stemt, wat dat betreft, tot nadenken.” (GOETHEM, H. Van, ‘Taalpolitiek’, in: SMET, G.A.R. De, De geschiedschrijving van de VB, 1993, p. 18)

[280] GOETHEM, H. Van, De taaltoestanden, 1990, p. 175, voetnoot 186.

[281] Ibid., p. 170-171.

Van Goethem handhaaft deze indeling in zijn artikel ‘Taalpolitiek’, in: SMET, G.A.R. De, op. cit., p. 11.

[282] GOETHEM, H. Van, De taaltoestanden, 1990, p. 171.

[283] Ibid., p. 170, voetnoot 161.

[284] Ibid., p. 171, voetnoot 163.

[285] Ibid., p. 171, voetnoot 164.

[286] Ibid., 1990, p. 170, voetnoot 162 (mijn cursivering).

[287] Van Goethem kan zich niet gebaseerd hebben op de eindstemming om de houding tegenover de uiteindelijke wet na te gaan aangezien alle katholieken en alle liberalen (op 1 Waalse liberaal en 1 Waalse katholiek na) voorstemden.

[288] GOETHEM, H. Van, De taaltoestanden, 1990, p. 170, voetnoot 161.

[289] De regering stemde

[290] Concreet houdt dit in dat zij consequent voor de taalvrijheid van het OM en de BP stemden, voor de niet-toepassing van de wet op het beroepshof van Brussel en het assisenhof van Brabant, maar dat sommigen onder hen voor (een van) de volgende (secundaire) bepalingen stemden: de verplichte vertaling van Franstalige dossierstukken (tegen het amendement van Bara om die vertalingen te beperken), de optekening van de toestemming van de beklaagde aan zijn advocaat om in het Frans te pleiten in het protocol van de rechtszitting, de verplichte Vlaamse procedure voor de correctionele en politierechtbanken van Brussel, maar niet voor het Brabantse assisenhof.

[291] Minister de Lantsheere bv. trachtte de Vlaamsgezinden enigszins te ontzien. Zo zei hij dat de regering het amendement van Demeur op art. 2 onmogelijk kon aanvaarden, want “dès l’instant où il est admis que la justice doit s’administrer en flamand en pays flamand, on ne peut pas admettre que la seule volonté de l’inculpé puisse détruire la règle, et faire céder l’intérêt général qui l’a dicté” (A.P.C., 1872-1873, 12 juli 1873, p. 1502). Hij verklaarde zich echter onmiddellijk akkoord met het amendement van Van Humbeeck dat een gelijke strekking had, maar een voor de Vlaamsgezinden makkelijker te slikken redactie - het stelde de regeling voor Franstaligen voor als een uitzondering.

[292] Een hoofdelijke stemming kon afgedwongen worden door twaalf Kamerleden, dus door de rekkelijken alleen al.

[293] Van Goethem onderschat mijns inziens het belang van de taalvrijheid van het OM, zie bv. GOETHEM, H. Van, De taaltoestanden, 1990, p. 286.

[294] De Lehaye A.P.C., 1872-1873, 22 juli 1873, p. 1579; zie ook Coremans A.P.C., 1872-1873, 23 juli 1873, p. 1599.

[295] VELTHOVEN, H. van, De Vlaamse kwestie 1830-1914, 1982, p. 114 en WILLEMSEN, A.W., ‘De Vlaamse Beweging’, dl. I, in: Twintig eeuwen Vlaanderen, dl. IV, 1974, p. 185.

[296] GOETHEM, H. Van, De taaltoestanden, 1990, p. 285.

[297] Van de 17 die tegen de relatieve taalvrijheid van het OM stemden in de tweede ronde, kwamen er 4 uit het arrondissement Antwerpen, 1 uit Mechelen (op 12 katholieke volksvertegenwoordigers uit de hele provincie Antwerpen), 3 uit Gent, 2 uit Sint-Niklaas, 1 uit Dendermonde, 1 uit Aalst (op 20 katholieke volksvertegenwoordigers uit de hele provincie Oost-Vlaanderen), 1 uit Roeselare, 1 uit Ieper (op 15 katholieke volksvertegenwoordigers uit de hele provincie West-Vlaanderen), 1 uit Neufchâteau en 1 uit Dinant.

[298] Zie LUYKX, T. en PLATEL, M., Politieke geschiedenis, dl. I, 1985, p. 152-153.

[299] Coomans en Delaet zeiden bv.: “Puisque la capitale est flamande, la justice doit y être rendue en flamand, non seulement au correctionnel et devant les tribunaux de simple police, mais surtout à la cour d’assises.” (Coomans A.P.C., 1872-1873, 25 juli 1873, p. 1617)

“[O]n nous demande de consentir à renoncer aux droits des Flamands dans une province essentiellement flamande, où seulement la huitième partie de la population parle le français! Cela n’est guère possible, je dirai même que cela n’est pas possible du tout, et nous ne pouvons, à aucun prix, accepter un pareil système.” (Delaet A.P.C., 1872-1873, 17 juli 1873, p. 1547)

[300] VELTHOVEN, H. Van, ‘De taalwetgeving en het probleem Brussel’, in: Taal en sociale integratie, dl. IV, 1981, p. 252.

[301] Het hof van beroep van Brussel, dat o.a. de provincie Antwerpen binnen zijn ressort had, en het assisenhof van Brabant werden uit de wet geschrapt, ondanks Vlaamsgezind verzet. M.b.t. het beroepshof hadden enkele rekkelijken in de eerste lezing toegegeven aan de regeringsdruk (A.P.C., 1872-1873, 17 juli 1873, p. 1552).

[302] GOETHEM, H. Van, De taaltoestanden, 1990, p. 172.

[303] De 9 Walen die hij gematigd voorstander noemt, zijn mijn 9 gematigd Fransgezinden.

[304] GOETHEM, H. Van, De taaltoestanden in het Vlaams-Belgisch gerecht, 1795-1935, 1990, p. 172.

[305] LERMYTE, J.M., ‘De eerste taalwet: die op de strafrechtpleging in 1873’, in: WILS, L. (ed.), De houding van de politieke partijen tegenover de VB, 1972, p. 191 (mijn cursivering).

[306] Vandenpeereboom en Guillery stemden niet consequent Vlaamsgezind tijdens de eerste lezing (Zie Bijlage 1.3).

[307] De twee Vlaamse liberalen, twee Waalse en 1 Brusselse.

[308] 84% van de Vlaamse katholieken en 93% van de Waalse namen deel aan de eindstemming.

[309] 100% van de Vlaamse liberalen, 77% van de Brusselse en 55% van de Waalse namen deel aan de eindstemming. Slechts 64% van alle liberale Kamerleden was aanwezig.