Stripverhalen in de Belgische dagbladpers (1945 - 1950). Inventaris en politiek-maatschappelijke analyse. (Sébastien Baudart)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Deel 4: Stripverhalen in de Belgische dagbladpers 1945-1950, Het onderzoek.

 

II. De kranten

 

10. La Wallonie

 

10.1. Historiek en situering

 

La Wallonie verscheen onder deze titel vanaf 1923. Door verschillende initiatieven vanaf het begin van de 20e eeuw, ontstond ze als Luikse editie van de socialistische krant Le Peuple. De Brusselse redactie had dan ook een grote invloed op de inhoud van de krant. Tijdens het interbellum steeg de oplage mede door het feit dat de Luikse afdeling staal van de socialistische vakbond, voor de vakbondsleden een abonnement op La Wallonie verplicht maakte.

Na een onderbreking tijdens de Tweede Wereldoorlog, verschijnt de krant terug op 11 september 1944. Ze wordt meer en meer een product van de vakbondsbeweging, die de krant in 1951 zou overnemen. Directie en hoofdredactie zijn in 1950 in handen van Isi Delvigne. Voor 1953 vermeldt Campé een oplage van 57.000 exemplaren.[1034]

De krant stelt zich voor als "Quotidien belge illustré" en verschijnt zes keer per week (zaterdag en zondag vormen samen één krant), waarbij er telkens strips opgenomen worden. Het aantal pagina's klimt van 4 à 6 in 1946 tot 6 à 10 in 1950. Het formaat van de krant bedraagt 42 op 58 cm.

 

10.2. Nos feuilletons illustrés

 

10.2.1. Mandrake & Annie

 

De eerste stripstroken duiken in La Wallonie op in december 1945. Over zes afleveringen wordt een kortverhaal van Tarzan verteld, als reclame voor een bioscoopfilm. Daarna is het echter vier maanden wachten op het echte begin van de strippublicaties, die op woensdag 24 april 1946 van start gaan.

Op die dag starten namelijk de Amerikaanse reeksen "Mandrake le Magicien"[1035] en "La petite Annie Rooney"[1036], die gedurende zes maanden (tot begin november) de lezers van de krant zouden bezighouden. De twee reeksen zijn ballonstrips en zijn getekend in een realistische stijl. Mandrake is een gemaskerde onrechtbestrijder die over magische krachten beschikt. In de twee gepubliceerde verhalen verslaat hij een geleerde en zijn robot en zorgt hij ervoor dat een meisje voor haar 21e met de man van haar leven kan trouwen, en dit ondanks de tegenstand van haar voogden omwille van een erfeniskwestie.

Annie Rooney is dan weer een weesmeisje dat mishandeld wordt door haar voogdes en daarom constant op de vlucht slaat. Ze moet dan ook zelf voor haar onderhoud zorgen en probeert werk te vinden: maar het vinden van werk is zeer moeilijk voor zo'n meisje, en als ze al iets vindt, wordt ze ofwel uitgebuit, ofwel na korte tijd bedankt. Moeilijk is ze niet, ze wilt voor iedereen goed doen, ze wilt altijd iedereen helpen, wilt nooit een last zijn, en is ondanks alles altijd tevreden. Op een dag komt ze terecht bij de miljonair Billion, die zich over haar ontfermt. Hij overlaadt haar met luxe en cadeautjes, maar Annie blijft hetzelfde eenvoudige meisje: ze besluit een hoop andere kinderen van die rijkdom mee te laten profiteren. Soms slaat ze zelfs aan het filosoferen: "Bien sûr, j'aime toutes ces jolies choses que j'ai – et mes beaux habits et les servantes qui s'occupent de moi – Mais je crois que les gens peuvent être heureux même s'ils n'ont pas des tas d'argent."[1037] En haar goede geest gaat blijkbaar over op Billion, want op een dag besluit hij aan alle arme gezinnen van de stad een huis te schenken, gevolgd door andere weldaden. De publicatie van Annie eindigt met een scène waarin Annie en Billion naar de sterren kijken, en deze laatste zegt: "Les actions des hommes ne sont que futilités. On devrait forcer les hommes à étudier les planètes jusqu'à ce qu'ils comprennent qu'ils ne sont pas plus gros qu'un grain de poussière."[1038]

 

10.2.2. De Belgische toer op

 

Op 30 oktober 1946 komen daar twee reeksen bij, zodat La Wallonie gedurende een week 4 stripstroken publiceert. En deze keer gooien ze het over een andere boeg, met de publicatie van Belgisch materiaal.

In "Le sept de trèfle" vertelt Marleb - een toenmalig pseudoniem van Jacques Martin[1039] - de avonturen van Kapitein O.W. Hard van Scotland Yard, de jonge Jack, en zijn kat Minne. Ze moeten het opnemen tegen de bende van de "sept de trèfle". Deze bende bedreigt alle hoofdsteden van de wereld met vernietiging door een nieuw atoomwapen als ze binnen de 24 uur geen miljard in goud krijgt. Maar de klaverenbende had blijkbaar zonder O.W. Hard en Jack gerekend: hun schuilbasis wordt vernietigd en de bende ingerekend. Het verhaal, dat soms een beetje verwarrend is, wordt gebracht in een zeer nette klare-lijnstijl.

De tekenaar zou daarover later in een interview verklaren: "Très vite, j'ai executé des dessins pour des agences de publicité, mais aussi pour des journaux comme L'indépendance de Charleroi et La Wallonie de Liège. Le premier personnage que j'ai créé pour une aventure intitulée Le Hibou Gris s'appelait Jack et son petit chat blanc: Minne, héros inspiré de Tintin. Avec ce personnage, là, j'ai entrepris une autre histoire: Le Sept de Trèfle."[1040] Voor zover bekend is de publicatie in La Wallonie de eerste[1041]. Het verhaal zou op de krant beland zijn door een man die Martin leerde kennen op een Brussels reclamebureau, en die zijn werk aan verschillende uitgevers was gaan voorstellen.[1042]

Het tweede Belgische verhaal dat La Wallonie publiceert, is getiteld "Les aventures de Folichon dans la résistance", en zou meer dan een jaar lopen. Zoals de titel het al aangeeft, worden hierin de avonturen van een verzetsstrijder verhaald door een onbekende auteur. Op dit verhaal zal verder dieper ingegaan worden.

 

10.2.3. Terug naar de agentschappen

 

Spijtig genoeg houdt La Wallonie het voorlopig bij deze twee verhalen van Belgische oorsprong. Daarna zou de krant vooral agentschapstrips publiceren, en dit voorlopig aan het ritme van 2 stroken per dag. In november 1948 zouden het 3 verhalen en vier stroken worden, om dan in december bij 4 verhalen, met telkens één strook, te belanden. Ze worden samengezet in de rubriek "Nos feuilletons dessinés".

Daarbij zitten zowel avonturenverhalen als gagstroken, in een mengelmoes van grafische stijlen. Een overzicht … "La Famille Flop"[1043] loopt van mei 1947 tot juni 1949. Deze gagstrip van Swan bestaat uit de traditionele familiegrappen, de man die seksistische grappen maakt over zijn vrouw, de jongen die thuiskomt met een slecht rapport, enzovoort. Vanaf december 1948 duikt ook de gagstrip Oscar[1044] van Jean Leo in La Wallonie op.

Jim Harvey (november 1948 – juni 1949) is dan weer een politieverhaal bestaande uit een aaneenrijging van achtervolgingen, schietpartijen en afrekeningen, waarbij de New Yorkse detective Jim Harvey de misdadigers bestrijdt. Het verhaal is getekend in een zeer slordig realisme, en op dezelfde slordige en onhandige manier geletterd. Auteur is een zekere "Ruzi" en het verhaal is waarschijnlijk origineel[1045]. De tekenstijl vertoont op sommige momenten zelfs overeenkomsten met die van Folichon (dat anoniem gepubliceerd wordt). Het is dan ook mogelijk dat de twee verhalen door dezelfde auteur ("Ruzi") getekend zijn, maar ik durf mij hier niet met zekerheid over uit te spreken.

Van april tot oktober 1949 verschijnt een vijfde strip in La Wallonie: Le Capitaine Fracasse. Deze ondertekststrip van de Fransman Robert Bressy[1046] vertelt het verhaal van een geruïneerde baron ten tijde van Louis XIII, die op rondreis gaat met een toneelgroep. Maar onze baron wordt verliefd op de mooie Isabelle van het gezelschap. Als uiteindelijk dan blijkt dat Isabelle de verloren dochter is van een rijke Hertog, eindigt het verhaal met een sprookjeshuwelijk. Het verhaal is een verstripping van de roman van de Franse negentiende-eeuwse auteur Théophile Gautier[1047].

Popeye[1048] (juli – december 1949) komt niet verder dan een aaneenschakeling van flauwe grappen, en wordt na zes maanden abrupt afgebroken met een kort bericht[1049], waarin het verder verloop van het verhaal verteld wordt.

Rip Kirby[1050] (vanaf juni 1949) is een detectivereeks van de Amerikaanse grootmeester Alex Raymond, en is één van de beste Amerikaanse reeksen die op dat moment in de Belgische pers gepubliceerd worden. Het zeer verzorgde realisme van Raymond steekt fel af tegenover de slordigheid van sommige andere reeksen. Zoals in de meeste Amerikaanse detectives, wisselen het oplossen van misdaden en liefdesaffaires elkaar af. Een verdwenen model, een erfeniskwestie, een edelstenensmokkel, Rip probeert het allemaal op te lossen. Politiek komt in de gepubliceerde afleveringen niet echt aan bod. Wel ontlokt een als schilder vermomde Rip Kirby de volgende uitspraak aan enkele voorbijgangers: "Regarde-donc c'type là! Il a une tête de bolschévique!"[1051]

"Le roi de la police montée"[1052] loopt van november 1947 tot november 1949 en vertelt de avonturen van de "Mountie" King, die, zoals men kan verwachten, zichzelf constant in nesten werkt. Hij lost een moordzaak op, wordt geconfronteerd met een uit de hand lopende concurrentie tussen autocoureurs, onderzoekt de oplichting van Indianen en wordt zelf door hen verdacht, en hij vindt in een hut een overlevende van een vliegtuigcrash, die ook de diamanten bewaart die dat vliegtuig vervoerde. In het laatste gepubliceerde verhaal komt hij in aanraking met een mysterieuze, en waarschijnlijk Russische[1053], bende. Een professor heeft een elektronisch wapen uitgevonden en is blijkbaar ook van plan het te gebruiken: "Avec quelques de ces tubes, je peux anéantir des armées entières! Je suis le maître du monde!"[1054], roept hij uit. Maar uiteindelijk wordt hij zelf gedood door zijn uitvinding.

Deze reeks wordt in november 1949 opgevolgd door "Luc Bradefer"[1055], in de oorspronkelijke versie "Brick Bradford". Met hun vliegtuig maken Luc en zijn gezelschap een noodlanding in de tropen, waar ze gevangen genomen worden door een stam "wilden". Maar dankzij de blanke tovenaar en via veel slachtoffers bij de inboorlingen slagen ze erin te ontsnappen en terug de bewoonde wereld te bereiken. Op te merken is een klein gesprek over Hitler aan het begin van het verhaal. Luc en zijn vriendin Béryl komen net terug van de maan en hebben sinds voor de oorlog geen nieuws van de aarde meer gehad. Béryl vraagt zich dan ook af wat "ce fou d'Hitler" zou geworden zijn. Waarop Luc antwoordt: "Les Allemands se sont certainement débarrassés de lui!"[1056]

Tenslotte wordt vanaf december 1949 Mickey Mouse gepubliceerd, meer bepaald het verhaal dat onder de titel "Mickey en Zorro" ook in de Volksgazet gepubliceerd werd.

 

10.3. Les Aventures de Folichon dans la Résistance

 

Zoals hierboven al aangehaald, verschijnen "Les aventures de Folichon dans la résistance" van 30 oktober 1946 tot 6 november 1947 in La Wallonie. Het verhaal wordt volledig anoniem gepubliceerd, er is geen enkele aanduiding van een auteur of een copyright te vinden, en in de tekeningen zelf is geen enkele handtekening te bespeuren. Ook vergelijking met andere tekeningen in de krant levert niet echt iets op: de strip is te klein afgedrukt om echt de tekenstijl te kunnen vergelijken, én de meeste andere tekeningen zijn ook niet ondertekend.

Maar aangezien het begin van het verhaal zich afspeelt in België, en het geheel er nogal slordig uitziet, kan men besluiten dat het verhaal speciaal voor La Wallonie gemaakt werd, of toch tenminste van Belgische oorsprong is.

 

10.3.1. De bloedige avonturen van een verzetsstrijder

 

Het verhaal begint met Folichon, een jonge Belg, die vanuit zijn zetel naar de radio luistert. Radio Londen doet een oproep: "Allo allo ici Londres … Belges venez combattre avec vos alliés." Waarop Folichon denkt: "L'idée n'est pas mauvaise? Je vais y réfléchir: allons dormir."[1057] De volgende dag krijgt Folichon een anonieme brief van "een vriend", die hem waarschuwt dat de Felfgendarmerie opdracht gekregen heeft hem op te pakken. Folichon maakt zich klaar en vlucht weg. En terwijl hij uitdagend denkt: "Vous pouvez toujours essayer de me retrouver Ms. les Allemands"[1058], neemt hij de trein naar Mons.

Dan begint een - voor de Duisters - bloedige achtervolging: Folichon bevrijdt zich van twee Feldgendarmen die de trein wilden controleren, schiet een Gestapo-man neer en steelt zijn auto. Hij kan nog enkele achtervolgers van zich afschudden, valt zelfs even in handen van de Duitsers, maar natuurlijk slaat of schiet Folichon zijn bewakers neer en vlucht hij verder. Langs een venster springt hij op een vrachtwagen die stro vervoert, en op deze manier geraakt hij probleemloos de grens over, Frankrijk binnen.

Net over de Franse grens springt Folichon van de vrachtwagen en wordt hij opgepikt door een motorrijder, die hem mee naar huis neemt. Daar toont de motorrijder hem een krant waarin over hem geschreven wordt : er wordt 500 frank beloning uitgeloofd voor wie inlichtingen kan verschaffen over zijn persoon: "Ce bandit a abattu deux soldats de la noble Allemagne … Ce crime ne … impuni. Tous bon … Belges sont priés de nous donn … renseigner."[1059] De man, duidelijk een weerstander, geeft Folichon zijn motor en zijn pistool mee, zodat hij kan verdervluchten.

Even later krijgt hij – natuurlijk - weer de Gestapo achter zich aan. Maar zoals te verwachten, slaagt hij er door een list in hen hun auto afhandig te maken en door te rijden tot in Bordeaux. Onderweg rekent hij weer met een paar Gestapo's af.

Als hij langs de kant van de weg een Duitse vlieger-officier opmerkt, geeft hij hem een lift, om hem dan even later koelbloedig neer te schieten, zijn uniform aan te trekken en het lijk in een ravijn te gooien. Verkleed als Duitse officier rijdt Folichon nu probleemloos het vliegveld van Bordeaux binnen. Daar stapt hij uit, begeeft hij zich naar een vliegtuig, zet de motor in werking en stijgt op. Met groot alarm als gevolg; Duitse vliegtuigen stijgen op en een luchtgevecht ontstaat. Folichon haalt wel een achtervolger neer, maar wordt zelf ook geraakt, zodat hij moet landen. Een Duits vliegtuig landt in de buurt om Folichon gevangen te nemen, en natuurlijk vlucht deze met het toestel van zijn achtervolgers naar Engeland, het doel van de reis. Als de Engelse kust in zicht komt, roept hij dan ook "Enfin! Quelle joie!"[1060].

In Engeland gaat Folichon na een korte rustperiode aan de slag bij het Engelse leger. Hij wordt piloot van een bommenwerper die vliegvelden bombardeert en Duitse toestellen neerhaalt. "Avec calme et précision, la forteresse commence son oeuvre de déstruction. Les bombes trouent l'air avec un sifflement lugubre. L'anéantissement de l'aérodrome allemand, se poursuit d'un façon systématique."[1061] Op een dag volgt een speciale opdracht: de stuwdam van een elektriciteitscentrale opblazen. Daarbij vallen weer een hoop Duitse slachtoffers. En na enkele moeilijkheden slaagt Folichon erin terug te keren naar zijn basis.

En omdat hij zo goed werk geleverd heeft, besluit de kolonel hem te belasten met een heel speciale opdracht: "Sans perdre de temps, je tiens à vous confier une mission beaucoup plus périlleuse encore. Voyez cette carte. Dans cette île, les Allemands ont installé une station secrète. Tous nos avions qui passent à proximité sont descendus au moyen d'une nouvelle arme. Cette base importante doit être anéantie."[1062] Folichon krijgt hiervoor een nieuw vliegtuig met inklapbare vleugels, dat gelanceerd wordt met een katapult, dat automatisch schiet en dat onraakbaar is voor kogels. Het kan ook aan het nieuwe Duitse wapen, de V-straal, weerstaan.

Maar er bevinden zich blijkbaar verraders in de rangen van de geallieerden. Een "domestique félon" van de basis vindt het zijn taak om de "vijfde colonne" te waarschuwen van de opdracht van Folichon.

Folichon landt op het eiland, wordt gepakt, maar kan natuurlijk vluchten. Hij saboteert de apparatuur van de Duitsers en lanceert een oproep tot de geallieerden om het eiland te komen bombarderen. Dit lukt blijkbaar goed, want als Folichon het eiland gaat nakijken merkt hij op: "Tout m'a l'air consciencieusement aplati."[1063]

Hierna krijgt Folichon nog een derde opdracht: een mysterieuze bende werkt de geallieerden tegen en hij wordt belast met een onderzoek. Hij trekt daarvoor weer naar een eiland, maar wordt door de Duitsers verrast. Hij wordt opgesloten, samen met een jonge vrouw van de IS[1064]. Maar hij slaagt er natuurlijk weer in te ontsnappen, een hoop Duitsers naar een andere wereld te helpen, het munitiedepot op te blazen, een dokter die medische experimenten uitvoert, dood te schieten, een gefolterde gevangene te bevrijden, en ga zo maar door. Uiteindelijk nadert de Britse vloot en even later bombarderen de geallieerden het eiland vanuit de lucht en vanuit de zee. Het eiland wordt volledig kapotgeschoten, en de Duitsers beginnen te panikeren. De geallieerde overmacht is te groot: de Duitsers geven zich over. De taak van Folichon is volbracht en de volgende dag keert hij terug naar Engeland, "l'invincible refuge de la liberté"[1065].

In verhouding tot de verhaalde feiten wordt het verhaal van Folichon op een zeer luchtige manier verteld. Duitsers worden gedood zoals men vliegen doodmept. Het verhaal is volledig in een eenvoudige realistische stijl getekend, behalve voor het hoofd van Folichon, dat nogal simpel getekend is, waarschijnlijk om de herkenbaarheid van het personage te vergroten. Folichon loopt ook meestal rond met een glimlach op zijn gezicht en een pijp in zijn mond. Voor gevoelige zielen is het verhaal ook niet echt geschikt: er wordt meestal uitgelegd hoe een Duister gedood wordt (kogel in de nek, door het hart, hoofd tegen een boom gekwakt) en dat wordt op de tekeningen ook effectief getoond. Hierna zullen een aantal elementen verder uitgediept worden.

 

10.3.2. Fritz, Karl, Wilhelm en Co

 

Zoals men wel al kan verwachten, worden de Duitsers in dit verhaal zo slecht mogelijk voorgesteld. Dit komt ook tot uiting in de woorden die gebruikt worden om de Duitsers aan te duiden. Soms blijft de auteur vrij braaf ("l'Allemand", "le nazi", "le policier", "le gestapiste", "le SS"), en soms laat hij zich blijkbaar gaan: "les boches", "saligauds", "bandits", "tueurs", "traitre", "reptile". Sommige opmerkingen van Folichon gaan trouwens dezelfde toer op: "ils ont l'air de deux grenouilles", "Tas d'idiots! Ils ne valent même pas la corde pour les pendre."[1066]

En natuurlijk ontbreekt ook het traditionele idiote taaltje van de Duitsers hier niet: "Ach! C'est danger monter ici. Beaucoup vent", "Ya pas bon.", "Vous bien regarder. Fritz lui peut-être pistolet."[1067] En inderdaad: Fritz!

Om het geheel volledig te maken worden de meeste Duitsers met dezelfde typische namen aangeduid: Fritz en Karl komen veelvuldig voor, voor de rest verschijnt soms ook een Max, Wilhem of Franz.[1068]

De Duitsers worden ook voorgesteld als arrogant en overtuigd van hun gelijk. Zo reageert bijvoorbeeld een Gestapo-man die wilt gaan telefoneren in een boerderij: "Gestapo. il faut que je télephone tout de suite." En als de boer antwoordt dat hij geen telefoon heeft, dreigt de Duitser met zijn wapen en zegt "Vous avez menti. Je ne sais ce qui me retient de vous descendre. Otez-vous que je passe."[1069] Of nog deze uitspraken tegen Folichon: "On finit toujours par se faire prendre, mon petit ami!"[1070], "Ah! Ah! On va t'apprendre ce qu'il en coûte de s'en prendre aux soldats du grand Reich!"[1071]

Hun houding contrasteert natuurlijk met de resultaten die ze bereiken. Hoe zelfverzekerd en arrogant ze zich ook voordoen, hun mislukkingspercentage ligt zeer hoog, met als resultaat dat de Duitsers nogal dom en idioot overkomen: de keren dat Folichon er met Duitse vliegtuigen en auto's vandoor gaat, zijn ontelbaar. En als ze voelen dat de grond te heet onder hun voeten wordt, slaan ze op de vlucht[1072].

Ook de Duitse oorlogspraktijken worden onder de aandacht gebracht. Op het eiland van zijn laatste opdracht ontdekt Folichon ook een verborgen laboratorium waar een "Herr Doktor" experimenten uitvoert. Als Folichon binnendringt, wilt de "dokter" net een transplantatie uitvoeren op het zenuwstelsel van een baby van zes maanden. Het kind wordt aan de muur vastgeketend. Folichon kan dit natuurlijk niet laten gebeuren: "Horrible! Voila les crimes auxquels se livrent des savants allemands!! J'empêcherai cet assassinat, coûte que coûte". Hij schiet dan ook de "misdadiger"[1073] neer.

Even later hoort Folichon in hetzelfde gebouw hulpgeroep. Hij gaat kijken en ontdekt een gevangene die gefolterd wordt. De gevangene, die met de handen boven het hoofd vastgebonden is, is zelfs bewusteloos gevallen door de folterpraktijken. Maar net als een Duitser de gevangene een zweepslag wilt toebrengen, schiet Folichon de zweep kapot, waarna hij de gevangene bevrijdt. En als hij dan ook nog ziet dat er op de binnenkoer gevangenen geëxecuteerd worden, twijfelt Folichon niet en schiet hij de officier, die de executie leidt, neer. Even later bevrijdt hij de terdoodveroordeelden.

Over de grafische voorstelling van de Duitsers is weinig te zeggen, omdat de tekeningen vrij slordig, klein en niet altijd even duidelijk zijn. Op het einde van het verhaal is wel een Duitse officier te zien met een snor en een monocle.[1074]

En niet alleen de Duitsers zelf, ook bijvoorbeeld de collaboratiekrant "Cassandre" krijgt ervan langs. In het begin van het verhaal leest Folichon deze krant, waarna hij opmerkt: "Un beau torchon ce journal. Je vais écouter les conseils de Londres."[1075] De krant waarin later het opsporingsbericht[1076] van de held Folichon verschijnt, is waarschijnlijk Cassandre.

 

10.3.3. Hoe maak ik een Duitser onschadelijk?

 

Een voorbeeld. Als Folichon in het begin van het verhaal de trein neemt, wordt hij gewaarschuwd door de treincontroleur, dat twee Feldgendarmen aan het volgende station zullen opstappen om controles uit te voeren. Folichon is dus gewaarschuwd, en als de Duitsers opstappen, vlucht hij op het dak. Maar dat is niet genoeg, hij daagt ze uit. De twee soldaten proberen hem te volgen, maar dat duurt niet lang: Fritz is het eerste slachtoffer. Folichon schiet een kogel door zijn lichaam, net onder zijn hals. Fritz valt dan ook van de trein: "Touché l'Allemand tombe … et s'écrase au sol où il reste étendu dans une mare de sang." Waarop Folichon opmerkt: "En voilà un de liquidé. Au tour du second maintenant." Bij de tweede, Karl, gaat het nog gemakkelijker. De trein nadert een tunnel en Folichon heeft net de tijd om op het dak te gaan liggen. Karl hing echter nog aan de zijkant van de trein: "Le policier n'ayant pas le temps de se garer, s'écrase contre la maçonnerie et tombe sur le sol où il reste étendu dans une mare de sang." Waarop Folichon, die niet goed snapt wat er gebeurd is, opmerkt: "Où est-il donc bien passé? S'il pouvait s'être démoli le portrait. Ce serait une chance pour moi."[1077]

Op deze manier gaat het het hele verhaal lang door. Andere uitspraken van Folichon bij het neerschieten van Duitsers zijn bijvoorbeeld: "Avale cette prune et digère la, si tu sais"[1078]. Of de vertellerstekst als Folichon net aan de hand van een granaat zijn Duitse achtervolgers in een ravijn heeft doen rijden: "Un sourire ironique aux lèvres, notre ami contemple son ouvrage.", waar Folichon nog aan toevoegt: "Encore deux boches de moins sur cette terre."[1079]

Soms lijkt het verhaal wel op een handleiding "Hoe maak ik een Duitser onschadelijk". Tips zijn er alleszins genoeg te vinden: vanop afstand schieten (als verdediging of als aanval), gewoon koelbloedig een ongewapende Duitser neerschieten, door het hart of in de nek schieten, met een granaat gooien, slaan met een fles, een auto door middel van een granaat in een ravijn doen storten, Duitsers zonder parachute uit een vliegtuig in volle vlucht gooien, of een Duitser bewusteloos in het water werpen, vanuit een vliegtuig neerkogelen, een Duitser met zijn hoofd tegen een boom kwakken, een rots bovenop een Duitser laten vallen, met een ijzeren staaf in het gezicht slaan, of nog de buik doorsteken met een bajonet.

Soms wordt het dan nog op een echt humoristische, of beter gezegd sarcastische, manier behandeld. Folichon komt een Duitse soldaat tegen en denkt "Encore un? Ca pullule par ici. Allons, soyons généreux! Il ne pourra que m'être reconnaissant de l'envoyer dans un monde meilleur."[1080] Folichon gooit een grote rots naar beneden, recht op de soldaat die net denkt "J'ai le pressentiment qu'il me tombera un de ces jours une tuile sur la tête". Wat dus ook gebeurt: "Atteint au milieu du dos, le boche s'écroule."[1081]

Of nog deze: Folichon krijgt weer last met een Duister en zegt met een glimlach op zijn gezicht "Sans être Japonais, je vais lui enseigner la pratique du Hara-Kiri". Waarop hij de Duitser wilt neersteken, maar deze merkt de aanwezigheid van Folichon op en roept om hulp. Dus knijpt Folichon maar zijn keel dicht en zegt "Assez de tintamarre! Dans quelques instants tu ne souffriras plus." Het dode lichaam ziet hij dan weer als een "Succulente nourriture pour les vers!".[1082] Folichon zegt zelfs eens "Ce ne fut qu'un jeu!" als hij net twee Duitsers neergeschoten heeft.[1083]

Enfin, over het hele verhaal helpt "notre ami" Folichon meer dan veertig Duitsers op één of andere manier naar een andere wereld. Daarnaast zorgt hij voor de vernieling van een tiental vliegtuigen, een tweetal auto's, een duikboot en een schip.

 

10.3.4. Superheld Folichon en de geallieerden

 

Een Duitser kan niet slecht genoeg zijn, maar Folichon is natuurlijk dé held. Hij wordt dan ook meestal aangeduid met "notre ami"[1084] of "notre héros"[1085]. Hij ontpopt zich in de loop van het verhaal tot een soort superman die alles aankan en zichzelf uit de meest onmogelijke situaties kan redden. In geen tijd verwisselt hij een autoband, bij luchtgevechten raakt hij probleemloos de vijandige toestellen, zodat ze brandend neerstorten, … Terwijl zijn eigen toestel hoogstens licht geraakt wordt aan de motor zodat een herstellanding nodig is. Een vuurgevecht vertoont meestal hetzelfde patroon: terwijl de Duitsers er gegarandeerd naast schieten, schiet Folichon altijd raak. Ook is het voor hem geen enkel probleem een mes in volle vlucht kapot te schieten. Hij overleeft een val in een ravijn door zich vast te houden aan een uitstekende struik, waarna hij dan op een rotsplatform belandt. Uit die positie wordt hij gered door een touw vast te grijpen dat voortgesleept wordt door een vliegtuig. Ook het onoverwinnelijke vliegtuig dat hij van de Engelsen tot zijn beschikking krijgt, past perfect in dit rijtje.

Naast Folichon, zijn de Engelsen in het algemeen natuurlijk ook de helden van het verhaal. Engeland wordt voorgesteld als het "beloofde land", het land van de vrijheid, waar Folichon absoluut naartoe wilt. Als hij met zijn vliegtuig de Engelse kust bereikt, krijgt men een tekening van de rotskust te zien met daarboven in koeien van benadrukte letters "Angleterre" geschreven[1086]. En radio Londen wordt als de enige betrouwbare informatiebron naar voor gebracht.

Folichon prijst trouwens ook het organisatietalent van de Engelsen aan: "Sapristi! Ces Anglais vont vite en besogne quand le besoin s'en fait sentir."[1087] Maar uit het verhaal is wel duidelijk genoeg dat het Engelse leger veel sterker en beter georganiseerd is dan het Duitse, zodat over de afloop van de oorlog geen twijfel kon bestaan.

We hebben hier dus te maken met een zwart-witverhaal waarbij de grote Belgische held Folichon het aan de zijde van de geallieerden opneemt tegen de verraderlijke en door en door slechte Duitsers. Folichon is "notre ami" die de Duitsers tegenwerkt en vernietigt, de Duitsers zijn arrogante idioten en mislukkelingen die folteringen en medische experimenten uitvoeren, en Engeland is het verzetsland dat Folichon zal helpen zijn plannen te verwezenlijken. Het verhaal is eigenlijk een echte lofbetuiging aan het adres van Folichon, en via dit personage aan het Belgische verzet en de Britse geallieerden.

 

10.3.5. Folichon, La Wallonie en het verzet

 

Dit verhaal dat de rol van een verzetsstrijder de hemel in prijst, kan niet los gezien worden van de repressie en de problemen waarmee het verzet na de oorlog te maken kreeg. Verzetsgroepen speelden een grote rol in de repressie onmiddellijk na de bevrijding. Ze eisten een harde aanpak en moeiden er zich ook daadwerkelijk. De maatregelen die hun macht inperkten, zagen ze dan weer niet graag komen. Eind 1944 stootte de oproep van de regering om de wapens in te leveren nog op groot verzet. Na de twee regeringen van nationale eenheid, kwam er na augustus 1945 een linkse regering tot stand, die er in zou slagen enkele maatregelen in verband met het verzet te nemen. Vooral de communistische minister Jean Terfve[1088] zorgde ervoor dat de regelingen met betrekking tot de weerstand verder uitgewerkt werden.[1089]

Ook belangrijk is het feit dat vooral de linkse partijen zich met deze materie gingen bezighouden. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de socialistische krant La Wallonie dit verhaal, dat een duidelijke benadrukking is van de weldaden van het verzet, publiceert in de periode dat de regering zich met deze zaken bezighoudt.

Maar er is meer. Isi Delvigne, hoofdredacteur van La Wallonie, was tijdens de oorlog actief in de sluikpers, als redactielid van de socialistische clandestiene bladen Combattre en Vaincre. Delvigne was trouwens niet alleen actief in de sluikpers, hij was ook voorzitter van de Metaalbewerkersbond van Luik. En hij had alle redenen om wrok te koesteren tegenover de Duitsers: "Eind maart 1942 werden in een gezamenlijke actie niet minder dan zes van de zeven regionale secretarissen van de metaalvakbond aangehouden en gedeporteerd naar Duitse concentratiekampen." Delvigne had dus van zeer dicht te maken gehad met Duitse repressieve maatregelen ten opzichte van het Duitse verzet. De socialistische vakbeweging had tijdens de oorlog trouwens ook af te rekenen met de "Unie van Hand- en Geestesarbeiders", opgericht door Hendrik De Man, die de kaart van de syndicale collaboratie koos.[1090]

Men zou kunnen zeggen dat het mogelijk is dat Delvigne mee aan de basis lag van het Folichon-verhaal. Voorzichtiger is te zeggen dat hij als hoofdredacteur de inhoud van het verhaal zeker niet kon afkeuren, gezien zijn situatie tijdens de oorlog. 

 

10.4. Besluit

 

La Wallonie begint bescheiden met twee strips per dag, een aantal dat in december 1948 stijgt tot vier per dag. Van april tot oktober 1949 worden het er zelfs vijf. Daarmee plaatst La Wallonie zich bij de kranten die de meeste strips publiceren. De groepering van alle strips onder de rubriek "nos feuilletons dessinés", die meestal op de laatste pagina verschijnt, maakt dat het geheel de lezer zeer snel opvalt.

De verhalen zijn van verschillende oorsprong, maar toch is er een duidelijk overwicht van het agentschap Opera Mundi, en dus van Amerikaanse strips, waar te nemen. Opmerkelijk is dan weer de korte poging om Belgische strips te publiceren. Er is ook een verpletterend overwicht aan ballonstrips: Le Capitaine Fracasse is de enige strip met ondertekst. Qua genres en stijlen is La Wallonie zeer gevarieerd : zowel realistische als humoristische vervolgverhalen komen aan bod naast gagstroken.

Auteurs worden, op uitzondering van Mandrake en Annie, niet in de titel vermeld. De lezer die de auteur wilt identificeren, moet zich dus op de handtekening richten. De meeste verhalen krijgen een aankondiging, en vaak zelfs meer dan één: zo worden voor de start van de gagstrip Oscar niet minder dan zeven aankondigingen gepubliceerd, telkens op de voorpagina. Maar meestal blijven deze tekstjes vrij kort en wordt er geen aandacht besteed aan de auteurs.

De politieke inhoud is bij de meeste verhalen aan de magere kant: elementen komen voor in Annie (omgaan met rijkdom), Le sept de trèfle (een bende die de wereld bedreigt met een atoomwapen) en Le Roi de la Police Montée (een gevaarlijke Russische bende). Folichon is dan ook op politiek vlak zeer opvallend: in deze naoorlogse jaren wordt fictie ingeschakeld om nog eens af te rekenen met de voormalige Duitse vijand én om de rol van het verzet te verheerlijken. La Wallonie publiceert hiermee één van de meest politiek geladen verhalen die ik bij dit onderzoek tegengekomen ben.

 

11. De Nieuwe Gazet

 

11.1. Historiek en Situering

 

De Nieuwe Gazet zag op 1 december 1897 het levenslicht als Antwerpse liberale krant. In 1904 werd August Monet hoofdredacteur, een functie die hij gedurende vijftig jaar zou blijven uitoefenen. Zowel tijdens de Eerste als tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de publicatie stilgelegd. Tijdens het interbellum nam de krant een sterk afwijzende houding tegenover het Vlaams-nationalisme aan en stelde ze zich antiklerikaler op dan haar Brusselse liberale collega Het Laatste Nieuws.

Op 7 september 1944 verschijnt De Nieuwe Gazet dan terug. De standpunten die de krant dan inneemt, worden die van de "progressieve, vrijzinnige richting in de Antwerpse liberale partij". Monet is dan nog altijd hoofdredacteur, directeur is Jules Henri Burton. In de literatuur werden geen oplagecijfers teruggevonden.[1091]

Tijdens de beginperiode na de oorlog bevat de krant tussen de 6 en de 8 pagina's, een aantal dat tegen 1950 stijgt tot 8 à 14 pagina's. De Nieuwe Gazet is één van de kranten die in januari 1949 overschakelen op een tarief van 1,50 frank, wat kan wijzen op een eerder beperkt publiek. Er verschijnen zes kranten per week, dagelijks van dinsdag tot zaterdag en één krant voor zondag en maandag. Aan ambitie ontbreekt het De Nieuwe Gazet zeker niet: in een advertentie in het "Officieel jaarboek van de Belgische Pers" stelt de krant zich voor als "Het beste Vlaams dagblad."[1092]

 

11.2. Van "kinderverhalen naar "Geïllustreerde verhalen"

 

11.2.1. "Ons kinderverhaal"

 

Pas op 6 december 1946 - zeer laat in vergelijking met de andere kranten – publiceert De Nieuwe Gazet haar eerste "kinderverhaal". Onder de titel "De Bewogen avonturen van den vroolijken Ab", gaat een verhaal van start dat het midden houdt tussen strip en geïllustreerd verhaal. Reden daarvan is de plaatsing van de begeleidende teksten tussen de twee prentjes. Maar aangezien deze lay-out waarschijnlijk het werk was van Nieuwe Gazet-medewerkers, en gezien de continuïteit tussen dit verhaal en de latere strips, zal het hier toch besproken worden.

De titel "De Bewogen avonturen van den vroolijken Ab" wordt vergezeld van een tweede titel, "Ons kinderverhaal". De krant probeert met de publicatie van dit verhaal dus vooral jonge lezers aan te spreken. Ook de aankondiging[1093] richt zich duidelijk op het jonge publiek: "Ter gelegenheid van het Sinterklaasfeest knoopen wij opnieuw aan met een oude traditie, en vergasten wij onze jonge lezers op een prachtig kinderverhaal." Het verhaal wordt ook nog voorgesteld als "iets eenigs, iets buitengewoon avontuurlijks" en "om van te snoepen".

Een jaar lang zou de lezer drie dagen per week de lotgevallen van Ab kunnen volgen. Deze kleine jongen reist de wereld rond en belandt daarbij in China, wordt overvallen door zeerovers, gaat mee op expeditie naar de Noordpool, enz. Het verhaal is getekend in een zeer eenvoudige realistische stijl en wordt volledig anoniem gepubliceerd.

Na afloop wordt de opvolging verzekerd door de Nederlandse auteur Henricus Kannegieter[1094] en zijn "Tom de Negerjongen", "een nieuwe vrolijke historie, die de fratsen van een kleine nikker verhaalt"[1095]. Het verhaal wordt op dezelfde manier gebracht als zijn voorganger, namelijk twee prentjes per aflevering, en met de tekst tussen deze prentjes in.

 

11.2.2. Over dodende wolken, goudzoekers en kapoentjes

 

Vanaf 10 november 1948 gooit men het over een andere boeg. Het titeltje "Ons Kinderverhaal" wordt vervangen door "Ons geïllustreerd verhaal", en De Nieuwe Gazet gaat onder deze titel strips publiceren met een meer volwassen inhoud, in een realistische stijl en met gebruik van tekstballonnen. Dat de krant een meer volwassen publiek wilt aanspreken, blijkt ook uit de aankondiging: "Dit verhaal zal iedereen sterk boeien."[1096], wordt daar gemeld. "De dodende wolk" is zo de eerste echte strip die in deze krant verschijnt. Tekenaar van dienst is Bob De Moor[1097], die via de Artec-Studio's zijn verhaal aan de krant levert.

In "De dodende wolk" nemen twee professoren, Martin Golloway en Hillary Helm, het op tegen de kwaadaardige Professor Nun. Deze Nun, uitvinder van een "dodende wolk"[1098], is van plan zich met de hulp van die wolk tot meester van de wereld te maken. Zijn medewerker Helm steekt daar een stokje voor door met de uitvinding te vluchten, maar Nun neemt wraak door zijn ex-medewerker ter hoogte van een brug van de weg te rijden. De auto stort neer en schiet in brand. Maar Helm heeft het overleefd en wordt opgevangen door Golloway, die daar toevallig voorbijkwam.

Golloway en Helm gaan op zoek naar de schuilplaats van Nun en vinden die ook, maar ze worden gevangen genomen. Echter niet voor lang, want even later worden de installaties gebombardeerd door "regeringsvliegtuigen". De hele bende van Nun slaat op de vlucht, terwijl ze Golloway en Helm meevoeren. Eerst per tank, dan per vliegtuig, slagen ze erin te ontsnappen en Zuid-Amerika te bereiken.

Ondertussen stelt Nun aan de twee gevangen professoren voor om mee te werken aan de heropbouw van zijn uitvinding, nu zijn installaties vernield zijn. Ze aanvaarden, in de hoop de uitvinder op die manier te kunnen tegenwerken.

Maar ondertussen bereikt hen het bericht dat een geleerde van de regering erin geslaagd is - op basis van resten uit het vernielde laboratorium - een dodende wolk aan te maken. Daarop doen Golloway en Helm een voorstel aan Nun: ze willen de wolk van de regering onschadelijk maken - omdat de regering die die wolk bezit "machtsdronken" zou worden – op voorwaarde dat Nun de zijne alleen voor vredelievende doeleinden zou gebruiken. Nun aanvaardt.

Maar de situatie wordt nog dramatischer. Golloway en Helm krijgen thuis te horen dat hun land in conflict is met een ander land, dat sterker is. Maar de regering voelt zich veilig door het bezit van de wolk en wilt niets toegeven. Daarop besluiten Golloway en Helm de Minister van Oorlog te gaan opzoeken, én ze slagen erin hem te overtuigen ermee op te houden. Ondertussen bereikt hen ook het bericht dat Nun in een Zuid-Amerikaanse revolutie gedood werd, zodat de dodende wolk definitief tot het verleden behoort.

Bob De Moor levert met dit verhaal een strip in Amerikaanse stijl af die zeker niet moet onderdoen voor de transatlantische voorbeelden. Hij introduceert moderne technologie in zijn verhaal, waaruit blijkt dat nieuwe uitvindingen best voor vredelievende doeleinden gebruikt kunnen worden. En dat is in deze tijden van wapenwedloop zeker niet onbelangrijk.

Uit het verhaal is niet duidelijk af te leiden op welk land de auteur inspeelt, maar het is zeer aannemelijk dat de Verenigde Staten hier met de vinger gewezen worden. De namen van de professoren wijzen op een Engelstalig land, en in de reële wereld bekleden de Verenigde Staten een zeer sterkte positie door hun atoommonopolie.

 

"De dodende wolk" wordt in oktober 1949 opgevolgd door "Het land zonder wet", een Belgische western. Jozef Dresser, kassier in een grote Antwerpse bank anno 1880, wordt door twee mannen bestolen terwijl hij een belangrijke geldvoorraad naar de Nationale Bank in Brussel brengt. De politie verdenkt hem en op zijn werk wordt hij voorlopig geschorst. Hij besluit dan maar zijn "kozijn Piet" te vergezellen naar Amerika.

Als de twee overvallers inschepen op hetzelfde schip als Jozef en Piet, en Piet over de kaart van een goudschat blijkt te beschikken, is de basis van het verhaal gelegd. De overvallers deinzen nergens voor terug en schakelen zelfs een Indianenstam in om de kaart te veroveren. Maar hun geluk blijft niet duren: net als ze de vindplaats van het goud gevonden hebben, worden de twee door Jozef en Piet neergeschoten. Dit anoniem gepubliceerd verhaal is eveneens van de hand van Bob De Moor, die trouwens ook nog eens voor de opvolger zou zorgen.

In juli 1950 wordt de lezer namelijk geconfronteerd met "Petrus en zijn rakkers", een reeks die bestaat uit gagplaten die verdeeld worden over vier stroken. Vier dagen per week krijgt de lezer één strook te lezen, stroken die dan samen een geheel vormen. Iedere week wordt er dus één afgerond verhaaltje gepubliceerd over het kattenkwaad van de rakkers Janus, Petrus, Eefje, Bertus en Benjamin en de volwassenen Dorus en Agent Parker.

En om te besluiten nog even de Scandinavische reeks "Ali Baba"[1099] vermelden, waarvan vanaf mei 1948 dagelijks een verticale gagstrook gepubliceerd wordt. Deze verhaaltjes van auteur Ostrup gaan over een klein oosters jongetje met een tulband, dat zijn tover- en hypnosekunsten voor vanalles en nog wat aanwendt.

 

11.3. Besluit

 

De Nieuwe Gazet wil blijkbaar net als alle andere kranten strips publiceren, maar kan zich waarschijnlijk door gebrek aan financiën[1100] niet te veel veroorloven. De vier vervolgverhalen worden tweedagelijks gepubliceerd: er verschijnen alleen afleveringen op woensdag, vrijdag en zondag. "Petrus en zijn rakkers" verschijnt vier keer per week, van woensdag tot zondag. Met uitzondering van "Ali Baba", wordt ook altijd maar één strip tegelijk gepubliceerd. Dat wat de zuinigheid betreft.

Nu de recyclage … De gepubliceerde verhalen kunnen in twee groepen verdeeld worden. In de eerste groep horen de twee eerste verhalen thuis, in de tweede de producties van Bob De Moor. Wat de eerste groep betreft: "Tom de Negerjongen" werd al in 1933-1934 in de Nederlandse pers gepubliceerd[1101] en ergens in de jaren 1930 in de Vlaamse Volksgazet[1102]. Over "de vrolijken Ab" heb ik verder niets teruggevonden, maar qua stijl sluit het verhaal meer aan bij de productie van de jaren 1930 dan bij die van de jaren 1940.

En wat de tweede groep - de verhalen van Bob De Moor - betreft, deze werden al eerder in andere publicaties opgenomen. "De dodende wolk" stond al in "Overal"[1103] in 1948, "Het land zonder wet" in "'t Kapoentje"[1104] van 1948 (nr. 42) tot 1949 (nr. 17). En "Petrus en zijn rakkers" is niets anders dan een andere titel voor De Lustige Kapoentjes, die De Moor van 1947 tot begin 1949 voor datzelfde "'t Kapoentje" tekende. [1105] De term "De Kapoentjes" is trouwens regelmatig in de tekst terug te vinden[1106].

De Nieuwe Gazet stelde zich dus zowel tevreden met vooroorlogse strips als met strips die recent in de katholieke pers verschenen waren. Origineel is wel dat ze voor dat bestaand materiaal een beroep doen op de Belgische Artec-Studio's, in plaats van op de buitenlandse agentschappen. Ook interessant om op te merken is de plotse verandering in het stripbeleid van de krant. Na de twee "kinderverhalen", kiest De Nieuwe Gazet duidelijk voor reeksen die een groot publiek kunnen aanspreken.

Politiek komt in de gepubliceerde verhalen, op enkele uitzonderingen na, niet echt aan bod. In "De dodende wolk wordt er wel gewezen op het gevaar van uitvindingen die verkeerd gebruikt worden en op het gevaar voor oorlogen als bepaalde landen zich door het bezit ervan onaantastbaar voelen.

Om dit deel te besluiten, nog even iets over de vermelding van de auteurs in De Nieuwe Gazet. Bij geen enkel verhaal wordt naast de titel de auteur vermeld, en ook in de aankondigingen, waarvan er per verhaal 1 à 4 verschijnen, wordt over de auteurs gezwegen, op een kleine "onze tekenaar"[1107] na. Handtekeningen zijn alleen terug te vinden in "Tom de Negerjongen" (H.K., H. Kannegieter), "De dodende wolk" (Bob, Artec Studio's) en soms in "Het land zonder wet" (idem).

 

12. Le Drapeau Rouge

 

12.1. Historiek en situering

 

Le Drapeau Rouge, de publicatie van de "Parti Communiste de Belgique" is in oktober 1921 ontstaan als weekblad, een maand na de oprichting van de PCB. Vanaf 1 januari 1924 werd de publicatie dagelijks, om in 1929 weer wekelijks te worden. In 1936 deed Joseph Jacquemotte een nieuwe poging om een communistisch dagblad op te richten, en de titel werd "La Voix du Peuple". In oktober 1939 werd deze krant echter door de regering van Nationale Unie verboden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verscheen Le Drapeau Rouge als clandestiene krant.

Op 5 september 1944 verschijnt het dan terug als dagblad. Le Drapeau Rouge zou echter nooit een grote krant worden door een gebrek aan financiële middelen.  Om de krant in leven te houden moet er al snel beroep gedaan worden op bijdragen van militanten. Met ingezamelde gelden wordt in 1948 een eigen drukkerij opgericht. Met de oplage gaat het ook al snel de verkeerde richting uit. Volgens Rode Vaan-hoofdredacteur Bert Van Hoorick had Le Drapeau Rouge in 1945 een oplage in de 60.000 exemplaren. Een schatting van Het Laatste Nieuws-medewerker Marcel Stijns geeft voor 1951 nog 3000 exemplaren.[1108]

Net zoals haar Vlaams broertje De Roode Vaan, kent Le Drapeau Rouge onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog dus een redelijk succes, onder andere door het feit dat alle kranten door het papiertekort in een gelijke concurrentiepositie terechtkomen. Als het papiertekort ten einde is, moet de communistische pers het afleggen tegenover de andere kranten, die al snel meer te bieden hebben. Maar ook andere elementen zijn verantwoordelijk te stellen voor het tanend succes van de communistische pers: het anti-communisme dat gepaard gaat met de opkomende Koude Oorlog en het onvermogen van de krant om zich af te stemmen op de verwachtingen van haar publiek.[1109]

De communistische pers verschilt namelijk van de andere kranten, in die zin dat ze eigenlijk vooral een propaganda-instrument is voor de politiek van de Communistische Partij. De bedoeling is niet alleen het nieuws te brengen, maar vooral de lezer te overtuigen van het gelijk van het communisme.[1110] Het "Jaarboek van de Belgische Pers" vermeldt voor 1950 Jean Terfve als directeur[1111] en Pierre Joye als hoofdredacteur van de krant.[1112] Voor de onmiddellijke naoorlog vermeldt Aloïs Gerlo (oud-hoofdredacteur van De Roode Vaan) Felix Coenen als hoofdredacteur, maar deze werd snel aan de kant gezet.[1113]

De eerste twee weken verschijnen Le Drapeau Rouge en De Roode Vaan nog samen, elk op een kant van een blad. Vanaf 18 september gaan ze als ééntalige publicaties verder. Le Drapeau Rouge vermeldt als ondertitel "Organe Central du Parti Communiste de Belgique" of een variant[1114] ervan. In 1946 telt de krant dagelijks 4 pagina's, in 1950 4 à 6 pagina's. De prijs wordt al op 1 juli 1949 op 1,50 frank gebracht, nog maar eens een illustratie van de slechte financiële positie van het blad.

 

12.2. Een beloftevolle start die op niets uitdraait

 

12.2.1. Les Trafiquants de Tchoung-King

 

De eerste sporen van strips in Le Drapeau Rouge vinden we in juni en juli 1945, wanneer enkele gagstroken van een zekere Arno gepubliceerd worden. Deze tekstloze strookjes zijn echter geen lang leven beschoren, en het zou wachten zijn tot december van dat jaar om weer een strip tegen te komen.

Op donderdag 6 december 1945 worden namelijk de eerste twee stroken van "Les Trafiquants de Tchoung-King" gepubliceerd op een pagina met als titel "Bonjour St-Nicolas!". De publicatie zou wekelijks voortgezet worden tot einde maart 1946 op de pagina "Femme et Famille" van de krant. "Les Trafiquants" is een ballonstip die in een zeer nette "klare lijn"-stijl getekend is en er heel aantrekkelijk uitziet.

Het verhaal draait rond Ming-Ho en Dick, twee bemanningsleden van de Amerikaanse cargo "Tenessee" die in januari 1938 aanlegt in Hong Kong. In een Amerikaanse bar komt het tot een gevecht tussen de twee bemanningsleden en een zekere Julius, waardoor ze in het ziekenhuis belanden. Als ze drie weken later het ziekenhuis mogen verlaten en de intrige eindelijk schijnt te beginnen, stopt plots de publicatie van het verhaal. Het is dan ook moeilijk uit te maken waar de auteur naartoe wou … Spijtig, want het verhaal zag er kwalitatief heel goed uit.

De auteur, een zekere "Saint Thiers", wordt alleen vermeld door middel van zijn handtekening. Er zijn in de krant verder geen aankondigingen over het verhaal of andere tekeningen van zijn hand te vinden en het pseudoniem "Saint Thiers" is verder onbekend. Verschillende elementen[1115] wijzen echter uit dat het verhaal waarschijnlijk origineel materiaal is.

BCB-medewerker Jean-Claude de la Royère schrijft het verhaal met zekerheid toe aan Maurice Tillieux, een Belgische tekenaar die in de jaren 1940 zijn eerste stappen in de stripwereld zette en in de jaren 1960 zeer bekend zou worden door zijn werk voor Uitgeverij Dupuis. Een vergelijking van de stijl van "Les Trafiquants" en van het vroege werk van Tillieux bevestigt inderdaad die toeschrijving. Zowem de lettering als de tekenstijl (vooral dan de manier om neuzen en monden te tekenen) komen overeen met ander werk van Tillieux.

Maurice Tillieux werd op 8 augustus 1921 geboren in het Waalse stadje Huy. Zoals van bekende tekenaars wel eens gezegd wordt, toonde hij al op zeer jonge leeftijd een grote interesse in schrijven en tekenen. En tegen het einde van de jaren 1930 slaagde hij erin tekeningen te publiceren in de Dupuis-tijdschriften Le Moustique en Spirou. Dit gebeurde via Spirou-hoofdredacteur Jean Doisy, buurman en vader van één van de klasgenoten van Tillieux. Zijn echte passie was echter de scheepvaart. Na zijn middelbare studies volgde hij lessen op de scheepvaartscholen van Oostende en Antwerpen, waar hij in 1940 zijn diploma van aspirant-officier behaalde. Maar de oorlog kwam een stokje voor zijn plannen steken.

Tijdens de oorlog probeerde hij de verplichte tewerkstelling te ontwijken door naar Frankrijk te vluchten, maar hij kwam al snel terug. Hij kwam tijdens deze oorlogsperiode op verschillende manieren aan de kost: zo was hij decorator, publicitair schilder, maakte hij illustraties voor de Dupuis-publicaties en schreef hij een roman, "Le Navire qui tue ses capitaines",  die zich natuurlijk afspeelt op een schip. 

In 1945 publiceerde hij de strip Browil in het verzetsblad Le Pavé. En in hetzelfde jaar ging hij zich op aanraden van Jean Doisy aanbieden bij "Studio Guy". Deze studio, onder leiding van Guy Depière, gaf toen het jeugdblad Bimbo uit. En een jaar later kwamen daar de titels Jeep en Blondine bij. In Bimbo publiceerde Tillieux onder een ganse hoop Amerikaans klinkende pseudoniemen: John Cliff, James Jhames, Ronald Scott, Jill Morisson. Bij zijn tekeningen liet hij zich beïnvloeden door de stijl van Hergé en van Amerikaanse voorbeelden. Hij publiceerde in 1945 ook drie kinderboeken en werkte vanaf 1947 mee aan de nieuwe publicatie Heroic-Albums, waarvoor hij het personage Bob Bang zou scheppen, niet toevallig een zeeman.[1116] Net zoals de hoofdpersonages van "Les Trafiquants" zeelieden zijn.

De eerder vermelde Jean Doisy zou de link kunnen zijn tussen Maurice Tillieux en Le Drapeau Rouge. Doisy, eigenlijk een pseudoniem voor Georges Evrard, was een "militant communiste convaincu"[1117] , was lid van de KPB en bezat er blijkbaar goede connecties[1118]. Het is dus heel goed mogelijk dat iemand van Le Drapeau Rouge Doisy benaderd heeft met de vraag of hij een striptekenaar kende die iets wilde maken voor de krant.

Voor de vroegtijdige stopzetting van het verhaal zijn er verschillende mogelijkheden. Besparingen zouden de reden kunnen zijn, een eigen tekenaar kost natuurlijk wel iets. Maar heel wat andere redenen[1119] zijn mogelijk. Zo is het heel goed mogelijk dat het verhaal de verantwoordelijken van Le Drapeau Rouge niet beviel, of dat ze inspraak[1120] eisten in de inhoud van het verhaal, en dat Tillieux dit weigerde.

Het gebruik van het pseudoniem Saint Thiers[1121] kan een middel zijn om niet met zijn naam in de communistische pers te verschijnen, maar het kan ook gewoon een gewoonte zijn, zoals hij zijn werk in Bimbo ook ondertekende met pseudoniemen.

 

12.2.2. Sporadische strippublicaties

 

Na dit verhaal zouden strips slechts nog sporadisch in Le Drapeau Rouge opduiken, en dan nog alleen op de jeugdpagina. Vanaf 26 april 1946 wordt namelijk op donderdag de pagina "Ohé, les jeunes" gepubliceerd. "Femme et Famille" verhuist naar de zaterdag en zal verder geen strips meer bevatten.

"Ohé, les jeunes" wordt meestal gevuld met allerlei artikels en neemt dus ook soms strips op. Van september tot november 1948 worden vijf afleveringen van "Renard" gepubliceerd. Deze afleveringen vertellen telkens een streek van Reinaert de Vos. Deze stroken met ondertekst, en een nogal extravagante lay-out, zijn van de hand van de Fransman Roger Bussemey[1122], die vanaf 1946 voor Franse kranten en tijdschriften werkte, waaronder het communistische l'Humanité.

Verder duiken ook nog vier gagstroken (twee in 1948, twee in 1950) van R. Mas[1123] op (met de personages Anatole, Barbichette en Bec d'Or) en de geïllustreerde verhalen[1124] van Bec d'Or. Deze verhalen, die soms in de vorm van strips gemonteerd worden, zijn geïllustreerd door diezelfde R. Mas of door C. Arnal. Deze Bec d'Or-verhalen werden oorspronkelijk gepubliceerd in de wekelijks jeugdbijlage van L'Humanité.

 

12.3. "La vie héroïque du colonel Fabien"

 

De laatste strip die moet vermeld worden heeft een hoog propagandagehalte. In januari en februari 1950 wordt in "Ohé, les jeunes" het verhaal "Fabien, héros de légende" gepubliceerd, het verhaal van een Franse verzetsheld tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het gaat om een verstripte biografie, of beter hagiografie van de Franse communistische verzetsman Pierre Georges, ook wel bekend als "Colonel Fabien". In zeven afleveringen[1125] van twee stroken geeft auteur Maurice Damois een overzicht van zijn heldendaden.

In 1945 publiceerde Albert Ouzoulias, strijdmakker van Fabien, het hagiografische "La vie héroïque du colonel Fabien" in boekvorm[1126]. Het is dan ook niet uitgesloten dat auteur Maurice Damois zich hierop baseerde om zijn stripadaptatie te maken. Damois was in de jaren 1950-1952 als striptekenaar actief in de Franse communistische dagbladpers (Ce Soir, L'Humanité, Le Patriote), en werkte daarbij samen met verschillende scenaristen.[1127]

 

12.3.1. De Feiten

 

De Franse Communistische Partij ontstond in 1920. In het midden van de jaren 1930 integreerden de communisten in het Franse politiek leven, door hun deelname aan de Volksfrontregering van Leon Blum. Tijdens de Spaanse burgeroorlog stuurde de PCF vrijwilligers naar Spanje, om er samen met de republikeinen te vechten tegen de troepen van Franco. Frankrijk bleef ondertussen een non-interventiebeleid voeren.

Maar tegen de vooravond van de Tweede Wereldoorlog raakten de Franse communisten meer en meer geïsoleerd. Toen het parlement moest stemmen over de akkoorden van Munchen, waarin Tsjechoslowakije werd opgeofferd aan Duitsland, verzetten de communisten er zich als enigen tegen.

De Franse communisten werden verrast door het Molotov-Von Ribbentrop-akkoord, een niet-aanvalspact tussen Duitsland en de Sovjetunie, waarin ook een verdeling van Polen geregeld werd. Aangezien ze aan de kant van de USSR stonden, konden de Franse communisten het akkoord niet veroordelen. Ze kwamen dan ook in een zeer netelige positie terecht en wisten eigenlijk niet goed hoe ze antifascisme en communisme in zo'n context met elkaar moesten verenigen. De officiële richtlijnen luidden dat de oorlog een imperialistische oorlog was waar ze eigenlijk niets mee te maken hadden, en waar ze zich dus moesten buitenhouden.

Vooral omdat Hitler op 1 september 1939 nu ook Polen binnenviel, na Oostenrijk en Slowakije het zoveelste slachtoffer van de Duitse expansiedrang. Twee dagen later verklaarde Frankrijk Duitsland de oorlog en werd de algemene mobilisatie afgekondigd.

Eerste minister Daladier verbood de PCF op 26 september 1939, na een maand eerder de communistische pers al verboden te hebben. Communistische parlementsleden werden afgezet en communistische militanten gingen ofwel clandestien, ofwel de gevangenis in. Duizenden communisten werden toen gearresteerd. Maar clandestien probeerde men onder andere het verspreiden van pamfletten en kranten verder te zetten. Ondertussen werd het anticommunisme nog versterkt door de Russische inval in Finland, eind november 1939.

Op 10 mei 1940 was het dan zover: Hitler zette de westelijke aanval in en overrompelde België, Nederland en Frankrijk. De Franse regering was verdeeld over de houding die ze moest aannemen tegen de Duitse overmacht: capituleren betekende enkel dat het leger de strijd opgaf, een wapenstilstand betekende echt een politieke onderwerping aan de Duitsers. De tweede mogelijkheid haalde het. Op 22 juni 1940 aanvaardden de Fransen de Duitse voorwaarden: het land werd onder andere in twee zones verdeeld. Het Noordelijk en het Atlantisch gebied (met o.a. Parijs) werden bezet door de Duitsers. Het Zuidelijk gebied was een "vrije zone", waarin zich het zogenaamde "Vichy-regime" ontwikkelde onder leiding van de bejaarde maréchal Pétain. Dit niet al te democratische regime ging samenwerken met de Duitsers. Pro-Duitse, anti-joodse en anti-communistische maatregelen werden genomen, de interne oppositie uitgeschakeld, de individuele vrijheid beperkt, …

Het verzet geraakte in een eerste fase zeer moeilijk georganiseerd. Vanaf 1940 ontstonden clandestiene kranten en organisaties. Het feit dat Engeland aan de Duitsers kon weerstaan en dat generaal De Gaulle vanuit Londen het verzet verderzette, gaf de Fransen weer hoop.

Lange tijd waren de communisten de enige goed georganiseerde verzetsgroep. Maar tot 22 juni 1941 was hun houding op z'n minst dubbelzinnig te noemen. Op die dag vielen de Hitler-troepen namelijk, ondanks het niet-aanvalspact, toch de USSR binnen. Tot dan toe waren er wel communisten actief in het verzet, maar was de partijleiding er niet bij betrokken. Nu stortten de Franse communisten zich volop in het verzet. Ze vormden een "Front National de lutte pour l'indépendance de la France, die zowel een geheime organisatie als gewapende groepen (de "Francs-Tireurs Partisans Français") bevatte.

Op 21 augustus 1941 schoot Pierre Georges, de latere "colonel Fabien", een Duitse militair neer in de Parijse metro. Het zou het begin zijn van een ganse reeks aanslagen, die de Duitsers zouden aanzetten tot bloedige represailles (onder andere het executeren van gijzelaars). Ondertussen ging het Vichy-regime altijd maar nauwer samenwerken met de Duitsers. Naast Pétain kwam er een tweede sterke man op, Pierre Laval, die veel meer aanleunde bij de Duitsers. Tegen het einde van de oorlog versterkte het verzet zich en probeerden de verschillende organisaties zich te hergroeperen. De communisten hielden echter een grote autonomie.

In juni 1944 had dan de landing in Normandië plaats, waarna Frankrijk langzaam aan bevrijd werd. In Parijs wachtte men echter niet op de troepen. De bevolking en de verzetsgroepen kwamen er op 18 augustus 1944 in opstand, en wipten met de hulp van de een paar dagen later gearriveerde troepen de Duitsers buiten.[1128]

 

12.3.2. Het Verhaal

 

"Pierre Georges, futur Colonel Fabien, est un enfant du peuple, né un jour de janvier 1919, dans un faubourg de Paris." Zo luidt de inleiding van het verhaal, dat begint in de jeugdbeweging. Daar worden de leiderscapaciteiten de populariteit van de latere verzetsheld al goed in de verf gezet. De andere jongens duiden hem aan als leider en willen absoluut in zijn ploeg zitten, want "il n'y en a pas deux comme lui pour organiser les sorties et les jeux."[1129]

Maar als sociaal geëngageerde jongere denkt hij niet alleen aan spelen: "Camarades, ce n'est pas tout de jouer! Nos frères sont en grève. Les vrais pionniers iront collecter pour eux."[1130] Zijn initiatief wordt met enthousiasme onthaald.

En zijn sociale overtuiging zit blijkbaar diep: in de leer bij een bakker, geeft Fabien zijn ontslag omdat zijn baas heeft durven zeggen dat alle arbeiders luieriken zijn. Hij gaat dan maar in een fabriek werken en neemt daar actief deel aan het syndicaal leven. Daarnaast gaat hij 's zondags ook nog leuren met "L'avant-garde", "le journal des jeunes travailleurs."[1131]

Als de burgeroorlog in Spanje uitbreekt, biedt hij zich aan om aan de kant van de Republikeinen van het Volksfront te gaan vechten, maar wordt er zwaar gewond. Terug in Frankrijk gaat hij werken op de luchtvaartfabriek Bloch.

"Il se marie et après la honteuse trahison de Munich, c'est la guerre …"[1132] Fabien wordt echter, door zijn "Spaanse" verwondingen, niet toegelaten in het leger. Maar hij is vastbesloten om te strijden: "Mon rôle est maintenant de lutter contre l'ennemi intérieur." Een vriend waarschuwt hem echter: "Fais attention, Pierre, tu sais qu'ils vont profiter de cette guerre pour prendre la revanche de nos victoires de 1936."[1133]

Maar hij zet door en wordt een clandestiene militant van de Communistische Partij. Hij houdt zich onder andere bezig met het drukken en verdelen van de krant "L'Humanité", sinds september 1939 verboden (door de Franse regering). Maar de (Franse) politie valt binnen en Fabien wordt opgepakt. Hij wordt gefolterd om hem te doen klikken, ze beloven hem de vrijheid als hij informatie geeft, "mais le mépris se lit sur son visage malgré les coups qui cingles ses cicatrices à peine refermées."[1134]

In mei 1940 wordt hij in het kamp van Baillet opgesloten, maar dat moet ineens ontruimd worden omdat de Duitsers Parijs naderen. De gevangenen worden echter gewaarschuwd: "gare à ceux qui en profiteraient pour fuir, ils seraient abattus comme des chiens!"[1135] Maar de machinisten van de trein die de gevangenen wegvoeren, denken daar blijkbaar anders over: "Tu sais que ce sont des prisonniers politiques, des copains quoi!" Fabien en een hoop andere kunnen dan ook ontsnappen: "Grâce à ces cheminots patriotes, Pierre Georges retrouve la liberté pour reprendre le combat! Mais la police est aux aguets …"[1136]

"En 1941, à Toulouse, où Pétain vient prêcher la collaboration."[1137] Fabien en zijn mannen werken een plan uit om de menigte te overladen met pamfletten: ze worden in een dakgoot geplaatst om op het juiste moment naar beneden getrokken te worden. "Peu après, le sinistre Pétain et sa bande passent dans un nuage de tracts à la grande fureur des officiels!"