Stripverhalen in de Belgische dagbladpers (1945 - 1950). Inventaris en politiek-maatschappelijke analyse. (Sébastien Baudart)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Deel 4: Stripverhalen in de Belgische dagbladpers 1945-1950, Het onderzoek.

 

II. De kranten

 

10. La Wallonie

 

10.1. Historiek en situering

 

La Wallonie verscheen onder deze titel vanaf 1923. Door verschillende initiatieven vanaf het begin van de 20e eeuw, ontstond ze als Luikse editie van de socialistische krant Le Peuple. De Brusselse redactie had dan ook een grote invloed op de inhoud van de krant. Tijdens het interbellum steeg de oplage mede door het feit dat de Luikse afdeling staal van de socialistische vakbond, voor de vakbondsleden een abonnement op La Wallonie verplicht maakte.

Na een onderbreking tijdens de Tweede Wereldoorlog, verschijnt de krant terug op 11 september 1944. Ze wordt meer en meer een product van de vakbondsbeweging, die de krant in 1951 zou overnemen. Directie en hoofdredactie zijn in 1950 in handen van Isi Delvigne. Voor 1953 vermeldt Campé een oplage van 57.000 exemplaren.[1034]

De krant stelt zich voor als "Quotidien belge illustré" en verschijnt zes keer per week (zaterdag en zondag vormen samen één krant), waarbij er telkens strips opgenomen worden. Het aantal pagina's klimt van 4 à 6 in 1946 tot 6 à 10 in 1950. Het formaat van de krant bedraagt 42 op 58 cm.

 

10.2. Nos feuilletons illustrés

 

10.2.1. Mandrake & Annie

 

De eerste stripstroken duiken in La Wallonie op in december 1945. Over zes afleveringen wordt een kortverhaal van Tarzan verteld, als reclame voor een bioscoopfilm. Daarna is het echter vier maanden wachten op het echte begin van de strippublicaties, die op woensdag 24 april 1946 van start gaan.

Op die dag starten namelijk de Amerikaanse reeksen "Mandrake le Magicien"[1035] en "La petite Annie Rooney"[1036], die gedurende zes maanden (tot begin november) de lezers van de krant zouden bezighouden. De twee reeksen zijn ballonstrips en zijn getekend in een realistische stijl. Mandrake is een gemaskerde onrechtbestrijder die over magische krachten beschikt. In de twee gepubliceerde verhalen verslaat hij een geleerde en zijn robot en zorgt hij ervoor dat een meisje voor haar 21e met de man van haar leven kan trouwen, en dit ondanks de tegenstand van haar voogden omwille van een erfeniskwestie.

Annie Rooney is dan weer een weesmeisje dat mishandeld wordt door haar voogdes en daarom constant op de vlucht slaat. Ze moet dan ook zelf voor haar onderhoud zorgen en probeert werk te vinden: maar het vinden van werk is zeer moeilijk voor zo'n meisje, en als ze al iets vindt, wordt ze ofwel uitgebuit, ofwel na korte tijd bedankt. Moeilijk is ze niet, ze wilt voor iedereen goed doen, ze wilt altijd iedereen helpen, wilt nooit een last zijn, en is ondanks alles altijd tevreden. Op een dag komt ze terecht bij de miljonair Billion, die zich over haar ontfermt. Hij overlaadt haar met luxe en cadeautjes, maar Annie blijft hetzelfde eenvoudige meisje: ze besluit een hoop andere kinderen van die rijkdom mee te laten profiteren. Soms slaat ze zelfs aan het filosoferen: "Bien sûr, j'aime toutes ces jolies choses que j'ai – et mes beaux habits et les servantes qui s'occupent de moi – Mais je crois que les gens peuvent être heureux même s'ils n'ont pas des tas d'argent."[1037] En haar goede geest gaat blijkbaar over op Billion, want op een dag besluit hij aan alle arme gezinnen van de stad een huis te schenken, gevolgd door andere weldaden. De publicatie van Annie eindigt met een scène waarin Annie en Billion naar de sterren kijken, en deze laatste zegt: "Les actions des hommes ne sont que futilités. On devrait forcer les hommes à étudier les planètes jusqu'à ce qu'ils comprennent qu'ils ne sont pas plus gros qu'un grain de poussière."[1038]

 

10.2.2. De Belgische toer op

 

Op 30 oktober 1946 komen daar twee reeksen bij, zodat La Wallonie gedurende een week 4 stripstroken publiceert. En deze keer gooien ze het over een andere boeg, met de publicatie van Belgisch materiaal.

In "Le sept de trèfle" vertelt Marleb - een toenmalig pseudoniem van Jacques Martin[1039] - de avonturen van Kapitein O.W. Hard van Scotland Yard, de jonge Jack, en zijn kat Minne. Ze moeten het opnemen tegen de bende van de "sept de trèfle". Deze bende bedreigt alle hoofdsteden van de wereld met vernietiging door een nieuw atoomwapen als ze binnen de 24 uur geen miljard in goud krijgt. Maar de klaverenbende had blijkbaar zonder O.W. Hard en Jack gerekend: hun schuilbasis wordt vernietigd en de bende ingerekend. Het verhaal, dat soms een beetje verwarrend is, wordt gebracht in een zeer nette klare-lijnstijl.

De tekenaar zou daarover later in een interview verklaren: "Très vite, j'ai executé des dessins pour des agences de publicité, mais aussi pour des journaux comme L'indépendance de Charleroi et La Wallonie de Liège. Le premier personnage que j'ai créé pour une aventure intitulée Le Hibou Gris s'appelait Jack et son petit chat blanc: Minne, héros inspiré de Tintin. Avec ce personnage, là, j'ai entrepris une autre histoire: Le Sept de Trèfle."[1040] Voor zover bekend is de publicatie in La Wallonie de eerste[1041]. Het verhaal zou op de krant beland zijn door een man die Martin leerde kennen op een Brussels reclamebureau, en die zijn werk aan verschillende uitgevers was gaan voorstellen.[1042]

Het tweede Belgische verhaal dat La Wallonie publiceert, is getiteld "Les aventures de Folichon dans la résistance", en zou meer dan een jaar lopen. Zoals de titel het al aangeeft, worden hierin de avonturen van een verzetsstrijder verhaald door een onbekende auteur. Op dit verhaal zal verder dieper ingegaan worden.

 

10.2.3. Terug naar de agentschappen

 

Spijtig genoeg houdt La Wallonie het voorlopig bij deze twee verhalen van Belgische oorsprong. Daarna zou de krant vooral agentschapstrips publiceren, en dit voorlopig aan het ritme van 2 stroken per dag. In november 1948 zouden het 3 verhalen en vier stroken worden, om dan in december bij 4 verhalen, met telkens één strook, te belanden. Ze worden samengezet in de rubriek "Nos feuilletons dessinés".

Daarbij zitten zowel avonturenverhalen als gagstroken, in een mengelmoes van grafische stijlen. Een overzicht … "La Famille Flop"[1043] loopt van mei 1947 tot juni 1949. Deze gagstrip van Swan bestaat uit de traditionele familiegrappen, de man die seksistische grappen maakt over zijn vrouw, de jongen die thuiskomt met een slecht rapport, enzovoort. Vanaf december 1948 duikt ook de gagstrip Oscar[1044] van Jean Leo in La Wallonie op.

Jim Harvey (november 1948 – juni 1949) is dan weer een politieverhaal bestaande uit een aaneenrijging van achtervolgingen, schietpartijen en afrekeningen, waarbij de New Yorkse detective Jim Harvey de misdadigers bestrijdt. Het verhaal is getekend in een zeer slordig realisme, en op dezelfde slordige en onhandige manier geletterd. Auteur is een zekere "Ruzi" en het verhaal is waarschijnlijk origineel[1045]. De tekenstijl vertoont op sommige momenten zelfs overeenkomsten met die van Folichon (dat anoniem gepubliceerd wordt). Het is dan ook mogelijk dat de twee verhalen door dezelfde auteur ("Ruzi") getekend zijn, maar ik durf mij hier niet met zekerheid over uit te spreken.

Van april tot oktober 1949 verschijnt een vijfde strip in La Wallonie: Le Capitaine Fracasse. Deze ondertekststrip van de Fransman Robert Bressy[1046] vertelt het verhaal van een geruïneerde baron ten tijde van Louis XIII, die op rondreis gaat met een toneelgroep. Maar onze baron wordt verliefd op de mooie Isabelle van het gezelschap. Als uiteindelijk dan blijkt dat Isabelle de verloren dochter is van een rijke Hertog, eindigt het verhaal met een sprookjeshuwelijk. Het verhaal is een verstripping van de roman van de Franse negentiende-eeuwse auteur Théophile Gautier[1047].

Popeye[1048] (juli – december 1949) komt niet verder dan een aaneenschakeling van flauwe grappen, en wordt na zes maanden abrupt afgebroken met een kort bericht[1049], waarin het verder verloop van het verhaal verteld wordt.

Rip Kirby[1050] (vanaf juni 1949) is een detectivereeks van de Amerikaanse grootmeester Alex Raymond, en is één van de beste Amerikaanse reeksen die op dat moment in de Belgische pers gepubliceerd worden. Het zeer verzorgde realisme van Raymond steekt fel af tegenover de slordigheid van sommige andere reeksen. Zoals in de meeste Amerikaanse detectives, wisselen het oplossen van misdaden en liefdesaffaires elkaar af. Een verdwenen model, een erfeniskwestie, een edelstenensmokkel, Rip probeert het allemaal op te lossen. Politiek komt in de gepubliceerde afleveringen niet echt aan bod. Wel ontlokt een als schilder vermomde Rip Kirby de volgende uitspraak aan enkele voorbijgangers: "Regarde-donc c'type là! Il a une tête de bolschévique!"[1051]

"Le roi de la police montée"[1052] loopt van november 1947 tot november 1949 en vertelt de avonturen van de "Mountie" King, die, zoals men kan verwachten, zichzelf constant in nesten werkt. Hij lost een moordzaak op, wordt geconfronteerd met een uit de hand lopende concurrentie tussen autocoureurs, onderzoekt de oplichting van Indianen en wordt zelf door hen verdacht, en hij vindt in een hut een overlevende van een vliegtuigcrash, die ook de diamanten bewaart die dat vliegtuig vervoerde. In het laatste gepubliceerde verhaal komt hij in aanraking met een mysterieuze, en waarschijnlijk Russische[1053], bende. Een professor heeft een elektronisch wapen uitgevonden en is blijkbaar ook van plan het te gebruiken: "Avec quelques de ces tubes, je peux anéantir des armées entières! Je suis le maître du monde!"[1054], roept hij uit. Maar uiteindelijk wordt hij zelf gedood door zijn uitvinding.

Deze reeks wordt in november 1949 opgevolgd door "Luc Bradefer"[1055], in de oorspronkelijke versie "Brick Bradford". Met hun vliegtuig maken Luc en zijn gezelschap een noodlanding in de tropen, waar ze gevangen genomen worden door een stam "wilden". Maar dankzij de blanke tovenaar en via veel slachtoffers bij de inboorlingen slagen ze erin te ontsnappen en terug de bewoonde wereld te bereiken. Op te merken is een klein gesprek over Hitler aan het begin van het verhaal. Luc en zijn vriendin Béryl komen net terug van de maan en hebben sinds voor de oorlog geen nieuws van de aarde meer gehad. Béryl vraagt zich dan ook af wat "ce fou d'Hitler" zou geworden zijn. Waarop Luc antwoordt: "Les Allemands se sont certainement débarrassés de lui!"[1056]

Tenslotte wordt vanaf december 1949 Mickey Mouse gepubliceerd, meer bepaald het verhaal dat onder de titel "Mickey en Zorro" ook in de Volksgazet gepubliceerd werd.

 

10.3. Les Aventures de Folichon dans la Résistance

 

Zoals hierboven al aangehaald, verschijnen "Les aventures de Folichon dans la résistance" van 30 oktober 1946 tot 6 november 1947 in La Wallonie. Het verhaal wordt volledig anoniem gepubliceerd, er is geen enkele aanduiding van een auteur of een copyright te vinden, en in de tekeningen zelf is geen enkele handtekening te bespeuren. Ook vergelijking met andere tekeningen in de krant levert niet echt iets op: de strip is te klein afgedrukt om echt de tekenstijl te kunnen vergelijken, én de meeste andere tekeningen zijn ook niet ondertekend.

Maar aangezien het begin van het verhaal zich afspeelt in België, en het geheel er nogal slordig uitziet, kan men besluiten dat het verhaal speciaal voor La Wallonie gemaakt werd, of toch tenminste van Belgische oorsprong is.

 

10.3.1. De bloedige avonturen van een verzetsstrijder

 

Het verhaal begint met Folichon, een jonge Belg, die vanuit zijn zetel naar de radio luistert. Radio Londen doet een oproep: "Allo allo ici Londres … Belges venez combattre avec vos alliés." Waarop Folichon denkt: "L'idée n'est pas mauvaise? Je vais y réfléchir: allons dormir."[1057] De volgende dag krijgt Folichon een anonieme brief van "een vriend", die hem waarschuwt dat de Felfgendarmerie opdracht gekregen heeft hem op te pakken. Folichon maakt zich klaar en vlucht weg. En terwijl hij uitdagend denkt: "Vous pouvez toujours essayer de me retrouver Ms. les Allemands"[1058], neemt hij de trein naar Mons.

Dan begint een - voor de Duisters - bloedige achtervolging: Folichon bevrijdt zich van twee Feldgendarmen die de trein wilden controleren, schiet een Gestapo-man neer en steelt zijn auto. Hij kan nog enkele achtervolgers van zich afschudden, valt zelfs even in handen van de Duitsers, maar natuurlijk slaat of schiet Folichon zijn bewakers neer en vlucht hij verder. Langs een venster springt hij op een vrachtwagen die stro vervoert, en op deze manier geraakt hij probleemloos de grens over, Frankrijk binnen.

Net over de Franse grens springt Folichon van de vrachtwagen en wordt hij opgepikt door een motorrijder, die hem mee naar huis neemt. Daar toont de motorrijder hem een krant waarin over hem geschreven wordt : er wordt 500 frank beloning uitgeloofd voor wie inlichtingen kan verschaffen over zijn persoon: "Ce bandit a abattu deux soldats de la noble Allemagne … Ce crime ne … impuni. Tous bon … Belges sont priés de nous donn … renseigner."[1059] De man, duidelijk een weerstander, geeft Folichon zijn motor en zijn pistool mee, zodat hij kan verdervluchten.

Even later krijgt hij – natuurlijk - weer de Gestapo achter zich aan. Maar zoals te verwachten, slaagt hij er door een list in hen hun auto afhandig te maken en door te rijden tot in Bordeaux. Onderweg rekent hij weer met een paar Gestapo's af.

Als hij langs de kant van de weg een Duitse vlieger-officier opmerkt, geeft hij hem een lift, om hem dan even later koelbloedig neer te schieten, zijn uniform aan te trekken en het lijk in een ravijn te gooien. Verkleed als Duitse officier rijdt Folichon nu probleemloos het vliegveld van Bordeaux binnen. Daar stapt hij uit, begeeft hij zich naar een vliegtuig, zet de motor in werking en stijgt op. Met groot alarm als gevolg; Duitse vliegtuigen stijgen op en een luchtgevecht ontstaat. Folichon haalt wel een achtervolger neer, maar wordt zelf ook geraakt, zodat hij moet landen. Een Duits vliegtuig landt in de buurt om Folichon gevangen te nemen, en natuurlijk vlucht deze met het toestel van zijn achtervolgers naar Engeland, het doel van de reis. Als de Engelse kust in zicht komt, roept hij dan ook "Enfin! Quelle joie!"[1060].

In Engeland gaat Folichon na een korte rustperiode aan de slag bij het Engelse leger. Hij wordt piloot van een bommenwerper die vliegvelden bombardeert en Duitse toestellen neerhaalt. "Avec calme et précision, la forteresse commence son oeuvre de déstruction. Les bombes trouent l'air avec un sifflement lugubre. L'anéantissement de l'aérodrome allemand, se poursuit d'un façon systématique."[1061] Op een dag volgt een speciale opdracht: de stuwdam van een elektriciteitscentrale opblazen. Daarbij vallen weer een hoop Duitse slachtoffers. En na enkele moeilijkheden slaagt Folichon erin terug te keren naar zijn basis.

En omdat hij zo goed werk geleverd heeft, besluit de kolonel hem te belasten met een heel speciale opdracht: "Sans perdre de temps, je tiens à vous confier une mission beaucoup plus périlleuse encore. Voyez cette carte. Dans cette île, les Allemands ont installé une station secrète. Tous nos avions qui passent à proximité sont descendus au moyen d'une nouvelle arme. Cette base importante doit être anéantie."[1062] Folichon krijgt hiervoor een nieuw vliegtuig met inklapbare vleugels, dat gelanceerd wordt met een katapult, dat automatisch schiet en dat onraakbaar is voor kogels. Het kan ook aan het nieuwe Duitse wapen, de V-straal, weerstaan.

Maar er bevinden zich blijkbaar verraders in de rangen van de geallieerden. Een "domestique félon" van de basis vindt het zijn taak om de "vijfde colonne" te waarschuwen van de opdracht van Folichon.

Folichon landt op het eiland, wordt gepakt, maar kan natuurlijk vluchten. Hij saboteert de apparatuur van de Duitsers en lanceert een oproep tot de geallieerden om het eiland te komen bombarderen. Dit lukt blijkbaar goed, want als Folichon het eiland gaat nakijken merkt hij op: "Tout m'a l'air consciencieusement aplati."[1063]

Hierna krijgt Folichon nog een derde opdracht: een mysterieuze bende werkt de geallieerden tegen en hij wordt belast met een onderzoek. Hij trekt daarvoor weer naar een eiland, maar wordt door de Duitsers verrast. Hij wordt opgesloten, samen met een jonge vrouw van de IS[1064]. Maar hij slaagt er natuurlijk weer in te ontsnappen, een hoop Duitsers naar een andere wereld te helpen, het munitiedepot op te blazen, een dokter die medische experimenten uitvoert, dood te schieten, een gefolterde gevangene te bevrijden, en ga zo maar door. Uiteindelijk nadert de Britse vloot en even later bombarderen de geallieerden het eiland vanuit de lucht en vanuit de zee. Het eiland wordt volledig kapotgeschoten, en de Duitsers beginnen te panikeren. De geallieerde overmacht is te groot: de Duitsers geven zich over. De taak van Folichon is volbracht en de volgende dag keert hij terug naar Engeland, "l'invincible refuge de la liberté"[1065].

In verhouding tot de verhaalde feiten wordt het verhaal van Folichon op een zeer luchtige manier verteld. Duitsers worden gedood zoals men vliegen doodmept. Het verhaal is volledig in een eenvoudige realistische stijl getekend, behalve voor het hoofd van Folichon, dat nogal simpel getekend is, waarschijnlijk om de herkenbaarheid van het personage te vergroten. Folichon loopt ook meestal rond met een glimlach op zijn gezicht en een pijp in zijn mond. Voor gevoelige zielen is het verhaal ook niet echt geschikt: er wordt meestal uitgelegd hoe een Duister gedood wordt (kogel in de nek, door het hart, hoofd tegen een boom gekwakt) en dat wordt op de tekeningen ook effectief getoond. Hierna zullen een aantal elementen verder uitgediept worden.

 

10.3.2. Fritz, Karl, Wilhelm en Co

 

Zoals men wel al kan verwachten, worden de Duitsers in dit verhaal zo slecht mogelijk voorgesteld. Dit komt ook tot uiting in de woorden die gebruikt worden om de Duitsers aan te duiden. Soms blijft de auteur vrij braaf ("l'Allemand", "le nazi", "le policier", "le gestapiste", "le SS"), en soms laat hij zich blijkbaar gaan: "les boches", "saligauds", "bandits", "tueurs", "traitre", "reptile". Sommige opmerkingen van Folichon gaan trouwens dezelfde toer op: "ils ont l'air de deux grenouilles", "Tas d'idiots! Ils ne valent même pas la corde pour les pendre."[1066]

En natuurlijk ontbreekt ook het traditionele idiote taaltje van de Duitsers hier niet: "Ach! C'est danger monter ici. Beaucoup vent", "Ya pas bon.", "Vous bien regarder. Fritz lui peut-être pistolet."[1067] En inderdaad: Fritz!

Om het geheel volledig te maken worden de meeste Duitsers met dezelfde typische namen aangeduid: Fritz en Karl komen veelvuldig voor, voor de rest verschijnt soms ook een Max, Wilhem of Franz.[1068]

De Duitsers worden ook voorgesteld als arrogant en overtuigd van hun gelijk. Zo reageert bijvoorbeeld een Gestapo-man die wilt gaan telefoneren in een boerderij: "Gestapo. il faut que je télephone tout de suite." En als de boer antwoordt dat hij geen telefoon heeft, dreigt de Duitser met zijn wapen en zegt "Vous avez menti. Je ne sais ce qui me retient de vous descendre. Otez-vous que je passe."[1069] Of nog deze uitspraken tegen Folichon: "On finit toujours par se faire prendre, mon petit ami!"[1070], "Ah! Ah! On va t'apprendre ce qu'il en coûte de s'en prendre aux soldats du grand Reich!"[1071]

Hun houding contrasteert natuurlijk met de resultaten die ze bereiken. Hoe zelfverzekerd en arrogant ze zich ook voordoen, hun mislukkingspercentage ligt zeer hoog, met als resultaat dat de Duitsers nogal dom en idioot overkomen: de keren dat Folichon er met Duitse vliegtuigen en auto's vandoor gaat, zijn ontelbaar. En als ze voelen dat de grond te heet onder hun voeten wordt, slaan ze op de vlucht[1072].

Ook de Duitse oorlogspraktijken worden onder de aandacht gebracht. Op het eiland van zijn laatste opdracht ontdekt Folichon ook een verborgen laboratorium waar een "Herr Doktor" experimenten uitvoert. Als Folichon binnendringt, wilt de "dokter" net een transplantatie uitvoeren op het zenuwstelsel van een baby van zes maanden. Het kind wordt aan de muur vastgeketend. Folichon kan dit natuurlijk niet laten gebeuren: "Horrible! Voila les crimes auxquels se livrent des savants allemands!! J'empêcherai cet assassinat, coûte que coûte". Hij schiet dan ook de "misdadiger"[1073] neer.

Even later hoort Folichon in hetzelfde gebouw hulpgeroep. Hij gaat kijken en ontdekt een gevangene die gefolterd wordt. De gevangene, die met de handen boven het hoofd vastgebonden is, is zelfs bewusteloos gevallen door de folterpraktijken. Maar net als een Duitser de gevangene een zweepslag wilt toebrengen, schiet Folichon de zweep kapot, waarna hij de gevangene bevrijdt. En als hij dan ook nog ziet dat er op de binnenkoer gevangenen geëxecuteerd worden, twijfelt Folichon niet en schiet hij de officier, die de executie leidt, neer. Even later bevrijdt hij de terdoodveroordeelden.

Over de grafische voorstelling van de Duitsers is weinig te zeggen, omdat de tekeningen vrij slordig, klein en niet altijd even duidelijk zijn. Op het einde van het verhaal is wel een Duitse officier te zien met een snor en een monocle.[1074]

En niet alleen de Duitsers zelf, ook bijvoorbeeld de collaboratiekrant "Cassandre" krijgt ervan langs. In het begin van het verhaal leest Folichon deze krant, waarna hij opmerkt: "Un beau torchon ce journal. Je vais écouter les conseils de Londres."[1075] De krant waarin later het opsporingsbericht[1076] van de held Folichon verschijnt, is waarschijnlijk Cassandre.

 

10.3.3. Hoe maak ik een Duitser onschadelijk?

 

Een voorbeeld. Als Folichon in het begin van het verhaal de trein neemt, wordt hij gewaarschuwd door de treincontroleur, dat twee Feldgendarmen aan het volgende station zullen opstappen om controles uit te voeren. Folichon is dus gewaarschuwd, en als de Duitsers opstappen, vlucht hij op het dak. Maar dat is niet genoeg, hij daagt ze uit. De twee soldaten proberen hem te volgen, maar dat duurt niet lang: Fritz is het eerste slachtoffer. Folichon schiet een kogel door zijn lichaam, net onder zijn hals. Fritz valt dan ook van de trein: "Touché l'Allemand tombe … et s'écrase au sol où il reste étendu dans une mare de sang." Waarop Folichon opmerkt: "En voilà un de liquidé. Au tour du second maintenant." Bij de tweede, Karl, gaat het nog gemakkelijker. De trein nadert een tunnel en Folichon heeft net de tijd om op het dak te gaan liggen. Karl hing echter nog aan de zijkant van de trein: "Le policier n'ayant pas le temps de se garer, s'écrase contre la maçonnerie et tombe sur le sol où il reste étendu dans une mare de sang." Waarop Folichon, die niet goed snapt wat er gebeurd is, opmerkt: "Où est-il donc bien passé? S'il pouvait s'être démoli le portrait. Ce serait une chance pour moi."[1077]

Op deze manier gaat het het hele verhaal lang door. Andere uitspraken van Folichon bij het neerschieten van Duitsers zijn bijvoorbeeld: "Avale cette prune et digère la, si tu sais"[1078]. Of de vertellerstekst als Folichon net aan de hand van een granaat zijn Duitse achtervolgers in een ravijn heeft doen rijden: "Un sourire ironique aux lèvres, notre ami contemple son ouvrage.", waar Folichon nog aan toevoegt: "Encore deux boches de moins sur cette terre."[1079]

Soms lijkt het verhaal wel op een handleiding "Hoe maak ik een Duitser onschadelijk". Tips zijn er alleszins genoeg te vinden: vanop afstand schieten (als verdediging of als aanval), gewoon koelbloedig een ongewapende Duitser neerschieten, door het hart of in de nek schieten, met een granaat gooien, slaan met een fles, een auto door middel van een granaat in een ravijn doen storten, Duitsers zonder parachute uit een vliegtuig in volle vlucht gooien, of een Duitser bewusteloos in het water werpen, vanuit een vliegtuig neerkogelen, een Duitser met zijn hoofd tegen een boom kwakken, een rots bovenop een Duitser laten vallen, met een ijzeren staaf in het gezicht slaan, of nog de buik doorsteken met een bajonet.

Soms wordt het dan nog op een echt humoristische, of beter gezegd sarcastische, manier behandeld. Folichon komt een Duitse soldaat tegen en denkt "Encore un? Ca pullule par ici. Allons, soyons généreux! Il ne pourra que m'être reconnaissant de l'envoyer dans un monde meilleur."[1080] Folichon gooit een grote rots naar beneden, recht op de soldaat die net denkt "J'ai le pressentiment qu'il me tombera un de ces jours une tuile sur la tête". Wat dus ook gebeurt: "Atteint au milieu du dos, le boche s'écroule."[1081]

Of nog deze: Folichon krijgt weer last met een Duister en zegt met een glimlach op zijn gezicht "Sans être Japonais, je vais lui enseigner la pratique du Hara-Kiri". Waarop hij de Duitser wilt neersteken, maar deze merkt de aanwezigheid van Folichon op en roept om hulp. Dus knijpt Folichon maar zijn keel dicht en zegt "Assez de tintamarre! Dans quelques instants tu ne souffriras plus." Het dode lichaam ziet hij dan weer als een "Succulente nourriture pour les vers!".[1082] Folichon zegt zelfs eens "Ce ne fut qu'un jeu!" als hij net twee Duitsers neergeschoten heeft.[1083]

Enfin, over het hele verhaal helpt "notre ami" Folichon meer dan veertig Duitsers op één of andere manier naar een andere wereld. Daarnaast zorgt hij voor de vernieling van een tiental vliegtuigen, een tweetal auto's, een duikboot en een schip.

 

10.3.4. Superheld Folichon en de geallieerden

 

Een Duitser kan niet slecht genoeg zijn, maar Folichon is natuurlijk dé held. Hij wordt dan ook meestal aangeduid met "notre ami"[1084] of "notre héros"[1085]. Hij ontpopt zich in de loop van het verhaal tot een soort superman die alles aankan en zichzelf uit de meest onmogelijke situaties kan redden. In geen tijd verwisselt hij een autoband, bij luchtgevechten raakt hij probleemloos de vijandige toestellen, zodat ze brandend neerstorten, … Terwijl zijn eigen toestel hoogstens licht geraakt wordt aan de motor zodat een herstellanding nodig is. Een vuurgevecht vertoont meestal hetzelfde patroon: terwijl de Duitsers er gegarandeerd naast schieten, schiet Folichon altijd raak. Ook is het voor hem geen enkel probleem een mes in volle vlucht kapot te schieten. Hij overleeft een val in een ravijn door zich vast te houden aan een uitstekende struik, waarna hij dan op een rotsplatform belandt. Uit die positie wordt hij gered door een touw vast te grijpen dat voortgesleept wordt door een vliegtuig. Ook het onoverwinnelijke vliegtuig dat hij van de Engelsen tot zijn beschikking krijgt, past perfect in dit rijtje.

Naast Folichon, zijn de Engelsen in het algemeen natuurlijk ook de helden van het verhaal. Engeland wordt voorgesteld als het "beloofde land", het land van de vrijheid, waar Folichon absoluut naartoe wilt. Als hij met zijn vliegtuig de Engelse kust bereikt, krijgt men een tekening van de rotskust te zien met daarboven in koeien van benadrukte letters "Angleterre" geschreven[1086]. En radio Londen wordt als de enige betrouwbare informatiebron naar voor gebracht.

Folichon prijst trouwens ook het organisatietalent van de Engelsen aan: "Sapristi! Ces Anglais vont vite en besogne quand le besoin s'en fait sentir."[1087] Maar uit het verhaal is wel duidelijk genoeg dat het Engelse leger veel sterker en beter georganiseerd is dan het Duitse, zodat over de afloop van de oorlog geen twijfel kon bestaan.

We hebben hier dus te maken met een zwart-witverhaal waarbij de grote Belgische held Folichon het aan de zijde van de geallieerden opneemt tegen de verraderlijke en door en door slechte Duitsers. Folichon is "notre ami" die de Duitsers tegenwerkt en vernietigt, de Duitsers zijn arrogante idioten en mislukkelingen die folteringen en medische experimenten uitvoeren, en Engeland is het verzetsland dat Folichon zal helpen zijn plannen te verwezenlijken. Het verhaal is eigenlijk een echte lofbetuiging aan het adres van Folichon, en via dit personage aan het Belgische verzet en de Britse geallieerden.

 

10.3.5. Folichon, La Wallonie en het verzet

 

Dit verhaal dat de rol van een verzetsstrijder de hemel in prijst, kan niet los gezien worden van de repressie en de problemen waarmee het verzet na de oorlog te maken kreeg. Verzetsgroepen speelden een grote rol in de repressie onmiddellijk na de bevrijding. Ze eisten een harde aanpak en moeiden er zich ook daadwerkelijk. De maatregelen die hun macht inperkten, zagen ze dan weer niet graag komen. Eind 1944 stootte de oproep van de regering om de wapens in te leveren nog op groot verzet. Na de twee regeringen van nationale eenheid, kwam er na augustus 1945 een linkse regering tot stand, die er in zou slagen enkele maatregelen in verband met het verzet te nemen. Vooral de communistische minister Jean Terfve[1088] zorgde ervoor dat de regelingen met betrekking tot de weerstand verder uitgewerkt werden.[1089]

Ook belangrijk is het feit dat vooral de linkse partijen zich met deze materie gingen bezighouden. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de socialistische krant La Wallonie dit verhaal, dat een duidelijke benadrukking is van de weldaden van het verzet, publiceert in de periode dat de regering zich met deze zaken bezighoudt.

Maar er is meer. Isi Delvigne, hoofdredacteur van La Wallonie, was tijdens de oorlog actief in de sluikpers, als redactielid van de socialistische clandestiene bladen Combattre en Vaincre. Delvigne was trouwens niet alleen actief in de sluikpers, hij was ook voorzitter van de Metaalbewerkersbond van Luik. En hij had alle redenen om wrok te koesteren tegenover de Duitsers: "Eind maart 1942 werden in een gezamenlijke actie niet minder dan zes van de zeven regionale secretarissen van de metaalvakbond aangehouden en gedeporteerd naar Duitse concentratiekampen." Delvigne had dus van zeer dicht te maken gehad met Duitse repressieve maatregelen ten opzichte van het Duitse verzet. De socialistische vakbeweging had tijdens de oorlog trouwens ook af te rekenen met de "Unie van Hand- en Geestesarbeiders", opgericht door Hendrik De Man, die de kaart van de syndicale collaboratie koos.[1090]

Men zou kunnen zeggen dat het mogelijk is dat Delvigne mee aan de basis lag van het Folichon-verhaal. Voorzichtiger is te zeggen dat hij als hoofdredacteur de inhoud van het verhaal zeker niet kon afkeuren, gezien zijn situatie tijdens de oorlog. 

 

10.4. Besluit

 

La Wallonie begint bescheiden met twee strips per dag, een aantal dat in december 1948 stijgt tot vier per dag. Van april tot oktober 1949 worden het er zelfs vijf. Daarmee plaatst La Wallonie zich bij de kranten die de meeste strips publiceren. De groepering van alle strips onder de rubriek "nos feuilletons dessinés", die meestal op de laatste pagina verschijnt, maakt dat het geheel de lezer zeer snel opvalt.

De verhalen zijn van verschillende oorsprong, maar toch is er een duidelijk overwicht van het agentschap Opera Mundi, en dus van Amerikaanse strips, waar te nemen. Opmerkelijk is dan weer de korte poging om Belgische strips te publiceren. Er is ook een verpletterend overwicht aan ballonstrips: Le Capitaine Fracasse is de enige strip met ondertekst. Qua genres en stijlen is La Wallonie zeer gevarieerd : zowel realistische als humoristische vervolgverhalen komen aan bod naast gagstroken.

Auteurs worden, op uitzondering van Mandrake en Annie, niet in de titel vermeld. De lezer die de auteur wilt identificeren, moet zich dus op de handtekening richten. De meeste verhalen krijgen een aankondiging, en vaak zelfs meer dan één: zo worden voor de start van de gagstrip Oscar niet minder dan zeven aankondigingen gepubliceerd, telkens op de voorpagina. Maar meestal blijven deze tekstjes vrij kort en wordt er geen aandacht besteed aan de auteurs.

De politieke inhoud is bij de meeste verhalen aan de magere kant: elementen komen voor in Annie (omgaan met rijkdom), Le sept de trèfle (een bende die de wereld bedreigt met een atoomwapen) en Le Roi de la Police Montée (een gevaarlijke Russische bende). Folichon is dan ook op politiek vlak zeer opvallend: in deze naoorlogse jaren wordt fictie ingeschakeld om nog eens af te rekenen met de voormalige Duitse vijand én om de rol van het verzet te verheerlijken. La Wallonie publiceert hiermee één van de meest politiek geladen verhalen die ik bij dit onderzoek tegengekomen ben.

 

11. De Nieuwe Gazet

 

11.1. Historiek en Situering

 

De Nieuwe Gazet zag op 1 december 1897 het levenslicht als Antwerpse liberale krant. In 1904 werd August Monet hoofdredacteur, een functie die hij gedurende vijftig jaar zou blijven uitoefenen. Zowel tijdens de Eerste als tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de publicatie stilgelegd. Tijdens het interbellum nam de krant een sterk afwijzende houding tegenover het Vlaams-nationalisme aan en stelde ze zich antiklerikaler op dan haar Brusselse liberale collega Het Laatste Nieuws.

Op 7 september 1944 verschijnt De Nieuwe Gazet dan terug. De standpunten die de krant dan inneemt, worden die van de "progressieve, vrijzinnige richting in de Antwerpse liberale partij". Monet is dan nog altijd hoofdredacteur, directeur is Jules Henri Burton. In de literatuur werden geen oplagecijfers teruggevonden.[1091]

Tijdens de beginperiode na de oorlog bevat de krant tussen de 6 en de 8 pagina's, een aantal dat tegen 1950 stijgt tot 8 à 14 pagina's. De Nieuwe Gazet is één van de kranten die in januari 1949 overschakelen op een tarief van 1,50 frank, wat kan wijzen op een eerder beperkt publiek. Er verschijnen zes kranten per week, dagelijks van dinsdag tot zaterdag en één krant voor zondag en maandag. Aan ambitie ontbreekt het De Nieuwe Gazet zeker niet: in een advertentie in het "Officieel jaarboek van de Belgische Pers" stelt de krant zich voor als "Het beste Vlaams dagblad."[1092]

 

11.2. Van "kinderverhalen naar "Geïllustreerde verhalen"

 

11.2.1. "Ons kinderverhaal"

 

Pas op 6 december 1946 - zeer laat in vergelijking met de andere kranten – publiceert De Nieuwe Gazet haar eerste "kinderverhaal". Onder de titel "De Bewogen avonturen van den vroolijken Ab", gaat een verhaal van start dat het midden houdt tussen strip en geïllustreerd verhaal. Reden daarvan is de plaatsing van de begeleidende teksten tussen de twee prentjes. Maar aangezien deze lay-out waarschijnlijk het werk was van Nieuwe Gazet-medewerkers, en gezien de continuïteit tussen dit verhaal en de latere strips, zal het hier toch besproken worden.

De titel "De Bewogen avonturen van den vroolijken Ab" wordt vergezeld van een tweede titel, "Ons kinderverhaal". De krant probeert met de publicatie van dit verhaal dus vooral jonge lezers aan te spreken. Ook de aankondiging[1093] richt zich duidelijk op het jonge publiek: "Ter gelegenheid van het Sinterklaasfeest knoopen wij opnieuw aan met een oude traditie, en vergasten wij onze jonge lezers op een prachtig kinderverhaal." Het verhaal wordt ook nog voorgesteld als "iets eenigs, iets buitengewoon avontuurlijks" en "om van te snoepen".

Een jaar lang zou de lezer drie dagen per week de lotgevallen van Ab kunnen volgen. Deze kleine jongen reist de wereld rond en belandt daarbij in China, wordt overvallen door zeerovers, gaat mee op expeditie naar de Noordpool, enz. Het verhaal is getekend in een zeer eenvoudige realistische stijl en wordt volledig anoniem gepubliceerd.

Na afloop wordt de opvolging verzekerd door de Nederlandse auteur Henricus Kannegieter[1094] en zijn "Tom de Negerjongen", "een nieuwe vrolijke historie, die de fratsen van een kleine nikker verhaalt"[1095]. Het verhaal wordt op dezelfde manier gebracht als zijn voorganger, namelijk twee prentjes per aflevering, en met de tekst tussen deze prentjes in.

 

11.2.2. Over dodende wolken, goudzoekers en kapoentjes

 

Vanaf 10 november 1948 gooit men het over een andere boeg. Het titeltje "Ons Kinderverhaal" wordt vervangen door "Ons geïllustreerd verhaal", en De Nieuwe Gazet gaat onder deze titel strips publiceren met een meer volwassen inhoud, in een realistische stijl en met gebruik van tekstballonnen. Dat de krant een meer volwassen publiek wilt aanspreken, blijkt ook uit de aankondiging: "Dit verhaal zal iedereen sterk boeien."[1096], wordt daar gemeld. "De dodende wolk" is zo de eerste echte strip die in deze krant verschijnt. Tekenaar van dienst is Bob De Moor[1097], die via de Artec-Studio's zijn verhaal aan de krant levert.

In "De dodende wolk" nemen twee professoren, Martin Golloway en Hillary Helm, het op tegen de kwaadaardige Professor Nun. Deze Nun, uitvinder van een "dodende wolk"[1098], is van plan zich met de hulp van die wolk tot meester van de wereld te maken. Zijn medewerker Helm steekt daar een stokje voor door met de uitvinding te vluchten, maar Nun neemt wraak door zijn ex-medewerker ter hoogte van een brug van de weg te rijden. De auto stort neer en schiet in brand. Maar Helm heeft het overleefd en wordt opgevangen door Golloway, die daar toevallig voorbijkwam.

Golloway en Helm gaan op zoek naar de schuilplaats van Nun en vinden die ook, maar ze worden gevangen genomen. Echter niet voor lang, want even later worden de installaties gebombardeerd door "regeringsvliegtuigen". De hele bende van Nun slaat op de vlucht, terwijl ze Golloway en Helm meevoeren. Eerst per tank, dan per vliegtuig, slagen ze erin te ontsnappen en Zuid-Amerika te bereiken.

Ondertussen stelt Nun aan de twee gevangen professoren voor om mee te werken aan de heropbouw van zijn uitvinding, nu zijn installaties vernield zijn. Ze aanvaarden, in de hoop de uitvinder op die manier te kunnen tegenwerken.

Maar ondertussen bereikt hen het bericht dat een geleerde van de regering erin geslaagd is - op basis van resten uit het vernielde laboratorium - een dodende wolk aan te maken. Daarop doen Golloway en Helm een voorstel aan Nun: ze willen de wolk van de regering onschadelijk maken - omdat de regering die die wolk bezit "machtsdronken" zou worden – op voorwaarde dat Nun de zijne alleen voor vredelievende doeleinden zou gebruiken. Nun aanvaardt.

Maar de situatie wordt nog dramatischer. Golloway en Helm krijgen thuis te horen dat hun land in conflict is met een ander land, dat sterker is. Maar de regering voelt zich veilig door het bezit van de wolk en wilt niets toegeven. Daarop besluiten Golloway en Helm de Minister van Oorlog te gaan opzoeken, én ze slagen erin hem te overtuigen ermee op te houden. Ondertussen bereikt hen ook het bericht dat Nun in een Zuid-Amerikaanse revolutie gedood werd, zodat de dodende wolk definitief tot het verleden behoort.

Bob De Moor levert met dit verhaal een strip in Amerikaanse stijl af die zeker niet moet onderdoen voor de transatlantische voorbeelden. Hij introduceert moderne technologie in zijn verhaal, waaruit blijkt dat nieuwe uitvindingen best voor vredelievende doeleinden gebruikt kunnen worden. En dat is in deze tijden van wapenwedloop zeker niet onbelangrijk.

Uit het verhaal is niet duidelijk af te leiden op welk land de auteur inspeelt, maar het is zeer aannemelijk dat de Verenigde Staten hier met de vinger gewezen worden. De namen van de professoren wijzen op een Engelstalig land, en in de reële wereld bekleden de Verenigde Staten een zeer sterkte positie door hun atoommonopolie.

 

"De dodende wolk" wordt in oktober 1949 opgevolgd door "Het land zonder wet", een Belgische western. Jozef Dresser, kassier in een grote Antwerpse bank anno 1880, wordt door twee mannen bestolen terwijl hij een belangrijke geldvoorraad naar de Nationale Bank in Brussel brengt. De politie verdenkt hem en op zijn werk wordt hij voorlopig geschorst. Hij besluit dan maar zijn "kozijn Piet" te vergezellen naar Amerika.

Als de twee overvallers inschepen op hetzelfde schip als Jozef en Piet, en Piet over de kaart van een goudschat blijkt te beschikken, is de basis van het verhaal gelegd. De overvallers deinzen nergens voor terug en schakelen zelfs een Indianenstam in om de kaart te veroveren. Maar hun geluk blijft niet duren: net als ze de vindplaats van het goud gevonden hebben, worden de twee door Jozef en Piet neergeschoten. Dit anoniem gepubliceerd verhaal is eveneens van de hand van Bob De Moor, die trouwens ook nog eens voor de opvolger zou zorgen.

In juli 1950 wordt de lezer namelijk geconfronteerd met "Petrus en zijn rakkers", een reeks die bestaat uit gagplaten die verdeeld worden over vier stroken. Vier dagen per week krijgt de lezer één strook te lezen, stroken die dan samen een geheel vormen. Iedere week wordt er dus één afgerond verhaaltje gepubliceerd over het kattenkwaad van de rakkers Janus, Petrus, Eefje, Bertus en Benjamin en de volwassenen Dorus en Agent Parker.

En om te besluiten nog even de Scandinavische reeks "Ali Baba"[1099] vermelden, waarvan vanaf mei 1948 dagelijks een verticale gagstrook gepubliceerd wordt. Deze verhaaltjes van auteur Ostrup gaan over een klein oosters jongetje met een tulband, dat zijn tover- en hypnosekunsten voor vanalles en nog wat aanwendt.

 

11.3. Besluit

 

De Nieuwe Gazet wil blijkbaar net als alle andere kranten strips publiceren, maar kan zich waarschijnlijk door gebrek aan financiën[1100] niet te veel veroorloven. De vier vervolgverhalen worden tweedagelijks gepubliceerd: er verschijnen alleen afleveringen op woensdag, vrijdag en zondag. "Petrus en zijn rakkers" verschijnt vier keer per week, van woensdag tot zondag. Met uitzondering van "Ali Baba", wordt ook altijd maar één strip tegelijk gepubliceerd. Dat wat de zuinigheid betreft.

Nu de recyclage … De gepubliceerde verhalen kunnen in twee groepen verdeeld worden. In de eerste groep horen de twee eerste verhalen thuis, in de tweede de producties van Bob De Moor. Wat de eerste groep betreft: "Tom de Negerjongen" werd al in 1933-1934 in de Nederlandse pers gepubliceerd[1101] en ergens in de jaren 1930 in de Vlaamse Volksgazet[1102]. Over "de vrolijken Ab" heb ik verder niets teruggevonden, maar qua stijl sluit het verhaal meer aan bij de productie van de jaren 1930 dan bij die van de jaren 1940.

En wat de tweede groep - de verhalen van Bob De Moor - betreft, deze werden al eerder in andere publicaties opgenomen. "De dodende wolk" stond al in "Overal"[1103] in 1948, "Het land zonder wet" in "'t Kapoentje"[1104] van 1948 (nr. 42) tot 1949 (nr. 17). En "Petrus en zijn rakkers" is niets anders dan een andere titel voor De Lustige Kapoentjes, die De Moor van 1947 tot begin 1949 voor datzelfde "'t Kapoentje" tekende. [1105] De term "De Kapoentjes" is trouwens regelmatig in de tekst terug te vinden[1106].

De Nieuwe Gazet stelde zich dus zowel tevreden met vooroorlogse strips als met strips die recent in de katholieke pers verschenen waren. Origineel is wel dat ze voor dat bestaand materiaal een beroep doen op de Belgische Artec-Studio's, in plaats van op de buitenlandse agentschappen. Ook interessant om op te merken is de plotse verandering in het stripbeleid van de krant. Na de twee "kinderverhalen", kiest De Nieuwe Gazet duidelijk voor reeksen die een groot publiek kunnen aanspreken.

Politiek komt in de gepubliceerde verhalen, op enkele uitzonderingen na, niet echt aan bod. In "De dodende wolk wordt er wel gewezen op het gevaar van uitvindingen die verkeerd gebruikt worden en op het gevaar voor oorlogen als bepaalde landen zich door het bezit ervan onaantastbaar voelen.

Om dit deel te besluiten, nog even iets over de vermelding van de auteurs in De Nieuwe Gazet. Bij geen enkel verhaal wordt naast de titel de auteur vermeld, en ook in de aankondigingen, waarvan er per verhaal 1 à 4 verschijnen, wordt over de auteurs gezwegen, op een kleine "onze tekenaar"[1107] na. Handtekeningen zijn alleen terug te vinden in "Tom de Negerjongen" (H.K., H. Kannegieter), "De dodende wolk" (Bob, Artec Studio's) en soms in "Het land zonder wet" (idem).

 

12. Le Drapeau Rouge

 

12.1. Historiek en situering

 

Le Drapeau Rouge, de publicatie van de "Parti Communiste de Belgique" is in oktober 1921 ontstaan als weekblad, een maand na de oprichting van de PCB. Vanaf 1 januari 1924 werd de publicatie dagelijks, om in 1929 weer wekelijks te worden. In 1936 deed Joseph Jacquemotte een nieuwe poging om een communistisch dagblad op te richten, en de titel werd "La Voix du Peuple". In oktober 1939 werd deze krant echter door de regering van Nationale Unie verboden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verscheen Le Drapeau Rouge als clandestiene krant.

Op 5 september 1944 verschijnt het dan terug als dagblad. Le Drapeau Rouge zou echter nooit een grote krant worden door een gebrek aan financiële middelen.  Om de krant in leven te houden moet er al snel beroep gedaan worden op bijdragen van militanten. Met ingezamelde gelden wordt in 1948 een eigen drukkerij opgericht. Met de oplage gaat het ook al snel de verkeerde richting uit. Volgens Rode Vaan-hoofdredacteur Bert Van Hoorick had Le Drapeau Rouge in 1945 een oplage in de 60.000 exemplaren. Een schatting van Het Laatste Nieuws-medewerker Marcel Stijns geeft voor 1951 nog 3000 exemplaren.[1108]

Net zoals haar Vlaams broertje De Roode Vaan, kent Le Drapeau Rouge onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog dus een redelijk succes, onder andere door het feit dat alle kranten door het papiertekort in een gelijke concurrentiepositie terechtkomen. Als het papiertekort ten einde is, moet de communistische pers het afleggen tegenover de andere kranten, die al snel meer te bieden hebben. Maar ook andere elementen zijn verantwoordelijk te stellen voor het tanend succes van de communistische pers: het anti-communisme dat gepaard gaat met de opkomende Koude Oorlog en het onvermogen van de krant om zich af te stemmen op de verwachtingen van haar publiek.[1109]

De communistische pers verschilt namelijk van de andere kranten, in die zin dat ze eigenlijk vooral een propaganda-instrument is voor de politiek van de Communistische Partij. De bedoeling is niet alleen het nieuws te brengen, maar vooral de lezer te overtuigen van het gelijk van het communisme.[1110] Het "Jaarboek van de Belgische Pers" vermeldt voor 1950 Jean Terfve als directeur[1111] en Pierre Joye als hoofdredacteur van de krant.[1112] Voor de onmiddellijke naoorlog vermeldt Aloïs Gerlo (oud-hoofdredacteur van De Roode Vaan) Felix Coenen als hoofdredacteur, maar deze werd snel aan de kant gezet.[1113]

De eerste twee weken verschijnen Le Drapeau Rouge en De Roode Vaan nog samen, elk op een kant van een blad. Vanaf 18 september gaan ze als ééntalige publicaties verder. Le Drapeau Rouge vermeldt als ondertitel "Organe Central du Parti Communiste de Belgique" of een variant[1114] ervan. In 1946 telt de krant dagelijks 4 pagina's, in 1950 4 à 6 pagina's. De prijs wordt al op 1 juli 1949 op 1,50 frank gebracht, nog maar eens een illustratie van de slechte financiële positie van het blad.

 

12.2. Een beloftevolle start die op niets uitdraait

 

12.2.1. Les Trafiquants de Tchoung-King

 

De eerste sporen van strips in Le Drapeau Rouge vinden we in juni en juli 1945, wanneer enkele gagstroken van een zekere Arno gepubliceerd worden. Deze tekstloze strookjes zijn echter geen lang leven beschoren, en het zou wachten zijn tot december van dat jaar om weer een strip tegen te komen.

Op donderdag 6 december 1945 worden namelijk de eerste twee stroken van "Les Trafiquants de Tchoung-King" gepubliceerd op een pagina met als titel "Bonjour St-Nicolas!". De publicatie zou wekelijks voortgezet worden tot einde maart 1946 op de pagina "Femme et Famille" van de krant. "Les Trafiquants" is een ballonstip die in een zeer nette "klare lijn"-stijl getekend is en er heel aantrekkelijk uitziet.

Het verhaal draait rond Ming-Ho en Dick, twee bemanningsleden van de Amerikaanse cargo "Tenessee" die in januari 1938 aanlegt in Hong Kong. In een Amerikaanse bar komt het tot een gevecht tussen de twee bemanningsleden en een zekere Julius, waardoor ze in het ziekenhuis belanden. Als ze drie weken later het ziekenhuis mogen verlaten en de intrige eindelijk schijnt te beginnen, stopt plots de publicatie van het verhaal. Het is dan ook moeilijk uit te maken waar de auteur naartoe wou … Spijtig, want het verhaal zag er kwalitatief heel goed uit.

De auteur, een zekere "Saint Thiers", wordt alleen vermeld door middel van zijn handtekening. Er zijn in de krant verder geen aankondigingen over het verhaal of andere tekeningen van zijn hand te vinden en het pseudoniem "Saint Thiers" is verder onbekend. Verschillende elementen[1115] wijzen echter uit dat het verhaal waarschijnlijk origineel materiaal is.

BCB-medewerker Jean-Claude de la Royère schrijft het verhaal met zekerheid toe aan Maurice Tillieux, een Belgische tekenaar die in de jaren 1940 zijn eerste stappen in de stripwereld zette en in de jaren 1960 zeer bekend zou worden door zijn werk voor Uitgeverij Dupuis. Een vergelijking van de stijl van "Les Trafiquants" en van het vroege werk van Tillieux bevestigt inderdaad die toeschrijving. Zowem de lettering als de tekenstijl (vooral dan de manier om neuzen en monden te tekenen) komen overeen met ander werk van Tillieux.

Maurice Tillieux werd op 8 augustus 1921 geboren in het Waalse stadje Huy. Zoals van bekende tekenaars wel eens gezegd wordt, toonde hij al op zeer jonge leeftijd een grote interesse in schrijven en tekenen. En tegen het einde van de jaren 1930 slaagde hij erin tekeningen te publiceren in de Dupuis-tijdschriften Le Moustique en Spirou. Dit gebeurde via Spirou-hoofdredacteur Jean Doisy, buurman en vader van één van de klasgenoten van Tillieux. Zijn echte passie was echter de scheepvaart. Na zijn middelbare studies volgde hij lessen op de scheepvaartscholen van Oostende en Antwerpen, waar hij in 1940 zijn diploma van aspirant-officier behaalde. Maar de oorlog kwam een stokje voor zijn plannen steken.

Tijdens de oorlog probeerde hij de verplichte tewerkstelling te ontwijken door naar Frankrijk te vluchten, maar hij kwam al snel terug. Hij kwam tijdens deze oorlogsperiode op verschillende manieren aan de kost: zo was hij decorator, publicitair schilder, maakte hij illustraties voor de Dupuis-publicaties en schreef hij een roman, "Le Navire qui tue ses capitaines",  die zich natuurlijk afspeelt op een schip. 

In 1945 publiceerde hij de strip Browil in het verzetsblad Le Pavé. En in hetzelfde jaar ging hij zich op aanraden van Jean Doisy aanbieden bij "Studio Guy". Deze studio, onder leiding van Guy Depière, gaf toen het jeugdblad Bimbo uit. En een jaar later kwamen daar de titels Jeep en Blondine bij. In Bimbo publiceerde Tillieux onder een ganse hoop Amerikaans klinkende pseudoniemen: John Cliff, James Jhames, Ronald Scott, Jill Morisson. Bij zijn tekeningen liet hij zich beïnvloeden door de stijl van Hergé en van Amerikaanse voorbeelden. Hij publiceerde in 1945 ook drie kinderboeken en werkte vanaf 1947 mee aan de nieuwe publicatie Heroic-Albums, waarvoor hij het personage Bob Bang zou scheppen, niet toevallig een zeeman.[1116] Net zoals de hoofdpersonages van "Les Trafiquants" zeelieden zijn.

De eerder vermelde Jean Doisy zou de link kunnen zijn tussen Maurice Tillieux en Le Drapeau Rouge. Doisy, eigenlijk een pseudoniem voor Georges Evrard, was een "militant communiste convaincu"[1117] , was lid van de KPB en bezat er blijkbaar goede connecties[1118]. Het is dus heel goed mogelijk dat iemand van Le Drapeau Rouge Doisy benaderd heeft met de vraag of hij een striptekenaar kende die iets wilde maken voor de krant.

Voor de vroegtijdige stopzetting van het verhaal zijn er verschillende mogelijkheden. Besparingen zouden de reden kunnen zijn, een eigen tekenaar kost natuurlijk wel iets. Maar heel wat andere redenen[1119] zijn mogelijk. Zo is het heel goed mogelijk dat het verhaal de verantwoordelijken van Le Drapeau Rouge niet beviel, of dat ze inspraak[1120] eisten in de inhoud van het verhaal, en dat Tillieux dit weigerde.

Het gebruik van het pseudoniem Saint Thiers[1121] kan een middel zijn om niet met zijn naam in de communistische pers te verschijnen, maar het kan ook gewoon een gewoonte zijn, zoals hij zijn werk in Bimbo ook ondertekende met pseudoniemen.

 

12.2.2. Sporadische strippublicaties

 

Na dit verhaal zouden strips slechts nog sporadisch in Le Drapeau Rouge opduiken, en dan nog alleen op de jeugdpagina. Vanaf 26 april 1946 wordt namelijk op donderdag de pagina "Ohé, les jeunes" gepubliceerd. "Femme et Famille" verhuist naar de zaterdag en zal verder geen strips meer bevatten.

"Ohé, les jeunes" wordt meestal gevuld met allerlei artikels en neemt dus ook soms strips op. Van september tot november 1948 worden vijf afleveringen van "Renard" gepubliceerd. Deze afleveringen vertellen telkens een streek van Reinaert de Vos. Deze stroken met ondertekst, en een nogal extravagante lay-out, zijn van de hand van de Fransman Roger Bussemey[1122], die vanaf 1946 voor Franse kranten en tijdschriften werkte, waaronder het communistische l'Humanité.

Verder duiken ook nog vier gagstroken (twee in 1948, twee in 1950) van R. Mas[1123] op (met de personages Anatole, Barbichette en Bec d'Or) en de geïllustreerde verhalen[1124] van Bec d'Or. Deze verhalen, die soms in de vorm van strips gemonteerd worden, zijn geïllustreerd door diezelfde R. Mas of door C. Arnal. Deze Bec d'Or-verhalen werden oorspronkelijk gepubliceerd in de wekelijks jeugdbijlage van L'Humanité.

 

12.3. "La vie héroïque du colonel Fabien"

 

De laatste strip die moet vermeld worden heeft een hoog propagandagehalte. In januari en februari 1950 wordt in "Ohé, les jeunes" het verhaal "Fabien, héros de légende" gepubliceerd, het verhaal van een Franse verzetsheld tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het gaat om een verstripte biografie, of beter hagiografie van de Franse communistische verzetsman Pierre Georges, ook wel bekend als "Colonel Fabien". In zeven afleveringen[1125] van twee stroken geeft auteur Maurice Damois een overzicht van zijn heldendaden.

In 1945 publiceerde Albert Ouzoulias, strijdmakker van Fabien, het hagiografische "La vie héroïque du colonel Fabien" in boekvorm[1126]. Het is dan ook niet uitgesloten dat auteur Maurice Damois zich hierop baseerde om zijn stripadaptatie te maken. Damois was in de jaren 1950-1952 als striptekenaar actief in de Franse communistische dagbladpers (Ce Soir, L'Humanité, Le Patriote), en werkte daarbij samen met verschillende scenaristen.[1127]

 

12.3.1. De Feiten

 

De Franse Communistische Partij ontstond in 1920. In het midden van de jaren 1930 integreerden de communisten in het Franse politiek leven, door hun deelname aan de Volksfrontregering van Leon Blum. Tijdens de Spaanse burgeroorlog stuurde de PCF vrijwilligers naar Spanje, om er samen met de republikeinen te vechten tegen de troepen van Franco. Frankrijk bleef ondertussen een non-interventiebeleid voeren.

Maar tegen de vooravond van de Tweede Wereldoorlog raakten de Franse communisten meer en meer geïsoleerd. Toen het parlement moest stemmen over de akkoorden van Munchen, waarin Tsjechoslowakije werd opgeofferd aan Duitsland, verzetten de communisten er zich als enigen tegen.

De Franse communisten werden verrast door het Molotov-Von Ribbentrop-akkoord, een niet-aanvalspact tussen Duitsland en de Sovjetunie, waarin ook een verdeling van Polen geregeld werd. Aangezien ze aan de kant van de USSR stonden, konden de Franse communisten het akkoord niet veroordelen. Ze kwamen dan ook in een zeer netelige positie terecht en wisten eigenlijk niet goed hoe ze antifascisme en communisme in zo'n context met elkaar moesten verenigen. De officiële richtlijnen luidden dat de oorlog een imperialistische oorlog was waar ze eigenlijk niets mee te maken hadden, en waar ze zich dus moesten buitenhouden.

Vooral omdat Hitler op 1 september 1939 nu ook Polen binnenviel, na Oostenrijk en Slowakije het zoveelste slachtoffer van de Duitse expansiedrang. Twee dagen later verklaarde Frankrijk Duitsland de oorlog en werd de algemene mobilisatie afgekondigd.

Eerste minister Daladier verbood de PCF op 26 september 1939, na een maand eerder de communistische pers al verboden te hebben. Communistische parlementsleden werden afgezet en communistische militanten gingen ofwel clandestien, ofwel de gevangenis in. Duizenden communisten werden toen gearresteerd. Maar clandestien probeerde men onder andere het verspreiden van pamfletten en kranten verder te zetten. Ondertussen werd het anticommunisme nog versterkt door de Russische inval in Finland, eind november 1939.

Op 10 mei 1940 was het dan zover: Hitler zette de westelijke aanval in en overrompelde België, Nederland en Frankrijk. De Franse regering was verdeeld over de houding die ze moest aannemen tegen de Duitse overmacht: capituleren betekende enkel dat het leger de strijd opgaf, een wapenstilstand betekende echt een politieke onderwerping aan de Duitsers. De tweede mogelijkheid haalde het. Op 22 juni 1940 aanvaardden de Fransen de Duitse voorwaarden: het land werd onder andere in twee zones verdeeld. Het Noordelijk en het Atlantisch gebied (met o.a. Parijs) werden bezet door de Duitsers. Het Zuidelijk gebied was een "vrije zone", waarin zich het zogenaamde "Vichy-regime" ontwikkelde onder leiding van de bejaarde maréchal Pétain. Dit niet al te democratische regime ging samenwerken met de Duitsers. Pro-Duitse, anti-joodse en anti-communistische maatregelen werden genomen, de interne oppositie uitgeschakeld, de individuele vrijheid beperkt, …

Het verzet geraakte in een eerste fase zeer moeilijk georganiseerd. Vanaf 1940 ontstonden clandestiene kranten en organisaties. Het feit dat Engeland aan de Duitsers kon weerstaan en dat generaal De Gaulle vanuit Londen het verzet verderzette, gaf de Fransen weer hoop.

Lange tijd waren de communisten de enige goed georganiseerde verzetsgroep. Maar tot 22 juni 1941 was hun houding op z'n minst dubbelzinnig te noemen. Op die dag vielen de Hitler-troepen namelijk, ondanks het niet-aanvalspact, toch de USSR binnen. Tot dan toe waren er wel communisten actief in het verzet, maar was de partijleiding er niet bij betrokken. Nu stortten de Franse communisten zich volop in het verzet. Ze vormden een "Front National de lutte pour l'indépendance de la France, die zowel een geheime organisatie als gewapende groepen (de "Francs-Tireurs Partisans Français") bevatte.

Op 21 augustus 1941 schoot Pierre Georges, de latere "colonel Fabien", een Duitse militair neer in de Parijse metro. Het zou het begin zijn van een ganse reeks aanslagen, die de Duitsers zouden aanzetten tot bloedige represailles (onder andere het executeren van gijzelaars). Ondertussen ging het Vichy-regime altijd maar nauwer samenwerken met de Duitsers. Naast Pétain kwam er een tweede sterke man op, Pierre Laval, die veel meer aanleunde bij de Duitsers. Tegen het einde van de oorlog versterkte het verzet zich en probeerden de verschillende organisaties zich te hergroeperen. De communisten hielden echter een grote autonomie.

In juni 1944 had dan de landing in Normandië plaats, waarna Frankrijk langzaam aan bevrijd werd. In Parijs wachtte men echter niet op de troepen. De bevolking en de verzetsgroepen kwamen er op 18 augustus 1944 in opstand, en wipten met de hulp van de een paar dagen later gearriveerde troepen de Duitsers buiten.[1128]

 

12.3.2. Het Verhaal

 

"Pierre Georges, futur Colonel Fabien, est un enfant du peuple, né un jour de janvier 1919, dans un faubourg de Paris." Zo luidt de inleiding van het verhaal, dat begint in de jeugdbeweging. Daar worden de leiderscapaciteiten de populariteit van de latere verzetsheld al goed in de verf gezet. De andere jongens duiden hem aan als leider en willen absoluut in zijn ploeg zitten, want "il n'y en a pas deux comme lui pour organiser les sorties et les jeux."[1129]

Maar als sociaal geëngageerde jongere denkt hij niet alleen aan spelen: "Camarades, ce n'est pas tout de jouer! Nos frères sont en grève. Les vrais pionniers iront collecter pour eux."[1130] Zijn initiatief wordt met enthousiasme onthaald.

En zijn sociale overtuiging zit blijkbaar diep: in de leer bij een bakker, geeft Fabien zijn ontslag omdat zijn baas heeft durven zeggen dat alle arbeiders luieriken zijn. Hij gaat dan maar in een fabriek werken en neemt daar actief deel aan het syndicaal leven. Daarnaast gaat hij 's zondags ook nog leuren met "L'avant-garde", "le journal des jeunes travailleurs."[1131]

Als de burgeroorlog in Spanje uitbreekt, biedt hij zich aan om aan de kant van de Republikeinen van het Volksfront te gaan vechten, maar wordt er zwaar gewond. Terug in Frankrijk gaat hij werken op de luchtvaartfabriek Bloch.

"Il se marie et après la honteuse trahison de Munich, c'est la guerre …"[1132] Fabien wordt echter, door zijn "Spaanse" verwondingen, niet toegelaten in het leger. Maar hij is vastbesloten om te strijden: "Mon rôle est maintenant de lutter contre l'ennemi intérieur." Een vriend waarschuwt hem echter: "Fais attention, Pierre, tu sais qu'ils vont profiter de cette guerre pour prendre la revanche de nos victoires de 1936."[1133]

Maar hij zet door en wordt een clandestiene militant van de Communistische Partij. Hij houdt zich onder andere bezig met het drukken en verdelen van de krant "L'Humanité", sinds september 1939 verboden (door de Franse regering). Maar de (Franse) politie valt binnen en Fabien wordt opgepakt. Hij wordt gefolterd om hem te doen klikken, ze beloven hem de vrijheid als hij informatie geeft, "mais le mépris se lit sur son visage malgré les coups qui cingles ses cicatrices à peine refermées."[1134]

In mei 1940 wordt hij in het kamp van Baillet opgesloten, maar dat moet ineens ontruimd worden omdat de Duitsers Parijs naderen. De gevangenen worden echter gewaarschuwd: "gare à ceux qui en profiteraient pour fuir, ils seraient abattus comme des chiens!"[1135] Maar de machinisten van de trein die de gevangenen wegvoeren, denken daar blijkbaar anders over: "Tu sais que ce sont des prisonniers politiques, des copains quoi!" Fabien en een hoop andere kunnen dan ook ontsnappen: "Grâce à ces cheminots patriotes, Pierre Georges retrouve la liberté pour reprendre le combat! Mais la police est aux aguets …"[1136]

"En 1941, à Toulouse, où Pétain vient prêcher la collaboration."[1137] Fabien en zijn mannen werken een plan uit om de menigte te overladen met pamfletten: ze worden in een dakgoot geplaatst om op het juiste moment naar beneden getrokken te worden. "Peu après, le sinistre Pétain et sa bande passent dans un nuage de tracts à la grande fureur des officiels!"[1138]

Maar daar blijft het niet bij: "Les nazis tuent et martyrisent des milliers de nos camarades. Nous allons leur prouver que les Français n'acceptent pas la défaite!"[1139] Fabien schiet in een Parijs' metrostation een Duitse officier neer en geeft daarmee het beginsignaal voor de gewapende actie. Zelf trekt hij, omdat hij in Parijs gezocht wordt, naar het Oost-Franse departement Doubs om er de F.T.P. te organiseren.

Als hij en zijn mannen daar horen dat er een trein Duitse soldaten op komst is, besluiten ze "het noodzakelijke te doen". Ze blazen de spoorweg op, net als de trein erop voorbijrijdt, maar ze moeten vluchten voor de politie. Fabien wordt gewond, maar wordt opgevangen door een boerenfamilie die het blijkbaar gewoon is verzetslieden in huis te nemen. "Ainsi, recueilli et soigné, Fabien, au milieu d'une brave famille de paysans patriotes, reprend vite des forces, mais il repart trop tôt pour Paris où il est obligé de se faire hospitaliser."[1140]

In Parijs wordt hij echter opgepakt, na eerst nog twee agenten neergeschoten te hebben. Hij wordt naar de "sinistre brigade spéciale" gebracht en geeft daar fier zijn daden toe: "Oui, je suis franc-tireur. J'ai vengé les patriotes que vous avez assassinés en j'en suis fier!"[1141] Daarna wordt hij uitgeleverd aan de Duitsers en, met zijn voeten aan het plafond hangend, geslagen: "Livré aux Allemands, Fabien subit héroïquement les pires tortures que lui infligent les brutes SS. Mais un F.T.P. ne trahit pas."[1142]

En weer ontsnapt hij én weer gaat de strijd voort. "En 1943, l'action des F.T.P. dont il est un des animateurs se décuple. Dans la seule nuit du 11 novembre, 30 déraillements et 156 sabotages sont enregistrés. L'armée clandestine est prête aux combats décisifs!"[1143]

Augustus 1944. "Tandis que l'armée rouge poursuit sa formidable offensive, le deuxième front, enfin créé, rejette les débris de la 7ème armée allemande vers la Seine. Depuis 3 jours, le peuple de Paris insurgé tient les principaux points stratégiques de la capitale … Désemparés, isolés, les Allemands refluent vers le sud de Paris, secteur que commande Fabien."[1144]

Plots wordt er op straat opgeroepen het vuren te staken omdat er een bestand met de Duitsers afgesproken is. Maar Fabien gelooft niet in goede Duitse bedoelingen: "Cette trève est une trahison! Elle va permettre aux nazis de se regrouper et d'anéantir Paris. Mais regarde la réponse des Parisiens: les barricades et la lutte jusqu'au bout !"

En als blijkt dat een 300-tal Duitse soldaten nog op het "îlot du Luxembourg" zitten, besluiten de mannen weer het noodzakelijke te doen: "Après un combat acharné, les F.T.P. entrent dans la place. Tandis que flotte le drapeau tricolore, les allemands se rendent. Les autres îlots sont à leur tour nettoyés. Paris s'est libéré lui-même!"[1145]

Parijs is bevrijd, maar de troepen van Fabien organiseren zich als een regulier leger en gaan de Duitsers achterna zitten. "Fabien est partout, talonnant vers l'est les Allemands en déroute." De ex-troepen van Pétain zien die concurrentie echter niet helemaal zitten, en de verzetslieden moeten doorzetten om hun deel van de strijd op te eisen. Met succes: "le "Groupe Tactique Lorraine" que crée ensuite Fabien, devient bientôt le plus combatif de l'armée !"[1146]

Maar aan alles komt een eind, ook aan verzetshelden. Fabien wordt in december 1944 gedood door de ontploffing van een mijn. "Fabien est mort! Mais la jeunesse progressiste de France fait sienne la fière devise de légendaire héros: Vaincre et vivre!"[1147]

 

12.3.3. Hagiografische propaganda

 

In dit verhaal staan de solidariteit onder de arbeiders, het patriottisme, het communistisch verzet en de heldendaden van Fabien centraal. Al zeer snel wordt de nadruk gelegd op "het volk" en op solidariteit. Fabien wordt aangeduid als een "enfant du peuple", laat geld inzamelen voor de "broeders" die staken, laat de arbeiders niet beledigen, is syndicaal actief, steunt de communistische pers (L'avant-garde, L'Humanité), en gaat bij het uitbreken van de oorlog onmiddellijk het verzet in.

Hij wordt voorgesteld als plichtsbewust[1148] en fier, is enorm strijdvaardig, en zet ondanks het harde leven, de arrestaties, de folteringen en de opgedane verwondingen altijd door. In de inleidende samenvattingen die elke aflevering voorafgaan, worden zijn daden verheerlijkt: "Après un repos nécessité par les graves blessures reçues en Espagne …"[1149], "Après avoir glorieusement combattu …"[1150], "Après une brillante conduite en Espagne dans les brigades internationales, Fabien, des 1930, se lance dans la lutte contre la 5ème colonne, puis contre l'occupant Hitlérien en abattant le premier nazi au métro Barbès. Fabien donne le signal de la lutte armée."[1151] Voor de lezer lijkt Fabien tot zijn dood wel een onoverwinnelijke strijder die alles doorstaat en die alles aankan, op het einde wordt zelfs gezegd "Fabien est partout". Door het niet vermelden van andere verzetsorganisaties lijkt het ook alsof het communistische verzet op haar eentje voor de bevrijding van Frankrijk gezorgd heeft. Een "formidable offensive" van het Rode Leger wordt nog vermeld, maar van de geallieerden is totaal geen sprake.

Het spreekt voor zich dat men in zo'n verhaal elke objectieve weergave van de feiten mag vergeten. De rol van het communistische verzet wordt verheerlijkt, die van de nazi's en het Pétain-regime zo slecht mogelijk voorgesteld. Verzetsstrijders verrichten heldendaden, Duisters moorden … Ook het Frans regime van voor de Duitse inval moet het trouwens ontgelden, en dit mede door een selectieve weergave van de feiten. Dat de akkoorden van Munchen als een "honteuse trahison" voorgesteld worden is conform aan het communistische standpunt van toen. Maar over het door de communisten niet afgekeurde Molotov-Von Ribbentrop-akkoord wordt er met geen woord gerept. Het verbieden van de krant L'Humanité, en het oppakken van communisten, die daar een gevolg van waren, worden dan ook uit hun context gerukt.

De Communistische Partij wordt in het verhaal niet bij naam genoemd. Waarschijnlijk is het voor de lezer duidelijk genoeg waar het over gaat: de figuur van Fabien, de FTP, het drukken van L'Humanité, het veelvuldig gebruik van het woord "camarades". En aangezien het verhaal oorspronkelijk in de Franse communistische pers gepubliceerd werd, was alles voor de lezer wel duidelijk.

Het verhaal past ook zeer goed in de politieke context. In 1950 bevindt de Koude Oorlog zich namelijk op een hoogtepunt en hebben de communisten het in verschillende Europese landen moeilijk. De Fabien-biografie kan dan ook gezien worden als een in herinnering brengen van wat de communisten tijdens de Tweede Wereldoorlog gedaan hebben voor het land. Ook kan er een link gelegd worden tussen het anticommunisme van het einde van de jaren 1930, dat aan bod komt in het verhaal, en het anticommunisme anno 1950.

 

12.4. Besluit

 

Le Drapeau Rouge is er net na de oorlog zeer vroeg bij om strips te publiceren. Door de gagstroken die in juni en juli 1945 opgenomen worden, is de krant zelfs bij de eerste waarin strips verschijnen. Ook de publicatie van het originele verhaal "Les Trafiquants de Tchoung-King" laat veel goeds voorspellen, spijtig genoeg is het verhaal na enkele afleveringen afgelopen. Daarna zouden alleen nog enkele Reinaert-stroken en gagstroken gepubliceerd worden én het Colonel Fabien-verhaal. Het stripbeleid van La Drapeau Rouge is dan ook zeer pover te noemen. Waarschijnlijk waren een gebrek aan financiële middelen en een gebrek aan interesse voor strips vanwege de leiding van de krant daar de oorzaak van.

Les Trafiquants is speciaal voor de krant gemaakt, de andere verhalen haalt Le Drapeau Rouge gewoon bij de collega's van de Franse communistische pers. Dit toont aan dat, als men maar wilde, er genoeg strips waren die men uit Frankrijk kon importeren om in Le Drapeau Rouge te publiceren. De Franse communisten publiceerden strips in hun dagbladpers en in het populaire jeugdtijdschrift "Vaillant", zodat er zeker geen gebrek was aan strips in overeenstemming met de partij-ideologie[1152].

Politieke elementen komen eigenlijk alleen in het Fabien-verhaal voor, maar dan wel in overgrote dosis, zodat het meer "propaganda" wordt dan "verhaal". Deze strip is althans het bewijs dat men strips kon publiceren en tegelijkertijd communistische propaganda voeren. Aankondigingen heb ik in Le Drapeau Rouge niet kunnen terugvinden. En wat de auteurs betreft, deze worden alleen vermeld door middel van hun handtekening.

Tot besluit kan dus gezegd worden dat Le Drapeau Rouge op verschillende momenten wel pogingen gedaan heeft om strips te publiceren, maar dat heeft nooit lang geduurd. Van een echt stripbeleid kan dus geen sprake zijn.

 

13. De Ro(o)de Vaan

 

13.1. Historiek en situering

 

De Roode Vaan[1153] werd in september 1921 opgericht als officieel Vlaams orgaan van de Communistische Partij van België. Het verscheen als weekblad tot 1937, jaar waarin de titel veranderd werd in "Het Vlaamsche Volk" om een groter publiek te kunnen bereiken. Tijdens de oorlog verscheen De Roode Vaan illegaal, om vanaf 5 september 1944 officieel terug zijn intrede te doen in de Belgische perswereld. Tijdens de eerste jaren na de oorlog wordt nauw samengewerkt[1154] met de Franstalige tegenhanger "Le Drapeau Rouge".[1155]

Hoofdredacteurs in de naoorlogse periode zijn: Gerard Van Moerkerke, Bert Van Hoorick (vanaf mei 1945), Aloïs Gerlo[1156] (vanaf november 1945), Bob Dubois (vanaf mei 1946) en terug Gerard Van Moerkerke (vanaf oktober 1947).[1157] Wat de oplages betreft, worden voor de succesperiode (onmiddellijk na de bevrijding dus) cijfers vermeld tussen 30 en 40 000. Tegen midden 1946 zouden die dan gezakt zijn tot 20 000, om nog later eerder naar de 10 000 te neigen. Het hoogtepunt van de krant valt dus nauw samen met het hoogtepunt van de KPB. Bij de neergang van de communistische partij zou ook De Rode Vaan in de klappen delen.[1158]

Ondertitel van de krant is onmiddellijk na de bevrijding "Orgaan der Vlaamsche Kommunistische Partij", om na verloop van tijd te evolueren tot "Dagblad der Kommunistische Partij van België". De krant verschijnt zes keer per week, zodat zaterdag en zondag samen één krant vormen. De Ro(o)de Vaan telt dagelijks tussen de 4 en de 6 pagina's op groot formaat en schakelt, net als Le Drapeau Rouge, vanaf 1 juli 1949 over op een tarief van 1,50 frank.

 

13.2. Een merkwaardige strippolitiek

 

De eerste strip in De Roode Vaan duikt zeer laat op, meer bepaald op 1 mei 1946. Dan verschijnt de eerste aflevering van "De Wonderlijke Avonturen van Proleetje en Fantast", die de ondertitel "In het land van Koning Trust" meekrijgt. De politieke geladenheid van dit verhaal valt onmiddellijk op, het zal dan ook even verder uitgebreid besproken worden. Proleetje en Fantast wordt volledig anoniem gepubliceerd. Auteurs zijn de Roode Vaan-medewerkers Louis Paul Boon en Maurice Roggeman.

Eind september 1946 worden Proleetje en Fantast opgevolgd door een Nederlandse ondertekststrip. In "Jochem Jofel" in de Slummerdamse bergen, van de hand van Siem Praamsma, gaat het hoofdpersonage op reis naar de bergen. Hij wordt er geconfronteerd met een merkwaardige figuur: Piet Petat, waard van een herberg en in zijn vrije uren ontvoerder van professoren en verzamelaar van uitvindingen. Bedoeling is op deze manier de wereld te veroveren. Maar gelukkig slaagt Jofel er samen met de politie ("dienaren van de staat") in deze plannen te verijdelen. Allerlei uitvindingen komen in het verhaal aan bod: een mechanische muis, de klapgiro (half-vliegtuig, half-helikopter) en een geheugenverliesmachine.

Van 16 november 1946 tot 20 januari 1947 komen Proleetje en Fantast nog eens terug. Maurice Roggeman verzorgt nu alleen zowel scenario en tekeningen, maar een auteursvermelding is er nog altijd niet te bespeuren. "Proleetje en Fantast Globetrotters" is in alle opzichten het vervolg van het eerste verhaal, en komt dus ook verder uitgebreid aan bod.

Na afloop van dit verhaal is het op stripvlak echter volledig windstil bij De Rode Vaan: er valt geen strip meer te bespeuren. Enige uitzonderingen zijn enkele stroken op de donderdagse jeugdpagina "Wij zijn jong en dat is fijn". Op 14 en 21 oktober 1948 verschijnen twee afleveringen van Reinaert van Roger Bussemey, een reeks waarvan Le Drapeau Rouge rond dezelfde periode vijf afleveringen publiceert. En op 11 en 18 november wordt er telkens een tekstloze gagstrook van Roger Mas gepubliceerd, identiek aan deze in Le Drapeau Rouge, maar wel met een week vertraging. Ook verschijnen in de krant geïllustreerde verhalen van Goudbekje (Bec d'Or in Le Drapeau Rouge), maar in tegenstelling tot deze laatste worden ze nooit in stripvorm gemonteerd. Tenslotte staat er in september 1950 nog één tekstloze gagstrook in de krant.

Tot zover de "grote" hoeveelheid strips in De Ro(o)de Vaan. Op dit gebrek aan strips en op de relatie met Le Drapeau Rouge zal later in de tekst en in het besluit verder ingegaan worden.

 

13.3. Boon en Roggeman maken een strip

 

De strip Proleetje en Fantast is het werk van twee medewerkers van de Roode Vaan: Louis Paul Boon en Maurice Roggeman. Ze leveren hiermee een verhaal af dat gebruik maakt van ondertekst en tekstballonnen. De verklaring hiervoor is eenvoudig. Boon schreef de teksten, die door zijn collega Roggeman geïllustreerd werden. En Roggeman kon het blijkbaar niet laten soms enkele tekstballonnen toe te voegen. Ze worden dan ook aan hem toegeschreven. [1159]

Het verhaal wordt verschillende keren en goed op voorhand aangekondigd. Op 13, 15 en 16 april 1946 wordt er op de voorpagina telkens een kleine tekening gepubliceerd met het bericht dat Proleetje en Fantast weldra gepubliceerd zullen worden. Tussen 23 en 30 april verschijnen nog berichten waarin het verschijnen van Proleetje en Fantast aangekondigd wordt naast andere vernieuwingen die voorzien zijn voor de krant van 1 mei. Daaronder reportages van Georges Sadoul en Louis Paul Boon.

Het feit dat de twee verhalen volledig anoniem gepubliceerd worden, is merkwaardig aangezien Boon en Roggeman door hun ander werk in de krant bij de lezer bekend waren. De vermelding van de auteurs had zeker kunnen bijdragen tot het succes van de strip.

 

13.3.1. Louis Paul Boon en Maurice Roggeman

 

Louis Paul Boon zag het levenslicht in Aalst op 15 maart 1912. Na tot zijn veertiende lager onderwijs gevolgd te hebben, ging hij lessen volgen aan de Kunstacademie van Aalst en werkte hij, net als zijn vader, als auto- en gevelschilder. Hij begon te schrijven in 1939. Zijn eerste werk, "De voorstad groeit", werd gepubliceerd in 1942. Hiervoor kreeg hij zelfs de Leo Krynprijs. Deze prijs betekende het echte begin van zijn schrijverscarrière: hij kreeg een zekere erkenning en werd gestimuleerd verder te gaan met schrijven. In 1944 en 1946 volgden "Abel Gholaerts", "Vergeten Straat" en "Mijn kleine oorlog". Maar al snel werd duidelijk dat hij van de verkoop van zijn boeken alleen niet kon leven: zo kwam hij ertoe te publiceren in verschillende tijdschriften en kranten als Zondagspost, De Roode Vaan, De Vlaamse Gids en Front.[1160]

Boon kende Maurice Roggeman al vanaf zijn kindertijd. In 1928 leerden ze elkaar kennen op de kunstacademie van Aalst[1161], waar ze samen schilderlessen volgden. Roggeman, geboren in 1912, en opgegroeid in een typische Aalsterse arbeiderswijk, kwam al snel in contact met communistische en andere linkse groeperingen en was de stichter van de linkse jongerengroep "De Vlam". Hoewel Boon een zeer sterke band met Roggeman ontwikkelde, en hij wel enige sympathie had voor linkse groeperingen, heeft hij nooit echt deelgenomen aan activiteiten van zulke groepen. Het interesseerde hem blijkbaar niet. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Roggeman actief in het verzet[1162]: zo bracht hij onder andere in zijn schildersatelier een illegale drukkerij onder en liet hij in datzelfde atelier gezochte verzetslieden onderduiken. In tegenstelling tot zijn vriend heeft Boon niet actief deelgenomen aan verzetsorganisaties, maar hij hielp Roggeman[1163] wel door zijn woning te laten fungeren als onderduikadres en doorgeefpost voor wapens.[1164]

 

13.3.2. Boon en het communisme

 

In tegenstelling tot wat hij zelf wel eens verklaarde, werd Boon pas lid van de KP door zijn toetreding tot de redactie van De Roode Vaan. Hij wordt dan ook niet beschreven als een "echte" of "conventionele" communist, maar eerder als een "speciaal geval". Of zoals hij zelf zei: "Ik ben altijd een beetje kommunist geweest, zo een van die buitenbeentjes van de partij."[1165] Dit wordt nog eens versterkt door Bert Van Hoorick, die zegt dat: "Boon in de periode bij De Roode Vaan veel sympathie had voor de Sovjet-Unie en voor Stalin. Maar in de grond is Boon nooit een communist geweest, zelfs geen socialist, hij was hoogstens iemand met anarchistische tendensen, maar zoals vele anarchisten was hij wel wat kleinburgerlijk. Hij had wel een lidkaart op zak omdat hij zich communist "voelde" op dat moment. Hij was meer een gemoedscommunist."[1166] Of zoals Maurice Roggeman verklaarde: "Boon heeft zich nooit als revolutionair geuit. Hij had wel humanistische gevoelens en ideeën, maar zelfs na de oorlog, toen hij op De Roode Vaan werkte, was hij geen echte kommunist. (…) Kommunisme was voor hem geen zaak van partijpolitiek maar van humanisme, hij stond er niet boven, maar erbuiten."[1167]

Boonkenners Geert Goeman en Kris Humbeeck geven vier redenen voor zijn aanhang aan het communisme: angst voor een Derde Wereldoorlog, haat ten opzichte van het burgerlijk-kapitalistisch bestel, haat tegenover het fascisme én het zoeken naar bestaanszekerheid. Die bestaanszekerheid vond hij door te gaan werken op de redactie van De Roode Vaan.[1168]

E. Bruinsma e.a. vermelden dat Boon de partij als een verzamelplaats zag "voor opposanten tegen een al te zelfgenoegzame burgerlijke wereld met haar vermolmde waarden en ijdel getater over democratie. Boons keuze voor het communisme is dus niet positief-utopisch, hier kiest een partijloze tegen de restauratie van de vooroorlogse orde en een bourgeois ideologie van negentiende-eeuwse makelij."[1169]

Om het allemaal kort samen te vatten: Boon had wel degelijk communistische ideeën, maar was zeker geen radicale partijman.

 

13.3.3. Boon en Roggeman op De Roode Vaan

 

Louis Paul Boon werd op De Roode Vaan binnengehaald door de toenmalige hoofdredacteur Bert Van Hoorick. Hij werkte er vanaf juli 1945, maar mocht zijn werk pas ondertekenen vanaf oktober 1945. In de beginperiode hield hij zich bezig met redactioneel werk. Na een tijdje krijg hij een vaste rubriek en werd hij zelfs verantwoordelijk voor de pagina "Kunsten en Letteren".

Dezelfde Bert Van Hoorick zorgde ook voor de aanwerving van Maurice Roggeman, die op de redactie de lay-out en tekeningen verzorgde. Roggeman werkte, naast Proleetje en Fantast, ook samen met Boon aan een aantal reportages.

Maar aan de bloeiperiode van De Roode Vaan kwam blijkbaar snel een einde. In de loop van 1946 begon de oplage al serieus te dalen, zodat besparingen nodig werden. Van besparingen komen ontslagen, zodat Boon in september 1946 bedankt werd voor bewezen diensten. Dankzij de opzegtermijn kon hij echter blijven publiceren tot januari 1947. In de zomer van 1947 zouden trouwens ook Maurice Roggeman en andere medewerkers[1170] ook aan de deur gezet worden.

Over het ontslag van Boon wordt in de literatuur veel gespeculeerd. Financiële redenen blijken de hoofdzaak te zijn, maar er valt zeker niet te ontkennen dat het feit dat hij weinig partijdiscipline toonde en niet echt in het partijkader paste (hij was nogal alternatief), ervoor zorgde dat hij het eerste slachtoffer van de besparingen werd. Boon had het namelijk moeilijk met de strenge controle[1171] die de partij instelde op alles wat er in de krant verscheen en was niet echt gediend met doctrines.[1172] De waarheid ligt dus waarschijnlijk in een samenspel van deze twee factoren.[1173]

 

13.3.4. Proleetje en Fantast

 

Over Proleetje en Fantast is al bij al weinig geschreven. Alhoewel, mocht Louis Paul Boon er niet bij betrokken geweest zijn, was het verhaal waarschijnlijk, zoals zoveel andere strips, in de vergeethoek beland.

Als we de auteurs zelf mogen geloven, kende hun verhaal een zeker succes. "Samen met mijn vriend Roggeman begonnen we ook aan een stripverhaal. Ik schreef de tekst en hij maakte de tekeningen, het heette: "Proleetje en Fantast", en in het begin waren duizenden lezers erop verzot."[1174] Maurice Roggeman was zich blijkbaar wel bewust van de slordigheid van zijn product: "Het stripverhaal Proleetje en Fantast met de mooie teksten van Louis had veel succes, ondanks de onbehouwen tekeningen van mij. Ik had er trouwens niet voldoende tijd voor en deed dit tussen mijn ander werk door en beschikte soms over minder dan een uur, zonder de minste documentatie."[1175] "We hebben daar goed samengewerkt, de reportage Brussel een oerwoud en dat stripverhaal. Proleetje en Fantast – alhoewel ik dat laatste toch van mindere kwaliteit vind, ik was daar niet bedreven genoeg in."[1176]

Ook Bert Van Hoorick vermeldt de strip in een interview en in zijn "herinneringen": "Met Maurice heeft hij verder dat merkwaardige stripverhaal gemaakt, Proleetje en Fantast. Dat is een van de eerste Vlaamse realisaties in dat genre, echt vooruit op zijn tijd."[1177] "Ik slaag erin Louis Paul Boon en Maurice Roggeman voor de redactie aan te werven, want ik wil de krant wat leesbaarder maken met reportages van hen beiden zoals Holland door de voorruit gezien en Brussel, een oerwoud. Zij zorgen ook voor een eigen stripverhaal, want de door buitenlandse agentschappen aangeboden stripverhalen kunnen we niet betalen. Zo worden "Proleetje en Fantast" geboren, waarvoor Boon de teksten maakt en Roggeman de tekeningen."[1178]

Dit laatste aspect klinkt nogal paradoxaal. Meestal wordt de hoge kostprijs van eigen producties en de lage prijzen van agentschapstrips vermeld als reden om geen eigen auteur(s) aan het werk te zetten. Dat De Roode Vaan zich toch een eigen strip kon permitteren, ligt waarschijnlijk aan het feit dat het verhaal nogal snel geproduceerd werd[1179], door twee mensen die op de redactie werkten.[1180] Dat leidde natuurlijk tot een zekere slordigheid (vooral in de tekeningen), maar of de lezers zich daar iets van aantrokken?

Over het ontstaan van het tweede verhaal, zonder Boon, schrijft Willem M. Roggeman in de inleiding van de albumuitgave van Proleetje en Fantast het volgende: "Tegen het tijdstip dat het eerste verhaal ten einde liep, werd Boon ontslagen. Maar toen kwamen er talloze brieven op de redactie van lezers, die er zich over beklaagden dat de avonturen van P&F niet meer verschenen. De toenmalige redactiesecretaris Maarten Thijs besliste dat het stripverhaal voortgezet zou worden door Maurice Roggeman. Deze moest nu ook voor de teksten zorgen, die door Rosa Michaut zouden worden nagelezen en verbeterd."[1181]

In een artikel in "Stripschrift" wordt het volgende vermeld: "Als elk dagblad moest ook De Roode Vaan naar Amerikaans voorbeeld een strip. Er was uiteraard geen sprake van dat er een kapitalistische strip gekocht zou worden. Er kon trouwens uit geldgebrek niets gekocht worden. Op verzoek van de redactie bedacht Boon de hoofdfiguren Proleetje en Fantast. Illustrator Maurice Roggeman maakte er de tekeningen bij."[1182]

Aan deze uitleg blijkt vanalles te schorten. Niet zozeer naar Amerikaans voorbeeld, maar eerder om de concurrentie met de andere Vlaamse kranten aan te kunnen, was een strip nodig. De Roode Vaan was op het moment van de start van Proleetje en Fantast namelijk ongeveer de enige Vlaamse krant die geen strip(s) publiceerde. En er werd wel iets gekocht: het Jochem Jofel-verhaal dat het gat tussen de twee "Proleetje en Fantast"-verhalen opvult, werd in Nederland aangekocht.

 

13.3.5. Proleetje en Fantast in het land van Koning Trust

 

Het eerste verhaal van Proleetje en Fantast[1183] is het verhaal van een klassenstrijd, van een arbeidersvolk dat in opstand komt tegen de wrede koning Trust. Dankzij de kinderen Proleetje en Fantast slaagt de bevolking erin de wreedaard uit de weg te ruimen en een nieuwe wereld op te bouwen.

Al vanaf de eerste strook wordt de sfeer gezet door de sterke tegenstelling tussen Trust en zijn volk. Koning Trust zit op een troon, met een dikke mantel aan, een staf in de hand en een grote sigaar in de mond. En dat terwijl zijn volk van slaven, dat in krotten woont en amper genoeg te eten heeft zich voor hem "krom en blind" moet werken.

Trust staat natuurlijk niet alleen: hij wordt in zijn macht bijgestaan door een leger. Een leger dat bestaat uit Vleiers - met als wapens spuittoestellen die een bedwelmende geur verspreiden -, Dommerikken – "zo gedachteloos dat ze bij het kleinste bevel om zich heen beginnen te slaan"[1184] - en tenslotte de Bedriegers. Deze bedriegers (ook wel spiegelmannen genoemd), afgebeeld als goed in het vet zittende bourgeois, met hoge hoed en bril, hebben als taak de arbeiders bedriegende spiegels voor te houden, waarin de wereld er veel beter uitziet. Als een arbeider erin kijkt, ziet hij zichzelf in burgerlijke kleren en met geld op zak.

Tegen deze overmacht beslissen enkele kinderen, waaronder natuurlijk "onze kleine helden" Proleetje en Fantast, samen te werken en in opstand te komen: "Laten wij ons verenigen en sterk worden"[1185], laten ze horen. De kinderen gaan leden werven, schilderen het teken van de Sovjetunie op de muren en gooien pamfletten binnen bij de mensen. Maar hun "grote plan" of "grote doel" is natuurlijk Koning Trust uit de weg te ruimen. Proleetje en Fantast gaan samen hun leven wagen voor het "geluk en de vrijheid der anderen".

De twee jongens dringen dus de burcht van de koning binnen, en na een gevecht met Trust en een achtervolging door de Dommerikken, komen ze terecht in de handen van Dr. Apokalipsus, ook wel Apenkop genoemd. Deze geleerde, gekleed als een tovenaar in een lang zwart kleed met afbeeldingen van manen en sterren, werkt voor Trust. Hij heeft namelijk vloeistoffen samengesteld om mensen te vergroten en te verkleinen. De bedoeling is de macht van koning Trust te versterken door van zijn soldaten echte reuzen te maken. Dat het mengsel onder andere samengesteld is uit briefjes van 1000 frank, wijst er nog maar eens op hoezeer de wrede koning in het geld zwemt.

Maar Proleetje en Fantast slagen erin het goedje te bemachtigen en groeien dus als reuzen, waarna ze Apokalipsus zijn "rechtvaardige straf" geven door hem tot de afmetingen van een muis terug te brengen.

Louis Paul Boon vindt het blijkbaar grappig om Trust volledig belachelijk te maken. Na een gevecht ligt de koning hulpeloos in bed, volledig ingepakt met verbanden, waarbij het commentaar luidt: "Maar lieve deugd, waar is der oud'ren fierheid en de sigaar van koning Trust heengevaren?"[1186]. En als hij probeert te vluchten, komt hij zelfs terecht in zijn onderbroek … het begin van zijn ondergang. De vernedering gaat verder als Proleetje en Fantast hem als projectiel voor hun "nieuw geheim wapen" gaan gebruiken … en Fantast na gebruik ervan duidelijk zijn handen afkuist. Trust wordt dus nog eens afgebeeld als iets "vuil".

Een groot gevecht tussen de reuzen Proleetje en Fantast en de mannen van Trust ontplooit zich, waarbij onder het Trustleger zelfs doden vallen. Vervolgens dringen de twee jongens de gangen van het kasteel binnen, maar niet vooraleer ze een waarschuwingsbriefje voor de lezer geschreven hebben, waarin te lezen staat: "Lieve vrienden; zoals bij de aanvang moet hier nogmaals gewezen worden op de meer ernstige ondertoon van dit verhaal. Vergeef ons omdat het weer wat droevig wordt, maar ook gij zult weldra bemerken dat het in het leven niet altijd koek en deeg is. Proleetje en Fantast."[1187] Boon legt met deze boodschap duidelijk een link naar de werkelijkheid en maakt zijn lezers duidelijk dat ze het verhaal ook zo moeten lezen.

De waarschuwing was enigszins op haar plaats, want in de kelders bemerken ze graatmagere, zelfs skeletachtige mannen, allemaal vastgeketend aan de muren: de slaven van koning Trust, die duidelijk mishandeld geweest zijn. Alle slaven worden bevrijd, en de wraak wordt voorbereid: "de optocht der slaven" komt op gang. De slaven verenigen zich "eensgezind in een vrijheidsleger" "om een einde te stellen aan het duizendjarig rijk van koning Trust". Proleetje wordt aangesteld als aanvoerder en de aanval wordt ingezet.

Maar de verleidende kracht van de Vleidampers en Spiegelmannen is groot, zodat sommige slaven aan de vijand niet kunnen weerstaan. Dit belet echter niet dat de slaven het leger van Trust verslaan. Maar zowel koning Trust als Dr. Apokalipsus kunnen ontsnappen. Trust kan zijn lot echter niet ontkomen: terwijl hij probeert weg te geraken in zijn vliegende sigaar, wordt hij neergeschoten. Het doel is dus bereikt, de wrede koning is uit de weg geruimd. Apokalipsus heeft meer geluk, en kan werkelijk ontkomen.

Om het einde van de koning te vieren, wordt er ter ere van Proleetje en Fantast, die als echte helden ontvangen worden, een groot "proletarisch feest" georganiseerd. Fantast laat daar de volgende speech horen: "Eeuwen lang hebben ze ons uitgehongerd … Maar … door onze stalen wil en ons gouden geloof hebben wij het volk van het Land van Koning Trust van slavernij en uitbuiting … van ellende van kerkers van knoeten, van Dommerikken van Vleidampers van Bedriegerspiegels van Apenkoppen van Trusten en … van de honger vrijgevochten …! En, waarde strijdmakkers, met de wens dat het maal u goed bekomt sluit ik mijn rede. Smakelijk."[1188]

Waarna de "vrijgevochten Trustslaven" hun familie terugvinden. Na deze ontroerende scène, zet iedereen zich aan het werk om een nieuwe stad te bouwen, "hun wonderlijke droom die nu werkelijkheid wordt". "Nieuwe moderne woningen, mooie theaters en cinemazalen, prachtige speelpleinen en fabrieken met radiomuziek worden gebouwd. Einde goed alles goed."[1189]

Tenslotte wordt het verhaal besloten door een nawoord: "Beste vriendjes. Hier komt een punt aan de wonderlijke avonturen van Proleetje en Fantast in het land waar de geniepige Trustkoning tyran was en de verschrikkelijke Apenkop zijn rechterhand. Ge weet hoe het volk moest zwoegen als een trekhond om de sigaren van de luie koning te betalen, en zelf de wapens vervaardigde waarmee het onder de duim gehouden werd. Als enige voldoening mocht het zijn kinderen zien sterven van de honger. Maar onder de dappere leiding van Proleet en Fantast is daar een eind aan gemaakt, mits veel bloed en zweet te vergieten. Het volk is baas over zijn eigen en heeft zich een wereld gebouwd zonder krotten, waar de zon bij elkeen binnen kan en de een geen stro in de andere zijn weg legt. In dat aards paradijs blazen ze nu uit van de zware karwei, roken zelf een sigaartje, halen hun herinneringen op en als ze niet dood zijn leven ze nog. Proleetje en Fantast."[1190]

 

In het verhaal wordt duidelijk de tegenstelling tussen kapitalisme en communisme uitgespeeld. Proleetje, Fantast en de rest van het gewone volk staan voor het communisme, terwijl Trust en de zijnen voor het (burgerlijke) kapitalisme staan. Boon staat duidelijk aan de kant van het volk, wat trouwens perfect in overeenstemming te brengen is met zijn toenmalige politieke ideeën. Natuurlijk staat het verhaal in zijn geheel voor die tegenstelling, maar dat wordt door een aantal elementen nog eens extra in de verf gezet.

Zo schilderen Proleetje en Fantast in het begin van het verhaal "het teken" op de muren, een teken dat bestaat uit een sikkel en een hamer, overduidelijk het kenteken van de Sovjetunie. Ook valt onder de opstandelingen wel eens het woord "kameraad".

Samenwerking wordt door Boon verheerlijkt, het is duidelijk ook één van de elementen die de opstand doet slagen. Bij het begin zeggen de kinderen al "Laten wij ons verenigen en sterk worden". Samenwerking, de kracht van een massa: "Om een einde te stellen aan het duizendjarige rijk van koning Trust, moeten de slaven zich eensgezind in een vrijheidleger, een massaleger, verenigen."

Het gaat echter niet alleen om de strijd tussen kapitalisme en communisme, men kan alles zelfs herleiden tot een strijd tussen goed en kwaad. Laten we even het taalgebruik in verband met de verschillende (groepen) personages vergelijken. Proleetje en Fantast, "onze kleine helden", zijn "de redders", worden "strijdmakkers" genoemd en worden gekenmerkt door hulpvaardigheid, moed en uithoudingsvermogen. Zij slagen erin hun volk van "arme slaven" te doen opstaan en om te vormen tot "flinke soldaten". Dit in tegenstelling tot de soldaten van het leger van koning Trust, die worden afgeschilderd als "gedachteloos", "niet veel meer dan machines" en steunend op "brute macht". Op die manier wordt het imago van het "machtige leger" van koning Trust met de grond gelijk gemaakt.

 

Onze koning Trust, die er zeker niet beter uitkomt dan zijn leger, is wreed, sluw en wordt naast "tyran" ook "monsterachtige uitwas" en "grote bedrieger" genoemd. Zijn "machtig paleis" blijkt een "sombere burcht" te zijn. Ook Apokalipsus, de rechterhand van Trust, wordt een "monster" genoemd.

Ook belangrijk om aan te stippen, is hoe bepaalde attributen gebruikt worden om Trust en de zijnen te kenmerken. Trust met zijn staf, mantel, hoge hoed, dikke sigaar; de bolhoeden van de Spiegelmannen. Andere elementen die geassocieerd worden met Trust, staan in verband met geld en het kapitalisme. De naam "Trust" alleen al … In zijn kamer staan dan ook nog een brandkast en hangen er statistieken met een enorm stijgende lijn aan de muur. En dan zit hij nog uit te rekenen hoe hij meer rendement uit zijn slaven kan halen. Ook het feit dat Dr. Apokalipsus zijn vergrotingsmiddel maakt uit briefjes van duizend, terwijl het volk zit te creperen van de honger, versterkt nog de sociale tegenstellingen.

6

 

In het verhaal zijn ook een aantal verwijzingen naar de Tweede Wereldoorlog terug te vinden. Zo heet één van de bevrijde slaven van koning Trust "Jef Buchenwald"[1191], waardoor een duidelijke link gelegd wordt tussen de kerkers van de wrede koning en de nazi-concentratiekampen. Als Proleetje en Fantast op een bepaald moment vluchten, staat er: "En dan … op zoek naar levensruimte!", zoals de Nazi's in de tijd"[1192]. Het rijk van Koning Trust wordt net als Duitsland het "Duizendjarige Rijk" genoemd. En een vrouw, die een "weg met koning Trust"-pamflet ontvangt, vraagt zich af of dat niet naar de "kommandantur van koning Trust"[1193] moet. Op basis daarvan kan men stellen dat Boon een link probeert te leggen tussen de Duitse bezetting en het regime van koning Trust. De haat van Boon (zie hoger) tegenover het fascisme maakt deze stelling alleen maar sterker.

Een link Trust – burgerlijk kapitalisme – nazi-Duitsland is in het verhaal dus zeker aanwezig en is ook nog in overeenstemming met de marxistische theorie. De traditioneel-marxistische benadering ziet het fascisme namelijk als een instrument van het bourgeoiskapitalisme. Het fascisme is volgends deze benadering dus een complot van de burgerij om hun kapitalistische belangen veilig te stellen en de arbeidersmassa onder de knoet te houden.[1194] Ook de doelstellingen van de KPB net na de Tweede Wereldoorlog liggen in die lijn: die doelstellingen waren namelijk het opzetten van een breed democratisch front om de strijd tegen nazi-Duitsland en zijn vijfde colonne in het eigen land verder te zetten. Die vijfde colonne werd zeer breed gezien, ook de trusts en het grootkapitaal behoorden daartoe.[1195]

De Tweede Wereldoorlog was voorbij, het fascisme verslagen. Nu nog het kapitalisme, zou men kunnen denken. Boon laat het Proleetje en Fantast alleszins realiseren. En ook hier kan men een link maken naar de marxistische theorie. Daarin staat de klassenstrijd namelijk centraal. Een klassenstrijd waarbij een elite via dwang, sociale controle en ideologie-overdracht haar macht oplegt aan de massa. De staat is een instrument in handen van de elite die het gebruikt om haar belangen veilig te stellen: de staat bevordert dus de kapitalistische productieverhoudingen. Aan dit systeem kan alleen een einde gemaakt worden door een totale omvorming van de productiewijzen.[1196] In het verhaal verslaat het volk de kapitalistische koning Trust en grijpt het zelf de macht.

Een gelegenheid om de koningskwestie aan te kaarten, vindt Boon blijkbaar ook. Als één van de bevrijde slaven in handen van de Spiegelmannen valt, schrijft Boon: "Daar staat hij nu … de dapperste aller slavensoldaten, zijn spiegelbeeld-met-de-goudzak te bekijken gelijk Leopold zijn eigen aan de poort van Berchtesgaden"[1197]. In volle koningskwestie-periode is dit natuurlijk geen onschuldige uitspraak. Zoals al vermeld in de contextschets, was één van de zaken die de anti-Leopoldisten de koning verweten, dat hij een onderhoud met Hitler gehad heeft in Berchtesgaden in 1940. Niet alleen wordt Leopold door deze uitspraak belachelijk gemaakt, ook belangrijk is het feit dat er "Leopold" en niet "koning Leopold" of "de koning" staat. Boon neemt hier dus een duidelijk anti-Leopold standpunt in.

Het hele verhaal kan trouwens gezien worden als anti-Leopold en anti-CVP, als men naar de standpunten van De Roode Vaan kijkt. In verschillende artikels van de krant worden de trusts aangevallen als de vijand nummer één. En deze trusts worden gelinkt met de CVP (de partij van de "reaktie") en Leopold III. In de hiernaast afgebeelde tekening ziet men duidelijk hoe Leopold afgebeeld wordt als de koning van het burgerlijke grootkapitaal. In verkiezingspropaganda uit januari 1946 wordt Leopold zelfs voorgesteld als de man die de hand gereikt heeft aan Hitler, die de collaborateurs aangemoedigd heeft, die zich aan het hoofd stelde van "alle reaktionnaire en neo fascistische krachten", …[1198]

 

Hoewel de thematiek van "Proleetje en Fantast" zeer ernstig is, blijft het verhaal toch sterk gekenmerkt door een humoristische inslag. Getuige daarvan de ontelbare scènes waar Trust zelf of zijn leger zich door hun stommiteiten hopeloos belachelijk maken. Toch blijft de realiteit van het leven aanwezig: Boon zorgt daar onder andere voor door de boodschappen tot de lezer die hij inlast. Ook blijkt dat de wapens die gebruikt worden wel degelijk in staat zijn te doden, in de vrijheidsstrijd vallen slachtoffers. De wapens richten wel niet de schade aan die ze verondersteld zijn aan te richten, er wordt bijvoorbeeld zonder al te veel gevolg gebruik gemaakt van atoombommen en –kanonnen.

Louis Paul Boon heeft blijkbaar een "boontje" voor het gebruik van "atoom" als voorvoegsel. Zo vindt men in het verhaal naast atoombommen en –kanonnen ook nog "de atoomridder". Andere auteurs maakten trouwens ook graag gebruik van het woord "atoom", waaronder Maurice Roggeman in het volgend verhaal. Daarin vraagt Proleetje op een bepaald moment aan Fantast of hij nog leeft, waarop deze antwoordt: "nog een atoompje"[1199]. De atoombom stond op dat moment dan ook sterk in de actualiteit.

 

Louis Paul Boon en Maurice Roggeman hangen in dit verhaal dus geen al te mooi beeld op van de kapitalistische maatschappij. Kapitalisme wordt geassocieerd met uitbuiting, machtsmisbruik, onderdrukking, waarbij het gewone arbeidersvolk bedrogen wordt door valse discours. Alleen door zich te organiseren (leden werven, pamfletten verspreiden, …) en in opstand te komen kan het volk een einde maken aan deze onrechtvaardige situatie. Dan kan een nieuwe wereld ontstaan waar niemand iets tekort komt. Dit blijft natuurlijk een ideaal …

Een ideaal, maar een ideaal dat verwezenlijkt wordt. En deze optimistische afloop is eerder merkwaardig voor Boon, omdat hij in zijn ander werk meestal een veel pessimistischer houding aanneemt. In zijn roman Vergeten Straat uit 1946 bijvoorbeeld, waar de bewoners van een afgesloten straat een communistische gemeenschap proberen op te richten, maar waarin het experiment mislukt.[1200]

Ook in zijn andere bijdragen aan De Roode Vaan was Boon blijkbaar pessimistischer, zoals Jos Muyres vermeldt in zijn boek: "Maar zijn bijdragen aan De Roode Vaan missen de voor die naoorlogse communistische journalistiek typerende opportunistische en euforische toonzetting. Onder andere Oud-Rode-Vaan-collega Rosa Michaut heeft er later op gewezen dat Boon qua levenshouding eigenlijk niet bij De Roode Vaan thuishoorde, omdat hij niet in veranderingen en al helemaal niet in een communistische samenleving geloofde. Zijn indertijd in boekvorm verschenen werk bevestigt deze veronderstelling: daarin overheerst een diepgeworteld ongeloof in maatschappelijke veranderingen."[1201]

Twee mogelijkheden stellen zich dan ook: ofwel heeft Boon zich voor Proleetje en Fantast in optimistische richting laten gaan[1202] ofwel heeft hij de richtlijnen van de redactie opgevolgd. Uit al geciteerde interviewfragmenten blijkt dat het verhaal duidelijk in opdracht van de redactie van De Roode Vaan gemaakt werd. En de redactie zal meer dan waarschijnlijk een propagandaverhaal verwacht hebben waarin het voorbeeld getoond wordt, waarin getoond wordt dat en hoe een klassenstrijd kan gewonnen worden door de arbeidersmassa en hoe het volk dan een nieuwe, betere, maatschappij kan opbouwen[1203]. Een pessimistisch einde zou hierin zeker niet passen. En het feit dat zeer veel elementen uit het verhaal perfect aansluiten bij de standpunten van de krant, bevestigt deze redenering alleen maar.

Het "druk-vanuit-de-redactie"-argument kan trouwens ook gebruikt worden om te verklaren waarom er geen auteurs vermeld worden voor het verhaal. Misschien vond Boon het te zeer bestellingswerk en te weinig persoonlijk om er zijn naam onder te zetten. 

 

13.3.6. Proleetje en Fantast Globetrotters

 

Het verhaal "Proleetje en Fantast globetrotters" bestaat uit twee onderverhaaltjes, die ik afzonderlijk zal behandelen. Het eerste deel is volledig nieuw, terwijl het tweede deel een variatie is op de strijd tegen Koning Trust.

Proleetje en Fantast blijken hun nieuwe "land-van-belofte" een beetje saai te vinden, want ze vervelen zich. Ze besluiten dan maar op reis te gaan. Ze vertrekken met het vliegtuig en ter hoogte van het eiland Bikinino springen ze naar beneden. Bikinino is dan ook een "prachtig eiland" met "goudkleurig strand, kokospalmen en bananenstruiken". Maar de twee jongens zijn nog maar net geland op het eiland, of ze worden al door de inboorlingen naar het dorp gebracht. En tegen al hun verwachtingen in, worden ze niet in de ketel gestopt, maar een hut binnengeleid.

Ondertussen blijkt ook dat er een ganse hoop Amerikaanse militairen op het eiland aanwezig zijn. Dit wordt niet expliciet gezegd, maar de "PM" die ze op hun helmen hebben staan, en het soort Engels dat ze spreken ("handsoep"[1204]), zeggen genoeg. De soldaten vinden Proleetje en Fantast verdacht en sluiten hen op.

Opeens zijn Proleetje en Fantast getuige van een merkwaardig tafereel, dat hun "bloed aan het koken" brengt: "De inlanders worden uit hun hutten gesleurd, op het strand in een troepken gezet en door de mitrailletten in bedwang gehouden. Een groot schip komt rechtstreeks op hen aangestevend. Nauwelijks geankerd wordt de grote valdeur neergelaten en de inboorlingen als een kudde schapen in het water gedreven. Overal gekerm en gehuil, alles wat hen lief is moeten ze verlaten, hutten bossen, bananen, kokosnoten, papegaaien, apen en andere lekkere dingen."[1205] De naam van het schip, "Liberty shop", is minstens ironisch te noemen.

Proleetje en Fantast besluiten te vluchten, en ondanks het feit dat ze beschoten worden door mitrailleurvuur, raken ze met een kano weg over de Stille Zuidzee, terwijl ze in de verte kruisers zien liggen. Maar: "Eensklaps schijnen hemel en aarde open te scheuren. Proleetje vliegt van 't verschot de lucht in en zijn muts wordt bijna van zijn hoofd gerukt… In de verte zien ze een reuzepaddestoel de lucht in groeien."[1206] Een atoombom dus …

Dit eerste deel is één en al anti-Amerikaans en anti-atoombom te noemen. Ook de inboorlingen worden naar hedendaagse normen niet al te fraai voorgesteld. Proleetje en Fantast vrezen in de kookpot terecht te komen, de "zwarte mannekens" spreken "koeterwaals", en één van de zwarten wordt zelfs eens beschreven als "schoenkreemsandwichman". Maar voor die tijd is dit totaal niet buitengewoon en dit is zeker niet het belangrijkste element.

Veel belangrijker is dat de inboorlingen worden opgedraafd om een rol van slachtoffers te spelen. Slachtoffers van de Amerikaanse atoomproeven en van de Amerikaanse agressie. De voorstelling van de Amerikaanse soldaten is niet al te vleiend: ze worden beschreven als "zwartkijker", "donkerwolk" of nog "man van de openbare wanorde"[1207]. Met de chef van de Donkerwolken is het nog erger gesteld: deze doet niets dan roepen en ziet in Proleetje en Fantast spionnen, zodat hij ze wil laten doodschieten.

De Amerikanen worden voorgesteld als agressievelingen die alles doen om hun doel te bereiken, ook al moeten ze daarvoor de inlandse bevolking hun huizen en omgeving ontnemen en hen op een mensonwaardige manier samendrijven naar de "Liberty Shop". Men kan de situatie zelfs ook zien vanuit ecologisch standpunt: de Amerikaanse donkerwolken helpen, ten behoeve van hun atoombom, een prachtig eiland om zeep.

Hier wordt natuurlijk verwezen naar de Amerikaanse atoomexperimenten op het eiland Bikini in de Stille Oceaan. Vanaf 1946 hielden de Amerikanen op dit eiland atoomproeven, nadat ze de bewoners verwijderd hadden. Ook merkwaardig is het feit dat, daar waar in het eerste verhaal nogal speels met atoombommen omgegaan werd, het hier bittere ernst is.

Ten tijde van de atoomproeven op Bikini neemt De Roode Vaan een sterke negatieve houding aan tegenover de Amerikaanse experimenten. Ook wordt er "gelachen" met de tegenvallende resultaten van de eerste proeven. Daarnaast wordt de Amerikaanse houding inzake atoomwapens afgekeurd, en de Sovjethouding als alternatief naar voor geschoven.[1208] Ook de voorstelling van de Amerikanen als agressievelingen die de vrede en de openbare orde bedreigen, past perfect hij de communistische denkbeelden.

 

In het tweede onderdeel ziet een schip de kano van Proleetje en Fantast varen, en ze worden opgepikt. De bemanning blijkt echter uit een hoop rare gevallen te bestaan. Naast Kapitein King Kong of Eenoog[1209], bestaat ze uit de "kaffer" en de "eierenkakker".

Een storm steekt op en de twee jongens gaan zich verstoppen in het ruim, waar een kist staat die hun aandacht trekt. "Proleetje slaat zijn pollekens open van verbouwereerdheid bij het lezen van het bestemmingsadres. Ik wil er mijn nieuwe muts bij verwedden dat daar kiekentaartjes en atoomsigaren in zitten, peinst hij."[1210] Op de tekening valt een deel van het adres te lezen: "Apokalipstru … naaim … nes … via … b … aire". Natuurlijk blijken er in die kist geen naaimachines te zitten, maar wapens: "Brownings, kolts, trommelrevolvers, automatische pistolen, traangaspistolen van de allernieuwste modellen."[1211]

Aangezien in het ruim ook een lading worsten ligt, verwisselen Proleetje en Fantast de inhoud van de twee kisten en kruipen zelf in een lege ton. Even later komt het schip aan in de haven van bestemming en wordt de lading uitgeladen.

De twee jongens houden vanuit hun ton de omgeving in het oog en "Als de duisternis ingevallen is willen Proleetje en Fantast hun schuilplaats verlaten om de omgeving te verkennen, maar juist op dat ogenblik komt er een luxewagen aansuizen en stopt vlak voor hun ton. Een zwarte vent stapt er uit en loopt op zijn sokken naar het schip toe."[1212] De "zwarte vent" en Kapitein Eenoog wisselen "pampieren"[1213] uit, waarna een stel vrachtwagens de verkochte kisten komen opladen. Kapitein King Kong en zijn bende doen dus duidelijk aan wapensmokkel.

Proleetje en Fantast reizen ongezien mee met de vrachtwagens, die door een kaal landschap met kaktussen rijden. Fantast denkt dat ze zich in "Kakadoezië" bevinden, dat één of ander Spaanssprekend Zuid-Amerikaans land[1214] moet voorstellen. Uiteindelijk rijdt het konvooi een domein binnen, waar boven de ingang "Haciënda del Trusto" te lezen staat. De jongens springen snel van de vrachtwagen af en zien een "mooie luxeauto" voorbijrijden waar sigarenrook uitkomt. Hun nieuwsgierigheid wordt geprikkeld, en ze dringen de "prachtige haciënda" binnen. Daar zien ze Koningos Trustos met zijn mannen niet al te zuivere plannen smeden: "Afgedankte generalen en mannen met goud en zilver bestikte frakken zitten rond een vierkante tafel een komplot te fabriceren."[1215]

Maar Proleetje en Fantast worden opgemerkt, "de zilver- en goudverstikten stuiken uit hun hol en een verschrikkelijke achtervolging begint."[1216] Maar ze slagen erin te ontsnappen en trekken verder tot ze aankomen bij een krotwoning, waarvan ze "haast niet geloven dat daar mensen kunnen wonen". Proleetje merkt dan ook op: "Dit zullen in geen geval vrienden van onze vijanden zijn".[1217]

Hier wordt weer, zoals in het eerste verhaal, de scherpe tegenstelling uitgespeeld tussen het arme volk en de rijke Koningos Trustos, met als enig verschil dat de Trust-aanhangers (nog) niet aan de macht zijn. Ze proberen alleen via een complot de macht in handen te krijgen. Trustos en de zijnen roken dikke sigaren, beschikken over een luxueuze haciënda, rijden in luxeauto's en dragen met goud en zilver versierde uniformen. Die uniformen worden trouwens ook gebruikt om de mannen van Trustos belachelijk te maken, als ze benoemd worden als "de goud- en zilververstikten".

Ook in het woordgebruik wordt duidelijk aangegeven wie aan welke kant staat: Proleetje en Fantast worden beschreven als "onze onoverwinnelijken", terwijl de mannen van Trustos de "rebellos" zijn die de macht willen grijpen[1218].

Om verder te gaan met het verhaal: Proleetje en Fantast worden door de Indianen die de krotwoning bewonen, hartelijk ontvangen. Maar plots wordt heel de omgeving opgeschrikt door een grote rookontwikkeling. Ze haasten zich naar de plaats van het onheil en "Weldra vinden ze de verschrikkelijke sporen van de bloeddorstige bende die de opstand ontketend heeft. Overal rokend puin en in de pampas verspreide lijken van vermoorde inlanders."[1219]

De twee jongens gaan dan maar de inwoners van de dichtstbijgelegen dorp verwittigen, waar iedereen juist staat aan te schuiven voor de rantsoenering. Maar natuurlijk zitten er in de aanwezige tonnen niet de voorziene worsten, wel de wapens die Proleetje en Fantast op het schip van ton verwisseld hadden. De dorpelingen kunnen dus bewapend worden en het verzet tegen Trustos wordt georganiseerd. Ondertussen zijn ook de "rebellos" aangekomen: "Geen onraad vermoedend stormen ze al brullend "Viva Trustos" op de stad toe en verknallen nutteloos hun buskruit dat het stof in de geburen vliegt"[1220]. Ook hier worden de rebellen weer duidelijk voorgesteld als "de slechten": niet alleen richten ze een enorme schade aan onder de lokale bevolking, hun actie is ook totaal nutteloos, aangezien Proleetje en Fantast toch onoverwinnelijk zijn.

Maar de dorpelingen (ook wel "peones"[1221] genoemd) slagen erin de overmacht te behalen. Bij de rebellos gaat het dus wat minder goed: "De kommandantos, die natuurlijk buiten schot gebleven was, ziet zijn soldeniers lijk vliegen wegmaaien. Rapos, helpos, of wij zijn naar de vaantjes! telegrafeert hij, terwijl het overschot van zijn rebellos met hun benen onder de armen komt teruggestoven."[1222] De rebellen die proberen te vluchten worden door Proleetje en Fantast, die zich gedragen "als echte guerrillapartizanen"[1223] tegengehouden. Hier krijgt men een serieuze kritiek op de legerleiding, die buiten schot blijft, terwijl de gewone soldaten zich laten afmaken. Bij de beschrijving van Proleetje en Fantast als guerrillapartizanen krijgt men dan weer een verheerlijking van het communistisch verzet.

De rebellie wordt dus gestopt, maar Trustos kan ontsnappen met een vrachtwagen. Proleetje en Fantast nemen afscheid van de peones en gaan bij een zonsondergang achter Trustos aan.

In dit verhaal gaat het dus niet meer om een regime dat de jonge communisten Proleetje en Fantast afzetten, maar om een rebellie die ze voorkomen. Welk gezag er dan wel is in dat land, daar kan men alleen maar raden. Dat het er niet zo goed gaat, is wel duidelijk, zie daarvoor de krotwoningen en de rantsoeneringen. Opmerkelijk is ook het "open einde": de rebellie is wel neergeslagen, maar Trustos is kunnen ontsnappen. De kans bestaat dus dat hij elders weer plannen gaat smeden om de macht te grijpen. De lezer weet alvast dat hij op zijn hoede moet zijn …

 

13.4. Besluit

 

De Rode Vaan begint zeer laat met het publiceren van een strip. Pas in mei 1946 wordt er gestart met Proleetje en Fantast. Waarschijnlijk door gebrek aan financiële middelen worden Boon en Roggeman, als medewerkers van de krant, aan het werk gezet.

Hoewel de auteurs bekend zijn door hun ander werk voor de krant, worden hun namen nooit genoemd in verband met Proleetje en Fantast. Toch krijgen de verhalen aandacht: het eerste verhaal heeft recht op een aantal aankondigingen, die de lezer al enkele weken op voorhand op de hoogte brengen van de publicatie.

Voor het verdere gebrek aan strips zijn er verschillende verklaringen mogelijk. Vooral het gebrek aan financiële middelen en het ontslag van Boon en Roggeman lijken plausibele verklaringen. Want De Roode Vaan was goed bezig om zich naast de andere kranten te plaatsen en zelfs zich tot een kwaliteitskrant te ontpoppen: verzorgde lay-out en lettertypes, veel aandacht voor cultuur en een eigen strip die met de nodige aandacht aangekondigd wordt.

Maar ook verschillende verklaringen zijn onmogelijk. De uitleg die soms aangevoerd wordt dat een communistische krant geen strips publiceert omdat ze geen Amerikaanse agentschapstrips wilt kopen, slaat nergens op. Er waren genoeg andere mogelijkheden om aan strips te geraken. De Roode Vaan publiceert zo bijvoorbeeld een Nederlands verhaal en enkele strips uit de Franse communistische pers.

En hiermee komen we aan de relatie tussen de twee communistische "zusterkranten", De Rode Vaan en Le Drapeau Rouge. Aangezien er een nauwe samenwerking tussen deze twee kranten bestond (er wordt soms zelfs gesproken van De Rode Vaan als de vertaling van Le Drapeau Rouge), is het zeer merkwaardig dat er niet nauwer samengewerkt werd op het vlak van strips. Slechts zes stroken afkomstig uit de Franse communistische pers staan in de twee kranten. En dat terwijl een propagandaverhaal als Proleetje en Fantast zeker goed gepast had in Le Drapeau Rouge. Deze krant publiceert op dat moment totaal geen strip. Samenwerken op het vlak van strips had ook de financiële middelen kunnen versterken. Waarom het niet tot samenwerking gekomen is, is dan ook zeer moeilijk te achterhalen …

Politiek gezien staat Proleetje en Fantast vol met communistische propaganda. De strijd tegen de trusts en het grootkapitaal, de bevrijding van de arbeiders, de kritiek op de Amerikaanse atoomproeven, enz. Ook wordt er in het eerste verhaal een duidelijke link gelegd tussen de trusts, nazi-Duitsland, Leopold III en (indirect) de CVP. De relatie tussen de auteurs en de krant werkte dat propaganda-gehalte natuurlijk in de hand. Als werknemers van De Roode Vaan konden Boon en Roggeman moeilijk anders dan de partijlijn en de richtlijnen van de redactie op te volgen.

 

14. La Dernière Heure

 

14.1. Historiek en situering

 

La Dernière Heure werd in 1906 opgericht door enkele jonge liberalen. Het was de bedoeling om een andere soort krant te maken: de opmaak was geïnspireerd op de toenmalige Britse populaire pers en er werd ruime aandacht besteed aan sportverslaggeving. Tijdens de Tweede Wereldoorlog stopte de krant haar publicatie en drukten de Duitsers op de persen de "Brüsseler Zeitung".

Op 5 september 1944 verschijnt La Dernière Heure dan terug. De leiding van de krant is in handen van Fernand Oedenkoven en Georges Bouché, en bij de dood van Oedenkoven in 1949 zorgen Marcel en Maurice (jr) Brébart voor de opvolging. Raymond Hustin wordt hoofdredacteur, en wordt na zijn dood in 1947 opgevolgd door A. Volont ("chef des services de rédaction") en Gaston Williot ("directeur des services d'information et de reportages"). De naoorlogse periode wordt gekenmerkt door een enorme groei van de krant. Voor 1951 vermeldt Campé een oplage van 190.000 exemplaren.[1224]

De krant verschijnt zeven keer per week, in de beginperiode op 6 à 8 pagina's, tegen 1950 op 8 à 12 pagina's, én op groot krantenformaat. Strips verschijnen eerst alle dagen, behalve op maandag. Vanaf november 1949 verschijnen strips wel op maandag, om dan in juni 1950 tot een systeem te komen waarbij twee strips niet op maandag verschijnen en een derde strip[1225] wel.

 

14.2. Over Egypte, spionnen en detectives

 

14.2.1. Le Secret du Mastaba

 

De publicatie van strips in La Dernière Heure begint op 19 december 1945 met "Le Secret du Mastaba". Als auteur wordt een zekere "Luc" vermeld, wat niet echt veel is om de auteur te achterhalen. In 1942 publiceerde schilder Max Servais echter al een strip met de titel "Les aventures de Jacquy et Marcou, Le secret du Mastaba"[1226]. Meer dan waarschijnlijk gaat het om hetzelfde verhaal, al blijft het een raadsel waarom de publicatie niet onder de naam van Servais kon gebeuren.

Max Servais werd in 1904 geboren in Brussel in een burgerlijk milieu. In 1924 werd hij, na een transit via de marine, bediende op het Gemeentekrediet. In datzelfde jaar leerde hij de dichter Nougé kennen, die een vriend was van René Magritte en Servais introduceerde bij de Brusselse surrealisten. Hij begon dan ook te schilderen, om zich na zijn huwelijk in 1930 vooral toe te leggen op collages. In 1938 begon hij terug op Magritte geïnspireerde schilderijen af te leveren en begon hij te schrijven. Dit resulteerde vanaf 1941 in de publicatie van een reeks politieromans. Hij maakte trouwens ook humoristische tekeningen voor verschillende kranten en tijdschriften. Eén van die tekeningen zorgde ervoor dat hij in 1942 zes maanden in de gevangenis belandde. Na de oorlog werkte hij mee aan de kranten La Flamme en Le Peuple.[1227]

Le Secret du Mastaba lijkt nogal snel getekend te zijn: de stijl is eerder slordig, decors zijn weinig uitgewerkt, … Het verhaal loopt drie maanden lang over 95 stroken. De Brusselse jongens Jacquy en Marcou zijn de tweelingszonen van de bekende archeoloog Pierre Capon, die in Egypte aan het werk is. Met een valse brief van hun vader worden de jongens naar Egypte gelokt en tijdens de reis wordt Marcou ontvoerd. Jacquy bereikt wel zijn vader en even later krijgt deze een dreigbrief : Marcou wordt vastgehouden om vader Capon te verplichten zijn opgravingen te stoppen. In de zoektocht naar zijn broer komt Jacquy in de "Cité des sables" in contact met oude Egyptenaren, in historische kledij, maar wel in het bezit van tanks, mitrailleurs en motors. Blijkt daar een strijd aan de gang te zijn tussen de farao en de rebellen onder leiding van een opstandige prins. Maar opeens vergaan alle oude Egyptenaren terug tot stof, het magisch effect is blijkbaar uitgewerkt. Daarop keren Jacquy, Marcou en hun vader terug naar huis, waar niemand hun verhaal gelooft.

 

14.2.2. Monsieur Moustache, L'agent secret X 9 en Buffalo Bill

 

Een dag later dan "Le Secret dus Mastaba", op 20 december 1945, begint de publicatie van "Les avatars de M. Moustache". Deze gagstroken zijn getekend door Fola[1228] en worden verdeeld door Press Alliance en Opera Mundi. Hoofdpersonage M. Moustache loopt, zoals men al kan verwachten, door het leven met een grote witte snor. En natuurlijk komt hij in de meest rare situaties terecht. Eind 1950 loopt de publicatie nog altijd door.

En als op 17 februari 1946 "Le Secret du Mastaba" afloopt, wordt het twee dagen later vervangen door "L'agent secret X9". 1780 stroken van deze reeks vol spionnen, misdadigers, geheime agenten en amoureuze intriges zouden tegen eind 1950 gepubliceerd worden. De reeks zal even verder uitgebreid behandeld worden.

Op 1 juli 1947 komen er een derde en een vierde reeks bij. Eén daarvan is "Les aventures de Buffalo Bill", door Lennart Ek. Het verhaal loopt dagelijks tot november van dat jaar, waarna het naar de jeugdpagina verhuist en wekelijks wordt. Het is een verhaal van complotten, achtervolgingen en strijd, zowel tussen blanken en Indianen als tussen blanken onderling. Net als bij het Fred Sander-verhaal[1229] van dezelfde auteur worden de tekeningen in de loop van het verhaal altijd maar slordiger.

 

14.2.3. Monsieur Cro

 

En samen met Buffalo Bill start ook de reeks "Les enquêtes de M. Cro, détective", door Ray Reding. Het gaat hier om een speciaal voor La Dernière Heure vervaardigde reeks. Auteur van dienst, Raymond Reding, werd in 1920 geboren in Normandië, als zoon van een Belgische vader en een Franse moeder. Maar hij kwam al op elfjarige leeftijd in België terecht. Na allerlei noodjobs te hebben uitgeoefend, werkte hij van 1944 tot 1946 als schrijver en illustrator mee aan het tijdschrift Bravo en vanaf 1950 kwam hij ook bij Tintin terecht.[1230]

De verhalen draaien rond M. Cro, detective in de stad Merleville. Hij is een welkome hulp voor commissaris Ara, die het meestal alleen niet redt. In het tweede verhaal trouwt Cro trouwens met de nicht van de commissaris, Péruchette. Andere personages zijn onder andere Professor Nocturne en de misdadiger Gorilla Bing. Alle personages hebben het hoofd van dieren, maar het lichaam en het gedrag van mensen. De auteur gaat geen woordspelingen uit de weg voor het kiezen van namen voor zijn personages, getuige namen als P. Lican en May Lisande. Ook verwijzen namen meestal naar diersoorten.

M. Cro is een humoristisch getekende ballonstrip, die in de loop van de verhalen steeds beter getekend wordt. Wat de verhalen betreft, laat Reding zijn hoofdpersonage in contact komen met allerlei misdaden, die hij dan mag oplossen. Hij reist daarbij heel wat landen af. De humoristische tekenstijl verhindert niet dat het er in de verhalen ernstig aan toe gaat, zo vallen er bijvoorbeeld echte doden.

In het eerste verhaal, "La formule volée", wordt er een formule gestolen bij professor Nocturne. Het gaat om de formule van een verlammend gas, dat de eigenaar in staat zou stellen de meester van de wereld te worden.[1231] Cro en commissaris Ara onderzoeken de zaak. Ze verdenken eerst de buitenlanders, maar dat levert niets op. Uiteindelijk blijkt de schuldige een concurrerende professor te zijn.

In "Les 7 corbeaux" wordt Cro ontboden door de Minister van Buitenlandse Zaken, die hem vraagt naar het Rijk van Sinus te reizen. Er is namelijk een oorlog aan de gang tussen de "Kimonianen" en de "Sinusianen". Het zou een ramp betekenen als Sinus zou verliezen, want het land is een belangrijke cacaoproducent. De minister vertelt: "Les Kimoniens ne sont plus qu'à 200 km. de ces immenses plantations qui font notre richesse! … L'empire du Sinus nous demande notre aide … très bien … mais officiellement nous devons rester neutres car la Kimonie est une de nos clientes. Ce qui sape l'empire c'est avant tout l'incroyable réseau d'espions qui s'y est installé! … Seul un service de contre-espionnage efficace peut arrêter le désastre … Et là, nous pouvons aider les Sinusiens. C'est pourquoi j'ai pensé à vous pour aller sur place déjouer les plans des 7 corbeaux! …"[1232] Cro reist er naartoe en mede door zijn interventie en die van de Sinusiaanse Keizer, die incognito gids speelt voor Cro, worden de Kimonianen overwonnen en de spionnen ontmaskerd.

In dit verhaal zetten economische belangen het land van Cro dus aan tot interventie in een extern conflict. De interventie moet echter stil gehouden worden om de relaties met het tweede land niet te schaden. Reding verwerkt hier op een speelse manier kritiek op de hypocriete houding van sommige gezagsdragers.

Verder lost Cro nog twee valsemunterszaken op, verhindert hij in het oosters land Kalpygië een staatsgreep tegen de groothertog door diens eigen broer , lost hij een zaak van bedreigingen in een hotel op, onderzoekt hij de mysterieuze dood van een bokser, vindt hij een gestolen halssnoer terug, neemt hij het in Noord-Afrika op tegen een mysterieuze sekte, lost hij diefstallen op, ontmaskert hij een "spook", rolt hij een illegale wapenhandel op, lost hij ontvoeringen op, … De misdadigers worden meestal gearresteerd, tenzij ze ontsnappen of verdrinken, zich te pletter rijden of in een ravijn storten.

Een origineel element is dat de auteur in de verhalen soms op bezoek gaat bij zijn personage. Cro vertelt dan wat hij meegemaakt heeft, zodat zijn "cher auteur" het in een strip kan gieten.[1233]

 

14.2.4. Pour les jeunes

 

Tenslotte moet nog "Pour les jeunes" vermeld worden, een halve jeugdpagina op donderdag, waarin vanaf 3 januari 1946 strips gepubliceerd worden. In de beginperiode (1946-1947) zijn dat zowel gagstroken als korte vervolgverhalen van de hand van onder andere Wal, Sea Ranger, Peyo[1234], Alka[1235] en B. Prim, waarschijnlijk allemaal Belgische tekenaars.

In "Le trésor du pendu" van B. Prim staat een mysterieus kasteel centraal dat tijdens de oorlog bevolkt werd door Duitsers. Een bende nazi's wil nu de boekencollectie van het kasteel kopen, omdat in één van de boeken het plan van een schat verborgen zit. Maar twee kampeerders kopen net dat boek, dat dan natuurlijk door de nazi's gestolen wordt. Uiteindelijk laten de kampeerders de nazi's oppakken door de politie.

Peyo legt op deze pagina met zijn "Johan" de basis van zijn latere succesreeks "Johan en Pirrewiet", en Alka, die de pagina zeker tot 1950 van illustraties zou blijven voorzien, probeert het met twee verhalen van Tom Pol.

Op deze pagina wordt dus veel origineel materiaal gepubliceerd, maar ook buitenlandse strips komen aan bod. Van mei 1949 tot april 1950 loopt "Le Bossu ou le "Petit Parisien"", een stripadaptatie (met ondertekst) door de Franse tekenaar Calvo[1236] van de roman van Paul Féval[1237]. En tenslotte duiken in december 1950 gagplaten van de hand van Bozz[1238] op, met de hond Plouk als hoofdpersonage.

 

14.3. L'agent secret X-9

 

14.3.1. Een Amerikaans geheim agent

 

Zoals al gezegd, publiceert La Dernière Heure vanaf 19 februari 1946 "L'agent secret X-9". De titel vermeldt Leslie Charteris als auteur, in de tekeningen vindt men de handtekening van Mell Graff[1239]. Deze Amerikaanse reeks, oorspronkelijk "Secret Agent X-9" is in 1934 ontstaan uit een samenwerking tussen schrijver Dashiell Hammett en tekenaar Alex Raymond. In 1935 werd Hammett echter al opgevolgd door Leslie Charteris. Ook de tekenaars wisselden elkaar af, in november 1935 werd Raymond al vervangen door Charles Flanders, en na een transit via twee andere tekenaar kwam de reeks in 1940 uiteindelijk terecht bij Mell Graff. Rond 1938-1940 liet ook Charteris de reeks vallen, en werd hij door verschillende mensen opgevolgd. Blijkbaar schreef Graff in de tweede helft van de jaren 1940 zijn verhalen zelf, soms geholpen door ingehuurde schrijvers.[1240]

Centrale figuur is geheim agent Philippe (Phil) Corrigan, ook wel X-9 genoemd. Hij wordt bijgestaan door misdaadschrijfster en FBI-medewerkster Wilda Murray, met wie hij ook zal trouwen. Ook de broer van X-9, Jacques Corrigan, duikt in de verhalen op. Hij trouwt zelfs met een ex-verloofde van Phil, een zekere Linda.

De gepubliceerde verhalen lopen meestal in elkaar over zonder titelvermeldingen, zodat de reeks een hoog soap-gehalte heeft. Voor een intrige afgerond is, wordt al een nieuwe verhaallijn gelanceerd, waarop dan verder kan gegaan worden. Misdaadverhalen en sentimentele verhalen wisselen elkaar af, of lopen gewoon door elkaar. Veel aandacht wordt op die manier besteed aan Wilda's Tante Mildred, die er alles aan doet om de relatie en het huwelijk van haar nicht met Phil Corrigan te doen mislukken: zo speelt ze constant voor stoorzender, probeert ze andere vrouwen op Phil af te sturen, gaat ze mee op vakantie en moet ze op de meest ongepaste momenten opeens naar de dokter.

 

14.3.2. Misdaad en geweld

 

Wat de misdaadbestrijding betreft, komen Phil en zijn omgeving met de meest uiteenlopende misdaden in contact: ontvoeringen, moorden, bookmakers die het treinverkeer in de war sturen, een ex-gevangene die zich op Phil wilt wreken, een overledene die vingerafdrukken achterlaat, een bende wapensmokkelaars, een misdadiger en een dokter die samenwerken om criminelen plastische chirurgie aan te bieden, … Het minste dat kan gezegd worden is dat de politie efficiënt werkt. Misdadigers worden vroeg of laat opgepakt of neergeschoten, of lopen zelf in hun ongeluk.

Soms lijkt het wel of de reeks speciaal gemaakt is om misdadigers op betere gedachten te brengen. Enig gemoraliseer wordt dan ook niet gemeden. Zo wordt de gevangene Tom Pathé na tien jaar vrijgelaten, hij heeft spijt van zijn gedrag en ziet zijn fouten in. Hij wou namelijk rijk worden zonder te werken. Bij de vrijlating zegt de gevangenisdirecteur dat hij hoopt dat Pathé een "homme d'honneur" zou worden. En terwijl de verteller zegt: "Tom Pathé a gaspillé dix belles années derrière les murs d'une prison.", zit hij zelf ook na te denken: "Puisse cette longue réclusion être pour moi la bouée de sauvetage contre les mauvais courants de la vie." Hij is dus echt van plan zijn leven te beteren: "Oui, je sais, j'ai gaché ma vie jusqu'ici … Mais il est en mon pouvoir de la bien terminer …".[1241] De lezer krijgt dus de goede raad niets te mispeuteren, hij zou wel eens een paar jaar in de gevangenis kunnen belanden.

Ook lijkt het soms of Amerikaanse politiemannen niets liever doen dan misdadigers op de elektrische stoel te krijgen: zo wordt er onder andere gezegd: "une bonne petite chaise électrique"[1242], of nog "il ne ratera pas la chaise électrique"[1243]. Ofwel dreigt de politie gewoon met de elektrische stoel tegenover misdadigers[1244].

Het geweld dat aan de reeks te pas komt, zoals in elk politieverhaal, betekent nog niet dat het geweld aangemoedigd zou worden. Zelf heeft Phil Corrigan het zeer moeilijk met het zomaar beschieten, en dus doden van mensen, hij schiet alleen als het niet anders kan.[1245] En tijdens een vliegreis slaat hij zelfs aan het filosoferen over mensen, oorlog en vrede: "Comme tout est calme ici dans cet avion au milieu de ces nuages à plus de 1000 m du sol. Dire que les hommes pourraient si bien s'entendre tous s'ils le voulaient. Ca serait tellement simple. Il y a de la place pour tous. Si les hommes consentaient à ne plus se battre, sauf sur les terrains de football, s'ils voulaient bien regarder un peu les nuages qui depuis toujours leur indiquent de vivre en paix les uns avec les autres. Si les hommes acceptaient enfin d'être des hommes et non plus des loups qui s'entre-dévorent."[1246]

Op zaterdag 16 november 1946 gebeurt er iets merkwaardigs. Het verhaal wordt onderbroken door een speciale strook, waarop een man achter een bureau te zien is. Met een Amerikaanse vlag op de achtergrond, spreekt hij de lezer toe: "Et voici une petite interruption. Ce message vous est adressé à tous. Ecoutez … Nous sommes actuellement submergés par une vague de crimes. Le danger est mondial et ne fait que croître … Ne pouvant supprimer le crime, nous devons tenter de le limiter. Pour cela, il faut améliorer le foyer, développer l'influence de l'école et de la morale … Un peuple uni, travaillant dans la paix avec le même esprit de sacrifice qu'il a su montrer dans la guerre, voilà ce que nous voulons et ce qui gardera au pays la vie, la liberté et le bonheur!"[1247]

De strook in kwestie heeft geen enkele functie in het verhaal en is dus wel degelijk bedoeld om "het land toe te spreken". De boodschap is eigenlijk een beetje naïef: via meer invloed van school en moraal de misdaad indijken … Daarnaast wordt de bevolking aangezet om in vrede samen te werken, en wordt er daarbij verwezen naar de oorlog. Als men deze strook leest, dan krijgt men nog een sterkere indruk dat de reeks echt bedoeld is als anti-misdaadpropaganda. Ga de misdaad niet in: de politie werkt efficiënt, misdadigers worden opgepakt en krijgen vroeg of laat toch spijt over hun daden. Mensen kunnen trouwens veel beter samenwerken dan de strijd met elkaar aan te gaan in de misdaadwereld.

 

14.3.3. Oorlog en desertie

 

In mei en juni 1946 loopt een verhaal waarin een deserteur een centrale rol speelt. Een zekere François komt na lange tijd terug thuis, maar doet raar. Hij ontwijkt de vragen van zijn vader over de oorlog en vertelt dat hij afgekeurd werd voor het leger. Hij heeft ook een bijgewerkte neus en is in het bezit van valse papieren.  Zijn vader ruikt onraad en blijft zijn zoon uitvragen. Hij wrijft hem ook het verhaal van een andere soldaat onder de neus: "Tom ami Charles est rentré la semaine dernière … Amputé d'une jambe .. Quand il s'est présenté à sa place, une femme l'occupait."[1248]

Er wordt in het verhaal heel zwaar getild aan desertie. Niet alleen zijn vader doet er lastig over, ook in het misdaadmilieu brengt het problemen mee. Want inderdaad, een bende misdadigers ontdekt zijn valse papieren en verplicht François voor hen te werken. De leider van de bende: "Si je n'écoutais que mon patriotisme, je te signalerais …".[1249] Maar hij stelt uiteindelijk voor om mee te werken.

François voelt zich echter niet gelukkig, op een avond zit hij te piekeren: "Je ne deviens rien de propre .. Je n'ai pas eu le courage d'être soldat comme tout le monde … maintenant je suis acculé au pire."[1250] En zijn desertie brengt hem ook ongeluk in de liefde. Als hij de vriendin van de bendeleider probeert te verleiden, speelt zijn verleden hem parten: "Ce n'est pas ça François, on vous recherche pour désertion! Je ne peux pas épouser un homme dont la photo risque d'être affichée partout! Les Japonais ont tué mon père. Vous devez comprendre ce que je ressens en pensant aux déserteurs …"[1251]

Het verhaal gaat hier duidelijk de patriottische toer op. Niet zo verwonderlijk, want op het moment van de originele publicatie[1252] zijn de VS nog in oorlog met Japan. Opmerkelijk is wel dat de auteur met dit verhaal de deserteurs een "moraliserend lesje" geeft, net als in  andere verhalen gebeurt met gewone misdadigers.

 

14.3.4. Nazi's en atoomgeheimen

 

In 1946[1253] duiken enkele nazi's op in het verhaal. Een zekere Otto Krudd stelt aan X-9 en Wilda[1254] voor om achter een begraven schat te gaan zoeken op een eiland in de Bahamas. Maar ze komen in een echt wespennest terecht. Voor het vertrek gaat Krudd een nazi-deserteur, waarmee hij nog samengewerkt had, neerschieten. En Eva, de zogenaamde vrouw van Krudd, die ook meereist, blijkt een zekere Kapitein Kroeger te zijn. Tijdens de oorlog was hij kapitein van een Duitse duikboot en samen met Krudd bewaarde hij de schat van enkele rijke Duitsers. Na de oorlog zouden ze die schat dan verdelen, maar ze blijken niet meer zo goed met elkaar op te schieten. Op het eiland schiet Kroeger Krudd neer, waarna hij Phil en Wilda bedreigt. Ze worden echter gered door een plots opduikende Jacques Corrigan, broer van X-9.

Om de reeks spannend te houden, kan X-9 natuurlijk nooit lang op vakantie gaan zonder dat er iets gebeurt. Terwijl hij op vakantie samen met Wilda rustig aan het vissen is, ontdekt hij plots een lijk onder water. Maar het koppel wordt in het oog gehouden, en even later worden ze door gewapende mannen meegenomen en bij hun baas, de "professor", gebracht. Phil herkent de man: "Il est un des ces savants nazis qui ont disparu après la chute de Berlin."[1255] Deze professor Swein, blijkt een nieuw wapen uitgevonden te hebben: een atoomgeweer dat atoomkogels, eigenlijk mini-atoombommen, afvuurt. Phil geraakt met hem in gesprek:

En terwijl de "buitenlandse agenten" dichterbij komen, gaat het gesprek verder:

Uiteindelijk komen de buitenlanders, Prokrast, Kralek en Vonner[1258], aan. Maar Prokrast blijkt van de politie te zijn … Professor Swein wordt gevangen genomen en zijn assistent neergeschoten. Het wapen valt dan ook in handen van de Amerikanen, die heel goed weten welk belang het heeft. "L'invention de cette balle atomique peut changer tout le cours des événements."[1259], vertelt "Prokrast". Inderdaad, in de wapenwedloop met de Sovjetunie is zo'n wapen van zeer groot belang.

Atoomonderzoek en atoomgeheimen spelen ook een belangrijke rol in andere verhalen. Op een dag wordt Wilda op de hoogte gebracht dat haar oom Lenson al een maand verdwenen is. Hij heeft meegewerkt aan een atoomonderzoek en de politie vreest dat hij verraad zou plegen. Hij blijkt door een bende ontvoerd te zijn, maar weigert te praten. Als ze even later ook Wilda in handen krijgen, blijkt hij daar wel toe bereid te zijn. Maar X9 komt de ganse boel redden. Achteraf verklaart Lenson dat hij nooit zijn atoom-eed zou verbroken hebben.[1260] Op een ander moment wordt een vermoorde geleerde ervan verdacht samengewerkt te hebben met de Japanners.[1261]

 

14.3.5. Buitenlandse spionnen …

 

En hiermee komen we aan de Koude Oorlog en de buitenlandse agenten en spionnen. Hoewel er geen enkel probleem van gemaakt wordt nazi's nazi's te noemen, wordt Rusland nooit rechtstreeks vermeld. Uit allerlei informatie blijkt dat de "buitenlandse spionnen" die Amerika bedreigen meer dan waarschijnlijk Russen zijn, en de lezer zal dat dan ook wel gemerkt hebben, maar hen bij naam noemen gaat blijkbaar iets te ver. Voorzichtigheid vanwege de auteurs? Of is het gewoon zo evident dat het niet moet vermeld worden?

In augustus en september 1949 is het weer zover. De geheime politie heft een nieuwe speciale opdracht voor Phil en Wilda uitgewerkt: het is de bedoeling dat ze voor assistent en dochter van een professor gaan spelen. Zo kunnen ze discreet een oogje in het zeil houden. Maar het loopt mis: "Phil Corrigan a été attaqué et kidnappé par des éléments de la cinquième colonne. Un homme qui a une ressemblance frappante avec Phil a pris sa place …"[1262]. Een organisatie, betaald door het buitenland, heeft dat plan uitgedacht om de Amerikaanse atoomgeheimen in handen te krijgen.

Wilda heeft de persoonswissel echter door en praat erover met de professor, die antwoordt: "Si cet homme est le sosie de Phil, c'est qu'il est un des membres de cette 5eme colonne que nous cherchons à capturer."[1263] En ondertussen blijft de valse Phil zijn opdrachtgevers op de hoogte houden van de vorderingen van de professor. Zijn baas reageert enthousiast: "Parfait, nos agents étrangers vont nous payer une fortune pour cela! Dès que l'homme aura terminé son rapport, enfermez-le!"[1264]

En als de prof hem laat geloven dat zijn werkzaamheden klaar zijn, slaat de dubbelganger de prof neer en gaat er vandoor met de plannen. Maar dat was de opdracht niet: hij moest de prof doden, maar dat zag hij echt niet zitten: "Il me suffit de trahir mon pays. Je ne veux pas être un assassin."[1265]

De documenten worden overgeleverd aan de opdrachtgevers, die echter duidelijk maken dat ze niets betalen voor ze alles gecontroleerd hebben: "Oui, il faut se méfier de ces Américains."[1266]

En op het juiste moment kan de echte Phil zich bevrijden en dringt Wilda binnen. De dubbelganger kan vluchten, maar de rest van de bende wordt opgepakt door de politie.

 

Ook in een ander verhaal[1267] spelen spionnen de hoofdrol. Op een dag ontdekt X9 een lijk in een chalet. Het slachtoffer is moeilijk te identificeren, maar de politie denkt dat het om de verdwenen wetenschapper Bansk gaat. En ook de dader wordt opgespoord: via vinderafdrukken komt men tot de conclusie dat de moordenares een zekere Josephine Nillots is. Vóór de oorlog maakte ze deel uit van de spionagedienst, maar sindsdien is ze een andere toer op gegaan. Phil gaat eens informeren bij haar voormalige werkgever: "Elle a travaillé ici pendant un an. C'était une bonne employée et intelligente mais très avancée dans ses idées politiques et cela empoisonnait mon personnel."[1268] "Joséphine Nillots était employée ici, et nous a quittés il y a un mois alors que je songeais à m'en débarrasser. C'est une femme anti-Américaine. Elle faisait partie d'un comité qui organisait des conférences par des étrangers propagandistes. Red Bludjun pourrait facilement vous renseigner … s'il veut bien." En die Red is volgens de ex-werkgever "Encore un de ces individus qui cherchent à mettre notre pays dans la panade. Red et Joséphine sont des êtres dangereux."[1269]

Ondertussen is ook gebleken dat Nillots Banks wou stoppen, omdat hij volgens haar te ver ging: "C'était une grave erreur de mes chefs de laisser le professeur Bansk organiser une série de conférences dans cette région. 15 jours ont suffi à notre frère Bansk pour réaliser que ce pays n'avait aucun désir de fomenter une guerre. Mais quand il m'a dit hier soir qu'il dirait à son auditoire toute la vérité sur les découvertes atomiques j'ai compris qu'il fallait le faire taire. Ce serait une trahison trop folle.[1270]

Maar Red kan het initiatief van Joséphine niet echt appreciëren: "Alors tu a tué le professeur simplement parce qu'il désertait notre cause? Quelle plaisanterie! Tu ne crois tout de même pas à toutes ces idioties qui nous viennent de l'étranger?"[1271] Red werkt duidelijk voor het geld, het ideologische aspect kan hem veel minder schelen: "J'avais très bien mené ma barque. Ces étrangers pervertis me payaient bien sans que j'aie trop d'ennuis. Mais avoue que c'est plutôt une sale marchandise que tu leur fais importer chez nous."[1272]

Joséphine Nillots is blijkbaar serieus geïndoctrineerd. Ze vindt het haar plicht om de houding van Red te verklikken aan de "leader régional". De top van de organisatie besluit dan Joséphine zelf uit te schakelen, omdat ze geen diensten meer kan bewijzen aan hun "zaak". Ze vrezen dat hun aanwezigheid in Amerika door haar in gevaar kan komen, als de politie haar ontmaskert als de moordenares van Bansk. Twee mannen schieten haar dan ook neer. En net op dat moment valt X9 binnen: hij schiet de twee mannen neer en wordt zelf geraakt. Even later vraagt hij aan een politieman wat er met Nillots gebeurd is: "Morte … du bon travail Corrigan …"[1273]

 

14.3.6. … en buitenaardse wezens

 

In een ander verhaal[1274] komen twee mannen, Anton en Goobich genaamd, naar Amerika om te controleren of de geruchten die circuleren over vliegende schotels waar zijn of niet. Terwijl hun vliegtuig de Amerikaanse kust nadert, hebben ze al een interessant gesprek:

En aangekomen in hun hotelkamer gaan de twee buitenlandse spionnen[1276], want dat zijn ze blijkbaar, door met hun gepraat:

Anton vindt het zelfs nodig zijn collega te waarschuwen voor de Amerikaanse schijn, die het land aantrekkelijk maakt, maar die niet kan blijven duren.

Uit volgende gesprekken blijkt dat hun land plannen heeft om de wereld te veroveren en dat ze vinden dat de Amerikanen gemakkelijk te bedriegen en te misleiden zijn. Zo vraagt Goobich bijvoorbeeld aan Anton of hij wel zeker is dat ze niet in het oog gehouden worden. Waarop hij antwoordt: "Mais non, les Américains sont tellement faciles à duper."[1279]

Ondertussen krijgt de lezer de ruimtewezens te zien. Het zijn kleine wezentjes met grote oren. Acht dode wezens worden in alcohol bewaard en twee nog levende wezens worden bestudeerd in een laboratorium.  De twee spionnen worden op de hoogte gebracht door een informant , een "sympathisant du parti"[1280].

En terwijl de twee spionnen een vrouw, Gaye Summer, inschakelen om een labo-medewerker te verleiden, schakelt de geheime politie X9 in om lokaas te spelen voor de spionnen. Hij zal die fameuze labo-medewerker worden. "Une semaine a passé et la 5e colonne anti-Américaine a travaillé sans répit."[1281] En uiteindelijk ontmoeten X9 en Gaye Summer elkaar in een café. Phil laat zich verleiden en verklaart zich bereid informatie door te spelen én met haar te trouwen. Voor tien miljoen verkoopt Phil foto's van de schotels en de ruimtewezens aan de spionnen. De volgende opdracht wordt één van de buitenaardse wezens zelf in handen krijgen, waarna ze X9 en Gaye willen uitschakelen.

Die nacht schrijft Anton een brief aan de "chef de la cellulle du parti dont il dépend" om zijn land op de hoogte te brengen van zijn ontdekkingen : "Chefs, je vous écris cette lettre au cas où Goobich et moi-même ne pourrions pas revenir. Les soucoupes volantes sont une réalité. Elles proviennent d'une autre planète et quelques-uns de leurs pilotes sont entre les mains des étrangers. Ils sont très petits et on essaie de converser avec eux. Si une entente se fait entre eux tous nos projets sont anéantis. Les étrangers ont déjà fabriqué des disques volants suivant les modèles trouvés … et ces instruments sont tellement en avance sur tout ce que nos ingénieurs humains ont pu inventer que ce serait folie de provoquer un nouveau conflit mon (…)"[1282].

En het voorgevoel van Anton was juist, hij zou niet terugkeren. Bij de levering van een "ruimtewezen" proberen hij en Goobich Phil en Gaye in een ravijn te doen storten. Maar ze vallen er zelf in en verdrinken.

Uiteindelijk blijkt dat de Amerikaanse geheime politie de zaak van in het begin gemanipuleerd heeft. De vliegende schotels en de ruimtewezens blijken vals te zijn (iets waarvan zelfs X9 niet op de hoogte was), spionne Gaye Summer blijkt niemand minder dan Wilda te zijn. En op de vraag van X9 waarom de overlevering van een plastieken ruimtewezen nodig was, antwoordt zijn overste: "C'est dans le but d'exciter la curiosité de certaine nation au sujet de ces soucoupes. Nous étions sûrs que l'information serait retransmise à un centre d'espionnage et elle l'a été par un message que nous avons laissé transmettre mais dont nous avons noté le contenu et la destination."[1283]

 

14.3.7. De vijfde colonne en de buitenlandse dreiging

 

De verhalen met buitenlandse spionnen bereiken in 1949-1950 hun hoogtepunt. Op dat moment bevond de Koude Oorlog, die zich sinds 1947 duidelijk afgetekend had, zich op een hoogtepunt. De twee blokken hadden zich afgetekend, landen vielen in communistische handen en de blokkade van Berlijn zorgde voor verhoogde spanningen. Ook het doorbreken van het Amerikaans atoommonopolie door de Sovjetunie in september 1949 was niet echt bevorderlijk voor de sfeer.[1284]

Zeer interessant is de manier waarop de auteur die organisaties voorstelt. Zoals al gezegd, wordt de Sovjetunie niet bij naam genoemd, maar allerlei elementen zorgen ervoor dat de lezer begrijpt over wie het gaat. De vijandige organisaties zijn blijkbaar in de VS zelf actief, en vormen dus de zogenaamde vijfde colonne, waartegen de republikeinse senator Joseph McCarty vanaf februari 1950 een hevige campagne zou beginnen[1285]. De leden van die organisaties handelen ofwel uit winstbejag, ofwel om ideologische redenen. Maar in dat laatste geval zijn ze meestal serieus geïndoctrineerd. En wie verraad pleegt of niet meer nuttig is, moet uitgeschakeld worden.

Doorheen de gesprekken van de buitenlandse agenten wordt een beeld van de Verenigde Staten opgehangen, zoals zij dat zien. En daar komen merkwaardige zaken uit voort. Zo vinden Anton en Goobish het raar om "vrij" te zijn, en begrijpen ze niet waarom de Amerikaanse politie niet door allerlei mensen nog eens gecontroleerd wordt. Wat erop wijst dat het in hun land wel zo is, natuurlijk. Ook vinden ze dat Amerikanen niet te vertrouwen zijn. En ze zijn jaloers op de situatie in de VS, maar hun officiële (en herschreven) geschiedenis heeft hen geleerd dat dat allemaal maar schijn en tijdelijk is.

Ook blijkt duidelijk dat het land van Anton en Goobish een derde wereldoorlog wilt ontketenen om zo de wereld te veroveren. In hun land wordt het voorgesteld alsof de VS op een oorlog aansturen, maar dat wordt in de verhalen ontkracht: de VS blijken een vredelievende natie, die liever geen oorlog wilt, maar zich door de buitenlandse dreiging toch in staat moet stellen zich te verdedigen. Daarom moeten de Amerikanen ook proberen de uitvindingen die ontwikkeld worden, zelf in handen te krijgen. Niet om er anderen mee aan te vallen, maar om te verhinderen dat anderen op zulke ideeën zouden komen.

Die anderen (de SU) zijn blijkbaar ook niet in staat om op eigen kracht atoomwapens te ontwikkelen, aangezien ze spionnen naar de VS moeten sturen om atoomgeheimen in handen te krijgen. En de spionnen mogen soms wel lachen met de Amerikaanse inlichtingendiensten, deze laatsten zijn hen altijd te snel af. Voor ze het weten zijn ze geïnfiltreerd, worden ze in het oog gehouden of lopen ze met open ogen in een minutieus voorbereide valstrik.

Het is duidelijk dat hier een beeld opgehangen wordt van de goede en vredelievende VS, die (zelfs op hun eigen grondgebied) bedreigd worden door het buitenland, en zich daarom moeten verdedigen. In de VS zelf was het waarschijnlijk de bedoeling de lezers aan te zetten tot meer patriottisme en hen te waarschuwen voor de "gevaren" van binnen- en buitenlandse (communistische) organisaties. Maar ook de publicatie in Europa, of zoals hier, in België, geeft de lezer het beeld van het bedreigde Amerika met de goede bedoelingen en de verraderlijke Sovjetunie die probeert de wereldvrede om zeep te helpen. Of hoe fictie kan helpen de NAVO-bondgenoten Amerikanisme en anti-communisme in te lepelen.

 

14.4. Besluit

 

La Dernière Heure bevindt zich, met een start van de strips in december 1945, ten opzichte van de andere kranten in de middengroep. Al snel zou het aantal gepubliceerde strips stijgen tot drie (en tijdelijk vier), met als extra's de strips die soms opgenomen worden in de wekelijkse jeugdpagina.

De krant blijft zeer trouw aan haar strips. De meeste reeksen die opgestart worden, gaan jaren mee. En daarbij wordt niet nagelaten een beroep te doen op lokaal talent. Na de publicatie van "Le Secret du Mastaba" krijgt ook Raymond Reding de kans om een eigen reeks uit te bouwen in de krant. En ook op de jeugdpagina staat werk van Belgische auteurs. Voor de andere strips wordt een beroep gedaan op de agentschappen Opera Mundi, Presse Services, Alga en SDDF.

Auteurs worden meestal bij de titel vermeld, in de aankondigingen veel minder. Deze aankondigingen blijven meestal vrij kort en verschijnen telkens één keer bij het begin van een grote reeks. Alleen M. Cro heeft soms recht op een aankondiging voor een apart verhaal. La Dernière Heure lijkt trouwens een voorkeur te hebben voor politie- en detectivestrips. Naast M. Moustache, een gagreeks, spelen de twee grote reeksen van de krant, Monsieur Cro en L'agent secret X 9, zich af in dat milieu.

Deze laatste reeks is de meest politiek geladen die in de krant verschijnt. En zoals we gezien hebben komen verschillende thema's erin aan bod. Naast het bestrijden van de misdaad, krijgt ook de Koude Oorlog een grote rol in de verhalen. De reeks is ook een goed voorbeeld van hoe Amerikaanse anti-communistische propaganda Europa bereikt.

 

15. Het Nieuws van den Dag / 't Vrije Volksblad

 

15.1. Historiek en situering

 

Het Nieuws van den Dag werd in 1885 opgericht door Jan Huyge, die een Vlaamse katholieke volkskrant in Brussel nodig vond. Het blad besteedde aandacht aan faits divers en plaatselijke berichten en werd al vlug zeer populair bij een volks publiek. In 1888 zou het te maken krijgen met de concurrentie van Het Laatste Nieuws, eveneens Brussels, volks en Vlaams, maar dan liberaal.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleef de krant verschijnen onder Duitse censuur, wat gerechtelijke problemen meebracht bij de bevrijding. Het bedrijf en de directie werden uiteindelijk niet vervolgd, maar het duurde wel tot 28 mei 1946 voor de krant terug kon verschijnen. Dat was veel later dan de andere kranten, zodat deze de markt al hadden ingepikt en Het Nieuws van den Dag zich tevreden moest stellen met een oplage van 30.000 exemplaren. De krant kreeg ook nog, net als De Standaard, moeilijkheden met haar reputatie: ze werd gezien als een "zwarte" krant.

Vanaf 1940 was de onderneming in handen gekomen van Marie Huyge en haar zoon Jan Duplat, die eigenlijk ook de hoofdredactie in handen hielden. Politieke commentaren moesten voor het verschijnen aan de directie voorgelegd worden. Dat leidde tot een krant die nauw bij de Kerk en de CVP aanleunde (met stemadvies voor de CVP) en Vlaamsgezinde standpunten innam, hoewel ze daarin niet zover ging als De Standaard. In de Koningskwestie koos Het Nieuws van den Dag onvoorwaardelijk de kant van Leopold III.

In het begin van 1948 zou de krant een nieuwe stimulans krijgen door de kosteloze overname van 't Vrije Volksblad, de populaire editie van De Nieuwe Gids. Door dit "cadeau" van de overburen van de Zandstraat, komen Het Nieuws van den Dag en 't Vrije Volksblad samen aan een comfortabele oplage van 110.000 exemplaren. De twee titels zouden afzonderlijk blijven bestaan, maar krijgen identiek dezelfde inhoud.[1286]

In de beginperiode na de bevrijding telt de krant tussen de 4 en de 6 pagina's, tegen 1950 krijgt de lezer dagelijks 8 pagina's te lezen. Per week verschijnen zeven kranten, dus ook op zondag. Tot oktober 1946 zouden de strips ook op zondag gepubliceerd worden, daarna alleen van maandag tot zaterdag. Vanaf januari 1948 wordt deze leegte opgelost door op zondag een wekelijkse gagstrip te publiceren. Het Nieuws van den Dag verschijnt eerst op middelmatig formaat, om na de overname van 't Vrije Volksblad over te schakelen op het grote krantenformaat.

 

15.2. Nederland

 

Gezien de late herverschijningsdatum, wacht men bij Het Nieuws van den Dag niet lang om strips op te nemen. Na amper twee striploze dagen, verschijnt op 30 mei 1946 de eerste aflevering van het mini-stripje "Kaspar de Stier" op de jeugdpagina "De blijde bende". De twee opeenvolgende weken zouden nog twee afleveringen van deze tekststrip volgen.

Een dag later, op 31 mei, start dan de eerste dagstrip: Bim in Amerika. De Nederlander Piet Van Elk[1287] vertelt hierin hoe de jongens Bim en Billy in het Amerika van de cowboys terechtkomen. Ze gaan op zoek naar een schat, en moeten daarbij afrekenen met de streken van oneerlijke concurrenten. Na afloop van dit verhaal wordt Piet Van Elk afgelost door Willy Kuijper[1288] en zijn "Tobias Sloom en Binky", die op hun reis naar China bestolen worden, zodat hun reis uiteindelijk neerkomt op het terugvinden van hun bagage.

En de verschillende verhalen blijven elkaar opvolgen. Van augustus 1946 tot februari 1947 loopt "Sambo de olifant"[1289] van Mies Deinum, zonder enige vermelding van auteur of copyright. Het is een sprookjesverhaal over twee jongens, die door toedoen van de olifant Sambo lange oren krijgen en zo dierentaal kunnen verstaan. Maar als Sambo wegloopt uit de dierentuin en naar Indië reist, moeten de jongens er achteraan om weer normale oren te kunnen krijgen …

Ronny en Donny, van de Nederlander Albert Van Beek[1290], gaan net als Bim op zoek naar een goudschat. "De verborgen goudschat" loopt van februari tot april 1947. Zeven maanden later publiceert Het Nieuws van den Dag nog een tweede verhaal over deze twee jongens. Daarin belanden ze per toeval op een schip dat naar Afrika vaart, waar ze samen met de detective Mac Brekum naar de Russische ontdekkingsreiziger Iksie Wajijnisie zoeken. Op hun zoektocht worden ze zelfs door inboorlingen gevangen genomen, maar ze slagen er gelukkig in te ontsnappen en heelhuids naar huis terug te keren.

"Myra, het elfje en de booze kabouter Zwartvoet", van dezelfde – en nog altijd anonieme – auteur als Sambo, gaat verder de sprookjestoer op. Het vertrekpunt van het verhaal is heel eenvoudig: Kabouter Zwartvoet is jaloers op het elfje Myra omdat iedereen altijd haar hulp inroept. Hij smeedt dan ook met andere slechte kabouters plannen om Myra uit het bos te doen verdwijnen. Maar uiteindelijk komt alles goed: Zwartvoet en zijn kornuiten worden gestraft en Myra wordt elfenkoningin.

Ook de opvolger van Myra blijft Nederlands. Op 27 september 1947 starten namelijk de avonturen van Tekko Taks, getekend door Henk Kabos[1291], en verdeeld door de Marten Toonder Studio's. Net als in de reeksen van Toonder zelf spelen dieren hier de rol van mensen. In het eerste verhaal belandt Tekko Taks, hond en rentenier, op de maan. Tijdens een duiktocht komt hij namelijk, naast een schildpad, een oester en een zeemeermin, ook een niet-ontplofte V2-bom tegen. Daarmee wil hij terug naar de oppervlakte geraken, maar het ding schiet iets verder omhoog … naar de maan. Maar: "Op de aarde had men ondertussen ook niet stil gezeten en de wetenschap, in dienst van de vrede, maakte grote vorderingen. Mensen, als bijvoorbeeld prof. Uranus splitsten atomen bij dozijnen, terwijl anderen als bijvoorbeeld professor Starreveld, het heelal afzochten …"[1292] En even later vliegt ook professor Uranus naar de maan, met een atoomraket. Hij landt en haalt een Nederlandse vlag tevoorschijn. Hij ziet Tekko op de maan en neemt hem als "homo luna" mee naar de aarde. Na een "demagogische" redevoering van de burgemeester keert Uranus met prof. Starreveld naar huis met zijn "atoommobiel".

In het tweede verhaal, dat onmiddellijk op het eerste volgt, belandt Tekko via een geheime trap in zijn tuin in de Middeleeuwen, waar hij op het kasteel van Fulko Taks belandt. Als hij daar veroordeeld wordt en in een ravijn gestort, komt hij zelfs in de prehistorie terecht. Maar achteraf bleek het allemaal maar een droom te zijn.

Op het derde verhaal is het zeven maanden wachten. Op 31 december 1948 start "Tekko, de held van het legioen". Hierin komt Tekko terecht in Noord-Afrika, waar hij uitgehongerd en zonder geld zit. Tot het moment dat een zekere Reindert Rattensnor hem zijn portefeuille geeft. Tekko denkt dat hij gered is, maar de problemen beginnen pas. De portefeuille blijkt van een deserteur te zijn, zodat hij al snel opgepakt en naar de kazerne gevoerd wordt. Daar krijgt Tekko een korte opleiding, waarna hij mee moet gaan vechten om de orde en rust in het koloniaal rijk te herstellen. Er is dus blijkbaar onrust in het rijk: het woestijnvolk, onder leiding van deserteur Reindert Rattensnor, wilt heel Noord-Afrika veroveren. Onder andere dankzij Tekko slaagt het legioen erin de vijand te verslaan, waarna hij verlof krijgt en terugkeert naar Nederland.

Henk Kabos presenteert met dit verhaal een heel traditioneel beeld van het leger, met oversten die roepen, dom en zelfingenomen zijn, met soldaten die alleen plichten hebben en geen rechten, enzovoort. Het verhaal speelt zich blijkbaar af in Algerije. Personages gebruiken geregeld Franse woorden en het woestijnvolk wordt aangeduid als "Rif-Kabylen". Algerije werd na de Tweede Wereldoorlog geconfronteerd met toenemende onrust ten opzichte van de Franse kolonisatie. Ook Nederland zat toen met koloniale problemen in verband met Indonesië. Het verhaal lijkt dan ook een indirecte manier om in Nederland een verhaal te brengen over onrust in de kolonie.

Tot slot van dit deeltje nog even vermelden dat de zondagskrant, die het vanaf oktober 1946 zonder de dagstrip moet stellen, vanaf 4 januari 1948 opgevrolijkt wordt met de tekstloze gagstrip "Simbad de zeeman" van C.R. Holt.[1293]

 

15.3. 't Vrije Volksblad

 

15.3.1. De overname

 

Vanaf 1 juni 1948 neemt Het Nieuws van den Dag 't Vrije Volksblad over. De inhoud van de kranten moet identiek worden, en dat schept dus enkele problemen in verband met de strips. In Het Nieuws van den Dag loopt op dat moment Tekko Taks (en Simbad op zondag), 't Vrije Volksblad publiceert op dat moment De avonturen van detectief Van Zwam, Fred Sander en Donald Duck.

Alleen Donald Duck sneuvelt bij de samensmelting, want de andere reeksen worden nu in de twee kranten gepubliceerd. De lezer krijgt nu even dagelijks drie vervolgstrips voorgeschoteld. Om hem met de nieuwe reeksen vertrouwd te maken, wordt op 1 juni bij elke strip een kort "wat voorafgaat" gepubliceerd, verdere uitleg[1294] wordt er niet gegeven.

Tekko Taks loopt echter op z'n einde en wordt niet vervangen, wat het aantal vervolgverhalen op twee brengt. En terwijl Van Zwam een hele tijd zou blijven doorlopen, wordt de tweede reeks telkens ergens anders gehaald. Fred Sander[1295] houdt het niet lang uit: begin augustus wordt de publicatie al gestopt, om enkele dagen later vervangen te worden door het Dick Bos-verhaal "Hela, Cowboy!" van Maz, dat trouwens op hetzelfde moment ook in Gazet van Antwerpen verschijnt. En om 1948 af te sluiten: in november en december komt Piet Van Elk nog eens terug, nu met "Terry en Berry", twee beren die in opdracht van een rijke verzamelaar in Zuid-Amerika naar een reuze-orchidee gaan zoeken. Hierna loopt nog tot begin mei 1949 het al vermelde derde verhaal van Tekko Taks, waarna het voorlopig afgelopen is met de publicatie van twee reeksen.

 

15.3.2. Het fenomeen Marc Sleen

 

De overname van 't Vrije Volksblad brengt dus mee dat ook Het Nieuws van den Dag de Van Zwam-verhalen van Marc Sleen gaat publiceren. Voor de bespreking ervan, verwijs ik naar het deel over De Nieuwe Gids, waarin de verhalen ook blijven verschijnen.

De reeks wordt heel belangrijk voor de krant, zodat vanaf mei 1949 de tweede reeks wegvalt en er alleen nog Van Zwam-verhalen gepubliceerd worden. Marc Sleen en zijn figuren krijgen een sterke band met de krant. In het najaar van 1949 verschijnen regelmatig advertenties[1296] voor abonnementen op Het Nieuws van den Dag, die geïllustreerd worden met tekeningen van Nero, Van Zwam of andere figuren van Sleen.

Het Nieuws van den Dag gaat qua stripbeleid zo'n beetje op automatische piloot varen, maar een andere overname zou de krant wakker schudden. Begin 1950 wordt De Nieuwe Gids, die in moeilijkheden verkeerd, namelijk overgenomen door Het Volk. Dit betekent ook dat Marc Sleen vanaf dan alleen nog in De Nieuwe Gids en Het Volk zou publiceren en niet meer in Het Nieuws van den Dag – 't Vrije Volksblad.

De krant zat dus met een probleem en probeerde blijkbaar Marc Sleen in eigen stal te houden. Gaston Durnez, die toen op Het Nieuws van den Dag werkte, zegt hierover: "Toen ontstond en eerste betwisting over het auteursrecht, die echter niet naar de rechter leidde. Het Nieuws van den Dag zag met lede ogen het populair geworden stripverhaal naar de concurrentie verdwijnen. Ik herinnerde mij hoe de directie zich inspande om getuigenissen te verzamelen bij ons, oud-collega's van Marc Sleen, om te kunnen betogen, dat zijn figuren en verhalen eigenlijk een soort van gemeenschappelijke creatie waren en "dus" geestelijke eigendom van die krant! Die argumentatie sneed geen hout en Marc Sleen bleef goed en wel bij Het Volk."[1297]

 

15.4. Luc Droek en Raf Van Dijck in stripland

 

15.4.1. De interim

 

Er moest dus ingegrepen worden, want blijkbaar had de publicatie van Van Zwam wel enige invloed op het lezersbestand. Maar hoe? Allereerst wordt de publicatie van het laatste Van Zwam-verhaal, De man met het gouden hoofd, gerekt. Het verhaal eindigt vier dagen later dan in De Nieuwe Gids, die op dat moment al de eerste stroken van het volgende verhaal publiceert. Maar dat kan natuurlijk geen oplossing zijn.

Dan maar de aanpak van De Nieuwe Gids na het vertrek van Vandersteen: anders en beter. Van Zwam naar Het Volk? Wel, dan krijgen de lezers twee verhalen in de plaats! Verschillende tekenaars werden blijkbaar aangezocht om Marc Sleen te vervangen, waaronder de schilder Octave Landuyt[1298], die een verhaal over de koningskwestie voorbereidde, maar uiteindelijk niet op het aanbod inging[1299].

Twee andere tekenaars werden wel bereid gevonden een verhaal af te leveren: het werden Raf Van Dijck en Luc Droek. Met een ongezien aantal aankondigingen worden hun verhalen voorgesteld. De tekenaars worden voorgesteld als "een geroutineerde, zeer befaamde kunstenaar, alsook een nieuwe, bottende, talentvolle kracht"[1300]. De reputatie van de krant blijkt op die manier gered, want "Zijn traditie getrouw, blijft aldus ons blad het Vlaams dagblad dat U de meeste en de beste tekenverhalen biedt."[1301]

Op respectievelijk 23 en 24 maart, dus anderhalve week voor het einde van Van Zwam, gaan de nieuwe verhalen van start. Raf Van Dijck creëert als hoofdpersonages Kwik en Filidoor, een spook en een slungelachtige kerel, en levert hiermee een verhaal af in een goed verzorgde en een eenvoudige stijl. En hij heeft blijkbaar goed naar zijn voorbeelden gekeken, want het verhaal steekt vol met politieke elementen.

Hetzelfde geldt, alhoewel in mindere mate, voor Luc Droek en zijn Klawieter, die even later "De strijd om het uranium"[1302] als extra titel krijgt. Droek tekent in een veel slordigere stijl dan zijn collega, en ook het verhaal is minder verzorgd, het lijkt nogal snel in elkaar gestoken te zijn.

Luc Droek is meer dan waarschijnlijk een pseudoniem voor de "tekenaar-illustrator-garficus-aquarellist" Lucien De Roeck. Deze kunstenaar, die later onder andere bekend zou worden door het ontwerp van het "expo '58"-logo, was na de Tweede Wereldoorlog verantwoordelijk voor lay-out en illustratiewerk bij verschillende Belgische kranten, waaronder het Brusselse La Lanterne.[1303] Zoals hiernaast te zien is, komt het Klawieter-verhaal qua stijl perfect overeen met ander werk van De Roeck. Zijn collega Raf Van Dijck blijkt verder onbekend te zijn.

 

15.4.2. De avonturen van Kwik en Filidoor: Anna Bouzilowna

 

"Te Moska, stad in Ruzië aan het hof van de Tzaar een paar dagen vóór de Tzaarverkiezing … ".[1304] Zo begint "Anna Bouzilowna", het eerste en enige verhaal van Kwik en Filidoor. Hoofdpersonages zijn, naast de titelhelden, Tzaar Bouzilow, zijn dochter Anna Bouzilowna, zijn eerste minister Chandellow en de mysterieuze zevende colonne. Het verhaal speelt zich af in 1950.

Tzaar Bouzilow laat zijn eerste minister Chandellow ontbieden om het kiesprogramma voor te lezen: "1e punt afschaffing van ministerie van arbeid, oprichting van ministerie van werkloosheid. Punt 2 …"[1305], "3e punt nationalisatie van de gruyèrekaasmijnen …"[1306] Waarop Bouzilow en Chandellow beginnen te discussiëren over de uitslag: "… als ik 42 % behaal?", vraagt Bouzilow. Chandellow antwoordt: "met 42 % op m'n examen  kreeg ik thuis een pak slagen". Maar de Tzaar is nog straffer: "met 42 % zou ik niet naar huis durven gaan!"[1307] Waarna het gesprek onderbroken wordt door een bomaanslag: de Tzaar en zijn eerste minister liggen onder het puin, maar zijn verder ongedeerd. De paleiswachten worden blijkbaar slecht betaald: als twee wachters de Tzaar vanonder het puin wegdragen, zegt één van hen: "als onze pree zo zwaar woog als onze Tzaar he Jefski …"[1308]

Even later "komen twee soldaten terug uit een ver land waar zij met een speciale opdracht waren belast …"[1309] Ze hebben twee zakken mee, en daar blijken mensen in te zitten. De ontvoerden komen tevoorschijn: het blijken Teun Schlamm, een geleerde, en "Filidoor uit de gazet"[1310] te zijn. Tzaar Bouzilow weet echter niet wat een geleerde is. Hij vraagt dan ook uitleg aan Prof. Schlamm, die antwoordt: "… heu, ineenzetten, maar eerder weinig … veel uiteendoen."[1311]

En daarop krijgt eerste minister Chandellow een idee: "Majesteit, dat is de man die we moeten hebben! Hij moet een procédé zoeken voor de splitsing van gruyèrekaas in kaas en gaten …"[1312] Bouzilow vindt het goed en laat de prof. opsluiten in een laboratorium. Met Filidoor wil hij liever kaarten, maar als blijkt dat deze daar niets van kan, mag hij Prof. Schlamm gezelschap gaan houden.

De lezer komt nu eindelijk meer te weten over de mysterieuze bommenlegger, die zich verbergt achter een witte kap en een wit gewaad. "In de avond gaat de gestalte die de bom had gelegd naar 'n huisje waar 4 verstokte doppers ondergedoken leven in vreze voor de werkpolitie en in deugdelijk en zuiver tijdverdrijf hun uren slijten."[1313] Ze zitten namelijk te dobbelen … En aangezien de bommenlegger hen vertelt dat de Tzaar dood is, lossen ze (met een glas in de hand) vreugdekreten: "leve de 7e ko .. ko .. kolonne", "de Tz .. tzaar is d .. dood!"[1314]

Deze doppers blijken de vijanden van het regime van Bouzilow te zijn. Doppen is hun levensdoel en hun bron van rijkdom, zoals onder andere blijkt uit de uitspraak: "Ik ben nog niet zo rijk als gij, ik dop nog maar 14 dagen."[1315] En ze deinzen er blijkbaar niet voor terug geweld te gebruiken: de bommenlegger noemt de bom zelfs zijn "visitekaartje".

Ondertussen slaat Filidoor in het laboratorium aan het experimenteren, tot plots uit een fles het spook Kwik tevoorschijn komt. Samen slagen ze erin te ontsnappen. Even krijgen ze de "kazakken-keurtroepen van de Tzaar"[1316] achter zich aan, maar ze kunnen toch de vrije natuur bereiken. Na een lange tocht komen ze aan bij het huisje van de doppers. Deze slaan op de vlucht voor Kwik omdat ze denken dat het de geest van de Tzaar is: "Geen twijfel mannen. Het is de geest van de Tzaar, hij eet zich weer dik op onze kosten. Onze pap opeten, akkoord, onze kelder leegdrinken nooit!"[1317] Dat laatste – hun wijnkelder redden - zet hen aan om toch terug naar binnen te gaan, maar nu nemen ze Filidoor voor een spion van de "GéPéRoe".

Het komt echter allemaal goed als Kwik en Filidoor hun verhaal vertellen. Alhoewel, goed? De doppers komen zo te horen dat de Tzaar nog leeft en gooien de mislukte bommenwerper buiten. Waarna de drie overgebleven doppers samen met Kwik en Filidoor besluiten een tweede aanslag op de Tzaar te plegen. Het lot wijst Filidoor aan om de klus te klaren. Hij trekt terug naar Moska en gaat aan een wachter het dodelijke pakje afgeven: "Dat is voor de Tzaar, mijnheer, met de complimenten van de 7e kolonne!.."[1318] Maar de aanslag mislukt weer : Anna, de dochter van de Tzaar, maakt het pakje onschadelijk.

Maar Filidoor denkt dat de klus geklaard is en gaat uitrusten bij een fonteintje. Daar wordt hij echter opgemerkt door de "werkpolitie die steeds op ronde is"[1319]. De politiemannen overmeesteren hem en nemen hem mee naar een "somber gebouw", het Ministerie van Arbeid[1320]. Filidoor wordt verplicht tewerkgesteld, hij moet "Stemt voor Bouzilow"-affiches plakken voor de volgende Tzaarverkiezingen. Maar de doppers houden hem in de gaten: hij was nog maar pas bezig met plakken, of er kwam al een pijl naast hem aangevlogen, met een briefje aan: "… gij zult uw verraad met uw leven bekopen … de 7e kolonne … zeg Kwik, menen die dat nu serieus??"[1321]

De doppers schijnen het inderdaad te menen: "Een geheimzinnige stem zendt de Tzaar langs de telefoon een ultimatum!". De doppers eisen een statuut, maar dat ziet eerste minister Chandellow niet zitten: "Ha neen, dat kan niet kunnen, ze hebben al genoeg pretentie."[1322] Bouzilow wilt na de verkiezingen een klopjacht houden!

Die nacht proberen de doppers trouwens ook een aanslag op Filidoor uit te voeren, maar die mislukt natuurlijk. Ze slagen echter wel in een ander plan: de ontvoering van Anna, waarna ze de dochter van de Tzaar naar hun schuilplaats brengen, waar het wachtwoord luidt: "doppen of sterven!"[1323].

Ondanks de ontvoering van zijn dochter wordt het toch nog een goede dag voor Tzaar Bouzilow: hij behaalt een overweldigende verkiezingsoverwinning[1324] én hij krijgt Filidoor te pakken. Bouzilow wilt hem "als voorbeeld voor de andere 7e kolonners"[1325] op de grote markt levend villen. Maar Filidoor kan zich redden: hij belooft samen met Kwik naar Anna te gaan zoeken. De doppers hebben namelijk weer iets laten horen: als ze geen statuut krijgen zal Anna nooit meer terugkomen.

Ondertussen wordt de toestand in de Ruzische gruyèrekaasmijnen heel zorgwekkend. Niet alleen worden de gaten in de kaas groter en groter[1326], ook op sociaal vlak loopt het uit de hand: er breekt een "wilde staking" los waarbij werkloosheid het hoofddoel schijnt te zijn. Als een spreker de menigte toespreekt en zegt dat hij 365 dagen verlof per jaar eist, roept een man in het publiek: "Lelijke reactionair! Gij wilt ons foppen voor 1 dag alle 4 jaar!"[1327]

Kwik en Filidoor werden op hun zoektocht naar Anna gevangen genomen, maar kunnen zich bevrijden en gaan de Tzaar waarschuwen. Deze roept zijn troepen bijeen en "onder het zingen van het nationaal strijdlied[1328] trekt het leger op weg …"[1329]

En terwijl de doppers zich klaarmaken voor de strijd, proberen de regeringstroepen nog te "onderhandelen": "In naam van de Tzaar, vader van alle Ruzies, geef u over!"[1330] Maar daar heeft de tegenpartij geen oren naar zodat de strijd ingezet wordt. "Na een vreselijk gevecht met wisselende kansen moeten de doppers eindelijk het onderspit delven."[1331]

Anna wordt bevrijd en vindt, na een "triomfantelijke intrede" van het leger in Moska, haar vader terug. Tzaar Bouzilow veroordeelt de leden van de 7e kolonne tot "levenslang werken in de gruyèrekaasmijnen!"[1332], waarna hij Filidoor uit dank de hand van zijn dochter schenkt. Maar Filidoor wijst het aanbod af: "Majesteit, ik verkies de vrijheid. Ik zou liever niet trouwen."[1333] Anna trouwt dan met Popotski, een groothandelaar in ijzeren gordijnen[1334].

En daarmee loopt het verblijf in Ruzië op zijn einde. Filidoor heeft namelijk net een brief gekregen, die hij voorleest: "… u te verzoeken u, voorzien van deze oproepingsbrief en uw identiteitskaart … amaai zondag gaan kiezen!"[1335] Te voet keren Kwik en Filidoor dan weer naar huis, maar onderweg zit Filidoor met een probleem: "ik weet niet voor wie ik moet stemmen." Kwik weet echter raad: "Er is maar 1 partij die 100 % voldoening geeft … de liberalen geven 25 % vermindering van belastingen en 75 % vermindering van zetels; welke kiezer zou daarmee niet tevreden zijn?"[1336] Waarna ze thuisgekomen in de huiskamer zitten uit te rusten …

 

15.4.3. Ruzië, België en de zevende kolonne

 

Zoals hoger al gezegd, staat dit verhaal vol met politiek. Heel duidelijke verwijzingen verschijnen naast dubbele bodems, die blijven opduiken als men begint te zoeken. Het verhaal speelt zich af in "Ruzië", wat men in eerste instantie kan lezen als Rusland. Allerlei elementen verwijzen namelijk naar Rusland: de stad Moska, de typisch Russische torens in de tekeningen, de vermelding van roebels, de figuur van de Tzaar, de "kazakken-keurtroepen", het vernoemen van de "GéPéRoe" (vervorming van de Sovjet-inlichtingendienst GPOE), de namen van de personages, …  Maar Ruzië kan ook als een projectie van België gezien worden. In België worden namelijk net als in Ruzië verkiezingen georganiseerd rond het monarchale staatshoofd, alleen noemen ze zoiets in België een volksraadpleging. Het verhaal loopt dan ook in de periode tussen de volksraadpleging en de verkiezingen van juni 1950. De vergelijking wordt nog versterkt door het feit dat Tzaar Bouzilow bij de verkiezingen de enige kandidaat is.

Uit de discussie rond de percentages blijkt dat 42 % een beetje weinig is om gelijk te halen, duidelijk een verwijzing naar de tegenstanders van Leopold, die de ja-score van bijna 58 % niet voldoende vonden. Waarom zouden zij dan gelijk krijgen met een score van 42 %? Ook de naam Ruzië en de uitspraak "Tzaar van alle Ruzies", wijzen erop dat er in het land niet echt sprake is van eensgezindheid.

De Tzaar is een redelijk dikke figuur met een sikje en een kroon op z'n hoofd, hij wordt aangesproken met "majesteit". Verschillende keren toont hij dat hij niet al te slim is, zoals wanneer hij vraagt wat een geleerde eigenlijk is. Wel heeft hij veel geluk, hij ontsnapt aan alle aanslagen die op zijn persoon gepleegd worden. Dubbelzinnig is de uitspraak van een waarzegster die zegt dat ze niets kan voorspellen omdat de Tzaar vuile handen[1337] heeft. De Tzaar heeft blijkbaar ook last aan zijn been. Op een bepaald moment is de Tzaar in gesprek met een zekere dokter Worstonow, die het beschadigde been van de Tzaar wilt vervangen door een apenbeen. Na twijfel stemt Bouzilow toch in: "Akkoord, maar op straffe van verbanning naar de gruyèrekaasmijnen van Bessinië blijft dit een staatsgeheim."[1338]

De 7e kolonne bestaat uit een bende doppers die het opnemen tegen het regime van de Tzaar. Van Dijck probeert daarmee in te spelen om de zogenaamde "vijfde colonne", de aanhang van de vijand in het eigen gebied, een term waarmee de communisten in West-Europa en Amerika aangeduid werden. Zij nemen het alleszins op tegen het regime van de Tzaar en gaan daarbij geweld niet uit de weg: voor aanslagen en ontvoeringen draaien ze hun hand zeker niet om. Blijkbaar nemen ze het de Tzaar vooral kwalijk dat hij zich dik eet op hun kosten. Ook met zijn sociaal beleid zijn ze niet echt gediend: ze willen een doppersstatuut! Enkele dagen voor de staking in de gruyèremijnen houden ze een "grote raad", waarbij hun chef hen toespreekt: het dikke heerschap is echter alleen in achteraanzicht te zien. Wie in hun organisatie mislukt, vliegt buiten zoals de mislukte bommenwerper. En wie hen verraadt – lees: gaat werken – loopt een groot risico uitgeschakeld te worden. Het Ministerie van Arbeid afschaffen en er een van werkloosheid oprichten moet bij deze mensen dan wel een programma-element zijn dat goed aanslaat. Verder moeten de doppers verborgen leven omdat de werkpolitie van het Ministerie van Arbeid constant jacht maakt op werkonwilligen. Ook deze situatie kan men in het licht van de Koningskwestie zien. De doppers nemen het net als de socialisten en communisten in België op tegen de regerende vorst. En ze verplichten andere mensen om mee te doen. Een kritiek op de aanpak van de antileopoldisten in België was inderdaad dat de georganiseerde stakingen ook werkwillige arbeiders verhinderden te werken, en dat de werkers door de stakers uitgemaakt werden voor verraders. Als men het verhaal op deze manier bekijkt, kan men zelfs zeggen dat de auteur insinueert dat het de evenbeelden van de doppers in de echte wereld om niets anders te doen is dan niet te hoeven werken.

De industrie van Ruzië blijkt vooral te bestaan uit de ontginning van gruyèrekaasmijnen. Alle aandacht van de staat gaat er alleszins naartoe. Men wilt ze nationaliseren, men wilt de kaas en de gaten scheiden, en het groter worden van de gaten blijkt een nationale ramp te zijn. De situatie doet alleszins denken aan Achille Van Acker en zijn "kolenslag". In 1945-1946 hield deze socialistische minister zich namelijk vooral bezig met de stimulering van de steenkoolmijnen en hun rol in de heropbouw van het naoorlogse België, het leverde hem zelfs de bijnaam Achille Charbon op. En ook in de periode 1949-1950 stonden de mijnen sterk in de actualiteit, door de crisis waarmee de sector te kampen had.[1339]

Het feit dat Professor Schlamm en Filidoor uit een ver land ontvoerd worden, kan gezien worden als een insinuatie dat de Sovjetunie wetenschappers uit het buitenland ontvoert. Ook interessant is de reactie van Bouzilow als hij hoort dat Schlamm een geleerde is : "Laat onmiddellijk in alle dagbladen zetten dat de eerste geleerde een Ruziër was."[1340] Het land loopt dus hopeloos achter, ontvoert dan maar mensen uit het buitenland, en voert dan propaganda om de buitenwereld te laten geloven dat ze de eersten zijn. Trouwens, het splitsen van gruyère in kaas en gaten kan ook gezien worden als een verwijzing naar kernsplitsing en atoombommen. De gruyèremijnen van Bessinië, waarnaar mensen verbannen worden, kunnen dan weer als een soort Siberië gezien worden.

Ook de figuur van Chandellow is merkwaardig. De Tzaar heeft blijkbaar geen al te positief beeld van zijn eerste minister. Als hij na de mislukte bomaanslag samen met Chandellow tussen het puin ligt, denk Bouzilow: "Ben ik in de Hemel? ha neen want Chandellow is ook hier!"[1341]

Verder komen nog enkele grappen voor over de luchtbrug[1342], het betalen op krediet[1343], het strijken van plooien in ijzeren gordijnen[1344] en de wet op de huishuur[1345] voor.

Raf Van Dijck heeft blijkbaar ook een goede timing voor de publicatie van zijn stroken. Als de slede van Kwik en Filidoor het begeeft, krijgen ze hulp van een "rondreizende mekanieker", die echter snel weer wegmoet omdat hij een kaart heeft voor de wedstrijd België-Holland en die niet wilt missen. De strook wordt gepubliceerd op 15 april, op 16 april 1950 wint de Nationale Belgische voetbalploeg met 2-0 van Nederland[1346]. Ook het voorkomen van de verkiezingen in het verhaal is goed getimed. Op 1 en 2 juni 1950 worden ze in het verhaal vermeld, op 4 juni 1950 hebben ze plaats.

Tot slot nog even de eindscène over de verkiezingen vermelden. Kwik geeft Filidoor de raad om op de liberalen te stemmen. De katholieke lezer zal wel doorgehad hebben dat het om een grap gaat. Die belastingsvermindering met 25 % is een niet ingelost programmapunt van de verkiezingen van 1949. En die 75 % vermindering van zetels, dat is dan het verlies aan zetels voor de liberalen waar langs katholieke kant op gehoopt wordt. In werkelijkheid zouden de liberalen inderdaad verliezen (van 29 naar 20 kamerzetels), maar niet genoeg om aan de katholieken die 100 % voldoening te geven.

Een aandachtige lezing van dit verhaal levert dus allerlei verwijzingen naar de Belgische en Russische situaties op. Wel houdt Van Dijck het, op de laatste passage in verband met de verkiezingen na, op verwijzingen. Zoals we verder zullen zien, kan het ook veel explicieter. Spijtig is dat Van Dijck is zijn verhaal soms te veel elementen naar voor brengt, die hij dan niet ten volle gebruikt. Zo worden bijvoorbeeld de verkiezingen herleid tot de korte bespreking in het begin, Filidoor die affiches plakt en de uitzending van de resultaten door de radio. Ook andere elementen lijken niet ten volle uitgewerkt. Dit is waarschijnlijk te wijten aan de snelheid waaraan het verhaal gemaakt werd en aan het gebrek aan stripervaring van Van Dijck. Maar ondanks deze minpunten, is zijn prestatie met dit verhaal zeer verdienstelijk.

 

15.4.4. Klawieter, de strijd om het uranium: spionnen, uranium en grappen

 

Ook Droek heeft bij zijn verhaal last van te weinig zichtbare rode draad, zodat het geheel een beetje verwarrend overkomt. Zo komt de auteur soms met nieuwe elementen aandraven alsof het allemaal vanzelfsprekend is en kan de lezer zich soms afvragen waar het allemaal toe leidt.

In de aankondiging van 23 maart worden de personages voorgesteld : "Jef Klawieter, de slimme piet, die overal doorklawietert. "de Polle", mekanieker van beroep en "man van de fors". Alli Dante, de "filosoof", die altijd in rijmen spreekt. En tot slot Fientje, het trouwe, hulpvaardige, bijdehandse Fientje."[1347]

Titelpersonage Klawieter is ingenieur en heeft een onderzoekscentrum ondergebracht in een kasteel. Daar ontwerpt hij toestellen voor het opzoeken van uranium. Op een dag heeft hij een gesprek met zijn directeur, Dhr. Blick: "… U kent mijn werk over de opzoekingen van uranium en het gebruik ervan … Na lange proefnemingen … kan ik het uranium gehalte vast stellen in gelijk welke stof … Dat is van groot belang!.."[1348]

En dat groot belang verklaart de voorzichtigheid waarmee Klawieter zijn projecten omringt. Spijtig genoeg voor hem is hij nog niet voorzichtig genoeg, want twee spionnen houden hem in het oog. De eerste heet Bill Sjapoo, draagt een net kostuum en is de baas over nummer twee. Deze tweede spion luistert gewoon naar de naam Sus en is gehuld in arbeiderskleding.

Na Klawieter een tijdje bespioneerd te hebben, rijdt Bill naar zijn grote baas om verslag uit te brengen. Die baas blijkt een zekere Mephisto te zijn, en zijn naam is niet gestolen, want het is een zeer onrustwekkende verschijning. Zijn sikje en de vogel op zijn schouder geven hem zeker geen sympathieker uitzicht. En bovendien spreekt hij met een vreselijk Frans accent. Wanneer onze spion zegt dat hij zo laat is omdat Mephisto zo hoog woont (al die trappen), antwoordt deze: "Dat is keen reden om mij te laten wakten … ik wil dat kij …… mij uilekt waar kij kebleven zijt waar om hebt kij niets van Klawieters uitvindink ontdekt? Ik moet spoedik nieuws hebben daarover … À propos … waar is Sus ?"[1349] Sus, die is ondertussen neergeslagen door de mannen van Klawieter, en even later wordt hij vastgebonden op straat achtergelaten met een bordje "poste restante – monster zonder waarde" rond zich.

Na het gesprek neemt Klawieter afscheid van zijn directeur: "Ik ben de gelukkigste mens ter wereld sinds gij mij uw akkoord gaf. Het geld is noodzakelijk voor de reis die wij zullen doen."[1350] Blijkt nu dat Klawieter en zijn medewerkers een expeditie naar Kongo voorbereiden. De besprekingen zijn nu rond, zodat ze allemaal samen een feestje mogen bouwen.

Een tijdje later vertrekken Klawieter en co dan eindelijk naar Kongo. Met hun speciaal uitgeruste vrachtwagen vertrekken ze via Frankrijk en Spanje, waar ze inschepen voor Marokko. En ondertussen worden ze natuurlijk gevolgd door Sus en Bill. Uiteindelijk bereikt de expeditie van Klawieter dan toch Kongo, waar deze door MP's direct wordt ingeënt tegen de pokken.

De reis gaat verder langs allerlei hindernissen. Verder op de weg rijden ze recht in een leeuwenkuil. Een bende apen, die in Klawieter en co hun broeders zien, halen de expeditie uit de kuil. Maar even later nemen ze de ingenieur gevangen: "Hij zal ons misschien de Koningskwestie kunnen uiteenzetten"[1351], denken ze. Klawieter wordt echter bevrijd en nog even later komen ze aan in een negerdorp. De dialect sprekende en karikaturaal voorgestelde negers schenken hen een zeer gastvrij onthaal, waarna ze weer verdertrekken.

Uiteindelijk bereikt de expeditie dan Ngumbura, "de hoofdstad van de provincie, waar de gouverneur een officiële ontvangst inricht."[1352] Maar op deze receptie blijkt ook Mephisto rond te lopen, wat niet veel goeds voorspelt. Als het gezelschap verderrijdt naar Uranium City, ziet men in de straten affiches met volgend opschrift: "Vermakelijkheden te Ngumbura. Zondag 27 Mei Pensenkermis met spreekbeurt over atoomenergie." staat er doorstreept, met daaronder: "Zondag 4 juni. Algemene Verkiezingen."[1353]

Op hun verdere reis wordt Fientje koningin van de pygmeeën en vallen Klawieter en Polle in handen van Mephisto. Dante bevrijdt hen, en Polle ontdekt in de schuilplaats van Mephisto uranium, wat Klawieter een gat in de lucht doet springen. Mephisto en zijn medewerkers worden overmeesterd, zodat Klawieter eindelijk aan zijn opzoekingen kan beginnen.

Het materiaal voor het uraniumonderzoek wordt uit de vrachtwagen geladen en de ploeg krijgt hulp van de Pygmeeën. Klawieter vertelt: "Ik ben, met Dante en Polle, hierheen gekomen om uranium te zoeken. We hebben er nu gevonden. Ik geloof, als al onze toestellen beneden zullen zijn, dat ik zal kunnen zeggen: wij zijn de rijkste mannen ter wereld. De toekomst zal van ons afhangen. De wereld ligt in onze handen."[1354] Een hele installatie wordt uitgebouwd "om uit uranium blinkende kolen te maken"[1355].

Een "vliegende Mephisto" probeert nog uranium te stelen met een magneet, maar zijn poging mislukt en hij wordt (nog eens) overmeesterd. Dan landt er plots een vliegtuig. Een man in kostuum stapt uit en feliciteert Klawieter: "uw werk heeft dan toch vruchten opgeleverd."[1356] De man blijkt echter niet zo'n goede bedoelingen te hebben, want hij blijkt Polotof, de grote baas van Mephisto te zijn. Veel zal hij niet kunnen uitrichten, want al snel komt een bende MP's aangereden in jeeps: "Wij ontvingen een geheime radioboodschap van u op en kwamen alzo alles te weten. Een vliegtuig overvloog vanochtend de grens zonder gehoor te geven aan de sommaties … ik kreeg bevel de piloot en de inzittenden aan te houden." Polotof probeert nog te protesteren en te zeggen dat hij klacht zal neerleggen bij zijn regering, maar dat helpt niet. Hij wordt samen met Bill, Sus en Mephisto weggevoerd.

En daarmee is het Afrikaans avontuur van Klawieter bijna ten einde. Enkele dagen later brengt een "negerfacteur" een telegram: "Proficiat voor uw ontdekking stop .. zij dient de zaak van de vrede en plaatst België bij de grote mogendheden stop ………… bede spoedig terug te komen met uranium. Stop. Laat materiaal ter plaatse … Stop. De regering."[1357]

Waarna in het laatste prentje het vliegtuig opstijgt dat Klawieter en co terug naar België moet brengen. En terwijl vredesduiven het vliegtuig omringen, zwaaien de Pygmeeën met Belgische vlaggen …

 

Klawieter is op politiek vlak een veel magerder verhaal dan Anna Bouzilowna. Maar dat betekent zeker niet dat er geen politiek aanwezig is. Allereerst wordt er veel aandacht geschonken aan het belang van uranium. Uranium maakt hen tot de rijkste mensen te wereld, geeft de toekomst in hun handen, is bevorderlijk voor de vrede, maar blijkt vooral belangrijk te zijn voor België. Ons landje wordt op die manier een grote mogendheid, wat de auteur zelfs inspireert tot een redelijk patriottische eindscène.

Het tweede belangrijk element dat aan bod komt, is spionage. Bill en Sus werken overduidelijk niet alleen, ze staan via Mephisto in dienst van Polotof, een naam die niet voor niets Russisch klinkt en zelfs een vervorming is van de Sovjet-vice-premier Molotov. De man wordt door MP's opgepakt, maar Russen of Amerikanen worden in het verhaal niet bij naam genoemd. De lezer is slim genoeg om te weten dat België Congolees uranium levert aan de Verenigde Staten.

En in deze dagen van Koningskwestie kan men zelfs zijn tegenstanders een slecht rolletje geven: Sus, de arbeider-spion en Mephisto, de Franstalige spion. Verder staat het verhaal vol met grapjes en verwijzingen, waarvan enkele voorbeelden volgen. Fientje, die door de pygmeeën tot hun koningin gemaakt, houdt haar eerste toespraak: "Volksgenossen, mijn eerste beslissing als koningin zal zijn de belastingen met 25 % verminderen." Waarop een pygmee tegen zijn buur zegt: "Daar komt toch niks van. De liberalen hadden het ook beloofd."[1358] Ook Polle heeft het niet zo op de liberalen, voor het vertrek naar Kongo zegt hij: "'k Neem ne radio mee. Ge weet nooit, als we eens niet kunnen slapen, kunnen we de liberale politieke tribune nemen …"[1359]

Maar ook de politiek in het algemeen is het voorwerp van grappen. De twee spionnen terwijl ze Klawieter en zijn directeur in de gaten houden: "Wat die zo lang bespreken … 't is al erger dan bij een regeringscrisis!", "Ja, 't is al erger baas."[1360] Of al diezelfde twee even later van een muur vallen: "Boef! We liggen er mee ons … gouvernement.", "Ik vraag ne nieuwe formateur voor mijn tanden."[1361] Elf dagen vroeger diende de regering-Eyskens haar ontslag in.

En in Frankrijk is het al niet beter. Als Klawieter en co voorbij het Frans parlement rijden, komen allerlei tekstballonnen uit de gebouwen: "Verraders", "Oorlogsstokers", "Fascisten", "Boem". In de auto van Klawieter vraagt iemand wat er gebeurt: "Ho, da's niks. Da's het Franse parlement."[1362]

Maar ook de Brusselse trams krijgen aandacht. Bij hun vertrek vergeten ze bijna Dante, die op de rijdende vrachtwagen moet springen: "Nog wel dat die auto geen deuren heeft gelijk de nieuwe Brusselse trams zoniet was ik er nooit op geraakt. Ne mens zou er zijn rijmen bij vergeten."[1363] Verder komen nog de belastingen[1364], de Amerikaanse frisdranken[1365], het betaald verlof[1366] en de verkiezingen[1367] aan bod.

 

15.4.5. De opvolging: Tijl Uilenspiegel en Aram van de Eilanden

 

Maar Van Dijck en Droek zouden elk maar één verhaal afleveren. Op 2 en 8 juni 1950 is het definitief afgelopen met Kwik en Filidoor en Klawieter. Een nieuwe auteur werd aangesproken om iets te tekenen voor Het Nieuws van den Dag: Bob De Moor. Op 22 mei gaan zijn "Nieuwe Avonturen van Tijl Uilenspiegel" van start, als vervanging voor het nog niet afgelopen verhaal van Kwik en Filidoor. Er wordt zelfs een speciale abonnementsformule[1368] voorgesteld ter gelegenheid van de publicatie van dit verhaal.

Op 8 juni wordt dan ook Klawieter vervangen. "Aram van de eilanden", een Eric de Noorman-kloon door Piet Wijn[1369], wordt met veel tamtam aangekondigd. Sommige lezers kregen zelfs schrik dat ze Tijl Uilenspiegel zouden moeten missen: "Sommige lezers hebben bij de eerste aankondiging van "Aram" gedacht dat dit in de plaats zou komen van de vrolijke avonturen van Tijl Uilenspiegel die met zoveel genoegen worden gevolgd. Dat is niet zo. De avonturen van de grappige kameraden Lamme en Tijl duren voort en daarnaast zullen onze lezers een tweede tekenverhaal vinden, de spannende, avontuurlijke, geschiedenis van Aram."[1370]

De reeks wordt verdeeld door de Toonder Studio's. Zoals bij Eric de Noorman spelen in deze historische reeks waarden als moed, macht, lafheid en angst een belangrijke rol. En vreemde wezens zijn nog talrijker: reptielmannen, een sprekend vleermuisachtig wezentje, …

In het eerste verhaal spoelt Aram na een storm aan op een eiland, waar hij gevangen genomen wordt door reptielmannen. Hij wordt bij andere gevangenen opgesloten en sluit daar vriendschap met de reus Tudor. Samen ontsnappen ze en gaan ze Tudors zus Tamahia, die in een naburig gebied gevangen zit, bevrijden. In het tweede verhaal komen ze op weg naar huis in aanraking met de broers Seewart de Schuimer en Seewart de Handelaar, die alle twee zullen proberen Tamahia te ontvoeren.

 

15.5. Vlaamse helden

 

15.5.1. De terugkeer van Tijl Uilenspiegel

 

Maar nu terug naar de Uilenspiegel van Bob De Moor. Bob (Robert) De Moor werd op 20 december 1925 geboren in Antwerpen als zoon van een metaalbewerker. Op zijn veertiende, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog, trok hij naar de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen, waar hij lessen in houtskool- en publiciteitstekenen volgde. In 1944 ging hij voor de Antwerpse tekenfilmstudio AFIM werken, waar hij onder andere samenwerkte met Ray Goossens. Later op het jaar werd hij verplicht tewerkgesteld als tekenaar in een vliegtuigatelier. En nog altijd in 1944 geraakte hij twee vingers kwijt door een granaatexplosie op straat.[1371]

Kort na de oorlog begon hij strips te publiceren, eerst in Kleine Zondagsvriend (Bart de scheepsjongen e.a.), later in allerlei dag- en weekbladen. Om de boel te organiseren zette zijn zwager John Van Looveren zelfs een studio op, de "Artec-Studio's" (zie eerder) die aan een ganse reeks publicaties van allerlei strekkingen verhalen leverden. In 1949 kwam er een einde aan Artec en datzelfde jaar begon De Moor voor het weekblad Kuifje te werken, waar hij debuteerde met een stripbewerking van de Hendrik Conscience-klassieker De Leeuw van Vlaanderen.[1372] En in 1950 werd hij blijkbaar aangezocht door Het Nieuws van den Dag, waarin hij met zijn Tijl Uilenspiegel grappige en politiek geladen verhalen aflevert in een stijl die heel erg aanleunt bij Hergé.

De figuur Tijl Uilenspiegel is afkomstig uit een 15e eeuws Duits volksboek, waarin allerlei "grappen en grollen" uit zijn leven verhaald worden. Het werk zou spoedig in het Nederlands vertaald worden en geleidelijk aan werd de Nederduitse held omgevormd tot een Vlaamse figuur. In 1867 schreef Charles de Coster zijn – Franstalige en antiklerikale – roman "La Légende d'Ulenspiegel", waarin Tijl het gezelschap kreeg van Nele en Lamme Goedzak. In de twintigste eeuw zagen een hele reeks Vlaamse vertalingen en bewerkingen van het werk van de Coster het licht, die van Uilenspiegel een Vlaamse held en vrijheidsstrijder maakten. Tijl Uilenspiegel werd een symbool van de strijd tegen de onderdrukking en tegen de vreemde overheersing.[1373]

Zoals we verder zullen zien, maakt Bob De Moor op een heel eigen manier gebruik van de figuren Tijl en Lamme. En de lezer wordt door een "dringend bericht" van hun terugkeer op de hoogte gebracht: "Tijl Uilenspiegel held van de gulle lach van de lustige grappen  en van de Vlaamse levenslust komt terug naar zijn geboortestreek. Wat zal hij er staan kijken…?? Alles wat hij zal opmerken en beleven, zal hij U vertellen in zijn pittige taal, verlevendigd door sprekende illustraties. Vrienden lezers, gij moogt niet nalaten "Tijl Uilenspiegel" te vergezellen op zijn verkenningstocht doorheen het Vlaamse land."[1374]

 

15.5.2. Pittler en zijn Zonnebrillen

 

De Nieuwe Avonturen van Tijl Uilenspiegel beginnen als Tijl en Lamme, die sinds hun dood in de hemel verblijven, op een dag besluiten eens te gaan rondkijken op de aarde. En aangezien er net twee verongelukte parachutisten in de hemel aankomen, lenen Tijl en Lamme hun parachutes en springen ze naar beneden, richting Brussel anno 1950. Hun aankomst, midden in Brussel-Noord, zorgt voor lichte paniek onder de omstaanders, maar natuurlijk zijn ze zelf even verwonderd als ze zien hoe het er nu op aarde aan toe gaat. Door hun ongepast gedrag worden ze al snel door een (zeer onhandige) agent opgesloten in de gevangenis, maar daar worden ze even later al uitgehaald door een circusdirecteur die in hen wel een interessante act ziet.

Ondertussen begint in de hemel hun proces. Allerlei historische figuren zetelen, en "duizenden en duizenden nieuwsgierigen uit alle landen en alle tijdperken"[1375] wonen het proces bij. Na veel discussies wordt een alternatieve straf vastgelegd: de aarde redden. De twee verongelukte soldaten vervoerden namelijk in opdracht van hun overste de plannen van een geheime organisatie. Uit deze plannen blijkt dat die groepering – de Bende van de Zonnebril - de aarde wil opblazen door een diepe schacht te graven en daar een nieuw ontploffingsmiddel in te brengen.

Albert Packthem, in zijn vorig leven politie-inspecteur, wordt naar de aarde gezonden om Tijl en Lamme van de veroordeling op de hoogte te brengen. Onderweg komt hij een vliegende schotel tegen, die ergens in het Brabantse landt. Hij volgt de inzittenden naar hun schuilplaats en luistert hen af: "Ik kon de documenten bemachtigen vóór iemand de lijken der valschermspringers gevonden had. De Bende van de Zonnebril zal zorgen dat de schacht gegraven wordt. Zeg tegen de Grote Baas dat hij gerust mag zijn."[1376] Waarna Albert de vliegende schotel saboteert en op zoek gaat naar Tijl en Lamme, die ondertussen al uit het circus verdwenen zijn.

Even later vinden de drie hemelbewoners elkaar dan toch. Albert deelt de twee vluchters hun opdracht mee en wijst hen een zonnebril-bendelid aan. Tijl en Lamme volgen hem tot aan de schuilplaats van de bende, waar even later de Grote Baas op bezoek komt. Een "Grote Baas" die rondloopt in een ruimtepak, en dus voorlopig niet te identificeren is. Aangezien de schuilplaats ontdekt is, besluiten de bendeleden ze op te blazen.

Ondertussen krijgen twee Zonnebrillen de opdracht om met het graven van de schacht – vertrekkende vanuit een bunker tussen Bredene en Wenduine - te beginnen. Albert, Tijl en Lamme volgen hen, wat leidt tot een achtervolging tot in Zuid-Frankrijk. Daar slagen de Zonnebrillen erin Lamme te ontvoeren: ze rijden ermee terug naar de Vlaamse[1377] Kust en sluiten hem daar op.

Enkele dagen later vinden ook Albert en Tijl de bunker. Maar Tijl wordt gevangen genomen en samen met Lamme aan het werk gezet voor het graven van de schacht. Opeens komt de Grote Baas binnen, met een koffertje van de springstof BZZ-BO.EM2. Hij schept blijkbaar een groot genoegen in zijn plannen: "De wereld zal uiteengereten worden terwijl ik en mijn trouwe volgelingen veilig op de planeet Mercurius zullen zitten. Daar eerst zal mijn wraak tegen de aarde gekoeld zijn! … Ha! Wat een heerlijk vooruitzicht!"[1378] Waarop Tijl reageert : "Allemaal goed en wel, maar zeg me eens wie ge zijt en waarom ge de wereld in de lucht wil laten vliegen? En nogal in Vlaanderen! De Vlamingen moeten wel altijd voor anderen hun wraakplannen buigen, maar eens gaat het toch te ver, zulle, makker!"[1379]

De Grote Baas zou echter niet lang meer anoniem blijven: hij struikelt, zodat de helm van zijn ruimtepak breekt. Tijl herkent de man onmiddellijk: "Pittler!! De man die enkele jaren geleden de wereld in vuur en vlam zette! Maar gelukkig verslagen werd. Iedereen dacht dat gij mortebus waart!"[1380] Maar Pittler was blijkbaar niet dood: hij kon op het kritieke moment met enkele getrouwen per vliegende schotel naar Mercurius vluchten, waar er in stilte aan de nieuwe springstof en aan de wraakplannen gewerkt werd.

10

 

Daarop volgt de strijd van Tijl, Lamme en Albert tegen de bende om de geplande ontploffing van de aarde te verhinderen. En ondertussen proberen Pittler en Co te vluchten. Net op dat moment doet zich echter een aardbeving voor, waardoor bijna alle vliegende schotels door de zee verzwolgen worden. Pittler en zijn belangrijkste medewerker proberen te vluchten aan boord van de laatste schotel, maar Albert laat de schotel neerstorten. Pittler en zijn medewerker krijgen een "rammeling", waarna ze uitgeleverd worden aan de politie. Uiteindelijk wordt ook nog de ontploffing van de aarde vermeden, aangezien Albert de springstof in zijn zak gestoken had. De rokende onderzoeksrechter bedankt Tijl, Lamme en Albert: "Heren … pf u zijt de … pf … de redders der … pf mensheid. In naam van de … pff … Westelijke mogendheden, … pff merci, hé … pf.."[1381]

De opdracht is volbracht, de aarde is gered: Albert, Tijl en Lamme vliegen terug naar de hemel. Onderweg geven ze Lucifer nog een pak slaag voor al die last die hij hen bezorgd heeft. Tenslotte worden ze in de hemel hartelijk ontvangen door Sinte-Pieter, die ter hunner ere een Vlaamse Kermis georganiseerd heeft.

 

15.5.3. De voorbereiding van de storm

 

Het is maar al te duidelijk dat met de "Grote Schurk" Pittler, Adolf Hitler bedoeld wordt. De tekst is al duidelijk genoeg en ook de tekeningen liegen er niet om. Pittler wordt afgeschilderd als een egoïstisch kereltje dat wraak wilt nemen op de aarde omdat hij verslagen werd. Alleen hij en zijn medewerkers mogen overleven door naar Mercurius te vluchten. Op het einde van het verhaal laat hij zelfs zijn medewerkers in de steek om zichzelf te kunnen redden. De rest van de bende blijkt ook voor een deel uit Duitsers te bestaan, één van de mannen aan boord van de eerste vliegende schotel heet trouwens "Heinrich"[1382]. Als de onderzoeksrechter de helden op het einde dan nog bedankt in naam van de "Westelijke mogendheden", lijkt het verhaal pas echt een herhaling van de Tweede Wereldoorlog. De Duitsers worden alleszins gewaarschuwd: als ze weer veroveringsplannen zouden koesteren, is Tijl Uilenspiegel er om dat te beletten. Ook in de hemel zijn de gevolgen van de oorlog nog te merken. Op het proces van Tijl en Lamme houdt een Amerikaanse soldaat de boel in het oog. En als Tijl van achter aangevallen wordt, zegt hij: "Die valt maar aan zonder voorafgaande verwittiging! Maar ja, dat is tegenwoordig de gewoonte."[1383] Twee weken vroeger viel Noord-Korea de Zuidelijke buur binnen.

41

 

En ook enkele politieke opmerkingen en grappen sluipen het verhaal binnen. Met zijn "Hemel-Pince-Nee" kan Albert het geweten van de mensen onderzoeken, en dus controleren of ze toevallig niet tot de bende van de

Zonnebril behoren. Als hij het toepast op een groepje van vier voorbijgangers, geeft dat het volgende resultaat: "Professor" – "Beroepsdief" – "Liberaal (zeldzaam)" – "Dopper". De kleine aanhang van de liberalen werd in katholieke hoek blijkbaar grappig gevonden. Of nog de getuigen van de landing van Tijl en Lamme in Brussel-Noord, die denken dat het om verkiezingspropaganda gaat.

14

 

Tenslotte is het Vlaamse element, dat in het volgende verhaal een zeer grote rol zal spelen, al aanwezig. Tijdens de eerste nacht van Tijl en Lamme in het circus, dringt een leeuw hun woonwagen binnen. Het losgebroken beest laat zijn tanden zien, wat aan Lamme de opmerking ontlokt dat het misschien de Vlaamse leeuw is.[1384] In Vlaams perspectief is ook de samenstelling van de rechtbank interessant. Voorzitter van dienst is Julius Cesar, aanklager de Hertog van Alva. Alva vindt de misdaad van Tijl en Lamme onvergeeflijk en eist dat ze naar de hel zouden verbannen worden. De verdediging wordt verzorgd door Keizer Karel en "mijnheer Conscience": zij beschrijven de beklaagden als "grappenmakers" en "brave kerels". Niet voor niets zijn Caesar en Alva oude "vijanden" van onze gewesten en hebben Keizer Karel en Conscience een positief imago in relatie tot Vlaanderen. En om te besluiten moet nog de verbolgenheid van Tijl vermeld worden als hij hoort dat de Vlamingen "wel altijd voor anderen hun wraakplannen moeten buigen". Wat daarmee bedoeld wordt, komt veel duidelijker naar voor in het volgende verhaal.

15.5.4. Bob De Moor ontsluierd

 

Het eerste Uilenspiegel-verhaal werd volledig anoniem gepubliceerd. "Wie is de tekenaar van : De nieuwe avonturen van Tijl Uilenspiegel?"[1385], is dan ook de titel van het interview-artikel dat het tweede verhaal aankondigt. Het volledige artikel, dat voor de hedendaagse lezer redelijk grappig overkomt, wordt hiernaast weergegeven. Het gesprek gaat onder andere over de verwantschap tussen De Moor et Breughel, over zijn leeslust tijdens zijn jonge jaren, over zijn interesse voor de scheepvaart, én natuurlijk over zijn "tekenverhalen". Wanneer de journalist opmerkt dat zijn stripbewerking van "ons nationaal epos De Leeuw van Vlaanderen in Kuifje zo'n sukses kent", merkt De Moor op dat een "tekenverhaal" altijd meer tot de verbeelding spreekt dan een gewone roman. Waarop de journalist verder gaat: "en dat moet wel waar zijn, want het eerste waar onze lezers naar kijken in ons dagblad zijn de nieuwe avonturen van Tijl en Lamme en hun onafscheidelijke vriend Albert." Tenslotte wordt er even gesproken over het tweede verhaal, "Het vals gebit", dat op komst is. De journalist schijnt zich vragen te stellen bij deze titel, maar als onze tekenaar zegt: "Kent ge dan de Vlaams leeuw niet? Nog nooit gezongen van: Zij zullen hem niet temmen zolang de leeuw kan klauwen zolang hij tanden heeft? …", antwoordt hij: "Ha, ik heb beet! Het wordt een grappige hekeling van de nazaten van Lamme Goedzak?" "Min of meer … glimlachte Mijnheer Demoor …"

In de aankondiging[1386], die diezelfde dag verschijnt, zien we een leeuw met tandpijn in de wachtzaal van de tandarts.

 

15.5.5. Speek, de IJzertoren en de Slag der Valse Gebitten[1387]

 

Na hun vorige avonturen genieten Tijl en Lamme van een welverdiende rust in het hemel-park als ze bezoek krijgen van Albert Packthem. Albert ziet er nogal triestig uit en daarom vraagt Tijl wat er aan de hand is. Albert vertelt: "Och, ik kom net terug van een uitstapje naar de wereld … naar Vlaanderen … En 't gaat daar slecht! … In de cinema is 't niet anders dan Speek die ge te zien krijgt ! Ge weet wel, hé, die meneer die vindt dat de grondwet gemaakt is om hem te ambeteren … Aan de kust: Schoonheidskoninginnen, Franse film-festivals, mode-shows! … En ge weet wat ze met onze koning aangevangen hebben, hé? En de Vlamingen, die Lamme Goedzakken, laten zich maar doen!"[1388]

71

 

Daarop besluit Lamme in actie te schieten: hij gaat rechtstaan op zijn wiegzetel en begint te roepen. "'t Moet gedaan zijn! Ik zal er mij eens mee bemoeien! De Vlamingen zijn de laatste tijd wel wakker geschoten, maar zij moeten wakker blijven! … En daar zal ik eens voor zorgen! Vooruit, geef mij een paar telloren rijstpap, dat ik mij in form eet!"[1389] Maar door zijn enthousiasme zakt zijn zetel totaal in elkaar, waarop hij zegt: "… geen geluk, hé … als ne Vlaming … zijn tanden eens … laat zien!".[1390]

Maar Albert heeft een idee: "Ik heb verschillende wantoestanden in Vlaanderen gefilmd. Nu zou ik een voordracht met lichtbeelden willen geven over de toestand in het Vlaamse land. Dit voor de leden van het Hemelse-Davids-Fonds. Daarna kunnen wij onderling beslissen wat er ons te doen staat."[1391] Tijl en Lamme vinden het een goed idee en zorgen voor uitnodigingen en affiches terwijl Albert zijn toespraak voorbereidt.

Enkele dagen later is het dan zover, de dag van de toespraak is aangebroken. "Stillekensaan geraakt het zaaltje vol. Het is een mengelmoes van beroemde Vlaamse voormannen uit alle tijdperken en van alle standen, die van de gelegenheid gebruik maken om eens een serieus woordeke te placeren …"[1392]. Onder andere Robrecht Van Bethune, Jan Breydel, Pieter De Coninck en Jacob van Artevelde wonen de voordracht bij. Jan Breydel heeft zelfs een bende gewapende mannen meegebracht "want 't zal hier niet gaan zoals in Brussel!"[1393]

In de dia-lezing, die hiernaast wordt afgebeeld, hekelt Albert Packthem een aantal Belgische wantoestanden. Zeven verschillende punten brengt hij hierbij naar voor: de figuur van Paul Henri Spaak (in het verhaal tot Speek herdoopt), de repressiepolitiek,  waar de kleine visjes veel zwaarder gestraft worden dan de grote, de aanwezigheid van censuur, de omgang met de resultaten van de volksraadpleging, de onderschatting van de Vlaamse mobilisatie door de Franstalige pers, arbeiders die onder druk gezet worden om te staken en de houding van de Vlamingen die zich veel te veel laten doen.

En dan besluit hij: "… Ziedaar, heren, hoe het bij ons gesteld is. Denkt ge niet, dat wij er zullen moeten tussenkomen om de Vlamingen de fierheid van vroeger terug te bezorgen en hen te beschermen tegen de aanvallen van hun vijanden. Want nu mogen ze nog honderd keren meer de meerderheid hebben, dan laten ze zich nog in de doeken doen! … Wij zullen eens laten zien dat de Leeuw nog tanden heeft! Laat ons dus iemand kiezen, die de Vlamingen moet gaan helpen! … Ik heb gezegd."[1394]

Albert wordt door de zaal toegejuicht voor zijn lezing en Jan Breydel stelt voor om hem samen met Tijl en Lamme naar Vlaanderen te sturen: "Zij hebben de wereld van de ondergang gered! Ewel, nu zullen zij Vlaanderen redden …"[1395] Waarna de vergadering wordt afgesloten met het zingen van een "daverende Vlaamse Leeuw".

Per vallende ster vliegen Albert, Tijl en Lamme naar de aarde. Ze komen terecht op een boerderij in Damme, waar ze worden verwelkomd als "de redders van de wereld" en "de symbolen van Vlaanderen". Het gaat duidelijk om een katholiek boerengezin, op de kast van de woonkamer staan enkele heiligenbeeldjes. Even later komt een "professor" bij het gezin op bezoek. Hij biedt de hemelbewoners een leegstaand huis aan, waar ze dan kunnen verblijven.

Het viertal gaat het huis bekijken, maar er blijkt een serieus gat in de voorgevel te zitten. Albert, zoals al gezegd in zijn vorig leven nog politie-inspecteur, vermoedt een bomaanslag en vraagt aan de professor of hij een reden voor deze aanslag weet. De professor geeft uitleg: "Ik zal u zeggen, ik werd belast met het inzamelen van gelden voor het opbouwen van de IJzertoren. Als senator heb ik ook niks onverlet gelaten om bij de regering aan te dringen op het zo vlug mogelijk uitbetalen van een staatstoelage aan hetzelfde doel!". Waarop Albert antwoordt: "Ha! Ha! En de vijanden van Vlaanderen hebben u dat kwalijk genomen en dat met hun gewone laffe middelen laten weten!".[1396]

Hiermee is de toon van het verhaal gezet. De strijd van de Vlamingen tegen hun "vijanden" wordt gesymboliseerd door de IJzertoren. De tegenstanders van Vlaanderen willen de heropbouw van het monument verhinderen, zodat de toren het symbool wordt van de Vlaamse fierheid. De Moor probeert hier ook een verband te leggen tussen de bomaanslag op het huisje van de professor en die op de IJzertoren. Zo vertelt hij: "de daders van de aanslag werden nog niet gevonden"[1397], een duidelijke verwijzing naar het geklungel van het IJzertorenonderzoek. Ook het personage van de "professor" is een verwijzing naar de echte situatie: zoals in de contextschets al gezegd, werd in augustus 1948 het huis van professor Fransen, voorzitter van het IJzerbedevaartcomité, zwaar beschadigd door een bom.

Maar het verhaal gaat verder. Tijl probeert nog een verdachte tegen te houden, maar deze kan ontsnappen. Hij verliest wel zijn zonnebril!  De bende van de Zonnebril is blijkbaar herrezen met een nieuw doel: de opbouw van de IJzertoren tegenwerken. En terwijl Tijl, Lamme en Albert beraadslagen over hoe ze de zaak gaan aanpakken, wordt een dreigbrief op hun deur gestoken. Maar de brief heeft weinig effect, de drie mannen zij vastbeslotener dan ooit om door te gaan. Lamme bestelt ter verdediging een kist geweren, waarop Albert zegt dat dat geen slecht idee is "want veiligheidsmaatregelen treffen ze in dit land als het te laat is!"[1398].

Op een nacht wordt Lamme, die de wacht loopt, aangevallen door een Zonnebriller.  Maar deze wordt zelf gepakt. Aan zijn silhouet te zien, gaat het duidelijk om een arbeider, en blijkbaar ook om een socialist of communist. Als Albert hem probeert te ondervragen, antwoordt hij: "Ik zeg niks, kameraad"[1399]. En als Albert verder aandring, roept de man zo hard hij kan "Neen". Dit doet serieus denken aan de campagne van de socialisten tijdens de volksraadpleging. De man spreekt wel correct Nederlands, zoals alle personages in dit verhaal.[1400]

Maar Charel (zo heet de man blijkbaar) ontsnapt en trekt naar Gent. Daar komt hij een zekere Jules tegen en samen gaan ze de schuilplaats van de Zonnebril-bende binnen om een vergadering bij te wonen. Lamme is hem echter, verkleed als tramconducteur, gevolgd en dringt ook het gebouw binnen. Het duurt natuurlijk niet lang, of hij wordt opgemerkt: "Ewel, kameraad, wat komt gij hier doen?"[1401]. Lamme wordt gevangen genomen en voor de Zonnebril-vergadering gebracht. Deze vergadering wordt door niemand anders voorgezeten dan Speek! Als dan nog blijkt dat zijn secretaresse "Madam Bloem" heet, heeft de lezer het wel begrepen: de Bende van de Zonnebril wordt geleid en bemand door socialisten. Meteen is ook duidelijk wie de vijanden van (het katholieke) Vlaanderen zijn.

Aan de muren van de vergaderzaal hangen verschillende spreuken: "Voor de rechten van de mens", "Leve de democratie", "In naam van de vrijheid!".[1402] Speek wil Lamme een verklaring laten ondertekenen waarin hij toegeeft dat hij, Tijl en Albert maar bedriegers zijn. Hieronder is te zien hoe hij dat aanpakt en dus zijn idealen van vrijheid en democratie[1403] omzet in de praktijk.

Enfin, Speek opent de vergadering en neemt het woord: "Het doel van onze organisatie "de Zonnebril" is dus: de opbouw van de IJzertoren tegen te werken. Slagen de flaminganten er toch in die hoop stenen aan een te metsen, dan moet hij maar weer eens gedynamiteerd worden!!! Onze kranten moeten dan schrijven dat het wel betreurenswaardig is, maar niet zo erg!"[1404]

Lamme ziet zijn toestand niet echt zitten en probeert te vluchten. Daarbij sukkelt hij in de kleerkast van Speek. Volgens hem tonen de kaartjes op de kleren duidelijk dat het wel degelijk de kleerkast ven Speek is. Een versleten arbeiderskostuum wordt aangeduid als "Partij Kostuum", en daarnaast zijn ook nog een "Diplomaten Plunje " en "Avondkledij" voorzien. Lamme trekt het "Napoleonkostuum" aan, raakt zo buiten en doet aan autostop. "Na lang wachten wordt de Lamme eindelijk meegenomen op een camionneke, beladen met kiekens. Spijtig genoeg heeft onze vriend niet gevraagd aan de chauffeur of hij wel naar Damme rijdt. Anders had hij vernomen dat die kiekens voor Brussel bestemd waren …"[1405]

Ondertussen krijgt Tijl van een boer "De Avond Gazet"[1406] in handen gestopt. Op de eerste pagina staat de verklaring van Lamme. Speek heeft zijn werk goed gedaan. Maar Uilenspiegel is woedend, en dat zullen ze bij de Avondgazet geweten hebben. Tijl stormt naar de lokalen van de krant en valt het bureau van de redactiesecretaris binnen. Als hij merkt dat deze man niets wilt zeggen én een zonnebril op zijn neus heeft, heeft Tijl het ook wel begrepen.

Hij neemt dan maar de trein naar Brussel en kan meteen merken wie de Avondgazet leest. Sommige passagiers – de Avondgazetlezers - halen hun hoofd voor hem op, anderen steunen hem en verzekeren hem dat ze in hem geloven. In Brussel aangekomen, loopt Tijl de gebouwen van de radio-omroep binnen en lanceert er een opsporingsbericht. De reacties van de luisteraars, hieronder afgebeeld, zijn veelzeggend …

Als men de krantentitels probeert om te zetten naar de reële situatie, zou men kunnen zeggen dat "Het Beste Nieuws" Het Laatste Nieuws zou kunnen zijn, "De krant van het Volk" de Volksgazet en "'t Vlaamse land" een Vlaamse katholieke krant?

Uiteindelijk vindt Tijl Lamme toch terug in Brussel, temidden van redelijk belachelijke vlootmanoeuvres op het kanaal. Na allerlei gebeurtenissen slagen Speek en Kameel, die het geheel als personaliteiten bijwoonden, erin hen te ontvoeren.

In Damme krijgt Albert dan weer bezoek van de professor, die belangrijk nieuws heeft: "… luister: Er werd genoeg geld ingezameld om de heropbouw van de IJzertoren te beginnen. Als we op de toelage van de regering moeten wachten zijn we zalig. Een groot deel van het geld is in mijn brandkast. Het overige geld werd besteed om een deel cement en stenen aan te kopen. Morgen komt het materiaal in Diksmuide aan."[1407]

Maar wat kon verwacht worden, gebeurt. Als de professor samen met Albert naar zijn huis gaat, ontdekt hij dat zijn brandkast leeggeplunderd is.  De dader is gevlucht, maar heeft wel een spoor achtergelaten: op de grond ligt een stukje papier van de Avondgazet. Daarop gaat Albert naar Gent, waar hij stilletjes de gebouwen van de krant binnendringt. En ja: daar zit de redactiesecretaris met een andere man én het geld[1408]. De twee willen blijkbaar met het geld naar Diksmuide. Maar daar steekt Albert wel een stokje voor: hij leidt de twee af en vlucht met het geld.

De twee dieven rijden dan maar zonder het geld naar Diksmuide, maar mét Albert op het dak van hun auto. Een ideale positie om hen af te luisteren … zo blijkt dat ze op eigen houtje gehandeld hebben en dat Speek niet op de hoogte is dan de diefstal van het geld. Ze rijden een domein binnen waar zich een kasteel bevindt. Albert sluipt mee naar binnen en vindt er Tijl en Lamme terug. Samen slaan ze een bewaker neer en vragen hem om uitleg. "G-g-goed! … Ik zal me … voor ene keer aan … de meerderheid … onderwerpen … Luister … Morgen komt er een eerste lading stenen en cement aan voor het bouwen van de IJzertoren. Vannacht zullen wij barricades opwerpen om de camions de doortocht te beletten. Dan zal Speek de werklieden van de fabrieken dwingen spontaan te staken als protest tegen de heropbouw van de Toren. Speek wou eerst Uilenspiegel het Vlaamse volk laten aanzetten te staken, maar die keikop wil niet, niettegenstaande bedreigingen en beloften …"[1409]

De bewaker kan ontsnappen, maar Albert, Tijl en Lamme schieten in actie en verdelen de taken. Albert gaat de camions met materiaal tegemoet, zodat hij ze kan waarschuwen voor de barricades en hen de binnenwegen kan laten nemen. Tijl Uilenspiegel en Lamme Goedzak gaan naar de voornaamste fabriek van de streek om te trachten de arbeiders te overhalen zich te verzetten tegen de stakingspiketten.

En "ondertussen op de steenweg": Speek en zijn mannen hebben zich verschanst achter een hoop oude zetels, meubels en kinderwagens. Ze worden trouwens meer en meer in het belachelijke getrokken: als Albert hen meedeelt dat het materiaal al lang in Diksmuide aangekomen is, trekken ze daarnaartoe en zingen onder weg het "bende-lied": "Vivan bomma, patatten met saucissen!".[1410]

Van hun kant hebben Tijl en Lamme wat meer moeite om de "spontaan" stakende arbeiders terug aan het werk te krijgen. Maar Albert helpt een handje, door met een reuzespandoek door de lucht te vliegen: "Arbeiders, de IJzertoren moet er komen! Allen terug aan 't werk !"[1411] Het helpt, de arbeiders keren terug naar de fabriek. Maar daar worden ze tegengehouden door de zonnebrillen: het draait uit op een gevecht, dat door de zonnebrillen verloren wordt. Het einde is nabij …

Maar Speek is nog niet verslagen, hij is zelfs een "duivels complot"[1412] aan het smeden. Hij spreekt zijn mannen toe: "Makkers, deze keer hebben we die kerels liggen! Wij organiseren een marsj op Brussel! … Redactie-secretaris van de Avond-Gazet, gij moet direct in actie schieten en in het nummer van morgen alle "serieuze" mensen oproepen voor de marsj op Brussel …"[1413] En als hij de afluisterende Albert opmerkt, voegt hij toe: "Eer morgen de zon ondergaat zijn zelfs de puinen van uw toren niet meer te vinden!…"[1414]

De drie hemelbewoners bespreken daarop de situatie. Er moet absoluut iets gedaan worden, maar wat? Lamme heeft een idee: "Laat ons de Vlamingen oproepen en ook zo'n wandeling organiseren!"[1415] Een radio-oproep moet voor de mobilisatie zorgen: "Volk van Vlaanderen! De zonnebrillen rukken naar Brussel op als protest tegen de opbouw van de IJzer-toren! Volg hun voorbeeld en kom ook naar de hoofdstad! Deze keer zult gij aanvoerders hebben. Zij wachten u op de Grote Markt! Zeg het voort!"[1416]

De grote dag breekt aan en Tijl, Lamme en Albert gaan op café zitten op de Grote Markt en wachten daar op de aankomst van de Vlamingen. En ja, "Stillekens aan geraakt de markt vol volk. Uit alle hoeken van Vlaanderen zijn ze gekomen: Boeren, handelaars, arbeiders, klerken, doppers …"[1417] Tijl begint de menigte toe te spreken, maar hij krijgt van Speek al snel een hard gekookt ei tegen zijn kop. De spanning stijgt in beide kampen en een gevecht ontstaat. Aan de "Ten aanval, kameraden" van Speek, beantwoordt Uilenspiegel met "Vlaanderen die Leu!".[1418] En terwijl het volk "Weg met de Speek" roept, krijgt Tijl "de dikbuik" na een tijdje te pakken.[1419] Hij geeft Speek zo'n harde slag dat zijn vals gebit uit zijn mond valt. Tijl roept het uit: "'k Heb hem liggen! Hier is mijn overwinningstrofee! Zijn gebit!".[1420]

18

 

Overwinning? Inderdaad, de Zonnebrillen zijn verslagen en slaan op de vlucht. Tijl roept zijn mannen op om naar meer valse gebitten te zoeken en spreekt ze toe: "We zullen deze historische vechtpartij "De slag der valse gebitten" noemen! We zullen al die knauw-instrumenten als souvenir bewaren!". Dan gaat hij verder: "Mannen van Vlaanderen! De opbouw van de IJzer-toren kan beginnen! Wie wilt er meehelpen? Dan gaat het rapper vooruit, hé!" Waarop het volk hem toejuicht en roept "Allemaal naar Diksmuide! Vooruit!".[1421] Waarna de IJzertoren terug opgebouwd wordt. Tijl, Lamme, Albert en de professor kijken fier en plechtig toe: de eer van Vlaanderen is gered!

15.5.6. De redders van Vlaanderen

 

Het is meer dan duidelijk wat de bedoeling van het verhaal is: Tijl en Lamme, de "symbolen van Vlaanderen" nemen het op tegen de "vijanden van Vlaanderen". Daarbij worden zowel elementen uit de zaak van de IJzertoren als uit de koningskwestie gebruikt. Bij de start van het verhaal in september 1950 is de koningskwestie al afgelopen, zodat het verhaal volledig na de feiten verteld wordt.

Om Tijl, Lamme en de andere Vlamingen te typeren, wordt gebruik gemaakt van allerlei typische Vlaamse en katholieke elementen: Tijl die in de hemel Pallieter leest en Rodenbach drinkt[1422], het "hemelse Davidsfonds", de historische figuren op de lezing van Albert, de "Vlaamse Leeuw" die gezongen wordt, het katholieke boerengezin, het kruisbeeld in de slaapkamer van Tijl en Albert[1423] en de duidelijke verwijzingen naar de Guldensporenslag tijdens de "slag der valse gebitten". Tijl en Lamme staan dus voor het goede en katholieke Vlaanderen.

De tegenstanders worden vooral gesymboliseerd door de figuur van Speek en zijn Zonnebrillers. Speek is "die meneer die vindt dat de grondwet gemaakt is om hem te ambeteren"[1424], "hij zwierde de koning buiten"[1425], hij maakt gebruik van ondemocratische praktijken zodat zijn democratische slogans alleen mooie woorden blijken te zijn, hij heeft een dubbele persoonlijkheid (zie zijn kleerkast) en hij zet een "duivels complot" op. Hij laat zijn pers anti-IJzertorenpropaganda voeren en heeft geen enkele eerbied voor de toren en zijn verdedigers: hij noemt de IJzertoren een "hoop stenen"[1426], en wilt niets liever dan de vernietiging ervan. Ook wilt hij arbeiders dwingen "spontaan" te staken en deinst hij er niet voor terug mensen te bedreigen. Op verschillende momenten wordt hij totaal belachelijk gemaakt, onder andere als er gewezen wordt op zijn buikomtrek en met als hoogtepunt het verliezen van zijn vals gebit.

De organisatie die onder leiding van Speek staat, blijkt weer de Bende van de Zonnebrillen te zijn. Maar deze keer zijn de Zonnebrillers geen Duitsers, maar socialisten. Het woord kameraden valt meer dan eens en verschillende bendeleden lopen gekleed in een arbeiderskostuum. Niet alleen hun bedoelingen zijn slecht, ze gebruiken ook nog "laffe middelen"[1427] zoals bomaanslagen om hun doel te bereiken. Onder hen bevinden zich ook de makers van de Gentse Avondgazet, die onder controle van Speek en co staat en anti-Vlaamse ideeën verspreidt.

De figuur van Speek verwijst, zoals al gezegd, overduidelijk naar de socialistische voorman Paul Henri Spaak. De auteur stelt Speek voor als de grote verantwoordelijke van alles wat er misloopt in Vlaanderen en België. De socialisten zijn dus de te bestrijden "vijanden van Vlaanderen". Net zoals op het einde van het verhaal, zouden Spaak en co in de echte wereld moeten verslagen worden om de situatie recht te trekken. Terwijl de eerste tekening van Speek - tijdens de dia-projectie - nog erg gelijkend was ten opzichte van de echte Spaak, valt die gelijkenis vanaf zijn tweede verschijning weg. Heeft De Moor zich ingehouden, of heeft de redactie van de krant hem aangezet tot matiging? De verandering is alleszins merkwaardig en is blijkbaar algemeen. Met namen wordt nog verwezen naar bestaande personages, maar dit wordt niet meer doorgezet in de tekeningen (zoals bijvoorbeeld wel het geval was in het eerste verhaal met Pittler / Hitler). Aan de hand van de namen wordt nog verwezen naar de socialistische politici Isabelle Blume[1428] (Madam Bloem) en Camille Huysmans[1429] (Kameel). Ook de Vlaamse socialisten worden blijkbaar niet gespaard.

De Vlamingen worden voorgesteld als een volk dat zich veel te gemakkelijk laat doen, en dat moet beschermd en gestimuleerd worden om zijn "fierheid van vroeger"[1430] terug te vinden. Want zoals Albert zegt, "Want nu mogen ze nog honderd keren meer de meerderheid hebben, dan laten ze zich nog in de doeken doen!"[1431] De troonsafstand van Leopold III, ondanks de meerderheid bij de volksraadpleging, wordt blijkbaar moeilijk verteerd in de verhalen van de katholieke stripauteurs[1432]. Tijdens de dia-voorstelling wordt het trouwens ook al gezegd, dat het erg is dat 42 % meer waard is dan 57,8 %. Maar: in het parlement hebben de koningsgezinden misschien toegegeven aan de anti's, Jan Breydel waarschuwt alvast dat het hier niet zal gaan zoals in Brussel. In Brussel, waar "kiekens"[1433] voor bestemd zijn: voor Brussel algemeen of voor het parlement? Ook op een ander moment wordt nog verwezen naar die meerderheid. Als de Zonnebriller Jules door de drie hemelbewoners neergeslagen wordt zegt hij: "G-g-goed! … Ik zal me … voor ene keer aan … de meerderheid … onderwerpen"[1434] Voor ene keer, waarmee duidelijk gewezen wordt op het feit dat de socialisten zich tijdens de koningskwestie van de meerderheid niets aangetrokken hebben. Maar met die Vlaamse fierheid komt het allemaal goed. Tijl en Lamme slagen erin een vrij algemene mobilisatie te bereiken: Vlamingen uit alle streken en standen komen naar Brussel en Diksmuide, zodat de Zonnebrillers verslagen worden en de IJzertoren heropgebouwd kan worden.

Ook enkele typische Belgische toestanden worden in het verhaal gehekeld. De Belgische "politieke knoeierijen"[1435], het feit dat veiligheidsmaatregelen altijd genomen worden als het te laat is[1436] en de slechte staat van de wegen[1437].

Dit verhaal overtreft alle andere wat politieke inhoud betreft. Hier geen grappige verwijzingen: het verhaalthema is gewoon de strijd van de Vlamingen tegen hun tegenstanders, zijnde Speek en zijn Zonnebrillen. Dat Paul Henri Spaak als schietschijf gebruikt wordt, is niet zo verwonderlijk. In de coulissen van de koningskwestie stelde hij zich vrij gematigd op, maar naar de buitenwereld toe speelde hij het spel zeer hard. Zijn biograaf Michel Dumoulin beschrijft hem zelfs als een tribuun die de indruk gaf het volk naar de revolutie te willen leiden.[1438] Op 27 juli 1950 hield Spaak zelfs een revolutionaire toespraak in de Kamer: "Jusqu'à présent la grève n'est dirigée que contre Léopold III. Si vous refusez de nous comprendre, elle sera le début d'une révolution (…). Je suis avec Danton contre Louis XVI, (…). La révolution ne me fait pas peur. Je sais qu'elle doit éclater quand les gens au pouvoir s'abstinent à ne pas reconnaître les faits."[1439] Het Danton-thema wordt door De Moor dan ook gerecupereerd tijdens de dia-projectie.

Heel wat elementen van het verhaal zijn zo geïnspireerd op feiten uit de Koningskwestie: de stakingen, de Mars op Brussel (die de antileopoldisten aangekondigd hadden, maar die door de machtsoverdracht niet doorgegaan is) en natuurlijk …  de IJzertoren, die door een aanslag in 1946 volledig vernield werd. De toren wordt in het verhaal het symbool van de Vlaamse heropstanding, dat door Speek bestreden wordt. Na de nederlaag van de Zonnebrillen, wordt de toren dan ook heropgebouwd, vijftien jaar voor de nieuwe toren er in het echt zou staan. Tot slot nog even vermelden dat ook de homogene CVP-regering niet gespaard blijft: er wordt duidelijk gezegd dat ze nog lang kunnen wachten op de beloofde toelage van de regering.

Zoals in het historiek-deeltje al gezegd is, leunde Het Nieuws van den Dag nauw aan bij de CVP, nam de krant Vlaamsgezinde standpunten in en koos ze onvoorwaardelijk de kant van Leopold III. Het Vals Gebit ligt dan ook perfect in de lijn van de krant. Want ook de IJzertoren lag haar nauw aan het hart, in april 1950 wordt een steunlijst[1440] voor de heropbouw van de toren in de krant gepubliceerd.

Wat Bob De Moor betreft, liggen de zaken wat moeilijker. Hij stond niet echt bekend als een flamingant, maar heeft rond die tijd wel verschillende "Vlaamse" verhalen afgeleverd: naast deze Tijl Uilenspiegel, maakte hij ook stripbewerkingen[1441] van het werk van Conscience voor Kuifje.

Johan en Stefaan De Moor – zonen van – antwoorden in een interview op de vraag of hun vader een "romantische Vlaamsgezinde" was: "mmm, nee", "Ik denk dat dat nauw verbonden was met de krant en zo, de atmosfeer van die tijd. Een echte flamingant was Bob niet hoor."[1442] Ook blijkt uit zijn ander werk dat uitgesproken standpunten, zoals in Het Vals Gebit, echt een uitzondering zijn.[1443] In een interview zou De Moor het Vlaams engagement van Tijl Uilenspiegel zelfs toeschrijven aan een vriend.[1444]

Waarschijnlijk is dit verhaal te danken aan een samenloop van allerlei omstandigheden. De Vlaamse tekenaars hadden een traditie om politiek in hun verhalen te verwerken, én in 1950 leenden de omstandigheden zich daar zeer goed toe. Vandersteen had bijvoorbeeld van mei tot september al zijn Koningskwestie-verhaal De Stalen Bloempot[1445] afgeleverd. En aangezien De Moor voor een katholieke krant werkte, ging hij de standpunten van die krant in zijn verhaal verwerken. Het is ook heel goed mogelijk dat er vanuit de krant gevraagd[1446] werd over deze kwestie een verhaal te maken.

 

15.6. Besluit

 

Het Nieuws van den Dag maakt qua stripbeleid dus verschillende periodes mee. In een eerste periode, die ongeveer loopt tot de overname van 't Vrije Volksblad, worden enkel Nederlandse strips gepubliceerd. Op uitzondering van Donny en Ronny gaat het telkens om ondertekststrips, die geleverd worden door Stripfilm en de Toonder-Studio's.

De periode na de overname, die een enorme stijging van het aantal lezers meebrengt, wordt gedomineerd door De avonturen van detectief Van Zwam van Marc Sleen, eerst in combinatie met een Nederlandse strip, vanaf mei 1949 alleen. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de krant met een probleem zit bij de overgang van Van Zwam naar Het Volk. Dit kan dan als de derde periode beschouwd worden: Het Nieuws van den Dag lost het probleem op door twee nieuwe verhalen te plaatsen van de auteurs Luc Droek en Raf Van Dijck. Maar dit schijnt geen voldoening te schenken, want ze worden na één verhaal vervangen door Bob De Moor en zijn Tijl Uilenspiegel. En ook verschijnt er terug een Nederlandse ondertekststrip: Aram van Piet Wijn. Het zijn dus externe gebeurtenissen – de overnames – die ervoor zorgen dat Het Nieuws van den Dag tegen 1950 zo'n dynamiek stripbeleid ontwikkelt. Anders was de krant waarschijnlijk alleen Nederlandse strips blijven publiceren.

Qua politieke inhoud van de verhalen gelden dezelfde periodes. De gepubliceerde Nederlandse strips blijven redelijk braaf. Dit verandert met de komst van Marc Sleen en zijn Van Zwam[1447], die geregeld de politieke toer opgaan. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de opvolgers van Sleen – Droek, Van Dijck en De Moor – zijn voorbeeld gaan volgen. Droek gebruikt de Koude Oorlog en het belang van uranium, Van Dijck projecteert allerlei gebeurtenissen naar het imaginaire land Ruzië en De Moor klaagt simpelweg de Belgische wantoestanden aan en schrikt er daarbij niet voor terug politici als Paul Henri Spaak persoonlijk te viseren.

En met het gevaar in herhaling te vallen, ook de aandacht voor de strips volgt dezelfde periodes. In de eerste periode worden zelden aankondigingen geplaatst, tijdens de tweede periode wordt het een gewoonte, en in de derde periode plaatst men meerdere aankondigingen per verhaal om de aandacht van de lezer er zoveel mogelijk op te vestigen.

Wat de vermelding van de auteurs betreft, kan men zeggen dat het bij de buitenlandse reeksen meestal bij de handtekening blijft. De komst van Marc Sleen introduceert de auteursvermelding in de titel, en ook zijn opvolgers krijgen hun naam bij de titel. Uitzondering is het eerste verhaal van Uilenspiegel, maar dat wordt later goedgemaakt door de publicatie van een volledig artikel over de auteur.

Het Nieuws van den Dag groeide tussen 1946 en 1950 dus uit van een krant die strips lijkt te publiceren "omdat het zo moet" tot een krant met een echt stripbeleid en aandacht voor wat ze publiceert.

 

16. La Libre Belgique

 

16.1. Historiek en situering

 

La Libre Belgique is de opvolger van de katholieke krant Le Patriote, die opgericht werd door de broers Louis en Victor Jourdain. De titel La Libre Belgique ontstond tijdens de Eerste Wereldoorlog, als naam voor de clandestiene Patriote, en na de oorlog bleef de naam behouden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog stopte de officiële publicatie en gingen de eigenaars weer een clandestiene krant publiceren.

Na de bevrijding verschijnt de krant terug op 6 september 1944. Het bedrijf staat dan onder leiding van Paul Jourdain. Ook wordt er samen met La Dernière Heure in 1946 een gemeenschappelijke reclameregie opgericht, La Générale Publicitaire. Campé vermeldt voor het jaar 1949 een oplage van 190.000 exemplaren.[1448]

La Libre Belgique verschijnt zeven keer per week, en dit op 6 à 8 pagina's in de beginperiode en 8 à 12 pagina's tegen 1950. De krant verschijnt op groot formaat. Strips verschijnen eerst alle dagen, en vanaf eind 1946 van dinsdag tot zondag.

 

16.2. Stripreeksen volgen elkaar op

 

16.2.1. De eerste strips

 

Skippy is de eerste strip die opduikt in La Libre Belgique, meer bepaald op 12 december 1945. Skippy[1449] is een gagstrook waarin twee kinderen grappige gesprekken voeren of grappige voorvallen beleven. De strip wordt geleverd door Opera Mundi.

In januari 1946 volgt Bouboule Skippy op, en dat tot juli 1947. Het zou hier wel eens over een origineel product kunnen gaan, en dit om verschillende redenen. Er wordt (in tegenstelling tot de meeste andere verhalen in de krant) geen copyright vermeld en het personage leest op verschillende momenten[1450] duidelijk de krant La Libre Belgique. Daar komt nog bij dat de tekenstijl zeer sterk overeenkomt met de cartoons van de krant, die ondertekend worden met "Gévé". En op zaterdag 30 november 1946 hangt er in de strook een kalender aan de muur met als datum "Dimanche 24 novembre", de exacte datum van zes dagen voordien. De strook werd dus niet lang voor de publicatie vervaardigd. "Bouboule" is, zoals zijn naam al laat uitschijnen, een niet te mager burgermannetje dat in allerlei grappige voorvallen terechtkomt.

Op 17 februari 1946 komt er een tweede strip bij. "Felix le chat et Mickey Mouse"[1451] heeft niets te maken met het personage van Walt Disney. In deze gagstrook, weer verdeeld door Opera Mundi, spelen dieren de hoofdrollen.

En een volgende reeks komt er vanaf 21 maart 1946. Tot 11 augustus krijgt de lezer "Les aventures de Monsieur Snot" voorgeschoteld. Auteur is de Belg Tenas[1452], en als copyright wordt "Golden Pictures" vermeld. Tenas biedt met zijn Monsieur Snot naast flauwe woordspelingen en absurde situaties ook een goed verhaal aan. Centraal staat een Arabische fetisj die Snot krijgt toegestuurd van zijn vriend-detective Martyn en die gestolen juwelen blijkt te bevatten. Verder in het verhaal ontdekken Snot en co nog een oude verloren schat in Portugal. Het verhaal wordt afgesloten door een interventie van tekenaar Tenas: "Chers amis. J'ai reçu dernièrement dans mon courrier certaines lettres … parmi celles-ci certaines me présentaient des critiques justifiées qui ont retenu toute mon attention. Quant à celles qui ne l'étaient point … Je dirais simplement … la critique est facile mais l'art est difficile … Je termine en remerciant mes chers lecteurs. Même les critiques, car "qui aime bien … châtie bien!" Et ce petit discours de Tenas, met fin à cette suite d'images … Espérons, chers amis, que ce fichu trésor ne tournera pas la tête du signor del Doro!"[1453]

Tenslotte moet nog vermeld worden dat op 4 juli 1946 "Felix le chat" vervangen door Baba. Nog een gagstrook, deze keer zonder tekst, en verdeeld via "Rinaldo Features", die zou lopen tot januari 1947. En van november 1946 tot mei 1947 publiceert La Libre Belgique de gagstroken van Professor Nimbus[1454].

 

16.2.2. Jimpy, de kleine tovenaar

 

Van april 1947 tot september 1949 loopt de reeks "Les aventures de Jimpy … le petit magicien"[1455]. Slordigheden verraden dat deze strip uit Engeland komt: er zijn namelijk nog stukjes Engelse tekst[1456] te zien op sommige momenten.

In de eerste strook wordt Jimpy uit de tovenaarsschool gegooid wegens gebuisd op zijn toverexamen. In een Middeleeuws decor trekt hij dan weg en komt terecht in allerlei avonturen, waarin hij zijn min of meer kundige toverkunsten kan tonen. Hij richt echter meer rampen aan dan iets anders. Legendarische figuren zoals Aladin, Merlijn en Robin Hood en magische wezens zoals draken komen in de verhalen voor.

Opvallend is de rol die belastingen en beleidsmensen in de verhalen spelen. Een burgemeester werft Jimpy aan opdat hij met zijn toverkunsten zou verhinderen dat "le mauvais baron" zijn belastingen komt innen. Jimpy maakt de ontvoering van het meisje Rosamonde door de baron ongedaan, en als deze met zijn mannen de stad komt belegeren, zorgt Jimpy er met zijn toverkunsten voor dat de stad verdedigd wordt en dat de baron moet afdruipen: er zijn geen belastingen meer te betalen.[1457]

In een ander verhaal wordt een draak lastiggevallen door twee ridders, die hem absoluut willen doden om hun moed te bewijzen. De burgemeester van de nabijgelegen stad stelt voor dat de draak gemeenteraadslid zou worden, dan zouden de ridders hem wel gerust laten. Maar om dat te bereiken, moet de draak zorgen dat hij populair wordt door één of andere verwezenlijking. Jimpy en co zorgen voor een berenplaag in de stad, zodat de draak die beren dan kan verjagen. Het volk is enthousiast en dus laat de burgemeester de draak tot schepen verkiezen.[1458]

In "Jimpy et le terrible pirate" wordt Jimpy door een piraat ontvoerd en belandt hij op een eiland waar hij kennis maakt met een betoverde kikker. Deze kikker blijkt een prins te zijn die betoverd werd omdat hij verliefd was op de prinses van een vijandig land. Hij geeft Jimpy wat uitleg: "Vous voyez ce que signifie mon mariage pour les soldats, premiers ministres, et tout! … Nos deux pays en deviendraient un seul, et alors … Plus de guerre!"[1459] Jimpy vraagt dan wat naïef of dat niet goed zou zijn, waarop de kikker antwoordt: "Oh si! Pour le peuple! Mais pas pour les généraux, les diplomates qui devraient démissionner et travailler!!!"[1460]

Jimpy besluit met de kikker de stad in te trekken en via een geheime gang belanden ze in de schatkamer. Jimpy vraagt aan de kikker waar al dat goud vandaan komt: "Du pauvre peuple, oui … ce sont les taxes, vois-tu? Le ministre des finances cherche ce qu'ils gagnent, puis il les taxe au double. C'est simple, hein!"[1461] De kleine tovenaar besluit het goud terug te geven aan de bevolking, zodat de schatkamer "vide comme une poche de contribuable"[1462] wordt. Als de ministers later de lege schatkamer ontdekken, zijn ze ontroostbaar: "Venez voir! Dit le chancelier … … Horreur!!!", "Zut, zut et rezut, pleure le ministre de la guerre, plus d'armée!"[1463]

En om het sprookje volledig te maken, gaat Jimpy met de kikker naar de prinses. Ze kust hem, en de prins verschijnt! Waarop de prins in triomf in de stad onthaald wordt en samen met Jimpy alle slechte ministers en tovenaars wegjaagt.

Op één van zijn andere reizen komt de tovenaarsleerling terecht op een eiland dat geconfronteerd wordt met een zeereus. Deze reus eet enorm veel (en slaapt voor de rest) en het eiland moet zich uitsloven om hem te voeden. Het volk krijgt alleen oneetbaar voedsel, het lekkere eten is voorbehouden aan de reus en de ambtenaren van het eiland. Maar Jimpy besluit het op te lossen. Hij verkleint de reus met zijn toverkracht en zet hem ook aan het werk. Nu is het echter de ex-reus die van zijn oren maakt: hij vindt het niet eerlijk dat de chefs van het eiland niet werken en deftig voedsel krijgen. Daarop komen de arbeiders in opstand en dwingen ze de ambtenaren om iets te doen wat ze nooit gedaan hebben: werken.[1464]

Op verschillende andere momenten komen belastingen aan bod. Ook wordt er gelachen met de administratie: een wachter krijgt opdracht om de brug op te halen, maar hij is een ambtenaar en heeft een drievoudig formulier nodig om te werken.[1465] En ook de rantsoenering krijgt ervan langs. Als Aladin aan de geest om eten vraagt, antwoordt deze: "Vous pouvez en avoir si vous avez un carnet de rationnement, une carte d'identité, de l'argent et de la patience."[1466]

We vinden hier een soort universele kritiek terug op het betalen van belastingen en andere administratieve aangelegenheden. Belastingen lijken er te zijn om ervoor te zorgen dat beleidsmensen niet hoeven te werken. Ook wordt er aangegeven dat oorlog en verdeeldheid bepaalde gezagsdragers goed uitkomen, omdat er dan meer postjes te verdelen zijn. Ministers lijken op een bepaald moment wel kleine kinderen, die oorlog willen voeren om zich te amuseren. In de episode met de reus breekt er zelfs een sociale revolutie los, waarbij de arbeiders in opstand komen en hun leiders verplichten om ook eens te werken.

 

16.2.3. Panda, Goliath, MacNib en Arsène Lupin

 

Anton de Zwaan heeft weer niet stilgezeten: vanaf 3 mei 1947 loopt Panda in La Libre Belgique. Tot einde 1950 zouden de eerste 19 verhalen van deze reeks in de originele volgorde gepubliceerd worden. Voor de bespreking van de reeks, verwijs ik naar het deel over Het Laatste Nieuws. Negen extra verhalen verschijnen echter in La Libre Belgique.

Joris Goedbloed wordt Georges Bonhomme, maar voor de rest blijven de verhalen zoals ze zijn. Alle jobs die Panda uitoefent lopen slecht af, zodat hij werkloos wordt en op zoek moet naar iets nieuws. Panda gaat op zoek naar een goudader, wordt het slachtoffer van een professor die vanop afstand gedachten beïnvloedt, gaat mee op walvisjacht, wordt piccolo in een hotel, rijdt met zijn kinderwagen baby's rond en wordt taxichauffeur. En nog altijd bedriegt Joris Goedbloed iedereen, en nog altijd is Panda daar het slachtoffer van. En de politie is trouwens ook nog altijd even dom …

In "Panda et la révolte en Candonie" komt Panda terecht in een Zuid-Amerikaanse poging tot staatsgreep. De Candonische minister van oorlog, "La Bandera", probeert het regime van de president omver te werpen en zelf de macht te grijpen. Maar Panda kan de president op tijd waarschuwen: La Bandera wordt opgepakt en Panda krijgt een beloning.

Van mei 1947 tot mei 1948 loopt de gagreeks "Goliath, le petit bout d'homme". Een mannetje met een bolhoed speelt de hoofdrol in deze reeks van Ruben Lundquiet. En vanaf mei 1948 publiceert La Libre Belgique de reeks "Les aventures de Mac Nib, détective", waarover verder meer.

En wat ook nog moet vermeld worden, is dat Jimpy in september 1949 opgevolgd door "Arsène Lupin, gentleman-cambrioleur". Van Engeland naar Frankrijk dus. Deze reeks van Georges Bourdin[1467] is een verstripping (met ondertekst) van het bekende verhaal van Maurice Leblanc over deze Franse gentleman-inbreker. Het verhaal lijdt echter, zoals wel meer voorkomt bij de bewerking van literaire werken, aan overdreven samenvatting, zodat het erg verwarrend wordt.

 

16.2.4. La Libre Junior

 

Op 31 augustus 1950 gaat de jeugdpagina "La Libre Junior" van start. Oorspronkelijk wordt er wekelijks één pagina gepubliceerd. Vanaf december van datzelfde jaar worden het er twee, die op een bepaalde manier kunnen geplooid worden zodat men een boekje op A4-formaat krijgt.

De gepubliceerde strips, waarvan telkens één of twee pagina's verschijnen, zijn van Belgische makelij: Fanfan et Polo van Dino Attanasio[1468] en "Jim Larcher"[1469], Tiger Joe van Jean-Michel Charlier[1470] en Victor Hubinon[1471], Fifi van diezelfde Hubinon en Boudaldar van Sirius[1472]. Voor de aanvoer van deze strips doet La Libre Belgique een beroep op het agentschap "World's Press".

Dit agentschap werd kort na de bevrijding opgericht door de zakenman Georges Troisfontaines, die al snel een aantal tekenaars rond zich verzamelde. De voornaamste activiteit van het agentschap was het leveren van strips en redactioneel materiaal aan de Dupuis-tijdschriften Spirou/Robbedoes en Le Moustique/Humoradio. En vanaf 1950 werd dus ook een samenwerking met La Libre Belgique gestart.[1473]

 

16.3. Mac Nib

 

16.3.1. Avonturen van een Engelse detective

 

Zoals al gezegd, publiceert La Libre Belgique vanaf 19 mei 1948 "Les aventures de Mac Nib, détective", misschien wel de interessantste reeks in de krant. Auteur is een zekere Roléo, die verder niet bekend is, maar een zeer verzorgd product aflevert. Verschillende elementen pleiten ervoor dat de reeks origineel zou zijn (het feit dat Roléo voor de rest onbekend is, het ontbreken van een copyright), terwijl andere[1474] dan weer twijfel zaaien. Voor de rest wijzen verschillende elementen erop dat de reeks in het Frans gemaakt werd. De lettering is zeer net (wat niet altijd van vertalingen kan gezegd worden) en de teksten passen perfect in de ballonnen. Inscripties in het decor zijn wel in het Engels aangebracht, maar voor een reeks die zich in Engeland afspeelt, is dat niet zo merkwaardig. Andere teksten in de tekeningen, zoals op kranten en kalenders, zijn wel in het Frans.

"McNib. Détective assermenté. Consultations: le vendredi de 3 à 6 Hs. Spécialisé dans les recherches de portefeuilles, évadés, kidnappés, enfants perdus de tous âges."[1475] Zo beginnen de avonturen van deze negentiende-eeuwse[1476] Engelse detective. Andere personages die geregeld in de verhalen hun opwachting maken, zijn Professor Humbug en medewerkers Slim Groogy en Jimmy.

In het eerste verhaal, "Le 3e hémisphère", helpt MacNic Professor Humbug om de derde hemisfeer, waarvan hij het bestaan ontdekt heeft, te bereiken. Humbug is er ook van overtuigd dat de tijd in die hemisfeer op onbepaalde tijdstippen is blijven stilstaan. De expeditie slaagt, want ze bereiken via een windhoos een eiland bewoond door dinosaurussen en prehistorische mensen.

In "Le Kouttar d'argent" probeert een geheimzinnige bende, geleid vanuit Tibet, de macht in Indië over te nemen. Maar Mac Nib, die ingeschakeld wordt door een Maharadjah, steekt daar een stokje voor en zorgt ervoor dat de Engelse troepen een einde maken aan die organisatie. In dit verhaal staat een politiek grapje dat nogal anachronistisch is. Op een nacht zegt een assistent van MacNib tegen zijn baas: "Eh! patron levez-vous. L'hindou et le chinois filent à l'anglaise." Waarop deze antwoordt: "C'est une question internationale alors? Il faut soumettre ça à l'O.N.U."[1477] De VN in de jaren 1880 dus …

In "Le fantôme des brumes" neemt Mac Nib het op tegen een bende piraten. Deze maken, onder leiding van de Duitser Von Kreiff, gebruik van een poeder om een slaapverwekkende mist op zee te veroorzaken. Uiteindelijk slaagt de detective erin de Duitser te laten oppakken, waarna deze tot levenslange dwangarbeid veroordeeld wordt. Natuurlijk spreekt Von Kreiff, die ook wel "le Fritz" genoemd wordt, met een vreselijk Duits accent: "Mein Gott! Vous êtes un grôss idiôte …"[1478], "Der teufel! Que dois-je faire à présent? Tout est à recommencer.  Donnerwetter …!"[1479], "Stürm und brädkartoffel! Il n'y a pas que tes nègres te ce côté là .. (…) Che suppose que mon ami le tétectif (…)"[1480] In een ander verhaal zullen Duitsers nog een veel grotere rol spelen.

"Les têtes d'or" brengt Mac Nib, Humbug en co dan weer naar Zuid-Amerika, waar ze geconfronteerd worden met een revolutionaire beweging. Deze heeft tot doel een opstand in heel Amerika te doen plaatsvinden: "Finies les dominations étrangères! Finies les dictatures! Viva la libertad! …".[1481] Deze bende gemaskerden wil de revolutie financieren met het goud uit de legendarische stad Eldorado, waar ze – net als Mac Nib – naar op zoek zijn. En naar goede gewoonte zijn het Zuid-Amerikaanse gerecht en de Zuid-Amerikaanse politie niet al te efficiënt: zo wordt Mac Nib ter dood veroordeeld omdat de rechter geen tijd heeft om zijn zaak te bestuderen. En als Mac Nib aan een agent vraagt om als laatste wens de Bijbel volledig voor te lezen, doet die man dat gewoon.

In "La guerre du froid" kijkt een bejaarde Mac Nib terug op wat er gebeurde in 1899. Verschillende plaatsen ter wereld werden plots en op onverklaarbare wijze getroffen door extreme koudegolven, die doden en algemene paniek veroorzaakten. De wetenschappers dachten dat het leven op de maan voor deze fenomenen verantwoordelijk is.

En in twee andere verhalen neemt de detective het op tegen een notaris die een schat wilt inpikken, én wordt er een tweede expeditie naar de derde hemisfeer georganiseerd, die echter gesaboteerd wordt en in Afrika belandt.

 

16.3.2. Fritzmarck en co

 

Het meest politiek geladen verhaal is "Mac'Nib contre Clickott". In dit verhaal neemt onze detective deel aan een expeditie van professor Humbug naar Centraal-Afrika. De expeditieleden, professoren uit de Verenigde Staten, Italië, Groot-Brittannië en Frankrijk, gaan daar een merkwaardig fenomeen bestuderen: elke maandag op hetzelfde uur heeft er een aardbeving van dezelfde intensiteit plaats.

Ondertussen leest iemand in Pruisen het bericht over de expeditie in de krant. Hij gaat onmiddellijk "Herr Minister Otto Von Fritzmark" waarschuwen, die de man opdraagt de expeditie tegen te werken. Wat hij dan ook doet: hij doet zich bij de expeditie voor als Eliott Clickott, detective bij Scotland Yard, en zorgt voor allerlei sabotages. De expeditie krijgt een dreigbrief, twee leden worden vergiftigd, Mac Nib wordt even buiten spel gezet, een bom vernietigt één van hun schepen, …

Clickott wordt ontmaskerd en verandert van strategie. Hij biedt de expeditieleden elk duizend pond aan als ze voor hem als technici willen werken. Ze weigeren natuurlijk, maar worden gewoon onder dwang meegevoerd. De geleerden komen terecht in een militair domein in Kameroen, dat bewaakt wordt door Pruisische soldaten. In het kamp staat een speciaal kanon dat 400 kilometer ver schiet en waarvan de projectielen, die in de oceaan vallen, het water 60 meter hoog doen opspringen. Vandaar die aardbevingen dus.

Maar voor de Pruisen volstaat die 400 kilometer niet: "Vous comprenez que 400 kilomètres, ce n'est pas une portée suffisante en temps de guerre. Aussi nos savants ont-ils imaginé de faire sortir l'obus de la zone d'attraction terrestre … pour l'y faire pénétrer ensuite, environ 12 heures plus tard, au moyen d'un jeu de fusées latérales commandés mécaniquement. Notre canon aurait ainsi une portée égale à la moitié de la circonférence terrestre. Nous serions à même d'atteindre n'importe quel point du globe …"[1482]

Maar de man die dat allemaal ontworpen heeft, een zekere Théo Dölitz, is wegens ziekte moeten terugkeren naar Pruisen. En nu wilt Clickott dat de gevangengenomen expeditieleden zijn werkzaamheden voortzetten. Ze besluiten het te doen, maar met de stille bedoeling de ganse boel te saboteren: ze willen de raket laten terugkeren naar haar beginpunt en zo de installaties opblazen.

Terwijl een "Herr Général" de basis komt inspecteren, maken de expeditieleden zich klaar voor de lancering, waarna ze ontsnappen. En alles verloopt volgens plan: de raket keert terug naar de basis en legt alles in puin. Clickott en de generaal komen terecht in de hel. En hoewel de expeditieleden blij zijn dat ze dit "duivelse kanon" vernietigd hebben, weten ze heel goed dat de Pruisen het daarbij niet zullen laten: "Bah! Avec ces gens-là, on n'est jamais tranquille. Après ça ils trouveront autre chose."[1483]

Tenslotte krijgt Mac Nib net voor het inschepen naar Engeland nog een telegram: "L'Intelligence Service nous remercie pour le travail que nous avons fait … il paraît que c'est Von Fritzmark lui-même … qui dirigeait et ordonnait cette expérience. Ce Clickott, de son vrai nom: Hermann Wölff, était son bras droit et avait pour mission de nous empêcher d'arriver au centre d'expériences. Puis il a reçu ordre de nous y emmener pour remplacer les savants prussiens …"[1484]

Ook hier spreken de Duitsers weer Frans met een Duits accent, en met allerlei Duitse woorden tussen ("Donnerwetter"[1485], "Der Teufel"[1486]). Het is duidelijk dat de Duitsers hier, doorheen hun negentiende-eeuwse Pruisische voorgangers, voorgesteld worden als een gevaarlijk een oorlogszuchtig volk. Als ze sterven, belanden hun aanvoerders trouwens in de hel. Hun leider Otto von Fritzmarck, een duidelijke verwijzing naar Otto von Bismarck[1487], zet een plan op om een kanon te bouwen dat de helft van de aarde kan bereiken. Met andere woorden: als ze hun plannen voortzetten, is niemand meer veilig. En de expeditie heeft deze plannen misschien gedwarsboomd, toch maken de leden ervan zich geen illusies: de Pruisen zullen wel iets nieuws vinden om de wereldvrede te bedreigen.

 

16.4. Besluit

 

La Libre Belgique wordt gekenmerkt door een grote afwisseling in de gepubliceerde strips. In de beginperiode houden de meeste strips het maar een paar maanden uit. Tegen het einde van de periode zou er minder verandering optreden, door de publicatie van de vaste reeksen Panda en MacNib. Meestal worden dagelijks drie reeksen aan de lezers aangeboden.

De oorsprong van de verhalen is zeer verscheiden. Er wordt beroep gedaan op Opera Mundi, de Toonder-Studio's en nog een reeks andere agentschappen, maar ook Belgisch materiaal komt aan bod, met Monsieur Snot, en (waarschijnlijk) MacNib. Ook voor de jeugdbijlage La Libre Junior worden (zij het via een agentschap) Belgische auteurs ingeschakeld.

La Libre Belgique is absoluut geen aankondigingskrant. Slechts een zeer klein aantal verhalen hebben recht op een aankondiging, waarbij de auteurs meestal niet vermeld worden. De meeste auteurs worden ook niet in de titels vermeld. Uitzonderingen hierop zijn Tenas en Roléo.

Wat de politiek betreft, Jimpy en MacNib hebben op sommige momenten een politieke inhoud, maar zonder echte uitschieters. Jimpy houdt zich vooral bezig met kritiek op beleidsmensen en belastingen, terwijl Mac Nib het twee keer moet opnemen tegen Duitse tegenstanders. De andere reeksen van de krant blijven politiek gezien vrij braaf.

 

17. Vooruit

 

17.1. Historiek en situering

 

De krant Vooruit werd in 1884 in Gent opgericht door Edward Anseele, en was zo het eerste socialistische dagblad in Vlaanderen. Toen in 1885 de BWP opgericht werd, ging de Vooruit optreden als officiële spreekbuis van de Vlaamse vleugel van de partij. In 1897 werd de coöperatieve Volksdrukkerij opgericht en in 1909 de coöperatieve uitgeversmaatschappij Het Licht. Op het einde van de jaren 1930 nam Het Licht trouwens ook de drukkerij over, zodat de uitgevers- en drukkersactiviteiten weer samenvielen.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog verscheen de krant onder Duitse censuur, tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de publicatie stopgezet. De Duitsers lieten het blad wel terug verschijnen als gestolen krant.

Maar na de bevrijding komt de Vooruit terug, en wel op 7 september 1944. Directeur is dan Ferdinand De Smet, die in 1947 opgevolgd wordt door August De Block. Hoofdredacteur van dienst is Gaston Crommen. In 1945 wordt de directe band tussen het lidmaatschap van de partij en het abonnement op Vooruit opgeheven, zodat er lezers verloren gaan. Dit is vooral het geval in Antwerpen, waar de Volksgazet de plak zwaait. De territoriale verdeling tussen de twee socialistische kranten zorgt ervoor dat 99 % van de oplage van Vooruit  gerealiseerd wordt in Oost- en West-Vlaanderen. Onder leiding van Gaston Crommen en August De Block wordt de vooroorlogse politiek van nadruk op sport, populaire verslaggeving en culturele rubrieken voortgezet en wordt er aandacht besteed aan het uitzicht van de krant. Campé vermeldt voor 1949 oplagecijfers tussen de 56.000 en de 60.000 exemplaren.[1488]

"Orgaan der Belgische Socialistische Partij" krijgt de krant als ondertitel mee. Vooruit verschijnt zeven keer per week, en elke keer zijn de strips op post. De 4 tot 8 pagina's uit 1946 worden er in 1950 6 tot 8.

 

17.2. Strips uit Nederland, België, Frankrijk en Engeland

 

17.2.1. Voor vrouw en kind

 

Vooruit begint op 31 maart 1946 met het publiceren van een strip. Via Studio Vox levert Steve Donogan een gagstrook zonder reekstitel, die nogal onregelmatig verschijnt. Tussen één en vier keer per week, maakt de strook haar opwachting in de krant tot januari 1948.

Ondertussen begint men ook in de wekelijkse zondagse[1489] pagina "Voor vrouw en kind" vervolgverhalen te publiceren. Van mei 1946 tot oktober 1949 volgen "Bollie Bof" (Flip), "Tom Lucky" (Henry Albers[1490]), nog eens "Bollie Bof", "Humpo Hotsflots" (Siem Praamsma[1491]) en "Jochem Jofel" (eveneens Siem Praamsma) elkaar op. Behalve in het eerste Bollie Bof-verhaal, waarin tekstballonnen gebruikt worden, verschijnen al deze verhalen met ondertekst.

Bollie Bof wordt in naslagwerken niet vermeld, maar is waarschijnlijk, net als de andere wekelijkse verhalen, van Nederlandse oorsprong. De namen van de personages wijzen daar al op: Bollie, Toontje, Professor Bijdetijd, Simpie Snap en Snuffelsnor klinken redelijk "Hollands", net als de plaatsnaam Vensterdam. In het eerste verhaal draait het om de diefstal van vijf zilveren olifantenbeeldjes, die inscripties bevatten die naar een schat, ooit verborgen door een Keizer van China, leiden. Detective Bollie Bof kan net verhinderen dat twee dieven met de schat aan de haal gaan. Ze worden opgepakt door de politie en de schat wordt teruggegeven aan de Chinese Keizer.

In het volgende verhaal, Tom Lucky van Henry Albers, lost het hoofdpersonage, sergeant bij de Canadese bergpolitie, een zaak van veediefstallen op. Het blijkt het werk te zijn van een Indiaan, die zo handelde omdat zijn stam honger had. De politie toont begrip voor de situatie en de schuldige komt er met een waarschuwing vanaf.

 

Het tweede Bollie Bof-verhaal heeft twee titels. In de titel wordt "Bollie Bof en de krantenmannen" vermeld, in de titeltekening bij de eerste strook "Bollie Bof redt den koning". De twee titels komen wel overeen met het verhaal. Het verhaal begint namelijk met de diefstal van de volledige ochtendeditie van de "Bazuin". Een mysterieuse bende wilde ten allen prijze vermijden dat een bericht de wereld bereikte. Even later worden Bollie en de auteur van het artikel door de bende ontvoerd. Ze worden opgesloten bij een professor, die de uitvinder van een speciale pil blijkt te zijn: men kan er zich mee in een andere persoon veranderen door die persoon aan te kijken.

Blijkt dat de leider van de bende niemand minder is dan eerste minister Simoneus Slechterik, en een ander bendelid Prins Primus, neef van de koning. De koning zelf is ook in handen van de bende, en Primus is van plan zijn identiteit over te nemen. Maar Bollie en zijn medegevangenen slagen erin te ontsnappen: "Terwijl binnen de muren van het hoofdkwartier zich deze tonelen van hoogverraad en laaghartigheid afspeelden, sloop onze Bollie langs de muren aan de buitenkant."[1492]

Bollie verbergt zich voor het binnenkomende gezelschap: "Voorop ging de koning en naast hem liep met een domme glimlach om de lippen, prins Primus, de verrader."[1493] "Bollie knarsetandde van woede over dit staaltje van gemeen verraad jegens de koning."[1494] Uiteindelijk komt Bollie tussen en wordt de bende ingerekend door de politie. De Koning is dus gered en hij bedankt zijn redders: "Ik dank u hartelijk, heren, bracht Z.M. met moeite uit. Hij had een brok in zijn keel en tranen in zijn ogen. U hebt niet alleen mij gered, maar ook mijn volk. Laat mij u drieën morgen belonen met het kruis van dapperheid."[1495]

Gezien de socialistische strekking van de krant moet achter dit koningsverhaal niets gezocht worden. Het is echter wel grappig dat net de Vooruit zo'n verhaal publiceert, waarbij het hoofdpersonage een koning redt.

 

Humpo Hotsflots is dan weer iemand die zichzelf een fantastische schilder vindt. Spijtig genoeg denkt de buitenwereld daar anders over, zodat de man meer schuldeisers dan klanten over de vloer krijgt. Tot op een dag een zekere Steven Steenrijk over de vloer komt, met de vraag een schilderij te maken voor een lijst die hij zogezegd geërfd heeft. De lijst wordt natuurlijk gestolen, maar na veel inspanningen slaagt Hotsflots, samen met zijn buurmeisje-detective Evelientje, erin het ding te recupereren. Blijkt uiteindelijk dat er in de lijst geheime documenten van het Ministerie van Oorlog van Boel-Gemenië zitten, én dat Steven Steenrijk de minister zelf is. Het schilderij was maar een middel om de papieren ongemerkt over de grens te krijgen. Minister Steenrijk vreesde namelijk interesse vanwege een andere mogendheid.

Het verhaal baadt dus in een spionagesfeer, maar het gegeven wordt niet echt uitgewerkt. Het enige dat de lezer te weten komt, is dat een onschuldige schilder als koerier ingeschakeld wordt, uit vrees dat een vreemde mogendheid er met geheime defensiepapieren vandoor zou gaan.

Van dezelfde Siem Praamsma verschijnt daarna nog een verhaal van Jochem Jofel in "Voor vrouw en kind", waarin twee bedriegers Jofel misbruiken om zichzelf te verrijken.

 

17.2.2. Strips in de krant

 

Vanaf december 1948 worden er ook vervolgverhalen in de krant gepubliceerd. "Bim" van Piet Van Elk[1496] mag daarbij de spits afbijten. Drie verhalen worden tot eind 1950 gepubliceerd, met telkens enkele maanden onderbreking. Een verdere bespreking volgt.

De ruimte tussen de twee eerste Bim-verhalen wordt opgevuld door "Paulus de boskabouter". Deze Nederlandse ondertekststrip van de hand van Jean Dulieu[1497] vertelt de belevenissen van een kabouter in het bos, samen met allerlei dieren: een roddelende kraai, de gevaarlijke vos Rein, de uil, de das, … Het blijven allemaal brave sprookjesverhalen. Zo krijgt Paulus hulp van Pieter de Woudkabouter om te proberen Rein te vangen, beschermt hij een vlinder tegen een spin, redt hij een bevriende kip uit de poten van Rein, verlost hij een das van tandpijn, enzovoort. Het verhaal stopt vrij onverwacht, zodat het waarschijnlijk vroegtijdig afgebroken werd.

Van juli tot november 1949 verschijnt een ballonstrip van de Belg Wally Delsey[1498]. "In de schaduw van Madison Square Garden: vecht nog een ronde" wordt gepubliceerd op de sportpagina, en speelt zich dan ook af in de bokswereld. Delsey vertelt hierin het verhaal van de Amerikaanse garagist Dick Jersey, die na het zien van een spannende boksmatch besluit zich in te schrijven in een boksclub. De boksleraar ziet wel wat in hem en stuwt hem naar te top. Alleen jaloerse clubleden zorgen voor problemen.

Maar Dick belandt in handen van een manager met een slechte reputatie, en krijgt daardoor geen interessante wedstrijden meer aangeboden. Een nieuwe manager zorgt echter voor beterschap, en de tournee van Dick door de VS wordt een groot succes dankzij harde inspanningen en veel doorzettingsvermogen. Het verhaal eindigt met de volgende boodschap: "De dag dat Dick op de ring in 't licht van de schijnwerpers van de grote sportarena kwam voor het titelgevecht was de gelukkigste van zijn leven. Helaas op hetzelfde ogenblik maakte een oorlogszuchtige natie zich gereed om zijn vaderland in een oorlog te wikkelen."[1499] Veel meer dan deze verwijzing naar de oorlog valt er in dit verhaal op politiek vlak niet te rapen.

"Madison Square Garden" wordt opgevolgd door nog "een prachtig tekenverhaal van eigen bodem"[1500]. Schrijver en Vooruit-medewerker L. Roelandt[1501] en tekenaar Georges Van Raemdonck[1502] brengen een versie van het Vlaamse volksverhaal Smidje Smee. Het verhaal wordt gebracht met ondertekst en in de speciale kunstige stijl van Van Raemdonck. Soms worden de tekeningen zeer realistisch, soms nogal schematisch gebracht.

Het verhaal vertelt de geschiedenis van een succesvolle smid, die het slachtoffer wordt van oneerlijke concurrentie en zijn ziel aan de duivel verkoopt. Daarop kent het succes van zijn familie geen grenzen meer. Telkens als de duivel Smidje Smee wilt meenemen naar de hel, is deze laatste de duivel te snel af. En bij zijn dood wordt hij, dankzij bemiddeling van de Heilige Jozef, toegelaten in de hemel.

"Smidje Smee" is erg religieus getint, niet alleen duivels komen erin voor, ook de voltallige "Heilige Familie" maakt haar opwachting in het verhaal. En ook gebeden, het branden van kaarsen en heiligenbeelden komen veelvuldig voor. Alleszins schenkt de krant veel aandacht aan de publicatie van het verhaal, er wordt zelfs een kleurwedstrijd voor kinderen aan verbonden.

Tenslotte moeten nog twee reeksen vermeld worden. Vanaf oktober 1949 lopen de gagstroken van Professor Nimbus[1503] en in mei 1950 krijgen deze het gezelschap van Rupert[1504]. Van deze reeks verschijnen dagelijks twee tekeningen met ondertekst, volledig anoniem en zonder copyrightvermelding.

Rupert is een kleine beer die in Notenbos woont en die alleen of samen met zijn vriendjes allerlei avonturen beleeft. Hij reist naar China op zoek naar het gevluchte draakje van een vriend, komt in contact met een rare professor die de moderne wapens weer wilt vervangen door pijl en boog, redt een zieke meerjongen (de zoon van een meermin) en overtuigt een levende pop om bij een arm meisje te blijven in plaats van bij een prinses. De verhalen richten zich duidelijk op een zeer jong publiek.

 

17.3. Bim in de Koude Oorlog

 

Bim is een personage van de Nederlandse auteur Piet Van Elk. Van Elk werd geboren in 1919 en volgde een opleiding aan de Kunstnijverheidschool van Amsterdam. In 1942 begon hij in eigen beheer enkele strips uit te geven. En ook nog tijdens de oorlog startte hij met Bim, die toen nog een poesje was. Na verloop van tijd (en om concurrentie met "Tom Poes" van Marten Toonder te vermijden) maakte hij van zijn personage een jongetje.[1505]

Voor het verhaal "Hypnose onder nul" wordt enkel Van Elk als auteur vermeld. Voor de twee andere verhalen kreeg hij voor de scenario's de medewerking van Hilarion[1506].

Het is niet duidelijk wanneer de verhalen juist geschreven en getekend zijn. Hypnose onder nul werd in album uitgegeven in 1947, voor de andere verhalen heb ik geen gegevens.

 

17.3.1. Hypnose onder nul

 

In het eerste verhaal vliegt Bim naar het Hoge Noorden, op zoek naar zijn vriend, de detective Mugli Basli. Basli werd namelijk door een mysterieuze man gehypnotiseerd om naar een schat te gaan zoeken. Na een tussenstop in Lapland, komt Bim aan in Groenland. "Wie niet bekend is met de huidige toestand daar ter plaatse, zal geneigd zijn te denken, dat 't een verlaten en eenzaam land is, waar geen redelijk mens z'n voet zet. Vroeger was dat ook zo. Tegenwoordig echter zenden volken door atoomkoorts bevangen, hun stoerste mannen naar de sneeuw van het Hoge Noorden om kostbare ertsen te vinden, waarvan men atoombommen kan maken. Deze mannen zoeken vlijtig. Zij denken dat de overige mensen zonder atoombommen niet kunnen leven."[1507]

Meer bepaald twee expedities bevinden zich in de buurt waar ook Mugli Basli zit: de "Geldlanders", die Basli zien als een "venijnige spion" en de "Roodlanders", die hem als een "eenzame voorpost van de schurken" beschouwen.[1508] De expedities zoeken blijkbaar allebei naar uranium.

Basli wordt gevangen genomen door de Geldlanders, Bim - die ondertussen ook aangekomen was – door de Roodlanders. Maar Bim kan ontsnappen en probeert samen met enkele Eskimo's Basli te bevrijden. De Geldlanders merken hen echter op: "Verraad!", "Spionnage!", "Vijfde colonne"[1509], beginnen die te roepen, waarna sommigen zelfs hun wapens bovenhalen.

Een tweede bevrijdingspoging – per vliegtuig – lukt wel. Maar ze worden beschoten en moeten zich redden met hun parachutes. Het koffertje met een atoombom, die Bim uit het kamp van de Geldlanders meegenomen had, valt echter zonder parachute naar beneden en ontploft.

"Gelukkig was het een kleine atoombom. Maar toen het onding op de aarde kwam en ontplofte, leek de wereld te klein. Wat zal er van onze vrienden overblijven?"[1510] De gevolgen van de atoomramp blijven echter zeer beperkt: de Geldlanders zitten tot aan hun hals in de sneeuw en een stukje Groenlandkust is afgesneden van het vasteland, maar verder is er niets aan de hand. En inderdaad , "Het mag bijna 'n wonder heten, dat onze vrienden de ontploffing van de atoombom zo goed hebben doorstaan."[1511]

Bim, Basli en de Eskimo IJso drijven af op hun ijsberg. Maar het ijs smelt geleidelijk, zodat er onder hen een schip tevoorschijn komt. Bim merkt op: "Dit is de eerste maal dat atoomenergie voor het bereiken van een vreedzaam doel is gebruikt."[1512]

Het gezelschap vaart terug naar Groenland om er IJso af te zetten. Maar: "Wat aan de kust te zien was, stemde echter minder vrolijk. De twee expedities, die al waren vervuld van wederzijds wantrouwen, waren tenslotte op elkaar gestoten en leverden verbitterd slag. Beide partijen hadden Bim en Basli aangezien als spionnen van de tegenpartij. Vooral de laatste duikvlucht van Bim had onrust in de gemoederen gezaaid. "Wij hebben geduld genoeg gehad" hadden de Geldlanders tenslotte geroepen."[1513]

Basli zag de "zinloze strijd" met "lede ogen" aan en besloot de twee expedities te gaan toespreken. "Vrede, verdwaasden", liet hij horen. "De oorlogsvoerenden geloofden dat zij een geest zagen. Daar ieder een ogenblik vergat zich te verdedigen, verdween het krijgsrumoer als bij toverslag. De vechtjassen zwegen met beschaamde kaken en vormden een kring rond de detective."[1514]

Basli begon zijn toespraak: "Geldlanders en Roodlanders! Ge zijt gekomen om krachten aan de natuur te ontrukken waarmee ge elkaar kunt vernietigen. Geen van uw twee groepen heeft de ander in werkelijkheid bespionneerd. Wij, als onzijdige derde partij, wekten de schijn dit te doen, maar streefden andere dingen na. Uw wantrouwen was dus waanzin, zoals alle wantrouwen tussen volken waanzin is. Weest nu kerels, knip jullie militaire snorren af en reikt elkaar de hand."[1515]

En ja: "Voor de laatste stralen van het Noorderlicht waren verdwenen, had zich op deze plek van het hoge Noorden een historische gebeurtenis voltrokken. Geldlanders en Roodlanders hadden vrede gesloten!"[1516] Als afsluiter werd er een geweldige maaltijd gehouden. "De Roodlanders zorgden voor een drank die dowka heette en de Geldlanders zorgden voor 'n overvloed van spijzen."[1517] Waarna Bim en Basli terugkeerden naar Nederland.

 

We krijgen hier een interessante karikatuur van de atoomwedloop tussen de Verenigde Staten en de Sovjetunie, al worden deze niet bij naam genoemd. Geldlanders en Roodlanders staan tegenover elkaar om uranium te zoeken. Dat hebben ze nodig om de voor hen "levensnoodzakelijke"[1518] atoombommen te vervaardigen, en die atoombom moet natuurlijk voor oorlogsdoeleinden dienen. Allebei zijn ze enorm bang voor spionnen.

Van Elk neemt hier duidelijk een vredelievend standpunt in en kiest geen kamp. De strijd van de twee partijen is even dom en zinloos. Ze moesten beschaamd zijn … Trouwens, in zijn vredestoespraak hamert Basli er nog eens op dat alle wantrouwen tussen volkeren gewoon waanzin is, en dat ze beter zouden kunnen samenwerken, of tenminste vrede sluiten. Dat laatste gebeurt ook, een echte "historische gebeurtenis". Spijtig genoeg gaat het hier slechts om een fictief verhaal. De auteur geeft alleszins mee dat dat volgens hem de beste oplossing zou zijn.

Tenslotte nog twee opmerkingen over de Nederlandse situatie in het verhaal. Als Basli iets wilt gaan drinken en eerder weinig geld op zak heeft, zegt hij: "Als de eigenaar van deze melksalon ontzag heeft voor de prijsbeheersing is het genoeg."[1519] En op een bepaald moment merkt de verteller op: "IJsberen vallen in Groenland even weinig op als zwarte handelaren in Nederland."[1520]

 

17.3.2. Bim's Wereldreis

 

Bim en Basli zitten in geldproblemen en komen net tot de conclusie dat ze hun wereldreis zullen moeten uitstellen, als ze in een café een rijke hindoe tegenkomen. Hij blijkt de Maharadjah van Goldpur te zijn en hij is zijn luxeleventje beu. Basli verhuurt hem voor een enorme som geld zijn huisje in Zwitserland.

Als Bim en Basli naar huis rijden met een grote sportauto, zien ze de eigenaar van een luchtballon bedroefd langs de weg staan. Hij heeft geen passagiers, want de mensen willen op voorhand weten waar ze gaan aankomen en nemen dus het vliegtuig. De twee besluiten mee te reizen.

Zo begint toch nog een wereldreis, die anders zou lopen dan de twee hoofdfiguren zich hadden voorgesteld. Via Engeland gaat de reis naar Canada, waarna ze vanuit de Verenigde Staten naar Siberië reizen. Daar maken ze natuurlijk kennis met allerlei Russische wantoestanden, maar gelukkig slagen ze erin te vluchten.

De reis begint al met een sterke oorlogssfeer. De reizigers bevinden zich nog maar net boven de zee, of hun ballon wordt al met granaten beschoten vanop een schip. Als verdediging gooit Basli dan maar sigaren naar beneden, wat helpt, want de matrozen denken dat het "tijdatoombommetjes" zijn. Maar toch stuurt het schip een bericht naar Engeland om te melden dat er een verdachte ballon de kust nadert.

Maar nog voor ze kunnen landen, zakt Basli door de bodem van de mand en komt terecht in een militair kamp. "Gewapende militairen waren inmiddels van alle kanten toegeschoven om Basli gevangen te nemen. Zonder twijfel was dit de "verdachte ballon" die Engeland naderde. Wie weet wat deze sombere dikke man in zijn schild voerde!"[1521] Als Basli toont dat hij met sigaren, en niet met bommen gegooid heeft, "begrepen de militairen dat onze vrienden niet staatsgevaarlijk waren".[1522]

Hier blijkt al duidelijk dat het Engelse leger zeer op zijn hoede is en dat men zich zeer snel verdacht kan maken. Voor men het weet, wordt men gezien als een spion of een terrorist. En in Ierland zijn ze nog achterdochtiger.

Net voor ze opstijgen om naar Ierland te reizen maakt een magere man in een geruit pak een vlag aan de ballon vast. "Hij deed dat niet uit vriendelijkheid. Deze vlag bevatte een oproep aan de Ieren, wier land juist onafhankelijk was geworden, om zich toch maar weer bij Engeland aan te sluiten. Een politieke leuze noemt men zoiets. En politieke leuzen zijn gevaarlijke dingen aan de ballons van wereldreizigers, zoals onze vrienden tot hun schade zullen merken."[1523]

Bij de landing in Ierland worden ze gastvrij en vriendelijk ontvangen. Maar de stemming slaat snel om als de Ieren de vlag bemerken. Iemand noemt hen verraders en zelfs de politie komt eraan te pas. De politieman excuseert zich zelfs dat hij het drietal moet arresteren: "Wij die zo gesteld zijn op onze vrijheid vinden het akelig om die vrijheid aan anderen te ontnemen."[1524]

Na allerlei problemen belanden de reizigers dan toch in de Verenigde Staten. En van daaruit zouden ze graag doorreizen naar Siberië. In San Francisco gaan ze daarom het "Sovjet-reisbureau" binnen. "Binnen stond een verschrikkelijk beleefd heer achter de toonbank. "Wij wilden graag Siberië zien" zei Basli. "Dat kan" antwoordde de ander. "Maar we zijn kapitalisten" zei Basli. "Is dat erg?" "Helemaal niet zei de meneer van het Sovjet-reisbureau. Ook in de Sovjetunie gaan de kapitalisten altijd naar Siberië. Ze blijven er meestal zelfs heel lang". "Dan moet het er wel prachtig zijn", zei Bim."[1525]

Dat is het begin van een hele reeks opmerkingen en gebeurtenissen waardoor de Sovjetunie in een slecht daglicht gesteld wordt. Hier wordt al gezegd dat kapitalisten in de Sovjetunie naar Siberië verbannen worden. Maar Bim en Basli hebben de opmerking van de vriendelijke verkoper niet goed door. Trouwens, ook verder in het verhaal proberen Sovjets zo vriendelijk mogelijk over te komen.

Maar enfin, de twee vrienden reizen dus naar Siberië. "Nog dezelfde middag liepen onze vrienden tussen twee hagen van vriendelijke heren door naar een toestel dat was beschilderd met sikkels, hamers, leuzen en portretten."[1526] "Het Russische toestel dat onze vrienden naar Siberië zou brengen, was even mooi ingericht als alle andere vliegtuigen waarin men grote reizen kan maken. Voor het eerste raam van het toestel zat een Maarschalk van het Rode leger. Voor het tweede raam zat een heertje, dat precies op iedere beweging van de maarschalk lette. Daarachter zat een heel klein mannetje dat zijn ogen voortdurend op de bewaker van de maarschalk gevestigd hield. Voor het vierde raam zat iemand die als enige van het gezelschap de kleren van een arbeider droeg."[1527]

Geïntrigeerd door die rare toestanden komen Bim en Basli op het idee om een boek te schrijven over hun ervaringen in de Sovjetunie. Bim probeert de slapende maarschalk wakker te schudden voor een interview, maar dat lukt niet. Hij roept dan maar eens heel hard "Churchill", en dat lukte wel: de maarschalk "schoot zelfs met een ruk overeind zoals iemand die door een wesp wordt gestoken."[1528]

"Toen de maarschalk in plaats van Churchill, een vriendelijk jongetje zag, dat met een opschrijfboekje tegenover hem stond, trok hij zijn gezicht in de vriendelijkste plooi waartoe een maarschalk in staat is en vroeg Bim wat hij wenste. "Ik heb gehoord dat de Sovjetunie het land van de arbeiders is en daarom zou ik graag een arbeider interviewen" zei Bim. "Dat vind ik heel aardig" zei de maarschalk "maar ik ben geen arbeider, ik ben alleen maar een verdediger van de arbeiders. Kijk nog maar eens verder rond, dat vind je misschien wel een arbeider." Bim ging daarop naar de man die achter de maarschalk zat. "Is U misschien arbeider?" vroeg hij. "Neen", zei de bewaker, zonder zijn ogen van de maarschalk af te houden. "Ik ben de bespieder van de verdediger der arbeiders. Maar het is mogelijk dat verderop een arbeider zit."[1529]

De auteurs gaan hier gewoon verder op dezelfde lijn. Vrijheid blijkt een vreemd begrip te zijn voor Sovjets, want iedereen wordt er gecontroleerd door iemand anders, die op zijn beurt weer eens gecontroleerd wordt. En het idee dat de Sovjetunie het land van de arbeiders is, wordt ook weggeveegd. Militairen, bespieders, spionnen bij de vleet, maar arbeiders …?

En terwijl Bim verder zoekt naar zijn arbeider, brengt een vriendelijke Russische stewardess eten bij Basli. "De goede speurder, die daar in het verlichte toestel zat dat in donkere nacht over de oceaan vloog, besefte niet dat de vriendelijkheid van de stewardess het begin vormde van een gevaarlijk complot tegen zijn vrijheid."[1530]

Basli geraakt met de stewardess aan de praat, en vertelt over zijn plan om een boek te schrijven over de toestanden in Siberië. ""Het zijn vreselijke toestanden" fluisterde de stewardess. "Kon ik hier maar vrijuit spreken!" Basli zag dat de bespieder van de bewaker van de maarschalk op hem lette."[1531] En dus probeerde hij te doen alsof er niets aan de hand was. En even later kreeg hij van de stewardess een briefje met een telefoonnummer toegestopt: hij zou zo meer te weten komen.

Ondertussen is Bim terechtgekomen bij de passagier die gekleed is als arbeider. Maar het valt weer tegen, de man blijkt een Amerikaan te zijn: "Mijn naam is eigenlijk Moneypump en ik ben eigenaar van de Moneypump Corporation. Ik wilde eens kijken hoe het er in Siberië uitziet en om niet op te vallen heb ik mij als arbeider verkleed. Maar iedereen kijkt mij aan in dit vliegtuig alsof ik van een andere planeet kom."[1532] Tja, arbeiders en de Sovjetunie, dat past blijkbaar niet samen.

 

Na een voorspoedige reis komen Bim en Basli dan in Siberië aan. Maar het begint al slecht: hun hotel ligt "temidden van vreemde gebouwen met getraliede vensters"[1533] en al snel zouden ze in de val lopen. In zijn hotelkamer belt Basli de stewardess : "Wanneer u toestanden wilt zien die u in Amerika niet kent, moet u naar de Koreawa Ullica komen, 446 boven. Voor de zekerheid zou ik maar niet ongewapend gaan."[1534] Basli steekt twee pistolen in zijn zak en gaat op weg. Op het afgesproken adres vindt hij de stewardess vastgebonden op een stoel. Als hij haar wilt bevrijden, springt er plots een Rus op hem. "Basli werd door de achterbakse aanval van de Rus zo woedend, dat hij zijn tegenstander in een grote boog door de kamer gooide."[1535] Maar de Russen blijven maar komen en Basli moet bezwijken voor de overmacht.

"De grote detective werd overmand, gebonden en in een doorzichtige cylinder gestopt. "Eigendom van de G.P.OE. stond op deze cylinder en daaronder een nummer. Nu werd alles duidelijk ! De stewardess had Basli om hulp gevraagd om hem in verboden gebied te lokken en hem dan te laten arresteren. Dit vriendelijke meisje was dus zelf een agente van de geheime politie. De cylinder werd naar beneden gedragen en daar in een gereedstaande vrachtauto geschoven. Pijlsnel reed deze auto door de straten van Wladiwostok naar een geweldig gebouw dat eruit zag als een grote fabriek. Het was het hoofdbureau van de G.P.OE."[1536]

Maar Bim had ondertussen al onraad geroken en had nagevraagd waar een verdwenen persoon naartoe gebracht wordt. Het antwoord was duidelijk: "Dan is hij altijd bij de G.P.OE."[1537] Bim gaat naar het gebouw van de geheime politie, en krijgt daar te horen dat er op de cilinders van de mensen die vrijgelaten worden, (wat niet veel gebeurt) nullen geschilderd worden. Wat Bim dan ook doet. En na via een transportband het gebouw doorkruist te hebben, komt de cilinder terecht in een kamer waar Bim vertelt dat ze Russische officieren zijn die de transportband getest hebben. Ze krijgen een uniform en stappen het gebouw uit.

Iedereen die de Sovjet-wantoestanden zou kunnen ontdekken, of iets zou kunnen bekendmaken, wordt dus gevangengenomen, en veel mensen worden daar niet van vrijgelaten. Het hoeft ook niet meer gezegd te worden dat de G.P.OE. Basli zelf in de val gelokt heeft.

 

"Bim en de verborgen vallei", het derde verhaal, begint waar de "Wereldreis" gestopt is. "De verschijning van Bim en Basli in hun dure uniformen van de geheime politie maakte geweldige indruk in het station te Wladiwostok. Ieder bibberde. Allen beijverden zich om het deze gevaarlijke heren naar hun zin te maken. Op het perron stond een grote loper uitgerold, alsof onze vrienden koningen waren …"[1538] Basli hield een korte redevoering, die neerkwam op "tot weerziens", en het publiek reageerde enthousiast. Maar niet enthousiast genoeg: "Harder juichen, riepen twee grote mannen die zich onder het publiek hadden geschaard. Nu was er een klein mannetje dat niet juichte. Het zei helemaal niets en kneep zijn mond stijf dicht." De twee grote mannen vragen hem waarom hij niet juicht. Als hij durft antwoorden dat hij niet in de stemming is, wordt hij door twee agenten weggeleid.

Nog een nieuw aspect van het Sovjetregime, dus. De bevolking wordt er gewoon geterroriseerd. Mensen van de geheime politie zorgen voor grote schrik onder de bevolking, maar ze worden door controleurs verplicht deze mensen toe te juichen. En wie de orders niet opvolgt, wordt gewoon opgepakt.

 

Over de bedoeling van het verhaal kan geen twijfel bestaan. Het is heel duidelijk dat auteurs Hilarion en Piet Van Elk proberen een negatief beeld weer te geven van de Sovjetunie, dat zeer goed past in de Koude Oorlogsfeer. Samengevat komt het op het volgende neer: als Russen vriendelijk zijn, dan is dat schijn, Russen lokken mensen in de val, zijn dus totaal niet te vertrouwen, hebben ongelooflijke controlestructuren en verbannen hun kapitalisten naar Siberië.

 

17.3.3. De verborgen vallei

 

Ook in dit verhaal zitten enkele interessante elementen. Bim en Basli komen terecht in een sprookjesvallei, die echter geterroriseerd wordt door een geheimzinnige vijand. Deze steekt vanop een bergtop met een brandglas vanalles in brand. Er komt een proces, "want de sprookjesvallei was een land waar recht heerste"[1539] en de vijand wordt veroordeeld tot een dubbele schadevergoeding. De man krijgt spijt van zijn daden en begint samen met Basli plannen voor de wederopbouw uit te werken. Met als resultaat dat het  sprookjesland prachtig heropgebouwd wordt. Interessant is vooral dat de gevangen vijand een eerlijk proces krijgt en achteraf spijt krijgt en meewerkt aan de heropbouw van het land. Dit kan heel goed verwijzen naar de oorlogs- en repressiegebeurtenissen

 

17.4. Besluit

 

Vooruit gaat redelijk laat van start met het publiceren van strips. Het grootste deel van de tijd lopen twee strips tegelijk, waarvan er een wekelijks kan zijn. De oorsprong van de strips is zeer verscheiden, maar toch is er een duidelijk overwicht van Nederlandse ondertekststrips te zien. Andere gepubliceerde verhalen zijn Belgisch, Frans of Brits.

Wat de auteurs betreft, soms worden ze in de titels vermeld, soms niet. Aankondigingen verschijnen eerder zelden, behalve in het geval van Smidje Smee, dat voorafgegaan wordt door vier aankondigingen en nog een hoop wedstrijdadvertenties. Het is dan ook vooral bij dit verhaal dat er aandacht besteed wordt aan de auteurs.

Politiek is vooral de reeks Bim van Piet Van Elk interessant. Op drie verhalen spelen er twee zich af in een Koude Oorlogsfeer. In het eerste verhaal wordt vooral de nadruk gelegd op de dwaasheid van de wapenwedloop en op de noodzaak van vrede, in het tweede verhaal ligt de nadruk op het zwart maken van de Sovjetunie.

 

18. La Lanterne

 

18.1. Historiek en situering

 

Tijdens de Tweede Wereldoorlog rijpte bij een aantal mensen het idee om na de oorlog met een nieuwe krant uit te pakken. Initiatiefnemer Paul De Soete, een beeldhouwer, nam met verschillende mensen contact op, waaronder de financier Joseph Van den Driessche en enkele journalisten. Als titel werd La Lanterne gekozen, en alles werd in gereedheid gebracht om de krant na de oorlog op de markt te brengen.

Het eerste nummer komt er uiteindelijk op 19 december 1944, een pak later dan de meeste andere Belgische kranten. Het blad valt op door zijn speciale inhoud en lay-out, geïnspireerd op de Engelse en Amerikaanse pers: gebruik van acht kolommen, opvallende titels, foto's van niet erg aangeklede vrouwen, horoscoop, …

La Lanterne krijgt twee directeurs, Pierre Fontaine en Paul Méral, en stelt zich onafhankelijk op. Dit brengt grote problemen mee als Fontaine en Méral in hun editorialen verschillende houdingen gaan aannemen ten opzichte van de regering en de koningskwestie. Over het algemeen wordt in de beginperiode een zeer negatieve houding ten opzichte van de regering aangenomen. Uiteindelijk worden zowel Fontaine als Méral uit de krant verwijderd. Hoofdredacteur van La Lanterne is Paul Baar.

Om de krant uit te geven, wordt Sonodi in het leven geroepen, dat in april 1945 een NV wordt. In november 1946 neemt de Waalse krant La Meuse een participatie in Sonodi en gaat ze ook redactioneel materiaal aanleveren. Dit alles leidt ertoe dat La Lanterne na enkele formuleveranderingen in 1947 evolueert naar een Brusselse editie van La Meuse. Op 21 oktober 1947 is de overname door La Meuse volledig afgerond. Voor 1946 en 1947 vermeldt Campé oplages van 20.000 en 30.000 exemplaren.

La Meuse haalt echter een veel grotere oplage. Campé vermeldt voor 1944, 1945 en 1946 respectievelijk 80.000, 150.000 en 175.000 exemplaren. La Meuse en La Lanterne samen bereiken dus een zeer groot publiek. De twee kranten passen trouwens goed samen: ook La Meuse is een blad van grote titels, foto's, fait divers, sensatie en ontspanning. Een financiële crisis in 1946/1947 wordt hersteld na de overname van de krant door de groep rond graaf Paul de Launoit.[1540]

"Quotidien d'union nationale et de solidarité internationale", staat er als ondertitel van de krant vermeld. Het aantal pagina's stijgt van 4 in de beginperiode tot 8 tegen 1950, en dat op een groot formaat (+/- 40/63). La Lanterne verschijnt zes keer per week, en telkens[1541] worden er strips opgenomen.

 

18.2. Van valse start tot stripkrant

 

18.2.1. Er zeer vroeg bij

 

La Lanterne is er zeer vroeg bij wat het publiceren van strips betreft, ze is zelfs de eerste naoorlogse Belgische krant die strips opneemt. Vanaf het eerste nummer op 19 december 1944 kan de lezer dagelijks "Les aventures de Little Dearie" volgen. Deze tekstloze gagstroken zijn ondertekend door een zekere "sebastien" en verschijnen tot 3 februari 1945. In een nogal slordige stijl vertelt de auteur grapjes met een klein meisje in de hoofdrol. De reeks zou zeer goed origineel kunnen zijn.[1542]

Daarna is er twee maanden lang geen strip meer te zien in La Lanterne, tot Pat. O'Sheridan tussen 4 en 12 april 1945 onder de titel "Pat" vijf gagstroken brengt. Deze zouden echter even snel verdwijnen als ze gekomen waren. Deze stroken zijn origineel, O'Sheridan levert trouwens ook cartoons en andere tekeningen aan La Lanterne.

Het is dan weer even wachten tot 2 mei 1945. Dan start "Le petit roi"[1543] van O. Soglow, die onregelmatig, en na verloop van tijd wekelijks op zaterdag zou verschijnen. Als hij verschijnt, krijgt de lezer wel grappen van drie stroken te lezen. En drie dagen later komt "Henry"[1544] van Carl Anderson erbij, die wel dagelijks zou verschijnen. De twee reeksen krijgen de vermelding "Copyright Opera Mundi and La Lanterne".

Begin mei 1946 is het echter gedaan met strips publiceren: zowel Le Petit Roi als Henry stoppen ermee en worden niet vervangen.

 

18.2.2. Le petit Bob zorgt voor de interim

 

Op woensdag 6 november 1946 lanceert La Lanterne haar "nouvelle formule". De krant moet een "magazine quotidien" worden: "Sur un format plus petit mais agréable et pratique elle publiera chaque jour sur 12 pages: toutes les informations nationales et internationales, de nombreux documents photographiques, …"[1545]

En samen met de nieuwe formule gaat na een leegte van zes maanden ook terug een strip van start: de gagstroken van "Le petit Bob". Er wordt geen auteur vermeld, het copyright vermeldt "Coordination". Dagelijks worden twee stroken gepubliceerd, meestal zonder tekst. Een baby speelt de hoofdrol in deze reeks, die het echter ook niet lang uithoudt: op 7 januari is het afgelopen met de kleine Bob.

 

18.2.3. La Lanterne herpakt zich

 

Dertien dagen duurt het nu, voor "Le petit Bob" vervangen wordt. Op 20 januari 1947 gaan twee nieuwe reeksen van start, die eind 1950 nog zouden blijven verderlopen. Ze worden alle twee verdeeld door Opera Mundi. De eerste reeks is "Johnny Hazard" van Frank Robbins[1546]. Hazard is een piloot die net gedemobiliseerd is uit het Amerikaanse leger. Als miljoenste gedemobiliseerde G.I. krijgt hij zelfs een cheque van 500.000 fr. aangeboden. In de daaropvolgende verhalen komt hij in de meest avontuurlijke en bizarre situaties terecht: hij moet een verdwenen collega-piloot terugvinden, levert een lading zogezegde schrijfmachines, die uiteindelijk wapens blijken te zijn, hij komt in Zuid-Amerika terecht in een strijd tussen twee vijandige groepen, gaat voor een luxerestaurant werken dat voor de klanten uit de meest onmogelijke plaatsen gerechten gaat halen, komt terecht in een moordcomplot, gaat op schattenjacht in China, enz. Ook wordt hij geconfronteerd met de ontvoering van een kerngeleerde, een thema dat blijkbaar zeer veel terugkomt.

 

De tweede reeks is Rip Kirby[1547] van Alex Raymond, die twee maanden voordien nog in Le Soir stond. De reeks gaat zijn gangetje verder: detective Kirby komt nog altijd in liefdesaffaires en misdaadzaken terecht. In de La Lanterne-verhalen schiet hij een oplichter neer, ontmaskert hij een valsemuntster, vindt hij een ontvoerd kind terug, enz. En zijn vriendin Muguette daagt hem uit haar terug te vinden, nadat ze op een mysterieuze manier verdwenen is.

Op een bepaald moment valt er een opmerking over belastingen. Tegen een ex-misdadigster die hij uit de penarie geholpen heeft, zegt Kirby: "Oui, Pagan, vous n'aurez désormais plus d'autre souci que celui de vos impôts."[1548]

Maar het belangrijkste op politiek vlak is een verhaal over bacteriologische wapens, dat van januari tot september 1947 loopt. Rip Kirby wordt door de decaan van de universiteit van Norchester ingeroepen om een onderzoek te doen. Dr. Hicks, een wetenschapper van de universiteit, heeft namelijk een bacteriologisch wapen ontwikkeld, en nu is iemand anders daarmee aan het experimenteren. Resultaat: slachtoffers onder de studenten.

Kirby slaagt erin de schuldige te ontmaskeren, maar ondertussen ontsnapt een gevaarlijke misdadiger, "l'Assommeur", uit de gevangenis van Alcatraz. En natuurlijk zet hij zijn zinnen op de uitvinding, omdat hij goed beseft dat hij dan ongelooflijk veel macht in handen zou krijgen.

Rip Kirby onderneemt een treinreis om de formule naar de regering te brengen, maar onderweg wordt hij ontvoerd door de bende van L'Assommeur. En Dr. Hicks wordt door de bende uitgeschakeld, aangezien hij de enige is die de formule kent.

Het hele politieapparaat wordt ingezet in de zoektocht naar de formule, en een bekende geleerde stelt voor een wereldcongres van geleerden te houden, om zulke uitvindingen onder controle te houden. Het congres komt er, en ook "l'Assommeur" gaat er met enkele handlangers naartoe. Hij bedreigt de aanwezigen en spreekt hen toe: de formule wordt aangeboden aan de meest biedende. Tenslotte valt de politie binnen: één handlanger wordt gedood, één geeft zich over en "l'Assommeur" slaagt erin te vluchten.

 

Doorheen het hele verhaal wordt heel goed duidelijk gemaakt welk gevaar zulke wapens inhouden. De uitvinding in kwestie blijkt zelfs gevaarlijker te zijn dan de atoombom, zoals de decaan zegt: "Un secret plus terrible que la bombe atomique a été découvert dans cette université!"[1549]

Maar toch is de nieuwe uitvinding een te belangrijk wapen om vernietigd te worden. Uitvinder Hicks wil zijn formule bij het zien van de aangerichte schade vernietigen, maar Rip Kirby denkt daar anders over: "En tant qu'idéaliste, vous avez raison … Mais en tant que réaliste vous avez tort – elle doit être donnée au gouvernement!", "Je déteste cette formule et ses possibilités, mais dr. Hicks, c'est une question de patriotisme."[1550]

Hoe wreed het wapen ook is, blijkbaar mag in de gespannen internationale situatie geen enkele kans onbenut gelaten worden om de Verenigde Staten met de krachtigste wapens uit te rusten. Kirby heeft daar zelfs een ganse uitleg voor klaar: volgens hem wordt de wereld geregeerd door de "wet van de jungle", en is het spijtig genoeg nodig het meest krachtige wapen in handen te hebben om zich te kunnen verdedigen. "Votre formule est nécessaire au pays"[1551], voegt hij eraan toe. Op deze manier wordt de lezer ingelepeld dat de VS moeten bewapenen, voor het geval het nodig zou zijn zich te verdedigen. Aanvallen is totaal niet aan de orde, want nog eens de "vredelievende" bedoelingen van de VS bewijst.

In het verhaal maakt de pers zich terecht zorgen over het voorval. Enkele reacties worden trouwens weergegeven: "On dit que l'Assommeur est derrière tout ceci. Un bandit pareil, en possession de la formule Hicks. C'est terrible!", "Oh! Quel avenir se prépare pour nos enfants! La bombe atomique, les armes chimiques … C'est affreux!", "Ce journaliste demande la réunion d'un congrès mondial de savants pour contrôler les armes telles que la bombe atomique ou la formule Hicks.", "Mais la science pourra-t-elle s'élever au-dessus des frontières."[1552]

Uit de radiotoespraak van een geleerde blijkt nog eens het gevaar : "Je propose un congrès mondial de savants, chargé de contrôler les recherches scientifiques du genre bombe atomique ou formule Hicks etc… Si nous n'obtenons pas ce contrôle notre civilisation est en danger! Peut-être les savants réussiront-ils là où les hommes d'état ont échoué!"[1553] Rip Kirby kan zich bij die gedachte trouwens heel goed vinden: "Ce n'est pas bête Muguette! Le science doit dépasser les frontières … et elle doit pouvoir contrôler l'activité de monstres tels que l'assommeur!"[1554]

Een oproep tot controle van gevaarlijke wapens dus. Uit het verhaal komt duidelijk naar voor dat staten (of andere organisaties) het zich absoluut niet kunnen permitteren om zonder nadenken de wreedste wapens te ontwikkelen. De wetenschappers kunnen beter samenwerken, anders zou de wereld wel eens serieus in gevaar kunnen verkeren.

 

18.2.4. Zes à zeven reeksen per dag

 

En op 28 april 1947 is het weer zover. La Lanterne verandert nog eens van formule, en de overname door La Meuse is daar niet vreemd aan. Het formaat wordt weer het grote krantenformaat, het aantal pagina's wordt teruggebracht tot 8 en het aantal strips stijgt van twee naar zes. Deze verschijnen allemaal samen op de laatste pagina onder de titel "Nos feuilletons dessinés". De nieuwkomers, allemaal uit de Opera Mundi-stal, zijn de vervolgverhalen "Fantôme"[1555] van Wilson McCoy en Popeye[1556] van Tom Sims en Bill Zaboly, en de gagstroken "Illico"[1557] van Geo McManus en Mickey[1558] van de Disney-studio's. Illico en Fantôme blijken vaste waarden te zijn en lopen eind 1950 nog door. Anders is het gesteld met Mickey, die als snel vervangen wordt door Professeur Nimbus[1559] van J. Darthel. Deze reeks is eind 1950 wel nog op post.

De titelheld van "Fantôme" is een onrechtbestrijder die zijn tijd verdeelt tussen de Bengaalse jungle en de bewoonde wereld. Samen met zijn paard Hero en zijn hond Satan neemt hij het op tegen allerlei vormen van misdaad en onrecht. Zo redt hij een kleine prinses dat het slachtoffer werd van een complot, rolt hij verschillende bendes op en wordt hij bokskampioen om met het gewonnen geld een vernield kinderziekenhuis herop te bouwen. En voor het sentimentele element zorgt zijn wispelturige relatie met de Amerikaanse Diane Palmer.

Over Popeye lijkt men ook niet zo tevreden, want na een jaartje wordt de reeks afgevoerd, zonder dat het verhaal echt ten einde is. En ook de opvolgers van Popeye zijn geen lang leven in La Lanterne beschoren.

Van maart tot juni 1947 zorgt "La petite Annie"[1560] van Darell McClure voor de aflossing. Annie is nog altijd op de vlucht voor haar voogd, Mme Pignet, die haar in een weeshuis wilt steken. Het oude vrouwtje gaat zelf op zoek naar Annie, omdat ze van de politie[1561] niets moet weten. Annie is trouwens nog altijd even sociaal ingesteld. Op een bepaald moment zingt ze tegenover haar hond Zéro het lof van de boeren: "Moi, je trouve, Zéro, qu'il faut admirer les fermiers! Il y a des gens qui disent que les fermiers ne sont pas malins. Ce n'est pas vrai! Ce sont des magiciens! Un magicien fait sortir un lapin d'un chapeau vide et tout le monde applaudit en s'écriant: "Quel tour merveilleux"! Mais quand un paysan jette de toutes petites semences dans ses champs vides et en rapporte des chariots pleins de choses à manger … Alors les gens n'applaudissent plus en disant: "Quel tour merveilleux"! Ils trouvent cela tout naturel!"[1562]

Na Annie volgen de gagstroken Myrtille[1563] van Fisher (juli – september 1947), Jeannie et Jeannot van Bill MacLean (september 1947 – april 1948) en Blondie[1564] van Chick Young elkaar op. Deze laatste zou het eind 1950 nog altijd uithouden. Twee afleveringen[1565] waren trouwens al vroeger gepubliceerd ter vervanging van andere reeksen.

Merkwaardig is de aankondiging van een nieuwe reeks, Donald Duck, in februari 1949, waar nooit iets van gekomen is.[1566]

En om dit deeltje te besluiten, moet nog gezegd worden dat van 28 april tot 12 november 1947 zelfs een zevende reeks gepubliceerd wordt, maar dan in een totaal andere stijl[1567]. Les mystères de Paris is een stripadaptatie "d'après le célèbre roman d'Eugène Sue". Auteur is Raymond Cazanave[1568], die het verhaal met onderteksten illustreert. De bewerking lijdt echter weer aan "resumitis": door overdreven samenvatting en het teveel aan nieuwe personages is het verhaal zeer moeilijk te volgen.

 

18.2.5. Veel is niet genoeg

 

Zes stripreeksen verschijnen er op het einde van 1950 dagelijks in La Lanterne, en blijkbaar volstaat dat nog niet. Op 12 oktober 1950 gaat een zevende reeks van start: Superman[1569]. Het "Agence Française de Presse" zorgt voor de levering van deze populaire Amerikaanse reeks. En de start gaat niet onopgemerkt voorbij: La Lanterne, die zelden aankondigingen plaatst, publiceert de eerste strook op de voorpagina, begeleid door de volgende tekst: "Héros des temps modernes   voici Superman   le super-feuilleton que s'arrache toute l'Amérique et que notre journal vous présente dès aujourd'hui en exclusivité."[1570]

In dit verhaal krijgen de journalisten Clark Kent (de burgerlijke identiteit van Superman) en Lois Lane de opdracht een artikel te schrijven over jeugdcriminaliteit. De bedoeling is de gemeenteraad onder druk te zetten om meer aandacht te besteden aan misdaadpreventie in plaats van aan repressie.

En net op hetzelfde moment komen twee verwaarloosde kinderen in de klauwen van een misdaadbende terecht, de ene komt uit een arm gezin, de andere is de zoon van gemeenteraadslid Gladstone. Tegen deze bende gaat Superman de strijd aan, en de betrapte kinderen stuurt hij naar een "foyer" / "community house", waar ze zich kunnen bezighouden (door bijvoorbeeld tekenlessen te volgen). Superman is zeer te spreken over het bestaan van die foyers, en zegt dan ook aan de directeur ervan dat zijn instelling zeer nuttig is voor de maatschappij. De directeur beaamt dat, maar: "Malheureusement nous serons peut-être obligés de le fermer. Le conseiller Gladstone demande à la municipalité de nous couper les vivres."[1571]

In het verdere verhaal wordt de zoon van Gladstone gegijzeld door de bendeleider, die eist dat alle jonge misdadigers van de stad vrijgelaten zouden worden. Daarbij raakt de jonge Gladstone gewond, maar door het optreden van Superman blijft de schade verder beperkt. De bendeleden worden door Superman onder bedreiging verplicht hun volledige bezit af te staan aan de bouw van "foyers".

En natuurlijk heeft vader Gladstone op het einde spijt van zijn houding: was hij maar een betere vader geweest. En ook zijn houding als gemeenteraadslid heeft hij herzien. "Oui – vous pensiez que la seule solution était de punir les jeunes délinquants. Mais ce sont les parents qui devraient être punis – pour négligence … Le pire des crimes!", pepert Superman hem nog eens in. Gladstone heeft de boodschap helemaal begrepen: "J'ai été bien puni, Superman. Je veux non seulement appuyer la motion en faveur des foyers et des stades, mais encore en proposer une pour éduquer les parents sur leurs responsabilités."[1572]

Dit verhaal is dus een echt pleidooi voor een meer preventieve aanpak van de jeugdcriminaliteit. De ouders hebben hun verantwoordelijkheid en mogen hun kinderen niet verwaarlozen, anders zou het wel eens verkeerd kunnen aflopen. En als het dan toch misloopt, is het veel nuttiger het probleem aan de basis aan te pakken dan repressief te gaan werken. Het is dus zeer belangrijk om zulke "community houses" tot stand te brengen en in stand te houden, zodat kinderen zich op een verantwoordelijke manier kunnen bezighouden en uit de klauwen van de misdaad blijven.

 

18.2.6. Ohé les jeunes

 

De zaterdagse jeugdpagina van La Lanterne, "Ohé les jeunes", gaat van start op 21 februari 1948. en publiceert in 1948-1949 enkele strips. Vanaf de eerste aflevering mag een zekere Freddy de spits afbijten met zijn "Le professeur Rama contre le professeur Krug". Wekelijks verschijnt één strook van deze humoristische ondertekststrip, waarin de professoren Rama en Krug het tegen elkaar opnemen. Krug blijkt de uitvinder te zijn van allerlei atomische uitvindingen[1573], en heeft daarmee geen al te zuivere bedoelingen: "Mon rêve est de dominer le monde, par la terreur, s'il le faut, voulez-vous m'aider Rama?"[1574] Natuurlijk weigert Rama, en de strijd wordt verdergezet op de maan, waar ze alle twee met een raket naartoe vliegen.  Krug wordt verslagen door Rama en de maanbewoners, waarna Rama als een held op aarde terugkeert en Krug de gevangenis invliegt.

In juli 1948 wordt dit verhaal opgevolgd door "Le chateau de Kenilworth", een bewerking van de roman van Walter Scott door een zekere Christoffersen[1575]. Tot eind december verschijnen wekelijks drie stroken met ondertekst.

Van januari tot december 1949 verschijnt dan Annik[1576] van de reeds vermelde Pat. O'Sheridan. In Annik vertelt hij de lotgevallen van een klein meisje, en dit door middel van een wekelijkse gagstrook met tekstballonnen.

 

18.3. Besluit

 

La Lanterne is niet alleen de eerste Belgische krant om na de oorlog strips op te nemen, ze is ook de krant die dagelijks de meeste strips publiceert. Er wordt ook alles aan gedaan om de strips in de krant te laten opvallen. De zes (of zeven) reeksen worden naast en onder elkaar op dezelfde pagina (meestal de laatste) geplaatst onder de titel "Nos feuilletons dessinés". Als de zeven reeksen onder elkaar geplaatst worden, nemen ze een oppervlakte in van 20 op 41 centimeter (één derde van een grote krantenpagina). Daar kan inderdaad moeilijk naast gekeken worden.

Auteurs worden, op enkele uitzonderingen na, nooit in de titels vermeld. Een handtekening zorgt meestal voor identificatie, en als die er niet is verschijnt de strook volledig anoniem. Aankondigingen zijn zeer schaars, en gaan maar zelden in op de identiteit van de auteurs.

Men kan gerust stellen dat de evolutie van de strips samenloopt met de algemene evolutie van de krant. Na een zeer vroege start zorgen allerlei problemen en formuleveranderingen voor sputteringen op stripgebied. Een stabiele situatie zou er maar komen in 1947, omwille van de overname door La Meuse. En vanaf dat moment zou een grote hoeveelheid stripreeksen een vast onderdeel worden van deze populaire kranten.

Wat de gepubliceerde strips betreft, valt een duidelijk overwicht te merken van Opera Mundi, en dus van Amerikaanse ballonstrips. Uitzonderingen hierop zijn een Franse ondertekststrip en enkele eigen producties, onder andere op de jeugdpagina.

Op politiek vlak zijn twee verhalen interessant. Superman pleit voor een preventieve aanpak van de jeugdcriminaliteit, en uit een verhaal van Rip Kirby blijkt duidelijk hoe gevaarlijk het wel kan zijn om te experimenteren met bacteriologische en andere niet-traditionele wapens.

 

19. Het Volk

 

19.1. Historiek en situering

 

Het Volk is in 1890 als weekblad van antisocialistische verenigingen ontstaan. Toen op het einde van de 19e eeuw de socialistische vakbonden en organisaties doorbraken, gingen de katholieken namelijk hun eigen "antisocialistische" organisaties oprichten. Op 21 juni 1891 werd Het Volk een dagblad, en drie jaar later werd een coöperatieve opgericht om het blad uit te geven. Een blad dat "moest fungeren als hefboom voor de ontwikkeling van de christen-democratie in Vlaanderen".

Na de Tweede Wereldoorlog is Het Volk er terug op 18 december 1944. Door de papierschaarste wel met beperkte omvang en een gebrekkige frequentie. Robert Reyntjens is directeur, terwijl de hoofdredactie vanaf 1944 in handen is van Elie Serruys, die in 1947 opgevolgd wordt door Karel Van Cauwelaert. Vanaf 1949 wordt Marcel de Ceuleneer technisch hoofdredacteur. De nieuwe naoorlogse formule slaat blijkbaar aan bij het publiek, want de krant kent een grote groei. De oplage stijgt van 30 000 in december 1944, over 90 000 in 1945 tot 147 000 in 1950. Nog te vermelden is dat vanaf februari 1949 van start wordt gegaan met de weekendbijlage Ons Zondagsblad.

De krant spreekt zich als christelijke Vlaamse krant uit tegen de "uitwassen van de repressie", en is de eerste die na de vernieling van de IJzertoren een intekenlijst op gang brengt. De krant kan eigenlijk beschreven worden als katholiek, democratisch en Vlaams.[1577]

Het Volk verschijnt zeven keer per week, met strips van maandag tot zaterdag. In de beginperiode telt de krant tussen de 8 en de 12 pagina's, een aantal dat in 1950 oploopt tot 12 à 16. En dit op een klein formaat van 30 op 47 cm.

 

19.2. De strips van Het Volk

 

De eerste strip in Het Volk is van de hand van Anne-Marie Prijs, en is een eenmalige gagstrook, die verschijnt op 1 januari 1946. "Gelukkig Nieuwjaar! Zander!" luidt de titel van deze ballonstrip.

Daarna is het een maand wachten tot 7 februari 1946, wanneer de gagstroken van Thomas Pips van start gaan. Deze reeks van Buth verschijnt tot  begin januari 1947, en wordt dan opgevolgd door "De Avonturen van M. Subito" van Bozz[1578], die zouden lopen tot november 1948.

Op 31 januari 1947 begint dan het eerste vervolgverhaal, geleverd door Opera Mundi: Tim Tyler van Lyman Young[1579]. Hoofdpersonage van deze ballonstrip is de jonge Tim Tyler, die samen met enkele andere personages (zijn vriend Spud, de volwassene Clint, de Indiaan Haviksoog), de strijd aangaat tegen de misdaad. Samen of alleen bestrijden ze de "Bende van de Zwarte Spin", rollen ze een valsemuntersbende op, lossen ze een ontvoering op, …

In het laatste verhaal gaan Tim en Spud een zekere Paul Clark vervoegen in Afrika om op ringaloes te jagen, waarvan de pels zeer kostbaar is. Maar natuurlijk verloopt dat allemaal niet van een leien dakje, zodat ze weer in allerlei avonturen terechtkomen. Bij de start van het weekblad Ons Zondagsblad op 26 februari 1949 verhuist Tim Tyler naar deze bijlage, zodat de strip uit de krant zelf verdwijnt.

Van maart tot mei 1947 verschijnt dagelijks de gagstrook "Lou en Liesje…". Auteur van deze Scandinavische[1580] reeks, waarvan de dialogen in ondertekst geplaatst worden, is een zekere Hall.

Enkele maanden na het einde van de eerste reeks, komt Thomas Pips terug. Deze keer voor vier vervolgverhalen op scenario van John Flanders. En na een korte interim van nieuwe gagstroken, worden weer eens twee vervolgverhalen afgeleverd, op teksten van jeugdschrijver Lod. Lavki.

Hierna zal deze reeks verder uitgewerkt worden, net als Bazielken van Rik en Tom Poes van Marten Toonder, die van respectievelijk van februari 1949 tot juni 1950 en van juli 1949 tot eind 1950 verschijnen. Zonder natuurlijk de komst van Marc Sleen en zijn Nero te vergeten. En om dit deeltje af te sluiten, moet nog de wekelijkse pagina Ons Kindervolkje vermeld worden, die ook verder uitgebreider zal besproken worden.

 

19.3. Thomas Pips

 

19.3.1. Buth, Flanders en Pips

 

Buth is met zijn Thomas Pips sterk aanwezig in Het Volk. Hij werd in 1919 als Leo Debuth geboren in Den Haag. Zijn vader, de kunstschilder Victor De Buth, en zijn moeder, waren omwille van de Eerste Wereldoorlog naar Nederland gevlucht. De jonge Leo volgde eerst twee jaar les aan de academie van Gent, waarna hij leerling werd van Frits Van den Berghe (1936-1939). Bij de dood van Van den Berghe nam Buth diens illustratiewerk voor Vooruit over.[1581] In deze krant zou Buth tot mei 1965 de illustraties bij de "Brieven van Pierken", van de hand van Richard Minne, blijven verzorgen.[1582]

Tijdens de Tweede Wereldoorlog zette hij zijn werk gewoon door, meestal ondertekend met "Leo". Zo publiceerde hij in Vooruit, Volk en Staat, Arbeid en Volk, De Nationaalsocialist, De Jonge Nationaalsocialist, Balming en Ons Rakkersblad. Daarin verscheen zowel "neutraal strip- en tekenwerk" als "zwaar geëngageerde propaganda" zoals anti-joodse en anti-geallieerde cartoons en propagandatekeningen voor het Oostfront. In 1947 zou hij daardoor trouwens veroordeeld[1583] worden, maar dat blijkt geen invloed gehad te hebben op zijn publicatie-activiteiten, die hij voortzette onder de naam "Buth".[1584]

Na de Oorlog kwam hij terecht bij de krant Het Volk, waar hij de reeks Thomas Pips opstartte, en ze tot allerlei varianten bewerkte. Daarnaast tekende hij voor Het Volk ook cartoons over de Ronde van Frankrijk en werkte hij onder andere mee aan het weekblad Taptoe, het katholieke kindermaandblad Tam Tam en de Averbode-publicatie Zonneland.[1585]

De eerste reeks van Thomas Pips (februari 1946 – januari 1947), bestaat uit gagstroken die de lotgevallen vertellen van Papa Pips, zijn vrouw en zijn twee kinderen. Een brave humoristische familiestrip dus. Daar komt met de tweede reeks verandering in. Buth trekt John Flanders aan om de scenario's te schrijven van vervolgverhalen met Pips in de hoofdrol. En Flanders doet de reeks evolueren naar het detectivegenre, met soms vrij gewelddadige, gruwelijke en bloedige verhaallijnen. De inbreng van Flanders blijkt alleszins vrij groot en dirigistisch geweest te zijn. Voor hem was de tekenaar de uitvoerder van zijn richtlijnen, terwijl Buth zijn eigen rol als tekenaar toch wat uitgebreider zag dan het strikt opvolgen van de orders van zijn scenarist.[1586] Deze verschillen in visie hebben waarschijnlijk voor het einde van de samenwerking tussen de twee gezorgd.

Ondanks die grote invloed wordt de naam van Flanders bij de publicatie niet vermeld. Hij blijft discreet op de achtergrond, hoewel zijn naambekendheid had kunnen bijdragen tot het succes van de reeks. John Flanders is één van de pseudoniemen van Raymond De Kremer, die op 8 juli 1887 in Gent geboren werd als de zoon van een spoorwegbediende en een onderwijzeres. Na zijn studies in het staatsonderwijs, begon hij vanaf 1904 te publiceren. Het werd al snel een grote productie van gedichten, novellen, revues, artikels, … Vanaf 1913 dook zijn eerste pseudoniem Jean Ray op, er zouden een honderdtal schuilnamen volgen. Als gevolg van een schandaal en een gevangenisstraf nam hij het pseudoniem John Flanders aan en zette hij in de jaren 1930 zijn publicatiedrift voort. Hij publiceerde in La Revue Belge, Ons Land, De Dag, schreef de verhalenreeks Harry Dickson, publiceerde Vlaamse Filmpjes bij Averbode, en schreef onder een ganse hoop pseudoniemen het Vlaamse stripblad Bravo vol. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij actief bij de krant De Dag en publiceerde hij enkele boeken. En na de oorlog vloog de toen al 60-jarige schrijver er weer in: zijn pennenvruchten werden gepubliceerd in een hoop jeugdbladen (Tintin, Kuifje, Ons Volkske, Junior, 't Kapoentje, …), andere weekbladen (Ons Volk, Overal, Ons Zondagsblad, …) en de kranten Het Volk en De Nieuwe Gids.[1587]

 

19.3.2. De Flanders-verhalen : vliegende schotels en Mysteras

 

"Het geheim van de vliegende schotels"[1588] begint als Gent op een nacht verrast wordt verrast door "vurige schijven" in de lucht. De kerk en de toren van het belfort worden geraakt, de bevolking slaat in paniek en begint te vluchten. Ondertussen krijgt de redactie van Het Volk een brief, waarin de "man der vliegende schotels" vijftig miljoen eist, zoniet zou Gent vernield worden.

Brigadier Snoek, detective Pips en landloper Sijs onderzoeken de zaak, maar zonder veel resultaat. Het wordt alleen maar erger: Brugge, Ieper, de kust, Antwerpen, Brussel, Leuven, Tongeren krijgen met aanvallen te maken: standbeelden worden vernield, torens worden getroffen, schepen vergaan, … De bevolking roept de hulp van brigadier Snoek in, en zelfs de eerste minister doet een beroep op de diensten van deze wetsdienaar, die als leuze "Aan Vlaanderen wordt niet geraakt zolang Brigadier Snoek er waakt"[1589]  heeft. Maar een zekere Professor De Kneukel probeert op meetings de bevolking tegen brigadier Snoek op te zetten, wat ook gedeeltelijk lukt.

De vliegende schotels blijken het werk te zijn van een oude Engelse geleerde, "de man van de atomische kracht". Een mysterieuze bende ging er met zijn uitvinding vandoor. Maar de professor heeft nog ergens een schotel staan. Daarmee gaan hij en Pips achter de bende aan. Een bende die ondertussen ook "schotel nr. 1", gewapend met "vreselijke toestellen", in handen gekregen heeft. Daarmee vliegt de schoteldief, gehuld in zwarte kleding en met een zwarte kap over zijn hoofd, de Atlantische Oceaan over, naar Amerika. Tijdens de overtocht brengt hij enkele schepen tot zinken, en hij heeft blijkbaar grote plannen: "Ha! Ha! Amerika! Het land der dollars! Met U wil ik afrekenen!"[1590]

En inderdaad, Amerika krijgt af te rekenen met een schotelplaag: gebouwen vliegen in brand, bruggen ontploffen. En de gemaskerde weet blijkbaar van geen ophouden: "Mijn masker laat ik niet af alvorens ik de wereld onder de knie heb."[1591] Maar uiteindelijk slagen Pips en co er toch in de geheimzinnige te pakken te krijgen, het blijkt niemand minder dan Professor De Kneukel te zijn.

De wereld is dus gered, Bigstone, Pips, Sijs en Snoek worden in triomf door de straten gedragen. Snoek krijgt zelfs de titel van "ere vice-admiraal der Amerikaanse luchtvloot" van de Amerikaanse president. En "met Prof. De Kneukel werd op Amerikaanse manier afgerekend": hij belandt op de elektrische stoel.

Of tenminste: hij had op de elektrische stoel moeten belanden. Want in het volgende verhaal[1592] ontsnapt geschifte professor. Gangsters van de "infra-rode bende" bevrijden hem uit de gevangenis van Sing-Sing. De Amerikaanse vice-president geeft opdracht om brigadier Snoek terug in te schakelen, maar ook de brave politieman valt in handen van de bende.

Ondertussen onderzoeken Pips en Sijs in België de diefstal van de "dathosfeer", een uitvinding van Professor Piekboord, die gestolen werd in opdracht van een zekere Mysterias. Ze nemen de plaats in van twee bendeleden en proberen de zaak te saboteren. Samen slagen Pips, Sijs en Snoek erin de bende op te rollen én een belangrijk document van de Amerikaanse marine te redden. Nadat Snoek nog eens gehuldigd is, keren ze terug naar België.

In de twee volgende verhalen, "Het kasteel der schaduwen"[1593] en "In de greep van Mysteras"[1594], gaat de strijd tegen Myster(i)as voort. De verhalen zijn echte thrillers, waarin allerlei magische en fantastische elementen aan bod komen.

 

Veel politieke elementen komen aan deze Flanders-verhalen niet te pas. Behalve dan het feit dat één of andere gek door het misbruiken van atoomkracht wilt afrekenen met Amerika en de wereld wilt veroveren. Alleszins ontpoppen de Vlaamse personages zich niet alleen tot bestrijders van de misdaad, maar ook tot de redders van Amerika, iets waarvoor ze terecht gehuldigd worden.

Verder is "duizend atoombommen"[1595] één van de uitroepen van Snoek en wordt er verwezen naar de belastingen[1596].

 

19.3.3. Terwijl Pips naar de ronde is …

 

Na de Flanders-verhalen verschijnt Pips weer onder de vorm van gagstroken. "Terwijl Pips naar de ronde is …"[1597] vertelt de lotgevallen van de familie Pips en de buren, de familie Laloo, terwijl de familievaders, Thomas Pips en, Lowie Laloo het tegen elkaar opnemen in de Ronde van Frankrijk. Een Ronde die uiteindelijk door Thomas Pips gewonnen wordt. Tegelijkertijd tekent Buth ook Pips-illustraties bij de sportartikels.

 

19.3.4. De inbreng van Lod. Lavki

 

Op 16 november 1949 start weer een vervolgverhaal van Thomas Pips, deze keer met jeugdschrijver Lod. Lavki als coauteur. Lod. Lavki is het pseudoniem van Ludovic Van Winkel. Deze werd geboren op 10 januari 1893 in de Limburgse gemeente Heks als zoon van christelijke ouders. Na eerst aan het OLV-college van Tongeren gestudeerd te hebben, trok hij naar de kleinseminaries van St. Roch en St. Truiden; hij werd dus priester. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij brancardier, en ontstond trouwens ook zijn pseudoniem Lavki (Russische vertaling van Van Winkel). In 1920 begon hij les in Germaanse talen te geven aan het St.-Jozefscollege van Hasselt. Een jaar later werd hij tot priester gewijd en nog eens twee jaar later werd hij aalmoezenier van een scoutsgroep[1598]. Ondertussen begon hij ook te schrijven: zijn eerste werk "Zes weken Rus" verscheen in 1919, zijn eerste jeugdboek "Kleine Koning" in 1923. Dit betekende het begin van een ganse reeks (een vijftigtal) succesrijke jeugdboeken, waarin de scoutswereld en Limburg een belangrijke rol spelen. Zoals men kan verwachten, hebben zijn verhalen een zekere religieuze en moraliserende inhoud. Hij zou zich ook met "tekenverhalen"[1599] beziggehouden hebben, maar dit wordt verder niet gepreciseerd. Lavki kon als schrijver alleszins op veel bijval rekenen: in 1939 kreeg hij de "Prijs der Vlaamse Provinciën voor het beste kinderboek" en Louis Sourie omschrijft hem simpelweg als "onze beste schrijver voor de jeugd".[1600]

 

De inbreng van Lavki wordt in de aankondigingen op het verhaal, waarvan er hiernaast één weergeven wordt,  serieus uitgespeeld. Het lijkt wel of de krant haar lezers de toestemming geeft om hun kinderen de strip te laten lezen. Lavki wordt namelijk geprezen om zijn "verbazende kennis van het kindergemoed", en ook zijn kinderboeken worden erbijgehaald: "Zijn prachtige kinderboeken behoren tot het beste dat men onze jongens en meisjes kan aanbieden."[1601] Zijn strip kan dan ook moeilijk slecht zijn. Verder wordt nog de "scherpe pen" van de "kunstenaar" Buth geprezen en meegedeeld dat het verhaal speciaal voor Het Volk gemaakt werd.

Deze twee Pips-verhalen op scenario van Lavki zijn vormelijk redelijk speciaal, in die zin dat ze onderteksten combineren met het gebruik van tekstballonnen. In de eerste stroken staat alles in ondertekst, maar geleidelijk (vanaf strook 26) gaan tekstballonnen gebruikt worden voor uitroepen, geblaf, en dergelijke. En vanaf strook 35 komen korte dialogen in ballonvorm in de tekeningen te staan. Deze zijn overgenomen (al dan niet verkort) uit de ondertekst, zodat men zich eigenlijk kan afvragen wat het nut is van zo'n aanpak. Leest men zowel de ondertekst als de ballonnen, dan leest men bepaalde dialogen twee keer. En alleen de ballonnen lezen is zeker niet aangewezen, omdat niet alles op deze manier vermeld wordt. Een hypothese is dat Lavki zich als schrijver niet goed kon vinden in het gebruik van tekstballonnen. Buth zou dan begonnen zijn de onderteksten van Lavki te illustreren, maar kon het na verloop van tijd blijkbaar niet laten toch ballonnen te gebruiken. Vandaar dan deze mengvorm.

Ook op vlak van de inhoud is de invloed van Lavki zeer goed merkbaar. In zijn verhalen wordt Thomas Pips terug de "brave" huisvader uit de gagstroken, die samen met zijn gezin, en dan vooral zijn zoontje Flipke, allerlei avonturen beleeft. Ook ontpoppen de personages zich tot goede katholieken. De schrijver kan het niet laten zijn personages naar de mis[1602] te laten gaan, te laten bidden[1603], een "kruiske"[1604] te laten maken en "Onze Lieve Heer" of God te doen aanroepen[1605]. Er wordt zelfs een kapelaan geroepen om een vliegende ketel te zegenen: "… mama brengt een potje wijwater en een palmtakje en de inzegening gebeurt terwijl de familie Pips vroom toekijkt en bidt."[1606] De mis wordt trouwens ook als tijdsaanduiding gebruikt.[1607]

 

19.3.5. Het wondere wapen van Thomas Pips[1608]

 

Terwijl hij zit te spelen met magneten en een stuk ijzerdraad ontdekt Flipke Pips dat hij er mensen mee kan doen flauwvallen. Papa Pips vindt het blijkbaar plezant en experimenteert verder met zijn zoon. Samen ontdekken ze hoe ze tot het gewenste resultaat kunnen komen. Maar de mama kan blijkbaar haar mond niet goed houden, want de volgende dag staat het nieuws al in de krant.

Vanaf dat moment begint het verhaal pas goed te lopen, met het verschijnen van allerlei buitenlandse spionnen. Want als Flipke de volgende dag naar de mis gaat, wordt hij aangesproken door een man die het toestel voor 1000 frank wilt kopen: Flipke weigert. Maar ondertussen krijgt het hotel "In 't Vliegend Zwaard" bezoek: vier mannen die een vreemde taal spreken vragen een "privaat salon" aan waar ze niet zouden gestoord worden. Enkele valse politieagenten brengen er even later Flipke naartoe. Als hij niet bereid blijkt te zijn op de vragen van deze heren te antwoorden, krijgt hij het volgende te horen: "Luister, jongen, wij zijn agenten van een vreemd land, geheime agenten, zoals ge wel kunt denken, en wij zijn vastbesloten uw geheim te krijgen. Nu willen we het nog doen met een minnelijke schikking, maar als het nodig is zullen we u op de pijnbank leggen, ja, we zullen u en gans uw familie doden, uw huis afbreken om te vinden wat ge verbergt."[1609] De mannen bieden nog 100.000 frank aan, maar Flipke kan vluchten.

Als er geld mee gemoeid is, is blijkbaar niemand te vertrouwen, want Lowie Laloo, buurman van de Pipsen, probeert het wapen te stelen om het aan de geheime agenten te verkopen. Die geheime agenten komen voorlopig alleen van een niet nader gepreciseerd "vreemd land", maar verder in het verhaal komen er nieuwe aanwijzingen.

De volgende dag komen "politie-agenten uit Brussel" namelijk Flipke afhalen. Papa Pips ruikt echter onraad, en maar goed ook. Flipke wordt door de zogezegde agenten naar Melsbroek gevoerd: "Er stond een vliegtuig vertrekkensgereed; men was bezig het te laden, het was een buitenlands vliegtuig dat vreemde lettertekens droeg."[1610] Vreemde lettertekens die erg op cyrillisch schrift lijken. Maar Thomas Pips slaagt erin zijn zoon te redden. Het Oostblok is dus duidelijk de vijand: een vijand die tot alles in staat blijkt om het "wondere wapen" te bemachtigen: zelfs tot dreiging met moord en ontvoering.

Door wie mag het wapen dan wel gebruikt worden? Thomas Pips wilt het alleszins aanbieden aan de Benelux: "Ja, Benelux. We moeten iemand vinden die ons dat geheim wilt afkopen voor het grote leger van het Westen."[1611]

Voor de volgende dag wordt een afspraak bij de minister geregeld : "Thomas Pips en Flipke waren een beetje verbouwereerd als ze in het prachtige salon van het ministerie binnenstapten. De minister was niet alleen: rondom de tafel zaten verschillende hoge officieren, die hen een beetje uit de hoogte bekeken."[1612]

Er wordt een demonstratie gegeven en er wordt onderhandeld over de verkoopprijs. Pips vraagt en krijgt een jaargeld van 100 000 frank voor zijn Flipke, zodat hij zijn onderzoek kan verderzetten. De minister stemt toe en besluit: "Ik ben er ook van overtuigd dat Zijne Majesteit de Koning er ook aan zal houden u beiden een decoratie toe te kennen. U bewijst het land een ontzaglijke dienst."[1613]

De aanwezige generaals overleggen nog even in het Frans, en er wordt besloten om onmiddellijk met de productie van 60 000 toestellen te starten. Thuis kunnen de Pipsen ook nog vertellen "dat ze door de Koning zelf ontvangen werden, die hun het Groot Kruis voor Nationale Verdienste op de borst had gespeld. Daarbij kregen ze allebei de ererang van officier en zouden de hoofdingenieurs zijn voor de fabricatie van de nieuwe wapens voor landsverdediging."[1614]

De Pipsen staan zelf in voor de productie van de toestellen en mogen de manoeuvers bijwonen waarop de wapens zullen getest worden. Het effect blijft niet uit: het aanvallend leger valt flauw. Een generaal merkt op: "Indien onze Koning wil, zijn we binnen het jaar meester van de ganse wereld." Maar Papa Pips is vredelievender ingesteld en vindt: "wij moeten ons verdedigen en niemand aanvallen."[1615]

Ook mama Pips ziet het belang van de uitvinding in: "Indien uw uitvinding, jongen, het leven kan besparen van enige duizenden soldaten, die anders door machinegeweren en kanonnen weggemaaid worden, dan zal ik fier zijn uw moeder genoemd te worden."[1616]

Enkele merkwaardigheden moeten hier vermeld worden. Pips wilt het wapen aanbieden aan Benelux, terwijl deze organisatie geen militair doel heeft. Waarschijnlijk zit de toegenomen aandacht voor Benelux door het afsluiten van de zogenaamde "Voor-Unie" in 1949 hier voor iets tussen. Even later blijkt trouwens dat hij het allemaal wat breder ziet: het wapen moet dienen voor het "grote leger van het Westen". Enkele maanden voordien werd het Pact van Brussel getekend, de voorloper van de NAVO, waarmee een basis gelegd werd voor militaire samenwerking in West-Europa. En Pips ziet zijn uitvinding wel in het kader van een westers leger, maar dan alleen defensief. Het wapen mag in geen geval gebruikt worden om macht te verwerven, het is er alleen om zich te verdedigen en bij een oorlog mensenlevens te sparen. Antimilitarist Lavki is hier duidelijk aan het woord.

Een tweede merkwaardigheid gaat over de Koningskwestie. Hoewel het verhaal gepubliceerd wordt terwijl Leopold nog altijd in Zwitserland zit, is er in het verhaal sprake van "de Koning". Thomas en Flipke Pips worden er zelfs door ontvangen, maar dan wel buiten beeld. Dit kan wijzen op het feit dat de auteurs Leopold als het enige echte staatshoofd blijven beschouwen, en dat ze de rol van Regent Karel niet erkennen. En tenslotte wijst het feit dat de generaals even in het Frans moeten overleggen erop, dat besturen en beslissen in België nog altijd in het Frans gebeurt.

 

Het is echter nog niet afgelopen met de spionnen. Het gewone leven herneemt zijn stille gangetje, maar: "Toch waren er mensen die in Flipke belang bleven stellen. Er kwamen nog altijd zonderlinge heren in de stad, op wiens gezicht men onmiddellijk "vreemd" kon lezen. Sommigen van die vreemden kwamen zelfs in het stadje wonen en in sommige kosthuizen waar vroeger één vreemde mijningenieur verbleef, woonden er nu wel drie of vier."[1617]

Maar het "gevaar" zou van elders komen: Flipke raakt bevriend met een klasgenoot van Poolse afkomst, Jan Restyza. Deze zoon van een Poolse mijningenieur komt regelmatig bij Flipke spelen en "Hij had Flipke wel eens willen uitvragen maar dat pakte niet."[1618] Uitstel is nog geen afstel, op een moment dat Flipke even afwezig is, steelt Restyza de formule van de toestellen, maar Mieke Pips heeft het gezien.

Papa en Flipke Pips trekken naar het huis van de Restyza's, maar Jan loochent alles. Als dan nog blijkt dat Vader Restyza verdwenen is, schakelt Pips de politie in: "… de telefoon en de telegraaf verkondigen dadelijk over het ganse land dat een belangrijk geheim gestolen was. Soldaten, spionnen en doeaniers zetten de grenzen af …"[1619]

De volgende dag dringt Flipke binnen bij de Restyza's om zijn uitvinding terug te eisen. Hij heeft zichzelf beschermd met een wand in mika, aangezien hij ontdekt heeft dat die de straling tegenhoudt. Maar ook Jan Restyza heeft een middel ontdekt dat de straling neutraliseert: stijfsel.

Flipke komt echter te laat: "Ge kunt toch wel denken dat op dit ogenblik de hele boel in veiligheid is, wel tien keer afgeschreven en dat wij zoveel machientjes kunnen maken als wij willen."[1620] En als Flipke hem vraagt voor wie hij spioneert, antwoordt hij doodgewoon: "Ik ben geen spion, Flipke, maar een contraspion … Vader is Amerikaan en ik ook. We staan echter opgeschreven als Polen, om de Poolse uitwijkelingen in het oog te houden. We zijn van Poolse afkomst en kennen daardoor de taal, maar we zijn echte Amerikanen, dat verzeker ik u. Dat is echter een echt geheim en dat moogt ge niemand zeggen …"[1621]

En alles komt blijkbaar in orde, want "Op dat ogenblik kwam Thomas Pips binnen met de vader van Jan, als de twee beste vrienden van de wereld. "Bondgenoten?" vroeg vader Restyza. Flipke en Jan knikten. "Bondgenoten," zeiden ze lachend."[1622]

Thomas Pips heeft het laatste woord: "Ik ben bang dat onze uitvinding niet veel zal uithalen en dat ze integendeel, gelijk alle oorlogsuitvindingen, de boel maar een beetje meer ingewikkeld zal maken. Toekomende oorlog zullen de arme soldaten zich twee of drie keer per dag helemaal met stijfsel moeten insmeren en voor de rest blijft alles 't zelfde …"[1623]

En daarmee is dit verhaal ten einde. De Koude Oorlogssfeer en de blokvorming zijn duidelijk aanwezig. Pips en de ordediensten zijn in alle staten als blijkt dat Polen er met de uitvinding vandoor zijn. Als echter blijkt dat het om Amerikaanse contraspionnen gaat, is alles meteen in orde. Pips vindt het dus blijkbaar niet erg dat zijn uitvinding gestolen wordt, als het maar door de Amerikanen gebeurt is.  De Pipsen en de Restyza's worden dan ook bondgenoten, net als België en de VS enkele dagen later door het ondertekenen van het Navo-verdrag.

 

Tot slot moet nog een speciale scène uit het verhaal vermeld worden. Op een nacht overnachten Papa en zoon Pips in een bos, als ze gewekt worden door enkele naderende mannen. De nachtelijke bezoekers hebben het op het geld van Pips gemunt, maar het wapen brengt hen tot andere gedachten: ze worden ineens veel vriendelijker en beginnen te vertellen "dat ze op weg waren om een "zwarte collaborateur" te straffen: ze zouden bij hem inbreken en alles roven wat de moeite waard was. De man was wel vrijgesproken door het gerecht, maar daarmee waren zij niet akkoord enz."[1624] "Pips en Flipke gingen natuurlijk mee, "voor 't vaderland", zei Pips en nam even zijn hoed af."[1625] Maar aan het huis van de "collaborateur" aangekomen, leggen ze de bende neer. De collaborateurjagers (die trouwens gewapend blijken te zijn met revolvers en grote messen) worden vastgebonden en de bewoners gewaarschuwd. De volgende dag herkent de bewoner de leider van de bende: "zijn aartsvijand, een valse weerstander, die al menig huis en menige hoeve geplunderd had."[1626]

Deze scène is een duidelijke kritiek van de auteurs op zulke mensen die van de omstandigheden misbruik maken om op strafexpeditie te gaan of te gaan plunderen. Sommige mensen gaan duidelijk te ver in hun interpretatie van de repressie. Misschien is het feit dat tekenaar Buth zelf veroordeeld werd voor collaboratie daar niet vreemd aan.

 

19.3.6. De nieuwe ontdekking van Thomas Pips[1627]

 

Hierin experimenteert Flipke verder met zijn magneten, zodat hij een ketel van de grond krijgt door de zwaartekracht uit te schakelen. Maar bij een experiment stijgt de ketel op en verliest Flipke de controle over het ding. Op straat ontstaat een enorme paniek, de mensen denken dat het een "vliegende bom" is en vluchten "juist zoals in oorlogstijd" de stad uit. En even later pikt de radio het nieuws op. Het hele land verkeert in onrust, maar de Pipsen worden niet verdacht, ze krijgen alleen even de politie over de vloer om te kijken of alles in orde is "want met al die wegge mensen, kan er veel gestolen worden."[1628] Uiteindelijk wordt de ketel door de Engelse oorlogsvloot boven het kanaal neergehaald.

"De volgende morgen gaven de dagbladen voorzichtige berichten over een Oosters land, dat op dat ogenblik grote legermanoeuvers hield. Ze konden, maar wilden dat land niet noemen. Het was misschien mogelijk dat het kon zijn dat misschien dat land in verband kon gebracht worden met de zo gevaarlijke bom die West-Europa gedurende een ganse nacht in spanning had gehouden."

In alle stilte werken Flipke en Papa Pips aan de verbetering van hun uitvinding. Het stil houden is zeer belangrijk, want "als men ons ontdekt moeten wij zeker voor 't internationaal gerechtshof van Den Haag verschijnen."[1629] En om de nieuwe vliegende ketel niet meer te laten doorgaan voor een bom, besluiten ze een mast met de Belgische vlag in het midden te planten, en aan de rand van de ketel ballonnen in de "Belgische kleuren" te hangen. Na een testvlucht besluiten de Pipsen de ketel te gebruiken om vier vastgeraakte Franse alpinisten te gaan redden. Ze worden toegejuicht door de bevolking, maar de politie denkt er anders over, zodat ze moeten vluchten. En door manoeuvers om achtervolgende vliegtuigen te ontwijken, raken ze de weg kwijt. Ze landen uiteindelijk op een schip in volle zee. Daar maken ze kennis met de Vlaamse Professor Degraef, die zeer geïnteresseerd is (hij noemt het de grootste uitvinding van de hele mensengeschiedenis) in de uitvinding en voorstelt er een ruimtereis mee te maken.

Samen met Professor Degraef wordt dan een magnetische raket gebouwd, waarmee het drietal naar Venus vliegt. Ze ontdekken daar vreemde dieren op een leefbare planeet, maar keren terug naar de aarde omdat de Ronde van Frankrijk gaat beginnen. Flipke krijgt het slotwoord over Venus: "Ik denk dat O.L.Heer daar een nieuwe wereld aan het voorbereiden is voor 't geval er hier te veel mensen komen of voor 't geval dat de onze versleten is."[1630]

 

In dit verhaal wordt verwezen naar de oorlog en naar de dreiging die uitgaat van Oosterse landen. Een vliegende ketel veroorzaakt een enorme volksvlucht, de Engelse vloot wordt ingezet om het ding neer te halen, en de kranten verdenken (zij het met de grootste voorzichtigheid) een Oosters land. En de politie moet een oogje in het zeil houden opdat plunderaars de volksvlucht niet zouden misbruiken.

En ook het Belgisch patriottisme is nooit ver weg, met de vliegende ketel die versierd wordt met de nationale driekleur. En bij de bevrijding van de Franse Alpinisten, maakt Pips duidelijk dat zoiets "une bagatelle pour des belges" is, waarop de Fransen ineens "Vive la Belgique" beginnen te roepen.[1631]

Tot besluit van deze Lavki-verhalen kan men zeggen dat de auteurs erin slagen de Koude Oorlog en andere elementen in hun verhalen te verwerken, terwijl de verhalen heel braaf (en soms zelfs moraliserend) blijven en religieuze elementen bevatten. Ook belangrijk is dat elke keer wetenschappelijke ontdekkingen aan de basis van de verhalen liggen.

 

19.4. Bazielken

 

19.4.1. Rik Clément

 

Rik, of Henri Clément werd op 24 december 1920 geboren in Sint-Amandsberg. Hij volgde lessen aan de Academie voor Schone Kunsten van Gent en haalde in 1945 een licentiaatsdiploma Kunstgeschiedenis en oudheidkunde aan de RUG. Hij ging op zoek naar werk en kwam in de journalistiek terecht, eerst bij het weekblad Taptoe (uitgegeven door Het Volk), later bij de krant Het Volk en haar bijlage Ons Zondagsblad. Bij Het Volk hield hij zich bezig met het schrijven van artikels (hij specialiseerde zich in kunstkritiek), illustraties en lay-outwerk. In 1949 werd hij hoofdredacteur van Ons Zondagsblad.

In zijn vrije tijd begon hij zich ook nog bezig te houden met het tekenen van stripverhalen. Bazielken werd op die manier geboren en kwam in 1949 in Het Volk terecht. Aangezien hij deze verhalen eigenlijk na zijn uren tekende, moest het vrij snel gaan, of zoals hij eens zelf verklaarde: "strips tekenen doe ik tussen de soep en de petatten."[1632] Dit stond blijkbaar het afleveren van een goede strip niet in de weg.[1633]

In een interview verklaarde hij eens over Bazielken: "Als mijn geheugen me niet in de steek laat, tekende ik drie episodes, "Het levenselixir", "Bazielken in Amerika" en "De held van Mato Grosso" en hield het dan voor bekeken. Het waren de avonturen van een Vlaams jongetje dat wellicht herinnert aan de figuren uit Nederlandse jongensboeken als "Pietje Bel". Het is duidelijk dat ik naar Hergé had gekeken en zijn lijntjestechniek navolgde."[1634]

 

19.4.2. Een jongen uit Semmerzake

 

Van 21 februari 1949 tot 30 juni 1950 verschijnen vier verhalen van Bazielken in Het Volk. Alleen het laatste verhaal is alleen van de hand van Rik, voor de eerste drie verhalen werden de scenario's geschreven door Pol Ingier. Net als bij Buth en Lod. Lavki, worden de twee auteurs in de titel vermeld.

Bazilius Pletskens, meestal Bazielken genoemd, is een doodgewone jongen uit het Oost-Vlaamse dorp Semmerzake. Doodgewoon, op het eerste zicht, want deze kleine avonturier slaagt er telkens weer in om in de meest onmogelijke situaties terecht te komen en zich er ook uit te redden. In zijn avonturen wordt hij onder andere bijgestaan door de Amerikaanse detective O'Bros, en een hoop andere nevenpersonages. Hierna zullen de vier verhalen apart besproken worden, waarna enkele algemenere elementen zullen behandeld worden.

 

19.4.3. Bazielken in Amerika[1635]

 

De sfeer van het verhaal wordt al gezet bij de publicatie van de aankondiging: "Bazielken in Amerika. Vlaams jongetje beleeft daverende avonturen. Ons nieuw tekenverhaal. Bazielken, het leuke jongetje uit Semmerzake, dat sinds een paar dagen zijn intrede in ons blad deed, zullen we van volgende week af dag aan dag kunnen volgen op zijn avontuurlijke reis in Amerika. Samen met zijn hondje Mops beleeft hij honderd en één daverende avonturen in het land van atoom-energie, gangsters, detectives, bokskampioenen, filmstars, kauwgom, rugby, oliekoningen, wolkenkrabbers en straalvliegtuigen. "Bazielken in Amerika" dat van morgen af verschijnt is een geestige parodie op".[1636]

Inderdaad, in het verhaal wordt een zeer stereotiep beeld van de Verenigde Staten opgehangen en wordt er met allerlei (vermeende) eigenschappen van de Amerikanen gelachen.

Maar eerst komen de Oost-Westverhoudingen aan bod. Terwijl hij aan boord van een klein vliegtuigje naar New York vliegt, valt Bazielken uit het toestel. Door zijn paraplu als parachute te gebruiken (en later als bootje) landt hij veilig op de oceaan en komt hij er heelhuis vanaf. Voorlopig, want Bazielken heeft het idee om aan de steel van zijn paraplu een vlag te hangen met het opschrift "Westerse Unie Semmerzake"[1637]. Zo hoopt hij een schip te lokken dat hij in de verte ziet. Het schip nadert inderdaad, maar blijkt de Westerse Unie niet zo genegen te zijn. De kapitein roept het uit: "Sapperlotsky! Westerse Unie! Hijs het paviljoen … Kanonnen klaar … motoren stilleggen!![1638] Soldaten verlaten het zwaar bewapende schip en begeven zich in bootjes naar de paraplu en Bazielken. Onder bedreiging doen het "Westers misbakselowitch"[1639] overstappen en brengen hem naar het schip.

Maar de Russische kapitein had zonder de paraplu van Bazielken gerekend. De jongen richt het regenscherm op de kapitein, waarop deze uitroept: "Verdertig! Het geheim wapen van Benelux!"[1640] Bazielken bindt de kapitein vast met "Vlaamse varkenssauciskes" die hij meehad en wordt even later door het vliegtuigje terug opgepikt.

Van waar komt dat schip nu? De manier waarop ze spreken lijkt te verwijzen naar Russisch, trouwens ook hun manier van vloeken[1641]. Aangezien ze Bazielken een Westers misbaksel noemen en iets tegen de Westerse Unie hebben, moeten het Oosterse volkeren zijn. Onder de soldaten naast blanke types ook spleetogen-types aanwezig. Het schip zou dus kunnen bestaan uit een gemengde Russisch-Chinese bemanning, de "Oosterse Unie"? Hun paviljoen maakt de lezer niet veel wijzer: het bestaat uit twee witte gekruiste zwaarden op een zwarte achtergrond. Een vijandige houding van deze Oosterlingen blijkt alleszins.

De vermelding van instellingen als de Benelux en de Westerse Unie gebeurt dus duidelijk op een humoristische manier, de instellingen zelf komen er totaal niet aan te pas. Wel zal het een komisch effect gehad hebben, aangezien ze toen sterk in het nieuws waren. Verder in het verhaal wordt trouwens ook het Atlantisch Pact vermeld, 17 dagen na het ondertekenen van het NAVO-verdrag.

 

Maar het verhaal gaat door. Uiteindelijk komt Bazielken dan toch in New York aan, en de stad wordt voorgesteld door een hele hoop wolkenkrabbers, een beeld dat aan de "jongen uit Semmerzake" de volgende opmerking ontlokt: "Lieve deugd! Wat een kolossale hoop boerentorens!!"[1642] Als Bazielken op het vliegveld door een fanfare, bloemen en toespraken verwelkomd wordt (eigenlijk een vergissing, het ontvangstcomité was voorzien voor een prins), zegt hij: "Jongens, 'k geloof dat we hier bij raar volk verzeild zijn …"[1643]

Hij krijgt met zijn "saucissen" ook nog last aan de douane, want "Hier eten we alleen vlees in dozen."[1644] En ons Bazielken wordt trouwens ook het slachtoffer van een experiment met elastische schoenzolen. Geschifte Amerikaanse reclamejongens gooien hem ermee van de 86 verdiepingen van het Empire State Building. En de Amerikaanse agenten die Bazielken door zijn zolen altijd terug naar boven zien springen, zien geen andere oplossing dan hem neerschieten : "Treurig geval, Joe, laten we hem uit zijn lijden helpen …", "Yes, we zullen hem moeten afmaken …", "Hello Joe, couragie, 't is weer een Marshall-lander minder …"[1645] Het Marshallplan kost hen blijkbaar iets te veel …

In het eerste deel van het verhaal in Amerika wordt Bazielken ook nog achtervolgd omdat twee oudjes, Mary en Suzy, beweren dat hij hen aangerand heeft. En Amerikanen blijken nogal opvliegend te zijn: gans een bende komt op hem afgestormd al roepend "We gaan hem lynchen! Slaat hem dood! Kom hier als ge durft! Dood!!"[1646] Maar Bazielken is hen te vlug af: "Hij is verdwenen!", "We moeten hem vinden", "Waar is hij?", "Watte! Meisjes belagen langs de openbare weg", "'t Is gelijk in een cow-boyfilm!", "Petiot", "Landru", "Vampier".[1647]

Bij de achtervolging komt Bazielken terecht in "Atoomstad". De stad is volledig verlaten, in een saloon vindt hij nog een droevige en dronken man. De man vertelt: "We hebben een atoombom gemaakt en zij is niet ontploft. Nu moet de ganse stad zoeken naar de oplossing!"[1648] Rekenwonder Bazielken biedt zich aan om het probleem op te lossen. Waarop de burgemeester hem voorstelt aan Professor Pikini[1649], die blijkbaar de bom ontworpen heeft. Bazielken lost het probleem op. Het succes wordt door de burgemeester aangekondigd op de radio: "Medeburgers, ik hef het glas op de gezondheid van de atoombom en van Baziel !!", waarop deze voortgaat: "Hello, inwoners van Atoomstad. Het Atlantisch Pact is gered dankzij de rekenlessen van de schoolmeesters uit Semmerzake!.."[1650]

Een massa volk stroomt naar het stadhuis, Bazielken wordt toegejuicht en krijgt een toga. En even later wordt de ontploffing van de bom voorbereid. Een kogelvormige bom staat op een tafel, en de bevolking van Atoomstad in een kring errond. De burgemeester steekt de bom aan en … BOEM … Dat hadden de Atoomstedelingen blijkbaar niet verwacht. Gebouwen zijn vernield, mensen liggen (dood of gewond?) op de grond, en de burgemeester en Pikini zitten met gescheurde kleren te klagen: "We zijn ons prestige kwijt!", "Ja, en ons broek ook!"[1651] Komt daar nog bij dat de neus van de stedelingen daardoor enorm lang geworden is, zodat ook zij Bazielken gaan achtervolgen.

Op zijn vlucht maakt Bazielken kennis met de detective O'Bros. Deze heeft net van president Truman opdracht gekregen om Sarl Owie, staatsvijand nr 1, te vangen. Deze geheimzinnige bandiet probeert namelijk Amerika zonder water te zetten. Dit wil hij realiseren door de hoofdcentrale in Ohio in de lucht te doen vliegen.

Na een wilde achtervolging en de ontdekking dat er eigenlijk twee Sarl Owies zijn, bereikt iedereen de watertoren. De Sarl Owies blijken de twee bejaarden Mary en Suzy te zijn, die nu wraak willen nemen omdat nooit een man naar hen omgekeken heeft. Bazielken slaagt er natuurlijk in de bomaanslag te verijdelen, zodat hij ineens tot de redder van Amerika uitgeroepen wordt. De president reikt hem de "grootste Amerikaanse onderscheiding"[1652] uit. En even later vliegt Bazielken terug naar huis, hij wordt er zelfs lyrisch onder, want hij zingt: "De torens van Vlaanderen! Hoera! Ik ben weer thuis! Mijn Vlaanderen he-e-b ik hart'lijk lief. Mijn Vlaanderen boven al!!'[1653]

Dit verhaal is dus zeer interessant voor de beeldvorming over Amerikanen. Zachtjes uitgedrukt, worden ze voorgesteld als een volk dat een beetje raar doet. Ze eten alleen conserven, halen de meest idiote reclamestunts uit, gedragen zich als cowboys die iemand voor het minste willen "lynchen" én zijn geobsedeerd door atoombommen. De atoombom lijkt voor deze mensen meer een prestigesymbool dan iets anders te zijn. Ze beseffen dan ook het gevaar niet: als de bom ontploft en schade aanricht, zijn ze enorm verwonderd. Vandaar waarschijnlijk dat Bazielken zo blij is de "torens van Vlaanderen" terug te zien …

 

19.4.4. Bazielken redt de frank[1654]

 

In dit verhaal gaat Bazielken samen met detective O'Bros op zoek naar een schat. Een Baron heeft hen namelijk de opdracht te geven een verloren schat op te sporen. Er zijn echter kapers op de kust: een zekere "Professor Knak" koestert blijkbaar dezelfde plannen.

In het Gentse Gravensteen vinden Bazielken en O'Bros uiteindelijk de schatkamer. Maar naast de schat blijkt daar ook een ander document van belang te liggen: een "plan van de geheime toegang tot de Nationale Bank te Brussel".

Bazielken reageert onmiddellijk: "Dat is een staatszaak! We moeten dadelijk de politie waarschuwen! Kom!"[1655] Maar hij en O'Bros haasten zich zo erg om de politie te waarschuwen dat ze de plannen laten liggen. Knak gaat er natuurlijk wel mee vandoor. Het onderwerp van het verhaal wordt dan verrassend ernstig. Vanaf dat hij het verlies van de plannen merkt, roept Bazielken uit dat hij naar de minister van Financiën moet want "de frank is in gevaar!"[1656]

Bazielken doet ondertussen het verhaal tegen de Gentse (en sigaarrokende) rijkswachtcommandant, aan wie hij wijze raad geeft: "Als gij graag nog een decoratie zoudt bijverdienen is 't de moment om naar Brussel te telefoneren."[1657] Wat de man dan ook doet: "Allo! De minis' van Financies? Excellence. 't Is de franc in gruut danger want 't is de goudreserve van de banque nationale van de nacht zijn voet gaan wassen … als gij niet subiet de banque doet bezet en omsingelen !"[1658]

De minister van Financiën, die blijkbaar uit zijn bed gebeld wordt, verschijnt in slaapkleed en slaapmuts én met een brilletje op zijn neus.[1659] En ook nog niet goed wakker blijkbaar: "Sappristie! Maar dat is eh eh – de … ik zal zeggen euh … tragisch! Wat ik zeggen zou, euh, dadelijk … beslissingen nemen! Laat ons zeggen, euh, dat ik zou zeggen … waar was ik gebleven? Ha, ja! Zal dadelijk kabinetshoofd opbellen! Hij moet er maar zijn plan mee trekken …"[1660]

De "gendarmerie" wordt "gemobiliseerd" om de Nationale Bank te omsingelen, maar ondertussen vindt Knak de geheime ingang, die aan de voeten van Manneke Pis ligt. Via een onderaardse gang bereikt hij de goudreserve van de Nationale Bank en haast zich om de kluisdeuren langs binnen vast te branden.

De rijkswacht en snelheid blijken niet echt bij elkaar te horen, want als de Gentse commandant samen met Bazielken en O'Bros Brussel bereikt, krijgt hij van zijn Brusselse collega te horen dat hij hen zo vroeg niet verwacht had. Vooral omdat ze nog niet in actie mogen schieten: "Geduld! Wij wachten op de bevelen van een commissie die ze nog moeten samenstellen!"[1661]

De gendarmerie doet blijkbaar wat ze kan en één van haar goedgedecoreerde leden belt naar de minister: "Hallo, de minister? Ja? Excellentie wij kunnen in de kluis niet binnen! Gesaboteerd! Nee, we weten niet waar de ingang van de geheime gang is! Ik, ik vrees ook dat onze frank achter 't pond zal gaan … In orde excellentie ! Het publiek mag er niks van weten! Ja! Paniek! Ja, ik heb verleden maand wat dollars gekocht! 't Is maar een weet."[1662]

En ondertussen worden ook de bedoelingen van Knak duidelijk. Hij is van plan met één van zijn uitvindingen, de azijnstraal, de goudvoorraad te laten "verschrompelen tot waardeloze korreltjes"[1663] en dus de frank waardeloos te laten worden. Maar dat wordt gelukkig vermeden: door toedoen van Bazielken en O'Bros, die het optreden van de rijkswacht niet langer wilden afwachten, stort de geheime gang in en wordt de azijnstraal vernietigd.

Een rijkswachter die de instorting gehoord heeft, brengt verslag uit bij zijn commandant: "Mijn commandant we hoorden een ontploffing in de kluis! Ik vrees dat we zullen te laat zijn … zoals gewoonlijk!"[1664] Nu er geen gevaar meer is, ziet de commandant geen enkele reden meer om langer te wachten. De rijkswacht trekt de geheime gang in, maar de commandant vraagt toch aan Bazielken om voorop te lopen en te verwittigen "als ze schieten".

Knak wordt gevangen genomen, en blijkt eigenlijk de Mongoolse geleerde Ling-Lang-Hong te zijn. Hij blijkt ook nog een geheim agent van de Dalai Lama te zijn, "hoofd van een Boedhistische sekte, van wie hij de opdracht kreeg met zijn azijnstraal de goudreserves van de Westerse Banken te vernietigen waarna ze een gemakkelijke prooi van het oosten zouden worden!"[1665]

Dankzij Bazielken is de goudvoorraad van de Nationale Bank dus gered. En "s'anderendaags vernemen de edele Belgen hoe hun frank van de ondergang gered werd en achten zich zeer gelukkig dat het bij die devaluatie van 12,34 % bleef."[1666]

 

Op 21 september, twee weken vroeger, besliste de regering namelijk tot deze devaluatie over te gaan. Het feit wordt dus zeer snel in het verhaal opgenomen. De auteurs blijken wel het standpunt van de regering te verdedigen, door het allemaal een beetje te relativeren.

De twee belangrijkste thema's van het verhaal zijn de buitenlandse dreiging en het geklungel van de politiek en de ordediensten. Hier blijkt het gevaar niet uit Russische richting te komen, maar uit het Verre Oosten. Het Gele Gevaar duikt dus weer op. Onze gele medemensen willen het Westen veroveren en vinden daarvoor niets beters dan de goudvoorraden van de Westerse landen te vernietigen. Economisch terrorisme dus …

En voor de reacties op het gevaar dat de frank bedreigt, kan geen ander woord gebruikt worden dan geklungel. Allereerst al de Minister van Financiën: met zijn slaapmuts ziet hij er niet al te snugger uit, maar uit zijn telefoongesprek blijkt ook nog dat hij werkelijk zo is. Hij neemt zelf ook geen verantwoordelijkheid, hij schuift de hete kolen liever door naar zijn kabinetschef. En de rijkswacht is al niet veel beter: ze werkt niet alleen zeer traag, ze is ook nog altijd te laat (en de rijkswachters beseffen dat heel goed). Ook lijken de ordediensten totaal hulpeloos als er geen orders van bovenuit gegeven worden, en wordt er zeker niet opgetreden als er het minste gevaar is. Afwachten wat er komt lijkt de boodschap te zijn … En spoken blijken rijkswachters grote schrik in te boezemen. Of de auteurs hiermee gewoon een grappig effect beoogden, of dat ze echt wilden verwijzen naar bestaande toestanden, is moeilijk uit te maken. Maar het beeld van de rijkswacht dat uit dit verhaal voorkomt, is niet zo positief.

 

19.4.5. Bazielken en het levenselixir[1667]

 

Dit verhaal draait rond een levenselixir dat verborgen was in een oud Egyptisch beeldje. Bazielken en O'Bros worden achternagezeten door een geheimzinnige die het drankje in zijn bezit probeert te krijgen. Ze trekken naar het Schots kasteel van Baron van Kiekeborst. Daar maken ze kennis met Professor Sprietgras, die het elixir bij één van zijn opgravingen in Egypte ontdekte.

De te nieuwsgierige O'Bros drinkt van het flesje, waardoor hij terug een baby wordt. Even later wordt hij samen met Professor Sprietgras en het kostbare flesje door de geheimzinnige onbekende ontvoerd. Bazielken achtervolgt hen en komt terecht in Egyptisch versierde onderaardse ruimten in Londen.

Het blijkt om een bende te gaan die onder leiding staat van Professor Knak (dezelfde als uit het vorige verhaal) en die de god "Sjok-o-glassee" aanbidt. Bazielken slaagt erin de bende te overmeesteren, maar Knak kan samen met baby O'Bros vluchten …

 

19.4.6. Bazielken, de held van Mato Grosso[1668]

 

Via een bericht in de krant – Knak vliegt rond met een vliegende theepot en dat gaat niet onopgemerkt voorbij – komen Bazielken en co de Mongoolse geleerde terug op het spoor. Via het geratel van een papegaai komen ze zelfs precies te weten waar hij naartoe is. Knak zit blijkbaar in Brazilië, bij de Witte Indianen uit Mato Grosso, waarvan niemand minder dan "Sjok-o-glacee" de afgod is.  Bazielken en professor Sprietgras besluiten dan ook maar naar Mato Grosso te trekken.

In Brazilië aangekomen, leren ze de gids Pedro kennen. Deze blijkt uit een vorige expeditie nog een plan te beschikken van waar ze naartoe moeten (de stad Atlantis Nuovo), en zo vertrekken ze op expeditie. Maar dat blijkt niet van een leien dakje te lopen: hun jeep wordt gesaboteerd en ze worden overvallen.

Via via komen ze in contact met het Indiaanse meisje Carminha, die hen de weg kan wijzen tijdens hun tocht. Ze steken de Rio das Mortes over en verlaten zo de beschaving. Maar al vlug worden zowel Carminha als Sprietgras door de Chavantes-Indianen ontvoerd. Ze worden alle twee uitgeleverd aan de "blanke Indio's", "het "Herrenfolk" van Atlantis".

Het blijkt er daar in Atlantis nogal "speciaal" aan toe te gaan.  Het land staat onder leiding van een vrouwelijke dictator, de "Ccoya", die over leven en dood beslist. Er worden trouwens linken gelegd met nazi-Duitsland: niet alleen is er sprake van het "Herrenfolk" van Atlantis, de inwoners brengen voor de Ccoya ook een Hitlergroet. Dissidenten worden in het oog gehouden door wachters.

Ze blijken in Atlantis ook over vrij barbaarse gewoonten te beschikken. Zo wordt Sprietgras, die voor een "agent van een vreemde mogendheid" gehouden wordt, "vriendelijk onderhoord"[1669], d.w.z. de handen aan het plafond gebonden, bewaakt door twee potige mannen met zwepen en met de volgende antwoordmogelijkheden: "Zijt ge een spion, ja of ja?"[1670]

Trouwens, niet alleen het staatshoofd is er een vrouw, zoals de huisgeleerde van de Ccoya zegt: "Hier regeert de vrouw. De man wast de luiers en de vrouw zit in 't parlement". Waarop Sprietgras opmerkt: "Gelijk bij ons, enfin! En die soldaten en de beulen?" Jachachik antwoordt: "Ja, 't vuil werk is natuurlijk voor de mannen!"[1671]

Maar die hele situatie zou niet blijven duren. De Witte Indio's plannen namelijk een staatsgreep tegen de Ccoya en haar aanhangers: "… er dreigt een ondergrondse beweging. Den O.F. om het zo te zeggen …"[1672] Een eerste poging wordt door het leger nog onderdrukt, maar Bazielken zorgt voor een tweede poging, die wel succesvol eindigt. Met een luchtballon, die moet doorgaan voor de zonnegod, landt hij temidden van het volk en stelt hij de nieuwe leidster voor: het Vlaamse meisje Florke[1673], die hij door het volk laat uitroepen tot Ccoya Flora II. Ccoya Pachucrute wordt opgesloten, en haar ontsnappingspoging mislukt door toedoen van een teruggevonden en weer normaal geworden O'Bros.

De volgende dag laat Florke, de nieuwe koningin, het parlement en de edelen samenkomen voor een belangrijke mededeling. In een halfrond met een grote zon op de muur, spreekt ze vanop haar spreekgestoelte de vrouwelijke parlementsleden en de mannelijke edelen toe.

Bazielken bekijkt het hele schouwspel en zegt: "Parlementen zijn overal eender, he!" Waarop O'Bros vraagt: "Wilt ge zeggen dat ze hier ook gaan beginnen zeveren?"[1674] Maar de vrouwelijke parlementsleden reageren dolenthousiast op Florke, die hen toespreekt: "Mijn beste onderdanen en … euh … Atlantisianen … euh … Atlantisiens … euh …"[1675], waarop ze vervolgt: "Ik ben Atlantis zo beu als koude pap en ik ga met mijn vrienden terugkeren vanwaar wij gekomen zijn. Carminha stel ik aan tot mijn opvolgster!"[1676]

Maar dat was zonder de edelen gerekend, en voor een verbaasde Florke verzetten ze zich tegen "vrouwvolk op de troon". Waarop de vrouwen natuurlijk in de tegenaanval gaan: "Wij dragen de broek! De man aan de haard! Gaat doeken wassen."[1677]

"Nadat in het parlement, naar beschaafde politieke zeden een gezellig catchpartijtje gehouden werd, kan Florke opnieuw aan het woord komen …"[1678] Ze kondigt aan de assemblee blauw-oog-igen het huwelijk van koningin Carminha met de gids Pedro aan en slaagt erin alle partijen te verzoenen.

Carminha geeft nog een slottoespraak: "… en tot viering van deze heuglijke dag bevelen wij: primo ten eerste de afschaffing der belastingen, primo ten tweede de verdubbeling van 't kindergeld, primo ten derde een maand betaald verlof, drie maand congé payé en een 14e maand …"[1679] Waarop de wachters en het volk duidelijk hun waardering laten blijken: "'t Is een goei, ze mag blijven!", "Bravo", "Lang zal zij leven in de gloria-a-a!", "Hip, hip, hip!"[1680]

Aan Bazielken & co biedt Carminha nog aan om te blijven (met een ministerportefeuille), maar ze wijzen het aanbod af en keren terug naar Vlaanderen.

 

In dit verhaal worden allerlei politieke elementen door elkaar geweven. Waarschijnlijk was het hier totaal de bedoeling niet van de auteur om echt standpunten in te nemen, maar gewoon van grappige knipogen te geven naar allerlei situaties. Zo laat hij Sprietgras zeggen dat de vrouwen in het parlement "gelijk bij ons" is, verwijzend naar het redelijk nieuwe vrouwenstemrecht. Al is het daar in Atlantis wel een heel radicale situatie: de vrouwen aan de macht en de mannen aan de haard. Andere opmerkingen over het parlement zijn dat er veel "gezeverd" wordt en dat een vechtpartij er niet abnormaal is.

Er wordt in het verhaal ook kritiek gegeven op de legerleiding. De generaals die deelnemen aan de opstand zien de overwinning al voor zich, maar Bazielken probeert hen te kalmeren: "Holala! Maakt u zo dik niet, 't is geen mode! Generaals zijn er altijd rap bij om oorlog te kraaien, maar … ze riskeren hun vel niet! Kunt ge mij volgen ?"[1681] Florke kan in ieder geval volgen en benoemt Bazilius Pletskens tot Minister van Vredelievende Oorlog.

Tenslotte moet nog vermeld worden dat enkele politici een gastoptreden in het verhaal krijgen, en wel als "raadsvrouwen" van de Ccoya. Bij de eerste opstand vrezen ze voor hun posities en overleggen ze over de maatregelen die genomen kunnen worden. De raadsvrouwen zijn voorzien van een lang gewaad, een hoge hoed en een bloemenkrans rond de hals en ze lijken verdacht veel op Paul Henri Spaak, Albert Devèze[1682] en Camille Huysmans. "Devèze" stelt voor een belastingvermindering van 25 % te beloven, terwijl de lange Huysmans het eerder voor de harde middelen heeft en aanraadt er enige dood te doen … Ze worden dus niet al te vleiend voorgesteld. De liberalen worden trouwens nog altijd geassocieerd met dat ene punt uit hun verkiezingsprogramma, want het enige wat "Devèze" kan zeggen, is dat ze kunnen beloven de belastingen met 25 % te verlagen.

 

19.4.7. La patrie, de prince-régent, Amerikaanse dollars en andere verwijzingen

 

Maar er zijn nog politieke elementen die in één of meerdere verhalen voorkomen. Zo is de taalkwestie nooit ver weg. Als Bazielken en O'Bros in Brussel een politieagent aanspreken, krijgen ze als antwoord "Comprends pas de Vloms, moi!"[1683] En als Bazielken in Atoomstad hoort dat het probleem van de atoombom te wijten is aan een rekenfout, zegt hij: "Ha-ha! Als 't dat maar is! Ik ben de man! 'k Was op school de eerste in rekenen … La patrie est sauvée!! Ge moet daar zo niet van verschieten, want als ze bij ons van La Patrie spreken is 't altijd in 't Frans!.."[1684] Weer een kritiek op het gebruik van het Frans als het over iets officieel gaat. En Bazielken heeft blijkbaar ook De Leeuw van Vlaanderen gelezen, want bij het ter hulp snellen van een vrouw in nood, roept hij "Vlaanderen de Leeuw!! Wat wals is vals is! Slaat dood!!"[1685]

Ook de Koningskwestie sluipt de verhalen binnen. Bij een achtervolging van Bazielken en O'Bros houdt de Brusselse agent 13 een fietser tegen: "Halt Stopper mon ami! Au nom du prince régent sla ik uw vélocipede aan!" Waarop de fietser protesteert: "Prince-régent prince-régent …" Maar de agent moet van het geprotesteer niets weten: "Tja-tja! 'k En kan ik er niet aan doen dat de Koning door den Dotch nog altijd gempecheid is van te gouverneire!"[1686] De interim door Regent Karel wordt blijkbaar niet geapprecieerd. In "De held van Mato Grosso" komen Bazielken en co trouwens terecht in het stadje Leopoldina. Onderweg ernaar komen ze een wegwijzer tegen met als opschrift: "Leopoldina 15 boogscheuten".[1687]

Redelijk grappig is de scène waarin O'Bros een Brussels restaurant binnenstapt. "Moi American! Kom eten!", zegt hij. Waarop de kelner onmiddellijk "Dollarkoning!" denkt en alle moeite doet om zijn klant te bedienen: "Mijnheren! Wat zal ik voor u noteren? Oeufs à la Russe Soviétique? Crème d'asperges à la manneke-pis? Escalopes …" Maar O'Bros onderbreekt hem: "Ta-ta-ta! Breng twee demi geuze en voor de rest moet ge u niet moe maken! Wij hebben onze boterhammen bij !" Waarna de kelner tegen zijn baas gaat klagen: "Dat is straffe thee patron! De Amerikanen brengen ook al hun boterhammen mee als ze naar Brussel komen! Het toeristisch bedrijf is naar de knoppen!"[1688] Het Marshallplan heeft er echt voor gezorgd dat Amerikanen als zeer kapitaalkrachtig gezien worden, geld wordt zelfs onmiddellijk geassocieerd met Marshall. Op een bepaald moment koopt O'Bros een triporteur van een handelaar en zegt "500 dollar voor die rammelkast !", waarop de man antwoordt "Merci, Mr. Marshall!"[1689]

Maar Amerikanen hebben natuurlijk ook hun negatieve kanten. Hun harde methodes bijvoorbeeld. Om de plannen van de schat in het Antwerpse Steen in handen te krijgen, raadt Bazielken aan zeer discreet te blijven. O'Bros interpreteert dat op zijn manier : "Natuurlijk! Zeer discreet! Zeg ik altijd! We kunnen een paar bewakers neerboksen, de ruiten van de kast inslaan en met een springlading het oud kot in de lucht laten vliegen om onze aftocht te dekken! Amerikaanse methode!" Bazielken zet hem echter aan tot matiging:  "Ge zijt hier in Chicago niet !"[1690]

We zagen al dat de Belgische rijkswacht niet erg efficiënt is. In Engeland is het niet veel beter. Als de Londense politie op de hoogte gebracht wordt van de ontvoering van O'Bros, zegt de verteller: "Te Londen wordt de politie verwittigd, die dadelijk … belooft er eens aan te denken. 's Avonds blokletteren de bladen het nieuws de wereld in …"[1691] En met de Braziliaanse politie is het nog erger gesteld. Bazielken en co gaan daar klacht neerleggen voor het stelen van een portefeuille en de sabotage van hun jeep. De agent stelt een PV op en legt die op een stoffige stapel papier "Klachten tegen onbekenden". Hij is dus niet van plan daar iets aan te doen én: "Klacht tegen bekenden wordt hier nooit ingediend. Mannen regelen dat onder elkaar!"[1692]

Andere opmerkingen of verwijzingen zijn er te vinden over de belastingen[1693], de H-Bom[1694], het bewijs van burgerdeugd[1695], de Noord-Zuidverbinding[1696], de tram[1697] en de impopulariteit van Ministers van Financiën. [1698]

Om te besluiten kan gezegd worden dat Bazielken een reeks is die vol staat met verwijzingen naar allerlei actuele politieke en maatschappelijke toestanden, zonder dat een verhaal daar volledig om draait.

 

19.5. Tom Poes

 

In juli 1949 begint dan de publicatie van Tom Poes van de Nederlander Marten Toonder. Tot eind 1950 zouden acht verhalen gepubliceerd worden. Deze verhalen verschenen oorspronkelijk tussen juni 1947 en juni 1949 in de Nederlandse pers. Hier worden ze in een andere volgorde[1699] hernomen.

 

19.5.1. Marten Toonder

 

Marten Toonder werd op 2 mei 1912 geboren in Rotterdam. Zijn vader was zeeman, en dus stond vooral zijn moeder voor zijn opvoeding in. Na zijn middelbare studies nam zijn vader hem mee op reis naar Zuid-Amerika. Tijdens die reis ontmoette de jonge Marten in Buenos Aires de Amerikaanse tekenaar Jim Davis, die hem in contact bracht met de tekentechniek van Dante Quinterno, een vroegere medewerker van de Disney-studio's.

Vanaf het begin van de jaren 1930 begonnen zijn eerste strips te verschijnen. Van 1933 tot 1939 werkte hij als tekenaar en illustrator bij de "Nederlandse Rotogravure Maatschappij", een vaste job die hij verliet uit ontevredenheid en door een te laag loon.

Een belangrijke ontmoeting kwam er in 1938, toen hij in contact kwam met een zekere F. Gottesman. Deze man, een uit Wenen weggevluchte Jood, was eigenaar van het persbureau "Diana Editions". Hij gaf Toonder een kans en zorgde ervoor dat strips van hem in Argentinië en Tsjechoslowakije gepubliceerd werden.

De oorlog zou voor Toonder, net als voor Hergé trouwens, op beroepsvlak een interessante periode blijken. De oorlogssituatie deed namelijk de toevloed van Amerikaanse strips stilvallen, en de Nederlandse krant "De Telegraaf" kon Mickey Mouse niet verder publiceren. Dan maar Nederlands materiaal: Toonder kreeg een kans met zijn personage Tom Poes, echter op voorwaarde dat het geen ballonstrip zou worden. Hij aanvaardde en op 16 maart 1941 verscheen de eerste aflevering van Tom Poes in De Telegraaf. Het zou tot eind 1944 blijven duren. Toen werd deze krant namelijk overgenomen door de SS, wat Toonder deed besluiten er voorlopig mee op te houden. Hij liet zich daarvoor zelfs manisch-depressief verklaren.[1700]

Na de oorlog kreeg De Telegraaf een publicatieverbod opgelegd. Toonder was echter door een contract aan deze krant gebonden en kon niets meer publiceren. Een gerechtelijke uitspraak maakte aan die situatie een eind, zodat de auteur zijn Tom Poes aan twee andere kranten kon aanbieden. Het werden de Nationale Rotterdamsche Courant en De Volkskrant.[1701]

Tim Jansens schrijft hierover, op basis van een eigen interview met Toonder: "Volgens eigen zeggen, schreef hij beide kranten aan met het verzoek zijn strip (…) bij hen te mogen laten lopen. Zijn overwegingen hierbij waren enerzijds van meer commerciële aard: met deze twee landelijk verspreide kranten bereikte hij een behoorlijk ruim publiek, en anderzijds van ideologische aard: door een krant van de linkerzijde en een van de rechterzijde van de opiniepers te kiezen, kon hij niet snel van politieke stellingnamen beschuldigd worden."[1702]

Tijdens de oorlog waren de Toonderstudio's al opgericht om de activiteiten te kunnen bijhouden. Tientallen mensen werkten aan tekenfilms, "in opdracht van Duitse ondernemingen". Er werd echter nooit iets afgewerkt, en de studio's waren toen vooral een dekmantel voor illegale activiteiten, zoals een illegale drukkerij. Na de oorlog breidden de activiteiten van de studio's zich verder uit. Door het succes van Tom Poes en door de vraag vanwege de kranten werden nieuwe dagstrips gestart. Kappie liep vanaf 27 december 1945 in Het Vaderland en Het Algemeen Dagblad. Panda startte op 23 december 1946 in de Haagsche Courant en Het Nieuwsblad.[1703] En Tom Poes kreeg in 1947 een eigen weekblad. Daardoor moesten er weer nieuwe medewerkers aangetrokken worden. De leiding van de studio's lag in handen van Toonder zelf, zijn vader en Anton de Zwaan.[1704]

Wat de inbreng van deze studio's in Tom Poes betreft. Op het einde van de jaren 1940 zou Toonder zelf alle definitieve teksten geschreven hebben, op basis van brainstorming met enkele medewerkers. En wat de tekeningen betreft, was Toonder zeker verantwoordelijk voor de aanwijzingen van wat er getekend moest worden en voor het inkten van zijn personages.[1705]

 

19.5.2. Tom Poes en de maatschappij

 

Over de maatschappelijke inhoud van de Bommelverhalen[1706] schrijft Jansens het volgende: "Op inhoudelijk gebied is Toonder altijd zo voorzichtig en attent geweest om niemand persoonlijk tegen het hoofd te stoten. Hij neemt precies liever alles en iedereen op de korrel. (…) Anderzijds zal het feit, dat hij nooit een politiek systeem, een maatschappelijk fenomeen of denkwijze die hij bekritiseert, met name noemt en, dat hij dikwijls de indruk geeft de gulden middenweg te propageren, ertoe bijdragen dat sommigen hem een katholiek burgerlijke moraal in de schoenen schuiven. In interviews herhaalt Toonder keer op keer dat hij geen boodschap uitdraagt en in zijn verhalen vinden we zijn afkeer voor instanties die pretenderen de waarheid in pacht te hebben – of het nu om gezagsdragers, wetenschappers of religies gaat, doet er niet toe – in overvloed terug. (…) Samenvattend kunnen we stellen dat Toonder steeds goed het midden heeft weten te houden tussen aan de ene kant het mateloos spuien van kritiek en aan de andere kant de voorwaarden die een krant aan zijn stripmakers moet opleggen."[1707]

Over de relatie met Nederland, schrijft Jansens dan weer: "De setting van de Bommelverhalen staat vanzelfsprekend niet los van de wereld zoals wij ze kennen, maar ze blijkt evenmin los te staan van Nederland. In verband met de ruimte, is het mogelijk enkele elementen aan te duiden die verwijzen naar Toonders vaderland. We willen helemaal niet beweren dat het land waarin Rommeldam gelegen is, Nederland is, maar bepaalde gegevens, afgezien van de taal waarin geschreven wordt, verraden toch Toonders nationaliteit."[1708]

Toonder verklaarde zelf dat hij in zijn beginperiode op politieke gebeurtenissen inspeelde: "En in het begin, als je pas verhalen maakt, probeer je op de actualiteit aan te sluiten. Wat gebeurt er vandaag. Hoe zit het politiek en zo. En dan na een poosje merk je dat je gedateerde verhalen krijgt …"[1709]

 

19.5.3. De wereld van Tom Poes

 

De verhalen van Tom Poes spelen zich af in en rond het stadje Rommeldam. De meeste personages zijn dieren, die zich echter gedragen zoals mensen. Tom Poes zelf is een intelligente jonge kater die de verhalen in goede banen leidt. En in deze verhalen wordt hij bijgestaan door de beer Ollie B. Bommel, ook wel Heer Bommel genoemd. Bommel is een nogal ambetantig persoontje dat altijd de schuld op de anderen schuift als er iets misloopt. Het is trouwens zeer moeilijk om voor hem iets goed te doen. Hij spreekt zichzelf constant tegen om gelijk te halen ("ik wist het wel"), en als iets goed afloopt, dan is dat natuurlijk vooral aan hemzelf te danken.

Andere personages zijn de slechteriken Hiep Hieper en Bul Super, de geschifte Professor Sickbock, commissaris Bulle Bas, de elitaire Markies De Canteclaer van Barneveldt, en ga zo maar door …

De verhaallijnen zijn zeer verscheiden, Toonder valt in "Tom Poes" alleszins veel minder in herhaling dan met zijn Kappie of Panda. En soms komen er wel eens maatschappelijke opmerkingen of verwijzingen voor. Hieronder zullen enkele verhalen en elementen kort besproken worden, waarna een uitgebreide bespreking volgt van "Tom Poes en de talisman".

In "Tom Poes en het vibreerputje" wordt heel de stad Rommeldam poëtisch door het drinken van het water uit het "vibreerputje", een bron in de tuin van Bommel. De bron wordt een echt voorwerp van verering en Bommel ziet dat allemaal niet zo goed zitten. Vooral als Hiep Hieper en Bul Super de burgemeester aanzetten om van het kasteel van Bommel een hotel te maken en er allerlei tolbarrières opgezet worden op weg naar de waterput. Hieper en Super maken van de poëtische toestand van de bevolking gebruik om zich te verrijken: ze kopen alle levensmiddelen op en verkopen die later dan aan woekerprijzen. Ook in Rommeldam komt dus een zwarte markt tot stand. Door toedoen van Tom Poes, die petroleum in de bron giet, verliest het water haar magische uitwerking en wordt iedereen terug normaal. Op het einde worden Hieper en Super zelf verplicht van het water te drinken, zodat ze met plezier al hun vergaarde voordelen afstaan. Hiep Hieper: "Waarom zou de ene zo veel hebben en de andere zo weinig? Dat werkt het communisme in de hand!"[1710]

In "Tom Poes en de geheimzinnige sleutel", krijgt Bommel van zijn Bankiers te horen dat hij al zijn geld kwijt is, omdat de goudmijn waarvan hij aandelen gekocht is, niet bestaat: pure oplichterij dus. Komt daar nog bij dat hij zijn kasteel moet verkopen om zijn belastingen[1711] te kunnen betalen. Maar door de zoektocht naar en het vinden van een schat, is hij terug rijk en koopt hij z'n kasteel terug.

Een zekere Professor Sickbock probeert in "Tom Poes en de grootgroeiers" Bommel geld af te troggelen door chantage: hij laat de dieren in zijn omgeving enorm groeien met een uitvinding van hem, de zogenaamde "grootgroeiers". De volgende dag staat het bericht over de enorme dieren al in de krant: "Hoewel het niet waarschijnlijk is, dat hier direct aan communisten moet gedacht worden, hebben de autoriteiten de zaak in handen."[1712] De politie valt binnen bij Sickbock en pakt hem op, maar niet zonder problemen, want de professor verweert zich hevig: "Ge wenst me te arresteren voor het overtreden van een wet, die niet bestaat. Ik weet dat dit tegenwoordig de gewoonte is en ik zal dan ook genoodzaakt zijn mijn stem op de Partij van de Vrijheid[1713] uit te brengen."[1714] Door de "Bijzondere Rechtspleging" kan Sickbock zeer snel voor de rechtbank geleid worden. Maar dan begint Sickbock met vanalles te dreigen, onder andere met het doorspelen van informatie aan de pers over de toewijzing van auto's aan relaties van hooggeplaatste regeringspersonen.[1715] De rechter verklaart tegen het volgend jaar een vooronderzoek te willen beginnen en Sickbock wordt weggeleid.

In "Heer Bommel stuit de vooruitgang" ziet Bommel op een dag landmeters bezig, ze doen opmetingen om een nieuwe weg aan te leggen. Hij begrijpt niet wat er het nut van is: "Dat lijkt me nu zuiver een geval van weggegooide belastingscenten!"[1716] Even later zijn de landmeters in zijn kasteel bezig: hij verneemt dat hij onteigend wordt omdat de nieuwe weg er dwars doorheen loopt. Bommel verzet zich, maar er blijkt niets aan te doen te zijn want "de techniek gaat voor! De vooruitgang is niet te stuiten!"[1717] Op de vlucht voor de politie komen Tom Poes en Bommel terecht bij een tovenaar in het bos. Bommel vertelt hem dat hij de vooruitgang wilt stuiten. De tovenaar kan daar wel iets aan doen, vertelt hij, en de man stuurt de twee naar de Middeleeuwen. Daarna komen ze nog terecht in de 17e eeuw en in de toekomst. Uiteindelijk komen ze terug in de eigen tijd terecht, van de weg blijkt geen sprake meer te zijn en alles komt zo terug in orde.

De communisten werden er al bijgesleurd in verband met de grootgroeiers, en ook op andere momenten gebeurt dat. Als Bommel eens een politieman een ganse waslijst strafbare feiten hoort opsommen, vraagt hij "Wie heeft dat allemaal gedaan? Zijn er weer communisten bezig?"[1718]

Ook de atoombom wordt terloops vermeld. Tom Poes en Bommel ontdekken een oude werkplaats van een alchemist. Tom Poes geeft er uitleg bij, maar Bommel vindt het allemaal onzin: Er kan niets goeds van komen. Goud maken en de steen der wijzen zoeken! Allemaal onzin! Ten slotte vind je alleen maar een atoombom en wat heb je daar aan!"[1719]

Verder worden nog de woningnood[1720], de administratieve rompslomp in een ziekenhuis de zwarte markt[1721] en de Verenigde Naties[1722] erbij gehaald.

En om te besluiten nog kort iets over de Rommeldamse politie. Net als in de andere verhalen van Toonder, zijn politieagenten zeer ergerlijke personen. Agenten zijn enorm principieel, tegendraads, nemen alle orders letterlijk op en vinden het minste woord een "belediging van een ambtenaar in functie. De politie is eigenlijk meer lastig dan nuttig, zodat Tom Poes wel eens besluit de zaak zelf op te lossen. Trouwens, ook de misdadigers[1723] weten dat de politie niet echt een bedreiging voor hen betekent. En in Rommeldam valt het allemaal nog mee. In het Zuid-Amerikaanse land Costa Crica heeft het schillen van aardappelen voorrang op het achtervolgen van misdadigers, en is omkoperij een alledaagse activiteit.[1724]

 

19.5.4. Tom Poes en de talisman, de "uitschuiver"

 

Echt politiek wordt het pas in "Tom Poes en de talisman"[1725]. Daarin maken Tom Poes en Heer Bommel kennis met de oplichter Joris Goedbloed[1726]. Hij verkoopt aan Bommel een talisman, die de eigenaar in staat stelt wensen te doen. Bommel beseft dat hij hiermee macht in handen heeft, en wens dat hij minister zou worden. Tom Poes probeert hem nog te waarschuwen: "Wat doet U???! Dat is het gevaarlijkste dat U kan wensen!!" Maar Bommel zet door: "Ik weet wat mijn plicht is! Wanneer het vaderland roept, kan een Bommel niet achterblijven!"[1727]

En zijn wens wordt vervuld, want plots staat een zekere Beutszelaer van Bubbeldaet, afgezant van de regering, voor de deur. Hij vertelt dat de regering in een impasse zit (er werden al een hoop commissies opgericht) en dat ze Bommel vraagt om Minister van Bijzondere Zaken te worden. Vol goede bedoelingen gaat Bommel op het aanbod in: "Vanaf morgen zal alles anders worden ! Het Vaderland is gered!"[1728]

Bommel wordt per auto opgehaald en naar een enorm bureau gebracht, waar hij ook een lint en een Napoleon-achtige hoed krijgt. En hij vliegt er meteen in: "Komaan, aan de slag. En even denken … Eerst de oorlog afschaffen, dan de belasting en dan de scholen, dat zal genoeg zijn voor vandaag."[1729]

Even later brengen zijn secretarissen een ganse hoop papieren binnen: "Hier is een ontwerp betreffend de wet tot afschaffing van het rookverbod in wachtkamers van referendarissen-tweede–klasse ten departemente"[1730] en andere ingewikkeld gemaakte onbenulligheden. Maar dat is allemaal veel te ingewikkeld voor Bommel: hij wilt de oorlog afschaffen én regeren, want "Het vaderland roept"[1731].

De positie van Bommel verwekt trouwens jaloezie bij Markies de Canteclaer. De Markies gaat dan ook zijn beklag doen bij de Minister van Justitie: "Deze Bommel is een oplichter! Vergeef de uitdrukking. Een oplichter! Hij heeft zich door omkoperij en afpersing in een positie gedrongen die mij toekomt. Hoogst betreurenswaardig. Ik reken erop, dat gij hem zult weten te vinden!"[1732]

1

 

De Minister van Justitie, die trouwens een zeer hoogdravende taal spreekt ("uit welken hoofde bekleedt gij deze hoge positie") gaat Bommel opzoeken. En als Bommel spreekt over het afschaffen van de oorlog, reageert hij: "Ik weiger, deze defaitistische, pacifistische tael aan te horen. Gij zijt onder arrest."[1733] Bommel wordt weggeleid en opgesloten in de "Bijzondere Gevangenis voor Politieke Twijfelgevallen", waar ook nog 9875 andere van die twijfelgevallen zitten. Hij krijgt van een bewaker een beetje uitleg: "Het zit hier vol met ministers en secretarissen-generaal en procureurs-fiscaal en die worden om beurten vrijgelaten om een poosje te helpen regeren."[1734] Bommel krijgt er een idee bij:  hij wil nu ineens ook de gevangenissen afschaffen.

Bommel wordt voor de rechter gebracht (die al even onduidelijk spreekt): "Bommel O.B. ge wordt beschuldigd van spionnage, subsidiair hoogverraad, subsidiair oplichting van de staat! Huh ? Klopt dat?"[1735] Bommel reageert geprikkeld: "Ik weet niet, wat je eigenlijk van me wilt! Maar reken erop, dat ik je zal weten te vinden, goede vriend! Ik zal je voor de rechtbank slepen! Er is nog recht in dit land?" Maar de rechter kan er niet mee lachen: "Bedreiging en belediging van het Hof! Ik verwijs deze zaak naar het Hof van Buitengewone Rechtspleging! Over vijf jaar wordt je weer verhoord en in die tussentijd word je verbannen naar een werkkamp! Je bent een gevaar voor de staat! Weg met je !"[1736]

 

Ondertussen vindt Tom Poes de talisman terug en wenst dat Bommel zou vrijgelaten worden. Dat zou ook gebeuren, maar niet op de manier waarop hij het wenste.

Aan de rand van de weg waar de politiecombi met Bommel voorbijrijdt, staan een aantal mannen die het in hun hoofd gekregen hebben om Bommel vrij te krijgen: "Hij is de "Grote man van onze Revolutie!" Hij is niemand minder dan Kameraad Bommel!"[1737] De twee mannen, Kobbe Kuip en Prepr Prolsk, zijn door hun "bovenste raad" namelijk benoemd tot "comittee tot bevrijding van makker Bommel". Prepr Prolsk is duidelijk een buitenlander en spreekt met een verschrikkelijke "rrrrrrrollende r". Ze zijn lid van de Gorganistische Partij en bereiden een revolutie voor.

Bommel reageert enthousiast: "Aha! Revolutie! Markiezen wegjagen! Minister van Justitie ontslaan! Prachtig! En ik president, zeg je? Schitterend! Dan kan ik dus eindelijk aan het werk gaan! Regeren! Het Vaderland roept! Prachtig!"[1738]

Maar het blijft niet zo prachtig. Bommel moet onmiddellijk al zijn geld afgeven: "Dat geld is nu van de partij! Het is niet goed, dat de een meer heeft dan de ander, vind je wel? Iedereen evenveel en alles voor de Partij, is 't niet?" En zijn kasteel moet hij ook afstaan, het moet het hoofdkwartier van de partij worden. En wanneer Bommel niet akkoord lijkt te gaan, wordt hij bedreigd: "Het komt me voor dat je de beginselen van de Partij nog niet goed door hebt."[1739]

Maar de politie heeft de Gorganisten in het oog: commissaris Bulle Bas schakelt Tom Poes in om te gaan spionneren, ze worden namelijk te lastig: "Maken herrie! Zijn niet tevreden met de wereld, zoals die bestuurd wordt, denken, dat ze het zelf beter kunnen. Vat je me? Hm, goed! Daar is geen bezwaar tegen, maar de laatste tijd worden ze lastig, vat je? Ontvoeren allerlei hoge omes, schrijven dreigbrieven, stelen documenten, spionneren, leggen bommen neer en zo! Maar de politie kan er niet veel aan doen, omdat er een ander land achter zit, voel je wel."[1740] Tom Poes begrijpt dat een politie-interventie voor ruzie zou zorgen met dat "andere land" en aanvaardt de opdracht.

Ondertussen krijgt Bommel van de Gorganisten zijn eerste opdracht, een tijdbom gaan leggen in een postkantoor. Door de interventie van Tom Poes wordt een ramp echter vermeden.

Tom Poes probeert te infiltreren, en gaat zich aanbieden bij de partij. Maar de Gorganisten zijn zeer achterdochtig: "We moeten hier voorzichtig zijn en ik mag jouw gezicht niet zo graag! Je ziet er mij te plutocratisch-kapitalistisch uit, ventje! Rréactionnairrr![1741]

Tom Poes krijgt een idee: aangezien het ding toch alleen maar ongeluk brengt, biedt hij de talisman aan deze mannen aan. Daarop wensen ze dat hun hoofdkwartier verplaatst zou worden naar slot Bommelstein en willen ze van Tom Poes de "hitman" van hun revolutie maken.

Jantje, de leider van de partij, spreekt zijn "makkers" toe: "Ik ben in het bezit gekomen van de wondersteen waarop de vertegenwoordige fascistisch-kapitalistisch-plutocratisch-imperialistisch-monarchistisch georiënteerde regering zijn macht heeft gegrondvest", waarop hij de anderen vraagt wat ze wensen. De ene roept "Laten we geld nemen! Dat is altijd gemakkelijk", de andere dan weer "Wapens! Bommetjes! Dat is aardig! Bom!!"[1742] Maar leider Jantje heeft een beter idee: "Geen wapens en geen geld – dat maakt maar rommel en ruzie! Wanneer we eenmaal de macht hebben, kunnen we rustig en kalm iedereen uitroeien en net zoveel geld maken als we willen. Nu, ik weet iets anders! Ik wens, dat we met regeringsauto's worden afgehaald en in de regeringsgebouwen worden ondergebracht waar we recht op hebben!"[1743]

De politie, die ondertussen door Tom Poes gewaarschuwd werd, omsingelt Bommelstein en rekent de ganse bende in op beschuldiging van inbraak. En hun wens komt uit: ze worden door regerings(gevangenis)wagens afgehaald. Als beloning krijgt Bommel nog een medaille van de Minister van Justitie.

En Joris Goedbloed komt zijn talisman terughalen: "heb vastgesteld, dat gij er een slecht gebruik van hebt gemaakt! Foei. Gij moet u niet met politiek inlaten! Dat ligt U niet. Uw avonturen moesten zich meer tot het oppervlakkige bepalen!"[1744]

 

19.5.5. Politici, Gorganisten en communisten

 

Niet alleen Joris Goedbloed heeft kritiek op de politieke aspecten van het verhaal. Ook Marten Toonder zou later terughoudend worden ten opzichte van dit verhaal. In het voorwoord van de "Volledige werken" schrijft hij: "Als verhaal moet dit door de vingers bezien worden. Heer Bommel heeft nog steeds zijn eigen karakter niet gevonden, zodat hij zich zelfs met politiek inlaat."[1745]

Toonders zoon Eiso heeft voor zijn inleiding op het verhaal zelfs een reactie teruggevonden vanwege "De Waarheid", een "dagblad dat voortkwam uit de communistische verzetsbeweging". Die mensen schreven toen: "Ook Tom Poes maakt de laatste tijd vreemde sprongen in de Volkskrant en de N.R.C.; Hij bestrijdt een bende uit de onderwereld, die de mond vol heeft over "de partij" en waarvan de aanvoerder, die luistert naar de naam Prebl Prolsk, met tijdbommen in postkantoren opereert. Er is geen dieptepsychologie nodig om de afleiding van de naam Prolsk te vinden, en de rest klopt wonderwel met het beeld van de boze bolsjewiek zoals dat hier en daar gebruikt wordt om kleine kinderen en kinderlijke volwassenen paedagogisch te doen griezelen. Men telle zulke afdwalingen niet te licht. Indrukken uit de kinderjaren kunnen lang beklijven; en de helden uit zulke nonsensverhalen kunnen in het kinderlijke (en dus ook in het latere) zieleleven een grotere rol spelen dan met hun werkelijke betekenis of zelfs met hun plaats in de krant overeenkomt. Dat onze tekenaars zich houden aan de nonsens; pogingen om in hun verhalen de politiek te betrekken, leiden blijkbaar maar tot onheil." Eiso vindt het zoveel jaar later zelfs nodig de beschuldigingen te weerleggen: "De auteur van deze beschouwing was kennelijk weinig oplettend. Want er is een groot verschil tussen bolsjewieken en het groepje anarchisten van de heer Prolsk."[1746]

 

Dat de toenmalige communisten zich geviseerd voelden, is nogal voor de hand liggend. Allerlei elementen in het verhaal zorgen ervoor dat men de revolutionaire groepering van Prolsk met hen in verband brengt. Er zit een ander land achter de organisatie, Prolsk is zelf een buitenlander, één van zijn medewerkers heet Ivan, ze bereiden een revolutie voor, spreken elkaar aan met "kameraad", … Het beeld dat er op die manier van de communisten gegeven wordt, is dan ook niet zo fraai: alle bezittingen moeten afgestaan worden aan de partij, wie niet luistert wordt bedreigd, de partijleden schijnen geobsedeerd te zijn door bommen en houden zich naast bomaanslagen bezig met ontvoeringen, spionage, het stelen van documenten en het schrijven van dreigbrieven. En daar komt nog bij dat de politie niet officieel durft op te treden uit schrik voor reacties uit het "moederland".

Maar naast de communisten, wordt ook de politiek in het algemeen op de korrel genomen in het verhaal. De regering verkeert in crisis, zodat ze Bommel zomaar minister laat worden, regeerders komen om beurten uit de "Bijzondere Gevangenis voor Politieke Twijfelgevallen", ministers gedragen zich elitair en gebruiken een hoogdravend taaltje. Ze spreken elkaar trouwens aan met "ambtgenoot". Daartegenover staat dan de eenvoudige idealist Bommel die gewoon "in dienst van het vaderland" de belastingen en de oorlog wilt afschaffen.

Ook het gerecht wordt in het verhaal op de korrel genomen. De opgevoerde rechter gedraagt zich zeer elitair en de wachttijden voor processen zijn ontoelaatbaar lang.

 

Het verhaal werd oorspronkelijk gepubliceerd in de Nederlandse pers van 21 juni 1947 tot 9 september 1947. Zoals al in het contextgedeelte uitgelegd werd, kenden ook de Nederlandse communisten na de oorlog een redelijk groot succes. In tegenstelling tot de Belgische situatie werden ze echter nooit in de regering opgenomen. In de opkomende Koude Oorlog kozen ze dan ook heel snel de kant van de Sovjetunie, waardoor ze zich in het politieke landschap totaal isoleerden. Tijdens de publicatie van het verhaal werd het Marshallplan afgesloten, waartegen de Nederlandse communisten zich hevig zouden verzetten.

En Toonder mag dan wel verklaren dat hij geen politieke standpunten inneemt, ten opzichte van de communisten is hij in dit verhaal wel duidelijk.[1747] Ze worden afgeschilderd als echte terroristen in dienst van het buitenland, een ideale voorstelling om de bevolking nog meer van de Communistische Partij te laten vervreemden. Wel neemt hij voor de rest geen partijpolitieke standpunten in. Dat kon ook moeilijk, aangezien Tom Poes in Nederland in een linkse en een rechtse krant verscheen. Zijn "kritiek" op de politieke gang van zaken is dus een algemene kritiek, waarbij niemand echt geviseerd wordt. Net zoals de traditionele verwijzingen naar te hoge belastingen dat zijn.

 

19.6. De komst van Marc Sleen

 

Zoals al gezegd in het deel over De Nieuwe Gids, wordt deze krant in 1950 overgenomen door Het Volk. Dat betekent ook dat de verhalen van Marc Sleen vanaf april 1950 in Het Volk verschijnen. En dat gaat niet onopgemerkt voorbij. Voor de publicatie van het verhaal "De Hoed van Geeraard de Duivel", dat op 3 april 1950 van start gaat, worden niet minder dan veertien (!) aankondigingen gepubliceerd. Een eerste al op 1 maart, eentje op 6 maart en de rest tussen 20 maart en 2 april.

In die eerste aankondiging (met foto van de tekenaar), die hiernaast weergegeven wordt, wordt Marc Sleen voorgesteld als "een onzer beste Vlaamse tekenaars" en zijn verhalen behoren volgens de krant "tot de beste die tot dusver in de Belgische pers werden gepubliceerd".[1748]

Op 6 maart wordt een advertentie geplaatst in verband met de vernieuwing van de abonnementen, waarbij ook meegedeeld wordt dat de "tekenbanden" van Marc Sleen vanaf 1 april in Het Volk zouden staan.[1749] In de daaropvolgende aankondigingen worden de hoofdpersonages één per één voorgesteld (soms op pagina 1, soms op pagina 3), waarna de nadruk komt te liggen op het nieuwe verhaal, dat voorgesteld wordt als "het beste wat Marc Sleen tot dusver voor het Vlaamse publiek heeft getekend".[1750] En bij Het Volk overdrijven ze graag, want tegen het volgende verhaal is Sleen al "de beste striptekenaar van België".[1751]

Ook vallen de verhalen erg op in de krant. Dat was, door het kleine formaat van Het Volk, al het geval met de andere strips, maar aangezien er van Nero dagelijks twee stroken verschijnen, neemt deze strip gemakkelijk één derde van een krantenpagina in. Voor de bespreking van de verhalen, verwijs ik naar het deel over De Nieuwe Gids.

 

19.7. Ons Kindervolkje

 

Tenslotte neemt Het Volk ook nog strips op in de wekelijkse jeugdpagina Ons Kindervolkje, die op donderdag verschijnt. Van juli 1946 tot april 1949 verschijnen zes kortere of langere verhalen, waarvan de meeste Nederlandse ondertekststrips zijn.

Zo worden "Avonturen van Tobias Sloom en Binky in China"[1752] van Willy Kuijper en P. Lenty, "Naar zee" van Albert Van Beek en "Het grote avontuur van Peep en Put" gepubliceerd. Van juli tot september 1948 verschijnt dan weer een ballonstrip: "De geheimzinnige fakir", door de Belg Wally Delsey, die ook in Volksgazet en Vooruit publiceert.

En van september 1948 tot april 1949 staan er twee biografieën in Ons Kindervolkje. Deze volledig anonieme ondertekststrips vertellen op een educatieve manier het leven van ontdekkingsreiziger Christoffel Columbus en schrijver Hans Andersen.[1753] Daarna verdwijnen de strips uit deze rubriek.

 

19.8. Besluit

 

Met een start van de strippublicatie in februari 1946, bevindt Het Volk zich in de middengroep van Belgische kranten. De krant speelt vanaf het begin duidelijk de kaart van het eigen materiaal. En dat zou de volgende vijf jaar zo blijven, met Thomas Pips van Buth, Bazielken van Rik en Van Zwam van Marc Sleen.

Dat betekent echter niet dat de krant geen buitenlands materiaal zou opnemen. Integendeel, het stripaanbod wordt zo uitgebreid met M. Subito, Tim Tyler, Lou en Liesje en Tom Poes, verdeeld door Opera Mundi, PIB en de Toonderstudio's. Elke dag worden op die manier van één tot drie strips aangeboden aan de lezers. Ons Kindervolkje zorgt voor een wekelijks extraatje.

De gepubliceerde genres zijn zeer verscheiden, zowel gagstroken als vervolgverhalen, zowel humoristische als realistische strips, en zowel ballonstrips als ondertekststrips worden opgenomen. Toch is er een duidelijk overwicht aan ballonstrips. Zoals al gezegd, vallen de strips door het kleine formaat van de krant heel erg op.

Wat de auteurs betreft, deze worden meestal in de titels vermeld, ook de tekstschrijvers Pol Ingier en Lod. Lavki. In de aankondigingen krijgen de auteurs niet zoveel aandacht, op uitzondering van Buth, Lod. Lavki en Marc Sleen. Sleen, die trouwens een echt begrip in de toenmalige krantenwereld blijkt te zijn. Veel verhalen worden aangekondigd, met enkele uitschieters zoals "Het wondere wapen van Thomas Pips" en de komst van Marc Sleen.

En tenslotte, wat de politiek betreft, is Het Volk een zeer rijke krant. Het feit dat veel gepubliceerde verhalen van Belgische oorsprong zijn, is daar natuurlijk niet vreemd aan. Thomas Pips komt terecht in een Koude Oorlog-verhaal, Bazielken verkent Amerika, redt de Belgische frank en installeert een vrouwendemocratie in Zuid-Amerika. En ook Tom Poes mengt zich in de politiek, met de ministerbenoeming van Heer Bommel en het opdraven van een bende revolutionairen.

 

20. Le Peuple

 

20.1. Historiek en situering

 

Le Peuple werd in 1885 in Brussel opgericht als samensmelting van twee socialistische weekbladen, en werd de Waalse tegenhanger van Vooruit. In 1886 werd de "Société Coöpérative du Peuple" opgericht en in 1899 besliste de BWP dat elk lid zich moest abonneren op Le Peuple of Vooruit. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de publicatie onderbroken, tijdens de Tweede Wereldoorlog verscheen Le Peuple clandestien.

Na de bevrijding komt de krant terug op 4 september 1944. Ook wordt na de oorlog de socialistische pers gereorganiseerd: Le Peuple wordt een partijblad, en het Luikse La Wallonie een vakbondsblad. Daarvoor worden twee nieuwe uitgeversmaatschappijen opgericht, de Sodépe (Société d'édition du Peuple) en de Société d'Impression et d'Edition.

Om met de andere kranten te kunnen concurreren, gaat Le Peuple trouwens de populaire toer op, onder andere door de publicatie van de "magazine"-pagina. De krant staat onder leiding van Léon Delsinne (in 1948 opgevolgd door Albert Housiaux) en heeft Victor Larock als politiek directeur. Ze haalt volgens Campé in 1949 een oplage van 114.000 exemplaren.[1754]

Le Peuple verschijnt zes keer per week, en elke keer worden er strips opgenomen. De krant verschijnt op groot formaat (40/60) en de omvang stijgt van 4 pagina's in de beginperiode tot 8 pagina's in 1950. Ondertitel is "Organe du Parti Socialiste Belge". In een advertentie in het "Officieel jaarboek van de Belgische pers" typeert de krant zichzelf als volgt: "Se classe au premier rang des grands journaux par l'importance de son tirage, la variété et la rapidité de des informations. Il est répandu dans tous les milieux ouvriers, agricoles, parmi les employés, les techniciens et les intellectuels."[1755]

 

20.2. Strips uit België, Nederland en de VS

 

20.2.1. Donald Duck

 

""Le Peuple" a toujours été à l'affût de ce qui peut intéresser ses nombreux lecteurs. Ceux-ci lui en savent gré et le lui témoignent par leur fidélité. Aujourd'hui nous commençons la publication de deux innovations, deux nouvelles exclusivités." En na een nieuwe rubriek voorgesteld te hebben, gaat de tekst verder: "Pour nos petits lecteurs, nous publierons, chaque fois que les événements intéressant les grands le permettront, les aventures de Donald, le Canard, une des dernières créations du génial artiste Walt Disney, le père de l'inénarrable Félix le Chat. Aux uns et aux autres, nous souhaitons de trouver beaucoup de plaisir à la lecture de nos deux nouvelles rubriques."[1756]

Zo kondigt Le Peuple op 13 juli 1945 haar eerste naoorlogse strip, Donald Duck[1757], aan. Aan de tekeningen te zien, zijn deze gagstroken meer dan waarschijnlijk afkomstig uit de jaren 1930. De reeks, die verdeeld wordt door Opera Mundi, begint redelijk onregelmatig, maar wordt na verloop van tijd dagelijks.

 

20.2.2. Tenas & Rali laten Pierre Azur opstijgen

 

Donald loopt af op 4 april 1948, en wordt opgevolgd door een Belgisch verhaal. Tenas en Rali[1758] brengen namelijk "Pierre Azur, pilote de ligne". Deze realistische ballonstrip vertelt de avonturen van twee piloten, Pierre Azur (een "held" uit de Tweede Wereldoorlog) en Bob Toriac, die in Indië in een echt wespennest terechtkomen.

De luchtvaartmaatschappij waarvoor ze werken, Condor Air Line, wil een nieuwe route over Indië inwijden, maar een sabotagegolf houdt het vliegtuig aan de grond. Als ze dan toch kunnen opstijgen, worden ze tijdens hun vlucht aangevallen door vijandige toestellen. Ze worden verplicht te landen en worden gevangen genomen door de Prins van Gandor. Deze blijkt samen met een westerling aan het hoofd van een misdadigersbende te staan die de omgeving uitperst. Pottekijkers kunnen ze best missen en de luchtvaartmaatschappij is dus een serieuze stoorzender. Ook een wetenschappelijke expeditie blijkt trouwens een stoorzender te zijn, zodat de bende Professor Duray en zijn dochter ook opsluit.

De gevangenen worden gefolterd om informatie vrij te geven over de bedoelingen van de luchtvaartmaatschappij. Maar gelukkig voor hen slagen ze erin onderling contact te leggen en te ontsnappen. Achternagezeten door de bendeleden, vluchten ze op de rug van een heilige olifant naar het vliegveld waar ze in het begin van het verhaal geland waren. En daar komt alles goed: ze worden gered door de politie, waarna ze terugkeren naar de "beschaving".

Ook vanaf 6 april 1948 publiceert Le Peuple ook dagelijks een verticale strook van Ali Baba, van de hand van Ostrup.

 

20.2.3. Annie, nog altijd op de dool

 

Ook bij Le Peuple duurt de publicatie van Belgisch materiaal niet lang. Op 28 juli 1948 begint Le Peuple de publicatie van Annie l'orpheline van Darell McClure, een reeks die al besproken werd in de delen over La Wallonie en La Lanterne. In deze verhalen zetten Annie en haar hondje Zero hun vlucht verder, om te proberen uit de klauwen van het weeshuis te blijven. De gepubliceerde verhalen stammen waarschijnlijk uit de jaren 1930.

In één van de verhalen maakt Annie deel uit van een expeditie die achter een verloren schat zoekt. Een zeeman doet daarin enorm misprijzend over geld en "dikke kapitalisten". Maar Annie is veel positiever ingesteld tegenover de schat: "Pense un peu, Zéro, à la belle vie que nous allons avoir. Quand nous serons sur un grand bateau qui va nous mener dans une jolie île où on va retrouver beaucoup de dollars."[1759]

Later vindt de expeditie een verloren gewaand meisje terug. Eilandbewoners aanbidden haar als een godin. En om het meisje te kunnen benaderen, laten de expeditieleden Annie ook doorgaan voor een godin. Het lukt, en het meisje overlaadt Annie met vragen over de "pays magiques" waar ze vandaan komt. "Ah! Oui on y voit des choses extraordinaires mais il n'y a rien de magique ou de miraculeux.", vertelt Annie. En op de vraag van het meisje of die wonderlijke dingen groeien zoals de bloemen, antwoordt ze: "Mais non, elles ne poussent pas! Ce sont les hommes et les femmes qui travaillent durement pour les fabriquer. Ils sont très adroits."[1760]

De volgende dagen gaat dat gesprek serieus de immateriële en filosofische toer op. Zo verklaart Annie: "Une maman a bien plus de valeur que des bagues de diamant et autres bijoux!"[1761] En ook het geluk van de mensen en hun eigen aandeel daarin komt aan bod, zoals blijkt uit volgend gesprek:

  • "Oh! petite sœur chérie! Comme je voudrais connaître ces pays merveilleux d'où tu viens et où le bonheur des gens n'a pas de limites."

  • "Je t'assure Agnès que ce sont réellement de beaux et grands pays et que tout ce que je t'ai dit est la vérité. Mais tout le monde n'y est pas toujours heureux. Il y en a qui ne font pas ce qu'il faut pour être heureux!"

  • Mais pourquoi chercherait-on le malheur dans des pays aussi merveilleux?"

  • "Ce qu'il y a de plus curieux. Tout le monde pourrait être heureux mais je connais un tas de gens qui ne le sont pas."[1762]

Op een ander moment krijgt Annie te horen: "Et que tu sois déesse ou gamine, j'affirme que l'humanité serait bien heureuse, si ses dirigeants avaient ton honnêteté et ton courage."[1763] Weer een traditionele kritiek op de beleidsmakers …

Tenslotte moet nog vermeld worden dat het Annie-verhaal op een zeer verdachte manier eindigt. Om plaats te ruimen voor Tom Poes, wordt de publicatie op 20 januari 1949 afgebroken. Aan het verhaal wordt nog snel een einde gebreid, waarschijnlijk door een medewerker van Le Peuple. Want zoals op de linkerpagina's te zien is, is er duidelijk met de tekstballonnen en lettering geknoeid.

 

20.2.4. Tom Pouce et Monsieur Bommel

 

Op 21 januari 1949 gaat de publicatie van "Tom Pouce" van start. In tegenstelling tot de publicatie in Het Volk, wordt de volgorde van de verhalen hier wel gerespecteerd. En door de vroegere startdatum worden er vanzelfsprekend meer verhalen opgenomen. Op één uitzondering na worden alle verhalen uit Het Volk ook in Le Peuple gepubliceerd, dus ook het reeds besproken en zeer politiek getinte "Tom Poes en de talisman".

In de extra verhalen komen Tom Poes en Heer Bommel onder andere in contact met een watergeest, die allerlei mensen bedreigt en in kikkers verandert. Gelukkig blijkt het om een oplichter te gaan. In een ander verhaal zorgt de geschifte Professor Sickbock voor een verschuiving van de aardas, zodat de aarde in een nieuwe IJstijd terecht komt. Tom Poes en Bommel nemen het echter op tegen Sickbock en zorgen ervoor dat de aardas terug in haar oorspronkelijke positie terecht komt: ze hebben de wereld gered. Achteraf blijkt dat Sickbock uit puur commerciële redenen handelde: onder het ijs van de polen zouden zich diamanten en petroleum bevinden, die bij het smelten van de ijskappen opgegraven zouden kunnen worden.

Ook belanden de twee personages in Schotland, op zoek naar het monster van Loch Ness. Hierbij krijgt de lezer een beeld van de Schotten voorgeschoteld als enorm gierige mensen. Tom Poes en Heer Bommel moeten veel betalen voor een vuile hotelkamer in slechte staat, en voor alles moet extra betaald worden.

Tenslotte krijgt Tom Poes vanaf 8 februari het gezelschap van Donald Duck. Onder de titel "Les Nouvelles Aventures de Donald Duck" wordt namelijk een tweede reeks gagstroken van de Disney-eend gepubliceerd.

En vanaf 15 december duikt een nieuw personage op in de krant. Vanaf dan verschijnen namelijk de gagstroken van "Notre Ami Biskott" door Steve Donogan dagelijks in Le Peuple.

 

20.2.5. Les Jeunes: Histoire illustrée des travailleurs

 

Ook Le Peuple beschikt over een jeugdpagina, simpelweg getiteld "Les Jeunes". Meestal is deze een halve pagina groot, en wordt ze gevuld met allerlei artikels. Op deze jeugdpagina loopt van 16 januari 1947 tot 19 februari 1948 de educatieve reeks "Histoire illustrée des travailleurs". Hierin geeft tekenares Suzanne André[1764] wekelijks een episode weer uit de arbeidersgeschiedenis. Van de Galliërs tot de manufacturen, over François Anneessens, opstanden van horigen en een zestiende-eeuwse arbeidersopstand in Gent. Deze getekende geschiedenisles legt vooral de nadruk op de slechte leefomstandigheden van de arbeiders doorheen de tijd.

De opvolging is iets meer ontspannen en wordt verzorgd door Pif, Paf et Pouf. In deze gagstroken van de Britse tekenaar Tim[1765] spelen drie hondjes de hoofdrol. De reeks wordt verdeeld door het Londense Cooper Features.

 

20.3. Besluit

 

Ondanks een vroege start blijft Le Peuple op stripgebied eerder bescheiden. Lange tijd wordt er dagelijks maar één reeks gepubliceerd, en geleidelijk wordt dit aantal uitgebreid tot twee, drie en zelfs vier. Algemeen gezien zijn de gepubliceerde reeksen redelijk gevarieerd en worden ze gehaald bij Opera Mundi, PIB, de Toonder-Studio's, Studio Vox en Cooper Features. Ook wordt er beroep gedaan op Belgische auteurs, zowel in de krant zelf als voor de jeugdpagina.

Aankondigingen worden bij de start van sommige reeksen gepubliceerd, en als dat gebeurt, kunnen het er redelijk veel zijn: zo hebben zowel Ali Baba als Annie recht op zes aankondigingen. Auteurs worden daar soms in vermeld, wat totaal niet het geval is met de titels. Wie de naam van een auteur wilt kennen, is volledig aangewezen op de handtekeningen.

Van enkele verhalen is de politieke inhoud interessant. Annie verkondigt haar sociale boodschap verder, en het anticommunistische verhaal "Tom Poes en de talisman" wordt ook in Le Peuple opgenomen. Verder moet nog de "Histoire illustrée des travailleurs" vermeld worden, dat de jonge lezers in stripvorm de geschiedenis van de arbeidersbeweging bijbrengt.

 

21. La Métropole, La Flandre Libérale & L'écho de la Bourse

 

21.1. Historiek en Situering

 

La Métropole startte op 27 juni 1894 als Antwerpse katholieke krant. Ze was één van de Franstalige kranten die in Vlaanderen uitgegeven werden en ze richtte zich dus op een Franstalig publiek. In Antwerpen ging ze zo de concurrentie aan met de liberale krant Le Matin, die twee maanden vroeger ontstaan was. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de publicatie onderbroken. Het blad richtte zich op een nogal elitair publiek.[1766]

Ook in Gent werden de Franstaligen bediend met een Franstalige krant. Al in 1874 startte daar La Flandre Libérale, een liberale (natuurlijk) en antiklerikale krant. Tijdens de twee wereldoorlogen werd de publicatie stopgezet. Vanaf 6 september 1944 verscheen het blad terug op de markt, met Armand Behets als directeur en hoofdredacteur. En net als bij La Métropole was de doelgroep van La Flandre Libérale beperkt tot de hogere kringen.[1767]

L'écho de la bourse, tenslotte, is op het einde van de negentiende eeuw ontstaan uit verschillende economische kranten. Op 22 mei 1881 rolde het eerste nummer van de persen onder de naam "L'écho de la bourse de Bruxelles". In 1890 werd de krant dagelijks en werd de titel ingekort tot L'écho de la bourse. Zoals de titel al laat uitschijnen, richtte de krant zich vooral op financieel en beursnieuws.[1768]

 

21.2. Striploze kranten

 

In deze drie kranten werden voor de periode 1945-1950 geen strips teruggevonden. Het gaat om drie bladen met een zekere "sérieux" en een elitair publiek, de reden ligt dus waarschijnlijk gewoon bij het feit dat strips niet pasten in het redactioneel beleid van deze kranten. Ook gaat het om kranten met een redelijk kleine oplage, wat natuurlijk ook een invloed kan hebben. La Flandre Libérale haalde in 1949 20.000 exemplaren en La Métropole in datzelfde jaar 35.000[1769].  Zo blijkt dat niet alle kranten probeerden strips te publiceren.

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[1034] De Bens (Els). Op. Cit., p. 406; Campé (René), Dumon (Marthe) & Jespers (Jean-Jacques). Op. Cit., p. 482-484; Annuaire officiel de la presse belge. Op. Cit., p. 587

[1035] De eerste aflevering van Mandrake werd in 1934 in de Amerikaanse pers gepubliceerd. Lee Falk, die de reeks creëerde, zorgde voor de tekst, en liet het tekenwerk over aan Phil Davis. De reeks kende in de Verenigde Staten een groot succes, zodat er in 1939 zelfs een televisiebewerking van gemaakt werd. (Horn (Maurice)1 (ed.). Op. Cit., p. 195-196; Gaumer (Patrick)1. Op. Cit., p. 510)

[1036] Little Annie Rooney was oorspronkelijk een filmpersonage uit 1925. Twee jaar later kwam de stripbewerking tot stand. Nadat enkele tekenaars elkaar opgevolgd waren, stond Darell McClure vanaf 1930 in voor het tekenen van de dagstroken, op teksten van Brandon Walsh. (Horn (Maurice)1 (ed.). Op. Cit., p. 177-178; Gaumer (Patrick)1. Op. Cit., p. 482-483)

[1037] Brandon Walsh & Darell McClure. La petite Annie Rooney. (LW, 16/9/1946)

[1038] Idem. (LW, 5/11/1946)

[1039] Jacques Martin, Frans stripauteur, werd geboren in Straatsburg in 1921. Tijdens zijn studies kwam hij in België terecht en tijdens de Tweede Wereldoorlog begon hij te publiceren. Het pseudoniem Marleb komt voort uit zijn korte samenwerking met Henri Leblicq (Mar-tin en Leb-licq). Na die samenwerking zou hij dit pseudoniem toch blijven gebruiken tot 1950. Onder het pseudoniem Marleb zou hij verschillende verhalen maken, waaronder twee met deze personages. Hij werkte op het einde van de jaren 1940 ook voor Bravo, Wrill en Tintin. Martin zou later onder zijn eigen naam veel bekendheid verwerven met zijn historische reeksen Alix, Jhen, Arno, … en de detectivestrip Lefranc. (Van Passen (Alain). Signé Marleb ou le temps des recherches. In: Alix, Lefranc et Jacques Martin. Bruxelles, RTP, 1975, p. 17; Gaumer (Patrick)1. Op. Cit., p. 521-522; Groensteen (Thierry) & Martin (Jacques). Avec Alix. Tournai, Casterman, 1984, p. 10-40)

[1040] Robert (Michel). La Voie d'Alix: entretiens avec Jacques Martin. Paris, Dargaud, 1999, p. 10

[1041] Robert (Michel). Op. Cit., p. 95

[1042] Robert (Michel). Op. Cit., p. 35

[1043] George Swanson, Amerikaanse auteur geboren in 1897, tekende al enkele reeksen tijdens het interbellum. In 1943 startte hij met The Flop Family. (Gaumer (Patrick)1. Op. Cit., p. 299; Horn (Maurice)1 (ed.). Op. Cit., p. 120; George Swanson. Op: http://www.lambiek.net/swanson_george.htm - 28/4/2003)

[1044] Zie Le Matin.

[1045] Elementen die in die richting pleiten zijn de slordigheid en het feit dat auteur en reeks niet in repertoria of naslagwerken terug te vinden zijn. Een extra aanwijzing is dat de aankondiging vermeldt dat het om "Une exclusivité La Wallonie" gaat, iets dat deze krant maar op één ander moment schrijft, bij de start van de Belgische verhalen Folichon en Le Sept de Trèfle. (LW, aankondigingen op 30/10/1948, p. 1 & 30/10/1946, p. 1)

[1046] Frans stripauteur, in 1924 geboren in Avignon. Na de oorlog werkte hij een tijdje in een tekenfilmbedrijf, waarna hij vanaf 1949 strips ging tekenen voor de Franse dagbladpers. Le Capitaine Fracasse, dat in Frankrijk onder andere in L'Humanité en La Nouvelle République gepubliceerd werd, maakte hij voor het agentschap Paris-Graphic. (Gaumer (Patrick)1. Op. Cit., p. 113; Beyrand (Alain) (red.). De Lariflette à Janique Aimée. Catalogue encyclopédique des bandes horizontales françaises dans la presse adulte de 1946 à 1975. Tours, Pressibus, 1995, p. 137-138)

[1047] Zijn "Le Capitaine Fracasse" verscheen in 1863. (Théophile Gautier. Op: Encyclopédie Microsoft Encarta 1998)

[1048] Popeye dook in 1929 op in de reeks "Thimble Theatre", die tien jaar eerder van start gegaan was. Auteur van dienst was de Amerikaanse E.C. Segar. Bij zijn dood in 1938 werden de scenario's van de reeks overgenomen door Tom Sims, en de tekeningen door Bill Zaboly. (Horn (Maurice)1 (ed.). Op. Cit., p. 371-373; Gaumer (Patrick)1. Op. Cit., p. 764-765)

[1049] Zie hiernaast.

[1050] Zie Le Soir.

[1051] Alex Raymond. Rip Kirby. (LW, 29/7/1950)

[1052] In de VS oorspronkelijk "King of the royal mounted". De reeks startte in 1935, geschreven door Zane Gray en getekend door Allen Dean. Van 1939 tot 1954 stond Jim Gary in voor de tekeningen. (Horn (Maurice)1 (ed.). Op. Cit., p. 169; Gaumer (Patrick)1. Op. Cit., p. 448)

[1053] Eén van de bendeleden heet Ivan. (Jim Gary. Le roi de la police montée. - LW, 8/11/1949)

[1054] Idem. (LW, 26/10/49)

[1055] Brick Bradford dook voor het eerst op in 1933 in de Amerikaanse pers. William Ritt zorgde voor de scenario's, Clarence Gray voor de tekeningen. In 1948 nam deze laatste ook de tekst voor zijn rekening, zodat hij de enige auteur van de reeks werd. (Gaumer (Patrick)1. Op. Cit., p. 114-115; Clarence Gray. Op: http://www.lambiek.net/gray_c.htm - 28/4/2003)

[1056] Clarance Gray. Luc Bradefer. (LW, 17/11/1949)

[1057] Anoniem. Les aventures de Folichon dans la résistance, str. 1 (LW, 30/10/1946)

[1058] Idem, str. 4 (LW, 4/11/1946)

[1059] Idem, str. 55 (LW, 4/1/1947)

[1060] Idem, str. 82 (LW, 5/2/1947)

[1061] Idem, str. 87 (LW, 11/2/1947)

[1062] Idem, str. 141 (LW, 16/4/1947)

[1063] Idem, str. 201 (LW, 28/6/1947 (str. 201)

[1064] Intelligence Service, Britse dienst voor informatievergaring en contraspionnages. (Le petit Larousse illustré 2001. Paris, Larousse, 2000, p. 1413)

[1065] Idem, str. 312 (LW, 8/11/1947 (str. 312)

[1066] Idem, str. 3-6-7-14-15-17-22-34-36-39-60-68-71-91-245 

[1067] Idem, str. 9 (LW, 9/11/1946)

[1068] Idem, str. 6-7-43-80-167-277-9-43-62-76-91-156-122-122-229-227-286 (Het gaat meestal wel degelijk om andere personages met dezelfde naam.)

[1069] Idem, str. 24 (LW, 27/11/1946)

[1070] Idem, str. 158 (LW, 7/5/1947)

[1071] Idem, str. 231 (LW, 4/8/1947)

[1072] Idem, str. 309 (LW, 5/11/1947)

[1073] Scélerat, criminel. (Idem, str. 271 & 273 - LW, 20/9/1947 & 23/9/1947)

[1074] Idem, str. 309 (LW, 5/11/1947)

[1075] Idem, str. 2 (LW, 1/11/1946)

[1076] Idem, str. 55 (LW, 4/1/1947)

[1077] Idem, str. 12-18 (LW, 13/11/1946 - 20/11/1946)

[1078] Idem, str. 22 (LW, 25/11/1946)

[1079] Idem, str. 30-31 (LW, 4/12/1946 & 5/12/1946). Andere voorbeelden zijn: "Atteint de plusiers balles le S.S. s'écroule mortellement blessé." (str. 39 - 14/12/1946); bij het neerschieten van een vliegtuig: "Touché, le boche descend en flammes." (str. 78 - 31/1/1947); "Touché au beau milieu du front, l'allemand fait la culbute." (str. 131 - 3/4/1947); "A toute volée, la tête de l'Allemand s'applatit contre un arbre." (str. 161 - 10/5/1947); Folichon bij het neerslaan van een Duitser: "Bitte! Un petit souvenir pour ta mâchoire inférieure … et une tendre caresse pour l'autre!" (str. 246 - 22/8/1946)

[1080] Idem, str. 162 (LW, 12/5/1947)

[1081] Idem, str. 163 (LW, 13/5/1947)

[1082] Idem, str. 258-260 (LW, 5/9/1947 – 8/9/1947)

[1083] Idem, str. 305 (LW, 30/10/1947)

[1084] Idem, str. 3-11-14-32-56-69-71-…

[1085] Idem, str. 241 & 312 (LW, 6/8/1947 & 8/11/1947)

[1086] Idem, str. 82 (LW, 5/2/1947)

[1087] Idem, str. 83 (LW, 6/2/1947)

[1088] Minister van Wederopbouw van maart 1946 tot maart 1947.

[1089] Zie context & Lagrou (Pieter)2. Op. Cit., p. 54-68

[1090] Hemmerijckx (Rik). Van Verzet tot Koude Oorlog, 1940-1949, machtsstrijd om het ABVV. Brussel, VUBPress, 2003, p. 48-49, 65-67 & 379

[1091] De Bens (Els). Op. Cit., p. 310; Campé (René), Dumon (Marthe) & Jespers (Jean-Jacques). Op. Cit., p. 193-194; Bracke (Nele)1. De Nieuwe Gazet. In: NEVB, Op. Cit., p. 2205; Annuaire officiel de la presse belge / Officieel jaarboek van de Belgische pers. Association Générale de la presse belge / Algemene Belgische persbond, 1950, p. 579

[1092] Annuaire officiel …. Op. Cit., p. 92

[1093] NGA, aankondiging op 5/12/1946, p. 1

[1094] Nederlandse architect-schilder-tekenaar, geboren in Amsterdam in 1898. Kannegieter publiceerde een omvangrijk aantal krantenstrips in de Nederlandse en Belgische pers. Tom de Negerjongen werd voor het eerst gepubliceerd in 1933-1934. (Henricus Kannegieter. Op: http://www.lambiek.net/aanvang/kannegieter.htm - 22/4/2003)

[1095] NGA, aankondiging op 21/11/1947, p. 7

[1096] NGA, aankondiging op 7/11/1948, p. 1

[1097] Verdere informatie over Bob De Moor in het deel over Het Nieuws van den Dag. Artec werd al behandeld in de inleiding van dit derde deel.

[1098] Ook andere futuristische elementen, zoals cirkelvormige, geluidloze vliegtuigen, komen in het verhaal voor.

[1099] Verdeeld door P.I.B.

[1100] De waarschijnlijk niet al te grote oplage en het feit dat de verkoopprijs al in 1949 op 1,50 frank wordt gebracht, kunnen daarop wijzen.

[1101] Henricus Kannegieter. Op: http://www.lambiek.net/aanvang/kannegieter.htm (22/4/2003)

[1102] De Laet (Danny)2. Het Beeldverhaal in Vlaanderen. Breda, Brabantia Nostra, 1977, p. 23

[1103] "Overal" is het familieweekblad van de N.V. De Gids-groep, en is daarmee de De Gids-versie van "Ons Volk" (Standaardgroep).

[1104] "'t Kapoentje" is het kinderweekblad van De Gids-groep, tegenhanger van "Ons Volkske" (Standaardgroep).

[1105] Smet (Jan) e.a. Bob De Moor. Turnhout, De Warande, 1989, p. 77-78

[1106] Bijvoorbeeld: "Parker, ge moet de kapoentjes eens een flink pak slaag geven …" & "Oeioei, de kapoentjes." (Anoniem (Bob De Moor). Petrus en zijn rakkers – NGA, 1/12/1950 & 8/12/1950)

[1107] NGA, aankondiging op 2/7/1950, p. 1

[1108] Campé (René), Dumon (Marthe) & Jespers (Jean-Jacques). Op. Cit., p. 300-306; Van Lint (Ivan). De kommunistische partij van België, een politieke analyse: 1947-1958. Licentieverhandeling Politieke Wetenschappen VUB, 1984-1985, p. 104-107; Van Hoorick (Bert). In tegenstroom. Herinneringen 1919-1956. Uitgeverij Masereelfonds, 1982, p. 206 (Campe vermeldt cijfers van de uitgevers voor 1949 en 1953: 110.000 en 50.000)

[1109] Van Lint (Ivan). Op. Cit., p. 104-107

[1110] Campé (René), Dumon (Marthe) & Jespers (Jean-Jacques). Op. Cit., p. 300

[1111] Hij bekleedde die post vanaf 1945. (Delforge (Paul). Jean Terfve. In: Delforge (Paul) e.a. (dir.). Encyclopédie du Mouvement Wallon, Tome III. Mont-sur-Marchienne, Institut Jules Destrée, 2001, p. 1516-1517)

[1112] Annuaire officel de la presse …. Op. Cit., p. 571

[1113] Gerlo (Aloïs). Noch hoveling noch gunsteling, een levensverhaal. Kapellen, DNB/Pelckmans, 1989, p. 89. Coenen bekleedde voor de oorlog al belangrijke functies in de Communistische Partij en kwam in 1943 op de post van hoofdredacteur van Le Drapeau Rouge. (Delzenne (Yves-William) & Houyoux (Jean). Le nouveau dictionnaire des Belges. Bruxelles, Le Cri, 1998, 802 p.)

[1114] Organe Central Quotidien du Parti Communiste de Belgique", "Organe Central du Parti Communiste Belge", "Organe Central Quotidien du Parti Communiste de Belgique"

[1115] De nummering van de stroken gebeurt eerst per twee, en pas even nadat de publicatie teruggebracht is tot één strook per week, krijgt elke strook een apart nummer. Daar komt nog bij dat eind februari 1946 een "46" naast de handtekening te vinden is, wat erop wijst dat die stroken niet lang daarvoor getekend zijn. Ook het onbekende pseudoniem en de afwezigheid van een copyright wijzen op een originele creatie.

[1116] Depessemier (Daniel). Maurice Tillieux de 1921 à 1952. In: M. Tillieux inédit en album. Bruxelles, Editions de l'élan, 2002, p. 4-13; Verheylewegen (Jean-Pierre). Hommage à M. Tillieux. Bruxelles, CBEBD, 2001, 84 p. 71-72; Jour (Jean). M. Tillieux, monographie de la bande dessinée. Editions de Perron, 1984, p. 7-8; Dossier Tillieux. In: Les Dossiers de la Bande Dessinée, n° 10, mars 2001, p. 5-11

[1117] Crépin (Thierry). "Haro sur le gangster!" La moralisation de la presse enfantine 1934-1954. Paris, CNRS Editions, 2001, p. 397-400. Pierre Assouline noemt hem een "communiste marqué et affiché" (Assouline (Pierre). Op. Cit., p. 380)

[1118] Toen striptekenaar Jijé na de oorlog gedurende twee maanden in de gevangenis belandde, zorgde Doisy voor zijn vrijlating door de handtekening te verkrijgen van de Minister van Informatie, de communist Fernand Demany. (Martens (Thierry)2. 1945-1947. In: Jijé. Tout Jijé, 1945-1947. Marcinelle, Dupuis, 2000, p. 10)

[1119] Philippe Mouvet, die momenteel een monografie over Tillieux voorbereidt, houdt zowel praktische redenen (teveel werk door zijn samenwerking met allerlei publicaties) als ideologische redenen (eigen keuze of druk van een andere werkgever) voor mogelijk.

[1120] Zoals we verder nog zullen zien, publiceerden Louis Paul Boon en Maurice Roggeman in De Roode Vaan verhalen met uitgesproken communistische standpunten. Uit de relatie tussen Boon en De Roode Vaan blijkt ook dat de partijleiding een sterke controle uitoefende op de inhoud van de krant.

[1121] Wat de keuze van het pseudoniem Saint Thiers betreft, liggen verschillende mogelijkheden open. Zo bestaat er in het Zuid-Oost-Franse stadje Saou een abdij van Saint Thiers. Het is niet denkbeeldig dat Tillieux daar geweest is. In zijn kindertijd heeft hij en tijdje in Aix-en-Provence gewoond en rond zijn zestiende maakte hij met enkele vrienden een fietstocht door Frankrijk, waarbij de Alpen doorkruist werden, en plaatsen in de ruime omgeving van Saou aangedaan werden. (Dossier Tillieux. Op. Cit., p. 5) Andere mogelijkheden zijn inspelingen op de stad Thiers en de Franse politicus van dezelfde naam …

[1122] Roger Bussemey, Franse stripauteur, geboren in 1920. Vanaf 1943 werkte hij in een tekenfilmstudio en vanaf 1946 publiceerde hij zijn eerste strips in de Franse pers (l'Aurore, le Parisien Libéré, l'Humanité). Hij werkte ook mee aan een hele reeks andere publicaties, waaronder "OK", "Lisette" en "Pierrot". (Gaumer (Patrick)1. Op. Cit., p. 128)

[1123] Roger Masmonteil, Franse stripauteur, geboren in 1924. Mas werkte als bankbediende en brandweerman, en begon na de bevrijding tekeningen te publiceren in het tijdschrift van de brandweer. In 1948 werd hij terug bankbediende, maar hij droomde ervan om professioneel tekenaar te worden. Dat lukte toen hij in contact kwam met de communistische "Editions Vaillant", die hem onder andere "Bec d'Or" van José Cabrero Arnal lieten overnemen. Eén van zijn andere toenmalige personages is Barbichette. (Gaumer (Patrick)1. Op. Cit., p. 524-525; Roger Mas. Op: http://www.lambiek.net/mas_r.htm - 27/3/2003)

[1124] Vanaf oktober 1947, en tot in 1949, worden verschillende verhalen gepubliceerd. Soms neigt de vormgeving naar een stripverhaal, soms totaal niet. De verhalen zijn niet opgenomen in de inventaris, maar het geval is interessant genoeg om hier te vermelden.

[1125] Normaal gezien zouden er acht afleveringen moeten zijn. De tweede, over de Spaanse burgeroorlog, werd echter niet in Le Drapeau Rouge gepubliceerd.

[1126] Colonel Fabien. Op: www.salan.asso.fr/fabien.htm (3/4/2003)

[1127] Filippini (Henri)3. Dictionnaire encyclopédique des héros et auteurs de BD, Vol. III. Grenoble, Glénat, 2000, p. 790

[1128] Ambrosi (Christian) & Ambrosi (Arlette). La France 1870-1986. Paris, Masson, 1986, p. 242-254; Bezbakh (Pierre). Histoire de la France contemporaine de 1914 à nos jours. Paris, Bordas, 1990, p. 127-155; Histoire du PCF. Op: http://monsite.ifrance.com/edechambost/histoire_du_pcf_3.htm (6/4/2003)

[1129] Maurice Damois. Fabien, héros de légende. (LDR, 5/1/1950)

[1130] Idem. (LDR, 5/1/1950)

[1131] Idem. (LDR, 5/1/1950)

[1132] Idem. (LDR, 12/1/1950)

[1133] Idem. (LDR, 12/1/1950)

[1134] Idem. (LDR, 12/1/1950)

[1135] Idem. (LDR, 12/1/1950)

[1136] Idem. (LDR, 12/1/1950)

[1137] Idem. (LDR, 19/1/1950)

[1138] Idem. (LDR, 19/1/1950)

[1139] Idem. (LDR, 19/1/1950)

[1140] Idem. (LDR, 26/1/1950)

[1141] Idem. (LDR, 2/2/1950)

[1142] Idem. (LDR, 2/2/1950)

[1143] Idem. (LDR, 9/2/1950)

[1144] Idem. (LDR, 9/2/1950)

[1145] Idem. (LDR, 9/2/1950)

[1146] Idem. (LDR, 16/2/1950)

[1147] Idem. (LDR, 16/2/1950)

[1148] "Mon rôle est", "Mais Pierre sait où est son devoir" (Idem. - LDR, 12/1/1950), geeft niet toe aan folteringen (12/1/1950), geeft een tweede keer niet toe aan folteringen (2/2/1950)

[1149] Idem. (LDR, 12/1/1950)

[1150] Idem. (LDR, 19/1/1950)

[1151] Idem. (LDR, 26/1/1950)

[1152] Het ontbreken van strips in Le Drapeau Rouge kan men dus zeker niet toeschrijven aan het feit dat ze geen Amerikaanse strips wilden publiceren. Als dat al zo was, bestonden er genoeg alternatieven, zoals eigen werk of de buitenlandse communistische pers. Amerikaanse stripfiguren duiken trouwens op in de krant in het najaar van 1947. Le Drapeau Rouge neemt dan namelijk, net als de andere Belgische kranten, de advertenties op van het "Nationaal Strijdcomité tegen het Duur Leven", waarbij Disney- en andere stripfiguren gebruikt worden. (Zie het deeltje over deze campagne).

[1153] De titel De Roode Vaan verandert in mei 1947 als gevolg van de spellingsverandering in De Rode Vaan.

[1154] Als we Louis Paul Boon mogen geloven, kwam er bij de redactie van De Roode Vaan veel vertaalwerk te pas. (Hebbelinck (André). "In feite ben ik een seismograaf". In: De Ley (Gerd). Een man zonder carrière: gesprekken met Louis Paul Boon. Amsterdam, De Arbeiderspers, 1982, 1976 p. 134; Goeman (Geert). Louis Paul Boon bij De roode vaan, 1945-1946. Op: www.lpboon.net/bub/7_1/roodevaan.htm - 8/6/2003)

[1155] Beke (Frans) & Vandenabeele (Werner). De Rode Vaan. In: NEVB, Op. Cit., p. 2623-2624

[1156] Gerlo vermeldt in zijn memoires de periode december 1945 – februari 1946. (Gerlo (Aloïs). Op. Cit., p. 89)

[1157] Vandenabeele (Werner). Louis Paul Boon en De roode vaan. Op: www.lpboon.net/bub/6_3/werner.htm - 8/6/2003; Muyres (J.)1. Bibliografisch overzicht van de bijdragen van Louis Paul Boon in de periodieken 1944-1979, Deel 1. Brugge, Kruispunt, 1986, p. 25 (De data zijn approximatief, er bestaat in de literatuur geen eensgezindheid over.)

[1158] Roggeman (Maurice). Herinneringen van Maurice (Morris) Roggeman. In: Boon (Louis Paul). Brieven aan Morris. Maastricht, Gerards & Schreurs, 1989, p. 137-138; Bruinsma (E.), De Geest (D.) & Humbeeck (K.). Voorwoord. In: Louis Paul Boon, Het literatuur- en kunstkritische werk. I: De Roode Vaan. Antwerpen, UIA, 1994, p. XXIII; Goeman (Geert). Op. Cit.; Vandenabeele (Werner). Op. Cit.; Van Hoorick (Bert). In tegenstroom. Herinneringen 1919-1956. Uitgeverij Masereelfonds, 1982, p. 206

[1159] Roggeman (Willem M.). Inleiding. In: Boon (Louis Paul) & Roggeman (Maurice). Proleetje en Fantast. Amsterdam, Querido / De Arbeiderspers, 1982, p. 5

[1160] Durnez (Gaston)9. Louis Paul Boon In: NEVB. Op. Cit., p. 549-550; Muyres (J.)2. De Kapellekensbaan groeit. Over de ontstaansgeschiedenis van …. Leiden, Uitgeverij Plantage, 1995, p. 28-31; Weverbergh (Julien) & Leus (Herwig). Boonboek: gesprekken met Louis Paul Boon …. Manteau, 1972, p. 12 & 32; Winkler Prins Lexicon van de Nederlandse letterkunde. Amsterdam / Brussel, Elsevier, 1986, p. 55

[1161] Roggeman volgde er zes jaar les, Boon maar één jaar. (Weverbergh (Julien) & Leus (Herwig). Op. Cit., p. 32)

[1162] Met o.a. Bert Van Hoorick, latere hoofdredacteur van De Roode Vaan. (Roggeman (Maurice). Herinneringen van Maurice (Morris) Roggeman. In: Boon (Louis Paul). Brieven aan Morris. Maastricht, Gerards & Schreurs, 1989, p. 119)

[1163] Roggeman verklaarde later: "Boon was een uitgesproken anti-fascist. Hij heeft niet actief deelgenomen aan het verzet, hij was echter wel sympatisant. Hij heeft mensen zoals ik, die gezocht werden door de Gestapo, bij hem thuis ontvangen". (Weverbergh (Julien) & Leus (Herwig). Op. Cit., p. 59)

[1164] Muyres (J.) & Vanheste (B.). Voorwoord. In: Boon (Louis Paul). Brieven aan Morris. Maastricht, Gerards & Schreurs, 1989, p. 5-6; Roggeman (Maurice). Op. Cit., p. 101-134; Weverbergh (Julien) & Leus (Herwig). Op. Cit., p. 40 & 67; Vandenabeele (Werner). Op. Cit.; Muyres (J.)2. Op. Cit., p. 30-31, 35; Muyres (J.) & Vanheste (B.) (eds.) & Boon (Louis Paul). Memoires van Boontje. Amsterdam, De Arbeiderspers, 1989, p. 15, 182

[1165] Louis Paul Boon. In: Florquin (Joos). Ten huize van … (achtste reeks). Leuven, Davidsfonds, 1972, p. 24-25

[1166] Goeman (Geert). Op. Cit.

[1167] Weverbergh (Julien) & Leus (Herwig). Op. Cit., p. 40

[1168] Goeman (Geert). Op. Cit.; Humbeeck (K.). Onder de giftige rook van Chipka: Louis Paul Boon en de fabrieksstad Aalst. Gent, Ludion, 1999, p. 128-129; Bruinsma (E.), De Geest (D.) & Humbeeck (K.). Op. Cit., p. XXI-XXII; Muyres (J.) & Vanheste (B.) (eds.) & Boon (Louis Paul). Op. Cit., p. 111

[1169] Bruinsma (E.), De Geest (D.) & Humbeeck (K.). Op. Cit., p. XXII-XXIII

[1170] Maarten Thijs en Rosa Michaut.

[1171] Door de dalende verkoop werd de controle en bemoeienis van de partijleiding alleen maar erger. Daardoor ging Boon met steeds mider plezier op De Roode Vaan werken. (Muyres (J.)2. Op. Cit., p. 33; Muyres (J.) & Vanheste (B.) (eds.) & Boon (Louis Paul). Op. Cit., p. 182)

[1172] Boon ging zich op de duur van het communisme distanciëren. In zijn later werk De Kapellekensbaan uitte hij kritiek op de leiding van de KPB en De Roode Vaan. (Bruinsma (E.), De Geest (D.) & Humbeeck (K.). Op. Cit., p. XXIII; Muyres (J.)2. Op. Cit., p. 33; Goeman (Geert). Op. Cit. Weverbergh (Julien) & Leus (Herwig). Op. Cit., p. 78)

[1173] Muyres (J.)1. Op. Cit., p. 25-26; Weverbergh (Julien) & Leus (Herwig). Op. Cit., p. 67, 76-77; Hebbelinck (André). Op. Cit., p. 134-135; Muyres (J.) & Vanheste (B.). Op. Cit., p. 7; Roggeman (Maurice). Op. Cit., p. 136; Muyres (J.) & Vanheste (B.) (eds.) & Boon (Louis Paul). Op. Cit., p. 73; Bruinsma (E.), De Geest (D.) & Humbeeck (K.). Op. Cit., p. XXIII; Goeman (Geert). Op. Cit.; Vandenabeele (Werner). Op. Cit.

[1174] Muyres (J.) & Vanheste (B.) (eds.) & Boon (Louis Paul). Op. Cit., p. 72-73

[1175] Roggeman (Maurice). Op. Cit., p. 137

[1176] Weverbergh (Julien) & Leus (Herwig). Op. Cit., p. 76

[1177] Weverbergh (Julien) & Leus (Herwig). Op. Cit., p. 76-77. Zo erg vooruit op z'n tijd was dit verhaal nu ook weer niet. Bij het begin van de publicatie waren Willy Vandersteen, Anne-Marie Prijs en Buth in de Vlaamse pers al bezig met strips. En zij maakten volledig gebruik van (moderne) tekstballonnen.

[1178] Van Hoorick (Bert). Op. Cit., p. 206

[1179] Ook Boon moest soms haastig te werk gaan. Hij kreeg tegen het midden van het eerste verhaal last van zijn maag, moest thuisblijven, en stuurde de teksten (soms redelijk) laat op. Dus nog minder tijd voor Roggeman om ze uit te tekenen. (Roggeman (Willem M.). Op. Cit., p. 6)

[1180] Het is dan ook niet echt verwonderlijk dat men de opdracht toevertrouwde aan Boon en Roggeman, de schrijver en de tekenaar van het gezelschap.

[1181] Roggeman (Willem M.). Op. Cit., p. 6

[1182] Mans (Willard). Louis Paul Boon in de strip. In: Stripschrift,  nr. 323 (jg. 32, nr. 6), p. 22

[1183] Anoniem (Louis Paul Boon & Maurice Roggeman). De wonderlijke avonturen van Proleetje en Fantast. (DRV, 1/5/1946 – 28/9/1946)

[1184] Idem, str. 2 (DRV, 3/5/1946)

[1185] Idem, str. 3 (DRV, 4/5/1946)

[1186] Idem, str. 43 (DRV, 13/7/1946)

[1187] Idem, str. 51 (DRV, 24/7/1946)

[1188] Idem, str. 104 (DRV, 25/9/1946)

[1189] Idem, str. 106 (DRV, 27/9/1946)

[1190] Idem, str. 107 (DRV, 28/9/1946)

[1191] De naam Buchenwald is niet zomaar gekozen. Hoofdredacteur van De Roode Vaan Bert Van Hoorick had er gezeten. (Muyres (J.) & Vanheste (B.) (eds.) & Boon (Louis Paul). Op. Cit., p. 185)

[1192] Idem, str. 21 (DRV, 6/6/1946)

[1193] Idem, str. 3 (DRV, 4/5/1946)

[1194] Witte (Els)3. Politiek en democratie. Brussel, VUBPress, 1996, p. 84

[1195] Peiren (Luc). De Communistische Partij van België gedurende de Koude Oorlog 1944-1968. In: Van den Wijngaert (Marc) & Buellens (Lieve). Oost West West Best, België onder de Koude Oorlog 1947-1989. Tielt, Lannoo, 1997, p. 195

[1196] Witte (Els)3. Op. Cit., p. 112-113

[1197] Idem, str. 62 (DRV, 6/8/1946)

[1198] DRV 24/1/1946, p. 1; 25/1/1946, p. 1; 31/1/1946, p. 1; 14/6/1946, p. 1; 28/6/1946, p. 1; 26/7/1946, p. 1; 31/7/1946, p. 1

[1199] Anoniem (Maurice Roggeman). Proleetje en Fantast Globetrotters, str. 40 (DRV, 4/1/1947)

[1200] Muyres (J.) & Vanheste (B.) (eds.) & Boon (Louis Paul). Op. Cit., p. 15-16

[1201] Muyres (J.)2. Op. Cit., p. 33-34

[1202] Aloïs Gerlo vertelt: "Als zovelen … was ook hij in de ban van de ideologie die een rechtvaardige, klassenloze maatschappij in het leven zou roepen en de kleine man zou bevrijden." (Gerlo (Aloïs). Op. Cit., p. 103)

[1203] Ook de reportage "Brussel een oerwoud" kent een gelijkaardig einde. (Muyres (J.)2. Op. Cit., p. 33-34)

[1204] Anoniem (Maurice Roggeman). Proleetje en Fantast Globetrotters, str. 16 (DRV, 5/12/1946)

[1205] Idem, str. 18 (DRV, 7/12/1946)

[1206] Idem, str. 22 (DRV, 12/12/1946)

[1207] Idem, str. 16 e.a. (DRV, 5/12/1946 e.a.)

[1208] DRV, 29/6/1946, p. 1; 2/7/1946, p. 1; 3/7/1946, p. 1

[1209] Willem M. Roggeman vermeldt in de inleiding van de boekuitgave van Proleetje en Fantast de aanwezigheid van het verhaal van verborgen steken aan het adres van de KPB. De Kapitein Eénog in het verhaal zou niemand minder zijn dan hoofdredacteur Bob Dubois. Hij werd zo afgebeeld omdat hij te veel de richtlijnen van partijleider Edgar Lalmand opvolgde.[1209] Of veel lezers dit doorhadden, valt natuurlijk sterk te betwijfelen. (Roggeman (Willem M.). Op. Cit., p. 5-6)

[1210] Idem, str. 29 (DRV, 20/12/1946)

[1211] Idem, str. 30 (DRV, 21/12/1946)

[1212] Idem, str. 34 (DRV, 27/12/1946)

[1213] In heel het verhaal wordt het woordt papieren consequent vervangen door "pampieren".

[1214] Uit de insciptie op de kist "b … aire" kan men afleiden dat het om Argentinië kan gaan.

[1215] Idem, str. 38 (DRV, 1/1/1948)

[1216] Idem, str. 39 (DRV, 3/1/1948)

[1217] Idem, str. 41 (DRV, 6/1/1947)

[1218] Idem, str. 41 (DRV, 6/1/1947)

[1219] Idem, str. 43 (DRV, 8/1/1947)

[1220] Idem, str. 46 (DRV, 13/1/1947)

[1221] Zuid-Amerikaanse boeren.

[1222] Idem, str. 47 (DRV, 14/1/1947)

[1223] Idem, str. 50 (DRV, 17/1/1947)

[1224] De Bens (Els). Op. Cit., p. 383-384 ; Campé (René), Dumon (Marthe) & Jespers (Jean-Jacques). Op. Cit., p. 227-231 ; Campé (René). La presse libérale depuis 1846. In: Hasquin (Hervé) & Verhulst (Adriaan) (eds.). Le libéralisme en Belgique: deux cents ans d'histoire. Bruxelles, Delta, 1989, p. 194

[1225] M. Cro van Reding.

[1226] Servais (Max). Les aventures de Jacquy et Marcou: Le Secret du Mastaba. Bruxelles, Van Gompel, 1942, 60 p. Het exemplaar van de KBR is verdwenen. Uit een fotokopie van de kaft blijkt wel dat de personages in de twee verhalen dezelfde zijn.

[1227] Canonne (Xavier). Max Servais. In: Nouvelle biographie nationale IV. Bruxelles, Académie Royale des sciences, des lettres et des beaux-arts de Belgique, 1997, p. 352-354; Piron (Paul). De Belgische Beeldende Kunstenaars uit de 19de en 20ste eeuw . Brussel, Art in Belgium, 1999, p. 1212. Canonne vermeldt verkeerdelijk dat Le Peuple na de oorlog Le Secret du Mastaba gepubliceerd heeft.

[1228] Geoffrey Foladori, stripauteur uit Urugay, geboren in 1908. (Fola. Op: http://www.lambiek.net/fola.htm - 5/5/2003)

[1229] Zie Le Matin en De Nieuwe Gazet/'t Vrije Volksblad.

[1230] Gaumer (Patrick)1. Op. Cit., p. 661; Auquier (Jean)1. Raymond Reding conteur sportif. In: Reding (Raymond). Tirs au but. Bruxelles, CBBD – La Poste, 1998, p. 6-7; Van Hamme (Jean) (red.). Op. Cit., p. 42

[1231] Ray Reding. Les enquêtes de M. Cro, détective, La formule volée. (DH, 1/6/1947 & 6/6/1947)

[1232] Idem, Les 7 corbeaux. (DH, 6/12/1949)

[1233] Onder andere in "Echec … et masque" (DH, 28/12/1947 - 15/4/1948) en "Le dard de jade" (DH, 26/9/1948 – 20/3/1949)

[1234] Zie Le Soir.

[1235] Pseudoniem van Jean Deleu, zou later illustrator worden bij Averbode. (Huygens (Frank). Mooie plaatjes. Illustratie, lay-out en beeldverhaal in de jeugdtijdschriften (1920-2002). In: Ghesquière (Rita) & Quaghebeur (Patricia). Averbode, een uitgever apart, 1877-2002. Averbode / Leuven, Uitgeverij Averbode / UPLeuven / Kadoc, 2002, p. 389)

[1236] Edmond-François Calvo, Frans stripauteur, geboren in 1892. Deze tekenaar heeft in de jaren 1940 al een enorme productie strips op zijn actief staan. "Le Bossu" verscheen voor het eerst in France-Soir in 1947. (Gaumer (Patrick)1. Op. Cit., p. 135-136 ; Beyrand (Alain) (red.). De Lariflette à Janique Aimée. Catalogue encyclopédique des bandes horizontales françaises dans la presse adulte de 1946 à 1975. Tours, Pressibus, 1995, p. 179)

[1237] Negentiende-eeuwse Franse "roman-feuilleton"-auteur. Le Bossu werd gepubliceerd in 1858. (Paul Féval. Op: Encyclopédie Microsoft Encarta 1998)

[1238] Pseudoniem van Robert Velter, Frans stripauteur, geboren in 1909. Hij was de schepper van een hele hoop strips vanaf de tweede helft van de jaren 1930. Onder de naam Rob-Vel ontwierp hij in 1938 het personage Spirou voor Uitgeverij Dupuis. (Gaumer (Patrick)1. Op. Cit., p. 673-674)

[1239] Melvin Graff, Amerikaans stripauteur, geboren in 1907. In de jaren 1930 begon hij strips te tekenen en in 1940  werd hij de opvolger van Austin Briggs op Secret Agent X-9. (Mel Graff. Op: http://www.lambiek.net/graff_mel.htm - 8/5/2003)

[1240] Horn (Maurice)1. Op. Cit., p. 341-342; Gaumer (Patrick)1. Op. Cit., p. 703-704

[1241] Mell Graff. L'agent secret X 9. (DH, 10/11/1948)

[1242] Idem. (DH, 27/3/1947)

[1243] Idem. (DH, 18/10/1947)

[1244] Idem. (DH, bv. 22/5/1949)

[1245] Idem. (DH, 13/12/1947 & 10/7/1948)

[1246] Idem. (DH, 25/4/1947)

[1247] Idem. (DH, 16/11/1946)

[1248] Idem. (DH, 22/5/1946)

[1249] Idem. (DH, 25/5/1946)

[1250] Idem. (DH, 18/6/1946)

[1251] Idem. (DH, 21/6/1946)

[1252] Dit verhaal verscheen in de VS vanaf einde mei 1945. De publicatie van de reeks in La Dernière Heure loopt in het begin een jaar achter op de originele publicatie. Door het verschijnen van twee dagelijkse stroken tot januari 1947 wordt dat verschil teruggebracht tot 4-5 maanden. (Tabel met originele publicatiedata in: Dumonteil (Marc-André). Dossier agent secret X-9. In: Hop, sept. 2002, n°95, p. 21-25)

[1253] Idem. (DH, augustus - september 1946)

[1254] Op dat moment nog vertaald als Hilda.

[1255] Idem. (DH, 15/3/1949)

[1256] Idem. (DH, 22/3/1949)

[1257] Idem. (DH, 24/3/1949)

[1258] Hun zogezegde land van herkomst wordt niet vermeld, maar de namen wijzen duidelijk in de richting van het Sovjetblok.

[1259]Idem. ( DH, 26/3/1949)

[1260] Idem. (DH, mei - juli 1948)

[1261] Idem. (DH, 10/10/1946)

[1262] Idem. (DH, 12/8/1949)

[1263] Idem. (DH, 20/8/1949)

[1264] Idem. (DH, 28/8/1949)

[1265] Idem. (DH, 9/9/1949)

[1266] Idem. (DH, 10/9/1949)

[1267] Idem. (DH, april - mei 1950)

[1268] Idem. (DH, 12/4/1950)

[1269] Idem. (DH, 13/4/1950)

[1270] Idem. (DH, 5/4/1950)

[1271] Idem. (DH, 16/4/1950)

[1272] Idem. (DH, 18/4/1950)

[1273] Idem. (DH, 4/5/1950)

[1274] Idem. (DH, augustus - november 1950)

[1275] Idem. (DH, 29/8/1950)

[1276] "espions étrangers" (Idem. - DH, 6/9/1950)

[1277] Idem. (DH, 30/8/1950)

[1278] Idem. (DH, 31/8/1950)

[1279] Idem. (DH, 1/9/1950, 2/9/1950 & 6/9/1950)

[1280] Idem. (DH, 13/9/1950)

[1281] Idem. (DH, 24/9/1950)

[1282] Idem. (DH, 21/10/1950) (Brief na mon- afgebroken)

[1283] Idem. (DH, 2/11/1950)

[1284] De Vos (Luc). Op. Cit., p. 39

[1285] President Truman zette al in 1947 het FBI aan om de VS te zuiveren van "on-Amerikaans gezinde personen". Onder invloed van McCarty, die in 1950 voorzitter werd van de onderzoekscommissie naar "on Amerikaanse activiteiten", zou het alleen maar erger worden en uitlopen op een echte "heksenjacht". Opmerkelijk is dat schrijver Dashiell Hammet, één van de ontwerpers van het X-9-personage in 1935, ook het slachtoffer zou worden van deze commissie McCarty. (De Kroniek van onze eeuw 1950-1959. Utrecht, Kosmos, 1998, p. 24-25)

[1286] Durnez (Gaston)2. Op. Cit., p. 158-171; Durnez (Gaston)6. Het Nieuws van den Dag. In: NEVB, Op. Cit., p. 2208-2209

[1287] Nederlandse stripauteur, in 1919 geboren in Amsterdam. Van Elk bracht in 1942 zijn eerste strip uit in eigen beheer. De avonturen van Bim werden nog tijdens de Tweede Wereldoorlog opgestart. De eerste drie verhalen verschenen rechtstreeks in boekvorm, en vanaf 1945 verscheen de reeks in een groot aantal Nederlandse regionale bladen. Verder verscheen zijn reeks Terry en Berry van 2 augustus 1945 tot 8 december 1945 in Het Parool en werkte hij mee aan het blad Stripfilm. (Kousemaker (Evelien) & Kousemaker (Kees) (red.). Op. Cit., p. 131-132)

[1288] Nederlands stripauteur, medewerker van Stripfilm. (Stripfilm. Op: http://www.lambiek.net/aanvang/stripfilm.htm - 1/5/2003)

[1289] Ondertekststrip van de Nederlandse Mies Deinum, geboren in 1907. Ze was voornamelijk actief als schilderes, maar werkte rond 1936 twee jaar als illustratrice. In de tweede helft van de jaren 1930 maakte ze drie strips, waaronder Sambo de Olifant en Myra. Sambo, waarvan ze zowel de tekst als de tekeningen verzorgde, verscheen in 1937 in boekvorm. Ook op Myra werkte ze alleen, het verhaal verscheen in 1940 in de Nederlandse pers. (Mies Deinum. Op : http://www.lambiek.net/aanvang/deinum.htm - 21/4/2003)

[1290] Nederlandse stripauteur, in 1927 geboren in Amsterdam. Tijdens de oorlog werkte hij bij de Toonderstudio's, en na de bevrijding kwam hij terecht bij de "Stripfilm"-groep. Daar ontwierp hij in 1946 Donny en Ronny. (Kousemaker (Evelien) & Kousemaker (Kees) (red.). Op. Cit., p. 106; Albert Van Beek. Op: http://www.lambiek.net/aanvang/beek_albert_van.htm - 21/4/2003)

[1291] Nederlandse stripauteur, in 1912 geboren in Amsterdam. Tijdens de oorlog werkte hij met Marten Toonder, waarvoor hij Tom Poes vier maanden overnam. Na de oorlog lanceerde hij zijn reeks Tekko Taks, die in de Nederlandse krant Trouw verscheen. Voor deze reeks kreeg Kabos voor de inkting en de teksten hulp van James Ringrose. (Kousemaker (Evelien) & Kousemaker (Kees) (red.). Op. Cit., p. 157 & 218)

[1292] Henk Kabos. Tekko Taks. (HNvdD, 18/12/1947)

[1293] In deze strip verschijnen soms Engelstalige opschriften in het decor, wat dus wijst op een Engelse of Amerikaanse oorsprong. Er  wordt geen copyright vermeld.

[1294] Op 2 juni 1948, p. 1  wordt in 't Vrije Volksblad wel uitleg gegeven over de overname, maar er wordt daarbij niets gezegd over de strips.

[1295] Voor meer informatie, zie deel over Le Matin.

[1296] Bijvoorbeeld HNvdD, 29/9/1949, p. 1; 5/10/1949, p. 3; 10/12/1949, p. 1; …

[1297] Auwera (Fernand) & Smet (Jan). Op. Cit., p. 61

[1298] Belgische kunstenaar, geboren in Gent in 1922. Landuyt volgde les aan de Academie van Kortrijk en werd bekend als schilder, graficus, ontwerper van theaterdecors, juwelen, … (Piron (Paul). Op. Cit., p. 808)

[1299] Auwera (Fernand) & Smet (Jan). Op. Cit., p. 125, zie interviewfragment.

[1300] HNvdD, aankondiging op 22/3/1950, p. 1

[1301] HNvdD, aankondiging op 22/3/1950, p. 1

[1302] Vanaf 7/4/1950.

[1303] Lucien De Roeck werd in 1915 in Dendermonde geboren en werd opgeleid aan Ter Kameren onder leiding van J. Minne. Vanaf 1934 begon hij affiches te ontwerpen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte hij voor de Nationale Voedingscorporatie. In 1958 werd hij leraar typografie aan Ter Kameren. De Roeck heeft ook talloze kunstenaars, waaronder Pierre Alechinsky, opgeleid. (Piron (Paul). Op. Cit., p. 418; Füeg (Jean-François). La Lanterne. Un nouveau quotidien à la libération. In: Cahiers d'histoire du temps présent, 1996, nr. 1, p. 44-46).

Piron vermeldt het pseudoniem Luc Droek niet. Verschillende elementen doen echter vermoeden dat Droek en De Roeck dezelfde persoon zijn. Allereerst het feit dat ik de naam Luc Droek nergens heb kunnen terugvinden (op dit ogenblik bestaat de naam "Droek" in België zelfs niet, zie www. familienamen.be), terwijl er in de aankondiging sprake is van een "zeer befaamde kunstenaar". Verder maakt het feit dat hij als illustrator en lay-outman meewerkte aan kranten, deze hypothese waarschijnlijker. De overeenkomende tekenstijl geeft de doorslag.

[1304] Raf Van Dijck. De avonturen van Kwik en Filidoor, Anna Bouzilowna, str. 1 (HNvdD, 23/3/1950)

[1305] Idem, str. 2 (HNvdD, 24/3/1950)

[1306] Idem, str. 3 (HNvdD, 25/3/1950)

[1307] Idem, str. 4 (HNvdD, 25/3/1950)

[1308] Idem, str. 5 (HNvdD, 28/3/1950)

[1309] Idem, str. 7 (HNvdD, 29/3/1950)

[1310] Idem, str. 11 (HNvdD, 31/3/1950)

[1311] Idem, str. 9 (HNvdD, 30/3/1950)

[1312] Idem, str. 9 (HNvdD, 30/3/1950)

[1313] Idem, str. 14 (HNvdD, 1/4/1950)

[1314] Idem, str. 15 (HNvdD, 3/4/1950)

[1315] Idem, str. 14 (HNvdD, 1/4/1950)

[1316] Idem, str. 23 (HNvdD, 7/4/1950)

[1317] Idem, str. 51 (HNvdD, 24/4/1950)

[1318] Idem, str. 56 (HNvdD, 26/4/1950)

[1319] Idem, str. 58 (HNvdD, 27/4/1950)

[1320] Idem, str. 61 (HNvdD, 29/4/1950)

[1321] Idem, str. 63 (HNvdD, 1/5/1950)

[1322] Idem, str. 65 (HNvdD, 2/5/1950)

[1323] Idem, str. 73 (HNvdD, 6/5/1950)

[1324] De verkiezingsuitslagen worden door de radio bekendgemaakt: "Aantal kiezers: 875.286. Stemmen voor Bouzilow: 875.285. Onthoudingen: 1" (Idem, str. 75 - HNvdD, 8/5/1950)

[1325] Idem, str. 76 (HNvdD, 8/5/1950)

[1326] Idem, str. 64 & 84 (HNvdD, 1/5/1950 & 12/5/1950)

[1327] Idem, str. 87 (HNvdD, 16/5/1950)

[1328] "Zamba hier … zamba daar …"

[1329] Idem, str. 94 (HNvdD, 19/5/1950)

[1330] Idem, str. 97 (HNvdD, 23/5/1950)

[1331] Idem, str. 102 (HNvdD, 25/4/1950)

[1332] Idem, str. 105 (HNvdD, 27/5/1950)

[1333] Idem, str. 110 (HNvdD, 30/5/1950)

[1334] Idem, str. 41 (HNvdD, 18/4/1950)

[1335] Idem, str. 113 (HNvdD, 1/6/1950)

[1336] Idem, str. 115 (HNvdD, 2/6/1950)

[1337] Idem, str. 7 (HNvdD, 29/3/1950)

[1338] Idem, str. 46 (HNvdD, 20/4/1950)

[1339] Dujardin (Vincent)1. Gaston Eyskens tussen koning en regent. België 1949-1950, een sleuteljaar. Amsterdam/Antwerpen, Meulenhoff/Kritak, 1996, p. 135-140

[1340] Idem, str. 10 (HNvdD, 30/3/1950)

[1341] Idem, str. 5 (HNvdD, 28/3/1950)

[1342] Idem, str. 21 (HNvdD, 6/4/1950). Gesprek tussen Kwik en Filidoor: "Vluchten? Hoe? Komt de luchtbrug niet langs hier?", "Ja, maar die stopt hier niet."

[1343] Idem, str. 37-38 (HNvdD, 15/4/1950)

[1344] Idem, str. 66 (HNvdD, 2/5/1950)

[1345] Idem, str. 20 (HNvdD, 5/4/1950). "Waart ge niet liever in uw fleske meneer Kwik?", "Nee, de huisbaas vroeg opslag en de wet op de huishuur vervalt binnen kort."

[1346] Archief van de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond, 1889-1996. Op: http://www.nationaalarchief.nl/knvb/knvb/knv2232.htm (24/4/2003)

[1347] HNvdD, aankondiging op 23/3/1950, p. 1

[1348] Luc Droek. De uitvinding van Klawieter, de strijd om het uranium, str. 10 (HNvdD, 4/4/1950)

[1349] Idem, str. 17 (HNvdD, 8/4/1950)

[1350] Idem, str. 20 (HNvdD, 10/4/1950)

[1351] Idem, str. 63 (HNvdD, 8/5/1950)

[1352] Idem, str. 69 (HNvdD, 11/5/1950)

[1353] Idem, str. 71 (HNvdD, 12/5/1950)

[1354] Idem, str. 92 (HNvdD, 26/5/1950)

[1355] Idem, str. 94 (HNvdD, 27/5/1950)

[1356] Idem, str. 105 (HNvdD, 6/6/1950)

[1357] Idem, str. 109 (HNvdD, 8/6/1950)

[1358] Idem, str. 79 (HNvdD, 17/5/1950)

[1359] Idem, str. 29 (HNvdD, 14/4/1950)

[1360] Idem, str. 2 (HNvdD, 25/3/1950)

[1361] Idem, str. 5 (HNvdD, 29/3/1950)

[1362] Idem, str. 45 (HNvdD, 24/4/1950)

[1363] Idem, str. 39 (HNvdD, 20/4/1950)

[1364] Idem, str. 3 & 16 (HNvdD, 27/3/1950 & 7/4/1950)

[1365] Sus en Bill reizen per kameel door de woestijn en komen een bron tegen met een bord: "De bron is uitgedroogd. Drink Hoca-Hola." (Idem, str. 56 - HNvdD, 3/5/1950)