| Stripverhalen in de Belgische dagbladpers (1945 - 1950). Inventaris en politiek-maatschappelijke analyse. (Sébastien Baudart) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Deel 4: Stripverhalen in de Belgische dagbladpers 1945-1950, Het onderzoek.
1.1. Historiek en Situering
Aan de basis van Het Laatste Nieuws ligt Julius Hoste, een Tieltenaar die in 1857 naar Brussel verhuisde en zich daar in Vlaamse initiatieven engageerde. Hij wilde ook een Vlaamse volkskrant oprichten, en deze kwam er met Het Laatste Nieuws in 1888. Het werd een Vlaamse, liberale, vrijzinnige en volkse krant, en het succes bleef niet uit. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de publicatie stopgezet.
Tijdens het interbellum bleef Julius Hoste directeur terwijl hij de post van hoofdredacteur overliet aan zijn zoon Julius Hoste jr. Bij het overlijden van Vader Hoste in 1933, nam Julius jr. de leiding van het bedrijf over, terwijl Marcel Stijns hoofdredacteur werd. Deze ploeg zorgde ervoor dat Het Laatste Nieuws naar een algemene informatiekrant met veel aandacht voor sport evolueerde. Een enorme stijging van de oplage was het gevolg. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verscheen de krant na een korte onderbreking eerst onder Duitse censuur, later als gestolen krant van VNV-strekking.
Maar na de bevrijding is het oude Laatste Nieuws er terug, en dat vanaf 9 september 1944. Met, net als voor de oorlog, Julius Hoste jr. aan de leiding en Marcel Stijns aan de hoofdredactie. De krant stelt zich onafhankelijk van de liberale partij op en tijdens de naoorlogse periode verdwijnt het antiklerikalisme naar de achtergrond. Tijdens de koningskwestie neemt de krant een voorzichtig standpunt in.[301]
Het Laatste Nieuws zelf vermeldt voor 1947 en 1949 een oplage van respectievelijk 289.741 en 302.000 exemplaren.[302] De krant verschijnt zeven keer per week en evolueert van 6 à 8 pagina's in de beginperiode tot 12 à 16 pagina's in 1950. Strips verschijnen vijf of zes keer per week, afhankelijk van de reeks. Het formaat bedraagt 37 op 53 cm.
1.2. Strips uit Nederland, de VS en Scandinavië
1.2.1. Rikske en De Schepter
De eerste stripfiguur die in Het Laatste Nieuws zijn opwachting mag maken, is "Rikske" van Carl Anderson[303]. Vanaf 13 november 1945 kan de lezer dagelijks de fratsen en belevenissen van dit klein kaal ventje volgen. Deze gagstroken verschijnen meestal zonder tekst en worden verdeeld door Opera Mundi. De reeks loopt op het einde van 1950 nog door.
Op een tweede reeks is het wachten tot mei 1946, wanneer "De gestolen schepter" van start gaat. Deze anonieme[304] ondertekststrip wordt verteld op humoristische toon en wordt uitsluitend geïllustreerd met zwarte schaduwvlakken. Het verhaal begint op de dag dat de scepter van de Middeleeuwse Koning Karel Drakenkop van Drakenburgia gestolen wordt door een neef van hem, de Hertog van Gaapmaar. Een Robin Hood-achtige ridder, Rudolf van Rammelburg, krijgt van de koning de opdracht om de scepter te recupereren. Deze Rudolf is niet erg geliefd bij zijn mederidders en edellieden, omdat hij regelmatig de buit van roofridders afneemt om ze onder het volk te verdelen. Met behulp van een list – hij verkleedt zich als geest – slaagt ridder Rudolf erin de scepter aan de koning terug te bezorgen, waarna de verraderlijke hertog uit zijn kasteel gezet wordt en Rudolf gehuldigd wordt.
1.2.2. Hans G. Kresse en Eric de Noorman
Op 4 juli 1946 eindigt de "Schepter", een dag later kan de lezer al kennis maken met de opvolging: Eric den Noorman. Onderaan de tekeningen prijkt de handtekening van een dan nog onbekende Nederlandse tekenaar, H.G. Kresse. Twintig verhalen worden er in de periode 1946-1950 gepubliceerd, en eind 1950 loopt de reeks nog altijd door.
De Nederlander Hans G. Kresse werd in 1921 geboren en ging vanaf 1943-1944 in de Marten Toonder-Studio's werken. Na een aantal strips getekend te hebben, ontwierp hij na de oorlog het personage Eric de Noorman, die via deze Toonder-Studio's in Het Laatste Nieuws terecht kwam. Daarnaast zou hij ook nog aan andere reeksen werken, zoals Xander en Matho Tonga.[305]
"Heel lang geleden", zo begint het eerste verhaal van Eric de Noorman, "De Steen van Atlantis". Eric, zoon van Koning Wogram van de Noormannen, vertrekt per schip naar Franconia op zoek naar een bruid. Maar hij komt in een futuristisch Atlantis terecht waar vliegtuigen, atoomwagens en atoomwapens de normaalste zaken van de wereld zijn. Hij komt er terecht in een machtsstrijd, waarbij "luipaardmannen" de macht overnemen.
In Atlantis leert hij onder andere de dwerg Pum Pum, die hem geregeld op zijn tochten zou vergezellen en de hoogpriesteres Winonah kennen, die later zijn vrouw zou worden. Uit dit huwelijk komt later de kleine Erwin voort. In een later verhaal zouden ze nog terugkeren naar Atlantis, in de hoop de situatie daar te redden, maar het loopt verkeerd, en Atlantis wordt volledig vernietigd.
Hoe hopeloos de situatie waarin hij terechtkomt ook is, Eric zet altijd door en weet zich altijd te redden. Hij is een soort "Middeleeuwse superheld" die geen opdracht of avontuur uit de weg gaat en die met zijn boog nooit een schot mist. Hij maakt ook geen misbruik van zijn afkomt: hoewel hij op een bepaald moment koning wordt, begeeft hij zich tussen gewone (en minder gewone) mensen en blijft voor hen meestal anoniem. De mensen komen meestal pas achteraf te weten wie hij eigenlijk is. Zijn aanleg om in de meest onmogelijke situaties terecht te komen, is natuurlijk niet zo bevorderlijk voor het familieleven. Maar de opdrachten gaan voor, Winonah en Erwin moeten maar wachten … ook al duurt het soms jaren voor Eric weer eens thuis verschijnt. Het volstaat dat hij nog maar denkt aan naar huis gaan, of er komt weer iets tussen.
Als het geen tovenares is die hem ontvoert, zorgen zeerovers daar wel voor. Of hij komt als slaaf in Rome terecht, waar hij, na Keizer Commodus in een tweegevecht verslagen te hebben, het aanbod krijgt om zelf keizer te worden. Of hij krijgt van een tovenaar de opdracht naar "Goudland" te varen en voor hem een scheepslading goud mee te brengen, waarna een verrader daar natuurlijk mee vandoor gaat. Eric komt zelfs aan het hof van de Chinese Keizer terecht, waar de Keizerin allerlei sombere intriges smeedt. Verder gaat hij onder andere op zoek naar een levenselixir en bestrijdt hij vloeken. En soms blijft het eenvoudig en probeert Eric gewoon een prachtig paard te vangen.
De science-fiction-elementen blijven beperkt tot Atlantis. Maar dat neemt niet weg dat veel magische en fantastische elementen een rol spelen in de reeks: dwergvolkeren, "water des levens", vloeken, een giftige nevel, magiërs en tovenaars, mythologische figuren, en ga zo maar door. En hoewel harde avonturen de hoofdaandacht opeisen, laten personages zich soms van hun gevoelige kant zien : zo zijn er scènes waar Eric en Winonah zich laten gaan, of nog een Chinese prinses die verliefd wordt op Eric.
Mannen moeten echter meestal sterk en stoer zijn, en de waarden die het meest naar voor komen, kunnen omschreven worden als moed, lafheid, trouw, verraad, dapperheid, … Eric komt ook meer dan eens terecht in situaties waarbij verzetsgroepen of samenzweerders de machthebbers willen omverwerpen. Hij kiest dan de kant van het recht, tegen het onrecht, zoals hij ook wraak wilt nemen op de moordenaar van zijn vader.
Eric wordt meer dan eens voorgesteld als "de goede" in de strijd tegen "het kwade". Zo werd na de dood van zijn vader, Koning Wogram, de macht overgenomen door een bloedige neef van hem, die alleen geïnteresseerd leek in rooftochten. Eric doet er dan ook alles aan om de macht terug in handen te krijgen en slaagt daar ook in.
Zoals al gezegd, is "Eric de Noorman" een Nederlandse reeks. Toch kreeg het Belgische Het Laatste Nieuws de eerste publicatie ervan.[306] En blijkbaar is Het Laatste Nieuws de enige krant die de verhalen in de oorspronkelijke vorm gepubliceerd heeft. Andere kranten gingen telkens over tot het inkorten van de (soms zeer lange) teksten.[307]
Tot slot moet nog vermeld worden dat Albert Maertens, die in 1954 directeur-generaal van Het Laatste Nieuws zou worden, over zeer goede contacten beschikte met Anton de Zwaan en de Toonder-Studio's.[308]
1.2.3. Steve Canyon en Walt Disney
Op 12 april 1947 verschijnt er een derde stripreeks in Het Laatste Nieuwe. Deze keer een realistische ballonstrip: "Steve Canyon" van de "bekenden Amerikaanschen kunstenaar"[309] Milton Caniff[310]. Caniff brengt hiermee een typisch Amerikaans avonturenverhaal waarbij misdaadintriges, complotten, liefdesgeschiedenissen en andere gebeurtenissen in elkaar overlopen. Canyon heeft een eigen luchtvaartbedrijfje en komt door zijn klanten in de meest bizarre situaties terecht. Op 15 oktober 1947 stopt de publicatie echter bruusk, zonder dat het verhaal echt ten einde is …
Hierna zal de rol van derde stripreeks soms overgenomen worden door verstrippingen van Disney-tekenfilms. Deze verhalen verschijnen in de krant rond het moment dat de tekenfilms in de bioscoop uitkomen[311]. Pinocchio is de eerste die aan de beurt komt, gevolgd door Bambi, Dumbo, Melodie van het Zuiden, Pieter en de Wolf en Assepoester.
In tegenstelling tot wat men van een product van de Disney-studio's zou verwachten, zien sommige van deze verhalen er ronduit slordig uit. Ook zijn de verhalen meestal vrij kort gebracht. Aan aandacht ontbreekt het echter zeker niet: aankondigingen voor deze verhalen worden bij hopen gepubliceerd. Sommige verhalen zijn ballonstrips, andere ondertekststrips, en nog andere een combinatie van die twee.
1.2.4. Marten Toonder en zijn Panda
In februari 1948 duikt dan Panda van Marten Toonder[312] op. Zoals gewoonlijk in de strips van Toonder, spelen dieren er de rollen van mensen, en wordt er gebruik gemaakt van onderteksten. Panda, een kleine panda (natuurlijk), trekt rond op zoek naar iemand die hem een vak kan leren. Maar ongelukkig genoeg voor hem komt hij telkens terecht bij zonderlinge figuren en bedriegers. Zo wordt hij regelmatig geconfronteerd met de sluwe vos Joris Goedbloed, een dief en bedrieger, die erin slaagt iedereen (inclusief Panda) altijd rond zijn vinger te draaien. Hij en Panda zijn blijkbaar gedoemd om met elkaar om te gaan, want hoezeer Panda ook probeert Joris af te schepen en met hem te breken, het lukt hem niet. Goedbloed, die allerlei beroepen "uitoefent", blijft hem dan ook gebruiken voor zijn snode plannen, en laat niet na de schuld op Panda te schuiven om zelf te ontkomen.
In de loop van de verhalen[313] gaan ze samen op zoek naar de verloren schat van koning Emeric, gaat Panda in de leer bij een detective en lost daarbij een diamantendiefstal op, leert hij vliegen bij een lichtjes gestoorde uil die ook wel piloot is, belandt hij samen met Joris Goedbloed (nu als goochelaar) bij een sultan in Dagbad, probeert hij de diefstal van een smaragd te vermijden, neemt hij met een mechanisch paard deel aan een wedstrijd en belandt hij als leeuwentemmer in een circus.
Deze Toonder-reeks die vooral op jongere lezers gericht is, heeft het nadeel nogal in herhaling te vallen. Een hele hoop personages heeft moeilijkheden om de naam van Panda te onthouden, of spreekt die verkeerd uit. En ook een hele hoop personages (waaronder Joris Goedbloed) zijn eigenwijze types die alles beter weten, de verdiensten naar zich toeschuiven als iets lukt, en de schuld op anderen steken als iets mislukt.
Ook typisch Toonder, zoals uit zijn andere reeksen zal blijken, is het feit dat politieagenten meestal redelijk dom en heel procedure-achtig zijn. Ze vragen een hoop papieren op, maar denken niet verder, houden de achtervolgers aan, en luisteren niet naar wat hen gezegd wordt.
Enkele politieke items komen aan bod, hoewel ze niet veel voorkomend zijn. In "Panda en de meester-vlieger" komt opeens een deurwaarder eisen dat vlieger Oehoe zijn belastingen betaalt. Hij kan echter onmogelijk betalen. Hij besluit dan samen met Panda deel te nemen aan een "reis-rond-de-wereld-wedstrijd", die ze ook winnen. Maar net als ze hun prijs gekregen hebben, staat de deurwaarder al daar. Oehoe moet een pak belastingen betalen, en na ook zijn rekeningen betaald te hebben, blijft er niets meer over om met Panda te verdelen.
Ook uitvindingen spelen een politieke rol. In "Panda en de professor" draait alles rond de diefstal ven een versteningstoestel, dat toelaat mensen volledig te laten verstenen. Op het einde van het verhaal stelt een man van de regering voor om het toestel te kopen. Maar aangezien het zou gebruikt worden voor oorlogsdoeleinden, vindt Panda het zijn plicht de uitvinding te vernietigen. Panda heeft blijkbaar geen vertrouwen in de plannen van zijn regering.
De uitvinding in "Panda en de Meester-geleerde" is dan veel braver. In dit verhaal maakt Panda kennis met professor Kalker, een enorm verstrooide en vergeetachtige geleerde. Twee boeven proberen één van zijn uitvindingen te stelen, maar door hun onhandigheid worden ze door een toestel van de professor gegrepen. Ze komen er mooi ingepakt, in cellofaanpapier en met een strikje rond, terug uit, en worden daarna ingerekend door de politie. En Panda heeft onmiddellijk het nut van de uitvinding ingezien : "Het is een prachtige uitvinding – luister maar goed! Als ge de krant goed leest, dan leest ge, dat ons land moet uitvoeren. Maar in het buitenland willen ze onze dingen niet kopen omdat ze niet mooi genoeg zijn ingepakt. En wat de professor heeft uitgevonden is nu een verpakkingsmachine voor de uitvoer!"[314] De uitvinding is dus een succes, want zelfs de "Minister van Uitvoer en Verpakkingsaangelegenheden komt professor Kalker bedanken. Of hoe Marten Toonder aan de Nederlandse uitvoerproblemen een humoristische draai geeft, en een oplossing brengt door het aanbieden van mooie verpakkingen.
In hetzelfde verhaal blijkt het syndicalisme ook bij misdadigers te hebben toegeslagen. Een handlanger zit bij zijn baas constant aan te dringen over de regels van de "Boevenbond" die moeten gerespecteerd worden: middagpauze, extra betaling bij risico's, enzovoort.
1.2.5. Optimist, Adamson en Het hoekje voor de jeugd
Twee Scandinavische gagreeksen komen vanaf oktober 1948 het plaatje nog vervolledigen. Dagelijks verschijnt een verticale strook van "Optimist", van de hand van de Deen Ostrup. En elke woensdag wordt deze vervangen door een aflevering van Adamson[315]. Beide reeksen worden verdeeld door PIB.
Nog meer strips zijn er in Het Laatste Nieuws te vinden op de jeugdpagina, die vanaf 1 juli 1948 in de krant opgenomen wordt. Wekelijks worden er meestal twee reeksen gepubliceerd. Naast het meer documentaire "Stanley en Livingstone", een nogal moraliserende biografie van de ontdekkingsreizigers, worden vooral gagstroken en -platen uit de Toonderstudio's gepubliceerd: "De Apenstreken van Sim en Pans" van Wim Lensen[316], "Avonturen van Bas en Van Der Pluim", een olifant en een eekhoorn en "Wat gebeurt er, Baron Bluff?" van Marten Toonder, waarin een baron zich van zijn domste kant laat zien. Verder ook nog "O'Gust, de dierenoppasser" van een zekere Philipsen.
1.3. Besluit
Het Laatste Nieuws begint strips op te nemen vanaf november 1945, en bevindt zich daarmee in de middengroep van Belgische kranten. Al snel worden dagelijks drie tot vier reeksen gepubliceerd, die in enkele groepen te verdelen zijn. Als eerste groep heeft men de Nederlandse ondertekststrips van de Marten Toonder Studio's (Eric en Panda), daarnaast de Amerikaanse ballonstrips van Opera Mundi (Rikske, Disney, Steve Canyon) en tenslotte de Scandinavische gagstroken Optimist en Adamson.
Het Laatste Nieuws is een krant die ongelooflijk veel aankondigingen publiceert, met aandacht voor de auteurs en de inhoud van de verhalen. Per verhaal publiceert de krant meestal twee/drie, soms tot acht van die aankondigingen. Op de periode 1946-1950 zijn het er 135 in totaal. Geen enkele krant doet hen dat na, en het bewijst dat Het Laatste Nieuws wel degelijk haar strips uitspeelt tegenover de lezers. Bij de strips zelf worden de namen van de auteurs soms in de titel, soms als handtekening vermeld.
Wat politieke inhoud betreft, zijn de gepubliceerde verhalen heel mager. Uitzondering zijn enkele situaties en opmerkingen in Panda. Wel politiek interessant is de volgende opmerking van Henri Christiaen in zijn artikel over Albert Maertens en strips: "Te onthouden valt dat onmiddellijk na de oorlog de directie van de krant – conform haar politiek en filosofisch gedachtegoed – ook een consequent correcte houding hanteerde bij het al dan niet accepteren van stripwerk. Zo werd Willy Vandersteen wandelen gestuurd toen hij zijn tekeningen presenteerde bij de redactie."[317]
2.1. Historiek en Situering
Het eerste nummer van de Gazet van Antwerpen verscheen op 3 november 1891 en werd uitgegeven door Napolitaan van Os. Twee jaar later werd de NV De Vlijt gesticht, die de krant zou uitgeven. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de publicatie stopgezet, maar de krant verscheen wel als gestolen krant als een orgaan van DeVlag.
Na de oorlog komt Gazet van Antwerpen terug op 6 september 1944. Om de krant te typeren worden wel eens de volgende vier woorden gebruikt: "Vlaams, sociaal, christelijk, conservatief". De krant leunt aan bij de CVP en verdedigt in verkiezingstijd dus het katholieke programma. In de repressiekwestie pleit de Gazet van Antwerpen voor gematigdheid en in de koningskwestie neemt ze, zoals de andere katholieke bladen, een koningsgezinde houding aan.
Vooroorlogs hoofdredacteur Louis Kiebooms neemt na de bevrijding zijn functie terug op, tot hij 1 januari 1947 moet aftreden omdat hij tegelijk een politiek mandaat vervult. Corneel Staes zorgt voor de interim tot Louis Meerts in 1949 tot hoofdredacteur benoemd wordt. Staes blijft wel adjunct-hoofdredacteur. De oplages liggen in die periode tussen de 125.000 en de 130.000 exemplaren.[318]
Gazet van Antwerpen verschijnt zes keer per week, zaterdag en zondag moeten genoegen nemen met één krant. Op alle publicatiedagen worden strips opgenomen. Tijdens de beginperiode telt de krant 10 à 12 pagina's, in 1950 worden er dat 12 tot 16. Het formaat bedraagt 42 op 59,5 cm.
2.2. Walt Disney, Mik, Marten Toonder en Maz
2.2.1. De overijverige medewerkers
De eerste strip die in Gazet van Antwerpen opduikt, is Donald Duck[319], verdeeld door Opera Mundi. Op 9 maart 1946 verschijnt de eerste gagstrook van deze Disney-eend, die samen met zijn drie neefjes Lowie, Jan en Jefke in allerlei vreemde en grappige situaties terechtkomt. Zeer merkwaardig is het gecombineerd gebruik van tekstballonnen en ondertekst: terwijl alles door de tekeningen en ballonnen meer dan duidelijk is, worden de grappen in ondertekst nog eens uitgelegd.
Deze teksten zijn meer dan waarschijnlijk aangebracht door een overijverige medewerker (misschien de vertaler), die naar goede oude gewoonte vond dat de mensen ballonstrips niet kunnen begrijpen zonder bijkomende uitleg. Het wordt zelfs grappig als er op een bepaald moment "zoals uit de tekening blijkt"[320] staat. Deze opmerking wijst er nog eens op dat deze onderteksten totaal overbodig zijn. Vanaf eind juni wordt Donald soms vervangen door Ferd'nand, om eind augustus volledig uit de krant te verdwijnen.
"Hallo! Hier Ferdinand! Een groet aan al mijn oude en jonge vrienden! Ik ben terug en blij U weer te zien."[321], zegt Ferd'nand in de aankondiging van de reeks: hij stond voor de oorlog namelijk al vanaf mei 1937 in de Gazet van Antwerpen[322]. Deze tekstloze gagstrip van de Deen Mik[323], zou - vooral in oktober 1946 - hetzelfde lot ondergaan als Donald: titels worden aangebracht om de grappen uit te leggen. Inge Gijs schrijft in haar boek over de Gazet van Antwerpen het volgende over het personage: "Door zijn eenvoud gespeend van elke vorm van pretentie of ambitie, veroverde Ferd'nand stormenderhand de harten van de lezers. Het succes ligt waarschijnlijk in de herkenbaarheid van het personage. Ferd'nand is een doodgewoon mannetje, dat zich alle pech van de wereld op de hals haalt. Mikkelsen presenteerde de lezers een spiegel waarin éénieder wel iets van zichzelf kan terugvinden."[324] De reeks wordt verdeeld door P.I.B. en loopt op het einde van 1950 nog altijd door.
2.2.2. Kappie, de betweterige kapitein
Om haar medewerkers werk te besparen, plaatst Gazet van Antwerpen dan maar een echte ondertekststrip. De reeks "Kappie", geleverd door de Nederlandse Marten Toonder Studio's, gaat op 28 juni 1946 van start op de voorpagina[325]. Tot einde 1950 zouden 26 verhalen volgen, weliswaar in de binnenpagina's.
Marten Toonder creëerde Kappie voor de Nederlandse kranten Het Vaderland en Het Algemeen Dagblad, die de verhalen vanaf 27 december 1945 publiceerden.[326] Gazet van Antwerpen start de publicatie bij het derde verhaal, waarna ook nog de verhalen 5 tot en met 17 en 21 tot en met 32 opgenomen worden.
Kappie is - zoals zijn naam al laat uitwijzen – kapitein. Kapitein van de sleepboot Kraak dan nog wel, waar hij geen klein beetje fier op is. Vanuit zijn thuishaven Lutjewier vaart hij de wereldzeeën rond, meestal op zoek naar een lading, en ook wel om ladingen te leveren. Hij wordt op zijn tochten vergezeld door "de Maat", een niet al te intelligent heerschap, dat enorm snel bang is en eigenlijk alleen geïnteresseerd is in zijn collectie prentbriefkaarten. Verder maken ook "de Meester" (machinist) en de Chinees Ah Sing (kok met een "splaakgeblek") deel uit van de bemanning. Een zeer verdraagzame bemanning, want Kappie is geen gemakkelijk mens. Hij weet graag alles beter en scheldt zijn bemanning regelmatig uit voor "klonten". Een reeks nevenpersonages komt zich in de loop van de verhalen bij deze kern voegen.
De verhalen zijn sterk uiteenlopend: zo worden Kappie en zijn ploeg geconfronteerd met opiumsmokkelaars, gaan ze op zoek naar een gezonken goudschip, proberen ze diefstallen te vermijden, ontdekken ze in Afrika een olifantenkerkhof, komen ze een "spookschip" tegen, varen ze onder water, komen ze daar een onderzeese stad en zeemeermannen tegen, nemen ze het op tegen een bende zeerovers, vervoeren ze een Afrikaanse keizer en worden ze ontvoerd door een vliegende schotel.
En als de situatie niet vanzelf uit de hand loopt, dan zorgt één van de personages daar wel voor. Signor Rivaldi is zo'n onheilsbrenger: deze overenthousiaste Italiaan doet gegarandeerd alles verkeerd lopen wat hij maar kan doen verkeerd lopen. En met één van zijn spraakverwarringen geeft hij zelfs een politieke knipoog: in "Kappie en de gouden hamer" roept hij opeens "hulplening" in plaats van "hulp"[327]. Het Marshallplan is niet ver weg …
Voor de rest is Kappie qua politiek een zeer brave reeks. Enkele keren wordt er gewezen op de economische noodzaak van werken, en op de moeilijkheden die soms gepaard gaan met het vinden van werk. Zo zit Kappie aan het begin van "De wonderlijke schelp" al drie weken zonder lading. Een andere keer kan hij er echt niet om lachen dat het zo lang duurt om een lading te vinden, want "Iedere dag dat we wachten, kost geld."[328] In het begin van "Kappie en de kolen-lading" ligt de Kraak in de haven uit te rusten, "maar omdat je met uitrusten geen geld verdient"[329], kan dat zo niet blijven duren. Ook moet Kappie de Maat soms zeggen dat ze moeten varen om geld te verdienen.[330]
De wetenschap en haar belang (of gevaar) voor de mensheid komen soms ook aan bod. In "Het geheim van de aardlaag" helpen Kappie en co een zekere Professor Larifix om op een Zuid-Amerikaans eiland een aardlaag "pampiet" te vinden. De ontdekking daarvan zou namelijk zeer belangrijk zijn voor de mensheid.[331] In "Het eiland Koeterwaal" is het dan weer een bende die door de ontginning van een magnetisch erts de macht in handen wilt krijgen.
"Kappie en de vreemde klok" draait zelfs volledig rond een uitvinding van Professor Larifix en Signor Rivaldi. Ze hebben namelijk een speciale klok ontworpen die de tijd kan verzetten. Doordat de Maat zijn handen er niet kan afhouden, belandt het gezelschap onder andere in de Middeleeuwen en bij de Romeinen. Als ze dan uiteindelijk hun eigen tijd terugvinden, vernietigt Kappie de klok: "De gevaarlijkste uitvinding van de wereld! Die altijd verkeerd gebruikt zou worden ! Dit ding moet vernietigd worden, en ik ben blij, dat ik het gedaan heb. Het was het enige dat ik kon doen. De wereld is nog niet rijp voor dergelijke uitvindingen."[332]
Verder kunnen nog de niet al te snuggere politieagenten vermeld worden die in enkele verhalen voorkomen. Daarbij denken ze ook nog dat ze zich alles mogen permitteren omdat ze "ambtenaren van het recht" zijn, en zijn ze enorm procedure-achtig (in de zin van aan iemand zijn naam vragen, ook al kennen ze die goed).[333] Zowel de domme agenten als het tegendraads doen zijn echter typisch voor de verhalen van Toonder, zodat er niets meer moet achter gezocht worden dan een verhaalelement.
2.2.3. Dick Bos, Nederlandse pulp
Tenslotte moet nog het "detective beeldverhaal" vermeld worden, dat van 13 augustus tot 23 oktober 1948 gepubliceerd wordt. "Hela Cowboy" is een aflevering van de in Nederland zeer bekende "Dick Bos-serie" van Alfred Mazure[334], of "Maz". In dit verhaal doet een alleenstaande vrouw een beroep op deze detective om haar en haar ranch te beschermen. Haar buurman Wild Bill Buster doet er namelijk alles aan om haar tot verkopen te drijven. Dick Bos verklaart "de oorlog aan de onrechtvaardigheid", wordt door de sheriff tot marshall benoemd en gaat in de tegenaanval. Na een ganse reeks schietpartijen en achtervolgingen stort Wild Bill in een ravijn, zodat de rust wederkeert.
Van hoog niveau kan men het verhaal moeilijk noemen. Een ganse hoop clichés worden aangevuld met zeer schetsmatige tekeningen en een getypte tekst in ballonvorm. Misschien is het gebrek aan waardering wel de reden waardoor het bij dat ene verhaal bleef?
2.3. Besluit
Gazet van Antwerpen blijkt een krant van blijvende stripreeksen te zijn. Zowel Ferd'nand als Kappie starten in 1946 en lopen in 1950 nog altijd door. Enkel Donald Duck (6 maanden) en Dick Bos (2 maanden) maken maar een kortstondig optreden. Op deze manier worden constant twee reeksen gepubliceerd, maar behalve door de publicatie van de stripstroken zelf, wordt er geen aandacht aan besteed. Alleen de start van Ferd'nand heeft recht op een aankondiging. De auteur wordt bij elke gepubliceerde reeks vermeld, hetzij in de titel, hetzij in de tekeningen onder de vorm van een handtekening of copyright. Er komen dus geen anonieme verhalen voor.
De oorsprong van de verhalen is zeer divers (Opera Mundi, PIB, Toonder-Studio's, Ten Hagen) zodat geen enkel agentschap een geprivilegieerde positie blijkt in te nemen. Wel blijkt er een voorkeur voor ondertekststrips te bestaan. Belgische producties komen helemaal niet aan bod, terwijl een krant met zulke oplagecijfers zich dat zeker had kunnen permitteren. En ook qua politieke inhoud vallen de verhalen zeer mager uit.
Met haar reeksen schijnt Gazet van Antwerpen op een dubbel publiek te willen mikken: terwijl men Kappie kan typeren als een reeks die vooral op kinderen gericht is, richt Ferd'nand zich meer tot een volwassen publiek.
3.1. Historiek en Situering
Het eerste nummer van Le Matin verscheen in 1894. Het werd een Franstalig Antwerps liberaal blad dat de strijd zou aangaan met het katholieke "La Métropole". Paul de Cauwer, zoon van de stichter, leidde het blad tot in 1949. Hij werd opgevolgd door Georges Desguin. Tijdens de Eerste en de Tweede Wereldoorlog werd de publicatie onderbroken.
Na de bevrijding is Le Matin er terug vanaf 5 september 1944; Willy Koninckx wordt hoofdredacteur. Het publiek van de krant is vooral te vinden bij de liberale (en Franstalige) burgerij van Antwerpen. Campé vermeldt voor 1949 een oplage van 35.000 exemplaren.[335]
Le Matin, die zich voorstelt als een "Quotidien d'union nationale" verschijnt zes keer per week (zaterdag en zondag vormen samen één krant). De strips zijn elke dag dat de krant verschijnt op post. Begin 1950 wordt de prijs van de krant op 1,50 frank gebracht. Het aantal pagina's evolueert van 4 à 10 in de beginperiode tot 10 à 18 in 1950.
3.2.Strips voor Franstalig Vlaanderen
3.2.1. Gagstroken bij de vleet
De eerste strip in Le Matin duikt op in juni 1945, en daarmee is deze krant bij de eersten om na de oorlog terug strips te publiceren. Drie maanden lang, tot 29 september, brengt een zekere Tenivar, gagstroken over "Monsieur Durant". Waarschijnlijk gaat het hier om een originele productie. Het copyright vermeldt "Inédit, tous droits réservés", en de teksten in het decor zijn in het Frans opgesteld. Neem daarbij dat Tenivar voor de rest onbekend is, en de kans is groot dat "Monsieur Durant" speciaal voor Le Matin getekend is.
Na een strippauze van een maand, gaat op 6 november 1945 de opvolger van start: "Narcisse, le petit livreur" door een zekere Eddy. Ook hier gaat het waarschijnlijk om origineel materiaal, om dezelfde redenen[336] als "Monsieur Durant". Deze reeks over de winkeljongen Narcisse en zijn "triporteur" zou bijna een jaar in Le Matin lopen, tot op 21 september 1946 het einde aangekondigd wordt: "Nous publions aujourd'hui la dernière bande de la première série des aventures de Narcisse, le petit livreur, dont les péripéties ont été accueillies avec sympathie par nos lecteurs. D'ici quelques mois, nous reprendrons la deuxième série de ses aventures, qui, nous n'en doutons pas, obtiendront le même succes. A partir de lundi, nous présenterons à nos lecteurs les "Aventures de Pitche", pleines d'humour et d'à-propos."[337]
Die tweede reeks van Narcisse zou er nooit komen, de beloofde avonturen van Pitche echter wel. Deze gagstroken van Aleksas Stonkus, een tekenaar van Litouwse oorsprong[338], bereiken Le Matin via het Franse "Presse-Services". Een hele reeks andere gagstroken zouden elkaar opvolgen of naast elkaar verschijnen: "Les aventures de Félix le chat"[339], "Les aventures de Saladin"[340], "L'Optimiste" van Ostrup, "Ferdinand"[341] van Mik, "Les tribulations du Père Lafraise"[342], "Henry"[343] van Carl Anderson en tenslotte "Oscar" van Jean Leo. Deze stroken worden verdeeld door Opera Mundi, P.I.B. en Presse-Services.
L'Optimiste wordt in de aankondiging beschreven als "un petit bonhomme au chapeau incliné sur l'œil, et qui porte toujours une fleur à la boutonnière. Il ne se prend du reste jamais au sérieux, car il croit que sa mission quotidienne consiste à encourager la bonne humeur et à créer l'optimisme dans ce monde devenu morose."[344]
Oscar is merkwaardig omdat het hier gaat om een reeks van de Belgische tekenaar Jean Leo, die via het Franse Opera Mundi België terug bereikt. De reeks verschijnt onder andere ook in een achttal Franse kranten.[345]
Deze reeksen houden het tussen de 3 maanden en de twee jaar uit, om dan vervangen te worden door andere.Tot het einde van 1947 zou men het bij één strip per dag houden, maar vanaf begin 1948 krijgt men dagelijks vier, en vanaf begin 1949 zelfs dagelijks vijf strips in Le Matin.
3.2.2. De Marsianen vallen aan
Le Matin publiceert niet alleen gagstroken, ook vervolgverhalen komen – zij het in mindere mate – aan bod. Zoals de ondertitel "Un grand roman d'anticipation" al laat vermoeden is "Fred Sander" een futuristisch verhaal, waarbij de aardbewoners het opnemen tegen de Marsbewoners. Dit verhaal van de Zweedse auteur Lennart Ek, wordt verdeeld door het Stockholmse agentschap Alga[346] en staat in Le Matin van december 1947 tot december 1948. Ek brengt zijn verhaal in een realistische stijl, die in de loop van het verhaal altijd maar slordiger wordt. Met de teksten gaat hij op een speciale manier om: soms duikt er een tekstballon op, maar meestal worden de dialogen en beschrijvende teksten gewoon los in de tekeningen geplaatst.
Het verhaal nu … De aarde bevindt zich in het jaar 2000 en Dokter Tide vangt signalen van Mars op. Even later heeft de invasie plaats: de Marsianen landen in Noord-Afrika. De aardbewoners komen snel samen in Wenen voor een militaire conferentie, en het hoofdkwartier van de geallieerde aardbewoners wordt ingesteld in Stockholm. Het verdere verhaal draait vooral rond Fred Sander en Borg, twee medewerkers van dr. Tide die zich engageren in het leger.
De Marsbewoners beschikken over een krachtige straal als wapen en over een groot aantal troepen die aangevoerd worden door Dinaro, de zoon van hun Keizer. Een harde strijd tussen de Marsianen en de "Verenigde legers" van de aardbewoners komt tot ontwikkeling, tot Dinaro een wapenstilstand voorstelt. Zijn vader, de Keizer, is net overleden en hij wilt verder bloedvergieten vermijden. Hij engageert zich al de schade terug te betalen en de aarde te verlaten. En hij stelt ook nog de Marsiaanse ruimtetechnologie ter beschikking van de aardbewoners. De vijanden worden ineens vrienden die gaan samenwerken.
In het tweede deel van het verhaal reizen Sander, Borg, Tide en zijn dochter Ylwa mee naar Mars. Daar worden ze geconfronteerd met generaal Sarto, die de vrede met de aardbewoners niet pikt en een staatsgreep pleegt. Waarna Dinaro en de aardbewoners proberen bondgenoten te vinden in naburige gebieden en planeten, om het bewind van Sarto omver te werpen. Na een lange strijd slagen ze daarin: Sarto verdrinkt tijdens een achtervolging. "Nos amis" de aardbewoners worden ontvangen het op Keizerlijk paleis en keren terug naar de aarde.
Lennart Ek zet hier een science-fictionverhaal neer, waar het niet op een ongeloofwaardigheid meer of minder aankomt. Allerlei planeten worden bewoond door gewone mensen, om nog maar te zwijgen van de dinosaurussen. Ook de Marsianen worden voorgesteld als gewone mensen, het enige verschil is dat er gekleed lopen als Romeinen. Ook maakt hij gebruik van futuristische architectuur en moderne technologie (zoals vliegtuigen op atoomaandrijving, vliegtuigen voor interplanetaire vluchten, een hypnotische straal). Het verhaal is ook opgebouwd volgens een echt feuilletonkarakter, getuige de onheilsberichten en "spannende vragen" in het laatste vakje van een strook. "L'inventeur ignore encore le malheur qui l'attend", "Mais la chance ne dure pas", "Retrouvera-t-on Ylma?"[347], zijn daar enkele voorbeelden van.
Men kan in het verhaal de boodschap lezen dat het beter is samen te werken dan oorlog te voeren. Als de aardbewoners aangevallen worden door de Marsianen, bewijzen ze met hun "Verenigde legers" dat samenwerken heel goed mogelijk is. En ook Dinaro ziet het nut van samenwerken in: hij vindt het veel nuttiger met de aardbewoners samen te werken en de ontwikkelde technologie te delen, dan verder oorlog te voeren.
3.2.3. Radio Patrol: de politie, uw vriend
Eind juni 1948 gaat een tweede vervolgverhaal van start, die iets meer dan twee jaar zou duren: Radio Patrol[348]. Deze Amerikaanse reeks van Charlie Schmidt heeft als centrale figuren de jongen Pinky en zijn voogd, de politieman Pat. Daarnaast spelen ook Pat's "verloofde" Molly, zijn dikke medewerker, de hond Irish en het buurmeisje Frisette belangrijke rollen.
Zoals men van een politiereeks kan verwachten, worden de personages geconfronteerd met allerlei misdrijven en misdadigers. Ze worden zelfs geregeld door boeven bedreigd, ontvoerd en opgesloten. Gelukkig werkt de politie hier op een iets efficiëntere manier dan bij Marten Toonder. Alle zaken worden vroeg of laat opgelost, de politie overwint altijd, zoals ook een opgepakte moordenaar mag horen: "Votre erreur a été de vous croire plus malin que la police."[349]
Maar tegelijkertijd probeert de auteur ook een heel menselijk beeld van de politie naar voor te brengen. De politie is er om de misdaad te bestrijden, niet om gewone mensen lastig te vallen, én ze zijn redelijk: "Les policiers font leur métier ce qui ne les empêche pas d'avoir du coeur."[350]
Weer komt technologie in een politieke context aan bod. Een misdadiger die alles kwijt is, beklaagt zichzelf: "Il y a peu de temps, j'avais le monde entier à mes pieds … la formule atomique … les bijoux … j'étais riche … maintenant je suis fichu … balafré. Je ne puis trouver la formule atomique."[351] Ook zo op het einde van "Le plastique début". In dit verhaal draait alles rond de uitvinding van een soort plastiek dat aan alles weerstaat. Een bende onder leiding van een zekere Aulgold probeert de uitvinding te gebruiken om bankovervallen te plegen. Maar Pat en zijn medewerker dringen in hun schuilplaats binnen en ontdekken er een geleerde, Dr. Mota.
Deze Dr. Mota ontvoert Molly en vlucht ermee naar een grot in de bergen. Hij vertelt dat dit de schuilplaats was waar tijdens de oorlog aan uitvindingen gewerkt werd. Een ongelukkig gasexperiment maakte van hem de enige overlevende: "Je tenais entre mes mains cette formidable puissance et j'étais maître du monde si je voulais."[352] Hij ging dan samenwerken met Aulgold en zijn criminele organisatie.
Terwijl hij Molly een rondleiding geeft in de grotten vol met plastieken meubels, plastieken kogelvrije platen, enz., vertelt hij verder. En hij voegt eraan toe: "Et je suis le seul au monde à posséder ce secret." Molly kan het niet langer aanhoren en gaat de patriottische toer op: "Mais ce secret ne vous appartient pas! Il est la propriété de l'état … du pays … de nous tous. C'est un devoir pour vous de livrer ces secrets."[353] Even later wordt Molly bevrijd en Mota opgepakt: hij komt tot inkeer en zal zacht behandeld worden als hij zijn formules afstaat aan de staat.
3.3. Besluit
Het valt op dat een krant als Le Matin, die toch een redelijk beperkte oplage heeft, zoveel strips publiceert. Tot het einde van 1947 blijft het bij één reeks tegelijk, een situatie die snel zou evolueren naar vier, en later zelfs vijf reeksen per dag. Dat brengt Le Matin ook bij de kopgroep wat het aantal samen gepubliceerde reeksen betreft. Opvallend is wel het grote verloop van de reeksen: Radio Patrol, de reeks die het langst verschijnt, houdt het ook amper iets meer dan twee jaar uit, zodat geen enkele reeks echt kan verbonden worden met Le Matin.
De krant schijnt zich bij haar keuze van de gepubliceerde strips wel te richten op een meer volwassen publiek. De oorsprong van de verhalen is zeer verscheiden: zowel eigen als buitenlandse producties worden gepubliceerd. Scandinavische, Amerikaanse en Franse reeksen worden verdeeld door zowel Alga, P.I.B., Opera Mundi en Presse-Services. Ook zijn de meeste gepubliceerde verhalen voorzien van tekstballonnen.
De meeste verhalen die gepubliceerd worden, krijgen een aankondiging. Soms wordt daarbij de auteur vermeld, en één keer zelfs de verkeerde: "un feuilleton dessiné intitulé "Radio Patrol" du au dessinateur américain A.W. Spencer."[354] Bij de publicatie van de reeksen zelf, wordt de lezer op drie uitzonderingen[355] na aangewezen op de handtekening. Als die er niet is, blijft het verhaal anoniem.
In de twee vervolgverhalen komen enkele politieke elementen aan bod, echter zonder uitschieters. Uit Fred Sander blijkt vooral een oproep tot vrede en samenwerking tussen de volkeren. Radio Patrol probeert dan weer een positief beeld te schetsen van de politie, als een efficiënte maar menselijke instelling. Het vermelde patriottisme is, zoals we verder nog zullen zien, typisch aan bepaalde Amerikaanse stripreeksen.
4.1. Historiek en situering
Het socialistische dagblad Volksgazet rolde voor het eerst van de persen op 3 juni 1914. Het kwam voort uit de fusie van twee bestaande arbeidersbladen en het groeide na de Eerste Wereldoorlog uit tot hét blad van de socialistische beweging in Antwerpen. Tijdens het interbellum werd de oorspronkelijke uitgever, de coöperatie "Het Goede Zaad", vervangen door de "CV Ontwikkeling". Ook werd een akkoord gesloten met de Gentse socialistische krant Vooruit: Vooruit zou zich richten op Oost- en West-Vlaanderen, Volksgazet kreeg vrij spel in Antwerpen, Brabant en Limburg. Op deze manier werd concurrentie tussen de twee socialistische kranten vermeden. Tijdens WO II werd de publicatie van Volksgazet stopgezet, op de persen werd toen het collaborerende "Volk en Staat" gedrukt.
Maar op 4 september 1944 verschijnt de Volksgazet terug. Wel, wegens de papierschaarste, op een klein formaat, dat de krant zou blijven behouden. Een nieuwe directeur, Adolf Molter, en een nieuwe hoofdredacteur, Jos Van Eynde, verschijnen op het toneel. Deze laatste zou het blad uitbouwen tot een populaire en algemene informatiekrant, door meer aandacht te besteden aan degelijke reportages, sport en regionaal nieuws en door een lossere band ten opzichte van de BSP aan te nemen. Met succes : voor 1946 en 1949 worden oplages van 136.000 en 142.000 exemplaren vermeld.[356]
De krant verschijnt op een formaat van +/- 42,5 op 28 cm. Het aantal pagina's ligt in 1946 tussen 8 en 12, in 1950 tussen 16 en 20. Er verschijnen zes kranten per week: voor zaterdag en zondag verschijnt slechts één krant. Strips zijn er elke dag dat de krant verschijnt.
4.2. Mickey Mouse en Soldaat Fa Sido
4.2.1. Verhalen uit de jaren 1930
De eerste naoorlogse stripstrook duikt in Volksgazet op in januari 1946. Op 16 januari begint namelijk de publicatie van "Mickey Mouse in de Far West". Het begin van een lange reeks vervolgverhalen: eind 1950 gaat de publicatie van Mickey Mouse nog altijd ononderbroken voort met het veertiende verhaal "Mickey Mouse tegen het IJzeren Masker". Deze ballonstrip, vervaardigd in de Amerikaanse Disney-studio's, bereikt Volksgazet via het Franse agentschap Opera Mundi.
Het Mickey Mouse-personage werd ontworpen door Walt Disney en Ub Iwerks en zag in 1927 het levenslicht als tekenfilmfiguur. Op de stripversie was het wachten tot 13 januari 1930, waarvoor Floyd Gottfredson[357] vanaf mei 1930 het tekenwerk in handen zou nemen. Aan de scenario's werkten een hele hoop mensen mee, terwijl de handtekening van Walt Disney op de stroken mocht prijken.[358]
De verhalen die in Volksgazet gepubliceerd worden, zijn afkomstig uit verschillende periodes. De eerste twaalf verhalen werden voor het eerst gepubliceerd in de jaren 1935-1939 en zijn het werk van Gottfredson aan de tekeningen en Ted Osborne, gevolgd door Merrill De Maris aan de scenario's. Het dertiende verhaal, Mickey en Zorro, stamt uit 1948-1949 en is volledig het werk van Gottfredson. Mickey Mouse tegen het IJzeren Masker werd dan weer oorspronkelijk gepubliceerd van juli tot september 1950, zodat de publicatie in Volksgazet maar enkele maanden meer achterloopt. Het verhaal is geschreven door Bill Walsh en getekend door Gottfredson.[359]
In de Volksgazet beleeft Mickey Mouse samen met een hoop nevenpersonages, waaronder Minnie Mouse, Stoppel, zijn hond Pluto en de slechteriken Jack Pikkel en Klapoor een hoop avonturen. Het oplossen van misdaden, het zoeken naar schatten, het draaien van een film en het experimenteren met nieuwe uitvindingen wisselen elkaar af, met telkens de nodige misverstanden, achtervolgingen en situatiehumor.
Maatschappelijke en politieke onderwerpen worden daarbij niet uit de weg gegaan. De atoombom, spionage, oorlog, economische problemen, ze komen allemaal aan bod, zoals hieronder zal blijken uit enkele voorbeelden. Hoewel de meeste verhalen uit de jaren 1930 stammen, lijken ze in de jaren 1940 nog zeer actueel. Het is echter zeer moeilijk na te gaan of sommige elementen zich al in de oorspronkelijke versie bevonden: aanpassingen tijdens de vertaling zijn namelijk altijd mogelijk.
In "Mickey de speuragent"[360] werkt de held samen met de politie om de diefstal van fototoestellen op te lossen. Uiteindelijk blijkt dat de dief op zoek was naar één bepaald toestel waar een briefje in verborgen zat. Op dat briefje staat een scheikundige formule, ontwikkeld in een laboratorium "hier te lande" – de VS dus -, voor de ontwikkeling van een product dat uranium kan vervangen. Er wordt bijverteld dat men met uranium een atoombom kan maken. De dief blijkt dan ook een agent van een "vreemd syndicaat" te zijn.
Personages komen ook wel eens in geldnood: zo moet Mickey op een bepaald moment van de rechter een schadevergoeding betalen voor de vernielingen die zijn struisvogel aangericht heeft, maar daar heeft hij het geld niet voor.[361] Of nog: een loodgieter vraagt aan een vrouw die geen water meer doorkrijgt of ze haar rekeningen wel betaald heeft.[362] En in "Mickey op walvisvangst"[363] wordt de bemanning van een schip al maanden niet meer betaald omdat ze niets meer kunnen vangen.
Nog meer geldproblemen komen aan bod in "Mickey leert een vak"[364]: als hij terugkomt van een reis merkt Mickey dat hij geld verloren heeft op de beurs. Hij is alles kwijt en moet dus noodgedwongen op zoek naar werk. Dat blijkt niet van een leien dakje te gaan, want de meeste werkgevers stellen dwaze eisen en betalen slecht, als ze al werk aanbieden. Uiteindelijk kan Mickey als leerjongen beginnen bij een loodgieter, en zo komt hij in een diefstalaffaire terecht, die hij, in samenwerking met de politie, natuurlijk oplost. De inbrekers blijken toneelspelers te zijn, die, omdat ze geen werk vonden, geen andere oplossing zagen dan te gaan inbreken. Al deze economische en financiële problemen zijn niet zo verwonderlijk als men bedenkt dat deze verhalen uit de jaren 1930 stammen.
Geldnood is ook meer dan eens de reden om iets te ondernemen: de personages gaan werk zoeken, nemen deel aan een wedstrijd of gaan op zoek naar een schat. Zo bijvoorbeeld in "Mickey als schattenspeurder"[365]: Carmen, een vriendin van Mickey, moet binnen de twee maanden de schulden van haar huis afbetalen en weet totaal niet waar ze het geld vandaan moet halen. Maar op zolder ligt een dagboek van haar grootvader, met een plan naar een schat. Mickey besluit dan maar om de schat te gaan opsporen en zorgt ervoor dat Carmen haar schulden kan afbetalen.
Ook de moderne technologie komt goed aan bod: een "maanraket" waarmee Mickey en het wezentje Zorro naar de planeet Junior vliegen[366] en de "Submarplan": een toestel dat zowel kan vliegen, varen als duiken[367] zijn er maar twee voorbeelden van.
In "Mickey en het atoomgeheim"[368] speelt die technologie zelfs de centrale rol. Mickey en Stoppel komen, terwijl ze een vliegtochtje maken, een vliegende auto tegen. Ze maken een foto en tonen de afbeelding aan de kapitein van de vliegbasis. Deze besluit de zaak samen met Mickey verder te onderzoeken. Volgens de kapitein heeft de man met de vliegende auto de atoomenergie ontdekt, en in dat geval, zegt hij, kent zijn macht geen grenzen en moet hij gestopt worden.
Mickey en Stoppel slagen erin de man, Dokter Cosinus, terug te vinden: ze worden door hem ontvangen in zijn huis boven de wolken, en krijgen zijn installatie te zien. Mickey biedt 100 miljoen vanwege zijn regering. Cosinus wil er echter niets van horen. Volgens hem kan hij van vreemdelingen miljarden krijgen voor zijn uitvinding, maar het is geenszins zijn bedoeling ze te verkopen. Hij wilt ze zelfs niet bekendmaken, omdat ze dan zou gebruikt worden voor oorlogsdoeleinden in plaats van de mensen te helpen. Mickey probeert de man te overtuigen door te zeggen dat als zijn land de uitvinding zou krijgen, er geen oorlog meer zou komen, maar dat gelooft Cosinus niet. Dan komt plots de buitenlandse spion Jack Pikkel zich in het verhaal mengen. Hij wint het vertrouwen van Mickey en Cosinus en probeert zo de formule in handen te krijgen, maar Mickey slaagt er net op tijd in om zijn plannen te verhinderen én zo de wereld te redden. Cosinus is echter niet van gedacht veranderd: hij wilt de formule niet afstaan, omdat de wereld er volgens hem nog niet klaar voor is. Hij besluit dan ook naar een andere planeet te verhuizen, en Mickey en de kapitein kunnen niets anders doen dan hem gelijk geven. Net als in de verhalen van X-9[369] wordt Amerika hier voorgesteld als vredelievende natie die uitvindingen in handen wilt krijgen om de vrede te bewaren en wilt een buitenlandse spion de uitvinding op een verkeerde manier gebruiken. De professor heeft echter genoeg mensenkennis om de uitvinding aan geen van beiden af te staan.
De wereldvrede komt ook in gevaar in "Mickey en de dictator"[370], waarin onze muis het opneemt tegen een zekere Dokter Vulterman. Niet toevallig een Duitse naam. Er gebeuren rare dingen op zee, schepen worden aangevallen door een zekere "U". Bij toeval is Mickey getuige van zo'n aanval, waarna hij ingelijfd wordt bij de luchtpolitie en een plan opzet om de aanvallers in de val te lokken. Het lukt: het schip waarop hij meevaart, wordt door de bende met een reuzemagneet lamgelegd, waarna een duikboot opduikt. Dokter Vulterman laat alle passagiers in de duikboot overstappen en brengt ze naar een eiland, waar ze worden opgesloten. Blijkt dat Vulterman, of "de dictator", van plan is om de wereld te veroveren. Zijn gevangenen wil hij gebruiken als soldaten. Maar natuurlijk steekt Mickey daar allemaal een stokje voor.
Ook maatschappelijke opmerkingen komen in de Mickey-verhalen aan bod, hoewel niet zo vaak. Twee voorbeelden uit "Mickey en Zorro", waarin de twee titelpersonages met hun maanraket op de planeet Junior belanden. Als Mickey daar twee beren ziet vechten, concludeert hij: "Wel! Wel! … Het ziet er net als bij ons uit …"[371]. Bij de terugreis naar de aarde wordt de radio opgezet: "En nu de nieuwsberichten! Strijd gaat verder in het Verre Oosten … Scherp conflict in de UNO … Golf van misdadigheid over Chicago …", waarop Zorro reageert: "Komt in orde … we bereiken de beschaafde wereld."[372]
Het verhaal met de meest politieke inhoud is zonder twijfel "Mickey Mouse tegen het IJzeren Masker", dat hierna uitgebreid zal besproken worden. In dit verhaal probeert Mickey het land Muizepotamia van haar dictator te verlossen en eerlijke verkiezingen in te richten.
4.2.2. Het IJzeren Masker, Mickey Mouse als redder van de democratie
Het verhaal begint als Mickey wakker wordt in een vliegtuigje. Hij droomde dat hij koning werd, maar het blijkt totaal geen droom te zijn. De twee muizen, Johnny en Gustje, die hem vergezellen spreken hem aan met "Majesteit". Zelf zijn ze blijkbaar eerste minister en hoofd van de spionagedienst. Het vliegtuigje landt in Muizepotamia en het gezelschap wordt ontvangen door "het erecomité": een trommelaar en een vlag, met daarop "Welkom Koning Mickey."
Waarop ze hun koning in een "koninklijke karos" naar zijn "paleis" brengen. Maar de echte situatie zou snel duidelijk worden. De "karos" is niets anders dan een oude kar, het paleis is een krotachtig huis. Het echte paleis is namelijk bezet. "Een vreemde kerel heeft ons land overrompeld", vertelt Johnny, "en we krijgen hem niet weg!"[373] Het blijkt om het IJzeren Masker te gaan, een "slechte kerel", die in het land een dictatuur gevestigd heeft, en van wie een verkiezingsaffiche aan de muur hangt. Als Mickey opmerkt dat ze toch vrij mogen stemmen, laten ze hem de affiche volledig lezen: "Stem voor het IJzeren Masker. Onversaagd – eerlijk – vriendelijk.", en in kleine letters: "P.S. Diegene die niet voor het IJzeren Masker stemt, zal onthoofd worden."[374] Verkiezingen zijn er dus wel degelijk, maar erg democratisch is het verloop ervan niet te noemen.
En geen wonder dat het Masker de muizen angst bezorgt: hij is twee keer zo groot als hen en ziet er met zijn zwarte masker niet al te vriendelijk uit. Ook Mickey krijgt schrik, en denkt er sterk aan om terug naar huis te gaan. Johnny probeert hem nog te overtuigen: "Blijf toch, majesteit … vecht voor je troon … wij zullen kampen!"[375] Maar net dan vallen twee wachten van het IJzeren Masker binnen, het zijn grote muizen, gehuld in musketierkleding. Ze besluiten Mickey aan het IJzeren Masker aan te bieden als hofnar.
Hij krijgt een narrenpak aan, maar daar blijken gaten in te zitten. Als hij bij een paleiswacht klaagt dat "de mot" erin zit, krijgt hij als antwoord: "Zijn geen motgaten … werd met een degen doorstoken! De vroegere nar stak zijn neus teveel in politieke zaken!"[376] Hofnar blijkt dus geen al te veilige job te zijn én het Masker blijkt dan nog een enorm arrogant heerschap te zijn: hij geeft zijn nar alleen eten als hij aan het lachen wordt gebracht.
Ondertussen slagen Johnny en Gustje erin terug contact te leggen met Mickey. Via een geheime tunnel onder de troon nemen ze Mickey mee naar een geheime ruimte, waar plannen tegen het IJzeren Masker gesmeed worden. Ze stellen hem aan tot leider van "de lustige muisjes", maar Mickey stelt wel zijn voorwaarden: "In orde … zal je helpen die schurk er onder te krijgen … onder een voorwaarde … ik ben geen koning meer. Zullen een vrije verkiezing houden … Het volk moet de baas van Muizepotamia zelf kiezen. Weg met het IJzeren Masker."[377] Waarop alle aanwezige "lustige muisjes" hun leider toejuichen.
Het verzet organiseert zich dus. De lustige muisjes laten onder de naam "de groenkappen" overal berichten achter; "Bericht! De "Groenkappen" maken bekend dat ze het "IJzeren Masker" zullen aanvallen en uitroeien."[378] Zelfs op de koets van de eerste minister en op het hoofdkussen van het IJzeren Masker. En ze laten de eerste minister aanvallen door valken. Het masker voelt zich echter niet bedreigd.
Mickey speelt nu dus een dubbelrol als nar en als verzetsleider. Als plots Johnny en Gustje betrapt worden en opgepakt als spionnen, probeert hij dan ook door allerlei middelen hun executie te doen uitstellen. Zo probeert hij bijvoorbeeld het Masker te overtuigen hen een laatste eetmaal te geven, "Beschaafde staatslieden gunnen iedere terdoorveroordeelde een laatste ontbijt."[379] En aangezien het Masker een beschaafde leider wil zijn, gaat hij op het voorstel in.
En tijdens de executie slaagt Mickey erin om de twee "spionnen" te doen ontsnappen. Achternagezeten door een bende wachters, springt hij door een venster van het paleis en komt terecht in de kamer van een kleine bange muis. In een hoek ligt de uitrusting van het IJzeren Masker: het masker zelf, maar ook een steltenstructuur en vulsel. Mickey's hersenen draaien op volle toeren en komen op het besluit dat het IJzeren Masker eigenlijk een "klein ventje" moet zijn … het klein bang ventje in de kamer dat hem om medelijden en vergiffenis smeekt.
Mickey krijgt hem aan de praat : "Ik was een klein mannetje. Zwak, onbeduidend. Iedereen kon me tergen. En dan liet ik dat afschuwelijk pak maken. Ik voelde me sterk en onvervaard … ze zijn er allen in gelopen. En ik werd de leider … het gevreesde IJzeren Masker … Nu kan ik de anderen beduivelen …".[380]
Waarop Mickey hem vastbindt en zelf in de uitrusting kruipt. Het ex-IJzeren Masker probeert nog te bevelen hem los te maken, maar "het bevelen is afgelopen"[381]. En verkleed als het IJzeren Masker voert Mickey hervormingen door: de gevangenen van het "concentratiekamp" worden bevrijd, het leger wordt ontbonden, wapens moeten weggegooid worden en de eerste minister wordt afgezet (hij wordt terug visverkoper).
Daarna krijgt het Masker zijn uitrusting terug, maar Mickey maakt duidelijk dat hij alles bekend maakt bij de kleinste misstap. En hij vervolgt: "En nu zullen we een vrije en eerlijke verkiezingen inrichten voor de nieuwe baas van Muizepotamia …"[382] Hij stelt Johnny en Gustje voor als kandidaten voor het president- en vice-presidentschap en zet een campagne op: manifesten, affiches, meetings, … Gustje wordt aangeprezen als "eerlijk" en "onvervaard", voor Johnny komt daar "verstandig" bij. Maar ook het IJzeren Masker voert propaganda: hij loopt de straten af met een vlag waarop "Candidaat President. Het IJzeren Masker. Half eerlijk."[383] staat.
Uiteindelijk komen de uitslagen van de verkiezingen binnen. Johnny en Gustje halen 86 000 stemmen, het IJzeren Masker één stem. Mickey wenst de overwinnaars veel succes, neemt afscheid en vliegt weg met een luchtballon.
Met dit verhaal krijgt de lezer een les in democratie en pacifisme. Muizepotamia leeft in terreur, geregeerd door het vreselijke IJzeren Masker. Verkiezingen bestaan wel, maar de terreur zorgt ervoor dat men alleen op de dictator kan stemmen. Mickey, die aan het hoofd van het verzet komt, toont hoe het wel moet: geen koning, geen concentratiekampen, geen wapens of leger én vrije verkiezingen. Op die manier keert de rust weer in Muizepotamia, zonder zijn terreur stelt het IJzeren Masker namelijk niet veel voor.
De medewerkers van de Disney-studio's wisten heel goed dat de verhalen die ze produceerden, verspreid werden over de wereld. Het verhaal kan dan ook gezien worden als het over de wereld verspreiden van een democratisch gedachtegoed: de regeerders moeten vrij verkozen worden en in geen geval mag er gebruik gemaakt worden van druk of terreur.
Een duidelijk signaal in deze jaren van Koude Oorlog waarin het herstel van de democratie een belangrijk punt was. Al zeer lang stelden de Verenigde Staten zich op als de verdedigers van de vrijheid en de parlementaire democratie. En na de Tweede Wereldoorlog stond het herstel van die parlementaire democratie in Europa centraal, samen met het verspreiden van de hele "American way of life". Deze ingesteldheid werd nog versterkt door de toenemende impact van het communisme, die veel Oost-Europese landen in de armen van de Sovjetunie dreef.[384] Het "IJzeren Masker" kan zo trouwens ook gezien worden als een inspeling op het "IJzeren Gordijn".
In deze strip wordt dus aan de lezers getoond dat een democratisch systeem met eerlijke en vrije verkiezingen het enige goede is. Het belang van die boodschap kan één van de redenen zijn waarom het verhaal zeer snel na de originele publicatie in de Volksgazet (en in de rest van de Europese pers?) verscheen.
4.2.3. Fa Sido, de domste soldaat van het Belgisch leger
Vanaf woensdag 15 oktober 1947 publiceert Volksgazet een wekelijks stripje, Soldaat Fa Sido. Elke week krijgt de lezer een gag van drie strookjes voorgeschoteld. Fa Sido is, zachtjes uitgedrukt, een zeer domme soldaat. Alles wat hij maar verkeerd (of net letterlijk) kan begrijpen, begrijpt hij ook zo. Zijn oversten zijn, wat geestelijke gaven betreft, niet beter voorzien. Het leger wordt in deze strip dus amper belachelijk gemaakt. Voeg daarbij dat Fa Sido ook nog een vrouwenzot is, en de voorraad grappen lijkt onuitputtelijk.
Auteur van dienst is Wally Delsey. Delsey is één van die, blijkbaar Belgische, tekenaars waar bijna niets van geweten is. In 1948 heeft hij een verhaal getekend voor het socialistische weekblad ABC[385], en in 1948 en 1949 publiceert telkens een verhaal in respectievelijk Het Volk en Vooruit.
4.3. Besluit
Het stripbeleid van de Volksgazet is zeer consequent. Begin 1946 start de publicatie van Mickey Mouse, en die reeks blijft gewoon onafgebroken doorlopen. De enige verandering is dat Mickey vanaf oktober 1947 één keer per week het gezelschap krijgt van Soldaat Fa Sido. Op die manier toont de krant dat ze ook in staat is eigen materiaal aan te bieden (al is het maar wekelijks) naast de Mickey Mouse-stroken van Opera Mundi.
De Volksgazet vernoemt telkens de auteurs van de verhalen in de titel, terwijl het werk ook getekend is. Enkele verhalen krijgen een aankondiging, maar lang niet allemaal. Wel wordt Mickey Mouse quasi altijd onderaan pagina 2 gepubliceerd, zodat het voor de lezer een gewoonte wordt zijn dagelijkse strip daar te zoeken. Volksgazet besteed dus wel aandacht aan haar strips, maar zonder te overdrijven.
Politieke elementen komen in de Mickey Mouse-verhalen zeker aan bod. Al is het moeilijk om ze aan de context te verbinden: de eerste verhalen dateren uit de jaren 1930, maar er kunnen altijd, met het oog op de herpublicatie, elementen aangepast zijn tijdens de vertaling. Deze "oude" verhalen blijken alleszins zeer actueel: economische problemen, de mogelijkheden van atoomenergie, een dictator die de wereld wilt veroveren … en Mickey Mouse die het mag oplossen. Maar het meest politiek geladen verhaal is het democratischgezinde "Mickey Mouse en het IJzeren Masker.", waarin vrije verkiezingen het belangrijkste thema zijn.
5.1. Historiek en situering
Het Belang van Limburg zag in 1933 het levenslicht als de samensmelting van een reeks weekbladen, die opgericht waren door Nicolas Theelen, en later door zijn zoon Frans. In 1926 verhuisde het bedrijf van Tongeren naar Hasselt en nam het de naam "Concentra" aan. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de publicatie stopgezet en werd een VNV-publicatie op de persen gedrukt.
Maar na de bevrijding is de krant er weer op 12 september 1944. En zoals de meeste andere kranten, krijgt ook Het Belang van Limburg te maken met personeels- en papiertekort. Hubert Leynen, tijdens het interbellum al hoofdredacteur, keert op zijn positie terug. Aangezien Leynen vanaf 1949 parlementslid wordt voor de CVP, leunt de krant sterk bij deze partij aan. Ook is de krant sterk verbonden met Limburg en wordt ze vooral in deze provincie verspreid. Voor 1945 en 1949 vermeldt Campé oplages van 40.000 en 45.000 exemplaren.[386]
De krant bevat tussen de 8 en de 12 pagina's en begint op een formaat van 29 op 42 cm[387]. Het Belang van Limburg verschijnt zeven keer per week, strips kunnen alle dagen verschijnen, maar dat gebeurt niet noodzakelijk.
5.2. "Limburgsche vervolgverhalen"
5.2.1. Nantje en Jetje
Op 16 september 1945 kondigt Het Belang van Limburg haar eerste naoorlogse strip aan met de volgende tekst: "Mej. Anne-Marie Prijs van Sint Truiden, dochter van den letterkundige Hendrik Prijs, tekende voor ons dagblad een Limburgsch vervolgverhaal: " De avonturen van Nantje en Jetje Pek en van hun hondje Zip". De teekeningen, waaraan groot en klein veel genoegen zullen beleven, vangen aan in ons nummer van morgen. Hierboven ziet u de drie helden uit dit geïllustreerd verhaal."[388]
Tekenares Anne-Marie Prijs werd in 1925 geboren als de dochter van schrijver Hendrik Prijs. Ze volgde les aan de Academie van Sint-Truiden en privé-les bij de schilder Ri Coëm. Naast haar werk voor Het Belang van Limburg, leverde ze ook illustraties voor novellen van haar vader en voor eigen teksten van sprookjes die verschenen in Zonneland en Libelle. Vanaf 20 februari 1948 zou ze ook een strip in Zonneland publiceren, "Tjieke en Jaak".[389]
Anne-Marie Prijs vertelt dat ze bij het zien van de Amerikaanse strips die ons land bereikten, ook zin kreeg om zulke "tekenbanden" te gaan maken. Jeugdverhalen schreef ze op dat moment al. Door de activiteiten van haar vader[390] kwamen veel schrijvers en schilders bij de familie Prijs over de vloer, en daardoor had de familie ook veel contacten met de uitgeverswereld. Anne-Marie ging haar strips dan blijkbaar op eigen initiatief aanbieden bij de hoofdredacteur van Het Belang van Limburg, die ze voor publicatie aangenomen heeft.[391] Het feit dat de tekenares haar werk op de krant is gaan aanbieden, is waarschijnlijk de reden waarom Het Belang van Limburg er zo vroeg bij is met het publiceren van strips.[392]
Annie Gay geeft in haar licentieverhandeling een korte bespreking van Nantje en Jetje. Voor haar is de oneerlijkheid, belichaamd door "Slangmensch" het centraal thema van het verhaal. Ze beschrijft de tekeningen als vrij eenvoudig (wat ook zo is): "Aan de uitwerking van de gezichten is weinig aandacht besteed. De bewegingen zijn houterig. Ook de omgeving wordt in enkele trekjes voorgesteld. Er wordt wel gebruik gemaakt van tekstballonnetjes."[393]
Het verhaal loopt van 17 september 1945 tot 21 januari 1946, en begint op een eerder droevige manier: "Terwijl de natuur herleeft, sterft de moeder van Nantje en Jetje."[394] De twee kinderen besluiten dan maar de wijde wereld in te trekken. Ze zoeken werk, maar dat loopt slecht af. Ze helpen dieven in te rekenen, en dat levert hen een beloning van 10.000 frank op. Nantje wordt zelfs ontvoerd door bandieten, maar Jetje en enkele rakkers slagen erin hem te bevrijden.
De twee bengels komen terecht in een circus, waar Pipo de clown zich over hen ontfermt en hen kunstjes leert. Maar één van de andere circusartiesten, een zekere Slangmensch, die beschreven wordt als "lief maar (…) valsch en sluw"[395], wordt al snel jaloers op het succes van Nantje en Jetje. Hij zet een "misdadig plan" op en zaagt de koord waarop ze hun kunsten vertonen, door. Tijdens de volgende voorstelling breekt de koord dan ook door en valt Jetje naar beneden.
Jetje herstelt langzaam en Slangmensch wordt uit het circus gezet. Hij belooft echter zich te wreken. Maar momenteel zijn er andere zorgen. De kalender geeft 10 mei aan, "Duitsche vliegtuigen bombardeerden heden morgen Evere, zonder oorlogsverklaring…"[396] De algemene mobilisatie wordt uitgeroepen, "het vaderland roept", zodat ook Pipo de clown moet vertrekken. Pipo is echter zeer optimistisch: "Och Jetje, 't zal niet lang duren, de Moffen raken nooit over het Albertkanaal."[397]
Iets te optimistisch, zoals later blijkt. Enkele dagen later lezen Nantje en Jetje in de krant dat België na 18 dagen "dapper maar vruchteloos verzet"[398] bezet is. Duitse troepen trekken langs, al zingend van "und wir fahren gegen Engeland". "Daarvoor moet ge goed kunnen zwemmen stoefers …"[399], merkt Nantje op, maar Jetje zet hem aan tot voorzichtigheid.
&nb