| De NSV als metapolitieke voorhoede. Een duik in de kweekvijver van het Vlaams Belang. (Jeffrey De Keyser) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
De Nationalistische Studentenvereniging (NSV) wordt doorgaans omschreven als een extreem-rechtse, Vlaams-nationalistische jongerenorganisatie, en geniet bij het brede publiek vooral bekendheid door haar radicale acties en omwille van haar status als politieke kweekvijver van het Vlaams Belang. Vooral deze laatste veronderstelling is een niet onbelangrijk gegeven in het licht van de huidige politiek-maatschappelijke ontwikkelingen. Niettegenstaande het VB sinds zijn nationale verkiezingsdoorbraak in 1991 tot op heden een gestage groei kende – die bij de jongste twee verkiezingen evenwel leek te stagneren –, is er nog geen noemenswaardig politicologisch onderzoek verricht naar de ideeën en activiteiten van haar ‘politieke kaderschool’. Voorliggende licentiaatsverhandeling wil daar een bescheiden aanzet toe geven, en stelt onder meer een omstandige ideologische analyse van de voornaamste NSV-publicaties voorop, waarbij vooral zal gefocust worden op de periode na 1990. Voorts wordt er ruime aandacht besteed aan de historiek en de organisatorische structuur van de studentenvereniging, en wordt de doorstroming van de NSV naar het Vlaams Belang in kaart gebracht.
Bronnen
Over de NSV bestaan geen politiek-wetenschappelijke of historische standaardwerken. Met het in 2006 verschenen lustrumboek ‘Hier komt het oud Sint-Jorisgild’ naar aanleiding van 30 jaar NSV, zette historicus Wim Van Dijck daartoe wel de eerste stappen, hoewel hij in de inleiding van zijn boek zelf aanhaalt geen wetenschappelijke pretentie te claimen.[2] De auteur is dan ook zeer nauw betrokken bij de werking van de studentenvereniging: tijdens het academiejaar 1991-1992 was hij nog preses van NSV-Leuven, vandaag is hij voorzitter van de Oud-studentenbond Brabant en Vlaams volksvertegenwoordiger voor het Vlaams Belang. In Van Dijcks kroniek, die de eerste drie lustra (1976-1991) beslaat, wordt een bijwijlen apologetisch beeld van de NSV-geschiedenis geschetst, waarbij interne conflicten, controversiële aangelegenheden en beladen kwesties bewust worden gemeden. Buiten de zelfcensuur om, kan het werk toch als een interessante feitelijke bron worden beschouwd. Vooral de bijlage, met een chronologische lijst van de verschillende presidia, bleek een onmisbaar onderzoeksinstrument bij het totstandkomen van deze verhandeling.
Nochtans zijn er heel wat secundaire bronnen voorhanden, waarin de NSV wordt vermeld als onderdeel van een studie op een hoger echelon. Zo zijn er de standaardwerken over (de morfologie van) Vlaams-nationalistisch extreem-rechts van Etienne Verhoeyen, Frank Uytterhaegen[3], Peter Verlinden[4] en Louis Vos[5], en de vele studies over het Vlaams Blok / Vlaams Belang[6], waarin ook de NSV telkens een korte bespreking krijgt. Deze werken kwamen evenwel nooit aan een uitgebreide beschrijving en analyse toe van de ideeën, de rol en de activiteiten van de Nationalistische Studentenvereniging. Het lemma over de NSV in de Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging (NEVB)[7] – nochtans een basisreferentie voor wetenschappelijk onderzoek m.b.t. het Vlaams-nationalisme – beslaat slechts anderhalve kolom, en de tekst is bovendien niet foutloos. Zo heeft auteur Peter Verlinden het over een zekere Johan de Man die ooit voor de NSV zou hebben gemiliteerd. Wellicht doelt de auteur op Johan Demol óf Filip de Man, maar beiden zijn nooit lid geweest van de NSV.
Hoewel websites als Blokwatch[8] geen strikt wetenschappelijke maar ideologisch gekleurde bronnen zijn, bevatten ze toch een schat aan informatie waar men ook als onderzoeker niet omheen kan. Daarnaast werden nog verschillende andere webpagina’s, tijdschriften en kranten geraadpleegd. Gekleurde of ‘dubieuze’ (internet)bronnen werden steeds aan een objectiviteitscontrole onderworpen.
Methodologie
Gegeven de afwezigheid van voldoende relevante secundaire bronnen over de NSV, berust deze verhandeling op twee methodologische pijlers: een primaire bronnenanalyse van de voornaamste NSV-publicaties – het tijdschrift Branding voor de periode 1990-2006 in het bijzonder – en enkele elite-interviews met bevoorrechte getuigen van vroeger en nu. De gekozen ‘sleutelinformanten’ zijn – in chronologische volgorde van interviewafname – Edwin Truyens, oprichter en tot 1984 voorzitter van de NSV, Jeroen Serpieters, de huidige preses van NSV-Antwerpen, Bart Laeremans, oud-preses van NSV-Leuven en vandaag kamerlid voor het Vlaams Belang, Wim Van Dijck, gewezen preses van de Leuvense NSV en vandaag voorzitter van de OSB-Brabant en Vlaams volksvertegenwoordiger voor het Vlaams Belang, en Bruno Valkeniers, één van de drijvende krachten achter de oprichting van de NSV en sinds juni 2007 kamerlid voor het VB. Aan deze interviews ging een terreinverkennend gesprek met prof. Bruno De Wever vooraf (zie: bijlagen 1-5).
De primaire bronnen werden geconsulteerd in het ADVN. De voornaamste NSV-publicatie is het vormingstijdschrift Branding, dat voor de periode 1990-2006 werd geanalyseerd. Af en toe werd ook teruggegrepen naar oudere nummers van Branding en haar voorloper Signaal. Het nationale NSV-tijdschrift is in de loop der jaren twee keer van naam veranderd, maar de studentenorganisatie heeft ervoor geopteerd om de nummering gewoon te laten doorlopen. Zo is de derde jaargang van Tegenstroom in werkelijkheid de eerste jaargang van de periodiekenreeks. Na de scheuring tussen het KVHV en de NSV, zagen de nationalistische studenten zich immers als de ware erfopvolgers van het KVHV-Antwerpen, en namen ze ook gewoon de nummering (en de titel) van hun tijdschrift over. De eerste jaargang van Signaal wordt dan weer aangeduid met de vierde jaargang, terwijl Branding begint te lopen vanaf jaargang 9. Bovendien wordt Branding sinds januari 1990 niet langer per academiejaar, maar per kalenderjaar uitgegeven. Om de overzichtelijkheid te bewaren, hebben we ervoor gekozen om de oorspronkelijke indeling aan te houden, i.e. zoals ze op de respectieve tijdschriften staat aangeduid. Samengevat: Tegenstroom beslaat de jaargangen 3 tot 4, Signaal 4 tot 9, en Branding 9 tot 30 (heden).
Het gebeurt soms dat onder een bepaald tijdschriftartikel de auteursnaam ontbreekt. In dergelijke gevallen vermelden we in de bibliografische noten “(anon.)” voor anoniem, of “(red.)” als het duidelijk om een tekst van de redactie gaat – zoals algemene mededelingen, aankondigingen en standpunten van de studentenvereniging. De geconsulteerde bronnen bevatten dikwijls spellings- en grammaticale fouten, gaande van foutieve leestekens tot zware dt-fouten. Toch is er in voorliggende verhandeling voor gekozen om eventuele citaten zo letterlijk mogelijk, dus met inbegrip van die errata, weer te geven. Naast het traditionele letterwoord (NSV), hanteren sommige auteurs het acroniem gevolgd door een uitroepteken (NSV!). We hebben ervoor geopteerd om enkel de eerste vorm te gebruiken. Het conformisme in de breviatuur vermijdt niet alleen misverstanden, maar heeft in de eerste plaats de bedoeling om het lezen te vereenvoudigen.
De inhoud van deze tekst claimt uiteraard geen volledigheid, en wel om verschillende redenen. In de eerste plaats betreft het een licentiaatsverhandeling, waarin tijd en middelen ontbreken om echt diepgravend onderzoek te verrichten. Ten tweede is er de hoger aangehaalde verwaarlozing van het onderwerp door politicologen en historici: over de extreem-rechtse beweging rond en binnen het Vlaams Belang bestaat er heel weinig kwalitatief onderzoek. De wetenschappelijke discipline beperkt zich meestal tot het opstellen van kwantitatieve taxonomieën, terwijl de ideologische bedrijvigheid dan weer flirt met de grens van historische decontextualisering. Ten slotte is er de inherente grens tussen observatie, beschrijving en theorievorming rond een bepaald onderwerp. Ik ben een aanhanger van de Popperiaanse zoeklichttheorie, die stelt dat theorieën en concepties slechts als schijnwerpers fungeren en bepaalde facetten van de werkelijkheid onderbelicht laten.[9] Maar het is net uit die ogenschijnlijke zwakte dat het kwalitatief onderzoek zijn kracht en bestaansrecht put.
De kweekvijvers van het Vlaams Belang.
1.1. Vlaams-nationalistisch extreem-rechts: een brede bedding.
“Een politieke partij kan niet zonder de zuurstof, kan niet zonder de zuurdesem, kan niet zonder de levende klank en kracht, klinkend en komend uit het bewegingsveld,” stelde Vlaams Blok-stichter Karel Dillen elf jaar geleden in Dietsland-Europa.[10]
Van bij de oprichting in 1978 beschouwt het Vlaams Belang – tot 2004 het Vlaams Blok – zich als het partijpolitieke verlengstuk van de bredere extreem-rechtse Vlaams-nationalistische stroming. Zelfs al zijn er niet altijd formele of structurele overlappingen, toch vormen de partij en haar buitenparlementaire voorposten één bedding, een radicaal-rechtse diptiek waarvan de constitutieve panelen niet los van elkaar kunnen gezien worden. In de inleiding van de eerste editie van de Grondbeginselen verwoordde wijlen voorzitter-voor-het-leven Karel Dillen het nog als volgt: “Het Vlaams Blok heeft tot plicht de partijpolitieke vleugel van de strijdende Vlaams-nationale beweging te belichamen.”[11] Die these wordt ook door de (meta)politieke actiegroepen onderschreven. In 1996 geeft Johan Vanslambrouck, voorzitter van de radicale strijdvereniging Voorpost, een treffende samenvatting van de geprivilegieerde relatie met het VB: “Partij en beweging gebruiken andere middelen, maar de uiteindelijke doelstellingen blijven uiteraard dezelfde. Druk uitoefenen door kiezers te winnen voor een beginselvast nationalistisch programma is belangrijk en levert resultaten op. Deze electorale druk moet ondersteund worden met weldoordachte buitenparlementaire acties.”[12]
Dat het Vlaams Belang en zijn bevriende groepen globaal dezelfde doelstellingen nastreven, doet echter geen afbreuk aan de zelfverklaarde autonomie van de extreem-rechtse verenigingen en groupuscules. Vaak worden laatstgenoemden nogal simplistisch en conspiratoir omschreven als de bouwstenen van ‘een schimmig netwerk’ (Jan Blommaert)[13], of als de ‘mantelorganisaties’ en ‘apolitieke vleugel’ van de partij (Jos Vander Velpen)[14]. Omgekeerd wordt het Vlaams Belang dan voorgesteld als een ‘paraplu’ voor extreem-rechtse en neonazistische organisaties[15], of als het ‘politiek lappendeken van ultra-rechts Vlaanderen’[16]. De buitenparlementaire extreem-rechtse organisaties hebben wel degelijk een eigen dynamiek. Marc Spruyt: “Hun ontstaansgronden, hun werkterrein en hun bestaansredenen liggen buiten de partijpolitiek. Geen enkele ervan werd opgericht door het Vlaams Blok en ook indien het Blok verdween, zouden deze groepen blijven bestaan. Ze zijn dan ook niet geïntegreerd in de partijstructuren en zijn geen mantelorganisaties van het Blok. Het onderscheid tussen partij en beweging betekent niet dat er geen ideologische, politieke of personele banden zijn tussen beide, want die zijn er meer dan voldoende. Er is echter geen structurele vervlechting.”[17] Vooral de jongerenorganisaties laten het niet na om op tijd en stond aan hun partijpolitieke onafhankelijkheid te appelleren. Zo stipuleren de algemene bepalingen van de vernieuwde politieke beginselverklaring van de NSV (art. 5): “De NSV is een partijpolitiek onafhankelijke studentenvereniging die op geweldloze wijze ijvert voor de realisatie van het hier verder beschreven politiek programma.”[18] Ook de Keure, de ideologische beginselverklaring van het VNJ, bevat een gelijkaardige bepaling (art. 10): “Het VNJ is een volledig zelfstandige en onafhankelijke jeugdbeweging, zonder bindingen met gelijk welke politieke, sociale, economische of kerkelijke organisatie.”[19]
In essentie is de relatie tussen partij en beweging overigens niet abnormaal. Tussen beide bestaat een personele, organisatorische en ideologische wisselwerking die men ook bij andere partijen en hun respectieve ‘zuilen’ kan aantreffen. Anderzijds is het wel zo dat er bij het Vlaams Belang – veel meer dan bij de andere politieke partijen – een grote discrepantie bestaat tussen de nichespelers in het rechts-radicale netwerk en het onderhorige kiezerskorps van de partij. Het VB-electoraat is duidelijk veel gevarieerder en heeft op zich weinig uitstaans met die extreem-rechtse traditie.[20] Spruyt: “De honderdduizenden kiezers van het Vlaams Blok komen uit de meest diverse middens, haar mandatarissen en kaderleden niet. Wie voor de partij wil werken, moet over de juiste geloofsbrieven beschikken.”[21] Dat is vandaag niet anders.
1.2. Een beknopte morfologie van extreem-rechts in Vlaanderen.
Als geschiedkundig basiswerk met betrekking tot taxonomie en activiteit van Vlaams-nationalistisch extreem-rechts geldt het uitvoerige dossier van historicus Etienne Verhoeyen, ‘L’extrême-droite en Belgique’, dat tussen 1974 en 1976 in drie delen bij CRISP in Brussel verscheen. Het deel dat voor onze schets relevant is, werd uitgebracht in 1975 en kreeg als titel ‘L’extrême-droite au sein du nationalisme flamand’[22]. Daarin beschrijft de auteur alle groeperingen sinds 1945 die onder die noemer vallen. Verhoeyen verantwoordt het gebruik van de notie ‘extreem-rechts’ door erop te wijzen dat de opgesomde verenigingen zich tot de stroming van de ‘conservatieve revolutie’ rekenen, i.e. een revolutie tegen de Belgische staat, het gauchisme, het communisme, en de liberale orde die het bestaansrecht van de verschillende volkeren in artificiële staten fnuikt.[23] Alhoewel er in 1975 van het Vlaams Blok (°1978) en organisaties als Voorpost en NSV (beide °1976) nog geen sprake was, zijn alle morfologieën die sindsdien zijn verschenen voor het overgrote deel aan dit standaardwerk schatplichtig. Vanuit historisch oogpunt onderscheidt Verhoeyen vier grote gehelen: de nationalistische jeugdbeweging (type VNJ), de nationalistische oppositiepers (type ‘t Pallieterke), de nieuwe militanten- en activistengroepen (type VMO) en de groepen gericht op het verleden (type Sint-Maartensfonds). In ‘De kreeft met de zwarte scharen’ – het eerste naoorlogse standaardwerk over extreem-rechts[24] – herneemt Verhoeyen samen met co-auteur Frank Uytterhaegen de oorspronkelijke indeling, maar er wordt nog een vijfde categorie aan toegevoegd: de conservatieve groepen met extreem-rechtse sympathieën (type Pro Vita).[25]
In zijn licentiaatsverhandeling ‘Morfologie van de Vlaams-nationale uiterst rechtse groeperingen’ beschrijft politicoloog Peter Verlinden de groepen in de post-Egmontperiode (1977-1978). Het onderzoek kreeg in 1981 een summiere neerslag in het politiek-wetenschappelijk tijdschrift Res Publica.[26] In tegenstelling tot Verhoeyen onderkent Verlinden drie grote categorieën: groeperingen gericht op het Vlaams-nationale verleden (type Sint-Maartensfonds), studenten- en jongerengroeperingen (type NSV), en de actueel-actieve groeperingen (type Voorpost). In 1991 werd de studie van een summiere actualisering voorzien, maar de auteur hield dezelfde classificatie aan.[27]
Ook de indeling van Vlaams-nationalistisch extreem-rechts volgens Marc Spruyt wijkt nauwelijks af van de bestaande literatuur. In een assenkruis zet hij doelpubliek en functie tegen elkaar af.[28] Binnen het eerste criterium maakt hij een onderscheid tussen jong (type NSV) en oud (type Sint-Maartensfonds), terwijl hij op de tweede variabele intellectuele vorming (type Were Di) tegenover militantisme (type Voorpost) plaatst. Het is een morfologie die eigenlijk volledig terug te brengen valt tot die van Verhoeyen (cf. supra). Oppositiepers en vorming zijn in deze structuur immers de keerzijden van dezelfde medaille: intellectuele activiteit.

Figuur 1: Morfologie van Vlaams-nationalistisch extreem-rechts volgens Marc Spruyt. [29]
Om een idee te krijgen van de metapolitieke bezetting van dat rechts-radicale veld, bespreken we hierna kort de meest relevante organisaties. We zullen zien dat het bestudeerde landschap een sterke traditie van versnippering kent. Professor Bruno De Wever reikt een plausibele denkpiste aan voor die interne verdeeldheid: “Het lijkt me een morfologie te zijn die je nogal eens aantreft bij extreem-rechts, niet alleen in België maar ook elders in Europa. […] We moeten misschien de reden daarvan niet zozeer in het specifiek gedachtegoed van extreem-rechts gaan zoeken, maar meer in het gedachtegoed van extreme bewegingen tout court, of die nu links of rechts zijn. En de reden daarvan lijkt me te kunnen zijn dat die bewegingen relatief weinig macht hebben, precies omdat ze extreem in het politieke firmament staan. En hoe minder macht een beweging heeft, hoe meer er geïnvesteerd wordt in ideologie, en hoe belangrijker ook ideologische verschillen worden. […] De versnippering lijkt me dan ook structureel te zijn.”[30] Er zijn in het verleden nochtans al een aantal toenaderingspogingen geweest tussen verschillende rechts-radicale Vlaams-nationalistische facties: de Vlaams-Nationale Raad (1973-1975) op initiatief van Were Di – met o.m. TAK, ANZ, VMO en VNJ –, het Vlaams Nationaal Directorium (VND), het Comité Vlaanderen Ons Vaderland (CVOV), enz. Geen enkele inspanning bleek echter succesvol op lange termijn. We zullen zien dat het Vlaams Belang die verdeeldheid vandaag voor een stuk ondervangt.
1.2.1. Studenten- en jongerenverenigingen.
Het Vlaams Nationaal Jeugdverbond (VNJ) en de Nationalistische Studentenvereniging (NSV) zijn traditioneel de twee grootste jongerenverenigingen in het rechts-radicale spectrum.
Het VNJ werd in 1960 onder de doopvont gehouden door de Antwerpse architect Jaak van Haerenborgh, die tijdens de Tweede Wereldoorlog actief was in de Nationaal Socialistische Jeugd Vlaanderen (NSJV), de jongensafdeling van het collaborerende VNV. Het verbond had de expliciete bedoeling om eenheid en uniformiteit te scheppen in het verkavelde Vlaams-nationale jeugdlandschap. Na een lange geschiedenis van concurrentiestrijd, interne verdeeldheid en afscheuringen, is het VNJ vandaag de enige overgebleven landelijke Vlaams-nationalistische jeugdbeweging. Ideologisch laat het Jeugdverbond zich kenmerken door zijn Diets-nationalisme, en de aandacht voor discipline en de traditionele volkscultuur. Het VNJ kreeg lange tijd het etiket ‘Volksunie-jeugd’ opgekleefd, maar na de strijd tegen het Egmontpact trad een groeiende identificatie op met het Vlaams Blok. In 1995 nam het VNJ het initiatief tot de oprichting van de Werkgroep Radicalisering, en lag zo mee aan de wieg voor het ontstaan van de IJzerwake. De sinds 1977 erkende nationale jeugdbeweging telt vandaag zo’n 1500 leden, in afdelingen verspreid over heel Vlaanderen. Ze groepeert jongens en meisjes van 6 tot 21 jaar, respectievelijk in de Blauwvoetvendels en Meisjesscharen. Voor de leden is er de tweemaandelijkse periodiek Storm, voor de verbondsleiding is er sinds 1972 het vormende tijdschrift Leidraad.[31]
De NSV werd in 1976 opgericht door Edwin Truyens als een radicale afscheuring van het KVHV-Antwerpen. De studentenvereniging heeft een overkoepelende nationale structuur, maar kent een vrij grote autonomie toe aan haar afdelingen. De NSV richt zich naar de studenten aan de Vlaamse universiteiten en hogescholen, en heeft er vandaag vertakkingen in Antwerpen, Brussel, Leuven, Gent, Hasselt en Westland (Kortrijk, Brugge, Oostende en Roeselare). De Nationalistische Studentenvereniging wordt vandaag weliswaar aan geen enkele universiteit erkend. Sinds 1982 heeft de NSV een officiële samenwerkingsovereenkomst met het uit de Vlaamse Scholieren Aktie Groep (VSAG) gegroeide Nationalistisch Jong-Studentenverbond (NJSV), het ‘kleine broertje’ dat vandaag op onregelmatige basis actief is aan de middelbare scholen. Daarnaast telt de NSV-structuur drie Oud-Studentenbonden (OSB’s), coöperaties van oud-NSV’ers die de vereniging mee levend moeten houden. Ideologisch profileert de NSV zich als Vlaams-nationalistisch met Heel-Nederlandse accenten, solidaristisch en ethisch conservatief. De studentenvereniging hangt de gemeenschapsidee aan, en voert de menselijke zelfrealisatie hoog in het vaandel. Ze is onder meer voorstander van het subsidiariteitsbeginsel, een Europa der Volkeren en een gedegen milieuzorg. De NSV geeft het kwartaaltijdschrift Branding uit (vroeger Tegenstroom en Signaal); voor de ingewijden zijn er ook de Verbondsberichten en de elektronische nieuwsbrief Krambamboeli. Voor een uitgebreide bespreking en analyse van de NSV verwijzen we naar de volgende hoofdstukken.
Naast het VNJ en de NSV ligt het Vlaams-nationalistische jongerenlandschap dik bezaaid met extreem-rechtse groupuscules, die er meestal een vrij volatiele werking op nahouden. Voorbeelden zijn de fascistoïde Vlaamse Jongeren Mechelen (1995-2005), de neonazistische Vlaamse Jongeren Gent (1996-1998) en Vlaamse Jongeren Westland (sinds 2005), en de Vlaamse Jongeren Dilbeek (sinds 2005). Alhoewel er soms personele banden bestaan met het Vlaams Belang, distantieert de partij zich officieel van dergelijke organisaties.
1.2.2. Militante verenigingen.
Na de gerechtelijke veroordeling van de Vlaamse Militanten Orde (VMO) als privé-militie in mei 1983[32], is Voorpost vandaag de enige overgebleven actiegroep met enige relevantie binnen het extreem-rechts Vlaams-nationalisme. Voorpost werd in 1976 door Roeland Raes opgericht als een militante afscheuring van de rechts-radicale vormingsorganisatie Were Di (cf. infra). Later werd de eenheid weer hersteld, maar beide organisaties bleven onafhankelijk van elkaar voortbestaan. De actiegroep laat zich ideologisch kenschetsen als radicaal-Vlaams, Heel-Nederlands, militant, solidaristisch, anti-marxistisch, anti-kapitalistisch en nationaal-revolutionair. Voorpost beschouwt Brussel als Vlaams gebied, bestrijdt de verengelsing van reclame, is voor een Europa der Volkeren, wil de gastarbeiders naar hun thuisland terugbrengen, en steunde het apartheidsregime in Zuid-Afrika.[33] De organisatie heeft vandaag afdelingen in Vlaanderen, Nederland en Zuid-Afrika (‘Voorpos’). Voorpost-Vlaanderen liet zich in de jaren tachtig en negentig vooral opmerken met spectaculaire acties, zoals het verstoren van Franstalige kerkdiensten in Wemmel (1981) en het bezetten van het herdenkingsmonument ‘de Leeuw van Waterloo’ als protest tegen het “aanhoudende Franse taal- en cultuurimperialisme” (1996).[34] Voorpost treedt vandaag voornamelijk op als ordedienst bij belangrijke betogingen van bevriende groepen, de NSV, het Vlaams Belang en de IJzerwake vzw in het bijzonder (Johan Vanslambrouck is zowel voorzitter van Voorpost als van de IJzerwake). Wat eens de militante voorhoede van de Vlaamse ontvoogdingsstrijd moest voorstellen, is nu quasi volledig geïntegreerd in het Vlaams Belang. Ook VB-parlementslid Wim Van Dijck, tussen 1994 en 1999 hoofdredacteur van de Voorpost-periodiek Revolte, moet dat beamen: “Voorpost bestaat nog altijd en heeft nog tamelijk wat leden. Maar het is inderdaad wel zo dat Voorpost meer dan enige andere Vlaamse vereniging ingeschakeld is in het partijwezen. Ze zullen dat zelf misschien niet graag horen, maar het klopt wel dat ze veel moeten opdraven als ordedienst. […] Een aantal mensen zijn echt medewerker of werknemer geworden van de partij, en hebben daar ook heel wat taken.”[35]
1.2.3. Denk- en vormingsgroepen.
De denk- en vormingsgroepen vormen een vrij brede categorie binnen de extreem-rechtse echelons van het Vlaams-nationalisme. In veel denktanks en gelieerde publicaties valt overigens het belang van de invloed van Nieuw Rechts niet te onderschatten. In Nieuw Rechts put men enerzijds uit een oude traditie van ongelijkheid, de onveranderlijkheid van cultuur, het idee van een natuurlijke elite, en een anti-democratisch en anti-parlementair gedachtegoed. Maar tegelijkertijd probeert men die overlevering te transformeren naar een tegenideologie voor de problemen en debatten van vandaag. In Vlaanderen manifesteert de stroming zich in een aantal denkgroepen en tijdschriften, die heel sterk de stempel dragen van uiterst-rechts in Frankrijk, en waarvan Teksten, Kommentaren en Studies (TeKoS) de belangrijkste exponent vormt.[36] In het volgende hoofdstuk gaan we daar wat dieper op in.
Traditioneel was Were Di het verzamelbekken voor de rechts-radicale Vlaams-nationalistische intellectuele elite. De denktank werd in 1964 opgericht als het Verbond van Nederlandse Werkgemeenschappen door een groep mensen rond het vendel Willem van Oranje. Tijdens de jaren zeventig kwam de leiding in handen van Karel Dillen. Na de Egmontverkiezingen ijverde Were Di voor een fusie van Dillens Vlaams Nationale Partij (VNP) en de Vlaamse Volkspartij (VVP) van Lode Claes, twee splinterpartijtjes van de Volksunie. De concentratiepoging gaf uiteindelijk aanleiding tot het ontstaan van het Vlaams Blok, eerst als kartellijst, daarna als partij.[37] Het verbond steunde op een aantal ideologische ankerpunten, die om evidente redenen grotendeels overeenstemmen met het eerder genoemde Voorpost-programma: de Heel-Nederlandse idee, het anti-kapitalisme en anti-communisme, de solidaire volksgemeenschap, het anti-egalitarisme en de elite-idee. Were Di onderschreef ook het idee van een Europa der Volkeren, beschouwde Brussel als een Nederlandse stad (sic), en beklemtoonde de noodzaak van een weerbaar volk.[38] Were Di kende in haar geschiedenis twee decisieve momenten van interne verdeeldheid. In 1972 resulteerde dat ter linkerzijde in de afscheuring van de jongerenwerking rond Pol Van Caeneghem en Johan Velghe, die de Werkgroep Arbeid oprichtten. De oprichting van Voorpost (cf. supra) in 1976 was dan weer het gevolg van de dissidentie van een groep jongeren in rechts-radicale zin.[39] In de beginjaren nam Were Di nog deel aan tal van Vlaams-nationalistische manifestaties, maar de vereniging richtte haar pijlen in de eerste plaats op het vormen van een Vlaams-nationale elite. Daartoe gaf het verbond vanaf 1968 de periodiek Dietsland-Europa uit, dat in 1956 voor het eerst verscheen als orgaan van de Jong Nederlandse Gemeenschap. Het tijdschrift groeide vanaf de jaren zeventig uit tot het politiek-ideologische blad van Vlaams-nationalistisch extreem-rechts, met aandacht voor o.a. Nieuw Rechts, negationisme, amnestie en de actuele nationale en internationale politiek.[40] De laatste jaren werd het steeds oubolliger aandoende blad nagenoeg uitsluitend door mandatarissen van het Vlaams Belang volgepend, waardoor de metapolitieke positie van het tijdschrift onhoudbaar werd. Samen met secretaresse Lea De Jonghe is Dietsland-Europa in 2006 dan ook een stille dood gestorven. Were Di bestaat nog formeel als vzw, en wordt geleid door Ludo Gerits.
Naast TeKoS en Were Di / Dietsland-Europa herbergt extreem-rechts Vlaanderen nog een plejade aan vormende tijdschriften en intellectuele debatclubs. Zelfs een beknopte bespreking daarvan zou ons te ver leiden. We vermelden nog Het Journaal, het eenmansblad van Mark Grammens dat vooral het Vlaams Belang volgt op het vlak van separatisme, de communautaire dossiers en gedeeltelijk ook het maatschappelijke discours. Ook ’t Pallieterke, een satirisch weekblad “voor mensen met een goed hart en een slecht karakter”, oefent vandaag nog een waakhondfunctie uit over de Vlaams-nationalistische ruggengraat van het Vlaams Belang. Het blad heeft intussen veel aan prestige en lezerspubliek moeten inboeten, maar tussen de jaren zestig en tachtig heeft het een niet te onderschatten invloed uitgeoefend op de denkbeelden van het Vlaams-nationalisme.[41] In organisaties als de Vlaams-Nationale Debatclub en de economische werkgroep In De Warande – dat in 2005 uitpakte met het Manifest voor een zelfstandig Vlaanderen – staat de debatcultuur dan weer centraal. Ook het veel minder invloedrijke Vormingsinstituut Wies Moens (VWM), dat in 1983 werd opgericht door Edwin Truyens en voornamelijk bevolkt wordt door oud-NSV’ers, valt onder dezelfde noemer van intellectuele clubs. Op het VWM komen we verder nog terug.
1.2.4. De nostalgici
De nostalgici van het Sint-Maartensfonds, de Hertog Jan van Brabant en Broederband kenmerkten zich in hun gerichtheid op het Vlaamse collaboratieverleden. De invloed van dit soort groeperingen aan het ultra-rechtse firmament is vandaag quasi nihil: samen met de uitstervende oorlogsgeneraties verdwijnen de Oostfrontersverenigingen gestaag van het politieke toneel.
De oud-VNV’ers, die tijdens de Tweede Wereldoorlog in de collaboratie hadden gestaan, verenigden zich vanaf 1964 in Broederband, dat een gelijknamig maandblad uitgaf. Broederband ontstond als een fusie van de hulpverenigingen Onze Vriendenkring en Onze Familiefeesten, en droeg als motto ‘Broederband is onze leuze, amnestie ons doel’. De organisatie evolueerde van een kameradengroep van repressieslachtoffers tot een rechts-radicale politieke drukkingsgroep die het Vlaams-nationalisme in die zin wou bijsturen. Daarbij koos ze de rechtvaardiging van alle collaboratie als uitgangspunt. Broederband steunde lange tijd de rechtervleugel van de Volksunie, ook na de oprichting van het Vlaams Blok.[42]
Het Sint-Maartensfonds (SMF) werd in december 1953 opgericht als een organisatie van Vlaamse oud-Oostfrontstrijders[43] en voormalige geüniformeerde wapendragers[44]. De vzw was een radicale afscheuring van het Verbond voor Vlaamse oud-Oostfrontstrijders (VVOOS), maar werd uiteindelijk diens feitelijke opvolger. De taak van de gewestelijke SMF-afdelingen bestond in het verzorgen van de sociale dienstverlening van de getroffen families en gezinnen van de gewonde, gesneuvelde en vermiste Oostfrontsoldaten – voornamelijk ex-Waffen-SS’ers.[45] Het overkoepelende algemeen bestuur gaf het verenigingsbad Berkenkruis uit, waarin een vaak romantiserend en apologetisch beeld van het Oostfront werd geschetst.[46]
In 1978 ontstonden ideologische meningsverschillen binnen het fonds. De gematigde vleugel (met o.a. Jef Desseyn en Jan Pieter Vincx) bepleitte de reïntegratie van de oud-Oosfrontersgemeenschap in de Vlaamse Beweging en verwierp het antisemitisme. Men vroeg om begrip voor de collaboratie op basis van het Vlaams-nationalistische ideaal. De radicalen daarentegen (o.a. Frans Vierendeels, Bert Hendrickx en Jef François) koppelden de rehabilitatie van de Oostfronter aan de herwaardering van de ‘zuivere’ nationaal-socialistische ideologie. In Berkenkruis publiceerden ze antisemitische artikels waarin de rassentheorie werd verdedigd en de holocaust ontkend.[47]
Aanvankelijk bleef de eenheid bewaard, maar toen op voorstel van Vincx de statuten van het SMF werden ‘verruimd’ naar alle oud-incivieken, begon de Brabantse gewestelijke afdeling in 1979 met de uitgave van een eigen blad Periodiek Contact. In 1980 werd ook een eigen vereniging Hertog Jan Van Brabant (HJVB) opgericht. Na april 1983 radicaliseerde de HJVB in nationaal-socialistische richting, ondanks het feit dat de vereniging zich in 1984 opnieuw bij het SMF had aangesloten. Gelet op de formele en inhoudelijke evolutie van Berkenkruis, was de invloed van de HJVB op de ideologische koers van het SMF na 1984 nihil. De afscheiding van de Brabantse organisatie zorgde wel voor een grotere cohesie van de gewestelijke afdelingen onder de paraplu van het SMF.[48]
Na 1986 ging de kwaliteit van het blad Periodiek Contact erop achteruit. Een mogelijke verklaring ligt in de doorstroming van de toenmalige HJVB-voorzitter André Van Hecke en -secretaris Remi Leenaerts naar het Vlaams Blok: beiden fungeerden als Brusselse lijsttrekkers voor de partij in de Kamer- en Senaatsverkiezingen.[49]
In oktober 2006 hief het SMF zichzelf op. Dat heeft vooral te maken met het feit dat de oorlogsgeneratie letterlijk en figuurlijk aan zijn eind aan het komen is.[50] Ook de periodiek Berkenkruis hield op te bestaan. De ideologie en activiteiten van het fonds worden echter voor een stuk gecontinueerd in andere extreem-rechtse Vlaams-nationalistische groeperingen. Zo staat het VNJ voortaan in voor het onderhoud van het SMF-erepark in de Oost-Vlaamse gemeente Stekene.[51]
1.3. De kweekvijvers van het Vlaams Belang
In december 1998 verklaart VB-voorzitter Frank Vanhecke in Dietsland-Europa: “Wat mandatarissen én personeel betreft rekruteert het Vlaams Blok bijna exclusief binnen de radicale Vlaamse beweging. Bijna allen waren – of zijn nog – actief in organisaties als het NSV, Voorpost, VNJ, Were Di en andere.”[52]
De organisaties waaruit het Vlaams Belang zijn politiek personeel rekruteert, vallen niet volledig samen met de in 1.2 opgesomde extreem-rechtse verenigingen. Enerzijds is er voor een aantal van die verenigingen niet of nauwelijks sprake van doorstroming naar de partijpolitiek. Anderzijds boort het Vlaams Belang nog een andere groep van organisaties aan, met name het nationalistisch segment van de pluralistische Vlaams-nationalistische en flamingantische bewegingen. In deze categorie zullen we ons beperken tot een bespreking van de meest relevante organisaties: het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond en de Vlaamse Volksbeweging. Ten slotte nemen we de verruimende kandidaten onder de loep.
1.3.1. De extreem-rechtse kweekvijvers
De NSV is de kweekvijver bij uitstek voor het Vlaams Belang. Aan die vaststelling is een apart hoofdstuk (6) gewijd.
De doorstroming van het VNJ naar het Vlaams Belang verloopt meestal indirect. De NSV speelt daarin een intermediaire rol. Zo waren de VB-parlementariërs Joris Van Hauthem, An Michiels, Nele Jansegers en Bruno Stevenheydens in hun jeugdjaren actief in het VNJ, maar hun echte vorming als Vlaams-nationalist kregen ze pas later bij de NSV. Ook het Booms gemeenteraadslid Hans Verreyt volgde dit traditionele traject. De parlementsleden Wim Verreycken, Hilde De Lobel, Koen Bultinck en Frans Wymeersch stroomden wel rechtstreeks van het VNJ – of via een omweg langs Voorpost – door naar de partij. Hetzelfde geldt voor uittredend kamerlid Jaak Van den Broeck en oud-VB’er Lutgarde Dosfel.[53]
Voorpost-stichters Francis Van den Eynde, Luk van Nieuwenhuysen en Roeland Raes stonden in 1978 mee aan de wieg van het Vlaams Belang.[54] Van den Eynde is sinds 1991 federaal parlementslid voor de partij, Van Nieuwenhuysen is Vlaams volksvertegenwoordiger sedert 1995. Peter Logghe, vroeger actief in onder meer NSV en Voorpost, legde op 28 juni 2007 als eerste opvolger de eed af in de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Daarvoor was hij al gemeenteraadslid voor het Vlaams Belang in Roeselare. Huidig Voorpost-voorzitter Johan Vanslambrouck is dan weer actief als VB-ondervoorzitter van de regio Voorkempen.[55] Ook de eerder genoemde Hilde De Lobel heeft haar wortels in Voorpost. Hetzelfde geldt voor de Vlaamse parlementsleden Wim Van Dijck en An Michiels, en uittredend kamerlid Ortwin Depoortere (alle drie oud-NSV’ers). Zoals hoger aangehaald, zijn heel wat Voorposters medewerker of werknemer geworden in het Vlaams Belang. Hoewel ze als onafhankelijke actiegroep blijft voortbestaan, is Voorpost de facto een onderdeel van de partij geworden.
De VMO-coryfeeën Xavier Buisseret en John Spinnewyn schopten het in de jaren negentig tot volksvertegenwoordigers van het toenmalige Vlaams Blok. Buisseret verdween in 1998 definitief van het politieke toneel na een veroordeling wegens aanranding van twee minderjarige meisjes. Spinnewyn werd in 2003 niet herverkozen. Ook huidig senator Wim Verreycken en Vlaams parlementslid Pieter Huybrechts verdienden hun sporen bij de Vlaamse Militanten Orde. Oud-VMO’er Luk Dieudonné, het brein achter de extreem-rechtse spionagedienst KOSMOS (de Kring voor Onderzoek naar Socialistische en Marxistische – later Multiculturele – Ondermijning van de Samenleving), is vandaag nog verantwoordelijk voor de ledenadministratie op het secretariaat van het Vlaams Belang.[56]
De denktank Were Di kan bezwaarlijk als een kweekvijver van het Vlaams Belang worden beschouwd. Het was eerder zo dat een aantal mensen uit het VB zich naast hun partijwerk ook met de samenstelling van het vormingsblad Dietsland-Europa onledig hielden, en niet omgekeerd. Onder hen Ludo Gerits, de gewezen parlementsleden Karel Dillen, Roeland Raes, Ignace Lowie en Wilfried Aers, en de huidige volksvertegenwoordigers Bart Laeremans, Luk van Nieuwenhuysen en Gerolf Annemans.[57] Dat noodgedwongen verstandshuwelijk zou het blad uiteindelijk fataal worden. Edwin Truyens, jarenlang redactiemedewerker van Dietsland-Europa, vat het treffend samen: “Als je de laatste redactieploeg bekijkt en ziet wie er in Dietsland-Europa publiceerde, dan waren dat bijna uitsluitend mandatarissen van het Vlaams Belang. Dan wordt het sowieso al, los van het financiële, aartsmoeilijk om te zeggen dat men partijpolitiek onafhankelijk is. […] Dan kon men er inderdaad beter mee kappen. […] Als men dan op de koop toe teksten vraagt aan mensen die weliswaar niet in de redactie zitten, maar wel mandataris zijn, dan is het uiteindelijke resultaat dat er bijna niets anders meer verschijnt.”[58] Ook VB-kamerlid Bart Laeremans, die een periode in de redactieraad van Were Di heeft gezeteld, legt de vinger op de wonde: “Were Di heeft me indertijd aangetrokken in het kader van de verjonging van het blad Dietsland-Europa. Eigenlijk had ik toen geen tijd voor dat soort van inteelt. In 1991 zat ik immers voor het Vlaams Blok in de gemeenteraad van Grimbergen. […] Het probleem van Were Di was niet financieel, maar had vooral te maken met het tijdsgebrek van de auteurs die ook hun werk hebben binnen de partij. Het Vlaams Belang telt nu 65 parlementairen, en heeft eigenlijk geen behoefte meer aan een oubollig blad dat alles bleef herkauwen.”[59]
De oud-Oostfronters bezetten vandaag nog weinig posities in de partijstructuren. Jef François en André van Hecke waren betrokken bij de oprichting van het Vlaams Blok.[60] Als lid van de partizanen-bestrijdingseenheden van de Organisation Todt (OT) en de SS behoorde Van Hecke tot de harde nationaal-socialistische kern in het Sint-Maartensfonds.[61] Voor het Vlaams Blok was hij onder meer lijsttrekker tijdens de legislatieve verkiezingen van 1981 en 1985. Ook de met het SMF gelieerde Albert Aendenboom en Maurits Vanderbruggen waren in het verleden parlementskandidaten voor het Blok. Staf Dauwen, VB-kandidaat bij de senaatsverkiezingen van 1991, en oud-kamerlid John Spinnewyn hadden dan weer banden met de vzw Hertog Jan van Brabant.[62] Wilfried Aers, van 1995 tot 2004 Vlaams parlementslid voor het Vlaams Belang, behoorde tot Broederband. Tijdens de oorlog was hij lid van de Nationaal Socialistische Jeugd Vlaanderen (NSJV).[63]
1.3.2. De pluralistische kweekvijvers
Het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond (KVHV) is een katholieke, eerder gematigd flamingantische studentenvereniging met vertakkingen in Aalst, Antwerpen, Brugge, Brussel, Gent, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Oostende en Sint-Katelijne-Waver. Elke afdeling kan bogen op een eigen ontstaansgeschiedenis. Zo werd het KVHV-Leuven in 1902 gesticht als het Vlaamsch Verbond, en groeide de Gentse afdeling uit de in 1887 opgerichte Vlaamsch Katholieke Gilde.[64] Het pluralistisch karakter van het verbond blijkt uit de doorstroming van haar oud-leden naar verschillende, voornamelijk (centrum)rechtse partijpolitieke geledingen. Zo vinden we vandaag Pieter De Crem, Wilfried Martens en Luc Van den Brande terug in de CD&V, Bart De Wever en Kris Van Dijck in de N-VA, Jaak Gabriëls en Fons Borginon in de VLD, en Lionel Vandenberghe in Spirit. Ook in de voormalige Volksunie (1954-2001) waren heel wat oud-KVHV’ers – waaronder een aantal van de hierboven genoemde – actief. Een aantal KVHV-leden met een uitgesproken Vlaams-nationalistisch profiel vonden de weg naar het Vlaams Belang. Op het voorplan zijn dat kamerlid en partij-ideoloog Gerolf Annemans, en het federale parlementslid Alexandra Colen. Ook de negationist Roeland Raes – tot 2001 in loondienst van het Vlaams Belang maar lokaal nog steeds actief voor de partij – was tijdens zijn studentenjaren actief in het KVHV.[65] Een aantal oud-verbonders kwamen dan weer via een omweg langs het later opgerichte NSV in het Vlaams Belang terecht. Dat was bijvoorbeeld het geval voor Edwin Truyens (tot 1983 lid van het Vlaams Blok), uittredend kamerlid Frieda Van Themsche en nieuwbakken volksvertegenwoordiger Bruno Valkeniers.
De Vlaamse Volksbeweging (VVB) werd in 1956 opgericht als een ‘onafhankelijke en pluralistische Vlaams-nationale drukgroep’. Waar de VVB zich aanvankelijk op flamingantische thema’s profileerde, ging ze vanaf 1991 resoluut kiezen voor een onafhankelijk Vlaanderen. De radicalisering kwam er na een geslaagde inbraakpoging van de groep rond oud-VU’er Peter De Roover. In theorie is de VVB nog altijd pluralistisch. In het verleden ontwikkelde ze reeds politieke talenten als Maurits Coppieters (VU) en Wilfried Martens (CVP). Maar ook vandaag zou de VVB leden uit SP.A-Spirit, CD&V en VLD in haar rangen tellen. Toch zouden volgens een intern onderzoek Vlaams Belangers en NVA’ers er elkaar in evenwicht houden, met een licht overwicht voor het VB. Ook het nadrukkelijke pleidooi van de VVB om het cordon sanitaire op te heffen, doet twijfel rijzen over het pluralistische karakter van de drukkingsgroep.[66] Erevoorzitter Peter De Roover: “Kan iemand ons vertellen waarom uiterst rechts gemeden moet worden als de pest, als stalinistische steun wel in overweging mag genomen worden? Het cordon sanitaire heeft niks te maken met morele beginselen, maar alles met machiavellistische machtsberekening.”[67] Publicist Mark Grammens ging enkele jaren geleden zelfs zover om de VVB als een ‘extreem-rechtse groupuscule’ te brandmerken.[68] Professor Bruno De Wever nuanceert: “De Vlaamse Volksbeweging leunt vandaag heel sterk aan bij het Belang. Dat is niet altijd zo geweest. Maar de VVB kan men vandaag ook niet zonder meer een Belang-filiaire noemen. Het is toch wel wat ingewikkelder.”[69] Feit is wel dat toenmalig VVB-voorzitster Rita De Bont (2004-2007) in januari haar overstap bekendmaakte naar het Vlaams Belang. Als doekje voor het bloeden stelde ze in de aanloop naar de parlementsverkiezingen – op een programmacongres van het Vlaams Belang (4 maart) – dat de Vlaamse Beweging haar waakhondfunctie moet blijven uitoefenen op de partijpolitiek. De Bont beklemtoonde tevens dat de VVB, ondanks haar keuze voor extreem-rechts, pluralistisch en onafhankelijk moet blijven.[70] Tot de huidige Raad van Bestuur van de VVB behoren onder meer Guido Moons (TAK[71]), Herman Suykerbuyk (tussen 1968 en 1999 CVP-volksvertegenwoordiger), Renaat Van Beeck (ex-VU), Pieter Bauwens (VNJ), Dirk Laeremans (ex-NSV), Patrick Deboever (N-VA, na een tussenhalte bij het Vlaams Belang) en Peter Van Windekens (Vlaams Belang). Renaat Van Beeck, Peter Van Windekens en Walter Winkeler zijn lid van de Algemene Vergadering van de dicht bij het Vlaams Belang aanleunende IJzerwake vzw.[72] Jan Jambon, jarenlang bestuurslid en medeverantwoordelijk voor de radicalisering van de Vlaamse Volksbeweging, stapte vorig jaar over naar de N-VA. Voor die partij is hij sinds de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 schepen in Brasschaat.[73]
1.3.3. Operatie verruiming
De nieuw verkozen Antwerpse kamerleden Bruno Valkeniers en Rita De Bont worden soms verkeerdelijk aan deze categorie toegeschreven. Zoals hoger vermeld, werd De Bont uit het nationalistisch segment van de VVB gerekruteerd. Ook Bruno Valkeniers is geen verruimende kandidaat: ook hij werd uit de traditionele kweekvijvers weggevist, zij het met een iets langere vislijn. Valkeniers was 26 jaar (1980-2006) bedrijfsleider bij de havenoperator Hesse-Noord Natie (HNN). Sinds 2002 is hij zaakvoerder van het maritiem consultingbureau Falconsult. De Antwerpse zakenman is evenwel geen nieuwkomer bij het Vlaams Belang. Valkeniers was naar eigen zeggen samen met Edwin Truyens één van de drijvende krachten achter de oprichting van de NSV. Twee jaar later zou hij diezelfde Truyens volgen naar het pas opgerichte Vlaams Blok om er de studiedienst te vervoegen. Valkeniers: “Ik was lid van die studiedienst, en heb toen wel een aantal keren opgetreden. Onder andere op een congres in 1981 in de Ancien Belgique in Brussel, waar ik nog een referaat heb gehouden.” In 1983 verliet hij de partij, omdat hij zijn engagement in de maritieme sector onverzoenbaar achtte met een actieve rol in de partijpolitiek. Na zijn ontslag bij HNN werd hij vorig jaar door de partijtop benaderd “met de vraag of dat niet het moment was om opnieuw te stap te zetten”. Valkeniers hapte toe, en hoopt nu met zijn economische bagage het Vlaams Belang te kunnen versterken. Over de verruiming van de partij laat hij overigens geen twijfel bestaan: “Verruiming van de partij? Neen, ik ben zeer tevreden. […] Door in die [traditionele] kweekvijvers te gaan zoeken, bevestigen ze dat ze geen one-issue vreemdelingenpartij zijn, maar een Vlaams-nationalistische partij. Maar ik pleit voor matiging: het mag geen automatisme worden. […] Ik ben zelf voorstander van verruiming, maar de basis moet altijd dezelfde blijven: Vlaams-nationalisme. Dat is heel duidelijk. Als verruiming betekent dat we moeten toegeven op de kernboodschap, dan ben ik het daar niet mee eens. […] Verruiming heeft wat mij betreft ook te maken met de stijl, niet met de boodschap.”[74]
De verruimingsoperatie van het Vlaams Belang wordt inderdaad wel eens verkeerdelijk geassocieerd met een matiging in de standpunten van de partij. Aan de verbreding liggen dan ook eerder strategisch-electorale dan ideologische motieven ten grondslag. Er is slechts één rechts-radicale en Vlaams-nationalistische lijn, en daar hebben alle mandatarissen zich naar te schikken. Binnen die politieke krijtlijnen en dat statisch waardenpatroon kan ‘iedere vogel dan zingen zoals hij gebekt is’. Maar de ideologische kooi blijft op slot.
Eén van de eerste verruimende kandidaten – zoniet de eerste – binnen het toenmalige Vlaams Blok was de Antwerpse filologe Alexandra Colen. Zij werd in 1995 door Gerolf Annemans binnengehaald om de ethisch-conservatieve flank van de partij te versterken. De laatste jaren wordt Colen echter meer en meer naar het achterplan geschoven. Reeds in 1998 noemde Filip Dewinter haar een “puriteinse kwezel”, nadat ze een wetsvoorstel had ingediend om bloot in reclame te verbieden.[75] Ook haar uitgesproken economisch liberale standpunten en haar kritiek op het anti-migrantendiscours van de partij vielen niet in goede aarde bij de tenoren van het Blok.[76] Als klap op de vuurpijl werd Colen in maart 2005 niet herbenoemd in het partijbestuur. Nieuwkomer Marie-Rose Morel, toen pas vier maanden actief in het Vlaams Belang, kreeg wel een zitje.[77] Tijdens de eerste verruimingsgolf werden ook de gewezen Schaarbeekse politiecommissaris Johan Demol (1998), voormalig Wetstraatjournalist voor de Gazet van Antwerpen Guido Tastenhoye (1999), en ex-miss België en advocate Anke Vandermeersch (2000) – voorheen enkele jaren bij de VLD – aangetrokken. Tastenhoye is enkele maanden geleden overleden, nadat hij al een tijdje op het achterplan was verzeild ten gevolge van ernstige gezondheidsproblemen.[78] Vandermeersch en Demol behoren wel tot het achttienkoppige partijbestuur, maar figureren vandaag eerder in de schaduw van de partijbonzen.[79]
In 2004 werd een tweede verruimingsoperatie op poten gezet. De ‘onafhankelijken’ Jurgen Verstrepen en Marie-Rose Morel moesten de verjonging en vernieuwing van de partij belichamen. Morel werd vooral om strategische redenen in de armen gesloten. Amper enkele maanden na haar overstap werd ze voorzitter van de kersverse Welkomgroep, een verzameling van voornamelijk gewezen N-VA’ers die de sprong naar het Vlaams Belang hadden gemaakt. Via informele gesprekken, e-mails, telefoons, brieven en het blaadje WelkomEcho probeerde men in de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 N-VA’ers uit hun partij los te weken. Het aantal N-VA’ers dat ook daadwerkelijk de overstap maakte, bleef echter beperkt. Zelfs Welkomgroep-ondervoorzitter Patrick Deboever hield het na een tijdje voor bekeken, en keerde terug naar de N-VA.[80] Marie-Rose Morel werd begin 2007 door Frank Vanhecke teruggefloten, nadat ze openlijk kritiek had geuit op de harde koers van Filip Dewinter. “Ik wil niet dat het Vlaams Belang door een contraproductieve verharding terugvalt op de 15 à 18% van jaren geleden. Elk zijn stijl, en Filip heeft met de zijne fantastisch veel succes gehad, maar op elke formule komt er sleet.”, verklaarde Morel in Het Laatste Nieuws.[81] De uitspraken zorgden voor een crisismoment binnen het Vlaams Belang. De partijtop riep haar mandatarissen op om de discussie intern te voeren, en kondigde een spreekverbod af. Jurgen Verstrepen, de andere verruimer, legde als enige de directieven van hogerhand naast zich neer. In De Morgen haalde hij onder meer uit naar zijn partijvoorzitter: “Morel en Vanhecke vormen één geheel. Maar de lijn tussen Vanhecke en mij is zeer stil. Ik praat vanuit mijn hondenmandje. De manier waarop de voorzitter mij vorige week heeft teruggefloten […], zit me nog altijd zeer hoog. Morel wordt duidelijker milder behandeld na haar misser dan ik. Daar kan ik alleen maar uit concluderen dat zij gesteund wordt door Vanhecke.”[82] Verstrepen was eerder al door de partijtop op de vingers getikt, nadat hij voor een open rechtse lijst had gepleit met het oog op de federale parlementsverkiezingen van 2007. Medio april, enkele maanden na de incidentrijke periode, keerde Verstrepen het Vlaams Belang de rug toe. Bij de verkiezingen van 10 juni sleepte hij als Antwerps lijsttrekker voor de Lijst Dedecker (LDD) een kamerzetel in de wacht.
1.4. Bloedarmoede
Uit het voorgaande kunnen we besluiten dat de partijstructuren van het Vlaams Belang in zeer belangrijke mate gevoed worden door de genoemde extreem-rechtse Vlaams-nationalistische groeperingen. Naarmate de partij met iedere verkiezingsoverwinning groter wordt, vallen er steeds meer mandaten, kader- en personeelsfuncties te verdelen. Het aanzwellend partijapparaat noopt het Vlaams Belang als het ware zijn eigen kweekbedden te kannibaliseren. Dat bloedaanzuigend effect leidt meer en meer tot uitdrogingsverschijnselen in de buitenparlementaire biotoop.
Vanuit de beweging wordt dan ook dikwijls kritiek geformuleerd op de rekruteringsstrategie van de partij, die haar metapolitieke kweekvijvers door overbevissing dreigt uit te putten. Reeds in 1996 zag Voorpost-actieleider Luc Vermeulen een teken aan de wand: “Na de grote verkiezingsdoorbraak van de partij in 1991 heeft het Vlaams Blok […] op vrij korte tijd heel wat bekwame mensen uit Voorpost kunnen mobiliseren, waardoor onze rangen plots uitgedund geraakten.”[83] Anno 2007 is Voorpost quasi volledig in de partijstructuren geïntegreerd (cf. supra). Eind 1999 doet Ludo Gerits, de toenmalige hoofdredacteur van het Were Di-blad Dietsland-Europa, een gelijkaardige vaststelling naar aanleiding van de tanende uitstraling van de IJzerbedevaart. Hij formuleert het iets scherper: “Waar zitten de radicalen? Waar is de tijd dat men bijna spitsroeden moest lopen tussen de talloze standjes en leurders? […] Zijn die verenigingen en clubjes bijna allemaal verdwenen? Of zijn ze opgeslorpt door de enige Vlaamse nationalistische partij en zijn dus al die enthousiaste vrijwilligers partijslaven geworden? […] De Belgische staatsveiligheid moet eigenlijk het Vlaams Blok danken. Naarmate de partij groter wordt, sterven de radicale drukkingsgroepen en verenigingen stilaan uit.”[84] Recenter, tijdens de NSV-lustrumviering in november 2006, drong Bruno Valkeniers zelfs aan op een matiging bij het Vlaams Belang: “Matiging niet in de compromisloosheid uiteraard, maar in het kannibaliseren van de Vlaamse studentenvereniging. Geef ook een deel van onze huidige studentengeneraties en leiders de kans, neen… de opdracht om zich tot elite in onze maatschappij op te werken. In het bedrijfsleven, de pers, de vakbonden, de ambtenarij enz.”[85] De ironie wil dat ex-havenbaas Valkeniers enkele maanden voor zijn oproep zélf zijn …..
functie als voorzitter van het Algemeen Nederlands Zangverbond (ANZ)[86] had opgegeven om de gelederen van het Vlaams Belang te vervoegen. “Ik ben gevraagd als peter van de lustrumviering op een moment dat ik de stap naar de partijpolitiek nog niet had gezet of overwogen. […]. Ik heb toen ook de NSV gecontacteerd om te zeggen dat ik die stap had gezet. Indien ze er de voorkeur aan hadden geven, dan had ik mij teruggetrokken uit het peterschap. Maar voor wat hen betrof, was er geen probleem,”[87] aldus Valkeniers. In dezelfde periode kondigde ook VVB-voorzitster Rita De Bont haar overstap naar de partij aan. Daarmee werd de Vlaamse Beweging voor een stuk onthoofd. Ook vanuit de Nationalistische Studentenvereniging wordt de kritiek op het VB-kannibalisme meer en meer gedeeld. Jeroen Serpieters, de huidige preses van NSV-Antwerpen: “Het Vlaams Belang stelt zich dikwijls te veel zo op: mensen die uit de NSV komen direct opslokken, hen een mooie plaats geven en veel beloven. […] Tegen het Vlaams Belang kunnen we natuurlijk zoveel zeggen als we willen. Ik denk dat het belangrijk is van onze mensen duidelijk te maken dat er ook een andere weg is naast het Vlaams Belang, die minstens even belangrijk en misschien zelfs veel belangrijker is.”[88]
We kunnen ons nu de vraag stellen waarom het Vlaams Belang zijn politieke employés steeds uit dezelfde kweekscholen licht. Daar zijn verschillende verklaringen voor. In de eerste plaats is er de onmiskenbare ideologische affiniteit tussen de partij en haar rechts-radicale buitenparlementaire niche. Bovendien hebben de meeste spelers in het bevriende netwerk reeds hun sporen verdiend in hun respectieve organisaties, waardoor ze kunnen bogen op enige ervaring met het politieke veldwerk.[89] Volgens VB-kamerlid Bart Laeremans speelt die betrokkenheid een doorslaggevende rol: “In vergelijking met vroeger is het engagement in de politiek vandaag veel kleiner geworden. Bij de eerder genoemde verenigingen vonden we wel steeds geëngageerde mensen. Maar dat neemt niet weg dat we ook daarbuiten mensen zoeken.”[90] Dat brengt ons meteen tot een derde medeverklarende factor voor de bloedarmoede in VB-rangen: ook met betrekking tot de rekrutering van haar politieke mandatarissen zit de partij opgesloten in een politiek-maatschappelijk isolement. Edwin Truyens: “Volgens mij hebben we hier te maken met een onrechtstreeks gevolg van het cordon sanitaire. Het Vlaams Belang had en heeft veel te weinig mogelijkheden om mensen te betrekken uit de brede stroming van het economisch, sociaal en cultureel leven. Waardoor men natuurlijk automatisch probeert de beste krachten die zich al tot een bepaalde richting bekennen, weg te plukken.”[91]
De dehydratatie van de buitenparlementaire bedding heeft een aantal significante gevolgen voor beweging én partij. Zo zag Vlaams-nationalistisch extreem-rechts de laatste jaren een aantal van zijn verenigingen verdwijnen. In oktober 2006 werd het Sint-Maartensfonds ontbonden, maar dat was veeleer een sociologische kwestie van uitstervende generaties. Voorpost is quasi volledig opgezogen door het Vlaams Belang, terwijl het terminale Were Di / Dietsland-Europa eind vorig jaar door diezelfde partij werd geëuthanaseerd. Maar er is ook hoop voor extreem-rechts. Jongerenorganisaties zoals het VNJ en de NSV hebben immers niet in dezelfde mate last van de partijtendens tot kannibalisering. Daar zorgen wisselende generaties op gezette tijden voor een hernieuwde bloedaanvoer van politiek talent. Ook op het nationalistisch segment van de pluralistische Vlaamse Beweging zit nog wat rek. Anderzijds is het wel zo dat de drainering van het bewegingsveld de metapolitiek dreigt dood te knijpen. NSV-stichter Truyens: “Als alles leeggezogen wordt, dan heb je geen metapolitiek meer om de partijpolitiek te beïnvloeden. Dat is mijn belangrijkste bekommernis.”[92] Met het verdwijnen van de bezadigde dan wel vurige herauten dreigt inderdaad ook een stuk ‘goedbedoelde kritiek’ op de partij verloren te gaan. Een derde en laatste gevolg is van louter structurele aard, en eerder triviaal. De aantrekkingskracht van het Vlaams Belang zorgt er met name voor dat de versnippering van het extreem-rechtse politieke landschap in Vlaanderen in toenemende mate ondervangen wordt.[93] Om de metafoor van Karel Dillen (cf. supra) rond te maken: naarmate het Vlaams Belang zijn politieke honger steeds meer met de zuurdesem spijst, sterft de klinkende klank uit het bewegingsveld.
’t Vlaams studentenvolk rukt aan. Voorspel en genese van de NSV.
2.1. Politiek-historische context.
In het eerste kapittel hebben we de NSV reeds getaxonomiseerd als een extreem-rechtse Vlaams-nationalistische studentenvereniging. De hiernavolgende hoofdstukken zullen die ‘etikettering’ uitgebreid verantwoorden. Maar alvorens tot de eigenlijke bespreking van de NSV over te gaan, staan we in dit deel nog even stil bij drie relevante politiek-maatschappelijke ontwikkelingen. Ze vormen samen de historische achtergrond waartegen de Nationalistische Studentenvereniging in 1976 vorm zou krijgen. Achtereenvolgens komen de rol van intellectuele elites, de invloed van Nieuw Rechts, en de organisatorische breuk in het Vlaams-nationalistische kamp – parallel met het abdiceren van de Volksunie – aan bod. ‘De politieke kleur van jonge generaties’, een in 1992 gepubliceerde verhandeling van de Leuvense historicus Louis Vos, fungeert daarbij als leidraad.[94] De aangekaarte thema’s preluderen ook voor een stuk op de drie traditionele pijlers waarop de werking van de NSV gestoeld is: actie, vorming en studentikoziteit.
2.1.1. Intellectuele elite.
Zoals in elke radicale politieke stroming speelt ook in het extreem-rechts Vlaams-nationalisme de intellectuele elite een belangrijke rol. Wanneer de politiek-maatschappelijke omstandigheden het toelaten, zijn het precies de nieuwgevormde kaders die grotere groepen binnen de beweging met het eertijds ontwikkelde ideeëngoed gaan bevruchten. Zo waren de Leuvense katholieke intellectuelen van het Algemeen Katholiek Vlaams Studentenverbond (AKVS) en het KVHV (cf. supra) in de jaren twintig reeds de wegbereiders voor de latere nazificering van het radicaal Vlaams-nationalisme in de schoot van het VNV en het Verdinaso, de partijpolitieke emanaties van de Nieuwe Orde.[95] Zoals we verder zullen zien wordt ook een groot deel van de extreem-rechtse en Nieuw Rechtse denkbeelden die voornamelijk in de jaren tachtig binnen de NSV werden ontwikkeld, vandaag binnen het Vlaams Belang in politieke termen en electorale successen vertaald.
Het socialiseringsproces van de toekomstige intelligentsia begint veelal in studentenbewegingen, die zich laten kenmerken door “een atypische sociale positie, een bijzondere intellectuele habitus en een zendingsbewustzijn”. De unieke sociologie van de student uit zich onder meer in een compromisloze beginselvastheid met een relatief lage sociale en financiële kost, de omgang met – en toetsing van – (nieuwe) ideologische concepten, en het streven naar een maatschappelijke transformatie.[96]
De Vlaamse studentenbeweging in het bijzonder wordt gekarakteriseerd door een continuïteit in de opeenvolging van generaties enerzijds, en een discontinuïteit of golfbeweging in de concrete uitwerking van haar ideologie en politieke acties anderzijds. Zo ontstaan er leeftijdscohorten van studenten die ongeveer in dezelfde periode geboren en opgegroeid zijn, en er daardoor naar tenderen bepaalde opvattingen te delen. Een aaneenschakeling van verschillende cohorten wordt dan een generatie genoemd. De maatschappelijke beeldvorming van een generatie in functie van de historische context waaruit ze is gegroeid, is echter niet per definitie homogeen. Vooral in radicalere (studenten)milieus treffen we nogal eens een plejade aan groupuscules aan, die zich elk afzonderlijk als oriëntatiepunt voor de beweging manifesteren. Ook in de context van het rechts-radicale Vlaams-nationalisme zagen en zien we een duurzame wildgroei aan kleine en radicale groepjes, die – naar gramsciaans recept – in verhouding tot hun geringe numerieke aanhang een vrij grote invloed uitoefen(d)en op de bredere Vlaams-nationale beweging. Zowel rond het VNV, de VU als het Vlaams Blok ontstonden telkens splinterformaties die zich als toegewijd en beginselvast profileerden. Het is dan ook in die geest dat we de oprichting van de NSV als radicale afscheuring van het gematigd flamingantische KVHV moeten situeren (cf. infra).[97]
Door de opeenvolgende generaties van de Vlaams-nationalistische politieke elite in het interbellum in kaart te brengen, toont Louis Vos in zijn essay ‘De politieke kleur van jonge generaties’ aan hoe er een osmose tussen het politiek Vlaams-nationalisme en de Nieuwe Ordebeweging tot stand is kunnen komen. Het valt daarbij vooral op hoe het anti-belgicistisch discours, als zwaartepunt van het Vlaams-nationalistisch denken, de weg vrijmaakte voor ondemocratische oplossingen. Zo sloeg het verloren vertrouwen in de strategie van de taalwetten en het misprijzen voor de Belgische instellingen al gemakkelijk om naar een verwerping van het parlementarisme – het parlement werd gedefinieerd als een propagandamachine annex praatbarak – en de liberale staatsorde in hun totaliteit. De militaire nederlaag van de Nieuwe-Ordekrachten in de Tweede Wereldoorlog betekende echter niet dat ook de politieke banden tussen het Vlaams-nationalisme en de collaborerende elementen zouden doorgeknipt worden. Na een decenniumlang (1944-1954) ondergronds bestaan – mede door de harde repressie en de zware morele last die het met zich meedroeg in vergelijking met het activisme tijdens de Eerste Wereldoorlog –, kent het rechts-radicaal Vlaams-nationalisme een heropleving in de jaren zestig-zeventig (VU) en tachtig (Vlaams Blok). Jonge intellectuelen, repressieslachtoffers en oud-VNV’ers organiseerden zich aanvankelijk rond de zuildoorbrekende Volksunie. In het zog van de groeiende communautaire scherpslijperij werden de (voor)oorlogse extreem-rechtse ideeën middels Vlaamsgezinde manifestaties, jeugdbewegingen en weekbladen (o.a. ’t Pallieterke) vertaald naar een radicaal anti-Belgisch Vlaams-nationalisme, dat zijn hoogtepunt kende in de strijd om Leuven-Vlaams. Dat hoogtepunt was meteen ook een keerpunt: geïnspireerd door de linkse revolte van mei ’68 ging een grote groep Leuvense studenten kiezen voor een open en democratische samenleving.[98]
2.1.2. Nieuw Rechts.
Het ‘rode Leuven’ kende zijn hoogtepunt in de jaren 1969-1974, toen een tweede generatie Nieuw Linkse studenten het marxisme-leninisme ontdekte. De heropflakkering van het communisme, dat in de jaren zeventig met AMADA – Alle Macht Aan De Arbeiders – ook een partijpolitieke uitdrukking zou krijgen, was meteen ook een katalysator voor het ontstaan van Nieuw Rechts. Op een hoger echelon vloeiden beide stromingen evenwel voort uit dezelfde postmaterialistische golf. Voor Nieuw Links betekende dit een verhoogde aandacht voor ecologische thema’s, democratie, anti-autoritarisme, emancipatie en de ontwikkeling van de Derde Wereld. Nieuw Rechts ging dan weer aanknopen bij een met traditionele waarden, anti-egalitarisme, autoritarisme en sociaal-darwinisme gelardeerd identitair-culturalistisch discours. Ook de communautaire hangijzers en de verlinksing van de Volksunie in de jaren zeventig, en de toename van de werkloosheid en migratie als gevolg van de oliecrisis (1973) legden mee de fundamenten voor de heropleving van extreem-rechts in Vlaams-nationalistische kringen.[99]
Nieuw Rechts kreeg reeds in 1967 vaste voet aan de grond in Vlaanderen. Met de Actiegroep Delta (AD), de Vlaams-Nederlandse tak van ‘La Nouvelle Droite’, profileerden ex-VVP’er Luc Pauwels en co zich als hevige tegenstanders van het bestaande regime, het communisme en reactionair rechts. De militanten gaven al vanaf eind 1965 het blad De Anderen uit, een periodiek die de ‘echte’ nationalisten in de Vlaamse Beweging van het nodige ideologische en wetenschappelijke cachet moest voorzien. De redactie onderhield onder meer nauwe contacten met de buitenlandse tijdschriften Nation Europa (Duitsland) en Europe Action (Frankrijk). In België waren er duidelijke banden met de VMO (bvb. de gezamenlijke acties tegen 11.11.11), Were Di / Dietsland Europa, het solidaristische Verbond Recht en Orde (VRO) en het Jeune Europe-tijdschrift Révolution Européenne. Na een periode van stilte leeft De Anderen vanaf 1972 weer op in de schoot van de Antwerpse NEM-club (Nouvelle Europe Magazine). Het blad verschoof haar klemtoon naar de biologische en culturele integriteit van Europa, en de fundamentele ongelijkheid der mensen.[100]
Vanaf 1979 ging Pauwels ook de nog steeds verschijnende Nieuw Rechtse vormingsperiodiek Teksten, Kommentaren en Studies (TeKoS) uitgeven. Al van in de jaren tachtig laat de omslag naar de culturalistische xenofobie en de herontdekking van de conservatieve waardeleer zich in het tijdschrift gevoelen. TeKoS organiseert geregeld colloquia, onder meer rond heidendom, identiteit en globalisering. Volgens historicus Georgi Verbeeck kan het studietijdschrift gezien worden als een belangrijk schakelpunt tussen extreem-rechts en ecologie. In het blad verschenen onder meer bijdragen van Luc Pauwels, Roeland Raes, Lode Claes, Erik Arckens, dr. Koenraad Elst en de in 1999 overleden oud-SS’er Frans de Hoon. TeKoS leeft echter voor een groot deel van vertalingen, voornamelijk van Franse en Duitse auteurs, zoals Alain de Benoist (NEM) en Ernst Jünger. Ook in Dietsland-Europa verschenen geregeld artikels van Alain de Benoist, grondlegger van Nieuw Rechts en oprichter van de Franse denktank ‘Groupement de Recherche et d'Études pour la Civilisation Européenne’ (GRECE).[101] In hoofdstuk 4 zullen we zien dat de NSV geregeld haar mosterd en ideologische dressing uit deze Nieuw Rechtse leerkeukens puurt.
2.1.3. Schismata.
De toenemende verlinksing en compromisbereidheid van de Volksunie, en dan vooral de ‘participationistische’ strekking rond Hugo Schiltz, zorgden in de jaren zeventig – nog voor de ondertekening van het Egmontpact – voor een ideologische en organisatorische breuk in het Vlaams-nationalistische kamp.[102]
In 1971 splitste het Algemeen Vlaams Nationaal Jeugdverbond (AVNJ) zich van het VNJ af, dat evenwel al vanaf zijn oprichting een sterke traditie van versnippering kende. Het AVNJ stond aanvankelijk erg dicht bij de ‘nieuwe’ VMO (°1971) onder leiding van Bert Eriksson, en heeft er zelfs mee samengewerkt.[103] In dezelfde periode (1976) richtten Roeland Raes en Francis Van den Eynde de actiegroep Voorpost op, een rechts-radicale afscheuring van de vormingsorganisatie Were Di. Voorpost wou vooral een militantere koers varen, en kwam onder leiding van ex-VMO’er Luc Vermeulen vaak met spectaculaire acties uit de hoek (cf. supra).[104] Ook in Vlaams-nationalistische studentenmiddens kwam het tot een breuk. Na de splitsing van de Leuvense universiteit in 1968 verloor het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond (KVHV) er haar leiderspositie aan de ‘totaal-democratische’ Studentenvakbeweging (SVB).[105] In Antwerpen trok de extreem-rechtse groep rond Edwin Truyens zich in 1976 uit het Verbond om de Nationalistische Studentenvereniging (NSV) op te richten, een beweging die zich steeds meer zou manifesteren als voorhoede en kaderschool van het rechts-radicale Vlaams-nationalisme. Na de commotie rond de Schaarbeekse lokettenkwestie (1971-1976), de proloog naar de taalstrijd in de Voerstreek, en de ondertekening van het Egmontpact (1977) door de VU, had dat nationalisme intussen alweer een eigen partij: het Vlaams Blok.[106] De kalverliefde tussen de NSV en het VB, de nieuwgeboren jongen in het Vlaams-nationalistische nest, zou in de loop der jaren uitgroeien tot een duurzame relatie.
2.2. Van KVHV naar NSV.
In 1973 had een schare studenten rond Kris Barrezeele en Martin Decancq het plan opgevat om in Antwerpen een KVHV-afdeling uit de grond te stampen. Ze konden daarbij rekenen op de steun van Lionel Vandenberghe[107], op dat ogenblik wetenschappelijk medewerker aan de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen (UFSIA). Edwin Truyens was rond dezelfde periode actief in het Taal Aktie Komitee (TAK) van Piet De Pauw, die met het idee speelde om in ‘de koekenstad’ een studentenafdeling van TAK op te richten. Na een reeks van informele contacten sloegen de groepen rond Barrezeele en Truyens de handen in elkaar: op 19 december 1973 werd het KVHV-Antwerpen onder de doopvont gehouden.
Tijdens het academiejaar 1974-1975 kreeg Truyens het presesschap over de vereniging toevertrouwd. Op 5 maart 1975 voerde het KVHV-Antwerpen een opmerkelijke actie met een ezel uit de Antwerpse Zoo. Aan de UFSIA en op het stadhuis werd uitgehaald naar de “a-sociale franskiljonse kaste”. Op het KVHV-congres, dat tien dagen later plaatsvond, slaagden de Gentse, Brusselse en Antwerpse afdelingen erin om het Verbond in nationalistische zin bij te sturen. De vergadering droeg meteen ook de kiemen in zich voor de latere tweespalt binnen het KVHV tussen het cultureel-flamingantische en integraal-nationalistische kamp.
De naweeën van de ideologische koerswijziging lieten zich tijdens het daaropvolgende academiejaar (1975-1976) ook in de Antwerpse afdeling gevoelen. Terwijl Vandenberghe en Barrezeele op de rem gingen staan, probeerde Truyens het nationalistische ideeëngoed ook in het verbondstijdschrift Tegenstroom door te drukken. Een breuk werd onvermijdelijk.[108] Edwin Truyens: “Intussen waren we licentiaatsstudenten geworden, en dachten we hoe langer hoe meer aan de periode ná ons. De ontsporingen bij het KVHV-Leuven indachtig, dat in de jaren ’60 en ’70 tot tweemaal toe geaccapareerd was door marxistische studenten, werd de idee opgevat om van onze afdeling een vzw te maken. Zo ontstonden er twee strekkingen binnen het KVHV-Antwerpen: enerzijds de groep rond Kris Barrezeele, die van oordeel was dat elk lid van het KVHV-Antwerpen lid moest kunnen worden van die vzw, en anderzijds de groep rond mij, die het lidmaatschap van de vzw – als bescherming tegen ontsporing – wou beperken tot het presidium. Toen duidelijk werd dat de twee standpunten onverzoenbaar waren, kwamen we tegenover elkaar te staan.” Naast de ideologische (integraal-nationalisme vs. cultureel-flamingantisme) en principiële (elitaire vs. democratische visie) tegenstellingen, gingen ook persoonlijke conflicten (Edwin Truyens vs. Kris Barrezeele en Bart Vandermoere) een rol spelen. “Het gevolg was dat er twee vzw’s ‘KVHV-Antwerpen’ zijn opgericht, waardoor er automatisch een breuk ontstond. Zo kwamen we in een verwarrende patstelling terecht, waarbij beide verenigingen eigen activiteiten gingen inrichten en mekaar voortdurend tegenwerkten. In de zomer van 1976 werd de knoop vanuit KVHV-Nationaal doorgehakt: beide vzw’s werden erkend, op voorwaarde dat de groep-Truyens van naam veranderde.”[109] Ten slotte waren volgens Truyens ook partijpolitieke motieven in het geding. VU’ers als Willy Kuijpers, Walter Luyten en Lionel Vandenberghe zouden de scheuring gestimuleerd hebben om “de nationalisten binnen het KVHV-Antwerpen uit te rangeren”.
De gesprekken met KVHV-Nationaal tijdens de zomervakantie brachten geen zoden aan de dijk. Het overleg werd opgeblazen, en in oktober 1976 besliste de groep-Truyens om de banden met het KVHV door te knippen[110]: “[Er werd] beslist om verder te gaan onder de nieuwe naam ‘Nationalistische Studentenvereniging’, aanvankelijk met de toevoeging ‘KVHV’. Maar blijkbaar ging de naam ‘NSV’ erin als zoete koek, waardoor we na enkele maanden zijn afgestapt van de dubbele benaming.”[111]
De oprichting van de Nationalistische Studentenvereniging werd officieel bekrachtigd op een persconferentie in de bovenzaal van het Antwerpse café ’t Blazoen, op 4 oktober 1976. De eigenlijke stichting van de NSV vond echter plaats in september 1976, in het appartement van de ouders van Edwin Truyens. Naar alle waarschijnlijkheid werd op dat moment ook de naam van de nieuwe vereniging bedacht.[112]
De overlevingskansen van de NSV werden aanvankelijk niet hoog ingeschat. Zelfs de stichtende leden koesterden weinig illusies op dat vlak. De afsplitsing van het KVHV betekende immers niet alleen dat er gebroken werd met een lange traditie, maar zette eveneens een permanent kurk op de subsidiekraan vanuit het Verbond.[113] Edwin Truyens: “Of we zouden slagen op lange termijn, was trouwens niet echt onze bekommernis: we wilden vooral op dat ogenblik de nationalistische levensbeschouwing uitdragen onder de studenten van Antwerpen, en als het even kon, ook elders. Het bleek al vlug ook elders te kunnen: Hasselt, Gent, Leuven en Brussel volgden.”[114]
Wat komt er van den berg? Eerste kennismaking met de NSV.
3.1. Geschiedenis in vogelvlucht.
De eerste NSV-generatie zag zich in d