| Het beeld van Mobutu Sese Seko in de Belgische pers. De Standaard, Vooruit & De Morgen, La Libre Belgique, Le Peuple. (1965-1997) (Stijn Van Bever) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
A. Theoretische inleiding
1.1. Motivatie
Mijn grote interesse voor Kongo/ Zaïre komt voort uit de persoonlijke band die ik, als zoon van een moeder afkomstig uit Kasaï, heb met het gebied. Dit was voor mij dan ook een aanleiding om mij verder te verdiepen in de geschiedenis van dit land, niet uit een soort nostalgie naar mijn roots, maar vanuit een oprechte overtuiging dat de huidige situatie in Kongo niet begrepen kan worden zonder een grondig inzicht in het verleden.
Het was op het eerste gezicht niet evident om een nog onontgonnen plekje te vinden binnen dit onderzoeksveld. België heeft een historische band met Kongo en dat is te merken aan de talloze publicaties in verband met het onderwerp.
Het is duidelijk dat grofweg het laatste decennium steeds meer studies over het koloniaal verleden zijn gepubliceerd. Toch verwijt men historici vaak dat ze bewust nagelaten hebben bepaalde aspecten van het koloniale verleden te onderzoeken.[1] Dit verwijt heeft vooral betrekking op “zwarte bladzijden” zoals het optreden van Leopold II in Kongo-Vrijstaat. Jan Blommaert pleitte dit jaar nog in De Standaard voor minder nostalgische terugblikken en meer professionele en gestructureerde kennis over Kongo.[2]
Wat ik wilde onderzoeken, was de periode nà de onafhankelijkheid. Hoe evolueerde dit land, dat de Belgen vrij onverwacht en volgens velen overhaast de onafhankelijkheid hebben “geschonken” in 1960? Na enkele turbulente jaren kwam in Kongo Mobutu aan de macht. De “luipaard” heeft ruim drie decennia de ontwikkelingen in Kongo/ Zaïre gedomineerd. Daarom leek het mij erg interessant om mij te verdiepen in deze persoon en zijn beleid. Wat de Mobutu-periode betreft, zijn de meeste Belgische werken van de hand van journalisten. Er zijn ook een aantal degelijke studies verschenen van de hand van buitenlanders en van Kongolezen.
Enkele Belgische journalisten waren dus duidelijk betrokken bij de ontwikkelingen in Zaïre. Dit bracht mij bij de Belgische pers. Welke houding nam zij aan ten aanzien van Kongo/ Zaïre en meer bepaald ten aanzien van Mobutu?
Enig opzoekwerk dat ik verrichtte voor het maken van een keuze, leerde me dat enkele studenten me al zijn voorgegaan in het voeren van een krantenonderzoek met betrekking tot Kongo/ Zaïre.[3] Maar de beeldvorming rond de persoon van Mobutu, bleef tot nu toe onbelicht. Daar zag ik een grote uitdaging voor mijn eigen licentieverhandeling.
1.2. Probleemstelling
De centrale vraag van mijn onderzoek is de volgende: welke beeld schetste de Belgische pers van president Mobutu gedurende zijn 32-jarige beleid (1965-1997)?
Ik heb deze periode in zijn geheel afgebakend. Deze afbakening zorgt ten eerste voor een volledig beeld en laat bovendien ook toe om evoluties in beeldvorming te onderkennen. Aansluitend bij de vraag naar de aard van het beeld dat van de president wordt opgehangen, moet dan ook de vraag gesteld worden naar eventuele verschuivingen, wijzigingen in dit beeld. Ik ben ervan overtuigd dat onderzoek naar beeldvorming essentieel is in het historisch onderzoek. Het laat immers toe te peilen naar mentaliteiten, onderliggende ideologieën en opinies die in een bepaalde periode sterk heersten.
De pers is hiertoe uiteraard een uitstekend middel. Het is een vorm van massacommunicatie en verspreidt meningen en ideeën op grote schaal. Berichtgeving in kranten is niet neutraal. Het is bekend dat in België bepaalde kranten aanleunen bij bepaalde ideologieën en zelfs bij bepaalde politieke partijen, al is de band de laatste jaren erg verwaterd. Vanuit die vaststelling heb ik ervoor geopteerd om hier verschillende kranten als bron te gebruiken in mijn onderzoek. Ik zal twee Vlaamse en twee Waalse kranten bestuderen. Op die manier zal het ook mogelijk zijn een vergelijking te maken tussen de beeldvorming in de Vlaamse en in de Waalse pers. Kijken zij op een verschillende manier naar Mobutu en zo ja, welke accenten worden gelegd en welke opinies worden vertolkt door respectievelijk Vlamingen en Franstaligen?
Aan Vlaamse kant bestudeer ik De Standaard (katholiek) en Vooruit/ De Morgen (socialistisch). Aan Waalse zijde worden La Libre Belgique (katholiek) en Le Peuple (socialistisch) onderzocht.
Ik heb hier twee centrale factoren vermeld die van belang kunnen zijn bij de beeldvorming: de ideologische factor en de communautaire factor. Welke rol spelen deze factoren bij de berichtgeving over Mobutu en zijn beleid in de genoemde kranten? Zijn er grote verschillen tussen de vier kranten, of beperken ze slechts tot nuances? Dit laatste zou erop kunnen wijzen dat de nieuwsgaring het werk was van grote persbureaus. Wanneer er wel aanwijsbare verschillen zijn, wijst dit waarschijnlijk op een achterliggende ideologie. Zijn de kranten van dezelfde ideologische strekkingen aan beide zijden van de taalgrens te vergelijken, of weegt de communautaire factor zwaarder door? Welke stempel drukten de grote Franstalige economische belangen in Zaïre op de berichtgeving?
Dit alles zal ik trachten te onderzoeken aan de hand van een aantal specifieke gebeurtenissen. Deze zestien ankerpunten heb ik weerhouden na een grondige literatuurstudie. Ik heb geprobeerd een representatieve lijst op te stellen met een evenredige spreiding in tijd. Het is onwaarschijnlijk dat alle kranten gedurende tweeëndertig jaar hetzelfde beeld van Mobutu en zijn regime hebben opgehangen. Mobutu is de geschiedenis ingegaan als hét voorbeeld van de Afrikaanse corrupte dictator. Toch is het bekend dat hij voor veel Belgen in de eerste jaren van zijn beleid de man was die de chaos liet ophouden en de eenheid herstelde. Waar is het dan fout gelopen? Welke feiten uit mijn selectie hebben een grote invloed gehad op het beeld van Mobutu?
Op al deze vragen zal een grondig krantenonderzoek een antwoord bieden.
1.3. Inleiding tot het onderzoek
Eerst en vooral zal ik een methode ontwikkelen aan de hand waarvan ik mijn krantenonderzoek kan voeren. Hierbij baseer ik me op een grondige literatuurstudie van enkele werken over taal, discours en ideologie. Deze werken reiken me de nodige methodologische instrumenten, begrippen en strategieën aan om het krantenonderzoek aan te vangen. Naast deze kwalitatieve analyse is er ook plaats voor een beperkte kwantitatieve analyse. Vervolgens zal ik de bronnen situeren en verantwoorden. Na een algemeen hoofdstuk over de rol van de pers en ideologie in de pers, bespreek ik de Belgische pers, en meer specifiek de vier bestudeerde kranten. Ten slotte zal ik de data die ik heb weerhouden verantwoorden en in hun historische context plaatsen.
Deze theoretische achtergrond legt de nodige funderingen voor het eigenlijke krantenonderzoek. Daarbinnen zal ik per datum de berichtgeving in elke krant analyseren.
In principe moet nieuws steeds betrouwbare informatie verschaffen over wat er in de werkelijkheid gebeurt. Er zijn drie criteria waaraan men de betrouwbaarheid van een nieuwsbericht kan afmeten.[4]
Ten eerste moet een bericht feitelijke informatie bevatten. Dergelijke informatie stelt de ontvanger in staat om de vragen wie, wat, waar en wanneer op te lossen. De feiten moeten in de eerste plaats juist zijn, accuraat. Ze worden bovendien ook geacht volledig en relevant te zijn. Vervolgens is het van groot belang dat een verslaggeving onpartijdig is. Om deze onpartijdigheid te garanderen, moet een journalist gebruik maken van objectieve bronnen, moet hij verschillende standpunten aan bod laten komen en moet de presentatie van het nieuw neutraal zijn. Ten slotte zou nieuws steeds objectief moeten zijn. Er bestaan drie criteria om de objectiviteit aan af te meten: 1/ afstandelijkheid, neutraliteit 2/ onpartijdigheid en 3/ accuratesse, zorgvuldigheid, relevantie, volledigheid. Het ideale nieuwsbericht voldoet dus aan al deze criteria.
Helaas ligt de werkelijkheid vaak ver af van deze ideale situatie: “Genuine news articles may feature opinions, despite the ideological belief of many journalists that news only gives the facts and not opinion.”[5]
Elk nieuwsbericht is immers vertekend. De instituties waarbinnen het nieuws wordt geproduceerd en de journalisten die nieuws vergaren, zijn allemaal ingebed in een specifieke sociale, culturele, economische en politieke context. Daarom wordt nieuws altijd getoond vanuit een bepaalde hoek, door een bepaalde bril.[6] Het is echter niet zo dat nieuws louter een “vertekende representatie van de werkelijkheid” is. Nieuws is een constructie van de werkelijkheid. Teun Van Dijk drukt het zo uit: “News is not characterized as a picture of reality, which may be correct or biased, but as a frame through which the social world is routinely constructed.”[7]
Daarom is het noodzakelijk om een methode op te stellen die vertekening in het nieuws (bias) kan ontmaskeren en die kan laten zien op welke manier de werkelijkheid in het nieuws wordt geconstrueerd. Om tot deze methodologie te komen, is het noodzakelijk eerst een visie op taal en taalgebruik te construeren. De methode die ik in deze verhandeling zal hanteren, is vooral geïnspireerd door de inzichten van Foucault, Van Dijk, Fowler, Fairclough en Blommaert en Verschueren.
2.1. Visies op taal[8]
In mijn eindverhandeling draait het om krantenartikels (informatieve berichten en opiniestukken) over Mobutu. Ik heb vier kranten onderzocht: aan Vlaamse kant De Standaard en Vooruit/ De Morgen en aan Franstalige zijde Le Peuple en La Libre Belgique. Al deze kranten hebben hun eigen politieke kleur, en het is onder andere mijn bedoeling te onderzoeken in welke mate deze kleur doorschemert in hun berichtgeving. Hiermee betreed ik onvermijdelijk het veld van de ideologie. Een aantal van bovenvermelde auteurs hebben zeer interessante inzichten verschaft wat betreft de relatie tussen ideologie en taalgebruik.
De werkelijkheid wordt gerepresenteerd door middel van taal. Maar drukt taal louter een betekenis uit die in de werkelijkheid ligt besloten, zoals de reflectieve visie op representatie ons voorhoudt? Drukt taal uit wat de spreker wil zeggen, zoals de intentionele visie aangeeft? Of wordt betekenis gecreëerd in en door taal (constructivisme)? Deze laatste opvatting heeft de voorbije decennia ongetwijfeld de grootste invloed uitgeoefend op de studie van taal en taalgebruik.
2.1.1.Structuralisme en semiotiek
Eerst en vooral zijn in dit verband de inzichten van de Zwitserse taalkundige Ferdinand De Saussure van belang.[9] Hij bestudeerde taal als een systeem waarin individuele elementen niet op zichzelf staan, maar hun betekenis krijgen door hun relatie met het systeem zelf. Taal, als een verzameling tekens, kan dus betekenis produceren. Het taalteken ontleedde hij verder in twee verschillende elementen: de vorm (het woord, de foto, het beeld,…) en het concept (het idee dat in je hoofd bestaat en waarmee je de vorm associeert). Respectievelijk noemde hij deze elementen signifiant en signifié.
De relatie tussen de uiterlijke vorm en het concept, is willekeurig (arbitrair). Saussure bedoelt hiermee dat de relatie stoelt op een conventie, een gewoonte waaraan de gebruikers van eenzelfde taal zich houden. Aangezien de betekenis niet wordt bepaald door een relatie met de werkelijkheid, kan een taalteken enkel een betekenis krijgen door zich te onderscheiden van andere taaltekens. De betekenis van een taalteken ligt bijgevolg ook niet vast. Het is geen onveranderlijk gegeven, wat tot gevolg heeft dat er ook geen enige juiste betekenis aan te wijzen valt.
Taal is bijgevolg een historisch fenomeen, een zich steeds wijzigend geheel van tekens en codes. Taalgebruikers kunnen gebruik maken van dit systeem om specifieke taaluitingen te produceren. Saussure noemt het systeem de langue en de concrete taaluitingen de parole.
Het zijn deze concrete taaluitingen die de belangstelling van vele taalkundigen hebben gewekt. De vaststellingen van Saussure dat een taal veranderlijk is en dat betekenis wordt geproduceerd binnen een bepaalde context, zijn hierbij van groot belang geweest. Alle taaluitingen moeten binnen hun historische en culturele context worden gesitueerd en er is geen vaststaande betekenis. Dit betekent dat er een grote rol is weggelegd voor interpretatie.
De Saussure heeft vooral op het vlak van linguïstiek een grote bijdrage geleverd, maar zijn theorieën hebben in de studie van representatie ook een breder invloed gehad. Hij legde meer bepaald de basis voor de studie van tekens in de cultuur, de semiotiek.
De belangrijkste vertegenwoordiger van deze stroming is Roland Barthes. Hij bestudeerde populaire cultuur als een soort taal, een verzameling van tekens die betekenis produceren. Het teken (signifiant en signifié) verwijst volgens hem naar een bredere betekenis op het niveau van cultuur. Het eerste niveau noemde hij de denotatie, het tweede de connotatie. Op het niveau van de connotatie worden tekens geïnterpreteerd in relatie met cultuur en ideologie.
Structuralisme en semiotiek werden echter bekritiseerd omdat ze taal als een te gesloten, statisch systeem zouden beschouwen. Nieuwe theoretici vroegen meer aandacht voor de inbreng van de lezer die de tekst interpreteert. Elke lezer moet een tekst interpreteren en dit doet hij aan de hand van een code die historisch, sociaal en cultureel bepaald is. In de nieuwe theorieën staan begrippen zoals kennis en macht centraal. Het is immers belangrijk te erkennen dat sommige mensen meer macht hebben om te spreken over bepaalde onderwerpen dan andere. Volgens deze onderzoekers wordt kennis ook geproduceerd door taal en door de mensen die de macht hebben om op een bepaalde manier over iets te spreken.
2.1.2.Discours
Deze manier waarop over iets gesproken wordt, noemt men in één woord het discours. Michel Foucault wordt beschouwd als de grondlegger van de discoursanalyse. Hij trachtte te onderzoeken hoe kennis wordt geproduceerd in bepaalde historische perioden. Zijn inspiratie haalt hij deels bij De Saussure en Barthes. Zo benadrukt hij net als Barthes de culturele context. Het idee van De Saussure, dat taaltekens het gevolg zijn van afspraken tussen taalgebruikers en er dus een gedeelde betekenis is, is ook bij Foucault essentieel. Anderzijds is de historische dimensie in het werk van Foucault veel groter dan bij zijn voorgangers. Hij was vooral begaan met machtsrelaties. Een discours is voor hem niet zomaar een tekst. Het is een verzameling uitspraken, woorden en zinnen, met behulp waarvan men over iets kan spreken. Maar het discours impliceert evengoed instellingen en handelingen. Het gaat dus niet alleen over de manier waarop men over iets spreekt, maar ook over de manier waarop men met iets omgaat. Taal en praktijk staan niet los van elkaar. Volgens Foucault kan betekenis ook louter binnen het discours geproduceerd worden. Zowel handelen als spreken worden bepaald door het discours. “All knowledge, once applied in the real world, has real effects, and in that sense at least, “becomes true”. Knowledge, once used to regulate the conduct of others, entails constraint, regulation and the disciplining of practices.”[10]
En in het discours speelt voortdurend macht mee. Foucault ziet macht niet als iets wat van bovenaf wordt opgelegd, maar als iets wat in alle lagen van de samenleving voortdurend doorsijpelt en circuleert. Hij noemt dit de “microphysics of power”.[11]
De ideeën van Foucault zijn zeer bepalend geweest in de studie van taal en tekst. Ze hebben onderzoekers ertoe aangezet om teksten in hun historische context te bestuderen en na te gaan op welke manier deze teksten betekenis en kennis produceren.
In mijn onderzoek zal ik ook elk bericht in zijn historische context bestuderen om zo na te gaan op welke manier er op een bepaald moment over Mobutu werd gesproken. Journalisten zijn uiteraard cruciale machthebbers in de creatie van het discours. Zij bepalen voor een groot deel op welke manier er over de actualiteit wordt gesproken, en bijgevolg ook op welke manier er wordt gehandeld.
De gedachte dat het discours kennis produceert en dat er buiten het discours geen kennis mogelijk is, staat ook centraal bij Edward Saïd, de vader van de postcolonial studies. In zijn boek Oriëntalisme bestudeert hij het westerse discours over de Oriënt.[12] Hij toont aan dat de manier waarop auteurs over de Oriënt schreven invloed had op de werkelijkheid, de manier waarop men met het gebied en zijn bevolking omging.
Bij discoursanalyse is wat ónder de oppervlakte van de tekst zit het belangrijkste. De latente betekenis zegt veel meer dan de manifeste. De latente betekenis van een tekst kan opgespoord worden door te kijken naar verbanden tussen elementen in een tekst, naar vooronderstellingen, impliciete en verzwegen informatie. Het doel van een dergelijke analyse is een zicht te krijgen op de werking en de macht van het discours. Op welke manier wordt een boodschap overgebracht, in het geval van deze studie, in een krantenbericht?
In die zin kan men ook een verwantschap ontdekken van de discoursanalyse met de narratologie. De narratologie ziet alle teksten als een reeks gebeurtenissen die tot een verhaal geordend zijn. Drie elementen spelen hier met andere woorden mee: een verteller, een publiek en een serie gebeurtenissen. Zo kan ook elk krantenartikel geïnterpreteerd worden als een verhaal. Het is daarbij van cruciaal belang te beseffen vanuit welk perspectief het verhaal wordt verteld, wie het verhaal vertelt en wat zijn bedoelingen zijn. In een dergelijk verhaal kunnen de personages voorgesteld worden als helden, als goeden of als slechten.
Al deze inzichten verdienen aandacht bij de kritische analyse van krantenartikels. Ik zal ze dan ook in het achterhoofd houden bij de analyse van de artikels die handelen over Mobutu.
2.2. Kwalitatieve analyse
2.2.1.Sociaal-cognitief model
De Nederlander Teun Van Dijk heeft nieuws geanalyseerd als een structuur, een discours. Hij pleit voor het belang van een structuralistische analyse van het nieuws, als alternatief voor de klassieke inhoudsanalyse.[13] Hij houdt hierbij niet enkel rekening met het discours op zich, maar ook met de cognitieve processen van productie en receptie van het nieuws en met de socioculturele dimensies van taalgebruik en communicatie, de relatie tussen tekst en context.
Vroeger studies over nieuws zijn volgens hem te anekdotisch. Vaak zijn ze geschreven door ex-journalisten en behandelen ze de productie van nieuws of de werking van redacties. Vanaf de jaren zeventig verschenen er meer systematische en theoretisch gefundeerde studies, waarbij de interesse vooral uitging naar bias, vertekening. Van Dijk vindt deze studies echter te oppervlakkig, en wil een meer diepgaande, structuralistische analyse bieden. Onder invloed van de Franse structuralisten was de aandacht voor ideologie en discours al toegenomen, maar een systematische theorie van nieuwsdiscours moet nog ontwikkeld worden.
Hij beschouwt een nieuwsdiscours ten eerste als een thematische structuur.[14] De macrostructuur is datgene waar het nieuwsbericht inhoudelijk over gaat, de topic (of meerdere topics). Een dergelijke topic bestaat uit kleine, betekenisvolle eenheden, de proposities. De topics van een nieuwsbericht hangen samen in een hiërarchische structuur, verbonden door relaties van oorzaak en gevolg of op een andere manier samenhangend. Vormelijk wordt een nieuwsbericht steeds gegoten in een bepaalde structuur, een nieuwsschema. Eerst en vooral krijgt de lezer een samenvatting van de topics in de headline en lead. Dan volgt de episode, namelijk de belangrijkste feiten in hun context. Daarna bespreekt men de gevolgen en worden er reacties gegeven door betrokkenen. Ten slotte kan de journalist eventueel nog commentaar geven op de gebeurtenissen.
De microstructuur van een nieuwsdiscours bestaat uit verschillende proposities. Deze proposities volgen elkaar op in een sequentie en bezitten een onderlinge samenhang. Ze zijn coherent. Maar de coherentie situeert zich niet enkel op het niveau van de onderlinge samenhang, er is ook samenhang met de context: algemene kennis over de wereld of over de actualiteit, of over een ander artikel. Deze kennis zorgt ervoor dat lezers in staat zijn om presupposities (vooronderstellingen) of implicaturen (dingen die verzwegen, geïmpliceerd worden) te herkennen en te interpreteren. Ook de grammatica in een artikel (vb. het gebruik van passieve werkwoordsvormen) en de woordkeuze, zijn volgens Van Dijk betekenisvol. Ten slotte moet de onderzoeker ook de retoriek ontmaskeren. In een nieuwsbericht gebruikt de journalist retorische trucs om zijn verhaal meer geloofwaardigheid te geven. Dit kan bijvoorbeeld door de feitelijkheid van de gebeurtenissen te benadrukken (cijfers, ooggetuigen, exacte gegevens), door een sterke en geloofwaardige relationele structuur op te bouwen (oorzaak en gevolg specificeren) of door informatie te verschaffen die ook gedragsmatige en emotionele dimensies heeft (mensen onthouden sterke emoties).
In zijn boek over racisme in de pers, onderzoekt hij aan de hand van de retorische trucs in het nieuws op welke manier er over migranten gesproken wordt.[15] Hij besteedt daarbij vooral aandacht aan overtuigingsstrategieën en focust daarbij op argumentatie, stijl en retoriek.
Zoals gezegd bestudeert hij dit discours niet op zich. Hij hecht veel belang aan de productie en de receptie van teksten. Enkel een cognitieve analyse kan volgens Van Dijk aantonen hoe het proces van begrijpen van een brontekst, de representatie en samenvatting ervan gebeurt en hoe deze informatie gebruikt wordt bij het schrijven van nieuwe teksten. Ook de sociale context moet in een dergelijke analyse zeker betrokken worden, aangezien journalisten leden zijn van een maatschappij die hun kennis, opinies, doelen en ideologieën beïnvloedt. Journalisten selecteren feiten die volgens hen voldoende nieuwswaarde hebben. Dit betekent meer concreet dat ze nieuw moeten zijn, onverwacht, recent, relevant, enzovoort.
De lezers lezen uiteindelijk het bericht en trachten het te decoderen en te interpreteren op basis van kennis die ze al hebben uit andere teksten of uit vroegere ervaringen. Onderzoek heeft reeds uitgewezen dat mensen zich na een tijdje hoogstens nog de grote lijnen van een artikel herinneren en de details snel vergeten.
2.2.2.Kritische linguïstiek
Fowler vertrekt in zijn kritische linguïstiek vanuit de ideeën van De Saussure en Barthes, die hij wil aanvullen met inzichten uit de sociologie en de psychologie.[16] Zo onderzoekt hij de relatie tussen de betekenisstructuur van taal en de mentale organisatie, en de band met de sociale omgeving. Met zijn kritische methode wil hij waarden en ideologieën blootleggen, want nieuws is niet neutraal: “News is not a natural phenomenon emerging straight from reality, but a product. It is produced by an industry, shaped by the bureaucratic and economic structure of that industry, by the relations between the media and other industries and, most importantly, by relations with government and with other political organizations. From a broader perspective, it reflects, and in return shapes, the prevailing values of a society in a particular historical context. ”[17]
Fowler bestudeert nieuws net als Van Dijk als een discours waarin ideologie een grote rol speelt. Kranten zijn een belangrijk ideologisch instrument, aangezien ze tegelijkertijd door miljoenen mensen kunnen gelezen worden. Hij belicht ook de specifieke rol van het opiniestuk. Het heeft een belangrijke symbolische functie. Het feit dat een dergelijk artikel het predikaat opinie meekrijgt, impliceert immers dat alle andere artikels geen opinie weergeven, terwijl dit laatste niet het geval is: “What is distinctive about newspaper editorials is not that they offer values and beliefs, but that they employ textual strategies which forground the speech act of offering values and beliefs.”[18] Fowler legt ook patronen van stereotypering en discriminatie bloot.
Lezers zijn volgens hem geen passieve ontvangers, maar werken actief aan het decoderen van een tekst. Dit doen ze vanuit de achtergrondkennis die ze reeds hebben over het onderwerp.
2.2.3.Linguïstische pragmatiek
Blommaert en Verschueren hebben in hun boek Debating Diversity het Belgische migrantendiscours ontmaskerd.[19] Hun methode karakteriseren ze als linguïstische pragmatiek.[20] Deze methode focust meer op concrete taaluitingen en context. Tot dan toe werden taaluitingen vooral op zich bestudeerd en liet men na om ze binnen een bredere context te plaatsen. In de jaren zeventig ging een groep taalkundigen zich echter meer en meer toespitsen op extralinguïstische factoren in het taalgebruik (het zogenaamde pragmatisch keerpunt). Linguïstische pragmatiek onderzoekt in feite wat in de teksten staat (inhoudsanalyse), wie wat zegt (discoursanalyse) en waarom men iets zegt binnen een bepaalde politieke, sociale, economische, culturele en ideologische context (pragmatiek).[21]
Ideologie is een centraal begrip in de studie van het discours. Het is een concept dat vaak wordt gehanteerd en omschreven. Blommaert en Verschueren karakteriseren het als “any constellation of fundamental or commonsensical, and often normative, ideas and attitudes related to some aspect(s) of social “reality”.”[22] Ideologieën worden zelden in vraag gesteld volgens Blommaert en Verschueren. Dit betekent ook dat een ideologie eerder impliciet wordt overgedragen en zelden wordt geëxpliciteerd. Impliciet determineert een ideologie ook de identiteit en het denken van een groep in de maatschappij.
“The most tangible manifestation of ideology is discourse,” zeggen de auteurs.[23] Ideologie schemert dus steeds door in het discours. De kritische onderzoeker moet dus in staat zijn om het discours te ontmaskeren en de ideologie bloot te leggen. Dit moet hij in de eerste plaats doen door de taal te bestuderen.
Blommaert en Verschueren bestuderen de taal vanuit de linguïstische pragmatiek, die hierboven ook al aan bod kwam. Zij zien deze methode als “a general functional perspective on (any aspect of) language, i.e. as an approach to language which takes into account the full complexity of its cognitive, social and cultural (i.e. “meaningful”) functioning in the lives of human beings.”[24] Zowel de cognitieve en sociale als culturele functies van taal moeten dus in rekening worden gebracht. Linguïstische pragmatiek is geen sluitende methode die op zoek gaat naar wetten, maar eerder een set technieken om taalgebruik te ontmaskeren.
De definitie van Mey gaat als volgt: “Pragmatics studies the use of language in human communication as determined by the conditions of society”.[25]
Blommaert en Verschueren letten hierbij vooral op woordenschat, met aandacht voor de mogelijke bijbetekenissen en gevoelens die bepaalde woorden oproepen, impliciete informatie, globale creatie van betekenis en interactie van sprekers. De keuze van de woordenschat is ten eerste niet onschuldig. Het is belangrijk te onderzoeken welke grammaticale en lexicale keuzes taalgebruikers maken omdat dit ook iets zegt over hun manier van denken. Impliciete informatie zegt vaak meer over wat de sprekers echt denken dan wat ze expliciet zeggen. Globale creatie van betekenis behelst de manier waarop impliciete en expliciete informatie wordt samengevoegd en in relatie wordt gebracht met de context. Hierbij focust men ook op retoriek en argumentatie. Tenslotte is het van belang na te gaan wie de sprekers zijn en op welke manier ze in interactie treden met elkaar.
Zij operationaliseren deze methode in hun analyse van het Belgische migrantendebat. De leden van wat zij de tolerante meerderheid noemen, praten op een bepaalde manier over migranten. Deze laatsten worden steeds geproblematiseerd, alsof hun aanwezigheid een probleem is dat de homogeniteit van onze maatschappij bedreigt. Ze laten hierbij zien dat het woordgebruik niet onschuldig is en dat impliciete vooronderstellingen vaak grote gevolgen hebben. Wat we hieruit zeker moeten onthouden, is de vaststelling dat taalgebruik de veruiterlijking is van globale denkvormen, ideeën en mentaliteiten.
2.2.4.Kritische discoursanalyse
Naast de linguïstische pragmatiek wordt ook de CDA, critical discourse analysis, onderscheiden. De verschillen tussen deze twee methodes zijn niet echt duidelijk.
Norman Fairclough stelt in zijn boek over CDA dat discours het gebruik van taal als een vorm van sociale praktijk omvat. Discourse analysis is dan volgens hem de analyse van hoe teksten werken binnen de socioculturele praktijk.[26] Critique omschrijft hij als het zichtbaar maken van de onderlinge verbondenheid van dingen.[27] CDA is voor hem de analyse van relaties tussen tekst, discursieve praktijken (productie en consumptie van de tekst) en socioculturele praktijken (de sociale en culturele context).[28] Ook de linguïstische pragmatiek benadrukte reeds de hechte relatie tussen taalgebruik en sociale praktijk.
Volgens Ruth Wodak heeft de CDA de volgende kenmerken: de beoefenaars zijn politiek betrokken, ze onderzoeken verschijnselen die actueel relevant zijn en beschouwen taal en sociale realiteit als factoren die in een dialectische relatie tot elkaar staan. Ze hanteren een historisch perspectief en houden rekening met machtsprocessen. Het onderzoek wordt geacht richtlijnen te verschaffen voor niet-discriminerend taalgedrag en streeft naar kritische taaltheorievorming.[29]
Fairclough stelt in zijn werk over mediadiscours drie vragen centraal.[30] Hoe wordt de wereld gerepresenteerd? Welke identiteit krijgen de betrokkenen toegeschreven? Welk soort relaties worden gecreëerd tussen de betrokkenen? Hij gaat er met andere woorden van uit dat elke tekst iets representeert, identiteiten vormt en relaties legt. De media representeren de wereld op een bepaalde manier, construeren sociale identiteiten en leggen sociale relaties. In zijn analyse wil hij niet enkel focussen op de naakte tekst, maar ook op praxis: discursieve en sociale praktijken. Hierbij staan de begrippen macht en ideologie, net zoals bij de hierboven besproken auteurs, centraal.
Bij de analyse van mediaboodschappen moet volgens hem zeker rekening gehouden worden met een achttal puntjes. De onderzoeker moet nagaan hoe veranderingen in de maatschappij en de cultuur worden weerspiegeld in de media. Hij moet aandacht hebben voor de taal, maar ook voor beelden en voor geluid. De productie en consumptie van teksten moet aan bod komen, evenals de institutionele en bredere socioculturele context (macht en ideologie). Ten vijfde moet hij ook aan intertekstuele analyse doen, hij moet zowel representaties, als relaties en identiteiten blootleggen. De linguïstische analyse moet op meerdere niveaus gebeuren: fonetisch, lexicaal, grammaticaal en macrostructureel. Ten slotte moet er gewezen worden op de dialectische aard van de relatie tussen de tekst en de maatschappij.
Blommaert onderzoekt het politiek taalgebruik in Ik stel vast. Voor hem is de grote verdienste van de CDA dat ze “het politieke discours sterk is gaan contextualiseren in termen van meer algemene machtsverhoudingen binnen samenlevingen enerzijds, en in termen van modaliteiten waarbinnen politiek taalgebruik wordt voortgebracht anderzijds.” [31] Men moet rekening houden met zeer algemene sociale patronen van taalproductie en taalverwerking. Zo is het van belang wie de producent is van taaluitingen. Sommige mensen hebben een grotere autoriteit om over een bepaald onderwerp te spreken dan andere. Vaak is er ook macht in het spel. De één kan zijn of haar opvattingen eenvoudiger ingang doen vinden bij een publiek dan de andere. Concreet betekent dit dat groepen of individuen die controle hebben over de media ook hun stem en visie kunnen doordrukken. Dit zal zeker van belang zijn in mijn onderzoek.
2.3. Kwantitatieve analyse
Bij een kwantitatieve analyse worden voornamelijk het aantal artikels en de lengte van de betreffende artikels geteld. Zo probeert men te achterhalen in welke mate een krant belang hecht aan een bepaald onderwerp. Er kan ook aan inhoudsanalyse gedaan worden, bijvoorbeeld door het tellen van het voorkomen van bepaalde woorden. Het doel is op systematische wijze boodschappen te decoderen los van elke subjectiviteit van de onderzoeker.[32] Men moet vooraf strikte regels vastleggen en deze consequent doorvoeren. Zo zal men bijvoorbeeld een lijst woorden opstellen die verondersteld worden een bepaalde betekenis mee te dragen, zoals democratie, vrijheid of gelijkheid.
Ik denk dat een dergelijke analyse mooie resultaten kan opleveren, maar onvoldoende is. Krantenartikels laten zich namelijk niet oppervlakkig meten. Welke woorden er worden gebruikt, welke dingen worden gezegd en verzwegen, zeggen vaak veel meer dan getallen. Daarom zal ik hier niet verder op ingaan en in het volgende hoofdstuk mijn eigen methodologische keuzes toelichten.
2.4. Eigen methode
Op basis van de inzichten die ik doorheen deze literatuurstudie opgedaan heb, zal ik nu een eigen methodologie opstellen.
Ik wil me bij mijn analyse duidelijk meer toespitsen op de kwalitatieve dan op kwantitatieve analyse. De beeldvorming, het discours, de taal zullen dus centraal staan. Dit neemt niet weg dat het tellen van woorden, regels of artikels ook een interessant beeld kan geven van de manier waarop een bepaald onderwerp wordt gepresenteerd.
Eva Juchtmans en Isabelle Ferrand hebben hun kwantitatieve analyse gebaseerd op de methode van Teun Van Dijk.[33] Hij maakt ten eerste een onderscheid tussen de drie voornaamste bronnen die buitenlandse verslaggeving verzorgen: nationale en transnationale nieuwsagentschappen, buitenlandse correspondenten en speciale gezanten of achtergrondartikels geschreven door redacteurs. Ten tweede heeft hij aandacht voor de foto’s bij de artikels. Hij maakt ook een onderscheid tussen verschillende types artikels: nieuwsbericht, informatief, opinie, interview, reportage en lezersbrief. Ten vierde differentieert hij per onderwerp, aangezien er in één artikel verschillende topics aan bod kunnen komen. Ten slotte wordt de frequentie en de lengte van de artikels in rekening gebracht.
Dit laatste heb ik echter niet gedaan. De voornaamste reden is dat ik geen volledigheid kan nastreven, gezien mijn manier van werken. Ik heb namelijk zestien data geselecteerd en de kranten doorgenomen die verschenen zijn vanaf ongeveer een maand tot een week voorafgaand aan de gebeurtenis, afhankelijk van de aard van de gebeurtenis. Dit heeft als gevolg dat ik geen aaneengesloten periode bestudeer. Het zou vele jaren onderzoek vergen om tweeëndertig jaar te onderzoeken in vier kranten. Aangezien de periode geen geheel is en de data die geraadpleegd werden volgens variërende criteria geselecteerd werden, is het tellen van de artikels nutteloos.[34]
Ik zal wel een kwantitatieve analyse doen op andere gebieden. Zo ben ik van mening dat de pagina waarop een artikel wordt gepubliceerd, veel zegt over het belang dat eraan geschonken wordt. Daarom zal ik de paginering zeker in rekening brengen. Ook de bronnen die instaan voor de nieuwsgaring (persagentschappen, correspondenten, …), zal ik in mijn analyse betrekken.
In mijn discoursanalyse zal ik aandacht hebben voor de volgende punten. Eerst en vooral probeer ik het beeld dat de kranten geven van Mobutu en van zijn beleid in kaart te brengen. Hanteren de journalisten hiervoor positief, negatief of neutraal woordgebruik, en in welke mate dan wel? Hiervoor zijn opiniestukken uiteraard ideaal. In dergelijke artikels wordt voortdurend gekleurd taalgebruik gehanteerd, wat maakt dat ik gretig gebruik heb gemaakt van de opiniestukken. Ik ben wel van plan mijn analyse niet al te veel teoverladen met allerlei citaten. Citaten kunnen de lectuur zeker opfleuren en de theorie efficiënt illustreren, maar kunnen voor de lezer de tekst ook onderbreken en verzwaren. Wanneer het citaat vrij kort is, tracht ik het te verwerken in de tekst. Langere, bruikbare citaten, laat ik op zichzelf staan.
Wanneer een krant expliciet stelling inneemt, probeer ik die houding ook te verklaren. Dit gebeurt vanuit de historische context en vanuit de achtergrond van de betreffende krant. De historische context, ook de internationale, zoals de Koude Oorlog, zal ik trouwens steeds betrekken in de analyse.
Hoe het onderzoek concreet in zijn werk ging, zal ik hier kort uit de doeken doen.[35] Ik bekeek de kranten vanaf enkele weken of enkele dagen voor de geselecteerde datum. Wanneer ik een artikel tegenkwam waarin het ging over Mobutu of zijn beleid, heb ik dit steeds geïnventariseerd. Daarbij gebruikte ik een werkfiche, waarop ik de volgende elementen invulde: krant, datum, titel van het artikel, onder- en/ of boventitels, journalist (auteur), bronnen, pagina, rubriek, eventueel foto’s of illustraties en ten slotte het type artikel: info, duiding of opinie.
Vervolgens ging ik over tot de inhoud van het artikel. Welke feiten worden vermeld en welke niet? Geeft de krant veel details en zo ja, welke? Vanuit welk perspectief schrijft de journalist? Hierbij werd aandacht geschonken aan de maatschappelijke/ historische context en aan de ideologie van de krant of van de betreffende journalist. Daarnaast onderzocht ik ook welke actoren al dan niet vermeld worden in het bericht en wie geciteerd wordt.
Het derde luik betreft de beeldvorming. Is het beeld positief, negatief of neutraal? Wanneer het beeld gekleurd is, valt dat af te leiden uit hoe iets gezegd wordt (opvallend woordgebruik) of uit wat er gezegd wordt (dingen die bewust (?) worden verzwegen).
Al deze elementen heb ik dan verwerkt in een analyse. Bij elke datum begin ik met een schets van de historische achtergrond om daarna per krant de berichtgeving te analyseren en af te sluiten met een algemene conclusie.
3.1. Pers en politiek
Blommaert stelt vast dat politici vandaag niet langer de enige producenten zijn van politieke uitspraken. “Het “overzicht van de krantencommentaren” dat elke dag op Radio-1 na het ochtendnieuws van halfacht wordt uitgezonden met citaten uit de hoofdartikelen van de kranten, is een van de belangrijkste politieke mededelingen van de dag. Dagelijks bezorgt het ons een lijstje van hete hangijzers, met een overzicht van de standpunten per krant en per zuil. (…) Actueel en Ter Zake maken dagelijks een kleine reeks gebeurtenissen tot de hoofdthemata van het nieuws door ze uit te vergroten en er relatief veel zendtijd aan te besteden.”[36] Het belangrijkste uitgangspunt van Blommaert is dat politiek taalgebruik ruim gecontextualiseerd moet worden. Hij besluit dat journalisten heel belangrijke politieke communicatoren zijn. Ik zal in mijn krantenonderzoek nagaan of dat voor de bestudeerde kranten en journalisten ook het geval is.
3.1.1.Ideologische functie van de pers
Verschillende auteurs hebben erop gewezen dat het discours van de media bedoeld is om het maatschappelijk status-quo te garanderen. Het discours dient de belangen van de elite en zorgt ervoor dat de bestaande sociale verhoudingen op dezelfde manier blijven bestaan. Van Dijk spreekt in dit verband over een “web of factity” dat wordt gesponnen om een illusie van geloofwaardigheid te creëren, maar dit web moet uiteindelijk gewoon et status-quo legitimeren.[37] Fairclough zegt hierover: “(media texts) constitute versions of reality in ways which depend on the social positions and interests and objectives of those who produce them.”[38]
In onze huidige geglobaliseerde wereld bepalen enkele grote persbureaus wat nieuws is en wat niet.[39] De pers bepaalt eigenlijk waarover gepraat wordt, wat er op de agenda komt: “(de pers) slaagt er weliswaar niet altijd in om de mensen te vertellen wát ze moeten denken, maar ze slaagt er verbazingwekkend goed in om de mensen te vertellen waaróver ze moeten denken.”[40] De grootste persbureaus, zoals Reuters en AP, liggen in de westerse wereld. Dit betekent dat in de selectie van het nieuws de westerse waarden zwaar doorwegen. Op sociaal vlak zijn deze waarden individualisme en sociale mobiliteit, op politiek vlak pragmatisme en gematigdheid. Op het gebied van lifestyle staan materialisme en persoonlijke autonomie centraal, onze sociale identiteit wordt gedefinieerd door onze consumptiepatronen. Op ideologisch vlak gaan wij ervan uit dat we geen ideologie hebben. Veel mensen denken dat de liberale, westerse denkbeelden geen ideologische inslag hebben, maar uitsluitend op wetenschappelijke basis tot stand zijn gekomen.
Van Ginneken beschrijft hoe buitenlandse correspondenten de situatie ter plaatse steeds vanuit het perspectief van het thuisland blijven beschrijven. “Correspondenten verdiepen zich in de cultuur, leren sociaal de weg vinden, maken nieuwe relaties, dan nog zijn de kansen dat ze zich “perfect inleven” gering. Dat is ook niet eens de bedoeling: het wordt juist belangrijk geacht dat zij het perspectief van het “thuisland” behouden, of het perspectief van het gastland hooguit in die termen vertalen.”[41]
Verstraeten onderzoekt in Pers en macht de banden van de Belgische geschreven pers met de economische en politieke wereld.[42] In zijn voorwoord zegt hij dat “de pers, ondanks haar kritische instelling, een efficiënt middel (is) om de maatschappelijke machtstructuren te handhaven, te versterken of zelfs te verantwoorden.”[43] De pers is met andere woorden een zeer belangrijk ideologisch instrument. Verstraeten meent bovendien dat het wezenlijk karakter van de pers af te leiden is uit de socio-economische machtsstructuren waarbinnen ze functioneert. Enkel de opinies van die mensen die over voldoende kapitaalkracht beschikken, komen in de pers aan bod. Witte noemt deze groep de “heersende formatie” die een hegemonische consensus construeert. Deze consensus wordt door middel van de massamedia doorgegeven aan de globale samenleving en wordt als enige mogelijke ideologie gepresenteerd. Sociale controle, waarin de media een grote rol spelen, helpt om de tegenkrachten in bedwang te houden.[44] Dit impliceert dat er grotendeels systeembevestigende informatie wordt overgedragen. Systeemontregelende informatie zou immers tegen de belangen van de dominante klassen ingaan.
Concreet zijn het de volgende waarden die vooral worden doorgegeven: de oriëntatie op het consumptiepatroon, de reproductie van de productieverhoudingen en de legitimering van de parlementaire democratie.[45]
Om deze ideologie over te brengen, hanteert de krant de taal van het publiek waartoe ze zich richt: “door het gebruik van het publieke idioom zorgt de krant ervoor dat de ideologie van de heersende klasse vertaald wordt in het vocabularium van het publiek en opgenomen wordt in de onder dat publiek geldende denkschema’s.”[46] Fowler maakt de opmerking dat de journalist zijn schrijfstijl aanpast aan het genre van het artikel en aan de specifieke stijl van de krant. Meer algemeen reflecteert de stijl ook de sociale en economische context waarin de krant zich bevindt.[47]
Verstraeten probeert een antwoord te zoeken op de vraag waarom de pers systeembevestigend werkt. Ten eerste is de Belgische pers grotendeels in handen van privé-bedrijven die het nieuws als koopwaar verhandelen en wiens commercieel management in feite niet verschilt van andere bedrijven. Een tweede mogelijkheid is dat ze in handen zijn van vakbonden of andere niet winstzoekende instellingen. Maar deze moeten zich ook aanpassen aan de heersende marktwetten. De pers is met andere woorden niet geneigd om de fundamenten van de vrije markteconomie aan te vallen, precies omdat haar overlevingskansen afhankelijk zijn van deze vrije markt. Ten derde wordt er een niet geringe druk uitgeoefend op journalisten om het nieuws in een bepaalde richting te managen. Tijdens de verwerking van het nieuws, kan de journalist druk ervaren vanwege het politiek milieu, de bedrijfswereld, of interne druk van de directie en de redactionele hiërarchie. Deze druk is echter moeilijk te achterhalen of te onderzoeken omdat het vaak impliciet gebeurt en journalisten er niet graag over praten.
Reeds bij de selectie van het nieuws is de journalist afhankelijk van de dominerende instanties. Deze laatste bepalen welke informatie er wordt doorgespeeld en welke er wordt achtergehouden. Zo zijn journalisten op persconferenties bijvoorbeeld totaal afhankelijk van de informatie die de spreker wil lossen.
Verstraeten bedoelt zeker niet dat het systeembevestigend karakter van de pers het resultaat is van een doelbewuste planning van een groepje machtswellustelingen. Hij toont met zijn studie aan dat dit karakter het gevolg is van een bepaalde productiewijze en van een bepaalde sociale structuur. Ook Els Witte benadrukt dat het niet gaat om een doelbewuste strategie, maar dat deze ideologieoverdracht het “logische en onvermijdelijke gevolg (is) van het nieuwsproductieproces dat inherent is aan de mediastructuren.”[48]
3.1.2.Druk vanuit de politieke wereld
Volgens Verstraeten maakt druk vanwege het politieke milieu deel uit van de dagelijkse journalistieke praktijk. Het kan bijvoorbeeld gebeuren dat naar aanleiding van een kritisch opiniestuk de relaties tussen een krant en een politicus sterk verzuren, wat aanleiding kan geven tot het weigeren van interviews, het “vergeten” uitnodigen van journalisten van de betreffende krant of het doorspelen van belangrijke informatie aan concurrerende bladen. Verstraeten bespreekt in zijn boek ook enkele casussen uit de Belgische journalistiek.
De regeringen stellen bepaalde eisen aan de media, zegt Witte. De media moeten het regeringsbeleid steun verlenen, regeringsvijandige informatie tot een minimum beperken, het regeringsimago opbouwen en moeilijke beleidbeslissingen helpen aannemelijk maken. Het feit dat de media in deze relatie vragende partij zijn, zij moeten immers informatie krijgen, plaatst de regeringen in een bevoorrechte positie. Ze beschikken over verschillende middelen om deze druk uit te oefenen: direct ingrijpen via bedreigingen of straffen, of indirect, door persoonlijke banden aan te knopen met journalisten, door informatie achter te houden, te manipuleren,…[49]
De Belgische samenleving was tot in de jaren zestig sterk verzuild. Dat geldt uiteraard ook voor de pers. Aan elk dagblad kon men lang zeer duidelijk een ideologie en zelfs een bepaalde politieke partij verbinden.
Op het einde van de negentiende eeuw ontdekten de burgerlijke politieke partijen de pers als een zeer efficiënt middel om hun opinie te verspreiden. Eigenaars en redacteurs van kranten schakelden het middel niet zelden in om zelf actief deel te nemen aan het politiek leven of om een hoge positie in een bepaalde partij te verwerven. De krant werd voor hen een hefboom voor machtsverovering. Dergelijke sterke eigenaars en redacteurs vormden een belangrijke machtsfactor in het functioneren van de partij. Bovendien konden ze via hun krant een sterke stempel drukken op de partijpolitiek en ook op de ideologische strekking van de partij.[50]
Met doorbraak van de massapers rond de eeuwwisseling veranderde er aanvankelijk niet veel aan die situatie. De pers bleef ideologische aansluiting zoeken bij de traditionele partijen, zodat de 19e-eeuwse relaties bleven doorwerken. De eigenlijke partijpers verdween, maar de banden tussen eigenaars of redactie en partijen bleven bestaan. De burgerlijke partijen deden, het liberale credo indachtig, voornamelijk een beroep op de privé-sector. Bij de arbeiderspartijen daarentegen richtte men vanaf het begin een partijpers op: de kranten waren eigendom van de partij. De krant verdedigde de belangen van de partij en droeg de partijpolitieke ideologie uit. Aangezien de socialistische partijen en hun vakbonden het vooral moesten hebben van hun organisatorische sterkte, was de oprichting van deze persorganen, in coöperatieven en vennootschappen, voor hen cruciaal. Twee typische voorbeelden van partijkranten waren Vooruit en Volksgazet.[51]
Tot diep in de jaren ’50 varieerden de banden tussen de partijen en de pers in West-Europa dus van vrij hecht (privé-sector) tot zeer hecht (partijpers). De sterke verzuiling die zich in België voordeed in de jaren vijftig (door onder andere de koningskwestie, repressie, schoolstrijd, Kongolese onafhankelijkheid en Eenheidswet), had een grote weerslag op de pers. Kranten verdedigden hevig de belangen van de eigen politieke partij. De katholieke pers had in deze periode de grootste aanhang in Vlaanderen en gaf ook het grootste aantal kranten uit. Dan volgde de liberale en tenslotte de socialistische pers.
In de jaren zestig veranderden deze verhoudingen fundamenteel. In het verlengde van de keynesiaanse verzorgingsstaat werd het klassengebonden karakter van partijen afgezwakt. De doelgroepen van de kranten werden stilaan meer pluriform. Dit had ook tot gevolg dat de hoeveelheid politieke berichtgeving werd afgezwakt, ten voordele van diverse onderwerpen. Zowel in de kranten die met de burgerlijke partijen verbonden waren, als in de arbeiderspers, was deze invloed te merken.[52]
Vandaag zijn de banden tussen pers en partijen subtieler. Journalisten hebben contacten met mandatarissen uit bepaalde partijen en kunnen rekening houden met een partijstandpunt in commentaren, maar dit alles gebeurt minder open en duidelijk.
Dat de journalistieke en politieke wereld nauw verweven zijn, blijkt ook uit het feit dat verschillende journalisten ook actief zijn in de politiek.[53] Verstraeten (1980) citeert de journalist Werner Van de Walle, die zegt dat bijna alle belangrijke politieke commentatoren ook een deeltijdse functie hebben in het parlement.[54] Hij noemt Manu Ruys, Jef Claes en Louis van Nuland die werken voor “beknopt verslag”. Piet Piryns, journalist, voegt daaraan toe dat een groot aantal journalisten optreden als copywriters voor politieke partijen. Vele journalisten bouwen een band op met bepaalde politici omdat ze zo gemakkelijker aan informatie komen. Het gevaar bestaat dan natuurlijk dat ze aan die tipgevers gebonden worden en dat de politici een wederdienst verwachten. Daarom pleit Verstraeten voor de wettelijke invoering van het recht op informatie, zodat men zich niet meer persoonlijk aan iemand moet binden om informatie los te krijgen.
Boone onderzocht de politieke profielen van uitgevers en journalisten.[55] Tot in de jaren zestig konden journalisten en redacteurs moeiteloos in vakjes worden ondergebracht omdat elke krant een uitgesproken ideologische en zelfs partijpolitieke stempel droeg. Boone ziet daar vanaf de midden van de jaren zestig verandering in komen.
Het onderzoek naar de politieke profielen van journalisten, is nog niet omvangrijk, zegt hij. Het is dan ook niet eenvoudig om partijpolitieke voorkeuren te meten, aangezien de meeste journalisten hun voorkeur liever verzwijgen.
Amerikaanse en West-Duitse studies naar de profielen van eigenaars van persbedrijven, hebben uitgewezen dat zij zich sterk identificeren met de ondernemersklassen en een politieke voorkeur hebben voor conservatisme.
Wat betreft de politieke oriëntatie van journalisten, besluit hij dat de profielen sterk verschillen van land tot land. Er heerst een aanzienlijk pluralisme, de politieke diversiteit onder journalisten is groter dan die onder uitgevers. Het valt op dat het politieke profiel varieert naargelang van de rubriek waarvoor de journalist schrijft. Zo sympathiseren journalisten in Groot-Brittannië die schrijven over sociale onderwerpen, met Labour. Zij die zich bezighouden met mode, motoren en misdaad stemmen eerder conservatief. Journalisten zijn ook linkser dan de uitgevers en iets linkser dan de rest van het kiezerskorps. Hun politieke basisopvatting is links-liberaal. Ze zijn aanhangers van geïnstitutionaliseerde partijen en sympathiseren zelden met extreme partijen. Ten slotte stellen ze zich vrij onafhankelijk op ten opzichte van de partij die hun voorkeur wegdraagt. Ook Van Ginneken stelt dat journalisten zichzelf meestal beschouwen als centrum-links of progressief.[56] Ze gaan ervan uit dat dit de centrum-rechtse of conservatieve neigingen van de meeste media-eigenaren compenseert.
Ook Els Witte concludeert dat de meeste journalisten zich situeren in de linkse en liberale hoek.[57] Er bestaat volgens haar ook geen twijfel over dat de persoonlijke opvattingen van de journalist een directe invloed hebben op de informerende en opiniërende nieuwsproducten die met waarden verband houden.[58]
3.1.3.Druk vanuit de economische wereld
Naast de relatie met de politiek, bestaat er ook een hechte relatie met de economische wereld. De ruilwaarde die een mediaproduct heeft voor de producent, is veel belangrijker geworden dan de gebruikswaarde die het heeft voor het publiek.[59]
Dankzij reclame kan de pers zelf financieel overleven. De winst die wordt gemaakt, komt bijna uitsluitend van de advertenties. De lage productiekosten van het reclamegedeelte compenseren ruimschoots het verlieslatende redactionele deel. Via reclame zorgen de media er ook voor dat de consumptie van goederen bevorderd wordt, zodat de kapitaalbezitters meer winsten kunnen realiseren. Het gevaar is echter dat de krant afhankelijk kan worden van deze reclame en van bepaalde grote bedrijven.
De band met het bedrijfsleven wordt volgens Verstraeten niet zozeer onderhouden door persoonlijke vriendschappen, maar eerder door de beïnvloeding van de algemene sfeer.[60] De pers wordt financieel op de been gehouden door het bedrijfsleven, dus voelen de journalisten uiteraard ook druk uit die hoek. Vooraanstaande personen uit het bedrijfsleven proberen hun contacten bijvoorbeeld te onderhouden door het aanbieden van diners.
Els Witte stelt dat er wel degelijk directe druk is van de zakenwereld op de media. Ze controleren immers de belangrijkste communicatiekanalen, wat een zeer machtig middel is. Toch is het niet zo dat de media alleen maar zouden brengen wat hen door de economische machtsgroepen wordt gedicteerd, zegt ze. Het systeem fungeert veeleer via zelfcensuur vanwege de communicator en via andere, subtiele vormen van beïnvloeding. Een aantal technieken zijn de organisatie van pseudo-evenementen, het aanreiken van een pasklare kopij, de publicatie van klaargestoomde artikelen zonder bronvermelding, verborgen sponsoring, de introductie van sluikreclame en veel meer.[61]
De harde concurrentie en grote concentratie in het medialandschap, maken dat de sector zeer kapitaalintensief is geworden. Dit heeft tot gevolg dat reclame steeds essentiëler wordt. Commerciële televisiestations beconcurreren de openbare omroepen en strijden om de hoogste kijk- en luistercijfers. Deze ontwikkeling gaat duidelijk in de richting van multimediale concerns en van mediamagnaten die een groot deel van het medialandschap in handen hebben. De concentratie manifesteert zich ook duidelijk bij de kranten. In België zijn er in het begin van de eenentwintigste eeuw nog maar 9 ondernemingen die 24 titels uitgeven, tegenover respectievelijk 17 en 34 in 1980 en 34 en 48 in 1950.[62]
Als gevolg van deze concentratie en de noodzaak tot concurrentie, wordt er in de media ook gestreefd naar meer rationele organisatievormen. Meestal heeft dit een standaardisering in de nieuwsgaring tot gevolg. Er worden meer en meer gestandaardiseerde tekstberichten en persmededelingen overgenomen. Dit heeft een grotere uniformiteit in het nieuws tot gevolg. Dit “voorverpakte” nieuws vergemakkelijkt bovendien de verspreiding van de stellingen van de heersende groepen, die ook via hun eigen persdiensten in deze systeembevestigende richting kunnen werken.
Wegens de grote concurrentie, wordt de snelheid van berichtgeving en het hebben van primeurs, cruciaal. Dit heeft uiteraard geen goed invloed op de grondigheid van de berichtgeving. Deze grondigheid wordt nog eens ondergraven door de fragmentering van het nieuws, de beperkte ruimte die elk feit in beslag mag nemen en de geringe ruimte voor contextualisering.
Het nieuws moet verkopen, en dus afgestemd zijn op een zo breed mogelijk publiek. Om het nieuws licht verteerbaar te maken, wordt het in hoge mate gepersonifieerd, gedramatiseerd en als entertainment gepresenteerd. Men spreekt van infotainment, waarbij het nieuws ook steeds meer gemaakt wordt vanuit het perspectief, de belangstelling en de kennis van de gewone burger.
3.1.4.Interne druk
De interne druk ten slotte vloeit voort uit het feit dat de directie van een krant andere belangen heeft dan haar journalisten. De journalist is op de eerste plaats een werknemer. De eigenaar moeten de krant verkopen. De krant moet daarom afgestemd worden op een zo groot mogelijk publiek, dus de consumptie ervan moet licht verteerbaar zijn. Meestal wordt de druk uitgeoefend via de hoofdredacteur of redactiesecretaris. Zij passen geregeld artikels aan. De directiedruk ligt daarnaast ook vast in een aantal ongeschreven regels die door iedereen voldoende gekend zijn.
3.1.5.Technische druk
Ten slotte weegt er nog een ander soort druk op de journalist: de tijdsdruk. Een krant verschijnt dagelijks en de nieuwsgaring moet dus binnen een zeer beperkte termijn gebeuren. Dit heeft tot gevolg dat hij niet altijd de tijd heeft om zijn bronnen voldoende te controleren. Daarom wordt er veel gebruik gemaakt van officiële bronnen, deze zijn zeker juist. Daarom bestaat er ook een soort imitatieve competitie tussen journalisten. Veiligheidshalve zal men nieuwswaarde hechten aan die verhalen die ook door collega’s- journalisten als belangrijk nieuws behandeld worden. Dit werkt de inhoudelijke uniformiteit in de hand.
Ook de beschikbare ruimte in een krant bepaalt welke artikels kunnen worden opgenomen en welke uit de boot vallen.
3.1.6.De stempel van de grote persagentschappen
Kranten kunnen niet in elk deel van de wereld over correspondenten beschikken. Daarom komt veel nieuwsgaring van grote persagentschappen. Op wereldvlak zijn ze vier die een quasi monopoliepositie bezitten: het Noord-Amerikaanse United Press International (UPI, als fusie van UP en INS in1958) en Associated Press (AP, 1848), het Franse Agence France Presse (AFP, 1944) en het Britse Reuter (1851).[63] Deze agentschappen zetelen allemaal in de westerse wereld. Hierboven haalde ik al Verstraeten aan, die erop wees hoe de berichtgeving hierdoor gekleurd wordt. Westerse waarden overheersen en de berichtgeving over de Derde Wereld is vaak stereotiep, etnocentrisch en onvolledig. Veel nieuws uit de “rest van de wereld” komt helemaal niet aan bod.
Agentschappen zijn goed georganiseerd en hebben een net van correspondenten over de hele wereld.[64] Wanneer een plaatselijke verslaggever nieuws te melden heeft, dan bezorgt hij de informatie aan een regionaal bureau van zijn agentschap. Hier gebeurt echter al een eerste vertekening. De correspondenten zijn ongelijk verspreid, op sommige plaatsen zitten veel, op andere quasi geen verslaggevers. Bovendien is de visie van de journalist meestal sterk westers getint. Het bureau zendt vervolgens het bericht naar de hoofdzetel van het agentschap.
Hier wordt het binnenkomende materiaal geselecteerd naargelang de graad van belangrijkheid. Indien het bericht behouden wordt, ondergaat het een inhoudelijke en vormelijke bewerking. Hier treedt een tweede keer vertekening op. Drie elementen zijn hier van belang: de ideologische, politieke en economische belangen van het nieuwsagentschap, de rol van de gatekeepers (controleurs en selecteurs van communicatieboodschappen, zij kunnen zonder controle informatie doorgeven, inkorten, veranderen, aanvullen, verdraaien, achterhouden, …) en de communicatieverbindingen.[65]
De nationale nieuwsagentschappen, zoals Belga, maken op hun beurt een keuze. Het geselecteerde bericht ondergaat een derde bewerking, bijvoorbeeld een vertaling, en wordt dan doorgestuurd naar de abonnees: de buitenlandredacties van kranten, ministeries, parlement, bedrijven en vakbondorganisaties. Wanneer het bericht interessant genoeg is voor publicatie, wordt het persklaar gemaakt. De redactie vultaan, herschrijft en voorziet het artikel van titels en foto’s. Dit is het vierde moment waarop vertekening optreedt.
De opsporing, de verzameling en het doorseinen van nieuwsberichten, de redactionele verwerking en ten slotte de publicatie van het nieuws, zijn essentiële stappen in het nieuwsproductieproces.
3.2. De Belgische pers en Kongo/ Zaïre
3.2.1.Literatuur
Zoals ik reeds heb opgemerkt, zijn er enkele Belgische journalisten die een studie hebben gepubliceerd over het beleid van Mobutu in Zaïre.[66] Ze lichten hierin het beleid van Mobutu toe en geven contextuele informatie, maar uiteraard ook hun eigen visie op het beleid.
Zo vertelt Walter Zinzen over zijn persoonlijke betrokkenheid met Zaïre als oud-leraar en zijn beroepsrelatie als journalist, over zijn ontmoetingen met Mobutu, over de problemen die hij ondervond bij zijn berichtgeving van de Shaba-crisissen met de Raad van bestuur van de BRT en de politieke machinaties die er achter schuilgingen. Hij bespreekt ook vaak zijn relaties met oppositieleiders en hun houding tegenover de president.[67]
Ook Braeckman heeft het over haar niet altijd even gemakkelijke relatie met de Zaïrese leider ten gevolge van haar journalistieke werk. Op bepaalde gebeurtenissen gaat ze nu naar eigen zeggen veel dieper in dan in haar berichtgeving in Le Soir, omdat er in de loop der jaren meer informatie bekend raakte, maar ook omdat ze vrijer is. Er zijn geen redactionele beperkingen meer waardoor ze nu beladen zaken kan aanhalen en veronderstellingen kan expliciteren.[68]
Manu Ruys, journalist bij De Standaard, gaat dieper in op zijn redactioneel werk over het Kongo van voor en het Zaïre van Mobutu.[69] Alle drie, maar vooral Ruys en Zinzen, evalueren ze ook hun vroegere journalistieke werk en geven ze toe dat ze zich wel eens vergist hebben.
Deze werken zijn interessant omdat ze de visie weergeven van journalisten die achteraf op de gebeurtenissen terugkijken. Deze reflectie op voorbije gebeurtenissen, stelt hen in staat om hun eigen mening te verkondigen of vroegere opvattingen goed te praten. Dergelijke boeken kunnen door de auteurs makkelijk gebruikt worden om hun journalistiek werk goed te praten of te verdedigen. Daarom mogen ze niet dienen als enige bron om historische achtergrondinformatie te bekomen over de bewuste periode. Wanneer men meer informatie heeft over de betrokken journalist, zijn opvattingen en daden, is het eenvoudiger om zijn visie uit het verhaal te filteren. Verder in deze inleiding zal ik enkele werken overlopen die geschreven zijn door niet-journalisten en waarvan de lectuur dus ook noodzakelijk is om de historische achtergrond voor de geselecteerde data te begrijpen.
Uit de literatuur van de werken van Belgische journalisten over Mobutu, kan ik al enkele algemene besluiten trekken. Mobutu kreeg in de Franstalige pers veel langer krediet dan in de Vlaamse, in de liberale en christelijke pers langer dan in de socialistische. Er was ten slotte wel degelijk sprake van politieke beïnvloeding. Het is wachten of de resultaten van het krantenonderzoek deze besluiten zullen bevestigen of ontkrachten.
3.2.2.Verantwoording bronnen
Een eerste vraag die zich opdringt, is waarom de analyse gebeurt aan de hand van kranten. Ten eerste is de krant een medium dat sterk verspreid is. In de beginperiode van mijn onderzoek, de jaren zestig, was de televisie nog niet zo wijd verspreid. De radio was zeker populair, maar de oudere uitzendingen zijn vandaag moeilijker te onderzoeken. Ook vandaag nog is de krant een zeer populair massacommunicatiemiddel.
Een tweede reden is het feit dat de krant een opinie ventileert. Zoals gezien waren de Belgische kranten over het algemeen verbonden met een bepaalde politieke partij. Radio en televisie moesten daarentegen, als publieksrechterlijke instellingen, de neutraliteit in hun uitzendingen bewaren. Kranten verwerken hun ideologie in hun berichtgeving en trachten op die manier de lezers te overtuigen. Dit maakt dagbladen tot een dankbaar instrument voor het onderzoek naar beeldvorming en ideologieën.
Een derde punt is de specifieke vorm van informatie die de krant biedt. Bij radio en televisie is de berichtgeving vaak vluchtig en is er weinig ruimte voor diepgang. Een krant levert veel uitvoeriger verslag en laat ruimte voor verslaggeving, duiding en opiniestukken.
Ten slotte speelt de mate van toegankelijkheid zeker mee. Kranten worden vaak bewaard in verschillende archieven en zijn eenvoudiger te raadplegen dan opnames van radio of televisie.
De reden waarom ik specifiek deze vier kranten heb geselecteerd, heb ik al deels uiteengezet in mijn probleemstelling. Ze vertegenwoordigen enerzijds de twee verschillende gemeenschappen in België, anderzijds twee verschillende ideologieën. De ideologieën zouden we als “links” en “rechts” kunnen kenmerken. In het volgende hoofdstuk zal ik het karakter van elke krant bespreken.
De derde pijler van de Belgische verzuilde maatschappij, de liberale zuil, is in mijn onderzoek niet vertegenwoordigd. Aan Vlaamse kant behoort Het Laatste Nieuws tot de liberale strekking. Aan Franstalige zijde kan men Le Soir als links-liberaal omschrijven, maar de krant is neutraler dan Het Laatste Nieuws. Eerst en vooral dwong tijdsgebrek mij om niet te veel hooi op mijn vork te nemen. Maar er zijn andere redenen voor de gemaakte keuzes.
De katholieke strekking van De Standaard en La Libre Belgique