Het Kempisch Legioen. De dubbele strijd van een verzetsbeweging 1942 - 1944 en 1944 - 1961. (Ward Baeten)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Deel I: De oorlogsjaren

 

A. Definities en begrippenkader: het verzet [39]

Vooraleer te starten met de gebeurtenissen die zich afspeelden in het begin van de jaren 1940, wil ik eerst nog een theoretisch kader schetsen. Het verzet is namelijk een term waar veel meer achter steekt dan een schimmige ondergedoken figuur die diep in de nacht, en met gevaar voor zijn leven, spoorwegen gaat opblazen. Er waren verscheidene vormen van verzet. Ze vallen uiteen in twee grote groepen. Je had het burgerlijke verzet dat zich bezighield met sluikpers, spionage, ontsnappingslijnen,… Daarnaast had je ook nog het gewapende verzet. Deze richten zich voornamelijk op het plegen van aanslagen en sabotagedaden. De groepen in het burgerlijke verzet hielden zich over het algemeen aan hun ene taak. De gewapende verzetsgroepen gingen vaak ook inlichtingen vergaren of hadden een eigen clandestien krantje. Deze zaken werden dan wel minder uitgebreid beoefend en dienden vooral voor eigen gebruik.

 

1) Het burgerlijk verzet

 

Dit overkoepelt de eerste drie takken van het verzet.

 

1.1 De clandestiene pers[40]

Vrij snel na de Duitse inval kwam de pers terug op gang. Kranten gingen nu wel gebukt onder strenge Duitse censuur. Sommige hielden hierdoor op te bestaan, andere moesten een boel journalisten vervangen omdat die weigerden in dergelijke omstandigheden te werken. Velen van hen konden met hun ijver terecht in clandestiene publicaties. Naast het opvijzelen van het moreel en bekritiseren van de bezetter werd er ook een politiek ideologische strijd uitgevochten in deze krantjes. Daarnaast werd ook het gedrag van bekende personen, zoals kardinaal Van Roey, Degrelle, … besproken. Er zijn in België ongeveer 650 illegale kranten uit Wereldoorlog II bekend[41]. In deze tak draaiden erg veel oudgediende mee uit de Eerste Wereldoorlog. Drie vierde van deze bladen was Franstalig, het ander vierde Nederlandstalig. Uniformiteit viel er niet in te bespeuren, ze waren erg politiek gekleurd, en de redactie wisselde vaak door arrestaties of onderduiken van vorige redactieleden. De bekendste actie van deze groep is het uitgeven van een valse “Le Soir”[42]. Soms ging de bezetter echter ook inspelen op deze vorm van verzet. Zo werden er ten gevolge van een valse uitgave van “Le drapeau rouge”, deze keer verzorgd door de Duitsers, een groot aantal mensen van het communistisch verzet gevat[43]. In totaal waren 12 128 mensen bij de sluikpers betrokken. Hiervan werden er 3 000 gearresteerd. 1 650 kregen hun erkenning postuum toegekend.

 

1.2 Inlichtingendiensten[44]

Deze hielden zich bezig met het vergaren en verzenden van inlichtingen over de militaire aanwezigheid van Duitsland in België. Hiervoor werden volledige netwerken opgezet. Sommige van die netten waren al gestart voor de feitelijke bezetting van België. Een werknemer van de RTT, Walthère Dewé[45] die tijdens de Eerste Wereldoorlog al actief was geweest in een vergelijkbare organisatie Dame Blanche, startte in 1939 al de voorbereiding voor de uitbouw van een inlichtingennetwerk, in datzelfde jaar zal hij contact leggen met de SIS. Deze dienst zal Clarence gaan heten. Geleidelijk aan kwamen er steeds meer van die netten bij. Eind ’42 waren er negentien netten actief, deze beschikten maar over vijfentwintig radio’s. De SOE, een andere Britse geheime dienst, dropte radiotelegrafisten boven het land om deze netten te ondersteunen. Naast de radio werden ook nog duiven en microfilms gebruikt. Die laatste werden dan meegegeven aan gestrande Engelse piloten, die terug in hun land trachtten te raken. Aan dit werk waren natuurlijk heel wat risico’s verbonden. De Duitse geheime dienst beschikte over peilapparatuur, die soms ook in busjes – goniowagens - werd geplaatst, waardoor die erg mobiel werd. Dit beperkte de zendtijd van de telegrafen aanzienlijk, en velen werden zo opgespoord. Gearresteerde telegrafen, of hun zendposten, werden vaak ingeschakeld in de Duitse contra-spionage. Zo zette die door middel van valse zendingen een Englandspiel[46] op. Dit liet een aantal SOE agenten bij hun dropping recht in vijandelijke handen vallen. Deze acties waren zo doeltreffend dat de Britten in december ’43 tijdelijk al hun acties in België en Nederland stop zetten. In deze verzetsvorm waren zo’n 18 000 mensen betrokken, 5000 als echte agenten, 13 000 als hulpagenten. De grootste netten waren Zéro en Luc, wat later Marc ging heten. Daarnaast waren er ook nog de diensten Mill, en Beagle. Die eerste, de Mill, tapte de lijnen van de spoorwegen af en seinden die door. Beagle hield zich bezig met het versturen van weerberichten, essentieel voor de RAF en USAF. De kwaliteit van de gegevens lag erg hoog. België was voor de geallieerden een glazen huis, in ’42 kwam zo’n tachtig procent van alle inlichtingen over Duitse radarinstallaties uit België.

 

1.3 Ontsnappingslijnen[47]

Deze verzetsvorm was de eerste. In 1940 zwierven namelijk een boel Engelse en Franse soldaten in België rond. Deze waren afgescheiden geraakt van hun terugtrekkende legers en dreigden in dit onbekende land in de handen van de vijand te vallen. Sommigen hadden het geluk van de hulp te krijgen van enkele trouwe vaderlanders[48]. Deze hulp was amateuristisch en weinig georganiseerd. Het was pas een jaar later dat de aanpak zich begon te professionaliseren. De kortste weg naar Engeland was natuurlijk over zee, de kust werd heel streng bewaakt, waardoor deze optie zo goed als uitgesloten was. Zodoende liepen de routes over Frankrijk naar de Pyreneeën om zo via Spanje in Gibraltar te raken.

Er waren verschillende groepen die van deze lijnen gebruik wensten te maken. Vooreest waren er de gevallen geallieerde piloten. Deze kwamen veelvuldig voor in Limburg. Daar was namelijk een grote concentratie van Duitse FLAK[49]. Voor de piloten waren deze lijnen een enorme opsteker. Neergeschoten worden boven vijandelijk gebied was een stuk minder erg. Als je veilig en wel de grond bereikte had je nog een grote kans dat je een paar maanden opnieuw in Engeland zou belanden. Andere mensen die van die lijnen gebruikt wensten te maken waren jongelui die in dienst wilden gaan bij het Engelse leger. Verzetslui bij wie de grond onder de voeten veel te heet geworden was, geheime agenten die informatie wilden overbrengen,…

 

1.4 Andere vormen van burgerlijk verzet.[50]

Naast deze drie waren er ook nog een aantal andere vormen van burgerlijk verzet. Zo waren er de werkweigeraars[51]. In totaal werden ruim 84 000 mannen opgeroepen.
47 000 van hen daagden op, maar slechts 1 000 onder hen raakten ook effectief in Duitsland. Velen doken onder bij familie of vrienden, in scholen, bij een jeugdbeweging, in de Ardense bossen,… De Duitse politie probeerde deze naarstig op te sporen. Er werden razzia’s gehouden tijdens kermissen, feesten, in de bioscoop. Reguliere troepen gingen bossen in het zuiden van het land uitkammen.

Daarnaast is er nog het specifieke verzet van de Joden dat ageerde tegen de anti-joodse politiek van de nazis. Verder is er ook nog het verzet van de ambtenaren en de politiediensten. Die probeerden via een moeilijke evenwichtsoefening het de bezetter niet al te makkelijk te maken.

 

2) Het gewapend verzet [52]

Deze groep vormt de grootste binnen al deze takken. P. Lagrou schreef in zijn thesisonderzoek[53] dat er in 1950 136 991 erkende gewapende verzetslieden waren. Hierin kan je opnieuw twee vormen onderscheiden. Ten eerste waren er de sabotagegroepen. Deze waren er al op kleine schaal in de jaren ’41 en ’42, maar echte georganiseerde sabotage was er pas vanaf 1943. Het waren vooral de partizanen en groep G die zich in deze tak gingen specialiseren. Hun doelwitten waren het spoor, de energievoorzieningen en kantoren van de administratie (vooral dan burelen van de verplichte tewerkstelling). Het materiaal voor sabotages kon van gelijk waar komen. Veel was thuisfabricage, andere zaken ging men stelen, of soms kreeg men ook zaken vanuit Londen via droppingen[54]. Eén van de bekendste acties werd uitgevoerd door Groep G, la grande coupure. Op de nacht van 15 op 16 januari 1944, bliezen kleine groepjes verzetslieden in heel het land hoogspanningspylonen op. De elektriciteitspanne die hierop volgde was merkbaar tot in het Ruhrgebied.

Naast deze sabotagedaden waren er ook nog groepen die zich toelegden op het plegen van aanslagen tegen personen. Eerst richtte men zich direct op de bezetter. Deze sloeg hardhandig terug en liet onschuldige gijzelaars als vorm van represaille fusilleren. Daarop richtte het verzet zich op de collaborateurs. Deze acties deden (vooral in Limburg en Wallonië) een spiraal van geweld ontstaan[55]. Collaborateurs gingen namelijk zichzelf verdedigen en gingen hiervoor vermeende verzetsleden te lijf.

De grootste[56] organisaties van gewapende weerstanders waren het Geheim Leger, de Witte Brigade, de Belgische Nationale Beweging, de Nationale Koninklijke Beweging en het Bevrijdingsleger. Vele van de lokale afdelingen van deze groepen hielden zich niet zozeer bezig met het constant actief uitdokteren van aanslagen, maar richten zich op het verzamelen van inlichtingen en wapens, zodat ze op het gepaste moment, wanneer het uur van de bevrijding nadert, zouden kunnen toeslaan.

 

3) Tot welke verzetsvorm behoorde het Kempisch Legioen?

 

Uit de archiefbronnen, de steekproef en mijn verschillende gesprekken met dhr. Bourgonie zal blijken dat het KL bij de laatste groep gerekend kan worden. In heel veel orders wordt telkens weer dag J aangehaald en het uur H, dat was hun ultieme doel. Op dat ogenblik wilden ze in actie komen en de Duitsers te lijf gaan. Zodoende was hun organisatie en hun ondernemingen hierop gericht[57]. Tot 3 september ’44 hield men zich in hoofdzaak bezig met het vergaren van inlichtingen, plegen van kleine sabotage[58], verzamelen van wapens, steun aan ondergedokenen,opstellen van lijsten van collaborateurs, … Als de geallieerden dan opduiken schiet het KL in actie en zal het er alles aan doen om de taak die het zichzelf aangemeten heeft, zo degelijk mogelijk uit te voeren. In een aantal bronnen en erkenningsdossiers wordt ook nog vermeld dat men gevallen piloten helpt, in hoeverre dit een echte ontsnappinslijn inhield valt niet te achterhalen. Van sluikpers heb ik geen enkel spoor gevonden. dhr. Van Bourgonie beklemtoonde dat de beweging geen politiek doeleinden had: “Het KL had geen politieke kleur, wou alleen de Belgische rechtstaat erkennen en de geallieerden helpen om de nazis te verslaan. Er zijn ook nooit vergeldingsaanslagen gepleegd door het KL.[59]” Na de oorlog zal hun commandant wel in de politiek stappen[60]. Hij doet dit vooral uit persoonlijke motivatie en niet zozeer in naam van zijn beweging.

 

 

B. De Bezetting [61]

 

1. Inleiding

 

In dit eerste deel wordt de periode van de bezetting en tot aan de bevrijding van de Kempen besproken. Voor de duidelijkheid heb ik dit deel verdeeld in twee grote stukken. Ten eerste bespreek ik de bezetting zelf. Deze start vanaf de Duitse inval op 10 mei 1940. Ik rond dit eerste stuk af met de datum van 3 september 1944. Die dag geeft Dupret het bevel om de guerrilla tegen de bezetter te starten[62]. Het is met deze order dat het KL duidelijk en openlijk de strijd zal aanbinden met de bezettende macht. Voordien onderneemt de beweging weinig, iets wat verschillende oorzaken heeft. Als voornaamste is de arrestatie van de volledige top van de beweging op 1 maart ’44. Maar laat ik niet op de feiten vooruit lopen. Zoals vermeld in de inleiding geef ik nu eerst de meer algemene zaken om daarna pas in te gaan op de specifieke feiten in verband met het Kempisch Legioen. Hierbij zal ik bijzondere aandacht aan de hand leggen voor de toestand in Turnhout[63]. Daar deze stad de kern van het gebied vormt, en ze zo enige representativiteit heeft voor de rest van de regio. Waarmee een hulpmiddel kan geboden worden om een betere beeldvorming over de toestand te hebben.

 

2) De Duitse inval [64]

 

Tot 3 september 1940 greep er in Europa een schemeroorlog plaats. Ervoor had vooral Groot-Brittannië, met premier Chamberlain op kop, getracht om de Duitse dreiging in te dijken. Want het derde rijk graaide wild om zich heen. In 1938 had de Anschluss plaatsgegrepen, Oostenrijk werd een deel van Duitsland. Hitler eiste ook Sudetenland op, wat eigenlijk deel uitmaakte van Tsjechoslowakije. Ondanks de internationale pogingen kwam er geen einde aan de expansiedrift van de Fuhrer. Op 1 september 1939 trekken Duitse troepen Polen binnen. Frankrijk en Groot-Brittannië stellen een ultimatum. Dat verstrijkt twee dagen later. De Tweede Wereldoorlog is een feit.

Op dat ogenblik is België neutraal. Het was afgestapt van een fel betwist militair akkoord met Frankrijk[65]. Zowel Duitsland als de ander twee Europese grootmachten hadden de neutraliteit van het kleine landje erkend. Toch was de Belgische regering er niet gerust in. Bij het verstrijken van het ultimatum, op 3 september 1940, nam de koning het bevel van de troepen op zich en begaf zich naar het Groot Hoofdkwartier in het fort van Breendonk. De regering, o.l.v. Pierlot, werd uitgebreid en omgevormd tot een regering van Nationale Unie. Op 1 september werd fase C van de mobilisatie afgekondigd, 11 september werd dit fase D[66]. Ondanks alles bleef het voorlopig nog rustig. In oktober voerde de Luftwaffe meer dan 500 verkenningsvluchten uit boven België. Toch stelde Hitler zijn westelijke buur gerust, een duidelijke poging om hen zand in de ogen te strooien zo bleek achteraf. De volgende maand werd in de nacht van de tiende op de elfde alarm geblazen. Hitler had zijn aanval die nacht uitgesteld wegens het weer. Vier dagen later eindigde de alarmtoestand. De maanden daarop werd het leger beziggehouden met oefeningen, maar vooral met graafwerkzaamheden[67]. Het moreel bleef niet overal even hoog, in het voorjaar van 1940 werden her en der kleine gevallen van muiterij gemeld. De toestand aan het front bleef gespannen. Op 9 april viel Duitsland Noorwegen binnen. De eerste dagen van mei volgenden alarmerende berichten elkaar aan een hoog tempo op. De afgevaardigde in het Vaticaan liet weten dat men daar elk ogenblik een Duitse aanval op Nederland, België en Luxemburg verwachtte. Op 9 mei kwam het bericht dat de Duitse ambassade in Den Haag gestart was met het verbranden van papieren. De 10de mei was het dan uiteindelijk zover. Duitse troepen vielen België binnen.

De Belgische verdediging was gebaseerd op een eerste linie die liep langs het Albertkanaal naar de Maas toe en daar volgde ze die stroom tot in Luik. Het sluitstuk, op de overgang tussen het kanaal en de rivier, werd verdedigd door het fort van Eben-Emael. Mocht deze linie geen stand houden, dan zou het leger terugplooien op een verdedigingsstelling die de naam droeg KW-stelling[68], deze liep van Antwerpen naar Namen. Een tweede aspect van de verdediging was het Dijleplan. Dit hield in dat, in geval van Duitse agressie, de Franse en Britse troepen de toestemming kregen om Belgisch grondgebied te betreden en zo de Belgische strijdkrachten bij te staan in de verdediging van het grondgebied.

Ondanks het feit dat de plannen van de aanval sinds 10 januari 1940, door toeval, in handen waren van de Belgische legerleiding, werd deze verkeerd ingeschat en op de verkeerde plek verwacht. De verassing die ochtend was bijgevolg compleet. Binnen enkele uren viel het schijnbaar onneembaar gewaande fort van Eben-Emael, het grootste deel van de Belgische luchtmacht werd aan de grond vernietigd. Troepen, die dachten dat het om een zoveelste oefening ging, waren niet op de juiste plek, materiaal leek plots niet voorhanden. Ondanks het afkondigen van de algemene mobilisatie en de steun van de Franse en Britse troepen faalde de eerste linie. Reeds op 11 mei werd het bevel gegeven terug te trekken naar de KW-stelling. Zo werden de Noorderkempen al van bij de eerste oorlogsdag prijsgegeven.

 

3) De eerste oorlogsdagen in de Kempen

 

Pinksterzondag 12 mei was een relatief kalme dag[69]. Alleen in het noorden van Turnhout, nabij het gehucht Weelde-Statie, was het onrustig. Aan de hulppost van de luchtbescherming in de Herentalsstraat kwamen vluchtelingen toe vanuit Weelde-Statie. Zij wisten te vertellen dat bommen er alles hadden vernield en dat er gevochten werd. De artilleriesoldaten die op 11 mei in de voormiddag in Turnhout gearriveerd waren, kwamen vanaf die dag, ondanks felle luchtaanvallen, in schietstelling en beschoten Weelde, dat reeds door de Duitsers bezet werd. Om vier uur ’s namiddags tenslotte kwam de gemotoriseerde Verkenningsgroep van het Franse leger te Turnhout aan.

 

Bij het naderen van de Duitse troepen overwogen een aantal inwoners van de stad om te vluchten. Nochtans gaf de militaire overheid geen bevel tot volledige en verplichte evacuatie van de stad. Toch zou de bevolking op vele plaatsen in het land de raad hebben gekregen te vluchten voor mogelijke bombardementen. Het is niet duidelijk van wie het initiatief hiertoe kwam. Feit is dat velen een officieel bericht niet afwachtten en met hebben en houden kozen voor een onzekere vlucht. Sommigen zagen het nutteloze hiervan snel in en keerden na korte tijd terug naar huis. Anderen bleven dagen of zelfs weken weg. Weldra geraakten de wegen propvol met vluchtelingen, vooral richting West-Vlaanderen. Het was opvallend dat vele inwoners van Turnhout de Westhoek als eindbestemming kozen en daar een veilig onderkomen zochten. Vermoedelijk dachten ze daar, net zoals in de Eerste Wereldoorlog, rust en veiligheid te kunnen vinden. Dat ze terecht zouden komen in een chaos van aanval en tegenaanval, hadden deze vluchtelingen onmogelijk kunnen voorzien. Maar liefst veertien inwoners van Turnhout vonden de dood bij hun vlucht naar West-Vlaanderen of Noord-Frankrijk. Onder hen ook inwoners die door de omstandigheden gedwongen waren om te vluchten. Ingevolge een regeringsvoorschrift van 12 mei waren namelijk alle mannelijke personen tussen 15 en 45 jaar verplicht de stad te verlaten en zich achter de Schelde in veiligheid te brengen. Naderhand was het de bedoeling dat ze zich naar Frankrijk zouden begeven om zich daar in te laten lijven bij het Belgisch leger. Zij zouden er als reserve verzameld worden, met het oog op de voortzetting van de oorlog. Zij kwamen terecht in het zuiden van Frankrijk in de recruteringscentra van het Belgisch leger, de zogenaamde CRAB’s (Centre de Récrutement de l’Armée Belge).

 

De gevechten in de Kempen bleven al bij al relatief beperkt, afgezien van enkele schermutselingen in Arendonk en Retie. De dertiende mei om 14 uur kreeg het Franse leger definitief het bevel zich, in navolging van het Belgische leger, terug te trekken op de KW-linie. Daarom werd Turnhout op 13 mei tot een vrije stad verklaard, waardoor burgemeester Alfons Van Hoeck bevoegd was de stad over te geven aan de Duitsers. Op het stadhuis wachtte hij de komst van de Duitsers angstvallig af, net zoals de achtergebleven inwoners van de stad. Opnieuw vonden luchtaanvallen plaats. Alle winkels bleven dicht en de meeste uitstalramen werden met papier beplakt. In de verte kon men geweervuur en kanongebulder horen, wellicht afkomstig uit de richting van Retie en Arendonk. De radio en de politie kondigde aan dat vijandige vliegers gasbommen zouden uitgooien en dat iedereen moest binnenblijven. Voorlopig lieten de Duitsers zich echter niet zien. “[70]

 

4) De eerste kiemen van verzet

 

Na deze overweldigende aanval op vier landen op het zelfde moment, die bovendien nagenoeg over de hele lijn succesvol was, het terug drijven van de Engelse troepen de zee in, de vlucht van de regering en het gevangen nemen van de koning, heerste in België een groot defaitisme. Tegen zo’n machtige vijand viel niks te beginnen. Op 20 mei 1940 werd een eerste Belg veroordeeld wegens verzetsactiviteiten[71]. Het ging toen nog om individuele kleinschalige acties. Geleidelijk aan zal dit zich gaan intensifiëren. Dit gebeurd vanuit drie “maatschappelijke groepen”: veteranen uit de Eerste Wereldoorlog, Nationalistisch verzet en anti-fascistisch verzet. Enkele zaken zorgden ervoor dat het gevoel van verslagenheid en onmacht langzaam aan verdween. Operatie Seowulf[72] en de luchtslag om Engeland mislukten. Dit toonde aan dat Duitsland blijkbaar toch niet zo onoverwinnelijk was zoals eerder wel was gebleken. Door de oorlog werd een rantsoenering ingevoerd. Schaarste deed zijn intrede in het land. Dit stond in fel contrast met de overschotten die de bezettingstroepen op de zwarte markt konden verkopen. Samen met hogere belastingen, door de oorlogsschuld die de Duitsers oplegden, versterkte het gevoel van onvrede onder de bevolking. Aan dit gevoel werd op twee nationale data, 21 juli en 11 november 1940, openlijk lucht gegeven.

Naast deze twee data zijn er nog twee die erg belangrijk zijn in de geschiedenis van het verzet. De eerste is die van 22 juni 1941, de startdatum van operatie Barbarossa[73]. Voor deze datum hadden de communisten een beetje een tweeslachtige houding aangenomen. Deels kwam dit door het niet-aanvalspact dat Hitler en Stalin gesloten hadden. Langs de andere kant kwam dit door de reactie die de Belgische overheid had gehad tijdens de Duitse inval. Zodra het nieuws van de inval immers bekend was geworden, werden honderden “staatsgevaarlijke” individuen op transport gezet richting Frankrijk. Zo ook een heel aantal communisten. Deze feiten deden hen niet meteen voor het geallieerde kamp kiezen. Nadat Hitler het pact met Rusland opblies en hardhandig begon op te treden tegen communisten, was de keuze wel snel gemaakt. De tweede datum is 6 oktober 1942, op die dag wordt de verplichte tewerkstelling ingevoerd. Dit brengt niet alleen veel ongenoegen bij de bevolking teweeg. De kerk, met kardinaal Van Roey op kop, zal als gevolg hiervan een meer expliciete houding aannemen tegen de bezetter. Voor veel mensen een extra duwtje in de rug om tot de weerstand toe te treden. Eind ’41 zijn de eerste gewapende verzetsgroepen een feit. In februari en maart van ’42 worden de eerste aanslagen op personen gepleegd. De guerrillaoorlog van het verzet is begonnen.

 

5) Het Kempisch Legioen

 

Het weinige wat ik weet van die periode[74] is afkomstig uit de verschillende actieverslagen die deel uitmaken van het archief van het Ministerie van Defensie, een zestigtal stukken uit het archief van het Kempisch Legioen die dateren van tijdens die periode en een tweetal getuigenissen die zijn opgenomen in de dossiers van Bax en Bobon op de Dienst van de Oorlogsslachtoffers.

 

5.1 Actieverslagen[75]

In het archief van het ministerie zitten zeven actieverslagen. Eén ervan handelt over de gebeurtenissen in het Giels Bos, deze nemen maar aanvang na 3 september ’44, bijgevolg is dit verslag voorlopig nog niet nuttig. De andere zijn: een handgeschreven Franstalig document dat niet is ondertekend en zowel een overzicht van het KL algemeen als van het vierde peloton in Geel bevat. Een historisch overzicht van het K.L. Turnhout geschreven door Dupret. Een verslag van het vierde peloton[76] door kapitein Joseph Van Thienen. Het ontstaan, ontwikkeling en actie van het KL sectie Herenthout waarbij de naam van de auteur doorstreept is. Een historisch overzicht van het KL Herenthout ondertekent met Tommie en tot slot de geschiedenis van de bedrijvigheid der leden van KL sector Hoostraten en omliggende door Paul Duym. In het persoonlijk archief van Dupret zit ook nog een naamloos verslag van het vierde peloton[77]. Wat nu volgt is de weergave van de feiten voor september ’44 die uit deze verslagen blijken. Omdat ze elkaar vaak herhalen heb ik van sommige verslagen slechts delen overgenomen, of vermeld ik de zaken die ze nieuw aanhalen ten opzichte van een ander verslag over dezelfde regio tussen haakjes erbij.

 

5.1.1 Eerste[78] en tweede verslag[79]:

 

Deze beweging werd gesticht in augustus 1942 door de adjudant Omer Bobon, die een order (De militaire organisatie methode werd daarin aangeduid en de naam van de eerste officieren stond erin vermeld) had ontvangen, getekend SB 12, een order die hem toekwam via drager en de methodes voor een militaire organisaties bevatte, en zo ook de namen van de eerste officieren.

(De vergaderingen werden bepaald op elke 2de en 4de zaterdag van elke maand. Hierna legden de officieren en onderofficieren de eed af.)

Het arrondissement van Turnhout werd verdeeld in drie regio’s, die elk werden toevertrouwd aan een peloton dat bestond uit vier groepen. Aan een 4de peloton, zonder regio, werd de verbinding toevertrouwd.

De zesentwintigste september 1942 telde het K.L. 3 officieren, 44 onderofficieren en 160 soldaten. De orders van SB 12 werden regelmatig door een drager overgemaakt. Eind 1942 werd de beweging groter, ze steeg van 207 naar 4 500 mannen.

Maar de moeilijkheden met de Gestapo begonnen. De eerste maart 1944 startte de Geheime Feldpolizei met massale arrestaties, Bobon en andere officieren werden gearresteerd.

Het KL schortte uit voorzichtigheid enkele weken zijn activiteiten op. G.H. Dupret werd geroepen om Bobon te vervangen. Maar de moeilijkheden bleven door het feit dat de beweging alle contact had verloren met SB 12, die zonder twijfel gearresteerd was.

In juni 1944, stelde Dupret zich in verbinding met de onderzoeksrechter Huybrechts, in Brussel, die verbond hem met luitenant Gooremans van het GL, die aanvaardde het voorstel om van ver de zaken te sturen, gezien de afwezigheid van SB 12.

Midden augustus, nam Dupret de nodige maatregelen om de voorbereidingen te treffen van kleine groepjes die verrassingsaanvallen zouden uitvoeren.

De derde september gaf Dupret het bevel om te beginnen met guerrilla-acties en plaatste hij zijn CP in het bos van Gierle.

 

5.1.2 Vierde peloton, Geel:

 

Naamloos handgeschreven blad uit archief van het ministerie

Het vierde peloton kwam in actie in de regio van Geel. In september 1942 was zijn chef M. Gillis, oud onderofficier van het achtste regiment in Turnhout. Dikwijls geïnspecteerd door Bobon. Gillis verdween en Dupret werd pelotonschef, maar die werd dan uiteindelijk chef van het K.L., na de arrestatie van Bobon, en werd dan vervangen door Josef Van Thienen[80].

 

5.1.3 Verslag door J. Van Thienen

 

Reeds in 1940 hadden we op eigen initiatief in Geel een weerstandsvereniging opgestart. Hieruit vloeide later een aansluiting bij het KL uit voort. In 1941 kregen we voeling met het NKB, maar na zekere tijd (ik woonde in Antwerpen drie vergaderingen bij) verloor ik het contact en raakten we in verval. Ik verloor echter de moed niet en na enige tijd, in september ’42, kwam ik in contact met de heer Gilis. Deze was gewezen officier van het 8ste linie te Turnhout en pelotonoverste van Geel en omstreken voor het KL. In januari ’43 benoemde hij me tot zijn adjudant van dienst en zouden we tot de heroprichting van onze groep overgaan.

Ik besprak de toestand met mijn twee vertrouwelingen Paulis Edgard en Peeters Louis; en ook met mijn broer Leopold. Ze zijn dan aan het werk kunnen gaan en hebben om beurt de eed van trouw afgelegd. Op dat moment is het KL Geel ontstaan.Alles zou van dan af in het werk worden gesteld om in de kortst mogelijke tijd aan de verlangens van de leiders te kunnen voldoen. Paulis was het grote trekpaard, hij bezorgde het leeuwendeel van de aanwervingen. Na twee maanden van onverpoosd zoeken en werken, hadden we onze effectieven bereikt. We schepten even adem om dan aan onze reserves te beginnen. Verschillende keren kregen we bezoek van de grote bezieler en ons aller vriend Bobon. Hij moedigde ons aan en was gelukkig en tevreden over onze ijver. Hij liet ons beiden in de dagorder vermelden.

Gilis verdween en ik kreeg de heer Dupret als nieuwe pelotonoverste. Van het eerste ogenblik waren we beste makkers en we voelden ons tot elkaar aangetrokken door hetzelfde gevoel van liefde voor het vaderland. Een harde slag wachtte ons toen we hoorden dat onze goede overste Bobon was aangehouden en weggevoerd net als verschillende andere van onze makkers. Gelukkig bleef de kern gespaard en de man die vanaf nu de leiding moest opnemen is mijn vriend Dupret. Met hem zouden we het Legioen hoger opvoeren. Het kader, dat door de arrestaties ontwricht is, werd aangevuld. Ik volgde Dupret op als pelotonoverste en op 1/06/44 werd Paulis benoemd tot adjudant van het peloton.

De geallieerden waren geland en bijgevolg volgden mijn orders elkaar snel op, alles moest in gereedheid gebracht worden voor de strijd. In mijn peloton werd alles tot in de punten verzorgd, niets zou aan het toeval worden overgelaten. We hadden nog verscheidene samenkomsten en onze bondgenoten naderden. Eindelijk kwam de dag dat mee zouden kunnen strijden voor de bevrijding van het vaderland.

Na een week van hard werken, het treffen van de laatste schikkingen voor de schok, ontving ik een koerier, die de dagorder voor 2 september bij had. Op die zaterdag zouden we onder dekking van de duisternis, de houten borden en wegwijzers moeten wegnemen en vernietigen. Nadat de koerier zich verfrist had, nam die afscheid en vertrok. Ik riep al mijn adjuncten en sectieoversten bijeen en duidde hen de secties aan waarin zij moesten opereren. In het volledige gebied dat mijn sectie beslaat mag geen enkele vijand de weg nog vinden. Verder moesten ze nagels op de weg strooien, die volgens een bepaald model moesten worden gemaakt. Er moesten pinnen tussen de kasseien worden geslaan zodat er zoveel mogelijk banden op zouden sneuvelen. Zo zouden we het volledige vijandelijke verkeer in de war kunnen sturen. Na mijn mannen op het hart gedrukt te hebben hun werk goed te vervullen, nemen zij afscheid, ik bemerkte hun voldoening. Ze hunkerden naar het ogenblik wat toen eindelijk aangebroken was.

Op 2 september werd volgens de opdracht om tien uur s’avonds gestart met de opruiming van de wegmarkeringen, het strooien van nagels en het slaan van pinnen. Er werd gewerkt en we boekten geweldig succes op de grote wegen zoals Turnhout – Diest, Herentals – Antwerpen en Geel – Mol. Ter hoogte van het Albertkanaal, waar deze wegen kruisen, was het een echte ramp voor de Duitsers. Het verkeer was volledig in de war en meer dan veertig vrachtwagens stonden er met stukke banden. De eerste opdracht werd succesvol uitgevoerd en ik wenste de manschappen geluk met hun gemaakte opoffering.

 

5.1.4 Naamloos verslag over vierde peloton in Geel.

 

(Het eerste stuk van dit verslag komt overeen met wat in het derde verslag beschreven wordt) We bleven niet bij de pakken zitten [na de arrestaties in ‘44] en het kader werd opnieuw in orde gebracht. Op het ogenblik van de invasie waren we beter dan ooit gereed. Van nabij volgden we dag voor dag de toestand, er werd toegeslagen waar het kon en waar het toegelaten was. In die dagen kregen we contact met afdelingen van de Partizanen en van groep G. Die deden allen hun best om het de Duitsers het zo lastig mogelijk te maken. In het bijzonder hebben ze het telefoonnet en de spoorweg (veroorzaakten twee grote ontsporingen) geviseerd. Verder staken ze spoorwegwagens in brand en saboteerden ze het Kempisch kanaal.

Een groot aantal neergeschoten piloten is door Geel gepasseerd. Aan hen werd kledij en onderdak verschaft en op het bevolen moment werden ze verder getransporteerd. Eén van de bezielers van deze organisatie werd in de laatste oorlogsdagen samen met zijn echtgenote aangehouden. Er werd niets meer van hen gehoord, hij was lid van de MNB. De derde september 1944 maakten we het terugtrekken van de Duitse troepen mee.

 

5.1.5 Vierde verslag, Herenthout:

 

Het KL Herenthout werd gevormd in september 1942. Vroeger was het reeds aangesloten geweest bij andere weerstandsgroepen, en dit sinds het einde van 1940, te Olen. Maar in het begin van 1942 werden vrienden van ons meegenomen door de Duitse geheime politie en weggevoerd naar de uitroeiingskampen. Velen van die weggevoerden zijn nooit teruggekeerd. Daarna zaten we enige tijd zonder contact. In september 1942 was er een onderhandeling met een geheime organisatie, het Kempisch Legioen. Commandant De Peuter [deze naam is doorstreept] van de compagnie Herentals was belast met het vormen van een weerstandsgroep te Herenthout. Hij had deze moeilijke opdracht aangenomen en werd hierin bijgestaan door een verbindingsofficier [naam geschrapt] van de compagnie van het KL in Herentals. Ik denk wel te mogen drukken op de moeilijke omstandigheden waarin er te Herenthout moest gewerkt worden. Ons dorp stond overal bekend als het dorp van de zwarten. Ik wil dit illustreren met enkele cijfers: DeVlag: 25 leden, VNV: 67 leden, Zwarte brigade: 42 leden, Fabriekswacht: 37 leden, NSKK: 6 leden, SS: 5 leden, NSJV: 43 leden.

Op 23 september 1944 had men reeds zevenenzeventig mensen aangehouden, vijf die wegens ziekte niet naar Duitsland konden wegvluchten en achtendertig die nog in Duitsland waren [bedoelt incivieken die bij bevrijding zijn opgepakt]. Samen maakt dat 120 personen. Dan waren er nog sommige die het meer verdienden dan diegene die aangehouden waren, maar die waren zo laf geweest zich nergens bij aan te sluiten, alhoewel ze er veel omgang mee hadden. Herenthout telde 5 000 inwoners, dus op 100 inwoners waren er 2,4 geïnterneerden. Als het percentage overal zo hoog was geweest dan had men in België 192 000 personen moeten interneren en dan was er geen enkele onschuldige bij geweest.

Waren ze echt zo’n gevaar? Er werd toch niemand meegenomen? Het is moeilijk hierop een antwoord te geven. Ik wil toch wijzen op een aantal feiten. Sommige van de grote NSJV’ers volgden enige mannen van het KL om hun omgang na te gaan. Van de DMS zijn er toch geweest die zegden: “We zullen die mannen wel vinden”. Met dit bedoelden ze KL’ers. Er waren er andere die zegden: “Ik zal u eens brengen waar ge moet zijn”. En als doorslaggevend bewijs geef ik hier een afschrift van een brief gevonden bij den schaarleider der DM – ZB. Het origineel is op de krijgsraad in zijn dossier: “Iedere schaarleider geef aan alle militanten bevel de naam op te geven van een tegenstrever. Redenen opgeven en feiten aanhalen. Bijv. Joris Verstraeten (adres) maakt anti-propaganda, heeft die in de herberg van Mols dit of dat gezegd. De gevraagde inlichtingen moeten bij mij voor de achttiende van deze maand ingezonden worden.

De Vendelcommandant Dierckx.”

In het VNV maandverslag voegde de leiding hieraan toe: “Tevens gegevens nopens activiteit nevenorganisaties, agitatie tegenstrevers, maatregelen welke daartegen werden getroffen, suggesies, enz.”

Ik denk wel dat het voldoende is om de moeilijke toestanden te doen uitkomen. Toen in begin 1943 het kader gevormd was zei de compagnie commandant voorlopig de aanwervingen te schorsen gezien het gevaarlijke milieu waarin er te Herenthout gewerkt moet worden. Men beperkte zich enkel tot het aanspreken van sommige personen om ze stilaan voor te bereiden indien we ondervonden dat ze zouden meedoen. Een goede maand voor de invasie werd er beroep gedaan op hen en waren we te Herenthout met eenenvijftig man om op het gepaste ogenblik in actie te treden. Onze sectieoverste stond in nauwe verbinding met een bediende van de Werbestelle van Herentals. Door deze hulp lukte het ons meerdere tientallen jongens die naar Duitsland zouden moeten thuis te houden. Als men het niet via het toepassen van regels kon doen, dan verdwenen hun papieren en verdween hun naam ook van de lijst van de Gestapo. We moeten die persoon dankbaar zijn voor zijn werk.

Grote sabotagedaden hebben we niet op ons actief, maar we konden ons altijd beroepen op de bevelen van onze officieren die zeiden dat we niet mochten handelen zonder hun uitdrukkelijke bevel. Dat zou wel op het gepaste ogenblik komen. De eerste geheime orders van 1943 waren dat we ons met al de manschappen naar het bos van Gierle moesten begeven. Deze werden later veranderd, maar ik kom hierop verder nog terug.

Onze sectieoverste was in onderhandeling om ons een auto, springstoffen en enige mitraillettes aan te schaffen. Als tegenprestatie moesten we sabotage plegen in de omtrek. Op 4 augustus moest alles te Herenthout afgeleverd worden. Maar alles verliep zoals het niet voorzien was, er moest verraad geweest zijn want in plaats van wapens waren het leden van de Gestapo. Onze sectieoverste was niet thuis, hij was door zijn broer verwittigd dat er drie heren in een wagen naar hem vroegen, maar ze zagen er niet betrouwbaar uit. Hij kon niet anders dan gaan kijken, maar hij was wel op zijn hoede. Hij kwam zelfs tot aan de deur van hun auto en zei het wachtwoord. De personen in de wagen reageerden er niet op, waardoor hij zeker wist dat het leden van de Gestapo waren. Hij liep daarop in het café naast zijn deur, draaide de deur op slot en kon zo langs achter ontsnappen. De Gestapo’s waren verrast en nog voor ze de deur open kregen was A.V. reeds lang gevlucht. Het volledige huis werd afgezocht, zijn moeder, zus en de herbergierster werden bedreigd met meegenomen te worden, maar dit is niet gebeurd.

Het avontuur begon. Het contact werd onderhouden. Hier werd goed werk geleverd door een rijkswachter [doorstreept] en de verbindingsofficier D.W.C. [doorstreept]. Deze had nog een andere zware taak op te knappen. Vijf van de officieren van de compagnie waren aangehouden en de commandant zat ondergedoken. Hij moest helpen het officierenkader opnieuw samen te stellen en contact te zoeken met de verschillende secties. Door deze activiteit trok de verbindingsofficier ook de aandacht op zich en van zodra het commando hersteld was, dook hij eveneens onder in de bossen. Nu kregen de zwarten meer vermoedens en waren ze bijna zeker wie er in het verzet was.

Rond die tijd werd er ‘s ochtends geschoten op Fabriekswachter J.D. uit de Jodenstraat. Hij was daar aan de bossen van Berlaar op de Steenweg naar Itegem. Hij werd niet geraakt en reed onmiddellijk naar huis. Als reactie hierop waren de voornaamste zwarten bijeen geroepen en gingen ze de bossen in de omtrek afzoeken om de dader te vinden. Dat deden ze niet. De zwarten beschuldigden A.V. van dit feit, dat hij niet heeft geholpen of er geen bevel toe geeft gegeven. Er werd toen op het gemeentehuis ook een gesprek gevoerd over de Witte Brigade en wie er bij zou kunnen zijn. Het was tussen de burgemeester de politieagent en twee bedienden van de bevoorradingsdienst E.D.V. en L.C. [beide doorstreept]. Aan twee man viel er niet meer te twijfelen, de derde werkte samen met het K.L., de vierde persoon was van veel zaken van de weerstand op de hoogte en verspreide geheime geschriften, die verborgen werden in het lokaal van het K.L. De vijfde persoon was een vreemdeling die nog niet zo lang in Herenthout woonde, hij was niet betrokken in het K.L. of in de W.B. Fidelio.

In de nacht van 30 augustus werd een inval gedaan bij de gendarmerie, maar de rijkswachters waren verdwenen. Er werd een huiszoeking gedaan maar die was veel grondiger bij diegene die in verbinding stond met het K.L. Hieruit mogen we besluiten dat ze al goede vermoedens hadden over het kader van het K.L. Een paar weken te voren was er ook contact gekomen tussen het K.L. en de W.B. Fidelio. Er werd besloten om samen te werken, iets wat met de bevrijding dan ook gebeurde.

Op het eind van de maand augustus kwam A.V. terug in Herenthout. Hij was s’avonds gekomen, was vermomd en is niet bij zijn familie langs geweest. Hij heeft toch enige jonge mannen meegenomen naar de bossen van Heultje. Hier kon men rekenen op de volledige steun van de inwoners. We zijn die dan ook veel dank verschuldigd. Om de terugtrekkende Duitsers nog verder te demoraliseren werden sabotagenagels uitgestrooid op de wegen te Herenthout, Hulshout, Heultje, enz. Wegwijzers werden afgebroken en verplaatst.

Onze mannen hadden in Heultje de hulp gekregen van zeven Russen die daar in de bossen leefden. Ze waren na hun gevangenneming te werk gesteld in de koolmijnen van Beringen waar ze ontsnapt waren, met hulp van de arbeiders daar. Ook de plaatselijke sectie van het K.L. heeft hen geholpen. Na de bevrijding is één van de Russen overleden in Antwerpen. In de geschiedenis van het bos van Gierle, die men publiceerde in “De Kempen”, schreef men op 25/08/45: “3/09/44,… Bij zijn terugkomst van Oosterhoeven (tussen Herentals en Herenthout) waar hij, met enkele officieren van het K.L., een plein voor parachutisten was gaan bezoeken, deelde onze commandant ons mee dat de bruggen over het kanaal in Herentals tot ontploffing waren gebracht.”

 

5.1.6 Vijfde verslag:

 

Handelt eveneens over Herenthout. Uit dit verslag blijkt dat de A.V. uit het vierde verslag Albert Verhaegen is. Het verslag komt min of meer overeen met wat hierboven verteld werd.

 

5.1.7 Zesde verslag, Hoogstraten:

 

In de maand augustus van 1942 was kapitein Duym met de oprichting van zijn weerstandsgroep gestart, dit werd het zesde peloton van het KL. De leden werden door hem aangeworven, en op hun beurt wierven zij dan weer andere aan. Zo wierf Karel Van Besauw niet minder dan twintig leden aan. (zij bleven voortvluchtig in de bossen van Bree). De aanwervingen grepen plaats in Hoogstraten zelf, maar ook in de omliggende gemeentes: Minderhout, Meer, Wortel, Meerle, Rijkevorsel en Merksplas. Wegens de grote activiteit van vele leden was het vermoeden van de aanwezigheid van weerstanders een zekerheid geworden bij de tegenstander. Daarom heeft kapitein Duym zich maanden lang schuil moeten houden.

Het ledenaantal van Hoogstraten steeg en bleef stijgen. Ook de bedrijvigheid van de groep volgde een klimmende lijn. De voortvluchtigen werden aangemoedigd in hun halsstarrigheid en ze kregen hulp van andere. Bij opsporingen door de Gestapo was er een inlichtingendienst om zoveel mogelijk mensen uit hun handen te houden. Wat niet kon tegenhouden dat er vele leden van het K.L. in Hoogstraten gearresteerd werden. [… overzicht van mensen die gearresteerd werden]. De handel en wandel van de verraders werd nagegaan. Men mocht niet vergeten dat er in Hoogstraten vierentachtig verraders rondliepen en in Rijkevorsel vijfenvijftig, buiten degene die voor de vijand werkten, maar niet aangesloten waren bij één of andere organisatie. Ons ledenaantal bedroeg 250 man op 1/06/44.

[… over zwarten]

De verdedigingslijn (anti-tank) die liep over Chaam en Meerle naar Zundert werd door Kapitein Duym, Luitenant Goos, Stan Haest, Van Rillaer Frans en Van Tichelt Emiel opgenomen en het plan werd overgemaakt aan de staf van het K.L. Die verdedigingslijn was een werk van grote omvang (10 000 mannen hadden eraan gewerkt), en het heeft tot niets gediend. Gedurende drie maanden werden dag op dag inlichtingen verzameld en overgemaakt. Kaarten van de streek werden overgemaakt door kapitein Duym en Lode Van Hoeck. Op vraag van GL bekwam André Coghels, een spion in onze dienst, alle inlichtingen betreffende dit werk. Alle bewegingen van troepen, die in de streek gebeurden, waren eveneens overgemaakt. Intussen was het ledenaantal op 2 september tot 300 gestegen. Luitenant Duym werd tot kapitein bevorderd van de eerste compagnie van het KL.

 

5.2 Samenvatting orders

 

5.2.1 Orders tot maart ‘44

 

Tot zover de samenvattingen van de actieverslagen tot aan de datum van 2 september 1944. De meeste verslagen worden lijviger na die datum maar dit is voor later. Nu volgt eerst een vergelijkbaar verhaal, maar dit aan de hand van de orders die te vinden waren in verscheidene archieven. Voornamelijk in het archief van het Kempisch Legioen dat zich bevindt in het Soma[81]. Ik kon deze ingepast hebben in het overlopen van de actieverhalen. Maar dit zou wegens sterke discrepanties alleen maar een enorme warboel tot gevolg hebben. Daarom heb ik ervoor geopteerd om de twee zaken uiteen te houden om ze dan in een volgende paragraaf naast elkaar te leggen en er conclusies uit zal trekken.

 

5.2.1.1 Geografische organisatie

De eerste orders doen de organisatievorm en de eerste doelstellingen van de beweging uit de doeken. De eerste orders zijn gedateerd op 5 maart 1943. Op dat ogenblik ziet de geografische structuur van het KL er zo uit[82]:

 

 

 

 

5.2.1.2 Tactische organisatie

De machtsstructuur was strikt geordend. Boven de pelotonchefs stonden een vijftal personen. Dit zijn SB 12, KKH 43, KKH 44, KKH 45 en KAO 22. Dit zijn de topmensen van de beweging. De namen die achter deze codes schuilen zijn echter niet terug te vinden of te achterhalen. Vast staat dat de meeste van deze mensen het einde van de oorlog niet heeft gehaald. Van de top die op 1 maart ’44 gearresteerd werd overleefde er slechts één de concentratiekampen. SB 12 was de externe link met een nog hoger echelon, welke identiteit en welk echelon is niet duidelijk, alleen dat hij orders geeft en de bevelen die erop volgen enkel hiervan het gevolg zijn. De rest van de top bestond uit Omer Bobon, Leopold Bax; Appels Jules, Lafaire Victor, Georges Dupret, Florent De Coen. Deze werden allemaal gearresteerd, de meeste op 1 maart ’44. Enkel de laatste twee overleefden dit. Dupret wist te ontkomen via een regeling met een bewaker tijdens zijn overbrenging naar Breendonk[83]. Florent De Coen overleefde de verschrikking in de Duitse kampen. Deze namen, buiten die van Dupret, worden door de weduwe van Leopold Bax aangehaald als stichters van het Kempisch Legioen in een proces verbaal dat werd opgesteld voor de aanvraag tot erkenning van deportatie van haar echtgenote[84].

Onder deze top bevond zich nog een uitgebreide vertakking. Vlak onder hen zaten de pelotonoversten, dit waren de lokale bevelhebbers. Dan waren er de sectieoversten. Onder hen de groepoversten en de laagste graad was ploegoverste. Deze structuur was van kracht tijdens de oorlog. In het dossier van de Dienst van de Weerstand zat eveneens een overzicht van de structuur van het KL. Er staat geen datum bij, zodoende is het onmogelijk te zeggen van wanneer deze structuur ingevoerd werd.

 

ORGANISATIE VAN HET KEMPISCH LEGIOEN[85]

Taktische dienst.

 

 

Graden

Functies

1 Majoor

arrondissementsbevelhebber [doorstreept]

1 Kommandant

Legioenbevelhebber.

2 Kapiteins

Adjuncten van den Legioenbevelhebber.

1 Kapitein

Adjudant-Majoor aan de staf van het Legioen.

9 Onderluitenanten

Pelotonoversten - eenheidsbevelhebbers.

9 Adjudanten

Adjuncten aan de Pelotonoversten.

52 Eerste Sergeanten

 

Sectieoversten

125 Sergeanten

Groepoversten

250 Ploegoversten

Ploegoversten

250 Eerste soldaten

Plaatsvervangende ploegoversten

1750 Soldaten

 

 

totaal: 2450 manschappen

 

 

 

 

Administratieve dienst

 

 

1 onderluitenant

archivaris

1 onderluitenant

schatmeester

3 adjudanten

rekenbureeloversten

1 Eerste sergeant

rekenplichtige van het rekenbureel

2 sergeanten

dactylo’s

9 Eerste sergeanten

rekenplichtigen der eenheid

9 Sergeanten

hulprekenplichtigen der eenheid

9 Sergeanten

Foeriers der eenheid

15 soldaten

cyclisten

totaal: 50 leden

 

 

algemeen totaal 2.500 manschappen

 

 

 

Samenstelling der peletons

Elk peleton bevat + - 6 secties

Elke sectie bevat +- 3 groepen

Elke groep bevat 3 ploegen

Elke ploeg bestaat uit 8 manschappen Getalsterkte per peloton: +- 275 manschappen

 

5.2.1.3 Organigram

Het systeem was er zo op gericht dat men enkel de namen mocht weten van zijn directe overste. Zo mochten enkel de pelotonoversten weten wie KKH 43, 44 en 45 en KAO 22 waren[86]. Daarnaast moest iedereen persoonlijk en voortdurend in verbinding staan met diegene onder hen, of zijn adjuncten. Hij moest ook waken over de werking diegene die onder hem staan. Op 21 april wordt nog een stap verder gegaan in de organisatie. KAO 22 krijgt dan, in order 10, de opdracht om kentekens te produceren en deze in alle stilte en geheimhouding in te pakken en ergens te stockeren. KKH 43 deelt mee dat hij een commandopost zal inrichten in Turnhout, KAO 22 zal hiervoor een geschikte plaats zoeken. KKH 44 dient naar eigen keus een CP op te stellen, eveneens in Turnhout. KKH 45 moet dit in Herentals doen. De CP’s moeten een gemakkelijk toegang en een telefonische verbinding hebben. Voor elk CP zullen er later drie of vier lopers soldaten aangeduid worden. Zij zullen gekozen worden bij de mannen van het peloton ter plaatse en zo het nodig moest blijken bij de mannen van de plaatselijke sectie van het eerste peloton De streek alleen moet gekend zijn, de juiste plaats zal niet meegedeeld worden vooraleer de dag J aanvang heeft genomen[87].

De aanwervingen gebeurden stelselmatig. De kern die zich vormde in augustus 1942 hield zich logischerwijze met de eerste bezig. Hierna werd dit overgelaten aan de sectie en ploegoversten. Vanaf 5 maart 1943 wordt het aanwerven makkelijker. Althans zo zegt order nummer 5, hoe het ervoor in zijn werk ging is niet te vinden. Vanaf die dag wordt het gebied onderverdeeld in secties. Die dragen de naam van een stad, een gemeente of een gehucht. Men mag enkel in deze bepaalde plaatsen aanwerven. Dit onder meer om dubbele aanwervingen te voorkomen. De belangrijkste eis om aangeworven te kunnen worden is dat de potentiële kandidaten echte patriotten zijn en dat hun gedrag moet stroken met de waardigheid van hun nieuwe familie[88]. Voor de aanwerving moet men echter de grootste voorzichtigheid in acht nemen. Dit is iets dat in vele orders herhaald wordt. Andere vereisten zijn dat, gezien de omstandigheden, het niet slecht zou zijn moest zestig procent van de aangeworven manschappen ouder zijn dan 25 jaar. Deze aanwervingen moeten dan op lijsten worden bijgehouden en overgemaakt worden aan de administratie. Met deze lijst moet zeer voorzichtig worden omgesprongen en men mag er zelf geen van in bezit houden. In nagenoeg elk order, voor maart ’44, wordt teruggekomen op de aanwervingen. Men eist steeds opnieuw dat met de grootste voorzichtigheid en ijver gewerkt wordt, zodanig dat de kaders zo snel mogelijk ingevuld zouden worden.

Zoals al blijkt uit het overzicht hierboven is er een uitgebreid administratieve dienst. Deze werden aangeduid met een ander stamnummer. Hoe dat systeem precies in zijn werk ging valt niet af te leiden uit de bronnen. In order nummer 6 wordt er even op ingegaan, maar enkel voor de stamnummers die mensen verbonden aan de administratieve dienst meekregen. KAO 22 was het hoofd van die administratie, of toch zeker de persoon bij wie alles terecht moest komen. Hij was degene bij wie de lijsten moesten toekomen. Verder beschikte men over een eerste sergeant met stamnummer TA / en twee sergeanten met stamnummer A / Zij behoren niet tot het peloton maar tot het administratief peloton van de eenheid. Hiernaast was er vanaf 9 maart ’43 een systeem van onderscheidingen en straffen in voegen. Deze zijn van toepassing op alle graden. Een pelotonoverste mag een straf of onderscheiding voor zijn gegradueerden voorstellen maar niet opleggen, dit is enkel het recht van de eenheidsbevelhebber. Er waren drie soorten onderscheidingen: onderscheiding van eerste klas, hoogste onderscheiding en bevordering in graad. Op gebied van straffen waren er vier mogelijkheden: vermaning, vermaning met laatste verwittiging, graadverlaging en schrapping of uitsluiting. Mocht deze laatste straf worden opgelegd aan iemand die tot voor de oorlog deel uitmaakte van het Belgische leger dan houdt die van dat ogenblik op met er nog langer deel van uit te maken[89].

 

5.1.2.4 Opdrachten

Voor 12 juni ’43 zijn er amper specifieke opdrachten, de organisatie en aanwervingen maken de hoofdmoot uit van de orders tot dan toe. In order 9 wordt er wel al één specifieke opdracht meegedeeld. De pelotonoversten krijgen daarin de taak om inlichtingen te verzamelen over personen, deze op een lijst te noteren en hierbij hun naam, adres, in dienst bij, functie en eventuele opmerkingen bij te vermelden. Hiervoor mogen de groep – en ploegoversten worden ingeschakeld. Deze dienen dan via de sectieoversten hun bevindingen door te spelen. Enkel de inlichtingen die geloofwaardig zijn, mogen in aanmerking genomen en opgeschreven worden[90]. 21 april volgt dan een bijlage bij order 10. Daarin wordt de term van dag J aangehaald voor alle gegradueerden, tot en met de ploegoversten. Hierbij worden instructies voor die dag meegedeeld. Namelijk: voor de sectieoverste het in ontvangst nemen van de herkenningstekens[91], deze verdelen onder de groepoversten en eigen kentekens aanbrengen, de verzamelplaatsen van de groepen kennen, de voorziene aankondigingen uitvoeren, verdachten opsluiten en een wacht plaatsen, de overblijvende mannen ter beschikking houden van het hoger commando. Voor de groepoversten: ontvangst en verspreiding herkenningstekens, groep verzamelen, zich in verbinding stellen met de sectieoverste en diens bevelen strikt opvolgen. Voor de ploegoverste: herkenningstekens uitdelen en de orders van de groepoverste stipt uitvoeren. Van dat moment, 21 april, wordt verwacht van de sectieoverste dat ze de aanwervingen voortzetten, in verbinding blijven met de groepoversten, zijn overste en diens adjunct kennen, een CP voor de sectie kiezen, een huis voorzien voor de aangehoudenen, en een wacht voorzien. De lagere officieren moeten eveneens verdergaan met aanwerven, de namen van hun mannen kennen, weten waar hun verzamelplaats is en regelmatig contact onderhouden[92].

Op de twaalfde juni volgt dan een lijvig order. Hierin wordt verdergegaan over de regelingen van dag J. Die dag zal men geroepen worden om zeer verheven diensten te vervullen, daarbij zal men orde doen heersten om te helpen zodat gerechtigheid kan geschieden. Daarnaast deelt KKH 43 mee dat de eerste fase, of de toeziende fase ten einde is. Zij bevat de organisatie, de aanwerving en de verdeling van de getalsterkte. Daarna komt men terecht in een fase die onder te verdelen valt in twee periodes: een voorbereidende periode en de aanvangsperiode. Over deze twee periodes wordt het volgende geschreven: “de voorbereidende periode laat u nog weinig tijd om hetgeen niet kon beëindigd worden gedurende de eerste fase, te voltooien. De voorbereidende periode zal kort of lang zijn, God alleen weet het, Indien zij kort is moeten we klaar zijn, indien zij lang is moeten we geduldig kunnen zijn, en vooral geremd blijven. Prent het principe dat wij onderling aankleven goed in uw geheugen: stelt u niet roekeloos bloot, geef geen aanleiding van door een eenvoudig gebaar dat te laten vernietigen, wat u gedurende zoveel lange maanden in de moeilijke omstandigheden hebt helpen oprichten, wees nog meer en meer voorzichtig. Behoedt u voor alle verlokkingen, blijft uw eed getrouw. Herzie uw opdrachten, bezoek uw ondergeschikten (elkaar per echelon verstaan), probeer te voorzien, denk aan de aanvangsactie maar overdrijft niet en blijft kalm. BEN IK GEREED … vraag welke gij u elke dag moet stellen, elk uur, ten einde zonder schok te kunnen aanvangen met de aanvangsperiode. Dan kunt u zich voor de koning volledig in dienst stelt van uw oversten, van de Vrijheid, van het Vaderland[93].”

 

5.2.2 De orders na maart ‘44

 

Tussen 12 juni ’43 en april ’44 is er geen enkel order terug te vinden in het archief. Dit valt te verklaren door de moeilijkheden die de beweging in die periode doormaakte. De arrestaties hadden haar namelijk onthoofd. Zodoende was heel de organisatie ontwricht, maar vreemd genoeg is dit vooral voor maart ’44 en niet erna, wat meer te verwachten viel. Het eerste order na maart komt namelijk al in april ’44.

In deze order[94], dat de code P/1 draagt, verdedigt iemand, naar alle waarschijnlijk de bataljonscommandant[95], zich tegen kritiek. Hij stelt dat niemand verplicht is meer dan acht man aan te werven, iets wat toch niet zo moeilijk zou zijn. “Zelfs zou ik, mocht ik hiertoe in de mogelijkheid zijn, gemakkelijk 3 à 400 personen kunnen aanwerven. Ik leef niet verborgen, maar ben elke dag op de been om bijzondere opdrachten, die me zijn toevertrouwd en waar ik u niks over kan vertellen, uit te voeren. Hierbij heb ik de onmisbare hulp van drie medewerkers die dag en nacht bereikbaar zijn. Ik weet dat ik op uw onvermoeibare verkleefdheid kan rekenen, het is daarom dat ik u alle mogelijke middelen geef om de tegenwoordige moeilijkheden op te heffen. Ik besluit hierbij dat elke pelotonoverste de volledige vrijheid van handelen heeft, maar elke gegradueerde die geen voldoening schenkt dient te verwijderen. Wat de aanwervingen betreft, wil ik u vragen gezien deze ten laatste op 25 april moeten afgerond zijn, ieder middel aan te wenden om deze te bespoedigen.”

Op 1 juni 1944 zijn er zes orders die allemaal over hetzelfde handelen: de nakende bevrijding en de organisatie van dag J. Order 19[96] luidt als volgt: “Nu de bevrijding steeds dichterbij kom vraag ik u om uiterste voorzichtigheid. De vijand zal trachten met alle mogelijke middelen alles wat niet Duits gezind is aan te houden, probeer hieraan te ontsnappen. Verwittig ook uw ondergeschikten hiervan. Voor de bevrijding wil ik toch nog een aantal zaken herhalen: Iedereen moet in het bezit zijn van zijn kenteken en graad. De lijsten van de slechte Belgen zijn in ons bezit, u zult alle gewelddaden tegenover wie dan ook vermijden, met uitzondering van eigen gevaar. Deze lijsten zullen u op dag J overgemaakt worden. De CP van uw sectieoverste moet vanaf heden gekozen zijn. Iedere sectieoverste moet een gebouw aanduiden dat als gevangenis kan dienstdoen en makkelijk te bewaken is. Het mag geen gebouw zijn dat door de vijand bezet is geweest. Verbied ook uw ondergeschikten zo’n gebouwen binnen te gaan, er zouden booby-traps aanwezig kunnen zijn. De mannen moeten ingedeeld worden in drie groepen (per sectie: een aanhoudingsgroep, een wachtgroep en een reservegroep. Die laatste blijft in de onmiddellijke omgeving van zijn rechtstreekse overste. Op de dag J zult u, uw cyclist naar mijn CP zenden om de orders bij mij te komen afhalen. De plaats van de CP zal u meegedeeld worden door de brenger van deze order. Op dag J zal u niks beginnen voor u mijn bevelen ontvangen hebt. Het is ten stelligste verboden dat iemand zich aansluit bij een andere beweging, want elke man is gebonden door zijn eed.

Indien u inlichtingen nodig hebt kom dan zelf naar mijn CP en stuur niet iemand van uw ondergeschikten want die mogen niet op de hoogte zijn van de locatie van mijn CP.

Voor dit ogenblik: zwijgen, bedachtzaamheid, voorzichtigheid en kalmte en als de actie begint: moed en zelfverloochening.”

De orders 20 tot 23[97] handelen over het verzamelen van de troepen op dag J. Elke order is specifiek op een graad gericht.

Order 24 en 25[98] handelen over het aanstellen van een cyclist. Dit is de plicht van de pelotonoverste. Het mag geen gegradueerde zijn en het liefst van al ouder dan veertig jaar. Van die dag fungeert die persoon enkel nog als boodschapper. Er moet tevens een tweede cyclist aangesteld worden. Deze moet ouder zijn dan veertig en uit ingedeeld worden bij de eerste ploeg van het peloton. Op dag J moet deze niet op de CP van het peloton verzamelen maar wel op het hoofdkwartier. Hij zal uitsluitend ter mijner beschikking staan, maar blijft op administratief gebied tot zijn peloton behoren.

Order 26 specificeert verder hoe de verzamelingen op dag J moeten gebeuren. Zo mogen de punten van samenkomst telkens maar gekend zijn door de directe betrokkenen. (bijvoorbeeld het samenkomstpunt van de groep mag enkel gekend zijn aan de groepoverste, de sectieoverste en de twee ploegoversten). De ploegoversten moeten hun samenkomstpunt hebben op minstens twee kilometer van de verzamelplek van de groep hebben. De pelotonoverste moet alle samenkomstpunten kennen en kunnen vinden, alsook de te bezetten plaatsen van zijn ploegen. Elke overste dient de nodige verkenningen van die plaatsen uit te voeren. De pelotonoversten mogen eventueel nog andere voorstellen indienen mochten zij vinden dat de aangeduide plaatsen niet aan hun verwachtingen voldoen. Dit alles dient te gebeuren met de grootste geheimhouding.

Order 27[99] op datum van 6 juni 1944 vervangt de oude structuur door een nieuwe[100].

Verder bevat deze order een precieze beschrijving van de structuur die vanaf dag J zal gelden:

“EENHEDEN.