Het Kempisch Legioen. De dubbele strijd van een verzetsbeweging 1942 - 1944 en 1944 - 1961. (Ward Baeten)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Deel II: De strijd om erkenning 23/09/1944 – 3/03/1961

 

A. Inleiding

 

In dit deel ga ik in op de lange strijd die het Kempisch Legioen voerde om als onafhankelijke verzetsbeweging erkend te worden. De structuur van dit deel volgt niet helemaal wat voorgesteld werd in de inleiding. Eerst wordt kort even het belangrijkste stuk uit de wetgeving, in verband met de erkenningsprocedures van het verzet, en de belangrijkste spelers in dit proces besproken. Vervolgens wordt ingegaan op de periode na september 1944. Dit komt pas nu aan bod, en niet in het eerste deel, omdat de oorlog voor de kempen in principe voorbij is en de kiemen van de moeilijke erkenningsstrijd deels in deze periode terug te vinden zijn. Hierna volgt een korte samenvatting van verschillende publicaties van Lagrou om het algemene kader te schetsen. Waarna de effectieve strijd om erkenning van het KL wordt besproken. De bespreking van die laatste periode is nagenoeg volledig opgebouwd aan de hand van de briefwisseling tussen de verschillende instanties en tussen Dupret en Marcel Louette. Gelukkig kon ik ook beschikken over het archief van de dienst van de weerstand. Dit bevat de archieven van de erkenningscommissie en de herzieningscommissies. Zodanig kon ik tot een beeld komen waarin alle partijen vertegenwoordigd zijn. Deze periode heb ik enigszins proberen indelen volgens de evolutie van de aanvraag tot erkenning. Tot slot worden de bronnen samengevat en bespraken en wordt een conclusie geformuleerd.

 

 

B. De wetgeving

 

De juridische kant van de erkenning van de weerstand is een erg complexe zaak. Hierover is nog geen onderzoek verricht, bijgevolg kon ik me in beperkte mate baseren op de verhandeling[207] van Lagrou. Daarnaast kwam in november 2003 het archief van de dienst van de weerstand boven water. Dit bevat, naast de dozen van het Kempisch Legioen, een vijftal archiefdozen die allemaal bronnen bevatten over de wetgeving van deze materie. Aangezien dit fonds nog maar net boven water is gekomen is er geen inventaris van beschikbaar. Tussen het kluwen van briefwisseling tussen de verschillende kabinetten en overheidsdiensten zitten hier en daar afschriften van het Belgisch Staatsblad. Ik had echter niet de tijd om dit archief gedetailleerd door te nemen, bovendien zou dit me te ver leiden van mijn eigenlijke doel, namelijk de geschiedenis van het KL. Wat ik er wel uit kon halen is de besluitwet van dertien oktober ’44, die o.a. de eerste officiële erkenning van acht weerstandsgroeperingen bevat, en de besluitwet van negentien september ’45 dat het statuut van de gewapende weerstander bevat. Naast deze wetgeving leerde dit archief me nog iets, namelijk dat er bij een aanvraag tot erkenning heel wat papierwerk te pas kwam en dat er tussen de verschillende instanties geschillen bestonden in verband met bevoegdheden.

 

 

C. De spelers

 

De hoofdrolspeler is Georges Dupret. Wat nu volgt zal na verloop van tijd meer een persoonlijke geschiedenis van deze man dan wel de geschiedenis van het Kempisch Legioen lijken. Hij doet er, als commandant van het KL, namelijk alles aan om zijn beweging de erkenning te geven die ze volgens hem verdiende. Er komen af en toe nog wel andere KL’ers aan bod maar dat zal enkel in de marge zijn, of omdat ze iets aan hun commandant vragen. De afloop van de strijd van Dupret was uiteindelijk gunstig, maar ze eindigde wel zeventien jaar na de afloop van zijn vorige strijd.

 

In dit gevecht krijgt Dupret een trouwe bondgenoot in de persoon van Marcel Louette de stichter van de Witte Brigade / Fidelio. De Witte Brigade of de witten was onder de bezetting een algemene benaming voor het verzet geweest. In september ’44 werd wel duidelijk dat het hier om één enkele groepering ging die vooral sterk was in Antwerpen. Vanaf begin ’41 had het ook afdelingen in Lier, Gent, Aalst, Brussel, het Waasland en de kuststreek. In de herfst van 1943 kreeg het ook enkele kernen bij in Wallonië. Na de bevrijding was de Witte Brigade de enige verzetsbeweging die haar zetel in Vlaanderen had. De beweging was ontstaan uit de liberale jeugdbeweging en via de Antwerpse onderwijzer Louette traden er ook heel wat onderwijsmensen en personeelsleden van de stadsdiensten toe. De groepering bleef niet beperkt tot enkel liberaal geïnspireerde mensen. Al snel waren er verschillende ideologische strekkingen in vertegenwoordigd. Ze hielden zich voornamelijk bezig met het vergaren van inlichtingen en plegen van kleine sabotages. Ook boden ze hulp aan mensen die onderdoken en gevluchte Joden. Vanaf eind ’43 had de organisatie te lijden onder erg veel arrestaties. In mei 1944 werd Louette zelf aangehouden. De Witte Brigade zou uiteindelijk ongeveer 400 mensen, op een totaal van 3750 erkende leden, niet meer uit de Duitse kampen zien terugkomen. Bij de bevrijding werd de benaming lichtjes gewijzigd in Witte Brigade Fidelio. Vanaf zijn terugkeer uit Duitsland bleef Marcel Louette tot zijn dood in 1978 de symbolische leider van het verzet[208].

 

Het Geheim leger. De geschiedenis van deze beweging onder de oorlog werd eerder kort behandeld. Na de oorlog zal ze zich ontpoppen tot een aparte groep binnen de verschillende verzetsorganisaties. Ze wordt een hardnekkige tegenspeler voor het KL. Vele leden verkiezen om zich eerder bij het GL dan bij het KL aan te sluiten. Zoals bijvoorbeeld vele Geelse leden, met hun commandant J. Van Thienen op kop. Dupret zal proberen deze trend tegen te gaan, en degene die voor het GL kozen hun erkenning trachten ongeldig te laten verklaren.

 

Tot slot is er de overheid. Er waren verschillende instanties die zich inlieten met de erkenningsprocedures voor de verzetsbewegingen. Er waren twee ministeries in betrokken, dit van defensie en binnenlandse zaken, af en toe neemt ook het kabinet van de premier deel aan de verscheidene polemieken. Dupret zal niet aarzelen om deze vaak rechtstreeks aan te schrijven, op een gegeven moment wordt zelfs een brief naar de prins-regent gezonden met een vraag om aandacht voor zijn probleem.

De twee belangrijkste instanties zijn de NRW en het bureau van de weerstand[209]. De nationale raad van de weerstand was oorspronkelijk een onderdeel van het kabinet van de eerste minister. In januari ’46 wordt deze raad overgeplaatst van dit kabinet naar dat van de minister van binnenlandse zaken. De raad bestond uit telkens één afgevaardigde van de tien reeds erkende verzetsbewegingen. Het was zo voorzien dat eventueel in de toekomst erkende organisaties dan ook een afgevaardigde zouden krijgen, er werd ook gedacht aan een afvaardiging van buiten het gewapend verzet, het is echter steeds bij deze tien gebleven. De voorzitter en secretaris werden binnen deze tien vastgelegd. De taak van deze raad was het geven van een advies over aanvragen tot erkenningen. De andere instantie, het bureau van de weerstand, was verbonden aan het ministerie van defensie. Ze werd steeds voorgezeten door militair. Haar taak was als eerste de dossiers in verband met de aanvragen om erkenning in ontvangst nemen en deze te bestuderen, waarna ze overgemaakt worden aan de NRW[210].

Vanaf 1952 kon de regering beschikken over herzieningscommissies. Deze konden beslissingen waarover betwisting bestond herzien. In het dossier van het KL komt enkel de elfde herzieningscommissie onder leiding van rechter de Preter aan bod. Daarnaast wordt er ook gesproken van een consultatieve commissie onder leiding van rechter Hanssens. De precieze invulling en taak hiervan is eveneens niet duidelijk.

 

 

D. De laatste loodjes

 

Op 23 september wordt Turnhout bevrijd. Dit betekent niet dat het Kempisch Legioen ophoudt met bestaan. Vele leden trekken mee met de geallieerden en nemen deel aan de bevrijdingsgevechten in het noorden van het land en zelfs in Nederland. Daarnaast wordt het verzet ingezet voor de eerste ordehandhaving en in het vormen van een nieuw Belgisch leger. Hierbij moet er wel onderling samengewerkt worden en dit brengt heel wat problemen met zich mee.

 

1) De algemene verrichtingen

 

Eind september en oktober ’44 wordt in hoofdzaak in beslag genomen met het voeren van patrouilles, het verzamelen van wapens en de ordehandhaving. Het grootste deel van de bronnen handelt hier dan ook over. In een verslag van luitenant Appels kunnen we bijvoorbeeld lezen dat iedere dag door het vijfde peloton de bewaking van brug 4, 5 en 6, het gemeentehuis van Vosselaar en de telefooncentrale van Beerse verzorgd wordt. Hierbij zijn iedere dag een zeventigtal mensen betrokken[211]. Een goed beeld wordt geschetst door het verslag van een hele week dat werd overgemaakt aan KKH 43. Turnhout 30 september 1944 “Aan KKH 43:

De laatste dag van september neemt het GL het commando over van het KL, het GL sectie Turnhout, het NKB en de MNB. In de melding hiervan zijn ook nog een aantal orders opgenomen. Zo moet het KL bewakingsposten van telkens twee man uitzetten om plunderingen te voorkomen, het GL en KL Turnhout huizen van verdachte personen bewaken, de NKB en de MNB zorgen voor patrouilles van tien man langs een aantal wegen en daarnaast moeten die laatste twee ook instaan voor de arrestaties.

Begin oktober zijn er nog steeds talrijke manschappen van het KL actief. Zo vraagt luitenant Pensis om een verhoging van de rantsoenen voor zijn mensen zodat ze hun taak kunnen blijven uitoefenen[213]. Deze blijkt ook nodig te zijn want op 4 oktober beweert iemand Vosselaar beschoten te zijn geweest door een Duitser. Nog die dag wordt, in opdracht van de Engelsen een patrouille van veertig man naar het front in Sint Job in ’t Goor gestuurd en een wachtpost van zes man opgesteld bij de brug van Ravels. Die laatste moet de paspoorten van de voorbijgangers controleren[214]. Tijdens een ontmijningsactie aan brug III, waarbij het KL betrokken was raakt, nog steeds die vierde oktober, een Engelse soldaat gewond. Adjunct Van Loco schrijft later in zijn verslag dat dit te wijten was aan de eigen onvoorzichtigheid van die man.[215] Vier dagen later verzoekt commandant Melchior aan de staf van het KL om 250 uniformen. Want 300 man van het KL staan ter beschikking van de Engelsen en nemen deel als eenheid aan de gevechten in Sint-Lenaarts en Merksplas en 250 van hen hebben geen uniform[216]. Die dag laat Teuns aan KKH 43 weten dat de scholen opnieuw opengaan. De tiende meldt luitenant Pensis dat hij zich nog steeds in de stellingen bevindt met achtenveertig van zijn mannen[217]. De omstandigheden zijn er wel slecht. Er is geen dokter aanwezig en verschillende mannen hebben een verkoudheid, het eten en de medicijnen zijn slecht en daarom verzoekt hij om dekens en kleding[218]. De elfde verzoekt het Britse leger om twintig man, het is niet duidelijk voor welke opdracht[219]. Zes dagen later meldt Dupret, in een antwoord op een verzoek om lijsten van de bewapening, dat hij deze niet kan sturen omdat het merendeel van de manschappen betrokken is in gevechten in Sint-Lenaarts en Vlimmeren samen met het Engelse leger. De eenentwintigste laat hij aan het provinciale commando van het GL weten dat er 353 officieren en soldaten gemobiliseerd zijn. Deze zijn betrokken bij militaire opdrachten in Poppel, Ravels, Weelde, Sint-Lenaarts en Rijkevorsel waar ze wachten leveren en samen met de Engelsen de lijnen bezetten[220]. In november worden nog steeds militaire diensten uitgevoerd. Zo vraagt Dupret op 2 november aan de BNB om de wacht aan het kasteel over te nemen omdat zijn mannen voor de Engelsen bewakingsopdrachten moeten doen in Brasschaat[221]. Er worden trouwens nog steeds nieuwe toenaderings - en paswoorden afgekondigd.

 

2) Arrestaties en ongeregeldheden

 

De arrestaties en de zoektocht naar “zwarten” brengt heel wat commotie met zich mee. Zo beschuldigt het NKB een lid[222] van het KL van pro Duitse sympathieën en verzoekt iemand een KL’er om hulp omdat er een kennis van hem opgepakt is[223]. Geregeld komen er ook verzoeken binnen van de politie om een aantal, of een welbepaalde persoon opnieuw in vrijheid te stellen[224]. Daarnaast worden af en toe ook een aantal ongeregeldheden gemeld. Zo laat mijnheer Van Tillo weten door een KL’er in uniform en één in burger te zijn bedreigd geweest[225]. De laatste dag van september komen er twee andere klachten binnen. De provinciale staf schrijft aan het KL, het GL, de partizanen en de MNB dat er op het huis van een herbergier verschillende hakenkruisen gekalkt zijn. Een aantal mensen werd bij deze daad herkend. Het commando vraagt om zulke zaken absoluut te vermijden. Even verder in het archief zit een soort strooibrief, zonder datum, waarop te lezen staat dat het verzet zich distantieert van dergelijke acties. Onderaan zijn de stempels van het KL, het GL en de NKB te zien[226]. Dupret gaat dit nog eens met erg brede bewoording beklemtonen in een artikel. Want de week voor hij het artikel schreef, had een anonieme schrijver in “het Annonceblad” het KL beschuldigd van het bekladden van huizen met hakenkruizen[227]. Daarnaast wordt er ook gemeld dat leden van het KL geschoten hebben op loslopend wild en verkocht hout hebben weggevoerd[228]. Een aantal dagen reageert de staf van het GL hierop door te bevelen dat er enkel wapens mogen overhandigd worden aan mensen die een dienst moeten uitoefenen[229]. Op 24 oktober ’44 wordt nog gemeld dat er bepaalde personen van het feit dat ze lid zijn van het KL en over wapens beschikken gebruik maken om te stropen[230]. Op een ongedateerde lijst worden al de mensen overlopen die niet bevolen aanhoudingen hebben verricht in Vosselaar. Tussen de vijftien namen staan er zes leden van het Kempisch Legioen vermeld[231].

 

3) Organisatie en administratie

 

De centrale post is het kasteel van Turnhout. Daar zijn overigens ook enkele officieren ingekwartierd vanaf de zevenentwintigste september[232]. Op 30 september worden twee districtshoofden benoemd door de het coördinatie comité van de weerstandsgroepen der provincie Antwerpen. Voor Turnhout wordt dit Dupret en voor Geel commandant Van Laer[233].

Na de overname van de leiding door het GL volgen regelmatig orders vanuit de provinciale staf, dit over uiteenlopende zaken[234]. Interessant is hierbij de hoofding van deze orders. Deze verschilt telkens weer. De ene keer staat er KL/GL de andere keer worden de organisaties apart vermeld: aan commandant van het KL aan de commandant van het GL. Dit terwijl de andere twee bewegingen, NKB en MNB, steeds op dezelfde manier apart vermeld worden. De 29ste september schrijft commandant Vercruysse[235] aan de het KL en de commandant van het GL Herentals dat het KL Herentals samengaat met het GL, dit echter alleen op tactisch gebied en niet op administratief vlak. Diezelfde dag laat Dupret aan KKH 46 weten dat het KL samensmelt met het GL[236]. Vele zaken zoals soldij, uniformen en schoeisel worden van dan af in samenspraak met het GL of via de provinciale staf van het GL geregeld.

Vanaf 28 september worden de eerste ontslagen ingediend. Mensen die ermee stoppen of wegens een taak in het bestuur of de dienstverlening niet langer tijd hebben om deel uit te maken van het KL. Zo meldt Jules Appels die dag dat Jozef Boudewijns na zestien dagen dienst ontslag neemt om terug het oude leven te hervatten. Later vraagt de man zelf ontslag aan omdat hij nu werkt als dienstleider van de bevoorrading[237]. Eind september, begin oktober ’44 zullen zo een tiental personen ontslag nemen. Ondertussen zit ook de administratie niet stil. Op 26 september verzoekt KAO 22 (Van Daelen dus) aan de officieren en sectieoversten van het KL om naamlijsten over te maken zodanig dat hij de legitimatiebewijzen kan opstellen[238]. Een week later vraagt Dupret iets gelijkaardigs, namelijk om lijsten op te stellen zodanig dat ze een vertrekpunt hebben voor de erkenning[239].

Op twee oktober laat de administratieve officier Jacobs weten dat het KL in Turnhout over 228 en in Vosselaar over 165 manschappen beschikt, als antwoord op een vraag van de staf van het GL. De dag ervoor is er voor de eerste maal een botsing geweest tussen Dupret en Van Laer. Dit over het feit of er nu op de officiële documenten KL/AS of AS/KL moet staan. Dupret zegt dat Van Laer de afspraken niet nakomt en dat er geen enkele onderscheid meer zou gemaakt worden op het gebied van tactische en administratieve organisatie. Hij verzoekt de provinciale staf om duidelijkheid en om een visie op deze zaak[240].

De derde oktober maakt Jacobs aan diezelfde staf drie soldijstaten over, voor Turnhout
(62 040 frank), Vosselaar (62 440 frank) en Geel (93 300 frank). Het totale bedrag ervan bedraagt 217 780 frank. De uitbetaling ervan verloopt niet probleemloos. Zo meldt eerste sergeant Janssen een dag later dat er verschillende mensen zijn die niet op de betalingslijst vermeld staan, hij weet niet wat hij met hen moet aanvangen
[241].

Nog die dag wordt begonnen met de demobilisatie. De staf van het GL laat weten dat alle eenheden van het KL Hoogstraten gemobiliseerd worden, in het KL Herentals worden tien mensen gedemobiliseerd, het KL van Mol volledig op twintig personen voor Mol en twintig voor Geel na. Het KL Turnhout, het GL Turnhout en het KL Vosselaar en Vlimmeren blijven gemobiliseerd. De vijfde meldt de staf dat voor Turnhout iedereen dient gedemobiliseerd te worden behalve voor het KL de commandant, drie adjuncten, een motorrijder, drie chauffeurs en twee volledige pelotons en voor het GL een volledig peloton en een chauffeur[242]. Op 9 oktober ’44 laat commandant De Peuter weten dat men twee dagen ervoor is begonnen met de demobilisatie van het KL in Herentals, vijfentachtig mensen blijven actief en vierentwintig helpen om de politie te versterken want die zijn nog bezig met arrestaties. Er zijn wel problemen want terwijl zij aan het demobiliseren zijn, zijn de partizanen bezig met het rekruteren van manschappen[243]. Dit zijn niet de enige problemen met verzetsorganisaties. Zo wordt in een verslag over de NKB van Poppel aangehaald dat in augustus – september ’44 de NKB daar begonnen is met aan leden van het KL te vragen om in hun beweging te gaan aangezien het KL onder de bezetting geen activiteit had[244]. Met het onafhankelijkheidsfront steken er ook moeilijkheden de kop op. De dertiende oktober laat Dupret aan de commandant van het OF weten dat “Alleen nog strijdende eenheden die door de hogere overheid zijn opgeroepen nog gematigd zijn in werking te blijven”[245], in een tweede brief, diezelfde dag, drukt Dupret zijn ongenoegen uit over het feit dat een aantal leden van het OF zonder begeleiding arrestaties hebben verricht en er ongeregeldheden zouden zijn in verband met het lokaal dat ze bezetten[246].

Op 10 oktober ’44 stuurt generaal Pire[247] een algemene omzendbrief dat het GL vanaf die dag ontbonden is, dit heeft geen verder gevolg voor het KL. 25 oktober wordt aan Dupret door de provinciale staf van het GL meegedeeld dat hij slechts 150 man meer onder zich mag hebben. Wat voor hem een probleem is, want 125 van zijn mannen zitten aan het front, zodoende zou hij er elders maar vijfentwintig kunnen overhouden[248]. Toch voert Dupret zijn orders uit en de laatste dag van de maand laat hij aan kolonel van Nijen weten dat de demobilisatie compleet is op 150 mensen na[249]. Uitrusting vormt een probleem, de derde november stuurt hij een lijst op naar de staf van het GL. Hierin vraagt hij onder meer om overjassen, broeken, schoenen en dekens. De toestand tussen het KL en het GL blijft enigszins gespannen. Ergens in oktober schrijft Dupret aan de staf van het GL dat het controles uitvoert waarvoor het eigenlijk niet bevoegd is[250]. De vierde november laat Dupret aan de staf van het GL weten dat KL’ers in Herentals, Mol, Geel en andere gemeentes onder het GL werkten en zodoende dachten bij die beweging aangesloten te zijn. Maar onder de bezetting waren zij wel degelijk lid van het KL. Hierbij vestigt hij nog eens nadrukkelijk de aandacht op de onafhankelijkheid van het KL en voegt hij een lijst van mensen toe die voor de bevrijding geregistreerd stonden als leden van het Kempisch Legioen[251].

Op zeven oktober laat de overheid weten dat het Belgisch leger opnieuw opgericht wordt. Vreemd is wel dat deze brief gericht is aan het GL, de NKB, de MNB en het OF, er staat wel op bijgetijpt dat commandant Dupret, bevelhebber van het KL, voor de verspreiding zal zorgen. Diezelfde dag schrijft Dupret aan kolonel Van Nuyen dat de beroepsmilitairen de situatie niet begrijpen, moeten ze nu aangesloten bij het KL of zich aanmelden voor het leger in Antwerpen. De zestiende vraagt Dupret om meer informatie in verband met de aanwervingen van het leger, want er is grote vraag naar, twee dagen erna doet hij dit opnieuw en richt hij zijn vraag aan generaal Gérard[252].

 

Op vier november laat Dupret aan Kolonel van Nijen weten dat nog een aantal mensen de strijd willen verder zetten, hiervan heeft hij een overzicht: een commandant, drie luitenanten /pelotonoversten, zes eerste sergeanten /sectieoversten, twaalf sergeanten /groepoversten, zevenentwintig korporaals/ploegoversten, 117 soldaten en peloton buiten gelid tweeëntwintig man. Twee dagen erna verzoekt Dupret om een blok in de kazerne “majoor Blairon” te mogen gebruiken om 220 vrijwilligers voor het Belgisch leger in onder te brengen[253]. Uit daarop volgende brieven blijkt dat Dupret commandant geworden is van de derde compagnie – bataljon in Brasschaat. In die hoedanigheid schrijft hij de dertiende naar e verschillende afdelingen van het KL om zo snel mogelijk hun erkenning in orde te brengen[254]. Een dag later laat hij die mensen ook weten dat zijn CP tijdelijk overgeplaatst is naar Brasschaat.

 

 

E. De strijd om erkenning barst los

 

In november 1944 is de oorlog in Europa niet helemaal achter de rug maar in die maand is de rol van het KL als verzetsorganisatie ongeveer uitgespeeld. Vele leden kiezen om ontslag te nemen, ander laten zich afzonderlijk inlijven in het (Engelse) leger, nog andere kiezen ervoor om zich voor te bereiden op een rol in het nieuwe Belgische leger. Hier moet voor een beter begrip eerst nog eens een overzicht gegeven worden van de ruimere context. Waarom ik dit niet meteen in het begin van deel II deed? Om de reden dat de septemberdagen in België een erg chaotische periode waren. Hierover bestaat wel literatuur[255], deze is zeer specifiek is en doet weinig ter zake voor hetgeen in dit deel besproken wordt, namelijk de strijd om erkenning. Ik plaatste het overzicht van de gebeurtenissen in september – oktober ’44 hier vlak voor omdat het enkele zaken bevat die essentieel zullen blijken voor de lange strijd om erkenning die het KL zal voeren. Vooral dan de gebeurtenissen aangaande de disputen met het GL, dat moeite had met het erkennen van het KL als een onafhankelijke beweging. Hierop zal zodadelijk verder worden ingegaan. Eerst volgt nu een overzicht van de algemene toestand aan de hand van de uitstekende thesis van Pieter Lagrou, die de politieke strijd van de verzetsbewegingen bespreekt[256].

 

1) Het algemene kader [257]

 

1.1 Het herstel van de regeringsmacht

 

Van bij de aanvang van de oorlog in 1940 was het één en ander misgelopen in de politiek. De regering was samen met het parlement gevlucht om vanuit Frankrijk samen met de geallieerden de strijd verder te zetten. De koning had besloten in het land te blijven en zich aan de Duitsers over te geven. Voor de regering werd de vorst zo een verrader, voor een groot deel van de bevolking eerder een held omdat hij het land voor verder kwaad had behoed. Frankrijk kon de machtige Duitse oorlogsmachine niet weerstaan en de regering moest opnieuw vluchten. Uiteindelijk kwam ze in Engeland terecht en, mede door het bezit van een grondstofrijke kolonie, werd ze door de Britse overheid erkend als regering in ballingschap. Al in 1940 waren er al zendingen naar het bezette gebied. Onder andere om contact te herstellen met de koning, deze pogingen mislukten. Daarnaast werd geprobeerd om een inlichtingennet op te zetten. Minister Gutt stuurde mensen in september ’40 naar Lissabon en onbezet Frankrijk om in België te raken. Twee maanden later werd binnen het ministerie van defensie een nieuwe afdeling opgericht: de staatsveiligheid. Deze zal samen met de Britse geheime diensten proberen om zoveel mogelijk informatie uit de bezette gebieden te krijgen. Zoals eerder al vermeld waren er ook contacten met verzetsbewegingen vooral dan met de organisatie die uiteindelijk de naam Geheim Leger zal meekrijgen. De regering doet er alles aan om de bevrijding zo goed mogelijk voor te bereiden. In Engeland worden een vijftigtal verbindingsofficieren opgeleid om bij de bevrijding als eerste de lokale toestand te leren kennen en de regering in staat te stellen om in een zo kort mogelijke tijdsspanne de rust te herstellen.

Er is één groot probleem. In 1944 is het vijf jaar geleden dat er nog eens verkiezingen zijn geweest. In die tijd was er heel wat gebeurd. Bovendien waren de ministers door hun lange afwezigheid ook de voeling met het publiek verloren. Daartegenover stond wel dat het verzet hopeloos verdeeld was. Je kwam handen te kort om al de verschillende groepen te tellen. Je had communisten, die waren de meest duidelijke groep, maar dan had je ook nog liberaal geïnspireerde groepen, zoals de WB, maar ook socialistische, groepen die voor een sterke monarchie waren, groepen die louter streefden voor het herstel van de toestand van voor de oorlog, groepen die onvoorwaardelijk trouw waren aan de vorst, groepen die een radicale ommekeer wilden,… Bij de bevrijding waren het enkel de communisten die min of meer over een politiek plan beschikten. Hun rangen waren wel erg uitgedund door de harde aanpak van het linkse verzet door de Duitsers. Andere bewegingen beschikten nauwelijks over een politiek programma. Eén ding hadden ze wel allemaal gemeen: ze wilden in plaats in het nieuwe bestel. Dit laatste was iets wat hen bij de regering in Londen erg gevreesd maakte.

In september ’44 kwam dan de langverwachte bevrijding. Deze was niet echt de bevrijding zoals de verzetsmensen deze misschien gedroomd hadden. Velen van hen waren jaren bezig geweest met het zorgvuldig uitbouwen van een netwerk en het voorbereiden van de ultieme dag om dan in actie te kunnen komen tegen de gehate bezetter. Zover kwam het voor de meeste niet. Want de geallieerden raasden aan een enorm hoge snelheid door het land. In minder dan zes dagen waren de geallieerden van Doornik tot in Tongeren doorgedrongen, twee dagen na de hoofdstad was de Antwerpse haven al bevrijd. Van een openlijke gevecht met de vijand was voor het gros van de weerstanders niets in huis gekomen. Dit betekende niet dat zij zomaar hun strijd zouden staken. De Duitsers gaven zich maar op 8 mei 1945 definitief over. Er was dus in september ’44 nog heel wat te doen, en vele weerstanders wilden hier wat graag hun steentje in bijdragen. De geallieerden wilden dit overigens ook en vroegen aan de Belgische regering om troepen van het verzet buiten de landsgrenzen in te zetten[258]. In die maand was er wel nog werk te doen in eigen land. Want de bevolking schreeuwde om wraak en de collaborateurs waren hier het doelwit (of slachtoffer) van. In die wraak op zich speelde het verzet geen grote rol. Wel in de arrestaties en het bewaken van de detentiekampen. Het optreden van verzetsmensen was niet altijd positief, maar in vele gevallen heeft het verdere chaos voorkomen.

Op 8 september ’44 is de Belgische regering na vier jaar ballingschap terug in het land. Vijf dagen later werden acht weerstandsbewegingen officieel erkend[259], deze mogen wapens dragen en ontvangen een soldij van veertig frank per dag. De eenentwintigste wordt prins Karel regent. Zes dagen later komt een regering van Nationale Unie tot stand, onder leiding van, de man die in Londen eveneens de rol van premier vervulde, Pierlot[260]. De nieuwe regering is uitgebreid met drie verzetsministers, slechts één van hen heeft ook een effectieve portefeuille. Dit was het gevolg van een weldoordachte tactiek die Pierlot was beginnen voeren nadat hij de achttiende september het rapport van Ganshof van der Meersch, de chef van de staatsveiligheid, had ontvangen. Dat stelde dat het verzet de grootste bedreiging vormde voor de veiligheid van het land. Dit deed de premier overgaan tot het voeren van een dubbele tactiek. Langs de ene kant trachtte hij het verzet voor zich te winnen (o.a. door mensen uit hun rangen tot minister te benoemen), terwijl hij langs de andere kant er zich tegen begon te wapenen. Zo verzocht hij de geallieerden om wapens voor de nieuwe rijkswacht[261] en hij vroeg ze ook om een omvangrijk troepencontingent in het land te houden. Daarbij kwam dat de regering niet wou dat verzetstroepen in het buitenland zouden ingezet worden. Want dit zou ervoor zorgen dat de weerstand populairder en meer één gemaakt uit de oorlog zou komen. De geallieerden kwamen aan deze vragen tegemoet want ze aanzagen België, samen met Italië en Griekenland als één van de meest onstabiele democratieën in Europe en vreesden dat de toestand er kon escaleren.

Dit alles bezorgde Pierlot een dubbel probleem, enerzijds zat hij met een verzet zonder functie (dat hij zo snel mogelijk wou ontbinden), anderzijds moest er dringend een nieuw Belgisch leger opgestart worden. Voor de oprichting van dat leger kon de overheid terugvallen op drie rekruteringsgroepen. De troepen van generaal Piron die hadden meegevochten in Normandië. De vooroorlogse kaders (maar die werden erg bekritiseerd, vooral vanuit de linkse verzetsgroepen) en de verzetsgroeperingen zelf. Bij die laatste waren er al zo’n 80 000 actief in het statuut dat gecreëerd was bij de erkenning van de acht verzetsgroepen. De regering wou zo veel mogelijk uit die laatste groep rekruteren. Eerst wou de regering vooral het verzet ontwapen, maar ze was bang om de stap zelf te zetten, want ze vreesde de gevolgen van een dergelijk order. Daarom werden de geallieerden ingeschakeld en op 2 oktober vaardigde generaal Eisenhower een dagorder uit in België waarin vermeld stond dat de taak van het verzet volbracht was en ze hun wapens mochten inleveren. Generaal Gérard, zelf een notoir weerstander, werd de nieuwe opperbevelhebber van de Belgische krijgsmacht. Maar de modaliteiten voor de inlijving waren nog niet bekend, deze kwamen er pas eind oktober, bijgevolg weigerden vele weerstanders te ontwapenen. Als die voorwaarden dan uiteindelijk bekend worden, blijkt dat enkel individuele inlijvingen toegestaan werden. Een verzetsgroepering kon dus niet, samen met zijn eigen bevelhebbers, opgaan in het nieuwe leger. Dit zorgde voor een grote verbittering binnen de rangen van het verzet. Gérard was op de hoogte van deze misnoegdheid en gaat bijgevolg er traag en behoedzaam te werk. Erskine, de geallieerde bevelhebber voor België, wou echter de troepen die in België gelegerd waren elders inzetbaar maken en eiste meer spoed. Om de regering hierin wat te stimuleren belooft hij een gewapende tussenkomst indien het verzet zou weigeren om te ontwapenen[262]. Dit sterkt de regering en deze vordert de inlevering van de wapens tegen 1000 frank, enkele honderden franken voor een battle dress[263] en zware straffen voor iedereen die deze zaken niet naleeft[264]. Dit doet de bom barsten bij het verzet en de verzetsministers, deze nemen ontslag. Erskine komt tussen en zorgt voor een compromis: de weerstanders moeten hun wapens niet bij de rijkswacht maar rechtstreeks bij de geallieerden inleveren.

 

1.2 Het statuut van de gewapende weerstand

 

Pierlot was eigenlijk na de oorlog liever geen premier meer geweest, want hij wist dat de eerste naoorlogse eerste minister een erg zware taak zou hebben. Zowel de Britten als de Belgische bevolking hadden erg veel kritiek op het bestuur. Dit was volgens hen niet daadkrachtig genoeg en kon de problemen niet snel genoeg oplossen er was onvoldoende samenhang en de bevoorradingsproblemen bleven aanslepen. Gevolg van dit alles: op 7 februari 1945 valt de regering Pierlot. Vijf dagen later wordt de regering Van Acker I boven de doopvont gehouden[265]. Hierin zat maar één “Londenaar” meer, namelijk P.H. Spaak. Boven het hoofd van deze nieuwe ministers ging een enorm zwaard van damocles: de koningskwestie. Leopold III was samen met zijn gezin door de Duitsers naar Duitsland gebracht in juni ’44[266]. Een dag voor de Duitse capitulatie, zeven mei ’45, werd hij door Amerikaanse troepen in het Oostenrijkse Strobl bevrijd. Dit opende de vraag over de terugkomst en de toekomst van de fel bekritiseerde vorst. De CVP ging unaniem achter de vorst staan en sloot zich zo uit van verdere regeringsdeelname. Zeventien februari ’46 worden de eerste naoorlogs verkiezingen georganiseerd, deze staan volledig in het teken van de koningskwestie. Voor vele weerstanders is Leopold de verpersoonlijking van de collaboratie, als hij niet gestraft wordt, wie zouden ze dan wel nog kunnen straffen? Dit was niet zo bij iedere groepering. De NKB en Het GL gingen voluit voor de terugkeer van de koning, andere groepen waren niet echt op het innemen van een standpunt te betrappen, zoals de BNB en groep G. De kwestie bleef tot in 1951 aanslepen[267].

Het verzet had zich ondertussen steeds verder ingewerkt in de politiek. Twee partijen wierpen zich in het bijzonder op als verzetspartijen. Er was de UDB[268] die deel uitmaakte van de regering Van Acker I. Deze partij was een niet confessionele travaillistische partij die ontstond in oktober 1944. Ze promootte zijn kandidaten door hen samen met hun functie in het verzet naar voor te schuiven (o.a. Generaal Gérard stond op hun lijst). Het speelde vooral in op de verzetsproblematiek, in de jaren 1945 – 46 was deze nog erg actueel maar politiek weinig bruikbaar. De andere verzetspartij was de communistische KPB, deze verweet de regering Pierlot een schandelijke behandeling van het verzet en ijverde voor het aftreden ervan. Dit waren niet de enige verdedigers van de weerstand, men vond ze ook terug bij de socialisten en liberalen. Tussen augustus ’45 en maart ’47 waren er zeven verzetsministers. Vijf die afkomstig waren uit het OF en twee van de UDB[269].

In februari 1945 werd de Nationale Raad van de Weerstand opgericht [NRW]. Deze kreeg als taak, naast het verwerken van de aanvragen om erkenning van de verschillende weerstandsorganisaties, o.a. de leningen te vergoeden die sommige verzetsorganisaties hadden aangegaan en daarnaast ook privé personen. Plus het bekijken wie eerbetuigingen van de regent verdiende. Daarnaast werd ook vlijtig gewerkt aan het opstellen van een statuut van gewapende weerstander. De regeling voor het verkrijgen van de erkenning was er uiteindelijk één waarbij veel vragen gesteld konden worden. Ze was gecreëerd door de voorzitter van de NRW, dhr. Smolders, die tevens ook verantwoordelijke was binnen de raad voor het GL. De belangrijkste kritieken zijn dat de regeling die tot stand kwam het gevolg was van een eenzijdig militaire kijk op de situatie[270], daarnaast zette ze de poort open voor fraude. De geallieerde bevelhebber voor België, Erskine, zat ondertussen wel te wachten op troepen om een bezettingsmacht in Duitsland te vormen. Op 1 december 1944 had hij de regering om 91 000 man gevraagd, in februari ’45 had hij die eis al terug gebracht tot 11 000 man. Desondanks bleef de oprichting van een Belgische krijgsmacht prioritair voor de regering Van Acker I. In mei ’45 wou hij een leger van 53 700 troepen, waarin plaats zou zijn voor 25 000 voormalige verzetsstrijders. Daarnaast zou men het officierenkorps uitzuiveren door aan de officieren een vragenlijst op te sturen. Van de 80 000[271] verzetslieden die zich klaar hadden gehouden voor het verder zetten van de strijd kon dus iets meer dan een vierde doorvloeien naar het leger, dit lag de weerstand erg zwaar op de maag. Bijgevolg was er sterke verdeeldheid binnen hun rangen omtrent de goedkeuring van het door Smolders voorgestelde statuut. Het OF kwam met drie tegenargumenten opdraven. Zij konden niet leven dat de uiterste grensdatum om erkend te worden 4 juni 1944 was, ze wilden niet dat er onderscheid werd gemaakt tussen de weerstanders en wilden geen uitsluiting op basis van het strafregister. Tot slot wilden ze een naturalisatie van buitenlandse medestrijders[272]. Ondanks dit proces werd het voorstel van het statuut van de gewapende weerstand goedgekeurd en de negentiende september ’45 als wet aanvaard. Op dat moment zat men namelijk op een hoogtepunt binnen de koningskwestie en bijgevolg heerste een klimaat van pakken wat men krijgen kon. De erkenningsprocedure was bovendien zodanig geregeld dat iedere groep zelfstandig kon beslissen wie erkend werd en wie niet[273]. – Het GL ontpopte zich tot één van de grootste misbruikers van de procedure die ze zelf mee hadden opgesteld[274] - In 1950 waren bijgevolg al 141 444 mensen erkend als weerstander. Men ging in die dagen openlijk leden ronselen, zelfs al hadden die tijdens de oorlog helemaal niks gedaan[275]. Dit was geen enkel probleem want de wetgeving was zodanig dat geen enkel beroep tegen de beslissing van de commissie mogelijk was. Toen de regering pogingen ondernam om dit tegen te gaan stuitte ze op de wetgeving die ze zelf mee tot stand had laten komen. In 1948 wou ze namelijk een herzieningscommissie laten optreden, deze werd echter door de Raad van State vernietigd. Pas in 1952 kon men, na een wetswijziging, over een herzieningscommissie beschikken.

Tot slot dient nog even het aparte statuut van het GL toegelicht te worden. Op 27 oktober 1949 dient het GL via de CVP een wetsvoorstel in ter bekrachtiging van zijn aparte statuut. Dit hield o.a. in dat de beweging zou opgericht zijn door de regering, wat niet klopt. De bedoeling die het GL hiermee had, was voornamelijk een erezaak en om twijfelachtige dossiers van officieren te helpen om ze zo een voetje voor te laten hebben bij militaire promoties. Het voorstel veroorzaakte scherpe kritiek bij de andere groepen, maar werd uiteindelijk wel goedgekeurd. Deze gebeurtenis valt ook in te kaderen in een ander gegeven, namelijk de koude oorlog. Leden van het GL wilden niet langer aanzien worden als weerstander maar wel als militair. Want binnen die weerstand waren ook talrijke communisten actief geweest, en die waren nu de nieuwe vijand geworden. In 1950 begon de oorlog in Korea, de wereld draaide verder en de problematiek van het verzet verdween vrij snel van de politieke agenda.

 

2) De evolutie van het KL doorheen deze periode

 

Het is moeilijk om deze periode in te delen in kleinere segmenten. Eigenlijk gaat het om een doorlopende stroom van voornamelijk brieven, maar ook van artikels en rapporten. Om nog enig overzicht te houden heb ik de tekst onderverdeeld in een aantal paragrafen. Deze zijn gebaseerd een aantal ijkpunten in de erkenningsstrijd van het KL. Daarnaast komen er een heleboel persoonsnamen in de brieven naar voor. Deze staan allemaal voor één of andere dienst of organisatie. Voor het behoud van het overzicht zal ik telkens na deze namen vermelden van welke dienst ze zijn.

 

2.1 De eerste poging 18/11/1944 – december ‘45

 

Op 18 november 1944 schrijft Dupret aan kolonel van Nijen [provinciaal commando GL Antwerpen] dat hij orders heeft ontvangen waaruit blijkt dat kapitein Van Der Elst [GL’er] voortaan chef is van het detachement waar het KL deel van uitmaakt. Als commandant van het KL kan hij dat niet aanvaarden en daarom biedt hij zijn ontslag aan bij het GL. In afwachting dat deze zaak geregeld zal worden met generaal Bouwens draagt hij het commando over aan kapitein Daelen [KL’er]. Het verbaast hem ten zeerste kapitein Van Der Elst de bevoegdheid krijgt om hem bevelen te geven. Want het was het KL dat in het arrondissement Turnhout de grootste was en niet het GL dat er maar erg weinig leden telde[276]. Dupret zat met zijn mannen ondertussen in Zundert (Nederland)[277], na het commando overgedragen te hebben keert hij terug naar Turnhout. Enkele dagen later ontving Dupret een brief waarin generaal Pire[278] het GL verbood dat leden van zijn organisatie aan enige politieke manifestatie zou deelnemen. Interessant hierbij is de hoofding waarin wordt aangegeven naar welke locaties het bericht werd gestuurd. Turnhout staat er twee maal in, de ene keer met GL en de tweede maal met KL ervoor vermeld. Dit toont aan dat het GL het KL als één van de zijne beschouwde, maar dan wel één die op zijn eigen naam kon rekenen. Daarbij komt ook dat Dupret zijn brieven ondertekend als commandant van het KL/GL. Dezelfde dag van de brief van generaal Pire krijgt Dupret ook een brief van de staf van de commandant van de provincie[279]. Daarin wordt de benoeming van kapitein Van Der Elst toegelicht. Volgens hen was deze logisch want het gaat om iemand die zich bevond in de sector Brasschaat waar de man reeds actief was. De commandant wijst erop dat hij zich wel degelijk bewust is van de waarde van de mannen van het KL, die is even groot als de meest ervaren mensen, en hij herinnert Dupret eraan dat het hijzelf was die voorstelde om het KL aan het GL te linken. Hij [de provinciale commandant] stelt dat hem niets te verwijten valt en dat hij enkel zijn plicht als soldaat doet. Dupret neemt hier echter geen genoegen mee, de laatste dag van het jaar stuurt hij nog een brief naar de commandant van Zone II van het GL. Deze antwoordt hem op 2 januari ’45[280]. Hierin reageert hij op enkele uitlatingen die de KL bevelhebber in zijn brief heeft gedaan. Zo heeft die blijkbaar gezegd beter af te zijn bij de NKB dan bij het GL, dat trouwens enkel gesticht zou zijn geweest om postjes te kunnen verwerven. De GL commandant reageert dat zijn beweging enkel zijn vaderlandse plicht heeft gedaan, zonder daarvoor iets in ruil te eisen. Dit zegt hij omdat hij denkt dat Dupret insinueert dat het KL bij de NKB meer voordeel gekregen zou hebben. Nog in januari, de vierde, wordt de Unie van de Weerstand in Turnhout opgericht. Deze verenigt de Turnhoutse afdelingen van de verzetsgroepen OF, KL, BNB en NKB. Samen zullen ze proberen hun belangen te verdedigen. Hierbij komt dat het KL nu het blad “Front”[281] onder zijn leden zal verspreiden[282]. Niet iedereen is hier even gelukkig mee. Teuns [KL officier] weigert het blad onder zijn leden te verspreiden als verklaring hiervoor schrijft hij: “Het is mij onmogelijk en tevens verboden propaganda te voeren […] Vele leden van het KL zijn het met het weerstandsblok [= Unie van de Weerstand] niet eens, doch wenschen na den oorlog de KL te zien opgericht”. Dupret verdedigt de Unie en het blad. Het blok is namelijk het enige middel om de algemene belangen te verdedigen en het blad is er omdat ze er zelf geen hebben[283] en de leden van de ontwikkelingen op de hoogte moeten blijven[284]. Hiermee is het probleem zeker nog niet van de baan, P. Duym [KL officier Hoogstraten] zegt dat het OF misschien niet zo’n goed idee is, want het is een communistische organisatie[285]. De onenigheden tussen het KL en Het GL blijven zich ondertussen opstapelen. Het GL stuurt de eenendertigste maart naar alle leden dat het KL een onafhankelijke beweging wenst te worden. Bijgevolg kunnen leden van het GL onmogelijk ook lid zijn van het KL. Het KL is niet erkend en mensen die voor deze beweging zouden kiezen, verliezen hierdoor alle voordelen die ze bij het GL, een erkende beweging, hadden[286]. Dupret reageert meteen en stelt een handig document op waarop leden enkel hun naam en handtekening moeten invullen om zo te bekrachtigen dat ze lid blijven van het KL. In de begeleidende brief schrijft Dupret: “ […] Deze handelswijze is het GL onwaardig en U hebt het ook zoo beoordeeld. Wij begrijpen dat de enkele officieren, zonder manschappen, van het GL in onze streek hunne kaders zoeken te verstevigen, maar vinden het onrechtvaardig dit te doen ten koste van een andere groep, die sterk en eendrachtig is, en dien ze zoekt te verdeelen. Er kunnen geen twee groepeeringen KL bestaan, waarvan de ééne onafhankelijk is en de andere aangesloten zou zijn bij het GL.[…]” Verder zegt hij dat het KL één aaneengesloten blok moet blijven, maar als leden dit briefje niet ondertekenen, zullen ze de voorrechten die ze als weerstander toekomen niet verliezen. Hij eist dat hun rechten, met of zonder het GL, geëerbiedigd worden. Na een vergadering, en het inwinnen van inlichtingen, zal het KL beslissen of het al dan niet bij het GL aangesloten blijft[287].

Op 6 mei publiceert de bevelhebber van het GL voor Turnhout, Beerse en Vosselaar, J. Feyen, een pamflet aan de bevolking van Beerse waarmee hij hen wil informeren over acties onder de naam van de weerstand. Niemand mag, volgens hem, de naam van de weerstand dragen. Het NKB niet, want die zijn hun actie maar na de bevrijding gestart. Het KL niet, want die is niet erkend door de regering. De WB – Fidelio werkt met hen samen en zijzelf mogen hun naam niet langer gebruiken want die werd door generaal Pire ontbonden[288]. Dupret begint stilaan van zijn kant alle mogelijke middelen aan te wenden om zo snel mogelijk zijn beweging erkend te zien. De eenendertigste mei schrijft hij naar Majoor Van Den Heuvel in het koninklijk paleis. De brief gaat als volgt: Ik geloof niet dat u het feit ontkent dat het KL, tijdens de bezetting, gewerkt heeft voor de bevrijding van zijn land en voor zijn koning. Vandaag wordt er een campagne gevoerd door een luidruchtige minderheid tegen de vorst, we zullen hier heftig tegen reageren en dit blijven doen. […] Zou de koning misschien bereid zijn onze beweging te eren door het erevoorzitterschap ervan te aanvaarden? […] Ik twijfel niet over de gevoelens die u koestert ten overstaande van het KL, een lokale beweging die onafhankelijk wenst te blijven, en het is daarom dat ik durf u te vragen om bij de eerste minister de vraag die we bij hem ingediend hebben om officieel erkend te worden te benadrukken. […][289]. Een paar dagen later schrijft hij ook nog baron P. De Vicq de Cumptich, de plaatselijke leider van het NKB[290]. Hij vraagt hem om steun voor de erkenning van het KL. Dupret hoopt dat de zaak snel geklonken zal zijn, in een brief laat hij weten dat de erkenning van het KL op 26 juni zal voorkomen voor de NRW[291]. Enkele dagen later laat baron P. De Vicq de Cumptich weten dat hun afgevaardigde bij de NRW in Brussel hem verteld heeft dat de aanvraag voor erkenning van het KL op het goede spoor zit en hij hoopt op een gunstige uitkomst[292]. Dat gunstig nieuws blijft echter uit. Dupret stuurt een telegram naar de NRW, maar het blijft stil. Aan Potti, een lid van het KL dat bij het Amerikaans leger in Duitsland zit, schrijft hij het volgende: “[…] We zijn nog altijd zonder beslissing betreffende de officiële erkenning van het KL. Vermits ieder administratie die zich respecteert de beslissing op de lange baan schuift. Wij hebben nochtans herhaaldelijk aangedrongen […]”[293]. In augustus gaat hij ministers beginnen aanspreken. In een open brief roept hij de achtste augustus minister Grégoire[294] als eerste vertegenwoordiger van de weerstand, zijn plicht te doen. Zo vraagt hij hem om de epuratie tot in de hoogste rangen door te voeren. Het KL zal hem hier zeker behulpzaam bij zijn. Eveneens verzoekt hij de minister om zijn collega verzetsmensen niet te vergeten en in de mate van het mogelijke hun erkenning te steunen. Hieraan voegt hij nog een aantal suggesties toe waardoor de epuratie vlotter zou gaan en mensen makkelijker zouden gaan getuigen[295]. De achtentwintigste schrijft hij opnieuw twee ministers, weliswaar minder openbaar, aan. De eerste brief is aan Minister Van Glabbeke van binnenlandse zaken. Daarin staat dat Dupret hem wil herinneren aan wat de minister aan hem had belooft, toen hij de dertiende bij de minister op bezoek was, namelijk dat hij de aanvraag om erkenning, die ze in december ’44 hadden ingediend, gunstig zou benadrukken. Ook de minister van justitie, Grégoire, wordt opnieuw aangeschreven. Naast de vraag om de erkenning positief te bespoedigen, vraagt Dupret hem ook nog enkele zaken aangaande collaborateurs. Zo vraagt hij om het VOS niet te vergeten bij diegene die U [de minister] van plan bent te schrappen, wegens hun houding tijdens de bezetting en hun pro – Duitse statuten die in april ’41 werden ingevoerd[296]. Een paar dagen later krijgt Dupret antwoord van de kabinetschef van de minister van justitie, die deelt mee dat de minister nota heeft genomen van de zaken die de KL commandant aangehaald heeft. Begin september krijgt Dupret een brief van de minister van defensie, waarschijnlijk had hij hem ook aangeschreven. Die deelt mee dat zijn de aanvraag om erkenning niet naar zijn kabinet gestuurd is geweest, maar naar dat van de eerste minister. Het lijkt hem dus logisch dat de vraag om informatie omtrent deze zaak naar dat kabinet gericht wordt. Dupret antwoordt hem dat het KL de enige effectieve weerstandsgroepering was in het arrondissement Turnhout. Daarom kan het bijna niet anders dan dat ze erkend worden[297]. In een poging om deze erkenning sneller te bereiken vraagt Dupret aan zijn leden om adressen te zoeken van politieke gevangenen. Zodat ze met hen een blok kunnen vormen en zo meer druk kunnen zetten[298].

De problemen met het GL blijven nog steeds aanwezig, alhoewel Dupret nu niets meer via die organisatie probeert te regelen. Van Laer, de kapitein van het GL, trachtte toenadering te zoeken tot het KL door voormalige KL’ers die in het leger onder hen dienden vrijaf aan te bieden. Dit heeft geen gevolgen voor het standpunt van Dupret. Zondag zestien september valt Dupret met een dertigtal KL’ers binnen op een feest van het GL ten voordele van hun organisatie. De KL leider vraagt hen voor wie de opbrengst is want het GL had in de streek slechts enkele leden[299]. Hij zal zich een aantal dagen later in een artikel voor deze daad verontschuldigen[300]. Later die maand verneemt de commandant dat de afdeling Herentals van het GL erkend is. Hierop stuurt hij een protestbrief naar minister Mundeleer [van defensie]. Hij vraagt zich daarin af hoe het komt dat die groep erkend is terwijl het KL nu 2500 leden heeft en tijdens de oorlog 4600 leden had. Bovendien bestaat het GL Herentals voornamelijk uit leden van het KL[301]. De minister ontkent dat hij deze groep bevoordeeld zou hebben[302]. Leden van het KL zitten onderwijl ook in met de erkenning van hun vereniging. Sommige sturen brieven naar Dupret om te vragen hoe lang het nog gaat duren vooraleer de erkenning er eindelijk is. Andere laten weten dat er iets in het Belgisch Staatsblad verschenen is en dit misschien het ogenblik zou betekenen om de erkenning definitief te regelen[303].

 

In Brussel werd in die dagen gewerkt aan het eerste rapport over het Kempisch Legioen. In het rapport wordt de werking beschreven zoals die aan bod is gekomen in deel I, de onderzoekers hebben er wel een aantal bemerkingen bij geplaatst. Zo schrijven ze over de aard van de beweging: “Ce n’est donc pas seulement un mouvement patriotique mais avant tout une troupe de soldats volontaires au service de leur Roi et de leur Patrie.», en over het aantal leden: «Auprès de Commissions de Contrôle Gouvernementales, la Kempisch Legioen a introduit environ 1.100 dossiers. 6 à 700 membres suraient été repris par l’A.S. après la libération (au dossier se trouve une circulaire A.S. envoyés au membres de la Kempisch Legioen).» De toute façon un effectif de 4.600 hommes pour l’époque clandestine et pour le seul arrondissement de Turnhout me semble nettement exagéré. De eindconclusie van het rapport is dat het KL een verzetsbeweging was die opgericht is voor de vierde juni ’44. Ze heeft echter geen acties ondernomen voor september van dat jaar en haar werkingsgebied was erg beperkt (regio van Turnhout). Daarom lijkt het me beter het KL niet als een autonome verzetsgroepering te erkennen en ze, voor de liquidatie, te laten aansluiten bij een andere, reeds erkende vereniging[304].

29 oktober 1945 laat Dupret weten dat hij de dag erop naar de NRW moet, want er is een vergadering over de toestand van het KL. Blijkbaar is deze bevredigend voor hem want twee dagen later schrijft hij in een brief het volgende: “[…] vermits het Kempisch Legioen op datum van 30/10/1945 officieel erkend is geworden, is er geen reden meer voor onze leden om zich aan te sluiten bij het AS […]”. Dupret bedankt de minister van defensie die dag nog voor de erkenning van hun beweging. Hij begrijpt dat ze geen vertegenwoordiger in de NRW kunnen hebben, want het KL telt geen 10 000 leden. Ze zullen daarom zo snel mogelijk contact opnemen met een bevriende verzetsorganisatie om via hen vertegenwoordigd te worden in de raad[305]. Van Laer was hiernaast nog steeds bezig met het zoeken van toenadering met het KL. Zo laat Van Thienen [KL officier Geel] weten dat de GL’er in dit kader bij hem op bezoek is geweest. De officier heeft hem gevraagd of er geen overeenkomst viel te bereiken en of het KL niet samen met hen zou gaan betogen[306]. Van Laers pogingen zijn tevergeefs. Op een vergadering de elfde november beslissen de leden van het KL zich aan de WB - fidelio te verbinden. In het verslag van de vergadering worden eerst en vooral bedankingen gericht aan het adres van mijnheer Bosschaerts [afgevaardigde in de NRW voor de WB Fidelio][307], de eerste ministers en de ministers Mundeleer en Van Glabbeke. Daarnaast wordt in het verslag de mening van commandant Dupret geciteerd. “Er kan gekozen worden uit de 5 volgende groeperingen: GL – BNB – OF – WB/Fidelio. Gezien de moeilijkheden dewelke ons door het G.L. is den weg werden gelegd en de houding van hun afgevaardigde op de vergadering van den NRW van 29 oktober 1945, wordt deze beweging niet aanbevolen.” Bij de stemming worden zeventien stemmen voor de WB - Fidelio uitgebracht, één voor het GL, twee voor het BNB net als voor de NKB en het OF, vijf mensen stemmen blanco en één stem is ongeldig verklaard[308]. Dit geeft nog steeds geen oplossing voor de toestand met het GL. Dupret schrijft de veertiende aan iemand in Merksplas dat de situatie erg pijnlijk is. Ze hebben nog niet beslist wat ze gaan doen met mensen die na de bevrijding het KL verlaten hebben, om zich bij een andere vereniging aan te sluiten. Hij heeft begrip voor deze actie, vooral voor de ongeletterden onder hen, omdat ze vrezen de voordelen van het statuut van gewapende weerstander te verliezen. Hij heeft op een vergadering van de NRW of een beweging leden van andere organisaties kon aanwerven, dit is niet mogelijk. Zodoende zal hij onderzoeken welke acties hij kan ondernemen tegen die bewegingen en tegen de mensen die zich via hen laten aansluiten. Dit moet niet aanzien worden als een poging om diegene onder druk te zetten maar louter als de plicht om de belangen van het Kempisch Legioen zo goed mogelijk te verdedigen[309].

Nu het KL erkend is, wil Dupret een aantal geldzaken geregeld zien. Want omdat het KL niet meteen erkend is geworden werden alle rekeningen geregeld via het GL. Daarnaast zijn er fondsen die het KL graag gedeblokkeerd zou zien, voorlopig wordt dit echter nog geweigerd[310].

Naast zijn inspanningen om het KL erkend te krijgen, blijft Dupret zich ook inzetten voor zijn mensen. In het archief van het Kempisch Legioen zijn talloze brieven terug te vinden die de commandant schrijft om zijn mannen te helpen. Bij hun inlijving in het leger, aanbevelingen voor werk, een bakkerij die wegens ongeregeldheden zes maanden moet sluiten. Bij dit laatste schrijft Dupret zelfs een brief naar de regent om de beslissing van de rechtbank ongedaan te laten maken.

 

2.2 De tweede poging januari ’46 tot november ‘47

 

In de eerste maand van 1946 krijgt Dupret een heel aantal brieven van mensen die zich niet langer bij het KL wensen aan te sluiten, maar besloten hebben over te stappen naar het GL. Onder hen o.a. de weduwe van de stichter, mevrouw Bobon[311]. Er zijn vrij veel weduwes van overleden verzetsmensen die de overstap doen. Dit omdat ze via het KL grote kans lopen om de uitkeringen, die ze broodnodig hadden, mis te lopen. Later, als duidelijk wordt dat dit geen reëel gevaar is, zullen vele van hen op die beslissing terugkomen. Daarnaast blijven ook andere manschappen overlopen naar het GL. Zo gaat Louis Verrrees met zijn afdeling van het KL in Mol over in het GL. In de eerste twee maanden van ’46 kiezen zo’n zeventien mensen ervoor om zich bij die beweging aan te sluiten. Dupret probeert ondertussen zich zo sterk mogelijk af te scheiden van het GL. Hierover gaan sommige zich vragen stellen. De Poorter Juul van de verbroedering van het GL in Arendonk vraagt de precieze redenen waarom Dupret niet langer deel uit wenst te maken van het Geheim Leger, maar wel aansluiting gaat zoeken bij een organisatie waarmee voor of tijdens de bevrijding geen enkel contact mee is geweest [WB – Fidelio][312]. Over deze uitspraken komt een korte briefwisseling over op gang, uiteindelijk doet Dupret zijn standpunten uitgebreid uit de doeken: “Dat het KL nooit aangesloten is geweest bij het GL, maar slechts gewerkt heeft in samenwerking met deze, zooals de Witte Brigade gedaan heeft wanneer zij het contact met Londen verloren had. Er is dus geen sprake van ontslag, zooniet zou de Nationale Raad van den Weerstand, bij de erkenning van het KL, ons niet de keuze gelaten hebben tusschen de afgevaardigden van de verschillende groepeeringen, om ons in zijn raad te vertegenwoordigen. Dat er voor niemand kwestie is, te kiezen tusschen K.L./Fidelio of KL/GL, gezien er maar één KL bestaat. Dat de aansluiting van het KL bij de Witte Brigade-Fidelio gesteund werd door verschillende afgevaardigden, die op de vergadering van 11 november ’45 tegenwoordig waren (vergadering waarop U ook uitgenoodigd waart, zooals iedereen)”. Verder besluit hij dat het KL een democratische beweging is en dat men zich dient neer te leggen bij de beslissing van de meerderheid, en dat het GL zich beter ook bij hun beslissing zou neerleggen[313]. Tegenover deze pogingen om zich steeds meer van het GL te distantiëren, staat dat Dupret bij andere bewegingen steun probeert te vinden voor zijn strijd. Hierbij zoekt hij toenadering tot de MNB en de NSB, een vereniging van oud-Strijders[314]. De officiële erkenning blijft nog steeds uit. Dupret hoopt van de eerste verkiezingen gebruik te kunnen maken om hierin verandering te brengen. Zo komt hij op voor de kamer op de lijst van de UDB[315].

Deze poging draait weerom op niks uit. De erkenning laat nog steeds op zich wachten, maar dit betekend niet dat de KL commandant zomaar de strijd opgeeft. Opnieuw gaat hij naar het hoogste niveau en schrijft hij minister Mundeleer, van defensie, aan. Daarin meldt Dupret dat het voor hem onmogelijk is om verder te gaan met de liquidatie van zijn verzetsorganisatie omdat ze nog steeds niet erkend zijn. Wat misschien wel te wijten was aan het feit dat zij [het KL] op de eerste plaats meer belang hechten aan hun leden dan sommige erkende organisaties die niet bepaald bezorgd zijn of hun leden echt wel goede weerstanders zijn[316]. Daarnaast probeert hij het op dat moment te redden via de voorlopige erkenning. Daar kan hij nog niet erg veel mee aanvangen want er is nog niks over in het Belgisch Staatsblad verschenen. Dit probeert hij dan ook zo snel mogelijk te regelen, en zorgt ervoor dat alles zeker in orde is[317]. Want het GL dreigt steeds mee leden in te pikken. Iets wat Dupret niet zomaar over zijn kant laat gaan, via de NRW protesteert hij hier heftig tegen. “Het GL heeft geprofiteerd in ons arrondissement Turnhout van het feit dat het KL nog niet officieel erkend is om het grootst mogelijk aantal van onze leden te rekruteren. Hiermee gaat het vandaag de dag nog steeds mee door, ondanks het feit dat hun afgevaardigde aanwezig was op de vergadering van 30/10/1945, waar u me aangekondigd heeft dat het KL erkend was maar zich bij een andere, reeds erkende, beweging moest aansluiten. […] Vele leden vrezen hun rechten als weerstander te verliezen en dienen daarom hun ontslag in om zich bij het GL aan te sluiten. Maar het GL kan die mensen toch niet erkennen, want ze weten niet welke zaken ze tijdens de bezetting hebben uitgevoerd. […] Deze situatie zou met een publicatie in het Belgisch Staatsblad kunnen opgelost worden […]”[318]. Hierop laat Clerdent, de voorzitter van de NRW, weten dat er binnenkort een bijeenkomst van de NRW is op het kabinet van de premier, de zaak van het KL zal er zeker behandeld worden.

Eind mei kunnen blijkbaar de erkenningen van de leden eindelijk geregeld worden. Deze moeten wel gebeuren via Marc Louette, want hij moet als voorzitter van de Witte Brigade – Fidelio al de erkenningsaanvragen ondertekenen. Daarom vraagt hij aan Dupret om ledenlijsten op te sturen, maar hierbij grondig na te zien zodat er geen onwaardige leden tussen zitten en er geen afbreuk wordt gedaan aan de prestaties van anderen[319]. Als gevolg hiervan ontstaat een lijvige correspondentie tussen Dupret en Louette over leden een twijfelachtige dienst zouden hebben. Louette schrijft hierover in een brief naar Dupret bijvoorbeeld het volgende over: “Het is beter dat we beter zijn met 100 flinke medewerkers, dan met 1000 waarover het één en het ander te zeggen valt”[320]. De precieze situatie van het KL is dan nog steeds niet echt duidelijk voor de leden van het KL. Begin juli vraagt Alfons Teuns [KL officier] aan Louette wanneer de individuele erkenning van het KL in het Belgisch Staatsblad zou verschijnen[321]. Louette deelt hem mee dat het KL niet individueel erkend wordt maar wel als onderdeel van de Witte Brigade[322]. De zestiende van die maand krijgt het KL een voorstel van organisatie die in een vergelijkbare situatie zitten om zich te verenigen en samen proberen een oplossing te bereiken[323]. Hierop komt van de kant van het Kempisch Legioen weinig reactie op. Als Dupret terug is van zakenreis[324] doet hij verschillende pogingen om ervoor te zorgen dat zijn leden weten dat ze hun erkenning nu via het KL kunnen regelen. Om de procedure bij de leden bekend te maken stuurt hij o.a. een strooibrief rond waarin staat dat het KL nu erkend is en aangesloten bij de WB. De leden hebben tot de eerste augustus tijd om hun aanvragen voor erkenning en demobilisatiepremie in orde te brengen. Daarnaast vraagt hij Louette om officiële documenten die ze kunnen aanplakken om te laten weten dat het KL wel degelijk erkend is. Tot slot wil hij bij de plechtige overhandiging van de vlag van de WB aan het KL een feest inrichten, hierbij schrijft hij nog: “[…] Ik zou wenschen dit feest in te richten zodanig dat het ten minste dit van het AS evenaart […]”[325]. Louette van zijn kant meldt dat ze beter op hun brieven zouden vermelden dat ze aangesloten zijn bij de WB – Fidelio, om misverstanden te vermijden. Hij belooft aan Beerens, een bestuurslid van het KL, dat hij zich volledig voor de belangen van het KL zal inzetten[326]. Dit betekent voorlopig nog niet dat er een einde komt aan het zich aansluiten van leden bij het GL. Van Thienen [KL officier Geel] is één van hen, die wil samen zijn sectie overgaan naar het GL. Dit onder de naam van KL – GL. Deze naam is echter verboden door de NRW en Dupret vraagt Louette om de dossiers van al deze leden terug te eisen. Van Thienen is niet de enige, de afdeling van het KL in Merksplas denkt er eveneens aan om naar het GL over te stappen[327]. Naast het overstappen duikt in de herfst van ’46 nog een ander punt op. Van Laer, de GL commandant waar Dupret het tijdens de bevrijding lastig mee had, wil een historiek van zijn groep laten verschijnen in het Gulden boek van de weerstand. Dit is iets waarmee de KL bevelhebber niet mee kan leven, hij vraagt bijgevolg aan Louette of er niets tegen ondernomen kan worden[328]. Een maand later heeft hij nog een verzoek voor de commandant van de WB. Nadat Dupret een laatste keer de GL afdeling in Turnhout verzocht heeft om te stoppen met hun campagne om leden van het KL in te palmen en hen eist de naam GL – KL niet langer te gebruiken, vraagt hij aan Louette om deze zaak eens op tafel te leggen bij de NRW[329]. Hierover zal Dupret uiteindelijk zelfs generaal Pire aanschrijven[330]. Ook de onduidelijke toestand van het KL blijft nog steeds bestaan. Luitenant Kolonel De Ridder [bureau van de weerstand] laat bijvoorbeeld aan iemand weten dat het KL als weerstandsgroepering nooit erkend is geweest[331]. Deze uitspraak is waarschijnlijk het gevolg van het feit dat de dossiers die ingediend worden door het KL via de WB moeten gaan om daar de handtekening van de voorzitter mee te krijgen. Want het Kempisch Legioen is enkel als deel van deze organisatie erkend. Iets wat Dupret soms zelf af en toe ook over het hoofd ziet. In oktober stuurt hij bijvoorbeeld een brief naar majoor Delwarte van de NRW om zich te excuseren voor het opsturen van een groot aantal dossiers die enkel door hemzelf en niet door Louette ondertekend waren[332]. Naast de aanhoudende problemen met het GL blijft ook de financiële toestand een heikel punt. Dupret laat weten aan Louette dat een bepaalde groep een som liquidatiegeld toegezegd heeft gekregen, terwijl het KL nog steeds niets ontvangen heeft[333]. De minister van defensie ontvangt hierover van Dupret eveneens een brief. Dupret drukt er weerom zijn ongenoegen in uit over het feit dat zijn groepering nog niets ontvangen heeft. Dit terwijl de organisatie groep D, die minder belangrijk is dan het KL en pas later erkend werd, wel al subsidies heeft ontvangen. Hij eist dat alle weerstandsgroeperingen op gelijke voet behandeld worden[334].

Dupret begint stilaan geïrriteerd te raken want de erkenning van zijn beweging is er nog steeds niet. Daarom gaat hij op zoek naar oorzaken van deze vertraging. Hij schrijft bijvoorbeeld naar kolonel De Ridder of dit misschien iets te maken kan hebben met “de Vlaamse kwestie”[335]. De Ridder zal hierop als volgt reageren: “[…] Er bestaat dus tegenover Kempisch Legioen noch opzet van een of ander verantwoordelijk organisme, noch taalkwestie tegenover een Vlaamsche groepeering. Zeker niet. En in tegenstelling met uwe gedachte kreeg WB (voor haar en Kempisch Legioen) wel toelagen, juist zooals andere groepeeringen.[…]”[336] In april ’47 komt er een kentering in de verhouding tussen het KL en het GL. De twintigste komen een aantal mensen terug op hun beslissing zich te laten erkennen via het GL en sluiten zich opnieuw aan bij het KL. Verschillende zullen volgen, o.a. de weduwe van Bobon en die van enkele andere omgekomen KL’ers[337]. Er is nog steeds geen spoor van een publicatie in het Belgisch Staatsblad, en ook komt er geen financiële ondersteuning. Opnieuw wordt luitenant kolonel De Ridder aangeschreven. “[…] Het KL echter, onafhankelijk blijvend, moet voorzien in zijn inwendige organisatie en moet kunnen genieten van dezelfde materieele voordeelen, als deze toegekend aan andere groepeeringen. Welnu, al de administratieve onkosten (likwideering, controle-commissie, enz.) werden voor onze rekening gelaten. Spijts het oneindig werk en de overeenstemmende onkosten, die het beheer van een meer dan duizendkoppige groepeering met zich breng werd ons geen enkele toelage verleend.[…]”[338] Langs de andere kant meldt Louette dat er een aantal dossiers zijn die vervolledigd moeten worden, want hij kan ze niet zomaar gaan verdedigen[339].

Het wordt Dupret allemaal teveel en op 11/07/1947 biedt hij in de volgende brief zijn ontslag aan: “Mag ik u vragen de mogelijkheid te onderzoeken in mijn vervanging als commandant van de Witte Brigade - Kempisch Legioen te willen voorzien en dit om de volgende redenen:

Gedurende bijna 3 jaren dat wij bevrijd zijn, heb ik mijne krachten onverpoosd gewijd in het belang van mijn groepering, echter zonder er toe gekomen te zijn, voldoening te bereiken. Een andere zal misschien beter lukken, wat ik voor onze leden van harte wens. Geen enkel der regeringen, die zich tot op heden hebben opgevolgd, heeft aan onze gerechtigde verlangens de minste voldoening geschonken.

1e De zo dikwijls beloofde officiële erkenning is nog altijd niet toegekend en is nog niet in het Belgisch Staatsblad verschenen.

2e Geen enkele toelage is ons toegestaan geworden en onze leden moeten zich opofferen en uit hun eigen middelen putten, waarvoor ik niet langer de verantwoordelijkheid wens te dragen.

3e Geen enkele tussenkomst van de regering is kunnen bekomen worden voor de heropbouw van de boerderij van V. Wils, van het Gierlebos, die in september ’44 door de vijand afgebrand werd. […][340].

4e Geen enkel ereteken werd er tot hiertoe aan een lid van onze KL toegekend, dan wanneer wij regelmatige in het Belgisch Staatsblad de lijst der gedecoreerden van AS –NKB – WB Fidelio –OMBR – PA – OF – […].

5e De NRW heeft het niet nodig gevonden te verhelpen om de geschillen onder de verschillende groeperingen op te lossen door te bepalen dat leden, die op 3 september ’44 deel uitmaakten van een groepering, niet door een andere groepering mochten aangeworven worden. Dit had een spijtig wedijver vermeden, die nu tot een strijd tussen weerstanders leidt. Ik ben tegenstander van zulke polemiek en houd er niet aan, daarin gemengd te worden, alhoewel ik de weinig correcte handelwijze van A.S. tegenover ons, evenals het tekort aan sancties om dit te verhelpen, betreur.

6e Toen de weerstand in de pers door senator De Boodt aangevallen werd, heb ik alleen de taak opgenomen om, in naam van de weerstand, te antwoorden. Wat processen voor gevolg had. Tot op heden, heeft dit me reeds meer dan 25.000 fr. Gekost. Geen enkele hulp werd me van een of andere zijde aangeboden en ik kan niet eens bekomen dat de documenten betreffende die zaak, welke ik aan Dr. Bosschaerts overhandigde toen hij door de NRW m