Rijke Stinkerds. Editie en analyse van middeleeuwse grafinscripties te Ieper (1118-1566). (Stijn Bossuyt)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Deel I: Analyse van de grafstenen en bespreking.

 

Hoofdstuk 3: Formele analyse van de grafinscripties te Ieper

 

3.1. Inleiding

 

Voor we met de analyse beginnen is het nodig om over de correcte gegevens te beschikken. Aan het einde van deze formele analyse zullen we moeten besluiten dat er een aantal falsi in het corpus aanwezig zijn. Doorheen de verschillende analysemomenten is komen vast te staan dat de vorm van enkele inscripties niet overeenkomt met de algemene beschrijving en inhoud van de middeleeuwse grafinscriptie te Ieper. Aan het begin willen we ze opsommen omdat ze in het verder verloop van de thesis niet meer ter sprake zullen komen. Bij de analyse werd al dus met deze inscripties geen rekening meer gehouden. Het betreft een tiental graven. Volgende negen grafinscripties zullen als volledig vals worden beschouwd: Susanna Deurwaerder[154], Conradus Loot en familie[155], Boudewijn van Comen[156], Benedictus en zijn vrouw[157], Adam de Mackere[158], Adolf de Souter[159], Jan Camerlynck[160], Marie Florisoone[161] en een zogezegde gravenfamilie[162]. Ook het graf van Jehan Crystosome Corteville kan op formele basis niet als authentiek behouden worden[163]. Toch is het inhoudelijk wel als waarachtig te bestempelen. In het besluit van dit hoofdstuk[164] komen wij uitgebreider op deze inscripties terug en diepen wij uit waarom ze niet als echt kunnen beschouwd worden.

 

3.2. Formele analyse

 

In de formele bespreking gaan we na welke de samenstellende bestanddelen van de grafinscriptie zijn. Het is dus de bedoeling om tot een tekstueel model te komen. Achtereenvolgens komen taalgebruik, afkortingen, chronologie, titulatuur, nomenclatuur, heraldiek en iconografie aan bod. Op het totaal van het corpus zijn er 90 grafinscripties die niet met de volledige tekst van de inscriptie zijn overgeleverd. Dat is 36% van het totaal. Dit betekent dat in het bronnenmateriaal enkel een vermelding is gegeven van de overleden personen met hun overlijdensdatum en begraafplaats. In de verdere tekstbespreking komen deze uiteraard niet aan de orde. Alle percentages worden dus berekend a.h.v. de graven waarvan de volledige teksten zijn overgeleverd, zowel de graftekens als de grafgedenktekens[165].

Tenslotte is het ook belangrijk om te weten in welke tijdsperiode de besproken monumenten zich situeren. In de inleiding hebben we aangeduid dat we in feite geen begindatum hebben vastgelegd, maar de oudste inscriptie hebben genomen. Als einddatum opteerden we voor 1566[166]. Het is duidelijk dat niet alle periodes evenredig zijn vertegenwoordigd. De onderstaande grafiek tracht een beeld te geven van hoe de spreiding van de graven is[167]. We kunnen vaststellen dat pas vanaf ca. 1360 een vrij gelijkmatige verdeling over de intervallen optreedt.

 

 

We zien dus dat driekwart van de grafinscripties zich situeert na 1400. In onze analysemomenten zullen we dus vooral rekening dienen te houden met de maatschappij van de late 14e tot 16e eeuw. Ondanks het feit dat een graf per definitie een gedateerd monument is, is echter enkel een approximatieve datering mogelijk. Om de datering exacter te kunnen bepalen zou men het moment van de opdracht tot het vervaardigen van het monument moeten kennen. Dit is echter een bijna onmogelijke opdracht. Het kan immers zowel de overledene zelf zijn die bij leven (de plaats van de datum werd dan blanco gelaten en achteraf ingevuld) of bij testamentaire beschikking[168] dit monument heeft besteld. Het kunnen ook de erfgenamen zijn of eventueel zelfs derden[169]. Vermoedelijk is het echter wel ten laatste vrij kort na het overlijden van de persoon geweest. Wij hebben er daarom voor geopteerd om de datering te doen aan de hand van de datum van de eerst overleden persoon. Alleen bij expliciete vermelding op de grafsteen van het moment van productie werd van dit principe afgeweken[170].

 

3.2.1. Taalgebruik

 

In de gehele verzameling van graf- en gedenktekens blijkt duidelijk dat van de overgeleverde teksten de overgrote meerderheid in het Middelnederlands (84%) is. Als gevolg hiervan zijn er slechts een klein aantal in het Frans (10%) en in het Latijn (6%) opgesteld. Norris wijst erop dat de Middelnederlandse grafmonumenten de grootste variëteit in taalgebruik vertonen[171]. Binnen dezelfde groep onderzoekers beweert Page-Philips dat de Latijnse inscripties de grootste groep vertegenwoordigen[172]. Grafmonumenten in de volkstaal zouden pas vanaf het einde van de 14e eeuw opgang maken[173]. Vanuit het Ieperse corpus is het duidelijk dat deze stellingname niet opgaat.

 



 

Periode

Latijn

Frans

Middelnederlands

Aantal

1221-1240

1

0

0

1

1241-1260

0

0

0

0

1261-1280

0

0

1

1

1281-1300

1

0

0

1

1301-1320

0

1

1

2

1321-1340

0

2

5

7

1341-1360

0

5

2

7

1361-1380

0

1

9

10

1381-1400

1

0

12

13

1401-1420

2

4

14

20

1421-1440

0

0

13

13

1441-1460

0

0

14

14

1461-1480

0

0

17

17

1481-1500

0

0

21

21

1501-1520

1

1

8

10

1521-1540

2

1

11

14

1541-1566

1

2

13

16

onbekend

1

1

3

5

Totaal

10

18

144

172

Tabel 1: Taalverdeling (absolute cijfers)

 

De Latijnse inscripties komen bijna louter op naam van religieuzen. Van deze 10 inscripties zijn er 8 die betrekking hebben op leden van de clerus. Drie ervan waren proost van het kapittel van St. Maarten[174]. Twee van hen behoorden tot een kloosterorde[175]. Een tweetal vervulde een functie binnen de seculiere geestelijkheid[176]. Tenslotte was Gillene van Houcke regulier kanunnik van St. Maarten en was hij in dezelfde kerk ook pastoor[177]. De twee leken met een Latijnse inscriptie houden waarschijnlijk verband met de periode van realisatie. Cristine de Ghines is overleden in 1272[178]. Uit de algemene literatuur blijkt dat het Latijn tot het einde van de 13e eeuw de meest voorkomende taal voor een funeraire inscriptie is[179]. Door het geringe aantal inscripties uit deze periode kan dit hier noch bevestigd, noch ontkend worden. Het graf van Petrus van Lille dateert uit het tweede kwart van de 16e eeuw[180]. In de 16e eeuw is het Latijn aan een heropleving toe in de funeraire epigrafie[181]. Vermoedelijk is dit mee te verklaren door de hernieuwde belangstelling voor de oude talen[182]. Het is dan ook niet te verwonderen dat deze grafinscriptie een humanistische vormgeving heeft[183]. Dit is voor zover na te gaan de oudste in Ieper, tenzij het een nieuwetijdse restauratie zou betreffen, maar gezien de datering lijkt het ons een origineel humanistisch graf te zijn.

 

 

De verhouding tussen Franse en Middelnederlandse grafschriften is complexer. Globaal gezien is er een meerderheid van Middelnederlandstalige grafteksten (zie fig. 2). Wel zijn er een aantal trends waar te nemen. Tot het midden van de 14e eeuw stijgt het aandeel van de Franstalige inscripties. In de periode 1341-1360 is het Frans (71%) zelfs oververtegenwoordigd t.o.v. het Middelnederlands. Daarna neemt het aandeel terug af. In het grootste deel van de 15e eeuw is er zelfs geen enkele Franse inscriptie te bespeuren. Bij de aanvang van de 16e eeuw is er terug een lichte remonte van de Franse grafteksten. Ondanks het feit dat sommige leden van de hogere adel of personen met andere belangrijke maatschappelijke functies een Franstalige inscriptie hebben gekregen[184], kan men niet stellen dat dit een exclusief voorrecht van deze hogere klassen zou zijn. Hier dient wel opgemerkt te worden dat de ridders een Franstalige zegelinscriptie dragen[185]. Het is dan opvallend dat de familie Belle zo sterk is vertegenwoordigd in de Franstalige inscripties. Niet toevallig wellicht dat ook deze familie met de overgrote meerderheid aan riddertitels in de inscripties gaat lopen[186]. Men kan echter ook vergelijken met het administratief taalgebruik binnen dezelfde periode te Ieper. Uit de tabel bij Des Marez valt in de periode tot 1400 een drietal fasen te onderscheiden[187]. Tot ca. 1300 zijn de akten quasi exclusief in het Frans opgesteld. In een tweede fase tot ca. 1350 zien we dan dat overwegend het Middelnederlands in gebruik is, weliswaar met af en toe nog een jaar waarin de akten in het Frans worden opgesteld. Vooral tussen de jaren 1301 en 1308 ziet men hier een concentratie. In de laatste helft van de 14e is dan een afwisseling tussen het Frans en het Middelnederlands te zien. Het Frans heeft echter een relatief overwicht. Vanaf het einde van de 14e en in de 15e eeuw heeft het Middelnederlands dan de definitieve overhand in de akten van het stadsbestuur in Ieper[188]. De grafiek m.b.t. de taal in grafinscripties geeft grosso modo een zelfde beeld. Tot ca. 1360 ziet men duidelijk dat er een relatief groot aantal Franstalige inscripties blijven, met zoals reeds vermeld een sterk overwicht tussen 1341 en 1360. We besluiten dat de taal die werd gebruikt in de grafinscripties in vrij grote mate overeenkomt met de bestuurstaal die in de toenmalige administratieve documenten is terug te vinden. Vele graven behoren immers toe aan scabinale families[189] en deze gebruikten voor hun bestuurstaken, en eventueel ook in hun dagelijks leven, immers vaak het Frans.

Tenslotte merken wij op dat de wandepitafen op één na in het Middelnederlands zijn opgesteld[190]. De verklaring hiervoor is moeilijk. Waarschijnlijk is het zo dat deze vaker gelezen werden dan de graven zelf en precies daarom in de volkstaal werden neergeschreven. Een laatste aandachtspunt bij het taalgebruik betreft de taal van de extrafuneraire tekstgedeelten, de banderollen waarin spreuken voorkomen. In elk van de opgespoorde gevallen zijn deze in het Latijn. Daardoor zijn de inscripties taalgemengd. Er zijn in het corpus vijf Middelnederlands-Latijnse[191] inscripties terug te vinden. Er is ook nog één waar zowel de funeraire tekst als de banderoltekst in het Latijn zijn opgesteld[192]. Tenslotte moeten we ook nog een graf vermelden waarop zowel Middelnederlands als Latijn voorkomt. Het is het graf van een priester[193]. De eigenlijke aankondiging met de identificatie is in het Middelnederlands terwijl de bijkomende informatie in het Latijn is. Ook twee graven van van Lichterveldes zijn voorzien van een Middelnederlandse identificatie terwijl de memento mori tekst in het Latijn is[194].

Men kan dus besluiten dat het algemeen gangbare beeld als zouden grafteksten in het Latijn zijn niet correct is. Deze verkeerde beeldvorming is vermoedelijk te verklaren vanuit het feit dat de heden ten dage nog bewaarde grafzerken meestal uit de barok stammen en daar gebruikte men inderdaad frequenter het Latijn. De graftekst werd dus doorgaans opgesteld in de taal die de mensen zelf hanteerden. Daardoor begrijpen we waarom geestelijken een Latijnse, edellieden een Franse en poorters een Middelnederlandse of Franse inscriptie verkozen.

 

3.2.2. Afkortingen

 

Afkortingen zijn in grafinscripties net zoals in handschriften vrij gewoon. Toch moeten we voorzichtig zijn met deze uitspraak. Het is immers moeilijk om te achterhalen of het nu de samensteller van de verzameling is die de afkorting heeft gemaakt of de afkorting oorspronkelijk in de inscriptie voorkwam. Daartoe hebben we de inscripties uit ons corpus vergeleken met deze uitgegeven voor Brugge door Vermeersch[195]. Hieruit zijn geen significante verschillen aan het licht gekomen wat betreft de notatie van afkortingen In de door ons bestudeerde grafinscripties bevat 47% van de grafinscripties één of andere vorm van een afkorting. In vergelijking met de voorgaande periodes, zoals bestudeerd in het CIFM[196], is dit vrij weinig. Ook bevatten de inscripties uit de vroegere periodes een groter aantal en een grotere variëteit aan afkortingen. In het algemeen wordt in het corpus slechts een beperkt aantal woorden afgekort. Eén afkorting komt over de drie talen verspreid het meest voor. Het is de aanduiding f a en f s respectievelijk de aanduiding van filia en filius. Dit Latijnse woord wordt zowel in Latijnse[197], Franse[198] als Middelnederlandse teksten gebruikt.

Aangezien de kleine groep Latijnse grafinscripties bijna enkel religieuzen bevat, doelen de afkortingen van de woorden dan ook op de religieuze status van de begraven persoon. De titels ziet men vaak afgekort worden. Zo wordt pbř voor presbyter gebruikt[199] en dnus voor dominus[200]. Op dezelfde wijze wordt de domini uit de dateringaanduiding herleidt tot dñi[201]. De afkorting R.R. voor reverendissime[202] komt voor op het humanistische graf van Joannes Snick[203]. Ook dateringen worden soms in afgekorte vorm weergegeven: anno als [204], septembris als sept.[205] en kalendae als kalend.[206] of kal.[207]. Globaal gezien neemt het aantal afkortingen in de Latijnse inscripties doorheen de tijd toe.

In de Franse grafteksten komen ongeveer evenveel afkortingen voor. Veelal betreft het weglatingen van de ‘m’ of ‘n’. Men schrijft fēme voor femme[208] of dãquart voor danquart[209]. Vaak werden ook de eretitels of andere waardigheden afgekort gegeven. Chevalier wordt vaak zo tot cĥlr teruggebracht[210]. Andere afkortingen zijn seigñr voor seigneur en chancellř voor chancellier[211]. Tenslotte is een aantal namen afgekort weergegeven; Louise de Laye’s echtgenoot Guillaume wordt op de tombe als Guillē geschreven[212]. Jacques wordt verkort tot jacqš[213]. Het afkorten van namen blijft echter vrij uitzonderlijk, in de meeste gevallen staat de naam immers voluit geschreven.

In de Nederlandse inscripties volgen de afkortingen ongeveer dezelfde regels als hierboven beschreven. De naamgeving van personen wordt meestal verbonden met de naamopgave van de vader. Deze komen dan ook het meest voor. Men kon dit immers gemakkelijk doen omdat iedereen zonder twijfel wist wat men ermee bedoelde. Het is daarbij opvallend dat bijna altijd de Latijnse termen filia en filius worden gebruikt. Voor de dochter van gebruikt men zowel fa[214], f.[215], docĥ.[216] als docĥt.[217]. Voor de zoon van zijn fs.[218], f.[219] en fis [220] gebruikt. Deze afkorting van het Latijnse woord komt ook voor in Middelnederlandse grafteksten. Een afkorting voor het Middelnederlandse sone, seune of zone wordt in de Ieperse inscripties niet afgekort. Aangezien een grafinscriptie steeds een tijdsaanduiding bevat zijn hiervoor vele afkortingen in omloop. Voor anno is vooral [221] gebruikt, verder komen ook ã[222], [223], an°[224] en °[225] wel eens voor. Titels bij persoonsnamen worden bijna steeds afgekort gegeven en dit met een grote variëteit. Zo zijn voor mijnheer o.a. mer[226], M’her[227] en mr[228] gebruikt. Men treft zelfs het Franse mess. voor Messire aan[229]. In de vroegste fase ziet men dat als titel het Middelnederlandse desheer afgekort wordt gegeven als ser[230]. Vanaf ca. 1425 is dit niet meer in gebruik en wordt sher[231] aangewend als afkorting voor desheer. Tenslotte worden ook de afkorting der[232] aangetroffen voor denheer. Daarnaast ziet men ook de titel van jonkheer afgekort weergegeven in de inscriptie tot jher[233], jor[234] en jr[235]. Bij de vrouwelijke afkorting van de titel van jonkvrouw zijn er veel verschillende schrijfwijzen: joncvr.[236], joncv.[237], Jve[238] en joncve[239]. In dezelfde zin wordt de functie van upperjoncvrauw van een godshuis in alle voorkomende gevallen afgekort tot upperjoncv.[240]

Daarnaast zijn er nog de eerder traditionele afkortingen. Zo staat o.a. voor ende[241], etc. voor etcetera[242], voor den[243], ī voor in[244], voor van[245], vañ voor vander[246], heurlieř voor heurlieder[247], voors.[248] en voorsc.[249] voor voorscreven. Hierbij moeten ook de samentrekkingen bij de letters ‘n’[250] en ‘m’[251] nog bijgevoegd worden.

Tenslotte worden er bijna geen namen afgekort. De enkele uitzonderingen gelden bij de langere namen. Het meest voorkomend zijn contracties en opschortingen. We zien elābete voor Elisabeth[252], bourgne voor Bourgogne[253], frañs voor Franciscus of Francois[254], Jhã[255] of Jeĥ[256] voor Jehan en Phlŝ voor Philips of Philippus[257]. Ook komt het voor dat men als afkorting de eerste twee letters uit het Grieks haalt om zo de naam korter te kunnen schrijven. Dit komt alleen voor bij de namen die beginnen met krist… Men gebruikt hierbij dan de chi en de rho uit het Grieks. Dit zijn tevens de symbolen voor Christus. De namen die hiermee afgekort worden zijn Christoffels met als afkorting xpofles[258], xpfolēs[259], xpzoes[260], xtoffels[261] en Christine met als afkorting Xtyne[262].

 

3.2.3. Chronologie

 

Een belangrijk punt in een christelijk grafschrift is de datering. Terwijl dit op heidense grafinscripties niet voorkomt, vormt een tijdsaanduiding op christelijke grafmonumenten een essentiële aanduiding. Al vanaf het vroege christendom werd het overlijden gezien als de dies natalis[263]. In de vroegste periode werd de datum van begraven aangeduid. In de inscriptie kwam dit tot uiting in de uitdrukking depositus of depositio[264]. Tijdens de Middeleeuwen werd niet langer de begraafdatum, maar de sterfdatum aangeduid[265]. In het corpus over Ieper komt ook steevast de opname van de sterfdatum voor in de inscriptie. In het vroege christendom werd vaak enkel de datum gegeven zonder het jaartal[266]. Het graf had zodoende ongeveer dezelfde betekenis als later de necrologia en obituaria. Het gaat om een liturgische functie om de dag van het overlijden te herdenken. Zowel in necrologia als obituaria werd vaak geen jaartal gegeven, enkel de dag en de maand[267]. In de Middeleeuwen ging men ook niet langer de indictie als jaartelling gebruiken, maar men verkoos het moderne systeem[268]. De aangebrachte datering was voor ons essentieel bij het chronologisch ordenen van de graven en voor verdere bewerkingen[269]. Voor graven die meerdere personen bevatten is het moeilijker te achterhalen wanneer ze nu precies tot stand zijn gekomen. Gebeurde dit bij het overlijden van de eerste of van de volgende persoon of personen? Vaak maakte men eerst de volledige inscriptie van alle personen (meestal man en vrouw) die er begraven dienden te worden, maar men vulde slechts de datum van de toen overleden persoon in. Als de tweede persoon dan stierf, hoefde men enkel de datum toe te voegen[270].

In het onderzoek naar de chronologie zijn we op een eigenaardigheid in de teksttraditie gestoten. Het handschrift dat de minst correcte weergave van de tekst geeft, houdt zich het best aan de originele weergave van de datering. Bijna alle handschriften geven de data in Arabische cijfers weer. Uit vergelijking met de enige twee bewaard gebleven monumenten blijkt dat deze uitsluitend in Romeinse cijfers zijn gegeven[271]. Hetzelfde geldt voor overgebleven epitafen[272]. Aangezien het graf van Pieter Lansaem slechts in één bron is overgeleverd, kunnen we de verschillende handschriftelijke tradities niet vergelijken. Bij de afschriften van Louise de Laye kan men echter vaststellen dat naast variant 1[273] ook variant 4 een vrij correcte notatie van de datering geeft. Nochtans wijkt de rest van de tekst bij variant 4 sterk af van de correcte tekst. Deze variant 4 is afkomstig uit een bepaald deel van BRUSSEL, KBR, FM, 41A. De nummers CVIII tot CLIX worden daar samengebracht onder de titel Variantes. Extraits d’un autre manuscrits[274]. Geheel terecht laat Merghelynck bij nummer CXII zijn twijfels horen over de correctheid van zijn legger[275]. Toch moeten we stellen dat wat betreft de weergave van de chronologie deze nummers samen met enkele afschriften uit het Recueil van Gérard[276] de meest correcte zijn. Ook de vergelijking met Brugse voorbeelden staaft deze bewering. In de Middeleeuwen worden uitsluitend Romeinse cijfers in de datumnotatie gebruikt. Wij vermoeden dat de notatie in Arabische cijfers door de samensteller van het handschrift of door de kopiist is aangebracht ter vervanging van de Romeinse cijfers. Voor de bespreking van de datumnotatie zullen we ons dan ook voor het grootste deel op deze bronnen baseren, waarin de datum zoals op het origineel moet zijn weergegeven[277].

Zoals reeds aangegeven is de datum op de inscriptie steeds de sterfdatum. De tekst van de inscriptie geeft dan ook steeds de gebeurtenis van het sterven weer. Men leest obiit, staerf, starf. De Franse uitdrukking trespassa[278] weet het best het geloof in de overgang naar het eeuwig leven te behouden. Dit is ook het geval met de Middelnederlandse uitdrukking die deser werelt overleet[279] of die versciet van deser werelt[280].

De taal lijkt niet echt van invloed te zijn op de formulering van de datering. Steeds wordt er op één of andere manier aangegeven dat nu de jaartelling volgt. Meestal wordt de jaartelling expliciet als de christelijke jaartelling aangeduid door de uitdrukking int jaer des heren, anno domini of l’an de grace. Vaak wordt ook op Middelnederlandstalige monumenten de Latijnse uitdrukking anno gebruikt. In veel mindere mate komt het ook voor dat enkel jaer, anno of l’an wordt geschreven. Tenslotte is er ook wel eens geen dergelijke aanduiding te vinden. In de jaartelling moeten wij rekening houden met het gebruik van de paasstijl. Op het graf van Hugo, de proost, staat bv. vermeld dat hij overleden is in 1232[281], terwijl hij in werkelijkheid in 1233 is overleden[282]. In overeenstemming met Vermeersch zijn dan ook alle jaartallen indien nodig naar de nieuwe stijl omgerekend. Ook bij het kwantificeren houden we hiermee rekening[283].. Zelfs voor de graven uit de 16e eeuw tot 1566 moet men rekening houden met de paasstijl. In de Nederlanden werd deze pas afgeschaft met de ordonnantie van Requesens van 16 juni 1575 die bepaalde dat vanaf 1 januari 1576 de nieuwjaarsstijl gebruikt moest worden[284]. We hebben moeten vaststellen dat Joigny de Pamele in de 17e eeuw hiermee geen rekening hield, in zijn genealogische nota’s heeft hij dus steeds de data weer in paasstijl[285].

In de eigenlijke notatie van de datering zijn er twee grote types te herkennen. Globaal gezien komt de notatie, waarbij de duizend door een M en de honderdtallen door C’s worden weergegeven, het meest voor. Vaak worden de cijfers van elkaar gescheiden door isolatiepunten. Men krijgt dan bv. m.cccc. voor 1400[286]; m.c.c.c.c. ende viere voor 1404