Rijke Stinkerds. Editie en analyse van middeleeuwse grafinscripties te Ieper (1118-1566). (Stijn Bossuyt)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Deel I: Analyse van de grafstenen en bespreking.

 

Hoofdstuk 4: Ruimtelijke spreiding en sociale interpretatie

 

In dit hoofdstuk is het de bedoeling na te gaan hoe de verschillende begraafplaatsen over de kerken verspreid lagen. Tevens zullen we bekijken hoe de spreiding van de graven binnen de respectieve kerken was. Daarbij zullen we vooral oog hebben voor het feit of bepaalde families een voorkeur hadden voor bepaalde plaatsen. Vooraf is het echter belangrijk om te weten hoe de globale spreiding over de verschillende kerken, kapellen en hospitalen was[641].

Begraafplaats

Aantal

Percentage

St. Maarten

97

38,96%

Belle

26

10,44%

St. Jacob

25

10,04%

Predikheren

22

8,84%

St. Pieter

20

8,03%

Franciscanen

15

6,02%

O.L.V.-gasthuis

14

5,62%

Grauwbroeders

8

3,21%

St. Niklaas

5

2,01%

Begijnen

4

1,61%

St. Jansgodshuis

3

1,20%

H. Geestkapel

2

0,80%

Karmelieten

2

0,80%

Augustijnen

2

0,80%

Urbanisten

1

0,40%

onbekend

3

1,20%

Totaal

249

100,00%

Tabel 5: Spreiding van de begraafplaatsen

 

De tabel toont duidelijk het overwicht van de St. Maartenskerk aan. Dit lijkt niet uitzonderlijk te zijn. Ook in Brugge treft men 43% van de graven aan in twee kerken[642]. We bespreken dan ook als eerste deze kerk. Vervolgens komen de andere belangrijke parochiekerken aan de beurt, waarna dan nog het Belle Godshuis, de Predikheren en het O.L.V.-gasthuis volgen. In een laatste paragraaf komt dan nog een aantal van de kwantitatief minder belangrijke gebedshuizen aan de orde. We willen hier vooraf nog opmerken dat in de namen van de personen de namen worden gebruikt zoals ze uit de bronnen naar voren kwamen. Ze werden dus niet geüniformiseerd. Waar mogelijk werd steeds de schrijfwijze genomen zoals deze bij le Boucq voorkwam[643]. Uit vergelijking met een aantal nog bestaande kwam deze als de meest betrouwbare naar voren. Enkel als de volledige transcriptie ook in de eerste twee delen van Lambin werd gegeven werd voor deze tekstvariant geopteerd en dan nog enkel als het de figuratieve weergave betrof waarbij het graf werd getekend en de tekst in het tekstkader werd geschreven[644]. Als men de verschillende kerken groepeert ziet men dat 59,04% van de graven zich in een parochiekerk bevindt. Kapellen bij godshuizen zijn goed voor 21,69%, terwijl kloosterkapellen 18,07% voor hun rekening nemen.

 

4.1. St. Maarten

 

De St. Maartenskerk was de hoofdkerk van Ieper. Tevens is het de moederparochie, waar het kapittel gehuisvest was en aan wie de overige parochies en bidplaatsen ondergeschikt waren[645]. In totaal vonden we er 97 graven terug. Een groot deel daarvan konden we door de precieze, maar verwijzende beschrijvingen van C. Gailliaert[646] min of meer exact lokaliseren[647]. Door het grote aantal graven vormt de St. Maartenskerk de belangrijkste begraafplaats intra muros ecclesiae. Dit is niet alleen zo in kwantitatief, maar ook in kwalitatief opzicht. De belangrijkste personen treffen we aan in de kerk van St. Maarten. De bouwgeschiedenis van St. Maarten is niet eindeloos ingewikkeld. De laatste grote toevoeging gebeurde in 1221 door de bouw van een nieuw koor[648]. Er werden toen nog twee traveeën en een apsis toegevoegd, het nieuwkoor. In de periode 1230-1251 werden nog twee zijkapellen aangebouwd aan de zuidkant[649]. Wanneer de noordelijke zijkapellen werden gebouwd is niet bekend. In 1622 tenslotte werd er met het oog op parochiale diensten tegen de zuidbeuk nog een pastoorskapel, gebouwd[650]. In de kerk waren er verschillende altaren en kapellen. Ze zullen besproken worden in functie van de overledenen die aldaar begraven zijn.

De gemakkelijkste plaats om de graven de lokaliseren is het koor. Daar treffen we zes middeleeuwse graven aan. In vergelijking met de rest van de kerk zijn dat er heel weinig. Men moet er echter rekening mee houden dat krachtens het canonieke recht deze begraafplaatsen aan clerici voorbehouden zijn[651]. Ten tweede zien we dat in de nieuwe tijd quasi alle bisschoppen in het koor zijn begraven[652], iets wat het uitbreken van vroegere graven zeker in de hand heeft gewerkt. Het oudste graf waarvan we de volledige tekst hebben is dat van Hugo (+ 10 februari 1233 n.s.), de tiende proost van het kapittel van St. Maarten[653]. Hij wordt als één van de belangrijkste proosten uit de geschiedenis van het kapittel beschouwd. Tevens was hij met zijn ambtstermijn van 27 jaar één van de langst in functie zijnde proosten[654]. Door zijn lange ambtstermijn zien we hem dan ook in vele oorkonden verschijnen[655]. De meest blijvende verwezenlijking is ongetwijfeld de bouw van het hoogkoor in 1221. Dit staat dan ook in de inscriptie op zijn graf vermeld. Men kan dit als vrij uitzonderlijk beschouwen aangezien het aanbrengen van een eigenschap of verwezenlijking slechts enkele keren voorkomt in het corpus. Dit heeft vermoedelijk te maken met het feit dat de grafinscripties tot volop in de 13e eeuw uitgebreidere teksten hadden[656]. Volgens het plan van Masure zou zijn graf zich centraal in de apsis van het koor hebben bevonden. Doordat het graf zich op dergelijke voor het publiek weinig toegankelijke plaats bevond, denken we dat ondanks de ouderdom de tekst die we in de bronnen vinden de originele graftekst kan zijn. De kans op slijtageproblemen is op deze plaats veel geringer, waardoor de kans op langdurige leesbaarheid reëel is gebleven. Aan het einde van de 17e eeuw blijkt de zerk echter wel zo sterk te zijn verweerd dat hij werd vervangen door een barok monument uit witte marmer met een zwarte boord. Daarop werd een uitgebreide graftekst aangebracht[657]. Hugo is mogelijk een jongere zoon van de graaf van Vlaanderen, of op zijn minst kan hij er zich op beroepen een grafelijke afstamming te hebben[658]. Een volgende graf is dat van Nicolas van Maelbeke (+ 28 september 1445), de 28e proost van het kapittel (1429-1445). Nicolas was vermoedelijk van Ieperse afkomst en familie aan Johanne van Maelbeke, abdis van de abdij van het Nonnenbos. Hij was één van de proosten die in een goede verstandhouding leefde met de stadsmagistraten[659]. Er is geen verdere specifiëring gegeven dan dat hij in het koor zou zijn begraven. Boven zijn graf zou een aan Jan van Eyck toegeschreven schilderij gehangen hebben, waarop hij was afgebeeld. Hij is dan ook vermoedelijk nabij een zijmuur begraven[660]. Een laatste proost tenslotte die in het koor is begraven is Joannes Snick (+ 9 november 1557)[661]. Hij was proost van het kapittel van 1536 tot 1557[662]. Enkele maanden vóór zijn dood liet hij zijn neef Joannes Snick tot coadjutor aanstellen. Naast zijn functie in het kapittel hield de eerste ook gedurende enkele jaren toezicht op de stadsrekeningen[663]. Zowel de tekst op het graf als de vormgeving geven in sterke mate blijk van barokke invloeden. Het graf bevond zich in de nabijheid van het hoogaltaar. Wij menen dat het graf zich in de eerste travee vanaf de apsis bevond. Masure geeft naar een plan van architect J. Coomans daar een onbekend graf aan[664]. Aangezien aan de tegenovergestelde kant Guillaume Merghelynck is begraven, een zeventiende-eeuwse proost[665], lijkt het ons enkel mogelijk Joannes Snick daar te situeren.

De belangrijkste persoon die te Ieper begraven is, is ongetwijfeld graaf Robrecht de Bethune (+ 17 september 1322)[666]. Hij rustte in een zwarte tombe met bovenop een wit beeld dat de graaf voorstelde. Tijdens het calvinistisch bewind werd dit monument verwoest en pas in 1760 vervangen door een marmeren plaat[667]. Het graf bevond zich centraal in het koor. De afbeelding is tot in het detail beschreven. De zijkanten zijn waarschijnlijk blank gebleven, nergens is er immers in de bronnen daarvan een beschrijving te vinden. Vandaag treffen we in het koor nog één bewaard gebleven middeleeuwse graftombe aan. Het wandgraf van Louise de Laye (+ 7 oktober 1506) bevindt zich tegen de noordwand van de tweede travee van het koor[668]. Haar rustplaats is een volledig zwarte tombe met bovenop een vrouwenbeeld in weduwenkledij. Louise de Laye was burggravin van de stad en de kasselrij Ieper. Ze was gehuwd met Guillaume Hugonet, kanselier van Bourgondië. Hij was een vertrouweling van Karel de Stoute en diende ook nog onder hertogin Maria van Bourgondië. Afkomstig uit Bourgondië verkreeg hij in de Nederlanden verschillende heerlijkheden. Het burggraafschap Ieper kocht hij in 1474[669]. Samen met kanselier Humbercourt werd hij door de Gentse opstandelingen gevangen genomen en na een schijnproces terechtgesteld[670]. Hugonet was dus één van de belangrijkste personen in de toenmalige Bourgondische Nederlanden[671]. Het is interessant te vermelden dat men niet noodzakelijk is begraven waar men ook een misstichting heeft gedaan. Louise de Laye wordt bij in het obituarium van de franciscanen vermeld. Daarin wordt gesteld dat op 7 oktober op het derde uur en de volgende dag op het 8 uur twee franciscanen naar St. Maarten moeten gaan om een misviering op te dragen. Tevens wordt er voor 12 groten Vlaams brood uitgedeeld[672]. Tenslotte weten we nog dat Joris van den Meulne en zijn vrouw Lizebette in het koor begraven zijn[673]. Op 1 maart 1454 (n.s.) werd de akte voor zijn jaargetijde verleden. Zijn precieze overlijdensdag is niet bekend, wel weten we dat het jaargetijde op 8 maart doorging. Het bevreemdt ons enigszins om Joris van den Muelne of Meulne in het koor van de St. Maartenkerk aan te treffen. Uit het bronnenmateriaal komt hij niet meteen als een zeer bekend of prestigieus iemand naar voren. We kunnen vaststellen dat althans een deel van de familie het poorterschap van Ieper bezat. Jan van der Muelne zien we op 13 maart 1334 (n.s.)[674] en op 16 juni 1364[675]als schepen van Ieper, ook was hij gedurende lange tijd voogd van het O.L.V.-gasthuis[676]. Bovendien wordt hij op 21 november 1343 als schepen van Ieperambacht vermeld[677], hij bezat immers een huis in Zonnebeke[678]. In 1370 (n.s.) verschijnt Laurent van der Muelne als poorter[679] en in 1391 een schipper Pieter van der Muelne eveneens als poorter[680]. Een zekere Gilles van der Muelne heeft te Zandvoorde een hofstede en een aantal stukken land[681]. Van de hier begraven persoon Joris van der Meulne zijn de gegevens echter veel schaarser. In een oorkonde van 5 mei 1439 duikt hij op als eigenaar van een huuse ende erve in tMuelne straetkin te Ieper[682]. Als bijnaam blijkt hij Wayere te hebben[683]. Op 6 juli 1443 treedt hij als lekengetuige op in een oorkonde van een notaris bij de verkoop van een aantal stukken land[684].

We besluiten dat de overledenen die in het koor van St. Maarten begraven zijn een vrij hoge maatschappelijke functie hebben bekleed. Zo waren ze bv. proost van het kapittel. De leken die er zijn begraven bekleden functies in de top van de toenmalige maatschappij; graaf van Vlaanderen en de vrouw van de kanselier van Bourgondië. Alleen de laatst vermelde Joris van der Muelne kunnen we geen duidelijke maatschappelijke positie toewijzen.

We vermeldden al dat voor de St. Maartenskerk Corneille Gailliaert vrij precieze informatie geeft over de ligging van de graven. Het probleem is echter dat het steeds verwijzende aanduidingen zijn, meestal aan de noord- of zuidzijde van het voorgaande graf. In elke kapel tracht hij min of meer één graf te situeren van waaruit dan de rest wordt gesitueerd. Dit kan vrij problematisch zijn omdat het niet steeds mogelijk is dat eerste graf exact te lokaliseren. Over de namen van de kapellen in de St. Maartenskerk zijn we zeer slecht ingelicht. Ook het feit dat hetzelfde altaar doorheen de tijd van naam wisselt of men gewoon een verschillende naam gebruikt is vrij verwarrend. Gailliaert gebruikt bv. de termen zuidkapel, noordkapel en voorkerk. Feit is dat in de noord- en zuidkapel er telkens minstens twee altaren zijn. In de noordkapel is er vanaf de 13e eeuw het O.L.V.-altaar en het St. Jansaltaar[685]. Voor dit laatste altaar vinden we nergens anders evidentie. Wij menen dat tijdens de periode de door ons gebruikte bronnen toe stand kwamen de altaren in de noordkapel zijn toegewijd aan O.L.V. (D) en de H. Catharina of Cathelina (E)[686]. Van het graf van Victor van Dixmude[687] hebben we verschillende afschriften die telkens een andere plaatsbeschrijving geven. Gailliaert situeert het graf aen de zuudtzijde van Nicolas van Loo[688]. Nicolas van Loo ligt aen de zuudzijde van de voorseide sepulture (= Jan van Provijn: in de noordcapelle, alsoomen in den ommeganck gaet op de noortzijde van den choor)[689]. Een anoniem handschrift vermeldt dat Victor van Dixmude is begraven in de O.L.V.-kapel links van het koor[690]. In de épitaphier van Lambin vinden we tenslotte dat hij is begraven in de St. Catharinakapel[691]. We kunnen dus vermoeden dat het graf zich op de scheiding tussen beide kapellen bevond. De gemiddelde afmetingen van de grafzerken ondersteunen deze ligging. Als men er inderdaad vanuit gaat dat Jan van Provijn tegen de muur is begraven moet men hiertoe besluiten.

Met de voorkerk wordt het centrale koor tussen de noord- en zuidkapel bedoeld. We zien immers dat Victor van Volmerbeke[692] in de voorkercke bij den docxsael is begraven[693]. Tegelijkertijd is het zo dat zijn weduwe Denise van Dixmude[694] rust wat bet noort, voor Onze Vrouwenautaer[695]. We moeten dus besluiten dat beide ongeveer op de scheiding tussen de voorkerk en de noordkapel zijn begraven. In de beschrijving van de begrafenistarieven ziet men dat een tarief is voorzien voor de voorkerk ten oosten van de voute en een tarief voor de plaats ten westen hiervan[696]. Het doksaal stond op de scheiding tussen de vieringen en de laatste travee van het koor. In wat vandaag het koor wordt genoemd onderscheiden we dus drie delen: de apsis, het koor[697] en de voorkerk[698]. Uit de beschrijving van het graf van Andries de Wale weten we dat hij in de voorkerk bij het sacramentshuis is begraven[699]. Tenslotte moet men nog opmerken dat Wulfaert van Lichtervelde[700] is begraven in de voorkercke, in t’ cruijce, op de noorzijde in den houck. Trio situeert hem in de O.L.V.-kapel[701]. Hierin zien we nog een bevestiging in het feit dat met de voorkerk het deel tussen de noordelijke en zuidelijke zijkapellen is bedoeld. Hiermee gaan we wel in tegen de algemeen geldende betekenis van voorkerk. Daarmee wordt bijna steeds het voorportaal of het schip van de kerk bedoeld[702].

Voor de zuidelijke altaren is de situatie veel complexer. In de 13e eeuw zijn de zuidelijke altaren toegewijd aan St. Niklaas en St. Elooi[703]. Het St. Niklaasaltaar werd later het altaar der gelovige zielen[704]. Vermoedelijk gebeurde dit circa 1419. Toen werd de St. Niklaaskapel tegen de derde travee van de zuidbeuk gebouwd[705]. Vanaf 1491 wordt het St. Elooialtaar onder invloed van de gelijknamige gilde aan St. Sebastiaan toegewijd[706]. Het bronnenmateriaal laat zien dat het St. Sebastiaansaltaar vooraf aan St. Denijs was toegewijd en dat het graf van Denis van Dixmude[707] zich in de St. Denijskapel bevond die later St. Sebastiaanskapel wordt genoemd[708]. Anna Godericx[709] werd begraven in de zuidkapel van St. Denijs[710]. De jaargetijdenstichting van Louise de Laye leert dat er de mis moet opgedragen worden ten oultaere van sinte Denijs in den vorseiden choor[711]. Voor Denys Nappin moest een mis gedaan worden voor eenen autaer vor deze tegen eenen pilaer halfweg van de voorkerk van St. Maertens[712]. We kunnen dit altaar in verband brengen met de schepenmoord van 1303[713]. Eerst merken we nog op dat het St. Elooisaltaar later aan de H. Catharine is toegewijd. Er zou een schilderij met het mystiek huwelijk van de H. Catharina aangebracht zijn[714]. Uit deze veelheid van gegevens kunnen we nu door een beschrijving uit 1788 over de verwijdering van de zerkstenen van de in 1303 vermoorde schepenen de exacte schikking van verscheidene altaren opmaken. Het probleem echter is dat er van eenzelfde proces-verbaal twee versies zijn. De ene versie geeft: … welke zes resterende zarksteenen waeren liggende te beginnen aen den regteren zijdskant van den voet van den autaer van de geloovige zielen zuidwert aen elkanderen in de breede rekewijs volgende voor de beuken volgende ende eersten middenpilaer van St Sebastiaen en de St Catherine autaeren de kleen kerkdeure ten zuijden[715]. Een andere versie geeft: … welke zes resterende zydskant van den voet van de autaer van de geloovige zielen, zuidwaert aen elkanderen, in de breede rekewys volgende voor de beuken ende eersen midden pilaer van St Maertens ende Ste Catherine autaeren naer de kleine kerkdeuren ten zuyden[716]. Omdat wij nergens een vermelding van een St. Maartensaltaar hebben in de beschrijving van de graven opteren we voor het eerste. Nochtans moeten we er rekening mee houden dat het altaar mogelijk aan twee heiligen was toegewijd, omdat het anders vreemd overkomt dat in de kerk geen altaar aan de patroon van de kerk gewijd is[717]. Het altaar der gelovige zielen kan zeker niet gesitueerd worden in de meest zuidelijke okselkapel zoals Constandt meent[718]. Dit zou immers niet toelaten om in zuidelijke richting een rij graven te leggen die start vanaf de rechterzijkant van het altaar. Daar staat immers een muur. We besluiten dat in de meest zuidelijke okselkapel (A) het St. Elooialtaar was, later eventueel ook St. Catharinealtaar[719]. Dit laatste altaar treffen we in ons corpus nergens aan. In de okselkapel het dichtst tegen het koor aan was het altaar toegewijd aan St. Denijs of St. Niklaas, en later aan St. Sebastiaan (eventueel St. Maarten) (B). Het altaar van de gelovige zielen bevond zich dan aan de eerste pilaar (C).

Doordat er dus verschillende namen gebruikt worden voor de respectievelijke kapellen is het dus niet steeds mogelijk om de locatie exact te bepalen. De graven zullen dus geordend worden a.h.v. de meest algemene indeling. Indien mogelijk zullen we dan een verdere specifiëring van de locatie trachten te geven. Achtereenvolgens behandelen we de zuidkapel, noordkapel, voorkerk, kruisbeuken en de overige delen.

 

Fig 1: Plattegrond St. Maarten[720].

 

4.1.1. Zuidkapel

 

Zoals hierboven aangeduid wordt een belangrijk deel van de zuidkapel ingenomen door de graven van de in 1303 vermoorde schepenen. Deze rij vangt aan links van de tweede pilaar[721] en strekt zich verder uit in zuidelijke richting. Een proces-verbaal uit 1788 duidt aan dat ze zeker tot dan daar gebleven zijn. Ze werden toen uitgebroken voor de vernieuwingen van het pavement van deze kerk[722]. Het zijn de graven van de voogd Andries van Ackere en de schepenen Jan Baerdonck, Jan Kapoen, Nicolaas van Loo, Frans de Beer, Jan de Peper, Bartholomeus Morin, Michiel Paeldinc en Nicolas de Vellemakere[723]. Het zijn familienamen die later in de bespreking van de ligging en het daaraan verbonden prestige nog zullen terugkeren. In de St. Denijskapel tegen de zuidelijke muur rust Ghisbrecht Croeselin (+ 10 juli 1452)[724]. Deze familie leverde verschillende schepenen in Ieper, vooral aan het einde van de 12e en de 13e eeuw[725]. De vader van Ghisbrecht, Wauter is in slechts één oorkonde van 1414 als schepen op te merken[726]. We zien hem dan ook enkel in de schepenlijst van 1414 (n.s.)[727]. Ghisbrecht zelf lijkt nooit schepen te zijn geweest. In de jaren 1428(n.s.), 1431(n.s.), 1432(n.s.), 1433(n.s.), 1434 (n.s.) en 1435 (n.s.) treft men wel nog een Christoffel Croeselin aan als schepen[728]. Ook in verband met bepaalde economische transacties konden we Ghisbrecht niet terugvinden.

Naast hem rustte een aanzienlijk deel van de familie van Dixmude. Aan de noordelijke zijde van Ghisbrecht lagen Francois van Dixmude (+ 3 februari 1424 n.s.) en Marie van Lichtervelde (+ 9 november 1452)[729]. De datering van zijn overlijden stelde enige moeilijkheden omdat men zowel 1424 als 1452 terugvindt. Op basis van andere bronnen kan men met zekerheid stellen dat zijn overlijdensjaar 1424 is. In een oorkonde van 27 juni 1426 staat zijn vrouw Marie van Lichtervelde al als weduwe vermeld. Het betreft de verkoop van een aantal stukken land waarin zij een aandeel van twee vijfden krijgt[730]. Daarbij komt nog dat Francois niet meer na 1423 (n.s.) in de charters verschijnt. Op 6 februari 1423 (n.s.) komt hij als curator van het begijnhof in een charter voor[731]. Uit ditzelfde document kunnen we ook met zekerheid opmaken dat hij niet van adel was. Hij wordt als burgensis dicte ville Yprensis genoemd. Zijn collega curator, Michiel de Scotte wordt als miles aangeduid[732]. Een tijdlang was hij schepen. We treffen hem aan bij de wetsvernieuwing van 8 februari 1412 (n.s.), 1413(n.s.), 1414 (n.s.) en 1417(n.s.)[733]. Aangezien hij een afstammeling van de derde tak van is, behoort hij tot een jongere tak van de Dixmudes. Hij is een afstammeling binnen de derde tak. Hij behoort dus niet tot dat deel van de familie die in het bezit bleef van de heerlijkheid Diksmuide[734]. De Dixmudes waren één van de belangrijkste families van Ieper, zeker in de 14e en eerste helft van de 15e eeuw. Ze waren vooral actief in handel en industrie. Van daaruit kwamen ze tegen de graaf op ter verdediging van de stedelijke rechten, een positie die hen tegenover de Belles deed staan. Deze laatste familie was grootgrondbezitter en behoorde met een deel van haar medestanders tot de adel. Van daaruit steunden ze de grafelijke politieke ambities[735]. In dezelfde kapel liggen ook nog Denis van Dixmude (+ 27 juni 1379) en Catherine Paeldinc[736]. Uit een nota kan men opmaken dat hun graf zich vermoedelijk bevond tussen het eigenlijke altaar en de koordeur[737]. In Ieper treffen we schijnbaar gelijktijdig twee personen aan met de naam Denis van Dixmude. In een oorkonde van 14 april 1363 ziet men dat Denis van Dixmude, poorter van Ieper, een erfrente ruilt met Denis van Dixmude en Pieter de Maets, voogden van het O.L.V.-gasthuis[738]. Genealogisch is er echter geen enkel bewijs dat dit ook effectief zo zou zijn. Geen enkele genealogie toont een gelijktijdig bestaan van meerdere Denis van Dixmudes[739]. Ons inziens is er hier sprake van een transactie tussen Denis van Dixmude als privé-persoon en het O.L.V.-gasthuis, vertegenwoordigd door de voogden Denis van Dixmude en Pieter de Maets. Denis van Dixmude was ridder, maar wanneer de ridderslag heeft plaatsgevonden is niet gekend. Bovendien was hij zeer actief in het stadsbestuur. Daarin bekleedde hij verschillende functies. Zo was hij in 1367 1371 en 1377 voogd van de wezerij. Het ambt van schatbewaarder oefende hij uit in de jaren 13687 en 1375. Tijdens de jaren 1358, 1362, 1366, 1369, 1373, 1376 en 1378 zetelde hij als schepen[740]. Van 1362 tot 1378 blijkt hij ook voogd van het godshuis geweest te zijn[741]. De vele economische transacties die hij afsluit tonen bovendien dat hij een vrij vermogend man was. Hij was vooral actief in de aankoop van erfrentes[742]. Op 15 maart 1368 (n.s.) koopt hij van Andries Nachtegale een huis in de Boezingestraat[743]. Familiaal gezien behoorde hij tot de tweede tak van de familie van Dixmude. Ook Anna Godericx (+ 29 juli 1396) en haar dochter Francine van Dixmude (+ 5 september 1437) liggen in deze kapel begraven[744]. Anna was de weduwe van de in 1391 overleden Elvy of Eloy van Dixmude. Ze zijn echter niet samen begraven. Elvy rust in de noordkapel in hetzelfde graf als zijn vader[745]. In haar tweede huwelijk was ze gehuwd met Guillebert of Willem van de Nieppe. Eén afschrift geeft ook dat haar zoon Walterius van Dixmude en zijn vrouw bij haar zijn begraven[746]. Ons lijkt dit niet correct te zijn. Ten eerste is dit het enige bewijs hiervoor en verder wordt hij binnen hetzelfde afschrift ook nog met een eigen graf vermeld[747]. Het bleek niet mogelijk om informatie over de activiteiten van Anna Godericx en Willem van der Nieppe terug te vinden[748]. Een laatste Dixmude die in de St. Denijskapel is begraven is Louis of Lodewijk van Dixmude (+ 12 juli 1455) en zijn vrouw Clara Paeldinc (+ 30 januari 1479 n.s.)[749]. Louis is een kleinzoon van de hoger vermelde Denis van Dixmude. Hij behoort dus ook tot de tweede tak van de Dixmudes[750]. Hij is de zoon van Pieter van Dixmude, begraven in de O.L.V.-kapel van St. Maarten[751]. Vermoedelijk mag hij gelijkgesteld worden aan magister Lodewijk van Dixmude[752]. Hij was beëdigd notaris van het bisdom Terwaan[753]. Hij bezat zijn huis aan de oostkant van de Torhoutstraat[754]. Hij is geen schepen geweest, maar daar hij juridisch geschoold was kon hij wel pensionaris worden. Het is een functie die hij van 1421 tot 1441 bekleedde[755]. Door dergelijke continuïteit kon hij wel op het beleid wegen[756].

Tussen de pilaster die de twee okselkapellen scheidt en de pilaar met het koor kan men een drietal graven situeren. Tegen de pilaster en aan de westzijde van Jacob van Dixmude[757] ligt Jacob van Torrout (+ 23 oktober 1379) en Anna Croeselinck (+ 15 januari 1381 n.s.)[758]. Hijzelf en zijn vrouw echter blijven volledig onbekend. Beide maken ze nochtans deel uit van bekende Ieperse schepenfamilies. De van Torhouts en de Croeselins worden al in de 12e eeuw tot het patriciaat der 30 families gerekend[759]. Van daaruit drukken ze ook na 1300 nog hun stempel op de Ieperse politiek. Aan de noordzijde van hen ligt Andries Paeldinc en ten noorden van deze ligt een Oultre. De familie Oultre bezat een tijdlang het burggraafschap van Ieper[760]. Doordat de inscriptie in de 16e eeuw reeds verdwenen was, is het niet bekend wie er precies is begraven[761]. Andries Paeldinc (+ 4 juni 1417) is er samen met zijn vrouw Alleene Witte (+ 20 november 1448) begraven[762]. De familie Paeldinc blijkt één van de machtigste uit de stad en kasselrij Ieper geweest te zijn[763]. Dit uit zich o.a. in een zeer groot aantal schepenen die ze binnen haar rangen telde[764]. Men kan enkel met zekerheid stellen dat Andries heer van Crommenhelst te Vlamertinge was[765]. In zijn onmiddellijke nabijheid ligt nog een Andries Paeldinc (+ 9 november 1363) begraven. In hetzelfde graf liggen ook nog zijn zoon Andries Paeldinc (+ 1 oktober 1420) en zijn vrouw Marie Ruggevoet (+ 20 mei 1402)[766]. Het gaat hier dus om drie opeenvolgende personen met dezelfde naam: grootvader Andries Paeldinc (+ 1363), vader Andries Paeldinc (+ 1420) en zoon Andries Paeldinc (+ 1417). De indeling in de index op de cartularia van het St. Maartenskapittel geeft echter slechts twee personen met de naam André Paelding[767]. Eén daarvan zou van 1354 tot 1400 voorkomen in oorkondes. Ook het feit dat er een André Paelding, l’ancien of l’ainé voorkomt, doet reeds vermoeden dat er een Andries Paeldinc, de jonge moet bestaan hebben. Aangezien de zoon Andries Paeldinc nog vóór zijn vader is gestorven en zijn vrouw Alleene hem 31 jaar heeft overleefd, kunnen we stellen dat hij vrij jong is overleden. In de schepenlijsten is het epitheton de jonghe de eerste keer aanwezig in de wetsvernieuwing van 7 februari 1412 (n.s.)[768]. Voordien blijkt dit dus niet nodig te zijn geweest. We besluiten hieruit dat de zoon Andries Paeldinc (+ 1417) slechts vanaf toen schepen was. Alle vermeldingen voordien worden dus aan zijn vader toegewezen. Indien dit niet het geval zou zijn, doet zich de noodzaak tot dergelijk epitheton niet voor. De zoon Andries heeft dus slechts een tweetal jaar gezeteld als schepen, in 1412 en 1415[769]. Het epitheton doude komt de eerste keer voor in de vernieuwing van 7 februari 1413 (n.s.)[770]. Na het overlijden van zijn gelijknamige zoon vervalt de noodzaak voor dergelijke vermelding. Hij zetelt nog eenmaal als schepen vanaf 8 februari 1420 (n.s.) en daar is deze toevoeging niet meer te zien. We besluiten dat vader Andries Paeldinc, de Oude, zetelde in de jaren 1413, 1414 en 1415 als schepen en in 1417 als voogd[771]. Daar de grootvader Andries Paeldinc overleed in 1363 kan hij niet meer in de schepenbank zetelen. Alle overige vermeldingen van een Andries Paeldinc van na 1363 zullen we dus aan vader Andries Paeldinc moeten toewijzen. We kunnen stellen dat hij telkens in de wetsvernieuwing zetelde tot het volgende jaar. Zo wordt hij vermeld in de vernieuwingen van 27 augustus 1380, 26 november 1383, 24 november 1387, 9 december 1395, 10 december 1393, 11 december 1399, 13 december 1403 en 15 december 1405[772]. Tussen zijn verschillende schepenambten fungeert hij ook nog af en toe als voogd[773]. De grootvader Andries Paeldinc komt minder als schepen voor. Slechts in een tweetal jaar is hij in oorkondes te zien[774]. Het is hierbij duidelijk dat het onderscheid zoals dit in de index van Feys en Nelis voorkomt niet correct is. De drie personen worden er door elkaar gehaald[775]. In de zuidkapel ligt nog het graf van een tweede zoon van vader Andries Paeldinc (+ 1420). Jan Paeldinc (+ 3 mei 1424) is er samen met zijn vrouw Clara van Becelare (+ 5 november 1435) begraven[776]. Het is onduidelijk in welke jaren hij een schepenambt heeft. Hij komt wel voor in schepenlijsten, maar tegelijkertijd ziet men ook een Jan Paeldinc, zoon van Eloy in de oorkondes[777]. Deze was echter reeds in 1413 overleden[778]. We zijn dus zeker dat hij vermeld wordt in de lijsten van 1417, 1418 en 1423. In 1415 wordt hij expliciet als fs aangeduid[779].Over de jaren 1396, 1397, 1399, 1401, 1402, 1403, 1404, 1405, 1407 en 1412 is er dus geen zekerheid. Een laatste Paeldinc waarvan we met zekerheid weten dat hij in de zuidkapel is begraven is Lodewijk Paeldinc[780], meer bepaald in de St. Niklaaskapel. Hij blijkt een bastaard te zijn van Michiel Paeldinc. Op het graf van deze wordt ook een zekere Lodewijk vermeld. Vermoedelijk moeten we het niet nader gelokaliseerde graf van zijn vader daarom daar plaatsen[781]. In dat graf[782] rustten dus Michiel Paeldinc (+ 1440), diens zoon meester Michiel Paeldinc (+ 1449) en dus ook zijn zoon Lodewijk[783]. Lodewijk Paeldinc heeft geen schepenambten uitgeoefend. In oorkondes ziet men hem slechts in één bepaalde context optreden. Op drie verschillende momenten treedt hij samen met Sanders Belle op als voogd voor Karel van Dixmude, een weeskind van Denis van Dixmude[784]. Daar hij een bastaardzoon blijkt te zijn is zijn moeder niet bekend. Bij leven was hij gehuwd met Christine Vos[785]. Hun dochter was gehuwd met Louis van Dixmude[786] en rust in hun nabijheid in de St. Sebastiaanskapel. Zijn vader Michiel Paeldinc was veel actiever geweest in het bestuur van de stad. Hij droeg de meestertitel omdat hij doctor in de rechten was. Hij heeft gestudeerd aan de universiteit van Leuven. In 1429 werd hij ingeschreven aan de artes faculteit. Zijn exact college is niet opgegeven. Op 5 februari werd hij baccalaureus artium en in 1432 promoveerde hij in de artes[787]. Over zijn carrière aan de rechten faculteit is niets geweten. Hij was gehuwd met Catherine Vrete. Aangezien deze in 1455 hertrouwde met Jacques Vergeloo ligt ze vermoedelijk bij deze begraven[788]. Michiel komt een eerste keer voor in de schepenlijst van het jaar 1440 (n.s.). Hij wordt daar expliciet als M(agiste)r Michiel Paeldinc docteur in rechten aangeduid[789]. Deze expliciete vermelding kan te maken hebben met feit dat hij toen voor de eerste keer zetelde en dat men een duidelijk onderscheid wilde maken met zijn vader die tot dan ook als schepen zetelde. Als schepen wordt hij verder nog vermeld in de vernieuwing van 8 februari 1443 (n.s.) en als voogd op 8 februari 1445 (n.s.)[790]. Hij komt gedurende het jaar 1446 ook als pensionaris in de stadsrekening voor[791]. Zetelend als leenman van de graaf in de zaal van Ieper bewoog hij zich ook in feodale structuren.[792]. Uiteindelijk moet hij dus op relatief jonge leeftijd zijn overleden. Zijn vader Michiel Paeldinc (+ 1440) heeft meer in de schepenbank gezeteld. Een achttal wetsvernieuwingen, telkens op 8 februari, vernoemen hem als schepen: 1422 n.s., 1424 n.s., 1426 n.s., 1428 n.s., 1434 n.s., 1435 n.s., 1436 n.s. en 1438 n.s.[793]. Op 11 maart 1428 wordt hij als kerkmeester van St. Maarten vermeld[794]. Uit de bespreking van deze Paeldincs mag duidelijk zijn dat ze binnen de Ieperse magistratuur een zeer voorname plaats bekleden.

In dezelfde zuidkapel aan een zijmuur ligt nog een universitair geschoolde. Meester Florens Wielant (+ 9 augustus 1465) was ghelijcencijert in loijen[795]. Waar hij zijn artes volgde is niet bekend. Hij vervolmaakte zijn rechtenstudies in Keulen. In 1424 staat een zekere Flor. Wyelant de Curdraco, d. Tron. In de immatriculatielijst vermeld[796]. Curdraco staat voor Kortrijk. Volgens de graftekst is zijn vader en misschien hijzelf uit Kortrijk afkomstig. Uit de grafinscriptie blijkt al dat hij pensionaris en klerk van de stad Ieper was. Deze functie bekleedt hij ten laatste op 30 juli 1434. Dan treedt hij op als scribent van een tweetal oorkondes[797]. In een oorkonde gedateerd op 11 december 1458 wordt hij eenmaal als procureurs van voocht, scepenen ende raed van den steide Ypre genoemd en een tweede maal als procureurs generale ende speciale boden[798]. Voor de tweede pilaar[799] ligt Denis Nappin begraven[800]. Ter zijner nagedachtenis stichtte hij een mis aan het altaar waar hij begraven werd[801]. Ook hij was waarschijnlijk universitair geschoold. De functie waarin hij steeds vermeld wordt is die van scholaster te Cassel van waaruit ook hij een belangrijke politieke functie had in het graafschap en in de stad. Hij zou ca. 1312 zijn overleden[802]. Hij moet voor 6 februari 1315 (n.s.) overleden zijn. Op die dag werd een oorkonde uitgevaardigd met een deel van de uitvoering van zijn testament door de gilde van St. Niklaas[803]. Daarbij worden er voor hem nog missen gedaan in het O.L.V.-gasthuis en het Belle godshuis[804]. Het feit dat door de St. Niklaasgilde een mis zou worden opgedragen kan deze begraafplaats bevestigen. Het altaar grenst immers aan de kapel van St. Niklaas. Van Denis Nappin weten we enkel dat hij vrij bemiddeld was, wat vooral blijkt uit het groot aantal misstichtingen die hij heeft gedaan. Hij zou ca. 1312 zijn overleden[805].

Een laatste persoon die langdurig schepen is geweest is Denis Schattinc (+ 8 december 1364)[806]. Vanaf 1334[807] tot 1357[808] treedt hij regelmatig als schepen op, van 1352 tot 1354 zelfs tijdens drie opeenvolgende jaren geweest[809]. De laatste vermelding dateert van 6 juni 1360, hij wordt daarin gewoon poorter genoemd