| „Rom dagegen hat mich richtig ergriffen”. Een onderzoek naar het gebruik van de antieke Oudheid door Adolf Hitler in Mein Kampf en de Tischgespräche. (Stijn Gevaert) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Dit hoofdstuk heeft een zelfde opzet als het vorige. In dit kapittel gaan we namelijk op zoek naar de elementen in de Tischgespräche waarvoor Hitler uit de Oudheid geput heeft. Dit hoofdstuk loopt volledig gelijk met hoofdstuk III. Het eerste punt gaat dieper in op de inhoud en het tot stand komen van de Tischgespräche. In hetzelfde stuk onderzoeken we het tijdsverschil tussen Mein Kampf en de Tischgespräche. Vervolgens behandelen we in punt 2 Hitlers historische wetten en zijn visie op het onderwijs, vervolgens de Griekse, Romeinse, Germaanse, Joods-Christelijke cultuur en de bouwkunst. In het besluit nemen we dan opnieuw alle verwijzingen op in een tabel, om zo op zoek te gaan naar algemene tendensen in de Tischgespräche.
Ook de methode die we hier hanteren, is dezelfde als in het vorige hoofdstuk.
Het grootste probleem waarmee we tijdens dit hoofdstuk geconfronteerd werden, is de sterkere verwevenheid van de verschillende thema's in de Tischgespräche. Hitler behandelt niet in één enkele passage alleen Romeinen of bijvoorbeeld geschiedenis, maar tegelijk gaat hij in zijn uiteenzettingen over het verleden tal van thema’s door elkaar weven. Hier wordt elk thema apart behandeld, met de passages waarvan we vonden dat ze het meest betrekking hadden op dat thema. Uiteraard worden ook die elementen die niet rechtstreeks slaan op het algemeen kader, ook uitvoerig behandeld.
Een ander probleem dat zich voordoet in dit Hoofdstuk, heeft te maken met de eigen aard van de Tischgespräche. In dit werk worden namelijk een heel aantal tafelgesprekken opgenomen, die structureel verschillen. Enerzijds zijn er de gesprekken die geciteerd worden in directe rede, anderzijds zijn er de gesprekken die in indirecte rede geciteerd worden. De gesprekken in directe rede zijn de tafelgesprekken die opgenomen zijn door Heim, die in indirecte rede zijn de tafelgesprekken waar Picker nota van genomen heeft.
Aangezien dit mogelijk inhoudelijke gevolgen kan hebben (bij de passages in directe rede is er meer zekerheid over wat Hitler werkelijk gezegd heeft, de andere zijn geen letterlijke optekening), geven we in de voetnoten de gesprekken in directe rede (van Heim) weer met de aanduiding H na de bibliografische referentie.
Tenslotte moet het ook duidelijk zijn dat we de verwijzingen in de toespraken die als aanvulling op de Tischgespräche opgenomen zijn in de versie die wij behandelen, niet in deze verhandeling opgenomen hebben. Strikt genomen horen ze er ook niet bij, maar zijn ze enkel ter illustratie van de auteur over Hitlers visie. Het feit dat we hen niet opgenomen hebben houdt echter niet in dat ze van mindere waarde zijn. Zo vinden we er ook een aantal verwijzingen in naar de Oudheid. Eén ervan begint zelfs met een citaat van Herakleitos (cfr. supra, p. 48). Deze toespraken in onze verhandeling opnemen zou echter een vertekend beeld kunnen geven van de visie die primeert in de Tischgespräche. Toespraken verschillen namelijk op verschillende gebieden van tafelgesprekken, aangezien ze voor een veel grotere groep gehouden worden en ook veel “duurzamer” zijn dan gesprekken.
1. De Tischgespräche, een registratie van Hitlers uiteenzettingen in het hoofdkwartier
1.1. De tafelgesprekken
De tafelgesprekken zijn ontstaan in het hoofdkwartier van de nazi-top, waar Hitler zijn verschillende theorieën, ideeën en opinies met zijn medewerkers en gasten deelde. De auteur van de Tischgespräche heeft dan de bedoeling gehad om al deze gesprekken op te schrijven om “nicht um meine Sicht der Probleme, sondern darum, planmäßig ein ausführliches Selbstzeugnis über seine Person, seine Ideen und Ziele zu überliefern”[323]. Volgens de auteur kon hij dan zo objectief mogelijk Hitlers wereldvisie weergeven, in tegenstelling tot biografieën van medewerkers, dagboeken, … die hij allemaal veel te subjectief vond[324].
Zoals gezegd speelden de Tischgespräche zich af in het Führerhauptquartier, het “mobiele” (het hoofdkwartier kon soms veranderen) politiek en militaire centrum van Duitsland. In dit hoofdkwartier was Hitlers personeel altijd bij hem, zoals zijn artsen, secretaris en allerlei bevoegden, … Picker beweert dat er daar twee tafels waren. Aan de eerste, de Führertafel besprak Hitler vooral militaire aangelegenheden of onderhield hij zich vooral met andere staatsmannen en generaals. Anderzijds was er ook de Privattafel, waar Hitler met een kleine kern van medewerkers en zijn gasten de maaltijd nam en meer “persoonlijke” dingen kon bespreken[325]. Op dagen dat Hitler niet gebonden was aan de verplichte Führertafel, zette hij zich aan de Privattafel waar ongeveer 20 man aanwezig was.
Picker kon hierbij ook aanwezig zijn als zoon van een senator, die door Hitler zeer hoog geacht werd[326]. De gesprekken die aan deze tafel gevoerd werden, zijn door Henry Picker geregistreerd. Hij verwonderde zich er namelijk al van bij het begin van zijn aanwezigheid over dat er niemand – tenzij op uitdrukkelijk bevel – nota nam tijdens zijn uiteenzetting. Picker wijtte dit aan het feit dat zijn dichtste staf toch al zijn visies door en door kende. Daarnaast had Hitler ook verboden om nota te nemen, te meer omdat hij ongegeneerd wou spreken, zonder al zijn woorden te moeten wikken en wegen[327], maar Picker had hier aanvankelijk geen weet van. De gesprekken begonnen soms na het eten, wanneer Hitler zijn leesbril nam en de nieuwste telegrammen bekeek. Hij ging dan in op een aantal onderwerpen die in die telegrammen voorkwamen of al aan tafel aangekaart waren[328].
Wanneer Picker dan uiteindelijk het hoofdkwartier verliet, verkreeg hij van Bormann Hitlers toestemming om zijn nota’s te mogen meenemen, verder kreeg hij ook de toelating om Hilters notities en dienstcorrespondentie te mogen inkijken. De informatie die hij hieruit verkreeg gebruikte hij dan uiteindelijk om zijn opmerkingen, tussenteksten en de eigenlijke gesprekken op hun correctheid te controleren[329]. In 1943 vroeg Picker uiteindelijk aan Bormann de toestemming om de tafelgesprekken te mogen publiceren. Bormann besprak dit met Hiltler, die hierin toestemde voor zover alles overeenstemde met zijn memoires (die verdwenen waren op het einde van de oorlog), en voorzover hij ze goedgekeurd had[330]. De gesprekken zelf zijn dus nooit gevoerd met de publicatie als oogmerk, hoewel Picker deze bedoeling al had vanaf het begin van zijn registratie.
1.2. Methode van registratie en de inhoud van de gesprekken
Om de authenticiteit en de objectiviteit te behouden, vond Picker het onverantwoord als historicus en jurist om louter uit het hoofd de gesprekken te reconstrueren. Vandaar dat hij besloten had om toelating te vragen om tijdens de gesprekken trefwoordnotities te nemen. Deze permissie kon hij bekomen van Hitlers secretaris, Martin Bormann. Bormann had immers al eerder stenogrammen van Hitlers gesprekken kunnen verzamelen. De persoon die deze opgenomen had, Heinrich Heim, was in diskrediet gevallen, aangezien er een stuk van zijn gesprekken letterlijk in de buitenlandse pers verschenen was.
Daarom kreeg Picker toestemming van Bormann om Hitlers gesprekken te noteren voor zover ze betrekking hadden op de actualiteit en op vragen die door hem gesteld werden.
Bovendien beweert Picker dat hij zover uit Hitlers gezichtsveld zat, dat het nauwelijks opviel dat hij noteerde. Wat ook meespeelde in Hitlers oogluikend toelaten van Pickers registratie is dat Hitler niet altijd wist of Bormann toelating gegeven had. Bovendien stemde de sociale positie van Picker als zoon van een hoogstaand senator, Hitler al direct milder[331].
De methode die Picker bij zijn registratie hanteerde was zoals gezegd het werken met trefwoorden. De uiteindelijke tekst, die hij dan in zijn vrije tijde maakte, was wel een kortere versie van het oorspronkelijke verhaal. Picker heeft namelijk geselecteerd in wat hij belangrijk vond voor het nageslacht. Zijn neerslag moest voor hem namelijk een beeld geven van Hitlers voelen en denken.
Omdat Picker dus Hitlers woorden onmogelijk letterlijk kon weergeven, gaf hij de gesprekken weer in indirecte rede. De gesprekken die door Heim opgenomen zijn en meer letterlijk Hitlers gedachtengang weergeven, zijn in zijn werk in directe rede opgenomen. Aangezien Picker zijn eigen nota als basis van dit werk nam, heeft hij dan ook enkel de gesprekken van Heim opgenomen, voor zover het geen herhalingen waren van wat hij genoteerd had en voor zover ze het beeld dat Picker van Hitler wou schetsen vervolledigden[332].
1.3. Het tijdsverschil tussen de Tischgespräche en Mein Kampf
In eerste instantie is er natuurlijke de nieuwe politieke context. In de periode tussen 1927 en 1941 is er namelijk enorm veel veranderd. Hitler was aan de macht gekomen en zat volop in de Tweede Wereldoorlog. De Tischgespräche situeren zich net op het moment waar het tij begon te keren. Operatie Barbarossa was namelijk al ingezet.
De invloed van deze politieke omwenteling moet ook enorm geweest zijn. Mein Kampf was geschreven in een periode, waarin Hitler hoopte staatsleider te worden, tijdens de Tischgespräche waren zijn wensen grotendeels vervuld. Bovendien had zijn macht hem ook meer kansen geboden om rechtstreeks met de Oudheid geconfronteerd te worden. Zo heeft hij de Quirinalis en het Colloseum in Rome bezocht tijdens zijn tweede staatsbezoek in Italië van 2 tot 10 mei 1938[333]. Ook de Olympische Spelen van 1936 hielden voor Hitler een verdere confrontatie met de Griekse Oudheid in. Bovendien werd er tijdens de Spelen van geprofiteerd om volop de banden met het klassieke Griekenland aan te halen.
Dit resulteerde bijvoorbeeld in Hitlers subsidie voor zes nieuwe opgravingen in Olympia[334] en verschillende tentoonstellingen, waarin de Griekse sporten gepromoot werden[335]. Tijdens de Tischgespräche wordt bovendien ingegaan op de recent gesloten koop van de Discuswerper van Myron.
In de periode van 1927 tot 1941 heeft Hitler waarschijnlijk ook nog zeer veel gelezen, hoewel we daar niet goed over ingelicht zijn. Hitlers kon wel zeker niet zoveel gelezen hebben als de periode voor de redactie van Mein Kampf, daarvoor was zijn tijd veel te beperkt geworden.
2. Verwijzingen naar de Oudheid in Hitlers tafelgesprekken
2.1. Hitlers visie ten opzichte van Geschiedenis en geschiedenisonderwijs
Geschiedenis en het geschiedenisonderwijs blijven belangrijk voor Hitler, maar in de Tischgespräche doet Hitler toch minder uitspraken met betrekking tot beide thema’s. In de Tischgespräche vinden we slechts zes passages waarin Hitler zijn historische theorieën behandelt. Met betrekking tot het geschiedenisonderwijs vinden we slechts twee passages.
2.1.1. Hitlers historische theorieën
Uit het vorige hoofdstuk blijkt dat geschiedenis in Mein Kampf vooral haar functie vindt in haar nut voor het heden. Ook in de Tischgespräche komt dit beeld duidelijk naar voor. Hitler bestudeert ook geen geschiedenis op zich, maar enkel met betrekking tot het heden. Vandaar dat we dit heden volgens Hitler altijd als uitgangspunt moeten nemen voor de historische studie. Vanuit deze stelling gaat Hitler op zoek naar de oorsprong en de status van het Duitse volk. Deze vond volgens Hitler haar wortels in het antieke gedachtegoed, het Christendom en het Germaanse geweld. Juist door haar geweld heeft dit Duitse volk zich als eenheid kunnen manifesteren. De verdienste van Karel de Grote (ca 742-814) is zijn streven naar culturele ontwikkeling, onder invloed van die antieke gedachtegang. Voor deze culturele ontwikkeling is echter een goede staatkundige organisatie vereist, zoals dat ook de gang van zaken in de Oudheid was. In de laatste twee zinnen van deze passage, merken we een grote gelijkenis met een eerder aangehaald citaat van Hitler in Mein Kampf, waarin Hitler het heeft over de noodzaak van interne rust om tot culturele ontplooiing te komen (cfr. supra, p.67).
„Geschichte müsse immer aus ihrer Zeit heraus verstanden werden. [...] Das deutsche Volk sei auch nicht lediglich als ein Produkt von antiker Idee und Christentum, sondern als ein Produkt von Gewalt, antiker Idee und Christentum entstanden. Nur mit Hilfe der Gewalt habe sich das deutsche Volk im Abglanz alt-römischer Staatenbildungen und auf dem Boden des von einer Universal-Kirche vertretenen Christentums in der Kaiserzeit erstmalig zusammenschweißen lassen. Ein Mann wie Karl der Große habe sich dabei kaum so sehr von machtpolitischen Erwägungen leiten lassen als vielmehr von dem mit der antiken Idee gegebenen Streben nach kultureller Entwicklung, nach kulturellem Schaffen. Das größtmögliche Maß Kulturellen Schaffens sei aber, wie die Antike zeige, nun einmal nur bei einer straffen Zusammenfassung zu einer staatlichen Organisation zu erreichen. Denn Kulturarbeit sei Zusammenarbeit, Zusammenarbeit aber erfordere Organisation.“[336]
Het vreemde in deze passage is vooral dat Hitler het ontstaan van het Duitse volk mee wijt aan het Christendom. Dit is zeker een heel belangrijke factor, aangezien na het einde van het Romeinse Rijk, enkel het Christendom nog een factor van eenheid in het Westen was[337]. Waar Hitler dus zo’n kritiek heeft op het Christendom als oorzaak van de ondergang van het Romeinse Rijk, moet hij tegelijk het belang van het Christendom in de ontstaansgeschiedenis van het Duitse volk erkennen.
Parallellen spelen binnen deze benadering van de geschiedenis een heel belangrijke rol. Zo zijn ze van wezenlijk belang in Hitlers zoektocht naar de oorsprong van het Duitse volk. Volgens Hitler moet er daarom een geheel nieuwe visie ontstaan op de Germaanse geschiedenis. Eén van de belangrijkere kenmerken is dat er aanknopingspunten gezocht worden tussen de Grieken en de Romeinen[338]. Op verschillende manieren worden er verbanden gelegd met de Grieks-Romeinse Oudheid, die als voorbeeld geldt van de suprematie van het Arische ras. Enerzijds beklemtoont Hitler de historische banden tussen de Germanen en Grieken, anderzijds beklemtoont Hitler de connectie tussen het antieke Rome en zijn “toekomstige Duitse wereld”.
„Beim Abendessen führte der Chef aus, daß wir uns eine ganz neue Geschichtsschau zu eigen machen müßten. Wenn wir die Geschichte in ihren Zusammenhängen erfassen wollten, müßten wir in unserer Geschichtswissenschaft anknüpfen an das römische Weltreich und an die griechische Antike. Wenn schon Parallelen gezogen werden sollten, so also zwischen jenem geschichtlichen Geschehen und unserer Zeit; such man etwa nach einem Gegenstück für Friedrich Wilhelm I. und seine Sohn, Friedrich den Großen, so sei das beste Alexander der Große und sein Vater Philipp.“[339]
Hitler haalt in deze passage direct al een eerste mogelijke parallel aan. Deze slaat op enerzijds Frederik Willem I en zijn zoon, Frederik de Grote, anderzijds op Philippos II en zijn zoon Alexander de Grote. In dit geval zijn er ook verschillende gelijkenissen. Frederik Willem I (1688-1740) was de koning van Pruisen die zijn rijk tot een wereldmacht omgevormd heeft. Vooral op militair en fiscaal vlak heeft hij veel gepresteerd. Ten eerste heeft hij de Pruisische legers meer dan verdubbeld (van 38.000 naar 83.000) en ten tweede heeft hij Pruisen economisch onafhankelijk gemaakt. Zelf heeft hij niets veroverd. Het rijk kon alleen uitgebreid worden met een streek tussen Zweden en Pruisen door een verdrag[340]. Zijn zoon was Frederik II (1712-1786) of Frederik de Grote. In 1740 volgde hij zijn vader op als keizer van Pruisen en bouwde hij het Pruisische Rijk uit tot de grootste militaire macht in Europa. Dit deed hij onder andere door militaire veroveringen en onderhandelingen, zodat hij het rijk enorm vergrootte[341]. Uiteraard zijn er treffende gelijkenissen tussen deze koningen en de Macedonische. De gelijkenissen vallen het meest op voor Frederik II en Alexander III (koning van Macedonië van 336 tot 323 vóór Christus). Ten eerste al omwille van hun bijnaam “de Grote”, ten tweede omdat ze beiden het rijk van hun vader uitgebreid hebben. Ook voor Frederik Willem en Philippos II (359 tot 336 koning van Macedonië) gaat de vergelijking op. Philippos II was namelijk ook verantwoordelijk voor de hervormingen van het leger, waar Alexander later gebruik van zou maken. De basis van het Macedonische rijk werd ook al door hem gelegd.
Naast Hitlers zoektocht naar parallellen in het verleden of met het heden, haalt Hitler in de Tischgespräche een aantal historische wetten aan die van belang zijn voor het volwassen worden en verder bloeien van volkeren. Eén van die historische wetten hebben we al aangehaald in Mein Kampf, namelijk het belang van het klimaat in de ontwikkeling van bepaalde culturen (cfr. supra, pp. 83-84). In de tafelgesprekken gaat Hitler opnieuw in op deze wet.
Uit deze passage komt Hitlers bagatellisering voor de Germaanse prehistorie duidelijk naar voor. Ten eerste door zijn matige interesse voor de opgravingen, die hij overroepen vond, ten tweede door zijn vergelijking tussen de Germanen en Grieken. De Germanen herstelden volgens Hitler namelijk nog stenen troggen en tonnen, toen in Griekenland de Akropolis al gebouwd werd. Enerzijds vindt Hitler dit ook normaal, aangezien het klimaat een belangrijke rol speelde in de culturele “Aufstieg” van een beschaving. Zo waren het de Mediterrane beschavingen die in het eerste millennium vóór en na Christus de cultuurvolkeren waren, omdat het gebied rond de Middellandse Zee nu eenmaal toen het meest gunstig was. Toch blijkt in zijn beschouwing een meer genuanceerde visie van Hitler. We mogen namelijk die volkeren niet beoordelen op grond van hun hedendaagse situatie. Zo waren volgens Hitler vroeger Noord-Afrika, Griekenland, Italië en Spanje veel bosrijker dan nu. Egypte behandelt Hitler in de lijn van Griekenland en Rome. Volgens Hitler waren de omstandigheden in het Oude Egypte namelijk ook zeer gunstig voor bewoning en cultuur. Hitler denkt hier wel niet verder aan het Egypte uit de latere Griekse en Romeinse periode. Egypte speelde namelijk nog altijd bij de Romeinen een zeer belangrijke rol voor de bevoorrading van graan in de hoofdstad.
Wat de ondergang van culturen betreft, doet Hitler ook een uitspraak met betrekking tot het belang van het klimaat. Volgens Hitler is Egypte ten onder gegaan ten gevolge van de ontbossing, waarbij geen nieuwe bomen geplant werden. Hierdoor werd de natuur volgens Hitler beroofd van haar meest noodzakelijke, namelijk water. Voor Egypte is dit uiteraard totaal irrelevant. De Egyptische woestijnen waren er al lang voor de farao’s aan de macht waren. Bovendien werd in Egypte een heel systeem ontwikkeld voor de irrigatie van het land, die later ook nog van wezenlijk belang was onder de Helleense en Romeinse overheersing. Deze uitspraak is dan ook totaal uit de lucht gegrepen en komt helemaal niet met de werkelijkheid overeen. Uitgaande van het feit dat Hitler ook van het Oude Egypte niets zei in Mein Kampf (behalve de uitdrukking in de Bijbel over de vleespotten van Egypte), moeten we wel vaststellen dat Hitler nauwelijks kennis had van het Oude Egypte.
„Beim Mittagessen erwähnte der Chef, daß bei den Ausgrabungen von Siedlungsstätten unserer Vorfahren aus vorchristlicher Zeit immer sehr viel Geschrei gemacht werde. Er sei gar kein Freund davon. In derselben Zeit, in der unsere Vorfahren die Steintröge und Tonkrüge hergestellt hätten, von denen unsere Vorzeitforscher so viel Aufhebens machten, sei in Griechenland ein Akropolis gebaut werden. [..] Die eigentlichen Kulturträger nicht nur in den letzten Jahrtausenden vor Christus, sondern auch im 1. Jahrtausend nach Christi Geburt seien die Mittelmeerländer gewesen. Uns erscheine das manchmal unwahrscheinlich, weil wir die Mittelmeerländer nach dem Zustand beurteilten, den wir heute in ihnen vorfänden. Das sei aber völlig falsch.
Nordafrika sei einmal ein dichtbewaldetes Gebiet gewesen, und auch Griechenland, Italien und Spanien hätten zur Zeit der griechischen Vorherrschaft und zur Zeit des römischen Imperiums dichte Waldungen aufgewiesen. Auch bei unserer Beurteilung der ägyptischen Geschichte müsse man sehr vorsichtig sein. Ebenso wie Italien und Griechenland sei auch Ägypten in seiner Glanzzeit ein durchaus bewohnbares und klimatisch günstiges Gebiet gewesen. Es sei also mit ein Beweis für den kulturellen Niedergang eines Volkes, wenn seine Menschen die Wälder abholzten, ohne für entsprechende Aufforstungen zu sorgen, und dadurch die weise Wasserwirtschaft der Natur ihrer wesentlichsten Voraussetzungen beraubten.“[342]
Een ander thema waarvan Hitlers hele wereldbeschouwing doorspekt is, is uiteraard de rassenkwestie. Hoewel deze minder aan bod komt in de Tischgespräche treffen we toch een aantal voorbeelden aan. Zoals eerder gezien, is de oorzaak van de ondergang van een volk het gevolg van bloedvermenging. Toch kan de oorzaak van het ten onder gaan of het verder bloeien van een bepaald ras ook een interne aangelegenheid zijn. In de volgende passage getuigt Hitler van een Darwinistische visie, waarbij de sterkere over de zwakkere regeert.
„Aber die Geschichte gehe ja unerbittlich ihren Gang und richte es immer so ein, daß das Problem des Nebeneinander auch bei Blutsgleichheit so gelöst werde, daß der Stärkere durch Kampf den Schwächeren unter seine Fittiche bringe und ein Dualismus nicht zugelassen würde.“[343]
De laatste historische wet van Hitler die we hier aanhalen, komt enigszins vreemd en ongenuanceerd over. Volgens Hitler kunnen schulden namelijk nooit de oorzaak zijn van de ondergang van een volk. Zijn grote voorbeeld was hier waarschijnlijk Duitsland na de Eerste Wereldoorlog, dat ondanks de zware schulden na het Verdrag van Versailles er toch in geslaagd was opnieuw een wereldmacht te worden.:
„Schließlich aber lehre die Geschichte, daß an Schulden bisher kein Volk der Welt zugrunde gegangen sei.“[344]
Uiteraard verdwijnt een volk niet door haar schulden, maar toch kan de staatsschuld een belangrijke invloed uitoefenen op de macht van een volk. Eerder al haalden we Carthago aan, dat pas na haar aflossen van het oorlogsgeld weer Rome durfde te bekampen.
Ook voor oorlog is er veel geld nodig, diegene die het minste geld (i.e. wapens, vloot. huurlingen,…) heeft, zal ook veel eerder het onderspit delven in een situatie waarin ze zich moet meten met een veel rijkere stad of staat.
2.1.2. De functie en het doceren van geschiedenis
Hitler heeft het ook in de Tischgespräche over zijn studie van de geschiedenis. De volgende uitspraak moeten we zeker bekijken in het licht van Hitlers visie op het onderwijs:
“Ich habe im allgemeinen nicht mehr wie 10 Prozent von dem gelernt, das die anderen gelernt haben. Ich war mit meiner Vorbereitung immer sehr rasch fertig. Dennoch, Geschichte habe ich kapiert.“[345]
Op het eerste gezicht lijkt deze uitspraak van Hitler zeer zelfkritisch. Hij beweert namelijk van zichzelf dat hij niet meer dan 10 % van de leerstof geleerd heeft die de anderen kende. Bovendien was hij, naar eigen zeggen, met zijn voorbereiding altijd zeer vroeg klaar. De grote waarde van dit citaat schuilt dan ook in de laatste zin, waarin Hitler zegt dat hij geschiedenis toch begrepen heeft. Hiermee doelt Hitler zeker op het nutteloze van de leerstof in zijn lagere school, zoals alle data en namen. Wat hij hier dus eigenlijk wil zeggen, is dat hij nooit alle data en namen onthouden heeft waar hij in zijn geschiedenislessen mee geconfronteerd werd. Maar hij had wel inzicht in de grote lijnen en het belangrijkste van al was volgens Hitler dat hij inzicht had in de algemene wet die in de geschiedenis domineert: de rassenkwestie. Eén van die belangrijke wetten en theorieën die Hitler ook zo belangrijk vond voor het geschiedenisonderwijs was het interpreteren van historische gebeurtenissen in het licht van het heden, of in omgekeerde weg, de toenmalige politieke kwesties vanuit het verleden snappen.
In een andere passage in de Tischgespräche neemt Hitler het hele onderwijs onder de loep. Volgens Hitler was een te gedetailleerde studie voor elk vak nutteloos. Het onderwijs moest namelijk haar best doen de leerlingen een algemeen inzicht te verschaffen in elk vak. Geschiedenis mag bijvoorbeeld niet zoals vroeger enkel de nadruk leggen op alle data en namen.
Problematisch voor deze passage is wel het verband tussen de eerste en de derde zin. Enerzijds zegt Hitler dat iemand die later muziek wil studeren, niets is met vakken als geometrie, fysica en chemie. Anderzijds zegt hij in de derde zin dat al het gedetailleerde overbodig is. Het is daarom niet zeker of Hitler al die vakken overbodig vindt, dan wel de gedetailleerdheid in die vakken overbodig vindt.
Toch is het zeker dat Hitler er voorstander van is dat iemand naargelang zijn interesses, dieper moet kunnen ingaan op dat vak. Hoogstwaarschijnlijk moeten we die visie wijten aan Hitlers frustraties die hij opgelopen heeft in de Realschule, waar hij onder andere onvoldoendes had voor wiskunde, fysica, Duits, stenografie, meetkunde en Frans (cfr. supra, p. 25). In de eerste zin heeft hij het ook over de nutteloosheid van drie van die vakken voor iemand die muziek wil beoefenen. Hoogstwaarschijnlijk vond hij die vakken dan ook totaal nutteloos.
Was braucht ein Junge, der Musik üben will, Geometrie, Physik, Chemie? Was weiß er davon später noch? Nichts! Das ganze Detaillierte soll man lassen. Zu meiner Zeit war es noch so, daß einer – um die Prüfung zu besehen – in soundso vielen Fächern eine erträgliche Note gehabt haben mußte. Wenn einer nun hochbegabt ist für ein Fach, warum verlangt man dann das andere noch von ihm? Es muß auf dem Gebiet weitergearbeitet werden! Unser Geschichtsunterricht bestand noch vor 40 Jahren nur aus Daten von Herrschern, von Kriegen und von Entdeckungen. Eine Gesamtschau ist dem Einzelnen gar nicht vermittelt worden. Wenn da noch ein wenig begabter Professor am Werk ist, das wird eine Qual! Die kleinen Köpfchen können sich das gar nicht merken![346]
In dezelfde lijn ligt het volgende citaat:
„Man soll überhaupt einem Menschen nicht mehr beibringen, als er nötig hat! Man belastet ihn bloß! Lieber soll man ihm das Schöne zeigen. Ich gehe aus davon, was ein Kind notwendig hat. Das war sicherlich das Ideal in der griechischen Hochblüte, daß man die Menschen zur Schönheit erzogen hat. Heute pfropft man ihnen Wissen ein!“[347]
Ook hier ziet Hitler het onderwijs als veel te belastend. Enkel wat werkelijk nodig is, zou men een kind moeten bijbrengen. Men zou het niet met kennis mogen volproppen. Het voornaamste dat men kinderen moet bijbrengen is het schone. Hitlers referentiepunt voor hoe het ooit was, en hoe het ook nu eigenlijk hoort, is de Griekse wereld. Volgens Hitler was de idee van het schone namelijk het ideaal in de Griekse bloeiperiode. De opvoeding in het antieke Griekenland, die primair gericht was op het schone en het goede, het kalok?gayÛa werd eerder al door BURCKHARDT en NIETZSCHE verheerlijkt.
Het schone was in eerste instantie esthetisch, en manifesteerde zich het meest in een sportieve opvoeding[348]. Waarschijnlijk heeft Hitler dan ook deze visie bij BURCKHARDT geplukt. Deze hypothese wordt meer plausibel wanneer we zien dat in Hitlers bibliotheek Weltgeschichtlichte Betrachtungen van BURCKHARDT aanwezig was (met ex-libris).
Het volgende citaat uit Mein Kampf vindt precies in dat streven naar het schone zijn plaats. In deze passage vat Hitler namelijk de essentie samen van wat voor hem het Griekse schoonheidsideaal is: een fysiek perfect lichaam (kalñw) in symbiose met een stralende geest en edele ziel (agayñw). Dit laatste valt dan vooral samen met het karakter.
„Ein verfaulter Körper wird durch einen strahlenden Geist nicht im geringsten ästhetischer gemacht, ja es ließe sich höchste Geistesbildung gar nicht rechfertigen, wenn ihre Träger gleichzeitig körperlich verkommene und verkrüppelte, im Charakter willenschwache, schwankende und feige Subjekte wären. Was das griechisch Schönheitsideal unsterblich sein läßt, ist die wundervolle Verbindung herrlichster körperlicher Schönheit mit strahlendem Geist und edelster Seele.“[349]
2.2. Hitlers visie ten opzichte van de Grieken
Een visie die niet als tafelgesprek geregistreerd is, maar wel door Picker zelf uitgesproken wordt in zijn werk, gaat over de strijd tussen Athene en Sparta. In deze passage vergelijkt Hitler volgens Picker de strijd tussen de Chinezen en Japanners met de strijd tussen de Atheners en Spartanen, die eigenlijk een broedertwist was. Toch nemen we deze verwijzing hier op als bijkomende illustratie van Hitlers visie op de Oudheid.
„Hinter den Kulissen hat Hitler das Projekt eines chinesisch-japanischen Friedensvertrages nachdrücklich unterstützt. Er sah in dem chinesisch-japanischen Konflikt einen Bruderkrieg, vergleichbar mit dem er Athener und Spartaner in der griechischen Antike. Hitler war ein Kenner und Bewunderer der klassischen chinesischen Kultur, ihrer Kunstwerke, ihrer wissenschaftlichen Leistungen und ihrer Literatur.“[350]
Uit deze verwijzing blijkt duidelijk één punt van kritiek van Hitler op het antieke Griekenland. Het antieke Griekenland was namelijk een lappendeken van onafhankelijke stadstaten die op verschillende momenten in de geschiedenis met elkaar in conflict waren. Vandaar dat Hitler zijn inspiratie voor de perfecte staat niet in Athene zoekt, maar veeleer in het antieke Rome.
2.2.1. De Atheners
In de Tischgespräche komt Athene beduidend minder aan bod. We beschikken slechts over drie verwijzingen die allemaal bij een algemener thema behoren, anders dan het Atheense thema. Eén hebben we er al van behandeld in het thema van Hitlers historische theorieën ( In derselben Zeit, in der unsere Vorfahren die Steintröge und Tonkrüge hergestellt hätten, von denen unsere Vorzeitforscher so viel Aufhebens machten, sei in Griechenland ein Akropolis gebaut werden). De twee andere verwijzingen gaan over het verbod aan Paulus om op de Akropolis te spreken (Rome, Bijlage II, nr. 47) en nogmaals over Hitlers verheerlijking van het Parthenon (Christendom, Bijlage II, nr. 6).
2.2.2. De Spartanen
Met betrekking tot de Spartaanse geschiedenis treffen we twee expliciete verwijzingen aan. Eén daarvan behandelen we in het thema van de Germanen (over de Spartaanse soep, Bijlage II, nr. 16).
De andere passage is één van de meest merkwaardige passages uit de Tischgespräche. Het opvallende aan dit citaat is haar schijn van wetenschappelijkheid. Naast Hitlers verwijzing naar het machtige Sparta dat ooit de Heloten, Klein-Azië en Sicilië overheerste, verwijst hij ook naar het aantal families en Heloten (6.000 Spartaanse families tegenover 340.000 Heloten of ongeveer 60 heloten per familie). Op lange termijn kon Sparta dat echter nooit volhouden, maar het feit dat Sparta dat enkele honderd jaren kon volhouden, was volgens Hitler het bewijs van de grootsheid van het Spartaanse bloed. We zouden hier ook een mogelijke legitimatie voor de uitroeiing van een minderwaardig ras in kunnen zien. Hij zegt namelijk dat het niet haalbaar is met een minderheid een heel territorium te beheersen en daar bovenop een minderwaardig ras te tolereren.
„Auch unsere Hansestädte beweisen es! Nur die kaiserliche Gewalt hat ihnen gefehlt! Man kann auf die Dauer mit 6.000 spartanischen Familien nicht 340.000 Heloten meistern und Kleinasien und Sizilien dazu beherrschen. Daß das überhaupt einige hundert Jahre gelang, ist ein Beweis für die Großartigkeit dieses Blutes.“[351]
De Heloten die Hitler hier aanhaalt zijn een soort slaven. Deze waren in tegenstelling tot andere slaven in de Griekse wereld niet uit andere gebieden geïmporteerd, maar bestonden uit de oorspronkelijke bevolking van Lakonië en Messenië. Het waren hoogstwaarschijnlijk staatsslaven, die te werk gesteld werden in het leger, maar ook door individuen in de landbouw, het huishouden of dienaren[352]. Over de aantallen die Hitler hier aanhaalt kunnen we niets met zekerheid zeggen. Slechts twee antieke auteurs lichten ons hier namelijk over in. Eén daarvan, Xenophon beweert slechts dat ze met meer zijn dan hun meesters. De andere, Herodotus is iets concreter. Hij beweert dat er in Sparta 8.000 burgers geschikt waren voor militaire training. Dezelfde auteur beweerde ook dat er in de slag bij Plataea (479 vóór Christus) 5.000 Spartanen meevochten, die elk zeven heloten aan hun zij hadden (dus 35.000 Heloten).
Deze cijfers hebben wel enkel betrekking op een militaire context en mogen dus niet veralgemeend worden. Wallon rekent deze aantallen om naar de totale populatie, hetgeen neerkomt op 31.400 vrijen en 220.000 Heloten rond 480 vóór Christus[353].
In dit opzicht was Sparta uiteraard veel belangrijker voor Hitler. Hij zag namelijk precies in Sparta zijn Darwinistische visie van de sterkere die over de zwakkere regeert (cfr. supra, pp. 68, 70 ). Daarbij kwam bovendien dat de Spartanen volgens Hitler de zwakkere (i.e. gehandicapte) uitroeiden en zo het geslacht van verdere ziekten spaarden[354]. Wat noch in Mein Kampf, noch in de Tischgespräche voorkomt, maar wel in zijn toespraken, is Hitlers bewondering voor de Spartanen in de slag bij de Thermopylen. Hitler vond het namelijk prachtig dat elke Spartaan de plicht voelde om zich op te offeren voor het vaderland[355]. Over dezelfde slag beweerde hij in 1945, wanneer hij de ondergang van het Duitse Rijk zag naderen, dat Éin verzweifelter Kampf behält sein ewigen Wert. Man denke an Leonidas und seine dreihundert Spartaner. Es paßt auf jeden Fall nicht zu unserem Stil, uns wie Schafe schlachten zu lassen. Man mag uns vielleicht ausrotte, aber man wird uns nicht zur Schlachtbank führen können.’[356]
2.2.3. Alexander de Grote
In het vorige hoofdstuk hebben we gezien hoe Hitler toch redelijk negatief stond tegenover Alexander de Grote. Uit de volgende passages blijkt dat we dit beeld enigszins moeten nuanceren, aangezien we in Mein Kampf slechts één keer de naam Alexander tegenkomen. In de Tischgespräche treffen we twee verwijzingen naar Alexander de Grote aan, beide in een positieve context.
Eerder al hebben we een passage aangehaald waarin Hilter Alexander de Grote vergelijkt met Frederik de Grote, één van Hitlers grote idolen. Ook uit het volgende citaat blijkt bijvoorbeeld een eerder positieve houding van Hitler tegenover Alexander de Grote. Hitler heeft het hier namelijk over de leeftijd waarop bepaalde mannen grootse prestaties leveren. Hij haalt hier twee extremen aan: enerzijds die mannen op erg jonge leeftijd (rond de dertig), anderzijds op heel hoge leeftijd (eind zestig, begin zeventig). Volgens Hitler horen Napoleon (1769-1821) en Alexander bij de eerste. Volgens Hitler had Alexander de Grote namelijk op 20-jarige leeftijd enorm veel verwezenlijkt.
„Unter den tüchtigen Soldaten der Weltgeschichte gebe es ja nicht nur eine Fülle von Beispielen dafür, daß bereits ein Dreißig – bis Fünfunddreißigjähriger große Leistungen vollbringen könne – man denke nur an Napoleon oder darüber hinaus an den 20jährigen großen Alexander - , sondern auch zahlreiche Männer, die erst als Endsechziger oder in den Siebzigerjahren die großen Taten ihres Lebens vollbracht hätten.“ [357]
Voor Napoleon klopt deze verwijzing. Hij werd Consul op zijn dertigste (1799) en keizer op zijn 35ste (1804) [358]. Ook voor Alexander gaat deze passage op. Alexander leidde zijn leger al over de Hellespont in 334, toen hij nog maar 22 was. Toen hij stierf in 323 vóór Christus, was hij 33 jaar en had hij een enorm rijk veroverd, dat na zijn dood direct uiteenviel[359].
De andere verwijzing naar Alexander de Grote situeert zich in een militaire context, met betrekking tot de militaire techniek. Volgens Hitler lagen belangrijke technieken aan de basis van tal van overwinningen. Zo werd de overwinning van Hannibal mogelijk gemaakt door zijn olifanten (zie .1. Romeinse Republiek). Alexanders Aziatische veldtocht is geslaagd door zijn strijdwagens, cavalerie en boogschutters.
„Beim Abendessen bemerkte der Chef: Es sei staunenswert, wie weit im Altertum die Technik dem Krieg angepaßt gewesen sei. Die Siege Hannibals seien ohne seine Elefanten ebenso undenkbar gewesen wie die Alexanders des Großen ohne seine Streitwagen, seine Kavallerie, seine Bogenschützentechnik und so weiter.“[360]
In deze passage heeft Hitler het over het wezenlijk belang van cavalerie, boogschutters en strijdwagens bij Alexander de Grote. De eerste twee waren wel degelijk van essentieel belang in Alexanders leger. Zijn successen waren echter vooral te wijten aan de interactie tussen de verschillende gelederen in de cavalerie (licht- en zwaarbewapend) en infanterie (licht- en zwaarbewapend, boogschutters, speerwerpers, slingeraars)[361].
Het belang van de olifanten van Hannibal wordt hier in elk geval overschat. Hitler gaat er hier waarschijnlijk net zoals zovelen van uit dat Hannibal de eerste was die in een veldslag tegen de Romeinen olifanten gebruikt heeft. De eerste keer dat de Romeinen echter met olifanten geconfronteerd werden in een oorlogssituatie was al veel eerder. In 280 (de slag bij Heraclea) en 279 (de slag bij Ausculum Satrianum) maakte Pyrrhus namelijk met succes gebruik van olifanten tegen de Romeinse cavalerie, aangezien ongetrainde paarden de geur van olifanten niet kunnen verdragen en daarom wegvluchten. De infanterie kon hij terugslaan door met zijn olifanten de verschillende linies te breken. Later gebruiken de Carthagers ook olifanten tegen de Romeinen in de Eerste Punische Oorlog. In de Tweede Punische Oorlog heeft Hannibal aanvankelijk succes met zijn olifanten in de slag bij Trebia ( december 218), maar in de daaropvolgende winter overleeft slechts één olifant. Pas in de slag bij Zama (202 vóór Christus) gebruikte hij ze opnieuw in grote aantallen, maar Publius Cornelius Scipio Africanus kon hun slagkracht echter verminderen door openingen tussen zijn rangen[362]. In de slag bij Cannae in 216 werden dus nauwelijks olifanten gebruikt. Hoogstwaarschijnlijk doelt Hitler op deze slag binnen de context van Hannibals overwinningen. Deze uitspraak is dan ook fel overdreven, hoewel we niet mogen ontkennen dat de olifanten toch een rol gespeeld hebben.
2.2.4. Algemeen Griekse fenomenen
Ook in de Tischgespräche zien we weer een groot aantal thema’s terugkeren met betrekking tot de Griekse cultuur. De eerste daarvan is de Griekse mythologie, de tweede het Griekse schoonheidsideaal. Daarnaast vinden we nog twee andere verwijzingen. Eén daarvan gaat opnieuw over het Griekse gymnasium, een ander over Griekse vazen.
In de Tischgespräche komt de Olympus als het ware voor als een nieuwe hemel. In één daarvan blijkt Hitlers – algemeen gekende – voorkeur voor mooie vrouwen:
Was gibt es für schöne Frauen! Wir saßen im Ratskeller in Bremen. Kam da eine Frau herein: Da hat man wirklich geglaubt, der Olymp hat sich aufgetan![363]
Een ander thema dat ook veel voorkomt in Mein Kampf is het Griekse schoonheidsideaal. In deze passage blijkt vooral ook Hitlers streven naar continuïteit tussen Grieken en Germanen.
Volgens Hitler kwam die schoonheid voor in de grootsheid van hun gedachtegoed en in hun verschijning (cfr. supra, pp. 109-110) Net zoals Hitler in Mein Kampf al aangehaald had, ontbrak het de Grieken enkel aan techniek (cfr. supra, p. 71). Wat de Griekse schoonheid betrof, moest men volgens Hitler maar eens een buste van Zeus of Athene met een Middeleeuws beeld van een gekruisigde of heilige vergelijken.
Ondanks Hitlers geringe kennis van de Egyptische wereld (cfr. supra p.106), beschouwt hij de schoonheid van de Egyptenaren toch van dezelfde orde als die van de Grieken.
„Sehen wir auf die Griechen, die auch Germanen waren, so finden wir eine Schönheit, die hoch über dem liegt, was wir heute aufzuweisen haben. Das gilt für die Großartigkeit ihren Gedankenwelt – nur die Technik war ihnen versagt – wie für das Bild ihrer Erscheinung. Man braucht nur einmal den Kopf des Zeus oder der Athene mit dem eines mittelalterlichen Gekreuzigten oder eines Heiligen zu vergleichen. Wenn ich nun weiter zurückschaue, die Ägypter in der Epoche vorher, es sind Menschen von der gleichen Hoheit. Seit Christi Geburt sind nur 40 Generationen nacheinander gefolgt. Unser Wissen aber hört auf mit einem Zeitraum, der einige Jahrtausende vor der Zeitenwende liegt.“[364]
Dit schoonheidsideaal werd dan volgens Hilter ook in de Griekse scholen aangeleerd.
Hitlers verwijzingen kunnen zeer uiteenlopend zijn en getuigen van een grote algemene kennis. Het volgende citaat is daar een bewijs van. In zijn tafelgesprekken heeft Hitler het hier over de danskunst, volgens hem één van de meest primitieve vormen van expressie in een cultuur. Dit dansen moet voor Hitler gevoelsmatig zijn, niet intellectueel. Van hieruit verwijst hij naar de Oudheid, meer bepaald naar de Griekse vazen, waarop danseressen afgebeeld zijn. Meer nog, ze kunnen niet mooier gezien worden als op die vazen.
„Die Tanzkunst sei mit der Musik zusammen die primärste Äußerung der Kultur eines Volkes, nicht aber das Gestammel von Witzemachern. Die Tänzerinnen müßten in erster Linie gefühlsmäßig, musisch eingestellt sein, nicht aber intellektuell. Daraus sei es auch verständlich, daß ausgerechnet zwei Berlinerinnen – die Geschwister Höpfner – den schönsten Wiener Walzer tanzten und dabei Figuren zeigten, wie sie auf alten griechischen Vasen nicht schöner zu sehen sein könnten.“[365]
Tenslotte haalt Hitler ook nog eens het Griekse gymnasium aan. Hitler ziet namelijk in het schoolwezen en in de Hitler-Jugend het systeem waarin de jeugd een voorbeeld voor het leven krijgt. Dit voorbeeld houdt natuurlijk een geestelijke en fysieke component in. Dit zag Hitler vooral weerspiegeld in het Griekse Gymnasium (cfr. supra, p. 109,110)
„Die Schlagkraft der Schule und der Hitlerjugend als Erziehungsinstrumente sei eine Frage der Jugenderzieher-Auslese. Bei der Auswahl unseres Jugendführerkorps in der Hitlerjugend und bei der Gestaltung des Lehrkörpers im Schulwesen müsse man davon ausgehen, daß die Jugend vom Hitlerjugend-Führer und vom Lehrer ein Vorbild fürs ganze Leben erwarte, ähnlich wie es für die Jugend des klassischen Griechentums der Lehrer am Gymnasium sowohl in geistiger als auch in körperlicher Hinsicht in vollendetem Maße gewesen sei. Da die Jugend im Alter von 10/12 bis 16/17 Jahren am begeisterungsfähigsten sei und einen überaus stark ausgeprägten Idealismus zeige, bedürfe sie gerade in diesen Jahren im besonderen Maße geeigneter Führerpersönlichkeiten; denn nur sie böten die Gewähr für eine Erziehung, deren Zielsetzung einheitlich klar sei.“[366]
2.3. Hitlers visie ten opzichte van de Romeinen
Wat bij het lezen van de Tischgespräche direct opvalt is dat Hitler beduidend meer verwijzingen maakt naar het Romeinse rijk. In tegenstelling tot Mein Kampf zijn ze niet meer zeer algemeen, maar behandelt Hitler zeer uiteenlopende feiten en personen uit de Romeinse periode. Daarom gaan we hier in tegenstelling tot het vorige hoofdstuk het Romeinse thema in verschillende punten opdelen. In het eerste punt behandelen we de Romeinse republiek, vervolgens de keizertijd. In het derde punt behandelen we een aantal verwijzingen die we niet direct met een bepaalde tijdsindeling moeten verbinden.
2.3.1. De Romeinse Republiek
Net als in Mein Kampf zijn de Punische Oorlogen hier een belangrijk stokpaardje voor Hitler. Hij haalt de strijd tussen Rome en Carthago dan ook graag aan als referentiepunt voor het heden. Toch is de oorlog waarin Hitler verzeild is niet van dezelfde orde als de Punische Oorlogen:
“Ein wiederauf leben des Problems „Hie Rom – Hie Karthago“ in einem „Hie Deutschland – Hie England“ sei seines Erachtens unmöglich.“[367]
Eén van de oorzaken waarom Carthago en de Punische Oorlogen Hitler boeiden, lag vast en zeker in het militaire aspect. In de Tischgespräche treffen we drie verwijzingen aan die betrekking hebben op het militaire. Eén daarvan hebben we al behandeld in dit hoofdstuk bij Alexander de Grote (Die Siege Hannibals seien ohne seine Elefanten ebenso undenkbar gewesen wie die Alexanders des Großen ohne seine Streitwagen, seine Kavallerie, seine Bogenschützentechnik und so weiter). Op een later tijdstip in de Tischgespräche haalt Hitler opnieuw Hannibals olifanten aan. Volgens Hitler was dit de meest doeltreffende taktiek ten tijde van Hannibal. Hitlers tankoorlog zou dan ook even doeltreffend kunnen zijn bij landaanvallen. We moeten deze uitspraak zeker ook nuanceren, aangezien het Romeinse leger al eerder met die tactiek geconfronteerd was (cfr. supra, p.114) en in Hannibals belangrijkste slag (Cannae) tegen de Romeinen geen olifanten gebruikt werden. Toch mag het belang zeker niet onderschat worden.
„Beim Mittagessen sprach der Chef über militärische Fragen. Er führte unter anderem aus, daß ebenso, wie die Verwendung von Elefanten als Offensivwaffe zur Zeit Hannibals am wirkungsvollsten gewesen sei, heute die Tanks die vollendetste und wichtigste Land-Offensivwaffe darstellen.“[368]
In de volgende passage heeft Hitler het dan over een van de bekendste slagen uit de Punische Oorlogen, de slag bij Cannae. Dit fragment staat redelijk los van de context, vandaar dat we er geen beoordeling in kunnen zien van Hitler. Enerzijds stelt hij de Carthagers of althans Hannibal op gelijk niveau met de Germanen, anderzijds blijkt uit de rest van de verwijzingen een uitgesproken negatieve houding ten opzichte van Carthago.
„Es hat in der Weltgeschichte bislang nur drei Vernichtungsschlachten gegeben. Cannae, Sedan und Tannenberg. Wir können stolz darauf sein, daß zwei davon von deutschen Heeren erfochten wurden.“[369]
Hitler beweert hier namelijk dat er slechts drie vernietigingsslagen geweest zijn in de wereldgeschiedenis. De eerste daarvan is de slag bij Cannae (216 vóór Christus). Hitler heeft zeker gelijk wat zijn beoordeling van deze oorlog betreft. In deze veldslag waren de Romeinen met meer infanteristen dan de Carthagers (waarschijnlijk 80.000 ten opzichte van 40.000) en minder cavaleristen (6.000 ten opzichte van 10.000). Toch verloren de Romeinen deze slag[370].
Hannibal was er namelijk in geslaagd de Romeinen te omsingelen door de cavalerie langs links en rechts te verslaan en zo de Romeinen, die ondertussen in het midden probeerden door te breken, omsingelden. Het dodental was enorm langs Romeinse zijde: 25.000 man waren gesneuveld, nog eens 10.000 gevangen genomen. De Carthagers verloren slechts 5.700 man.
Het prestige van Rome was gebroken en vele steden onder haar heerschappij revolteerden[371].
Sedan (1 september 1870) is de beslissende slag in de nederlaag van het Franse leger in Frans-Duitse oorlog. Deze nederlaag leidde tot de val van het Tweede Franse Keizerrijk, onder Napoleon III. Sedan was een fort aan de rivier de Meuse, waar 120.000 Fransen (onder leiding van Mac-Mahon) tegen 200.000 Duitsers (onder leiding van Helmuth von Moltke) slag leverden. Toen de Mac-Mahon verwond raakte, ontstond er bij de Franse soldaten verwarring, waarvan de Duitsers profiteerden. Het resultaat van deze slag was de overgave van Frankrijk. Er werden 83.000 krijgsgevangen waaronder Napoleon III uitgeleverd.
De Fransen waren 3.000 man verloren, 14.000 waren er gewond en 21.000 vermist of gevangen genomen. Langs Duitse zijde waren er slechts 9.000 doden en gewonden[372].
De slag bij Tannenberg, volgens Hitler de meest recente vernietigingsslag werd geleverd van 26 tot 30 augustus, 1914 tussen de Russen (onder leiding van Rennenkampf en Samsonov) en de Duitsers (onder leiding van P. von Hindenburg en Ludendorff). In dit stadje in het noordoosten van Polen, verloor Rusland een belangrijke slag tegen de Duitsers. Het leger onder Rennenkampf hield aanvankelijk stand, maar Samsonovs leger verloor ongeveer de helft van haar manschappen en de Duitsers namen er nog eens 92.000 gevangenen. 30.000 stierven er in de volgende dagen, terwijl de Duitsers slechts 13.000 slachtoffers hadden. Generaal Samsonov pleegde op 29 augustus zelfmoord uit pure wanhoop. In deze slag verloren de Russen bijna een heel leger, inclusief 400 kanonnen en heel veel legermateriaal[373].
In zijn beoordeling van wat een vernietigingsslag is, hebben we wel geen duidelijk beeld. Als we dit lezen, rijzen er dan ook direct enkele vragen. Uit de Oudheid zijn er bijvoorbeeld nog enkele slagen die we zeker tot de vernietigingsslagen mogen rekenen. De slag bij de Thermopylae bijvoorbeeld, waar 300 Spartanen, hun Heloten en vele Boeotiërs in de pan gehakt werden door de Perzen, kunnen we zeker als vernietigingsslag rekenen. Een andere vernietigingsslag uit het verleden is ook Arminius’ vernietiging van drie Romeinse legioenen in 19 na Christus. Deze beide historische gebeurtenissen kende Hitler heel goed. Naar de verrader van de Termopylen, Ephialtes verwees hij al in Mein Kampf (cfr. supra, pp. 68-69) Ook Arminius moet een belangrijke rol in de Duitse geschiedenis gespeeld hebben (misschien te vergelijken met Ambiorix bij ons). Ook in Mein Kampf en de Tischgesprache verwijst Hitler dikwijls naar deze figuur (cfr. infra, p. 134-135, 154-155).
De criteria Germaanse vernietigingsslagen of niet-Germaanse vernietigingsslagen, spelen hier geen rol, want indien hij beide slagen zou vermelden, dan zou de uitkomst nog positief zijn voor het Germaanse volk. Anderzijds moeten we uitgaan van de aard van de Tischgespräche. Er gaat geen al te lange “voorbereiding”aan vooraf, het is dan ook een gesprek.
De Punische Oorlogen zijn ook vanuit Romeins standpunt zeer interessant. In de volgende passage zien we precies waarom Hitler zo gefixeerd is op de Punische Oorlogen.
„Ein wirkliche Weltherrschaft kann nur auf das eigene Blut gegründet werden. Der römische Staat hat zu Freigelassenen erst gegriffen, wenn sein eigenes Blut völlig erschöpft war. Erst nach dem 3. Punischen Krieg gab es Legionen aus Freigelassenen. Wäre das Christentum nicht gekommen, wer weiß, wie sich die Geschichte Europas gestaltet hätte. Rom würde Europa ganz erobert haben, und der Hunnensturm wäre an den Legionen erschellt. Durch das Christentum ist Rom gebrochen worden, nicht durch Germanen und Hunnen. Was der Bolschewismus heute auf materialistisch-technischer Grundlage in Szene setzt, hat das Christentum auf theoretisch-metaphysischer Grundlage vollbracht. Wenn die Krone den Thron wackeln sieht, greift sie nach der Unterstützung des Mobs. Man täte besser, von Konstantin dem „Verräter und Julian dem „Treuen“ zu sprechen, statt den einen den „Großen“ und den anderen den „Abtrünnigen“ zu nennen. Was das Christentum gegen Julian geschrieben hat, ist dasselbe Wortgeblödel, welches das jüdische Schrifttum über uns ergossen hat, während die Schriften des Julian reine Wahrheiten sind. Wenn die Menschheit Geschichte studieren würde, was für Konsequenzen würden sich ergeben ! Europa vor der Wiederholung einer derartigen Krise bewahrt zu haben, wird einmal als das Verdienst des Faschismus und des Nationalsozialismus gefeiert werden.“[374]
De tijd van de Punische Oorlogen was voor Hitler namelijk een ideaal tijdperk. Volgens Hitler bestond het Romeinse leger immers nog niet uit vrijgelatenen, maar was het een pure aangelegenheid van de burgers. Dit was volgens Hitler een ideaal. Hij zag namelijk als oorzaak van Romes grootheid dat ze altijd een boerenstaat gebleven is. Dit hield in dat ze de landelijke levenswijze onderhielden, maar ook met eigen bloed het veld verdedigden[375].
Hitler heeft hier dan ook gelijk wanneer hij beweert dat de Romeinen pas na de Punische Oorlogen vrijgelatenen in hun rangen opnamen. De Punische Oorlogen waren namelijk de eerste oorlogen waarin de Romeinen zo’n groot burgerpotentieel nodig had. De voorwaarden om in het Romeinse legioen te dienen waren namelijk burgerschap en grondbezit. Na de nederlaag van Carthago in 201 vóór Christus begon Rome echter meer provincies te veroveren, die permanente bewaking vereisten. Bovendien duurden de oorlogen ook veel langer, en waren de legioenen verder van Rome verwijderd.
Eén van de gevolgen was dat de kwalificaties om te dienen verlaagden. Zo mocht men minder grond hebben dan aanvankelijk vereist was. De eerste vrijgelatenen werden echter pas toegelaten in 107 vóór Christus, onder Marius[376], die vrijwilligers aanvaardde onder diegenen zonder grond (en hen op staatskosten van wapens voorzag)[377].
Bovendien was Rome nog niet bedorven door het Christendom. Hitler zag het Christendom namelijk als de oorzaak van de Romeinse ondergang, in tegenstelling tot de andere opvatting, namelijk de invallen van de Germanen en Hunnen. Volgens Hitler spreekt men dan ook beter van Constantijn de Verrader en Julianus de Trouwe in plaats van hun gebruikelijke epitheta de Grote respectievelijk de Afvallige. Hiermee verwijst hij uiteraard naar Constantijns tolerantie ten opzichte van het Christendom en zijn bekering op het einde van zijn leven[378]. In dit aspect is Julianus de grote tegenhanger van Constantijn. Julianus was de zoon van Constantijns halfbroer en leefde van 331 tot 363 na Christus. Slechts de laatste twee jaar van zijn leven was hij keizer. Wanneer hij keizer werd, kwam hij openlijk uit voor zijn “heidense” religie en nam hij allerlei maatregelen tegen de Christenen en probeerde hij de oude religie te herwaarderen door allerlei vernieuwingen in te voeren. Hij stierf echter na twee jaar keizerschap in een veldslag, zodat van zijn restoratiepoging uiteindelijk niets overgebleven is[379]. Uiteraard zet Hitler zich af tegen de verkettering van Julianus door de Christenen, hetgeen volgens dezelfde manier gebeurt als de verkettering van het Nationaal-Socialisme door de Joden. Julianus’ geschriften daarentegen zijn volgens Hitler zuivere waarheid.
Een essentiële zin in deze passage is „Wenn die Menschheit Geschichte studieren würde, was für Konsequenzen würden sich ergeben!” Hitler meent namelijk uit de geschiedenis te leren dat het Romeinse rijk ten onder gegaan is door het Christendom en wil hetzelfde lot voor het Duitse volk voorkomen door het uitbannen van de Joods-christelijke elementen. Tegelijk geeft Hitler (opnieuw) zijn historisch programma weer: geschiedenis dient om te leren met betrekking tot het heden (cfr. supra, p. 63).
Problematisch bij deze passage is wel dat er niet expliciet uit blijkt wanneer de ondergang van het Romeinse volk volgens Hitler definitief voltrokken was. Ofwel is dit al gebeurd vóór Constantijn, ofwel door de door (onder andere) Constantijn toegestane godsdienstvrijheid in het “Edict” van Milaan (februari 313).
Aansluitend bij het vorige citaat, beweerde Hitler ook dat enkel de Romeinse burger toegelaten was om in het ganse Romeinse Rijk wapens te dragen. Het is in elk geval contradictorisch met de vorige passage, waar Hitler namelijk beweerde dat er na de derde Punische Oorlog vrijgelatenen geïntegreerd werden in het legioen.
Het kan dan ook niet anders dat volgens Hitler de glorietijd van Rome samenvalt met de Romeinse republiek. Twee belangrijke aspecten zijn namelijk verdwenen in de Keizertijd. Ten eerste de Romeinse traditionele godsdienst en ten tweede het elitaire Romeinse leger.
„Beim Mittagessen führte der Chef aus, daß das deutsche Volk, wenn es sich in der Geschichte behaupten wolle, ein ausgesprochenes Soldatenvolk bleiben müsse. Ferner müsse man bedenken, daß das deutsche Volk, wenn es sich als Soldatenvolk erhalten wolle, den Menschen der von ihm eroberten oder besetzten Bebiete keine Waffen in die Hand geben dürfe. Es sei das Geheimnis der Stärke des alten Roms, daß der römische Bürger allein im ganzen römischen Imperium Waffenträger gewesen sei.“[380]
Hitler ziet het Romeinse volk heel duidelijk als een soldatenvolk. Dit was dan ook zijn bedoeling met het Duitse volk. Ook later in de Tischgespräche herhaalt hij nog eens zijn bedoelingen met het Duitse ras. Waarschijnlijk geldt Rome hier opnieuw als zijn grote voorbeeld.
“ Beim Mittagessen führte der Chef aus, daß das deutsche Volk, wenn es sich in der Geschichte behaupten wolle, ein ausgesprochenes Soldatenvolk bleiben müsse.“[381]
Tenslotte zijn er nog twee figuren uit de Romeinse republiek die in de Tischgespräche aan bod komen. De eerste is Caesar, de tweede is Cato. Caesar (100-44 vóór Christus) haalt hij aan als de eerste die Germania “ontsloten” heeft door er wegen te bouwen. Dit was precies hetzelfde wat Hitler in Rusland zou doen. Helaas komt Caesar niet verder voor in de Tischgespräche en al helemaal niet in Mein Kampf, zodat we geen totaalbeeld kunnen creëren van Hitlers standpunt tegenover Caesar.
„Beim Abendessen führte der Chef aus, daß der Beginn einer jeden Kultur sich im Straßenbau äußere. So wie die Römer unter Cäsar und in den ersten beiden Jahrhunderten nach der Zeitrechnung in den germanischen Landen Sumpf, Moor und Wald durch Anlegung von Straßen und Bohlenwegen erschlossen hätten, so müßten auch wir heute in Rußland zuallererst Straßen bauen.“[382]
Hitlers uitspraak over Caesar is niet volledig correct. In Germania zelf heeft Caesar nooit banen aangelegd. De Romeinse keizers, ook Caesar, gebruikten namelijk in Germania de wegen die er al lagen. Enkel aan de grens van het Germaanse rijk zijn heirbanen aangelegd. Bovendien zijn de wegen er in Gallia al iets eerder dan Caesars veroveringstochten gekomen.
Toen Pompeius in 72 vóór Christus namelijk Lugdunum stichtte, is men al geleidelijk banen gaan aanleggen in Gallia[383].
De tweede figuur uit de Romeinse Republiek die in de Tischgespräche voorkomt, is dus Cato. Marcus Porcius Cato (95-46 vóór Christus) wordt hier aangehaald in een vergelijking als iemand die enkel met staatszaken bezig is. Dit is een zeer algemene beschrijving van zijn persoon. Cato behoorde als één van de leiders van de Optimates namelijk tot het verdedigend kamp van de Republikeins gezinden, en stelde zich zo tegenover Caesar, Pompeius en Crassus (Caesar was zijn grootste tegenstander). Als politicus domineerde hij het politiek en cultureel leven in de eerste helft van de eerste eeuw voor Christus[384].
„Denn selbst wenn der Betreffende sich trotz einer solchen wirtschaftlichen Bindung überwände, ein reiner Cato zu sein und nur den Staatsinteressen zu dienen und sie zu vertreten, würde ihm das von der Bevölkerung nicht geglaubt.“[385]
2.3.2. De Romeinse Keizertijd
Een belangrijk terugkerend thema bij Hitler (zowel in Mein Kampf als in de Tischgespräche) is continuïteit. In de Tischgespräche wordt dit zeer goed geïllustreerd door dit citaat.
“Wenn der Duce stürbe, so wäre das ein großes Unglück für Italien. Wer mit ihm durch die Villa Borghese ging und seinen Kopf und die römischen Büsten vor sich hatte, der fühlte: er ist einer der römischen Cäsaren! Irgendwie hat er die Erbmasse eines großen Mannes aus jener Zeit in sich.“[386]
Uiteraard zou het grootste ongeluk voor Italië (en Hitlers alliantie) de dood van Mussolini (Der Duce) zijn. In Mussolini’s uiterlijk ligt immers al continuïteit met het vroegere Romeinse Rijk. Hij ziet er namelijk uit als een echte Romeinse keizer. Een uitspraak met dergelijke gevolgtrekking zou evenzeer door een panegyricus van het Oude Romeinse Keizerrijk gedaan kunnen zijn. Er is ook continuïteit in de term Caesar. In een toespraak beweerde Hitler bijvoorbeeld dat de titel Führer te vergelijken is met de betekenis van Caesar[387].
Zoals eerder aangehaald, inspireerden de Italiaanse fascisten zich op het Romeinse Rijk. Hier vond Mussolini ook zijn voorbeelden. Hij liet zich het liefst vergelijken met Augustus en Caesar. De eerste was het beste na te volgen wat zijn virtutes betrof, maar de tweede spande de kroon op militair gebied. Zo waren zowel Caesar als Mussolini naar Rome opgetrokken en hadden ze beiden een wereldmacht gecreëerd[388]. De heropleving van de oude Romeinse waarden, werd het meest duidelijk na de verovering van Ethiopië, wanneer Mussolini de heropname van de tradizione imperiale verkondigde[389].
Aansluitend op deze passage, moeten we het volgende citaat weergeven. Wanneer er immers continuïteit was tussen de toenmalige Mussolini en de antieke keizers, moeten we zoeken naar datgene waarmee Hitler Duitslands wereldheerschappij wil legitimeren. Hitler vindt die voorvaderen in de Duitse keizergeschiedenis, andere voorbeelden zijn veel te recent. Bovendien is er slechts één rijk dat even sterk was als het oude Rome, namelijk het Duitse Keizerrijk.
„Eines ist jedenfalls sicher: Wenn wir überhaupt einen Weltanspruch erheben wollen, müssen wir uns auf die deutsche Kaisergeschichte berufen. Alles andere ist, etwas so Junges und derart Fragliches und nur bedingt Gelungenes. Die Kaisergeschichte ist das gewaltigste Epos, das – neben dem alten Rom – die Welt je gesehen hat. Diese Kühnheit, wenn man sich vorstellt, wie oft die Kerle über die Alpen geritten sind.“[390]
De volgende passage kunnen we zeker ook met het Romeinse Keizerrijk verbinden, maar heeft ook betrekking op het Griekenland onder Romeins bestuur. Hitler doet hier namelijk uitspraken over de middelen die Romeinen en Grieken onbewust aanwendden om zich te hoeden voor rasvermenging.
„Wir
müßten alles daransetzen, um das Rassebewusstsein unseres Volkes so zu festigen
wie das der Römer zur Zeit ihrer geschichtlichen Blüte. Unbewusst habe damals
jeder Römer positive Abwehr gegen die Vermischung mit fremdländischem Blut
geübt.
Ebenso sei es in Griechenland in seiner Glanzzeit gewesen. Der Markt von Athen
hätte sich nach den uns überkommenen Berichten vor Lachen geschüttelt, als
Paulus für die Sache der Juden gesprochen habe. Wenn wir heute so wenig
großartige Zeugnisse der Rassebewusstseins der römischen und der griechischen
Glanzzeit überliefert vorfänden, so lediglich deshalb, weil die Juden-Chri