„Rom dagegen hat mich richtig ergriffen”. Een onderzoek naar het gebruik van de antieke Oudheid door Adolf Hitler in Mein Kampf en de Tischgespräche. (Stijn Gevaert)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Hoofdstuk III: De receptie van de Antieke Oudheid in “Mein Kampf”

 

0. Inleiding

 

De bedoeling van dit hoofdstuk is op zoek te gaan naar de elementen die Adolf Hitler in Mein Kampf over de Oudheid vermeld heeft. Met deze informatie kunnen we dan op zoek gaan naar wat Adolf Hitler concreet wist van de Oudheid, waar zijn grootste interessepunten lagen en op welke manier hij de Oudheid gebruikte in zijn wereldbeschouwing.

Voor dit onderzoek kunnen we verschillende methodes hanteren. Een eerste manier is het louter opzoeken van die elementen die rechtstreeks op de Oudheid slaan. Anderzijds kunnen we op zoek gaan naar analogieën en zowat alles waarvan Hitler zijn inspiratie uit de Oudheid gehaald kan hebben, vermelden. De eerste methode is ons uitgangspunt. De reden hiervoor is dat we zo nauwelijks met twijfelgevallen geconfronteerd kunnen worden. Deze twijfelgevallen zullen veel meer voorkomen wanneer we analogieën gaan zoeken. Een voorbeeld is wanneer Hitler het heeft over centralisatie van het bestuur, dat men pas vanaf zijn 30ste aan politiek zou mogen doen, … Deze ideeën doen ons zeker denken aan Griekenland en Rome, maar vinden hun inspiratie daarom niet noodzakelijk in de Oudheid.

Dit hoofdstuk bestaat uit twee delen. In het eerste behandelen we Mein Kampf beknopt als literair werk. In het tweede deel onderzoeken we de historische elementen (Oudheid) in Mein Kampf.

In ons onderdeel over de Oudheid in Mein Kampf zullen we achtereenvolgens deze thema’s behandelen: geschiedenis en geschiedenisonderwijs, de Griekse, Romeinse en Germaanse cultuur, Hitlers visie op het Joden- en Christendom (resp. Oude Testament – Nieuwe Testament) en tenslotte de bouwkunst.

 

Op gelijke wijze zullen we de citaten in Hitlers Tischgespräche behandelen om zo tot een vergelijking tussen beide te komen. In de conclusie van hoofdstuk IV (Het gebruik van de Oudheid in Hitlers Tischgespräche) zoeken we dan de grote verschillen tussen Hitlers “publieke” visie (Mein Kampf) en zijn private uiteenzetting (Tischgespräche).

 

In elke uitgave van Mein Kampf (zowel in het Duits als in de vertalingen) worden een aantal essentiële woorden en zinnen visueel benadrukt. In deze uiteenzetting worden ze in de citaten bold weergegeven. Zo kunnen ze ook aan ons een beter zicht geven aan belangrijke klemtonen die Hitler wil leggen.

 

 

1. Mein Kampf: een autobiografie

 

1.1. Ontstaan

 

In 1923 werd Hitler in Landsberg opgesloten naar aanleiding van de mislukte Putsch. Oorspronkelijk werd hij veroordeeld tot vijf jaar opsluiting, maar deze straf werd al gauw omgezet in 9 maanden. Tijdens deze maanden begon Hitler zijn politiek manifest te schrijven. Mein Kampf is dan ook zijn enige complete boek[167]. Het eerste volume ervan werkte hij af in gevangenschap en verscheen op 18 juli 1925, bij de uitgeverij Franz Eher Nachf in 10.000 exemplaren[168]. Het tweede volume kwam na zijn invrijheidsstelling tot stand. De reden hiervoor was onder andere de zwijgplicht die hem - tijdelijk - opgelegd werd (in Beieren al vanaf 27 februari 1925)[169].

Mein Kampf werd in zijn volledige versie uitgegeven door Franz Eher-Verlag, de partijuitgeverij, onder leiding van Max Amann, die ook veel correcties heeft aangebracht in de oorspronkelijke stijl[170]. Een verkorte versie rolde van de pers in 1930. Dit werk was als het ware de bijbel van het nationaal-socialisme. Mein Kampf bestond dus uit twee delen. Het eerste deel, “Die Abrechnung”, handelt over Hitlers jeugd, de Eerste Wereldoorlog en de Duitse nederlaag met haar gevolgen na 1918. Het tweede deel, “Die Nationalsozialistische Bewegung”, beschrijft het politieke programma en de methoden die moeten aangewend worden door Nationaal-socialisten om aan de macht te komen.

Het werk had aanvankelijk niet het enorme succes waar het later nog van zou profiteren. In 1929 waren van het eerste deel 23.000 exemplaren verkocht. Het tweede deel vond maar 13.000 kopers. Pas bij de verkiezingen zou het succes toenemen. In 1932 werden er 80.000 exemplaren verkocht, het jaar daarop (na de machtsovername), anderhalf miljoen[171]. Vanaf 1936 was het boek ook al beschikbaar voor blinden en werd het aan elk Duits bruidpaar geschonken. In 1939 waren al 5.200.000 kopieën verkocht en was het werk al in 11 talen vertaald.

 

 

Deze aantallen zouden oplopen tot 10 miljoen exemplaren in 1945 - het jaar waarin de verkoop ervan aan Duitsers verboden werd door de geallieerde mogendheden[172] - exclusief de miljoenen in het buitenland (in 16 verschillende talen)[173] en werd Mein Kampf in de periode tot 1945 één van de meest gedrukte en vertaalde boeken van de wereld[174].

 

 

1.2. De inhoud

 

Alle theorieën die in dit boek staan, waren eigenlijk al verkondigd. Het enige grote verschil was dat dit de eerste uitvoerige neerslag was van Hitlers ganse visie[175]. Het grote belang van Mein Kampf is dat Hitler zich altijd consequent aan zijn neergepende wereldbeschouwing gehouden heeft, m.a.w. Mein Kampf blijft representatief voor Hitlers visie tot zijn dood[176].

De inspiratie voor Mein Kampf heeft Hitler grotendeels in zijn jeugd (de jaren in Linz en Wenen) opgedaan. Zijn ideeën kregen verder vorm tijdens zijn gevangenschap in Landsberg, die samenviel met de redactie van het eerste boek van Mein Kampf. Hitler zelf getuigde over deze periode als zijn "universitaire opleiding op staatskosten"[177]. Zo had hij er een grote bibliotheek (merendeels geschenken van vrienden en bewonderaars), waar hij een groot deel van de dag studeerde. Dit was mogelijk omdat Hitler geen werk werd opgelegd, aangezien hij tijdens de Putsch een zware wonde in zijn linkerschouder had opgelopen[178]. Toch werd zijn studietijd grotendeels beperkt door het vele bezoek dat hij ontving, of de talrijke brieven die hij moest beantwoorden.

Structureel is het werk niet goed opgebouwd, de hoofdstukken zijn onsamenhangend, en bestaan over het algemeen uit een opeenvolging van op zich afgeronde wereldbeschouwingen van Hitler[179]. Het boek bevat dus geen politiek programma, maar moeten we meer zien als een autobiografie (boek 1) en de verkondiging van een wereldvisie (boek 2).

 

1.3. Stijl

 

De stijl is hoogdravend, repetitief, zeer warrig, onlogisch en vol grammaticale fouten (deze laatsten vooral in de eerste editie). Toch mogen we ons niet blindstaren op het gebrek aan stijl in dit werk. Hitler zag zichzelf immers niet als intellectueel en hij was er ook helemaal geen (hij wantrouwde bovendien intellectuelen). Voor Hitler was immers niet het geschreven woord het machtigste, maar veeleer het gesproken woord[180]. Hitler besefte ook dat hij geen literair talent was. Zo beweerde hij tegen Hans Frank dat hij geen schrijver was, in grote tegenstelling tot Mussolini, die in zeer mooi Italiaans sprak en schreef. Daarom achtte hij de literaire kwaliteiten van Mein Kampf ook zeker niet erg hoog. In hetzelfde gesprek beweerde hij ook dat zijn stuk over de syfilis eigenlijk zou moeten herschreven worden, aangezien het onjuist was[181].

Toch was Mein Kampf een zeer inspirerend werk voor vele Duitsers, aangezien het aantrekkelijke theorieën verkondigde, die bijvoorbeeld bij ultra-nationalisten, anti-Semieten, anti-democraten, anti-marxisten en het leger erg in de smaak vielen.

De vele stijlgebreken zijn niet louter te wijten aan de slechte literaire capaciteiten van Hitler, maar veeleer aan de manier waarop Mein Kampf neergeschreven werd. Mein Kampf is namelijk niet rechtstreeks van de hand van Hitler. In Landsberg dicteerde Hitler namelijk het eerste deel van Mein Kampf. Over de eigenlijk "secretaris" is nog geen volledige duidelijkheid. Sommigen halen Rudolf Hess aan, anderen een medegevangene, Emil Maurice[182]. Het tweede deel zou Hitler deels aan zijn secretaresse, deels aan Max Amann gedicteerd hebben[183]. D. WELCH ziet het werk zelfs niet als een geschreven werk, maar veeleer als een gesproken boek, onder andere omdat Hitler zich in Landsberg niet meer tot een groot publiek kon richten om zijn ideeën te verkondigen[184].

Ilse Hess beweert dat zij en haar man, Rudolf, correcties hebben aangebracht op het manuscript. Deze correcties waren volgens haar wel louter stilistisch (zoals herhalingen), en enkel met de volledige toestemming van Hitler[185]. Deze stijlfouten waren vooral het gevolg van het dicteren en de - daarmee gepaard gaande - retoriek van Hitler. Net zoals in zijn toespraken dicteerde Hitler ook zeer geëmotioneerd en vol temperament[186].

 

Vaak voorkomende correcties in Mein Kampf hebben vooral betrekking op interpunctie, stopwoorden, grammatica (tautologieën, neologismen, ...), en op het dialect. Correcties op de inhoud slaan het meest op "verzachtingen" van Hitlers scheldtirades[187].

 

1.4. Betrouwbaarheid

 

Mein Kampf is zoals gezegd een uiteenzetting van Hitlers wereldbeschouwing met “autobiografische allures”. Het werk diende echter niet om Hitlers leven te beschrijven zoals het werkelijk geweest was, maar had vooral een politiek oogmerk[188]. Dit boek heeft dan ook als grootste doel de verdediging en rechtvaardiging voor zijn mislukte Putsch in 1923. Een gevolg hiervan is uiteraard dat Hitler zich in bepaalde situaties meer op de voorgrond ging plaatsen en bepaalde fases uit zijn leven die moeilijk lovenswaardig konden beschouwd worden, verduisterde of verbloemde[189]. De waarde van het eerste boek van Mein Kampf kan dan ook enkel liggen in het – weliswaar kritische – onderzoek naar Hitlers leven en zijn ideologie[190].

Bovendien zijn de meeste van de gebeurtenissen vóór 1918 nauwelijks te verifiëren, aangezien Hitler toen nog niets betekende, en letterlijk in de marginaliteit leefde.

Uiteraard moet hier zeker vermeld worden dat de grote waarde van boek 2 van Mein Kampf daarin ligt, dat het de volledige uitdrukking weergeeft van Hitlers wereldbeschouwing, zoals hij die zag en waaraan hij zich altijd consequent gehouden heeft.

 

 

2. Verwijzingen naar de Oudheid in Mein Kampf

 

2.1. Hitlers visie ten opzichte van Geschiedenis en geschiedenisonderwijs

 

2.1.1. Hitlers historische theorieën

 

Hitlers wereldvisie vond haar perfecte weerslag in het verleden. De geschiedenis leverde hem talrijke voorbeelden, die tegelijk de richtlijnen waren voor zijn praktisch politiek handelen[191].

De meest gekende theorie van Hitler is uiteraard zijn rassentheorie. Volgens Hitler was de rassenkwestie dan ook de sleutel tot wereldoverheersing[192].

 

Het is daarom vanzelfsprekend dat de meeste voorbeelden van Hitler uit de Oudheid in dit licht moeten gezien worden.

 

In Mein Kampf wordt dit geïllustreerd door verschillende passages waarin Hitler verwijst naar de nood van bloedzuiverheid van het Germaanse ras. Ras- en bloedzuiverheid zijn bij Hitler van essentieel belang. Niet voldoen aan dit “ideaal” betekent dan ook de ondergang van een volk. Eraan voldoen, kan uiteraard leiden tot wereldheerschappij:

 

“Aber die Frage ist dann ja eben erst recht die, welches Volk von sich aus als erstes und selbst einziges dieser Pest Herr zu werden vermag, und welche Nationen daran zugrunde gehen. Darauf aber kommt es am Schlusse hinaus. Auch dies ist nur ein Prüfstein des Rassenwertes – die Rasse, welche die Probe nicht besteht, wird eben sterben und gesünderen oder doch zäheren und widerstandsfähigen den Platz räumen. [...] Die Sünde wider Blut und Rasse ist die Erbsünde dieser Welt und das Ende einer sich ihr ergebenden Menschheit.“[193]

 

 

De gevolgen van deze „zonde tegen ras en bloed“ worden volgens Hitler dan ook geïllustreerd in de ellende die zich in Duitsland voordeed na de Eerste Wereldoorlog. Deze was volgens Hitler niet in oorsprong een gevolg van de economische malaise, maar had veeleer een oorzaak die te vinden was in de zedelijkheid en bloedzuiverheid:

„Erst dann, wenn man begreift, daß auch hier der Wirtschaft nur die zweite oder gar dritte Rolle zufällt und politischen sittlich-moralischen sowie blutsmäßigen Faktoren die erste, wird man zu einem Verstehen der Ursachen des heutigen Unglücks kommen und damit auch die Mittel und Wege zu einer Heilung zu finden vermögen.“[194]

 

De geschiedenis wordt door Hilter gezien als de oerstrijd tussen de verschillende rassen, ook wel het “arisch-jüdische Ur-Antagonismus[195] of de “Rassenkampf” tussen Ariërs en Joden. De grote inzet van deze strijd is cultuur. Ariërs waren en zijn nog altijd volgens Hitler cultuurbrengers, terwijl Joden de destructieve kracht waren in de antieke culturen in “Egypte, Palestina, ja, zelfs in Griekenland en het oude Rome”[196].

Voorbeelden van deze Rassenkampf zijn talloos. Grieken vochten tegen Perzen, Romeinen tegen het Semitische Carthago en later samen met de Germanen tegen de Hunnen. Tenslotte moesten de Germanen het ook nog eens tegen de Mongolen opnemen[197]. Onderling is er een sterk verband tussen Grieken, Romeinen en Germanen. Door Rosenberg werd die Rassenkampf namelijk gezien als de strijd tussen de noordelijke rassen en – vooral – de Joden. Dit kaderde namelijk binnen de visie dat Grieken en Romeinen een gemeenschappelijke stam vonden in de noordelijke Indo-Germaanse volkeren. De Griekse en Romeinse cultuur was daaruit namelijk ontstaan als eerste golf in de volksverhuizing[198]. De Germanen in hun enge betekenis maakten dan ook deel uit van die volkeren. Volgens dezelfde Rosenberg waren de verhuisde culturen dan ten onder gegaan door nationale en etnische chaos, twee termen die ook bij H. S. Chamberlain voorkomen[199]. Vooral die etnische chaos komt ook heel duidelijk in Hitlers visie naar voor.

 

Naast H. S. Chamberlain is ook Gobineau van wezenlijk belang voor de nazistische rassenvisie. In zijn theorieën spelen de Germanen namelijk een wezenlijke rol doordat ze hun raszuiverheid altijd hebben kunnen behouden. Beide theoretici hebben zich voor deze visie ook geïnspireerd op Tacitus, in wiens werk ook duidelijk gewezen wordt op de ongereptheid van het Germaanse volk[200].

 

Deze rassentheorie (over de Ariër als cultuurdrager, de Rassenkampf, de Indo-Germaanse oorsprong en de bloedzuiverheid van het Germaanse volk, …) die Hitler met andere tijdgenoten deelde, vond zijn grondslag al in de 19de eeuw[201].

 

De visie van de Rassenkampf wordt door KROLL omschreven als dialectisch. Ariërs en Joden waren onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het waren complementaire krachten die op elk moment in de geschiedenis waar te nemen waren[202]. Hitlers doel in de geschiedenis was dan ook geen terugkeer naar een begintijd, naar het oorspronkelijke Germania, maar veeleer de finale strijd tussen beide “oermachten”[203], de Ariërs tegen de Semieten.

 

Hitler hecht in zijn geschiedvisie veel belang aan de bloei van een cultuur en nog veel meer aan haar val. Volgens hem kan een volk slechts vooruitgaan wanneer alleen de besten aan de macht zijn. Achteruitgang of ondergang is dan uiteraard het gevolg van de macht van de slechtste delen van het volk.

De brede massa die we tussen deze beiden moeten situeren, volgt slechts de leiding, en zal zich niet verzetten tegen haar bestuur. Een goede leiding betekent in dit kader een groep mensen, die gekenmerkt worden door moed en offervaardigheid:

 

„Jeder Volkskörper kann in drei große Klassen gegliedert werden: in ein Extrem des besten Menschentums auf der einen Seite, gut im Sinn aller Tugenden, besonders ausgezeichnet durch Mut und Opferfreudigkeit, andererseits ein Extrem des schlechtesten Menschenauswurfs, schlecht im Sinne des Vorhandenseins aller egoistischen Triebe und Laster. Zwischen beiden Extremen liegt als dritte Klasse die große breite, mittlere Schicht, in der sich weder strahlendes Heldentum noch gemeinste Verbrechergesinnung verkörpert.

Zeiten des Emporstiegs eines Volkskörpers zeichnen sich aus, ja existieren nur durch die absolute Führung des extrem besten Teiles. Zeiten einer normalen, gleichmäßigen Entwicklung oder eines stabilen Zustandes zeichnen sich aus und bestehen durch das ersichtliche Dominieren der Elemente der Mitte, wobei die beiden Extreme sich gegenseitig die Waage halten, beziehungsweise sich aufheben. Zeiten des Zusammenbruchs eines Volkskörpers werden bestimmt durch das vorherrschende Wirken der schlechtesten Elemente.“[204]

 

In Mein Kampf beklemtoont Hitler dikwijls hoe een gedachtegoed of cultuur kan verdwijnen. Bij het uitroeien van een ideologie stelt hij zich de vraag (met betrekking tot het marxisme) of men deze met geweld kan uitroeien. Hitler beweert dat dit kan lukken, op voorwaarde dat dit geweld gedragen wordt door een nieuwer gedachtegoed:

 

„Freilich kam dann aber eine Frage zur Geltung: Kann man denn geistige Ideen überhaupt mit dem Schwerte ausrotten? Kann man mit der Anwendung roher Gewalt „Weltanschauungen“ bekämpfen? Ich habe mir diese Frage schon zu jener Zeit öfter als einmal vorgelegt. Beim durchdenken analoger Fälle, die sich besonders auf religiöser Grundlage in der Geschichte auffinden lassen, ergibt sich folgende grundsätzliche Erkenntnis: Vorstellungen und Ideen sowie Bewegungen mit bestimmter geistiger Grundlage, mag diese nun falsch sein oder wahr, können von einem gewissen Zeitpunkt ihres Werdens an mit Machtmitteln technischer Art nur mehr dann gebrochen werden, wenn diese körperlichen Waffen zugleich selber Träger eines neuen zündenden Gedankens, einer Idee oder Weltanschauung find. Die Anwendung von Gewalt allein, ohne die Triebkraft einer geistigen Grundvorstellung als Voraussetzung, kann niemals zur Vernichtung einer Idee und deren Verbreitung führen, außer in Form einer restlosen Ausrottung aber auch des letzen Trägers und der Zerstörung der letzten Überlieferung. [...]

Mann kann also zusammenfassend folgendes festhalten: Jeder Versuch, eine Weltanschauung mit Machtmitteln zu bekämpfen, scheitert am Ende, solange nicht der Kampf die Form des Angriffes für eine neue geistige Einstellung erhält. Nur im Ringen zweier Weltanschauungen miteinander vermag die Waffe der brutalen Gewalt, beharrlich und rücksichtslos eingesetzt, die Entscheidung für die von ihr unterstützte Seite herbeizuführen.“ [205]

 

Hoewel Hitler in deze paragraaf geen enkele verwijzing maakt naar de Oudheid (Hitler maakt enkel melding van “in der Geschichte”) kunnen we deze visie projecteren naar de poging van de Romeinse elite om het Christendom uit de weg te ruimen, een gebeurtenis waar Hitler zeker zijn inspiratie moet gehaald hebben[206].

 

Belangrijker en essentiëler in de geschiedenis dan het verloren gaan van een ideologie of gedachtegoed is uiteraard de ondergang van een natie. Een eerste oorzaak voor de ondergang van een staat kan het gevolg zijn van een militaire nederlaag. Volgens Hitler leidt wel niet elke militaire nederlaag tot de ondergang van een natie. De Eerste Wereldoorlog kon volgens Hitler dan ook onmogelijk leiden tot de val van het Duitse Rijk.

Een natie kan wel ophouden te bestaan, maar de grote oorzaak ligt dan bij het volk, dat lui of laf is, en geen karakter heeft:

 

„Muß eine militärische Niederlage zu einem so restlosen Niederbruch einer Nation und eines Staates führen? Seit wann ist dies das Ergebnis eines unglücklichen Krieges? Gehen denn überhaupt Völker an verlorenen Kriegen an und für sich zugrunde? Die Antwort darauf kann sehr kurz sein: Immer dann, wenn Völker in ihrer militärischen Niederlage die Quittung für ihre innere Fäulnis, Feigheit, Charakterlosigkeit, kurz Unwürdigkeit erhalten. Ist es nicht so, dann wird die militärische Niederlage eher zum Antrieb eines kommenden größeren Aufstieges als zum Leichenstein eines Völkerdaseins. Die Geschichte bietet unendlich viele Beispiele für die Richtigkeit dieser Behauptung.“[207]

 

Hitler geeft hier opnieuw geen voorbeeld weer, behalve de betrekkelijk inhoudsloze zin Die Geschichte bietet unendlich viele Beispiele für die Richtigkeit dieser Behauptung”. Verder in Mein Kampf (cfr. infra, pp.75-77, 117, 120) en in de Tischgespräche vinden we wel een groot voorbeeld van deze vorm van ondergang: Carthago. Carthago, dat bij Hitler in een zeer slecht daglicht, is volgens hem louter ten onder gegaan door haar eigen schuld.

Rome kon daarom ook nooit het definitieve onderspit delven na de slag bij Cannae (216 vóór Christus). Andere grote beschavingen gaan dan ook aanvankelijk niet ten onder aan militaire nederlagen, denken we maar aan Sparta

en Athene.

 

De echte ondergang van grote beschavingen kunnen we dan ook niet vinden in een militaire nederlaag. Grote beschavingen uit het verleden, zoals de Griekse en Romeinse, zijn volgens Hitler ten onder gegaan aan de bloedvermenging. Het pertinente gevolg van bloedvermenging is namelijk het verloren gaan van het oorspronkelijk scheppende ras, die in oorsprong de cultuurdrager is:

 

„Alle großen Kulturen der Vergangenheit gingen nur zugrunde, weil die ursprünglich schöpferische Rasse an Blutvergiftung abstarb. Immer war die letzte Ursache eines solchen Unterganges das Vergessen, daß alle Kultur vom Menschen abhängt und nicht umgekehrt, daß also, um eine bestimmte Kultur zu bewahren, der sie erschaffende Mensch erhalten werden muß. Diese Erhaltung aber ist gebunden an das eherne Gesetz der Notwendigkeit und des Rechtes des Sieges des Besten und Stärkeren. Wer leben will, der kämpfe also, und wer nicht streiten will in dieser Welt des ewigen Ringens, verdient das Leben nicht.“[208]

 

Een van de toenmalige vooraanstaande raskundigen, H.F.K. GUNTHER, ontwikkelde al deze theorie. Zo zag hij als oorzaak van de ondergang van Athene en Sparta de Entnordung en Entartung. Het noordelijke (i.e. Indo-Germaanse) element was bij Sparta bijvoorbeeld geëlimineerd door de talrijke oorlogen. De ondergang van Athene was vooral te wijten aan interne eliminatie van het oorspronkelijk noordelijke. Rome was volgens GUNTHER ten onder gegaan door bloedvermenging, een visie die heel dikwijls bij Hitler voorkomt[209]. Ook bij H. S. CHAMBERLAIN merken we deze visie van etnische chaos.

 

2.1.2. De functie en het doceren van geschiedenis

 

Het staat vast dat geschiedenis voor Hitler heel belangrijk was. Hitler vond de kennis van het verleden echter niet alleen voor zichzelf belangrijk, maar beschouwde haar als de basis van een degelijke schoolopleiding. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Hitler in Mein Kampf verschillende uitspraken doet over het onderwijs in het algemeen, geschiedenisonderwijs specifiek, en de inhoud die een vak als geschiedenis zou moeten omvatten.

 

Binnen het schoolonderwijs pleit Hitler ervoor dat men zich niet uitsluitend met exacte wetenschappen mag bezighouden. Er moet binnen de klassieke vakken een heel grote nadruk worden gelegd op twee elementen: de eerste is de Grieks-Romeinse Oudheid, die Arisch van oorsprong is, waarbij de Romeinse geschiedenis moet domineren als magistra vitae (“die beste Lehrmeisterin”). Het tweede element is de rassenkwestie. Deze rassenstrijd doet zich wel voor tussen volkeren apart, maar moeten we in een geheel zien van de Ur-Antagonismus (cfr. supra, p.57), dus niet louter als de individuele strijd van Grieken of Romeinen tegen Semitische volkeren, maar als de strijd tussen Ariërs en Semieten.

 

„Diese (het schoolcurriculum) muß im Gegenteil stets eine ideale sein. Sie soll mehr den humanistischen Fächern entsprechen und nur die Grundlagen für eine spätere fachwissenschaftliche Weiterbildung bieten. Im anderen Fall verzichtet man auf Kräfte welche für die Erhaltung der Nation immer noch wichtiger sind als alles technische und sonstige Können. Insbesondere soll man im Geschichtsunterricht sich nicht vom Studium der Antike abbringen lassen. Römische Geschichte in ganz großen Linien richtig aufgefaßt, ist und bleibt die beste Lehrmeisterin nicht nur für heute, sondern wohl für alle Zeiten. Auch das hellenische Kulturideal soll uns in seiner vorbildlichen Schönheit erhalten bleiben. Man darf sich nicht durch Verschiedenheiten der einzelnen Völker die größere Rassegemeinschaft zerreißen lassen. Der Kampf, der heute tobt, geht um ganz große Ziele: ein Kultur kämpft um ihr Dasein, die Jahrtausende in sich verbindet und Griechen- und Germanentum gemeinsam umschließt.“[210]

 

Specifiek met betrekking tot het geschiedenisonderwijs, is Hitler het helemaal oneens met het eigentijdse onderwijs. Volgens Hitler mag men in het onderwijs niet streven naar een zo groot en detaillistisch mogelijk pakket. Men moet streven naar een geschiedenis, waarin de grote lijnen primeren, waardoor de leerlingen een algemeen zicht krijgen op de grote krachten die in het verleden aanwezig zijn:

 

„Besonders muß ein Änderung der bisherigen Unterrichtsmethode im Geschichtsunterricht vorgenommen werden. Es dürfte wohl kaum ein Volk mehr an Geschichte lernen als das deutsche; es wird aber kaum ein Volk geben, das nie schlechter anwendet als das unsere. [...] Das Ergebnis unseres heutigen Geschichtsunterrichtes ist in neunundneunzig von hundert Fällen ein klägliches. Wenige Daten, Geburtsziffern und Namen pflegen da übrigzubleiben, während es an einer großen, klaren Linie gänzlich fehlt. Alles Wesentliche, auf das er eigentlich ankäme, wird überhaupt nicht gelehrt, sondern es bleibt der mehr oder minder genialen Veranlagung des einzelnen überlassen, aus der Flut von Daten, aus der Reihenfolge von Vorgängen die inneren Beweggründe herauszufinden.“[211]

 

Uit dit citaat blijkt dat men zich volgens Hitler niet mag blindstaren op namen en data. In een ander hoofdstuk in Mein Kampf specificeert hij deze visie. De volgende passage is ook zeer typerend voor Hitlers historische methode en de manier waarop hij geschiedenis aanwendt in Mein Kampf. Volgens Hitler moet de “student” geschiedenis zich oefenen om de krachten te leren kennen die aan de oorzaak liggen van het heden. Het verleden wordt in Mein Kampf dan ook meestal aangehaald als bewijsmateriaal voor Hitlers theorieën.

„Der Unterricht über Weltgeschichte in den sogenannten Mittelschulen liegt nun freilich auch heute noch sehr im argen. Wenige Lehrer begreifen, dass das Ziel gerade des geschichtlichen Unterrichts nie und nimmer im Auswendiglernen und Herunterhaspeln geschichtlicher Daten und Ereignisse liegen kann; dass es nicht darauf ankommt, ob der Junge nun genau weiß, wann diese oder jene Schlacht geschlagen, ein Feldherr geboren wurde, oder gar ein (meistens sehr unbedeutender) Monarch die Krone seiner Ahnen auf das Haupt gesetzt erhielt. Nein, wahrhaftiger Gott, darauf kommt es wenig an. Geschichte „lernen“, heißt die Kräfte suchen und finden, die als Ursachen zu jenen Wirkungen führen, die wir dann als geschichtliche Ereignisse vor unseren Augen sehen. Die Kunst des Lesens wie des Lernens ist auch hier: Wesentliches behalten, Unwesentliches vergessen“[212]

 

Samengevat wil Hitler een vermindering van de leerstof, waarin vooral de nadruk gelegd wordt op de grote ontwikkelingen en de oorsprong van hedendaagse feiten. Deze vermindering houdt in dat er geen aandacht meer besteed mag worden aan data, namen, …

 

Het doel voor de student moet zijn om zo’n inzicht te verwerven, dat hij kan antwoorden op de hedendaagse politieke kwesties. Uiteraard zal de historicus zich moeten bezighouden met alle details, die zeker niet in het gewone onderwijs aan bod mogen komen, maar zijn grootste functie is misschien de geschiedenis te herschrijven binnen het kader van de rassenkwestie.

 

Gerade im Geschichtsunterricht muß eine Kürzung des Stoffes vorgenommen werden. Der Hauptwert liegt im Erkennen der großen Entwicklungslinien. Je mehr der Unterricht darauf beschränkt wird, um so mehr ist zu hoffen, daß dem einzelnen aus seinem Wissen später ein Vorteil erwächst, der summiert auch der Allgemeinheit zugute kommt. Denn man lernt eben nicht Geschichte, um nur zu wissen, was gewesen ist, sonder man lernt Geschichte um in ihr eine Lehrmeisterin für die Zukunft und für den Fortbestand des eigenen Volkstum zu erhalten.

Das ist der Zweck, und der geschichtliche Unterricht ist nur ein Mittel zu ihm. Heute ist aber auch hier das Mittel zum sage nicht, daß gründliches Geschichtsstudium die Beschäftigung mit all diesen einzelnen Daten eben erfordere, da ja nur aus ihnen heraus einen Festlegung der großen Linie stattfinden könnte.

 

Diese Festlegung ist Aufgabe der Fachgeschichtsprofessor. Für ihn ist die Geschichte in erster Linie dazu da, ihm jenes Maß geschichtlichen Einblicks zu vermitteln, das nötig ist für eine eigene Stellungnahme in den politischen Angelegenheiten seines Volkstums. Wer Geschichtsprofessor werden will, der mach sich diesem Studium später auf das gründlichste widmen. Er wird sich selbstverständlich auch mit allen und selbst den kleinsten Details zu Beschäftigen haben. Dazu kann aber auch unser heutiger Geschichtsunterricht nicht genügen; denn er ist für den normalen Durchschnittsmenschen zu umfangreich, für den Fachgelehrten aber dennoch viel zu beschränkt. Es ist im übrigen die Aufgabe eines völkischen Staates, dafür zu sorgen, daß endlich eine Weltgeschichte geschrieben wird in der die Rassenfrage zur dominierenden Stellung erhoben wird.“[213]

 

Het intensief aanleren van een taal was volgens Hitler volstrekt nutteloos. Eén taal is een uitzonderingsgeval: het Latijn. Volgens Hitler was dit namelijk één van de weinige talen die het logisch denken kon bevorderen. Dit leidde onder andere tot het herinvoeren van het Latijn in het secundair onderwijs, vreemd genoeg onder Alfred Rosenberg, die vond dat de Romeinen te veel gefavoriseerd werden ten nadele van de Germanen[214], hoewel dit zeker ook door Hitler gestimuleerd werd[215].

 

„Dabei handelt es sich in diesem Fall um eine Sprache, von der man nicht einmal sagen kann, daß sie eine Schulung des scharfen logischen Denkens bedeute, wie es etwa auf da Lateinische zutrifft.“[216]

 

Hoewel Hitler ijverig pleit voor het aanleren van de basis van een taal (grondbeginselen van de grammatica, zinsbouw, uitspraak, …) in plaats van de volledige taal, kende Hitler toch zelf verschillende talen. Zo beheerste hij Frans, Engels en – zeer beperkt – Italiaans. Zijn Frans uit de schooljaren had hij in de Eerste wereldoorlog verder geoefend zodat hij redelijk vlot met de lokale bevolking in Frankrijk kon spreken. Engels heeft hij vanaf 1911 als autodidact geleerd. Daarom las hij ook Engelse, Amerikaanse en Franse tijdschriften, boeken en films in de originele versie[217].

 

2.2. Hitlers visie ten opzichte van de Griekse Oudheid

 

In Mein Kampf wordt de Griekse periode dikwijls aangehaald. Als we in het werk verwijzingen naar de Oudheid tegenkomen, zijn dit dan ook niet louter stilistische verfraaiingen. Naast Rome was Griekenland immers voor Hitler van zeer grote waarde op cultureel en raciaal gebied[218]. Qua schoonheidsideaal kon immers niets tippen aan het Helleense schoonheidsideaal. Griekenland had volgens Hitler ook lang kunnen bestaan omdat ze precies de slechte elementen uit haar staten bande door het schervengerecht[219].

De verwijzingen naar de Griekse periode delen we in deze uiteenzetting in verschillende paragrafen in. De eerste, tweede en derde paragraaf behandelen respectievelijk de Atheense, Spartaanse en Helleense vergelijkingspunten. De derde paragraaf gaat dan over de verwijzingen naar algemeen Griekse fenomenen.

 

2.2.1. De Atheners

 

Eén Athener springt in het oog tussen al de verschillende passages over de Oudheid: Perikles. Als Hitler het over Athene heeft, gaat het dan ook bijna altijd over Perikles of “de eeuw van Perikles”. Perikles zelf zou immers een jeugdheld van Hitler geweest zijn, met wie hij zichzelf dikwijls vergeleek[220]. Deze vergelijking werd ook doorgevoerd door Duitse historici zoals HOLTDORFF en TAEGER. SCHACHERMEYR zag in Perikles bijvoorbeeld een echte Führer. Een ander Duits historicus propageerde zelfs de politiek van Perikles als voorbeeld voor de Duitse zeestrategie![221] In de volgende passage vermeldt Hitler zijn jeugdidool binnen de context van het staatssysteem dat totaal niets vergt van haar leiders en haar leiders liever dom dan slim ziet:

 

„Je zwergenhafter ein solcher Lederhändler heute an Geist und können ist, je klarer ihm die eigene Einsicht die Jämmerlichkeit seiner tatsächlichen Erscheinung zum Bewusstsein bringt, um so mehr wird er ein System preisen, das von ihm gar nicht die Kraft und Genialität eines Riesen verlangt, sondern vielmehr mit der Pfiffigkeit eines Dorfschulzen vorliebnimmt, ja, eine solche Art von Weisheit lieber sieht als die eines Perikles.“[222]

 

Deze bewondering voor Perikles (495-429) [223] is zeer goed te begrijpen. Perikles was één van de grootste staatsmannen uit de Griekse geschiedenis, die verschillende keren tot strateeg verkozen werd. Binnen die functie maakte hij de Peloponnesische Oorlog mee, maar werd hij in 430 van zijn ambt ontgeven, tengevolge van de slechte “prestaties” in de Oorlog.

Perikles beschikte verder ook nog over een groot redenaarstalent. Eén van zijn grote verwezenlijkingen was zijn wet van 451/450 die het burgerschap beperkte tot diegenen die zowel een Atheense vader als een Atheense moeder hadden. Indien we ervan uitgaan dat Hitler van deze wet op de hoogte was, kon dit zeker op zijn sympathie rekenen.

Daarnaast was Perikles ook betrokken in de bouwpolitiek van Athene, met onder andere de bouw van de Akropolis (begonnen in 447). Deze laatste verdienste komt in Mein Kampf het meest aan bod.

Eén van de gebouwen op de Akropolis was het Parthenon[224]. De bouw van deze tempel ter ere van Athene is al begonnen in 447 vóór Christus maar het bouwwerk werd pas in 438 ingewijd (hoewel de bouw nog verder liep tot 432). In deze tempel werd het beeld van Athene (door Pheidias ontworpen) geplaatst. Dit beeld was gemaakt uit goud en ivoor. De tempel werd later in de 5de eeuw een kerk voor de Heilige Maagd. Later, in de 15de eeuw werd het een moskee. Het bouwwerk bleef intact tot 1687, toen een Turks kruitmagazijn binnenin ontplofte. Toch kon men ten tijde van Hitler (en ook nu nog) nog een groot deel bewonderen. Volgens Hitler stond deze tempel symbool voor de Eeuw van Perikles:

 

„Denn wenn das Perikleische Zeitalter durch den Parthenon verkörpert erscheint, dann die bolschewistische Gegenwart durch eine kubistische Fratze.“[225]

 

De hele Gouden Eeuw wordt door Hitler omschreven als een bloeiperiode op cultureel gebied. In de volgende passage heeft Hitler het over de oorzaken van bloeiperiode. Hij meent namelijk dat cultuur volledig afhankelijk is van de vrijheid van het volk.

Tijdens periodes van grote beroering mag een volk dan ook elk offer maken, zolang de natie haar vrijheid kan behouden. Als men dan zijn vrijheid herwonnen heeft, kan men eindelijk alle aandacht aan cultuur besteden. Voordien is het volledig zinloos.

 

Voor Athene betekent dit concreet, dat er tijdens de Perzische Oorlogen (492-479, 449)[226] weinig aandacht voor cultuur was. Na de Perzische Oorlogen kon haar cultuur dan ook volop bloeien. Dit wordt volgens Hitler het meest geïllustreerd door de bouw van het Parthenon, nauwelijks twee jaar later. Een andere belangrijke datum voor de culturele ontplooiing van Athene situeert zich ook in deze tijd. Het jaar 456/5 is het jaar waarin Anaxagoras[227] naar Athene emigreerde om daar de Ionische filosofie te introduceren.

 

„Die kulturelle Bedeutung einer Nation ist fast immer gebunden an die politische Freiheit und Unabhängigkeit derselben, mithin ist diese die Voraussetzung für das Vorhandensein oder besser Entstehen der ersteren. Daher kann kein Opfer für die Sicherung der politischen Freiheit zu groß sein. Was den allgemeinen kulturellen Belangen durch eine übermäßige Förderung der militärischen Machtsmittel des Staates entzogen wird, wird später auf das reichlichste wieder hereingebracht werden können. Ja, man darf sagen, daß nach einer solchen komprimierten Anstrengung nur in der Richtung dr Erhaltung der staatlichen Unabhängigkeit eine gewisse Entspannung oder ein Ausgleich zu erfolgen pflegt durch ein oft geradezu überraschendes Aufblühen der bisher vernachlässigten kulturellen Kräfte eines Volkstums. Aus der Not der Perserkriege erwuchs die Blüte des perikleischen Zeitalters, und über den Sorgen der Punischen Kriege begann das römische Staatswesen sich dem Dienste einer höheren Kultur zu widmen.“[228]

 

De laatste Athener die in Mein Kampf vermeldt wordt is Demosthenes (384-322)[229]. We zien dat Hitler Demosthenes hier aanhaalt als de grootste redenaar ooit. Hier heeft Hitler het bij het rechte eind in zijn beoordeling van Demosthenes. Deze redenaar is vooral gekend omwille van zijn redevoeringen tegen Philippus II en Alexander de Grote.

Hitler beweert van deze redenaar, dat zelfs hij tot zwijgen kan gebracht worden, als er maar genoeg geschreeuw is.

 

„Daß in einer Volksversammlung ein Demosthenes zum Schweigen gebracht werden kann, wenn nur fünfzig Idioten, gestützt auf ihr Mundwerk und ihre Fäuste, ihn nicht sprechen lassen wollen, berührt einen solchen Quacksalber allerdings nicht im geringsten.“[230]

 

2.2.2. De Spartanen

 

De andere bekende Griekse stadstaat, Sparta, was volgens Hitler het summum van rassenonderscheid en –onderhoud. Hitler beweerde immers dat men in het antieke Griekenland een planmatige rassenpolitiek kende, waarin zuiverheid van bloed en overheersing van het andere ras domineerden[231]. De grootsheid van het ras zag Hitler in de slag bij de Thermopylen, als bewijs van de plicht tot opoffering[232]. Een ander bewijs van hun rassenonderhoud was het feit dat de Spartanen volgens Hitler de zieke en misvormde kinderen te vondeling legden, “hun vernietiging was bovendien vele malen humaner dan de hedendaagse dwaasheid, de zieksten te onderhouden”[233].

 

In Mein Kampf treffen we vreemd genoeg geen expliciete verwijzingen naar Sparta aan. Eén Griek die hij vermeldt heeft wel rechtstreeks te maken met Sparta. In de volgende passage heeft Hitler het over het verraad van Ephialtes:

 

„So wenig ich die Kirche als solche verurteilte und verurteilen darf, wenn einmal ein verkommenes Subjekt im Priesterrock sich in schmutziger Weise an der Sittlichkeit verfehlt, so wenig aber auch, wenn ein anderer unter den vielen sein Volkstum besudelt und verrät in Zeitläuften, in denen dies ohnehin geradezu alltäglich ist. Besonders heute möge man dann nicht vergessen, dass auf einen solchen Ephialtes auch Tausende treffen, die mit blutendem Herzen das Unglück ihres Volkes mitempfinden und genau so wie die Besten unserer Nation die Stunde herbeisehnen, in der auch uns der Himmel wieder einmal lächeln wird.“[234]

 

Ephialtes van Malis[235] was namelijk de Griek die de troepen van Xerxes het pad in de Thermopylen zou getoond hebben, langswaar de Perzen de Spartanen in de rug konden aanvallen. Hij hoopte namelijk hiervoor een grote beloning te krijgen van de Perzische vorst. Ephialtes is na de Perzische nederlaag bij Salamis gevlucht naar Thessalië, maar werd ongeveer tien jaar later vermoord door een inwoner van Trachis. De Spartanen hebben zijn moordenaar daarom altijd als held geëerd.

 

Impliciet verwijst Hitler zeker en vast naar de Spartaanse opvoeding in de volgende passage:

 

„Die übermäßige Betonung des rein geistigen Unterrichtes und die Vernachlässigung der körperlichen Ausbildung fördern aber auch in viel zu früher Jugend die Entstehung sexueller Vorstellungen. Der Junge, der in Sport und Turnen zu einer eisernen Abhärtung gebracht wird, unterliegt dem Bedürfnis sinnlicher Befriedigungen weniger als der ausschließlich mit geistiger Kost gefütterte Stubenhocker. Eine vernünftige Erziehung aber hat dies zu berücksichtigen. Sie darf ferner nicht aus dem Auge verlieren, daß die Erwartungen des gesunden jungen Mannes von der Frau andere sein werden als die eines vorzeitig verdorbenen Schwächlings. So muß die ganze Erziehung darauf eingestellt werden, die freie Zeit des Jungen zu einer nützlichen Ertüchtigung seines Körpers zu verwenden. Er hat kein Recht, in diesen Jahren müßig herumzulungern, Straßen und Kinos unsicher zu machen, sondern soll nach seinem sonstigen Tageswerk den jungen Leib stählen und hart machen, auf daß ihn dereinst auch das Leben nicht zu weich finden möge. Dies anzubahnen und auch durchzuführen, zu lenken und zu leiten ist die Aufgabe der Jugenderziehung und nicht das ausschließliche Einpumpen sogenannter Weisheit. Sie hat auch mit der Vorstellung aufzuräumen, als ob die Behandlung seines Körpers jedes einzelnen Sache selber wäre. Es gibt keine Freiheit, auf Kosten der Nachwelt und damit der Rasse zu sündigen.“[236]

 

Volgens Hitler moest dus tijdens de opvoeding een heel belangrijk deel van de tijd in sport geïnvesteerd worden. Hitler wijst in de laatste zin op het feit dat de zorg voor het lichaam geen individuele zaak kan zijn, aangezien zijn nakomelingschap, en dus ook de kwaliteit van het ras, ervan afhangt. Dit kunnen we zeer gemakkelijk aan de Spartaanse opvoeding, de agogè, koppelen. In Sparta was de opvoeding een publieke opvoeding, waaraan elke jonge Spartaan een heel lange tijd verbonden was (van 7 tot 29 jaar). Het doel van deze opvoeding – waarin het militaire aspect domineerde – was Spartaanse mannen gehoorzaamheid, soberheid en kracht bij te brengen[237]. Ook meisjes werden publiek opgevoed, met het oog op hun latere moederschap. Dit publiek karakter van de opvoeding had tot doel dat elke Spartaan onvoorwaardelijk gehoorzaam was aan de staat. In oorlogssituaties beschikte Sparta dan ook over een voortreffelijk leger. Uiteraard zijn dit aspecten die Hitler ten zeerste aanspraken. In Mein Kampf blijkt dat respect van Hitler voor Sparta in die elementen: onvoorwaardelijke gehoorzaamheid en zelfopoffering voor de staat.

 

2.2.3. Alexander de Grote

 

In Mein Kampf heeft Hitler het slechts één keer over Alexander de Grote (356-323)[238]. Dit komt op het eerste gezicht enigszins vreemd over, aangezien Alexander de Grote toch één van de grootste veroveraars is uit de antieke Oudheid. In Mein Kampf zien we het argument van Hitler waarom Alexander de Grote geen favoriet van Hitler was:

 

„Unsere Aufgabe, die Million der nationalsozialistischen Bewegung, aber ist, unser eigenes Volk zu jener politischen Einsicht zu bringen, daß es sein Zukunftsziel nicht im berauschenden Eindruck eines neuen Alexanderzuges erfüllt sieht, sondern vielmehr in der emsigen Arbeit des deutschen Pfluges, dem das Schwert nur den Boden zu geben hat.“[239]

 

Hitler wilde met andere woorden een duurzaam rijk, niet een rijk dat na enkele jaren al verdeeld was. Deze factor, namelijk dat de Grieken op een chaotische en verstrooide manier de overzeese gebieden wilden koloniseren, lag volgens Hitler aan de basis van de ondergang van de Griekse cultuur[240].

R. BICHLER geeft nog een andere mogelijke interpretatie weer. Slechts het raszuiver houden van het Duitse bloed biedt volgens Hitler voldoende garantie voor het behouden van de verworven levensruimte. De rassenpolitiek van Alexander de Grote leidde dan ook tot het uiteenvallen van zijn rijk na zijn dood en gold voor Hitler dan ook een voorbeeld en een waarschuwing van hoe het niet moet[241].

 

2.2.4. Veel voorkomende Griekse fenomenen

 

In de volgende passage legt Hitler een duidelijke link tussen de Germanen en de Grieken. Beiden zouden volgens Hitler aan de basis liggen van de toekomstige Oost-Aziatische cultuur, net zoals ze nu al aan de basis liggen van de Europese cultuur. Cultuur is volgens Hitler met andere woorden een Arische aangelegenheid.

De locale verschillen zijn daarbij enkel te merken in versierselen. De twee belangrijke componenten van cultuur liggen volgens Hitler dan ook in twee Arische facetten: de Helleense geest en de Germaanse techniek.

 

„Er (de Ariër) liefert die gewaltigen Bausteine und Pläne zu allem menschlichen Fortschritt, und nur die Ausführung entspricht der Wesensart der jeweiligen Rassen. In wenigen Jahrzehnten wird zum Beispiel der ganze Osten Asiens eine Kultur sein eigen nennen, deren letzte Grundlage ebenso hellenischer Geist und germanische Technik sein wird, wie dies bei uns der Fall ist. Nur die äußere Form wird – zum Teil wenigstens – die Züge asiatischer Wesensart tragen.“ [242]

 

Zoals al gezien bij de behandeling van Sparta hechtte Hitler een zeer groot belang aan sport in de opvoeding van de jeugd. In zijn kritiek op het Duitse schoolsysteem, verwijt hij het toenmalige beleid dan ook een gebrek aan lichamelijke opvoeding. Zo beweert hij dat het Duitse Gymnasium een schande is vergeleken met het Griekse voorbeeld, dat veel meer op sportiviteit toegespitst was.

 

Was heute Gymnasium heißt, ist ein Hohn auf das griechische Vorbild. Man hat bei unserer Erziehung vollkommen vergessen, daß auf die Dauer ein gesunder Geist auh nur in einem gesunden Körper zu wohnen vermag.“[243]

 

Als we Hitlers visie op onderwijs (zowel op sportief als intellectueel vlak) voor ogen houden, dan lijkt het inderdaad dat hij veeleer een Grieks gymnasium prefereert. Aanvankelijk gingen Griekse jongeren immers naar een gymnasium voor een soldatenopleiding. Geleidelijk evolueerde de functie van het gymnasium naar een soort school, waarin zowel een fysieke als een intellectuele opleiding aan bod kwamen. Later, vooral sinds de 4de eeuw vóór Christus, werden ze intellectuele centra, waarin ouderen samenkwamen. Dit gebouw, dat aanvankelijk gewoon een open ruimte was met watertoevoer, evolueerde dan ook, evenredig met het belang, tot een complex met baden, atletische faciliteiten (bijvoorbeeld een loopparcours).[244]

 

Hitler verwijst niet alleen naar gebeurtenissen, fenomenen of personen die direct betrekking hebben op Athene of Sparta. In Mein Kampf verwijst hij nog naar twee mythologische figuren. Eén van die figuren gebruikt hij om zijn tekst wat op te smukken:

 

„Diese Pack aber fabriziert zu mehr als zwei Dritteln die sogenannte „öffentliche Meinung“, deren Schaum dann die parlamentarische Aphrodite entstiegt.“[245]

 

Aphrodite is de welbekende Griekse Godin van de liefde en schoonheid. Over haar ontstaan bestaan er twee versies. De ene is van Homeros (dochter van Zeus en Dione), de andere versie (Aphrodite ontstaat uit het schuim) is van hand van Hesiodos. Deze versie komt wel niet voor in Die schönsten Sagen des klassischen Altertums van Gustav Schwab[246]. Hitler zal dus naast Gustav Schwab nog andere werken of verhalen over de Griekse mythologie gelezen hebben.

 

Voor de volgende figuur uit de Griekse mythologie haalde Hitler waarschijnlijk wel zijn inspiratie bij Gustav Schwab:

 

„Er ist der Prometheus der Menschheit, aus dessen lichter Stirne der göttliche Funke des Genies zu allen Zeiten hervorsprang, immer von neuem jenes Feuer entzündend, das als Erkenntnis die Nacht der schweigenden Geheimnisse aufhellte und den Menschen so den Weg zum Beherrscher der anderen Wesen dieser Erde emporsteigen ließ. Man schalte ihn aus – und tiefe Dunkelheit wird vielleicht schon nach wenigen Jahrtausenden sich abermals auf die Erde senken, die menschliche Kultur würde vergehen und die Welt veröden.“[247]

In Griechische Götter und Heldensagen behandelt Schwab (wiens werk Hitler zeker gelezen heeft, (cfr. Infra, p.46) Prometheus als eerste. Het verhaal dat hij weergeeft, gaat over Prometheus, die de vindingrijkheid van zijn vader (Japetos) geërfd heeft en onder andere “zeigte ihnen, wie sie Tiere ins Joch spannen und als Genossen ihrer Arbeit verwenden könnten[248]. Prometheus is met andere woorden de perfecte Griekse voorloper van de Ariër.

 

De laatste passage, waarvoor Hitler te rade gegaan is in de Griekse mythologie, is één van de gecorrigeerde stukken uit Mein Kampf.

 

Denn was jedem denkenden Gehirn eben als undenkbar erschienen wäre, haben die geistigen Zyklopen unseren Novemberparteien fertiggebracht: Sie buhlten um Frankreichs Gunst.[249]

 

In de originele versie stond echter niet “die geistigen Zyklopen”, maar “die geistigen Kentauren”.[250] Beide termen hebben in elk geval een negatieve bijklank in deze context. Ook in de Griekse wereld kenden ze deze negatieve connotatie. Centauren bijvoorbeeld werden gekenmerkt door hun ongecontroleerde lust, geweld en alcoholisme (zo werd Hercules’ vrouw bijna verkracht door een Centaur). In de vijfde eeuw vóór Christus werden ze in dezelfde lijn met de Amazones gesteld als vijanden van de Griekse mannelijke cultuur en politieke dominantie[251]. Hetzelfde lot was er voor de cyclopen, die bijvoorbeeld zeer negatief in Homeros voorgesteld werden.

 

2.3. Hitlers visie ten opzichte van de Romeinse Oudheid

 

Was het antieke Griekenland Hitlers grootste voorbeeld op raciaal en cultureel gebied, dan heette Rome volgens Hitler in zijn redevoeringen hét staatkundige voorbeeld bij uitstek. Hiermee doelde hij op de Romeinse “Raumpolitik”, de manier waarop Rome alle omliggende gebieden onder haar invloed bracht. Rome werd hierdoor het “Kristallisationspunkt eines Weltreichs[252]. Dit was precies ook het beoogde doel van Hitler met Berlijn. Berlijn zou het vierde Rome (onder de naam Germania) worden en het Duits de culturele taal[253].

In Rome zag Hitler ook de eerste echte Führer-aristocratie[254]. Rome had al altijd die belangrijke rol gespeeld in het Westerse gedachtegoed, precies omdat het altijd al deels gekend was. Ook voor de Geallieerden speelde ze een belangrijke rol. Zo kregen de soldaten die belast waren met de verovering van Rome in 1944 gidsjes mee om ervoor te zorgen dat de belangrijkste sites onbeschadigd werden[255]. S. LORENZ beweert dat in die bewondering van het Romeinse Rijk waarschijnlijk ook de grondslag van Hitlers dweperij met Italië ligt[256].

 

In Mein Kampf gaat Hitler niet intens in op het bestuur van Rome. De enige verwijzing naar de Romeinse senaat is een eerder vage aanduiding van de waardigheid en trots die het Romeinse volk heeft. In deze passage gebruikt Hitler de senaat als na te streven voorbeeld voor de manier waarop het Duitse volk met de nederlaag na de Eerste Wereldoorlog had moeten omgaan. Het volk mocht immers op geen enkele manier wanhopen en mocht zich niet neerleggen bij de nederlaag. Ze moesten daarentegen uitkijken naar een volgende overwinning[257].

 

„Nein und nochmals nein: in der Art und Weise, in der das deutsche Volk seine Niederlage entgegennahm, vermag man am deutlichsten zu erkennen, daß die wahre Ursache unseres Zusammenbruches ganz woanders zu suchen ist als in dem rein militärischen Verlust einiger Stellungen oder dem Mißlingen einer Offensive; denn hätte wirklich die Front als solche versagt und wäre durch ihr Unglück das Verhängnis des Vaterlandes hervorgerufen worden, so würde das deutsche Volk die Niederlage ganz anders aufgenommen haben. Dann hätte man das nun folgende Unglück mit zusammengebissenen Zähnen ertragen oder von Schmerz überwältigt beklagt; dann würden Wut und Zorn die Herzen erfüllt haben gegen den durch die Tücke des Zufalls oder auch des Schicksals Willen zum Sieger gewordenen Feind; dann wäre die Nation ähnlich dem römischen Senat den geschlagenen Divisionen entgegengetreten mit dem Danke des Vaterlandes für die bisherigen Opfer und der Bitte, am Reiche nicht zu verzweifeln. Selbst die Kapitulation aber wäre nur mit dem Verstande unterzeichnet worden, während das Herz schon der kommenden Erhebung geschlagen hätte.“[258]

 

Uit de Romeinse geschiedenis worden de Punische Oorlogen in Mein Kampf en de speechen of gesprekken van Hitler het meest behandeld. Eén van die passages hebben we al eerder behandeld met betrekking tot de bloei van de Atheense cultuur[259]. Hitler beweerde immers dat de bloei van een cultuur afhankelijk is van de vrijheid van het volk. Binnen die context zag Hitler dat de Atheense cultuur pas ten volle begon te bloeien na de Perzische Oorlogen. Hetzelfde gold voor Rome na de Punische Oorlogen.

In totaal waren er drie Punische Oorlogen. De eerste begon in 264 en de derde eindigde in 146 vóór Christus[260]. Pas dan zou Rome volgens Hitler een culturele bloei gekend hebben. Deze bloei is er ook effectief geweest na de Punische Oorlog, hoewel we ook moeten rekening houden met de bouwkunst tijdens de Punische Oorlogen. Zo ontstonden in de 3de en 2de eeuw vóór Christus tal van nieuwe types in de bouwkunst van Rome, zoals het typisch Romeinse amphitheater, maar ook de thermen en theaters.[261]

De Punische oorlogen worden natuurlijk ook gezien in het licht van de ondergang van Carthago[262]. Volgens Hitler is deze ondergang – of in Hitlers woorden, “terechtstelling van het volk” door eigen schuld veroorzaakt. Carthago heeft in tijden van oorlog immers de wapens neergelegd, zonder dat daartoe reden was. In de periode daarna, liet het zich volgens Hitler volledig vernederen en aanvaardde ze alle onderdrukkingen, zonder in opstand te durven komen.

 

„Geschichtliche Beispiele ähnlicher Art zeigen, daß Völker, die erst ohne zwingendste Gründe die Waffen streckten, in der Folgezeit lieber die größten Demütigungen und Erpressungen hinnehmen, als durch eine erneuten Appell an die Gewalt eine Änderung ihres Schicksals zu versuchen. Dies ist menschlich erklärlich. Ein kluger Sieger wird seine Forderungen, wenn möglich, immer in Teilen dem Besiegten auferlegen. Er darf dann bei einem charakterlos gewordenen Volk – und dies ist ein jedes sich freiwillig unterwerfende – damit rechnen, daß es in jeder dieser Einzelunterdrückungen keinen genügenden Grund mehr empfindet, um noch einmal zur Waffe zu greifen.

 

Je mehr Erpressungen aber auf solche Art willig angenommen werden, um so ungerechtfertigter erscheint es dann den Menschen, wegen, einer neuen, scheinbar einzelnen, aber allerdings immer wiederkehrenden Bedrückung sich endlich doch zur Wehr zu setzen, besonders wenn man, alles zusammengerechnet, ohnehin schon so viel mehr und größeres Unglück schweigend und duldend ertrug. Karthagos Untergang ist die schrecklichste Darstellung einer solchen langsamen selbstverschuldeten Hinrichtung eines Volkes.“[263]

 

Op het eerste gezicht lijkt deze uitspraak zeer vreemd, op veel punten is ze veel te eenzijdig. Zo is algemeen geweten dat er drie Punische Oorlogen[264] geweest zijn, dus kunnen we nooit zeggen dat Carthago zich niet verzet heeft tegen Rome. In de 1ste Punische Oorlog hebben de Carthagers een eerste keer over overgave onderhandeld (256 vóór Christus, na de nederlaag bij Clupea), maar deze onderhandelingen waren afgesprongen omdat de Romeinse eisen veel te hoog waren. Pas in 241 zou Carthago zich eindelijk overgeven, als de stad al volledig uitgeput was. Carthago werd bij deze onderhandelingen gedwongen om in tien jaar tijd 3.200 talenten te betalen.

De tweede Punische Oorlog begon in 218 vóór Christus, met de verovering van Saguntum, een bondgenoot van Rome in Spanje. Carthago leidde aanvankelijk deze oorlog, met als hoogtepunt de Romeinse nederlaag in Cannae, 216 vóór Christus. De definitieve ommekeer in deze oorlog was het terugroepen van Hannibal door Carthago. Publius Cornelius Scipio Africanus stond immers al dicht bij Carthago en vormde een bedreiging voor de stad. Hannibal keerde terug en leverde slag met Scipio bij Zama in 201 vóór Christus. De Carthagers verloren hier en de stad moest zich overgeven. De eisen van Rome waren zeer hoog: ze mochten enkel die gebieden in Afrika houden, die ze voor de oorlog al hadden, ze moesten hun vloot en olifanten overgeven en mochten zich niet herwapenen of oorlog voeren zonder toestemming met Rome. Bovendien moest Carthago 10.000 talenten betalen, over 50 jaar gespreid.

Eens Carthago haar schulden betaald had, begon Carthago zich opnieuw te bewapenen en stak ze de grens over om te strijden met Masinissa, koning van Numidië. De Romeinen stuurden hierna een expeditie naar Lybië. De Carthagers gaven zich hierop over en werden door de Romeinen gedwongen om hun stad te verlaten en minimum 10 mijl van de zee verwijderd opnieuw een stad te vestigen. Met deze eisen weigerden de Carthagers in te stemmen en ze boden – aanvankelijk met succes – weerstand aan de Romeinen. Uiteindelijk werd Carthago in 147 vóór Christus overwonnen door Publius Cornelius Scipio Aemilianus. Alle burgers werden verkocht en de stad werd volledig met de grond gelijk gemaakt.

We kunnen dus zeker niet zeggen dat het Carthaagse volk vernietigd is, louter omdat ze zich nooit verzet heeft tegen de Romeinse macht. Waar Hitler wel gelijk in heeft, is dat C