De Brugse academie in de achttiende eeuw. (Dominiek Dendooven)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Hoofdstuk 3: de academie als school

 

Nadat 'academie' vanaf ongeveer 1470 in Italië eerst op een villa en later op een informele discussiegroep slaat, wordt de term vanaf 1540 ook gebruikt voor scholen.[610] Later zal het begrip aan de ene kant gebruikt worden voor allerlei geïnstitutionaliseerde discussiegroepen en (wetenschappelijke) instellingen en aan de andere kant voor het kunstonderwijs, meestal voor een specifiek soort kunstonderwijs: "séances de dessin d'après le modèle nu ou 'académie'"[611]. Deze opvatting is voor een stuk ook gangbaar in Gent in 1792 waar men uitdrukkelijk stelt dat de term 'teeken-school' slaat op de leerlingen van de drie klassen naar prenten en de derde klas architectuur.[612] De term 'akademie' daarentegen, mag alleen gebruikt worden voor de leerlingen van de twee klassen naar plaaster, de klas naar model en de eerste twee klassen architectuur.

Dergelijk onderscheid wordt in Brugge nooit gemaakt: daar stelt men 'academie' voortdurend gelijk aan 'gratuite leerschole'.[613] Meer zelfs, de term wordt ook gebruikt om het genootschap aan te duiden dat de tekenlessen organiseert of om het gebouw aan te duiden waar dit genootschap en haar school gevestigd is.

 

 

3.1 Organisatie en werking

 

Van de eerste tekenschool die de "Confrerie van de vrije ende exempte schilder ende teeckenconst" in de periode 1720-1728 openhoudt, is nauwelijks iets geweten. De stad heeft de academie toegestaan om de Poortersloge te gebruiken omdat er 's winters en 's zomers les gegeven wordt en omdat de lessen open zijn voor iedereen.[614] Tot slot weten we nog dat deze lessen gratis zijn voor wie geen geld heeft om ze te betalen, mits deze personen zich elke dinsdag komen presenteren op de vergaderingen.[615] Het leidt echter geen twijfel dat deze eerste publieke tekenlessen te Brugge sterk persoonsgebonden zijn, gezien het feit dat de tekenschool valt met de dood of het weggaan van de leraar: eerst Vanden Kerckhove en daarna Van Schalck. Zoals eerder gezegd, meldt LE DOULX dat Vanden Kerckhove in zijn onderwijstaak bijgestaan wordt door Nicolaas Vleys.[616]

 

In 1738-1739 dan, na meer dan tien jaar inactiviteit, herneemt de academie haar werkzaamheden. Het onderricht is opnieuw gratis en de lessen vinden plaats op elke werkdag, 's avonds van vijf uur tot zeven uur.[617] De tekenschool bestaat uit twee afdelingen: 'architecteure' en 'figeure'.[618] Bij het openen van de school op 3 februari 1739 blijkt principaal De Visch een heus reglement opgesteld te hebben[619]:

In vergelijking met een reglement van de Antwerpse academie uit 1750[621], vallen er slechts enkele kleine verschillen te noteren: in Antwerpen wordt in die tijd ook alleen in de winter getekend, maar van zes tot acht 's avonds. Verder mag men daar pas meetekenen, na toelating gevraagd te hebben aan één van de directeurs en deze regel geldt voor iedereen.

Uit de leerlingenlijst voor de prijsuitreiking van 1740, blijkt dat de afdeling figuurtekenen toen reeds onderverdeeld was in twee klassen.[622] Een jaar later blijkt ook de afdeling architectuur uit twee klassen te bestaan. Vanaf 1753 zien we eerst een derde klas architectuur en vervolgens, bij de figuurklassen een klas naar levend model opduiken.[623] De indeling in drie klassen per afdeling is in 1755 in ieder geval een feit. Voor de afdeling figuurtekenen dateert de indeling in drie klassen waarschijnlijk uit 1752, wanneer er een klas naar levend model georganiseerd wordt. LE DOULX[624] meldt immers dat in 1752 enkele oud-primussen vragen of ze naar levend model mogen tekenen. Daarbij beloven ze iets te zullen inbrengen om dat model te kunnen betalen. Op hun aanvraag wordt uitermate positief gereageerd: de leerlingen krijgen de verzekering dat ze niet zullen moeten betalen voor het model. Op 16 november 1752 zou er dan voor het eerst naar het leven getekend zijn.

Ook wat betreft de grootte van de klassen, kunnen we moeilijk precieze uitspraken doen.[625] Toch valt het onmiddellijk op dat de architectuurklassen snel in grootte de figuurklassen gaan overvleugelen: voor 1741 worden er voor de twee figuurklassen samen 20 leerlingen vermeld en voor de architectuurklassen 29. Uit deze lijsten blijkt verder ook dat de leerlingen vaak enkele jaren na elkaar in dezelfde klas zitten: er is dus geen noodzakelijke doorstroming, en dat sommige leerlingen na het doorlopen van de ene afdeling, ook nog de andere afdeling afwerken: zo wint Paul De Cock in 1741 de eerste prijs van de eerste klas figuur en in 1743 de eerste prijs van de eerste klas architectuur.

Een mooie beschrijving van de academie in de jaren voor 1755, krijgen we in het rekest waarin de landvoogd gevraagd wordt om protector te worden.[626] Na het verhaal van de stichting van de tekenschool, wordt er eerst gezegd dat het onderwijs er gratis is en dat de principaal een gerenommeerd schilder is. De academie heeft zoveel leerlingen dat de principaal het niet meer alleen aankan en zijn twee beste discipels tot 'adjoints' aangesteld heeft.[627] Les wordt er gegeven van St.-Lucas tot St.-Jozef.[628] 'Architectes' en 'figuristes' leren gescheiden van elkaar.

In 1755 bestaat zowel de afdeling architectuur als de afdeling figuur elk reeds uit drie klassen. De eerste figuurklas tekent naar levend model en de tweede klas, die in hetzelfde lokaal les heeft, tekent naar plaasteren figuren, met name de acht die in 1722 vanuit Parijs verkregen werden. De derde klas heet de 'classe eerste beginselen van de figeure'. De tekenaars van de twee hoogste figuurklassen zitten in twee of drie rijen in een halve cirkel. De modelleurs in klei ('terre grasse') staan recht op de laatste rij, zodat ze niemand storen. In deze volgorde werken ze naar levend model en twee figuren in 'bosse'[629], geplaatst onder "une couronne de lampions, qui y donnoient perpendieuleurement leur reflexions de lumières".

De leerlingen van de hoogste klas architectuur tekenen plannen naar effen of oneffen grond, met verschillende verdiepingen en versieringen, profielen en façades. In de tweede klas architectuur wordt er geleerd een poort of 'arc de triomphe' te tekenen met inbegrip van de decoraties. In de derde klas architectuur tenslotte, daar leert men enkele principes volgens de regels van Vignola[630].

De klassen worden af en toe bezocht door de president en verschillende confraters. Zij komen verifiëren of alles in orde is en hun aanwezigheid dient ter 'emulatie' van de leerlingen.

Na de brand en het heropenen van de lessen in de Poortersloge, lijkt er qua organisatie van de tekenschool niet veel veranderd te zijn.[631] Het is alleen zo dat er in 1757 blijken twee klassen 'beginselen van de figeure' te zijn en vanaf 1772 zelfs drie.[632]

Van de periode 1755-1763 kennen we ook een leerlingenregister[633]. Mathias De Visch schrijft daar onder meer in dat dergelijk register ook bestond in de periode 1739-1755, maar dat dat, samen met de prijstekeningen in de brand van 27-28 januari 1755 verloren is gegaan. In het leerlingenregister noteert de principaal jaar na jaar getrouw wie de lessen in welke klas klas komt volgen. Vaak worden de namen van de leerlingen vergezeld van hun beroep en, indien het om niet-Bruggelingen gaat, de gemeente vanwaar ze afkomstig zijn. Leerlingen van de bogardenschool worden met een speciaal teken, een drukletter S, aangeduid.

 

Heel wat informatie halen we vanzelfsprekend ook uit Garemijns notitieboekjes. Daaruit blijkt bijvoorbeeld dat het schooljaar van de academie niet exact loopt van St.-Lucas tot St.-Jozef, maar dat enige speling mogelijk is: zo starten de lessen in 1769 op 23 october.[634] De kandidaat-leerlingen moesten zich vooraf inschrijven. Wanneer en hoe dat gebeurde, werd aangekondigd op plakkaten. Daarvan is er nog één exemplaar bewaard, die vermoedelijk van voor 1775 dateert.[635] De voorwaarden luiden dat iedereen voorgesteld moet worden door ouders, voogd of vrienden. De kandidaat-leerlingen moeten kunnen lezen en schrijven en moeten tenminste twaalf jaar zijn voor de klassen figuurtekenen en veertien jaar zijn voor de klassen architectuur. In 1767 gebeurt deze 'receptie van de jonckheit' op 26 october.[636] Garemijn liet eerst de kandidaat-leerlingen voor de klassen figuur en daarna de kandidaat-leerlingen voor de klassen architectuur 'boven commen'. Dat alles moet 'in goed order en stille' gebeuren.

De "daegen dat men niet en teeckent" zijn "alderzielendag, kersavont, alle de Kerst Daegen tot alder kinderendag in cluys, verlooren maandag, de 3 vastenavontdaegen".[637] Soms worden de lessen geschorst wanneer het al te koud is: zo bijvoorbeeld in januari 1767: "groote koude begonst den 7 january tot den 22 dito, is 13 daegen niet geteekent".[638] In januari 1768: "Groote koude die al 18 daegen gedeurt heeft doog maer 7 daegen niet geteekent"[639] en op 13 januari 1770 luidt het: "niet geteeckent, op reden dat er van Snee een asse maeckten"[640]. In 1772 wordt er om wille van de koude zelfs niet getekend van 16 januari tot 3 februari[641], in februari 1773 worden de lessen gedurende vijf dagen geschorst[642] en in 1775 luidt het: "den 26, 27 en 28 jan niet getekent causa de subite vorst"[643]. Wanneer dit het geval is, worden de leerlingen via aanplakbiljetten verwittigd: "in het toecomende als het soude vryesen, aente placken aen thuys van Mr De Cock, Garemijn en aand'academie op gecouleurt papier".[644]

Een andere reden waarom de lessen geschorst kunnen worden, is door onpasselijkheid van het model: zo in 1768: "Percyn op den 7de dec niet gekomen causa geen commodum".[645] De actie werd dan later voldaan en intussentijd werd er naar plaaster getekend. Op 8 maart 1769 en op 2 december 1771 luidt het: "Percyn droncke".[646] Het model wordt soms misselijk tijdens de lessen: "den 17 (november) Percyn qualick gewoorden, en gevallen"[647] en op 13 januari 1774: "Voorval: het model is qualick geworde soo dat dese actie maer 1 dag gestelt wierd en een andere keer maer voldaen".[648] Slechts éénmaal, in 1766, zien we dat er een vervanger voorzien is: "Anthone Flore heeft hier op de leste avont gestaen causa Cleyns ongemack".[649]

Een andere reden waarom de lessen geschorst kunnen worden, is een feest in de stad, zoals in 1769: "den 3 mars de vieringe van den burghm Pardo, dan niet geteeckent".[650]

 

De uren waarop de lessen starten zijn: " october ten 5 uren, January den 15. quart naer den 5 uren, february den 1. ten 5 uren en alf, den 15 febru ten quart voor den ses uren, den 24 february ten 6 uren tot St Josephs Dagh".[651] In 1768 verandert dat lichtjes: vanaf nu begint men in october, november en december de lessen om half zes, "ten oorsaecke van de geloove zaek".[652]

 

Zoals al eerder vermeld, schetst Garemijn in zijn notitieboekjes dag aan dag de acties die het model moet staan en de naam van het betrokken model.[653] Daaruit blijkt dat er niet alleen naaktsessies gehouden worden, maar dat de modellen soms geheel verkleed en met enkele attributen poseren. Af en toe wordt er naar een groep modellen getekend: "Mardi le 10 fevrier 1767 et cinq jours suivans l'exposition d'un groupe à l'academie de peinture à Bruges. Persyn heeft met de groupe nu 20 avonden gestaen en Flore met de groupe 40 avonden".[654] Zoals tevoren is het nog steeds zo dat er normaal gezien drie avonden uitgetrokken worden per actie. En aangezien het schooljaar ongeveer 110 avonden telt, betekent dat dat er per jaar ongeveer 36 acties gesteld worden.

Iedere actie moest verschillend zijn van de vorige. Zo wordt in 1772 de tweeëntwintigste actie na twee dagen onderbroken en moet het model een nieuwe pose aannemen, omdat de benen gelijk blijken te zijn aan een voorgaande actie.[655] Verschillende leerlingen hebben bijgevolg de benen van die voorgaande actie gekopieerd. Blijkbaar is niet iedereen het met de beslissing van de principaal eens want "Em. La Croix heeft bedanckt en deur gegaen". Een actie kan eventueel ook verlengd worden: zo bijvoorbeeld in 1774: "actie 5: de actie heeft Mr Legillon geteecent ende op syn vragen 4 avonden".[656] Dit laatste toont overigens ook aan dat er naast de leerlingen, ook andere kunstenaars meetekenen: de adellijke kunstschilder Legillon was al tenminste sinds 1763 confrater en van 1767 tot 1776, dus op het moment dat hij hier meetekent, is hij assesseur.

Tot slot moeten we nog vermelden dat er volgens Garemijns notitieboekjes blijkt dat er binnen de klas naar plaaster een onderverdeling bestaat in zij die naar figuren tekenen en zij die naar koppen tekenen.[657] Waarschijnlijk is dat echter maar tijdelijk, en in ieder geval niet officieel, zo geweest, want daar is anders niets meer over vernomen.

 

Zoals eerder vermeld is het tot 1775 zo dat Garemijn principaal was maar dat de leraar architectuur, De Cock, op hetzelfde niveau stond. In 1775, waarschijnlijk ten gevolge van de moeilijkheden binnen de jointe, wordt er onderzocht of een nieuwe structuur met de principaal als 'opper-professeur' niet beter is.[658] Uit het verslag van de speciale commissie die dat onderzocht heeft, blijkt dat sommige kunstenaars gevraagd hebben dat 'de bosse' of het tekenen naar plaaster alleen overdag zou gebeuren, zoals dat in de hoofdsteden en in de Académie Royale het geval is.[659] Dit is volgens de jointe echter onmogelijk omdat de leerlingen die naar de Brugse academie komen meestal kinderen van ambachtslieden en 'gemeene borgers' zijn, die "in de dag hunnen tijdt moeten besteeden tot leeren ofte exerceren van hun ambacht ofte andere fonctiën". Men gaat wel akkoord met een nieuwe structuur, waarbij de principaal zowel de eerste klassen figuur als architectuur leidt en waarbij de leiding van de andere klassen toevertrouwd wordt aan adjoints, die ondergeschikt zijn aan de principaal. Verder wordt beslist een 'reglement van interne policie en directie op te stellen', die op 13 augustus 1775 aan de jointe voorgesteld wordt[660] en waarvan de inhoud hier volgt:

Uit bovenstaand reglement blijkt ook dat de principaal en de leraar van de eerste beginselen van het figuurtekenen, in de academie hun atelier mochten houden, hetgeen ongetwijfeld de job een stuk aantrekkelijker maakte.

 

Tegen 1 october 1775 blijkt er ook een 'reglement voor de leerlingen' opgesteld te zijn[661]:

Dit reglement, zo wordt verder bepaald, wordt op de eerste dag van de lessen voorgelezen en wordt in de academie aangeplakt. Zoals bepaald in de resolutie van 1 october 1775[663] wordt het ook gedrukt en verdeeld: er zijn verschillende edities op groot formaat bewaard (om aan te plakken), maar ook verschillende edities in boekvorm, in een handig octavo-formaat.[664] Hierdoor dringt zich de gedachte op dat de leerlingen wel eens verplicht zouden kunnen zijn om deze boekjes bij zich te hebben. In ieder geval is het reglement in dit formaat verschillende keren herdrukt: op één exemplaar staat de notitie: "300 exemplairen. Même tente même format", wat op een nieuwe bestelling zou kunnen wijzen. Een andere editie bundelt het reglement voor de leerlingen en het algemeen reglement.

 

Het lijkt er op dat een en ander de gewenste resultaten gegeven heeft, want wanneer een afvaardiging van de jointe in het voorjaar van 1776 hoogbaljuw en oud-president P.F. De Vooght uitnodigt voor de prijsuitreiking, zegt deze de academie meer dan ooit genegen te zijn en dit vanwege de goede directie en vanwege de discipline die er bij de leerlingen is ingebracht.[665]

 

Gedurende de rest van de eeuw, worden er vanzelfsprekend bepaalde stukken uit deze reglementen aangepast of gepreciseerd. Aan de kern van de zaak zal echter niet geraakt worden.

Zo beslist men in november 1775 dat er dagelijks minstens 1 jointelid aanwezig moet zijn in de academie, terwijl het in het reglement voor de leerlingen heet dat er per dag twee commissarissen moeten zijn.[666] In de praktijk zien we soms vier of drie commissarissen, meestal twee en zelden één commissaris aanwezig in de academie.[667] Elke commissaris doet één week dienst volgens een beurtrol. Daarvoor zijn er voorgedrukte briefjes, bedoeld om de commissarissen te waarschuwen wanneer het hun beurt is.[668] Op deze briefjes wordt ingevuld wie de andere commissaris is, welke week de betrokkene moet 'compareren' en wie de vervanger is van de betrokkene. Voor zover we konden ontdekken, bestaat de taak van een wekelijkse commissaris louter uit het wegzenden van stoute leerlingen en het ten berde brengen in de jointevergadering van problemen in de school.[669] Na een aantal jaar, zo ongeveer vanaf 1777, zien we het aantal opmerkingen genoteerd door de wekelijkse commissarissen verminderen en zijn het de leraars zelf die straffen toebedelen en dat in het register noteren.

 

Op 3 december 1775 waarschuwt De Cock dat verschillende leerlingen van plan zijn om confrater te worden zodat ze dan kunnen eisen van een betere plaats te krijgen in de lessen.[670] Daarom wordt er beslist dat leerlingen die confrater worden geen voorrang krijgen op de andere leerlingen en dat ze zich evengoed als de andere leerlingen moeten houden aan het reglement. Ondanks deze beslissing zouden er nog problemen rijzen aangaande deze kwestie: in 1792 wordt er daarom beslist dat mensen die les volgen, voortaan niet meer als confrater kunnen ingeschreven worden.[671] En zij die al als confrater aanvaard zijn, moeten expliciet beloven zich aan de reglementen te zullen houden.

In 1785 worden er vanwege het groot aantal leerlingen vier klassen architectuur ingericht.[672] Tot wanneer deze situatie blijft duren, kunnen we niet precies zeggen, aangezien in de leerlingeregisters de klassen architectuur, in tegenstelling tot de klassen 'naer figeure' steeds samengeteld werden.[673] In ieder geval telt de afdeling architectuur in 1793 terug drie klassen.[674]

Naast een teveel aan leerlingen zien we in 1789 ook tijdelijk een tekort aan leerlingen: op 6 december 1789 noteert de jointe dat haast alle leerlingen van de eerste klassen moeten mee optrekken met 'de vaderlanders' of patrouilleren in de stad.[675] Daardoor zitten er in de klas naar 't leven[676] en in de eerste klas architectuur amper vijf à zes leerlingen.

De academie hecht verder belang aan contact met de ouders: in 1778 maakt principaal De Cock in het leerlingenregister de opmerking dat het niet slecht zou zijn om de ouders wat meer te laten komen met hun kinderen op de dag van de inschrijving, of tenminste dat zij de principaal te samen komen spreken.[677]

Wat betreft de straffen, zoals bepaald in het reglement voor de leerlingen: wie zien dat die vrij rigoureus worden toegepast, zij het dat men niet onverbiddelijk is en de leerlingen steeds ondervraagt.[678] Het gezonden worden naar de wekelijkse commissarissen lijkt al een straf op zich te zijn. Toch is het zo dat er wekelijks minstens één leerling voor acht dagen of meer geschorst wordt. Het is ook zo dat er makkelijker een lichte straf gegeven wordt aan goede tekenaars.

De duur van het schooljaar van Sint-Lucas tot Sint-Jozef, met het inschrijven van de leerlingen op de zondag voor en na Sint-Lucas, wordt globaal genomen gehandhaaft tot in 1792. Toch kunnen de precieze data wel eens schommelen. In 1778 zien we dat alle inschrijvingen gebeuren op St.-Lucas zelf, terwijl de jaarvergadering de dag daarna plaatsgrijpt.[679] De lessen zelf beginnen steeds één tot vier dagen na de laatste inschrijvingsdag. In 1782 en 1783 gebeuren de inschrijvingen op twee opeenvolgende dagen. In 1793 dan, moet iedereen zich inschrijven op de zondag voor Sint-Lucas: figuurtekenaars 's morgens en architectuurtekenaars 's avonds.[680] In 1794 beslist men om budgettaire redenen de lessen maar te starten op 15 november. Vanaf dan zien we dat de lessen steeds beginnen halverwege november. Van het schooljaar 1797-1798 kennen we ook de einddatum en ook dat is vervroegd: 1 maart. Bijgevolg is het schooljaar in deze periode ten opzichte van vroeger een maand korter !

Nog steeds worden de lessen geschorst indien het te koud is: dat gebeurt onder meer in 1776, 1781 en 1782, meer bepaald "in de classe figeure wanneer de lampen te sterk vervrosen zijn en het model niet kan staen".[681] Voor het overige worden dezelfde feestdagen in acht genomen als in de periode dat Garemijn principaal was.

Van de kandidaat-leerlingen die zich aanmelden op de zondag voor en na Sint-Lucas wordt lang niet iedereen aanvaard: van de 113 jongens, waaronder 78 die er vorig jaar ook bij waren, die zich op 15 october 1775 aanmelden voor de klas eerste beginselen van het figuurtekenen, worden er 24 geweigerd.[682] De argumenten tot weigering zijn: te jong, de tekenkunst niet nodig, vorig jaar te weinig vooruitgang geboekt, te veel gebabbeld of te stout geweest. Sommigen hebben uiteindelijk toch een plaats gekregen wanneer er iemand weggevallen is.

 

Op 2 maart 1777 vragen de tekenaars naar levend model aan de jointe of ze ook in de zomer zouden mogen verder oefenen, waarbij ze zich bereid verklaren om het loon van de modellen te betalen.[683] De leraars van hun kant zijn bereid toezicht te houden. De jointe gaat met hun voorstel akkoord : in de zomer zal er viermaal per week 's morgens naar levend model getekend worden, één actie per drie dagen en de reglementen van de avondschool blijven van kracht. In 1783 wordt er in de zomer maar drie maal per week naar levend model getekend en dat van zes tot acht 's morgens.[684] Zeker in 1781 en 1783 is het de academie en niet de leerlingen die het loon van het model voor het zomerseizoen betalen.[685] We hebben er geen weet van of er ook in latere jaren tijdens de zomer naar model getekend is. In de vastenperiode blijken er speciale acties gesteld te worden, die een religieus onderwerp uitbeelden: in 1779: een geseling, een kroning, een ecce homo en een kruisoprichting, en in 1781: een geseling, kruisoprichting en graflegging.[686]

In december 1785 wordt er iets toegevoegd aan de reglementen: voortaan mogen de adjoints niet meer verbeteren op de pupiter in het midden van de klas, maar moeten ze verbeteren op de plaats van iedere leerling. Bedoeling hiervan is dat er minder rondgelopen wordt in de klas.[687]

Zoals duidelijk blijkt, wordt er aan de reglementen zelf nauwelijks getornd. De lessen blijven steeds gratis, er verandert niets aan de uren waarop er les gegeven wordt, en buiten een verkorting met ongeveer een maand na 1793, verandert ook het schooljaar niet. Ook de structuur van de school kent nauwelijks veranderingen: twee afdelingen: figuur- en architectuurtekenen. In de afdeling architectuur drie klassen en gedurende enkele jaren vier klassen en in de afdeling 'naer figeure' vier klassen: twee klassen 'eerste beginselen' of 'naer printen', een klas 'naer 't plaester' of 'de bosse' en een klas 'naer 't model' of 'naer 't leven'.

 

Nu we dit overzicht gegeven hebben van de organisatie en de werking van de Brugse tekenschool en vooraleer te bekijken hoe het tekenen om plaatsen en prijzen verliep, is het misschien aangeraden om eens te vergelijken met andere academies in binnen- en buitenland.

Aangezien de Brugse academie de eerste in de provincie Vlaanderen is, is het ontegensprekelijk dat ze als voorbeeld fungeerde voor andere academies. In het vorige hoofdstuk hebben we al aangehaald dat de Rijselse magistraat in januari 1755 inlichtingen inwint omtrent de werking van de Brugse academie. Wanneer de Rijselse tekenschool dan in 1755 effectief de deuren opent, is ook daar het onderwijs gratis.[688] Les wordt er gegeven in de winter van vijf tot zeven en, in tegenstelling tot Brugge, ook in de zomer van zes tot acht 's avonds. Een opvallend verschil is ook dat in Rijsel op maandag, dinsdag en woensdag de 'fabricants' les volgen en op donderdag en vrijdag de 'artistes et artisans'. Dat het accent van de Rijselse tekenschool elders ligt, wordt ook geïllustreerd door het feit dat er pas in 1760 architectuurlessen georganiseerd worden en dat er pas vanaf 1766 naar levend model getekend wordt. Ook in de Brusselse academie worden er overigens pas vanaf 1768 architectuurlessen georganiseerd.[689] Daar is het verder zo dat men, om als leerling te kunnen aangenomen worden, een tekening moest maken of een studie naar model boetseren.[690] Wie in Brussel primus werd, kreeg de hoedanigheid van regeerder.

 

Brugge heeft onmiskenbaar ook als voorbeeld gediend voor de Ieperse academie. In het vorige hoofdstuk, hebben we al opgemerkt dat de structuur van de Ieperse academie opvallende gelijkenissen toont met die van Brugge, doch dat is ook het geval met het reglement voor de leerlingen van beide academies.[691] Niet alleen de titel van beide reglementen is bijna identiek, ook de inhoud ! De enige verschillen zijn dat de leeftijdsgrens in Ieper op twaalf jaar ligt, dat de leerlingen ook moeten kunnen lezen en schrijven en dat meester-schilders en beeldhouwers expliciet tot de lessen naar levend model uitgenodigd worden.

En de invloed van de Brugse academie op de Kortrijkse tekenschool is zelfs nog directer merkbaar. Deze kleinschalige instelling is in 1760 gesticht en huist in één van de Broeltorens.[692] In maart 1781 stuurt de Kortrijkse magistraat aan de Brugse academie een portefeuille met tekeningen van de leerlingen van hun tekenschooltje.[693] De Kortrijkzanen vragen de principaal om met een adjoint de zes leerlingen van de eerste klas en de negen leerlingen van de tweede klas in volgorde van verdienste te plaatsen en dit met het oog op de prijsuitreiking. Het feit dat de Brugse academie de tekeningen van de Kortrijkse tekenschool moeten beoordelen, wijst ontegensprekelijk op een zekere invloed, laat staan een zekere bekendheid van de Brugse instelling.

Over de Antwerpse academie hebben we het hoger al eens gehad. Daar blijkt in 1774 dat de tekenschool in de zomer opent van zes tot acht 's avonds.[694] Ook in Antwerpen heeft de academie twee afdelingen: de cursus perspectief en bouwkunde en de tekenschool naar antieken. De lessen zijn er gratis voor bekwame leerlingen, "mits den blyk van hun goed gedrag".

In Mechelen bestaat er een tekenschool sinds 1772.[695] De lessen zijn er gratis en worden gehouden van 1 october tot carnaval. Op zon- en feestdagen worden er 's morgens van tien tot twaalf lessen geometrie en perspectief gegeven. Voor het overige wordt er elke avond van de week getekend van zes tot acht. In 1774 blijken er binnen de Mechelse tekenschool drie afdelingen te bestaan: bouwkunde, tekenen naar antieke plaasterkunst en tekenen naar 'cieraeten en looverwerken'.[696]

Wat betreft de Noordelijke Nederlanden: in de academie van Den Haag wordt er in de jaren 1780 vijfmaal per week 's avonds getekend en ook daar zijn de lessen gratis.[697]

In Amsterdam wordt er van 1 october tot 31 maart tweemaal per week, op woensdagavond en op zaterdagavond, naar levend model getekend.[698] In het zomerseizoen tekent men naar klei. Er zijn geen leraars, maar zes directeurs, namelijk één per maand. Aspirant-leden moeten minimum 15 jaar oud zijn. Vanaf 1773 worden er van october tot september op donderdagavond en vrijdagavond van vijf tot zeven 's avonds tekenlessen voor de jeugd gegeven. Een belangrijk onderdeel van de Amsterdamse academie zijn de theoretische redevoeringen die vanaf 1765 gehouden worden en vaak ook gedrukt zijn.

Ondanks het feit dat de Groningse 'Academie van Teken-, Bouw- en Zeevaartkunde' pas in 1798 opgericht is, wil ik haar toch in onze vergelijking betrekken omdat haar eerste directeur, Gerard De San, een notoir oud-leerling van de Brugse academie is.[699] Ook de Groningse academie is een privé-initiatief, van bij het begin gesteund door zo'n 350 intekenaars. Er wordt zowel overdag als 's avonds les gegeven: overdag aan betalende leerlingen, 's avonds gratis aan zilversmeden, timmerlieden, schrijnwerkers en tuiniers (!). Zowel jongens als meisjes kunnen de school bezoeken, doch tijdens de lessen worden beide seksen via een houten wand van elkaar gescheiden. Er zijn vijf klassen: de eerste klasse eerste orde tekent naar prenten delen van het menselijk lichaam, de eerste klasse tweede orde tekent ook naar prenten, maar grotere delen van het menselijk lichaam, de eerste klasse derde orde tekent dan gehele menselijke figuren, de tweede klasse tekent naar plaaster en de derde klasse naar levend model. Daarnaast worden er aan de Groningse academie ook anatomielessen gegeven.

In Frankrijk zijn de provinciale academies allen ondergeschikt aan de Académie Royale te Parijs, doch ook hier zijn er veel onderlinge verschillen: zo organiseren ze niet allen onderwijs.[700] De academie van Rouen, waarvan Descamps directeur is, is een van de bekendere die dat wel doen. Bovendien hebben we weet van kontakten tussen deze en de Brugse academie.[701] Ook de Rouaanse academie organiseert gratis onderwijs voor ambachtslieden. In Dijon zijn de lessen eveneens gratis en ook daar volgt een zeer breed sociaal veld het onderwijs aan de academie. Voor de moeder-academie, de Académie Royale, moet er wel leergeld betaald worden. De academie is dan ook volledig gericht op de vorming van kunstschilders en beeldhouwers.[702] In Parijs tekent men dagelijks twee uur naar levend model: in de zomer van zes tot acht 's morgens en in de winter van drie tot vijf 's namiddags. Ook buiten die uren mogen de studenten in de academie tekenen, maar dan naar plaasteren figuren. Daarnaast wordt er ook veel belang gehecht aan theoretische lessen en lezingen: perspectiefleer, geschiedenis, anatomie, geometrie ... Naast de Académie Royale is er in Parijs ook de Académie de St.-Luc.[703] Daar wordt twee uur per dag les gegeven en er wordt slechts tweemaal per week naar levend model getekend. Om er ingeschreven te kunnen worden, is een 'lettre de protection' noodzakelijk.

In Londen kent men reeds in de jaren 1720 de zogenaamde 'St.-Martins Lane Academy'.[704] Van october tot de lente kan er daar viermaal per week naar vrouwelijk model getekend worden. Daarvoor moest wel een jaarlijkse contributie betaald worden. De Royal Society van haar kant, organiseert pas in 1759 tekenlessen, waar zowel jongens als meisjes toegelaten zijn.[705]

Over de Gentse academie, tenslotte, zijn we het best geïnformeerd dankzij hun eigen uitgave uit 1794.[706] De geschiedenis van de Gentse academie in de achttiende eeuw valt in drie stukken uiteen: de periode van de stichting tot 1770, de periode van 1770 tot aan de hervorming van de jaren 1790 en, tot slot, de periode hierna. Vanaf de stichting in 1751, is het zo dat een 'inteekenaer' per 10 schellingen die hij/zij jaarlijks bijdraagt, één leerling naar de academie mag zenden.[707] Zeker in de eerste jaren zijn er ook meisjes onder de leerlingen van de Gentse academie. Zij krijgen wel apart les. In die eerste twintig jaar van haar bestaan waren er geen reglementen en was de tekenschool nauwelijks georganiseerd. Tot 1770 is de academie sterk gebonden aan de persoon van haar stichter, de kunstschilder Philippe Charles Marissal. Bij zijn dood verkeert de academie bijgevolg in grote wanorde en worden er hervormingen doorgevoerd. Er komen meer en betere leraars, zoals Pieter Norbert Van Reijschoot als leraar architectuur.[708] Wel is het zo dat de afdeling architectuur in Gent een tijdlang in een ander gebouw gehuisvest is dan de afdeling figuurtekenen, hetgeen de werking enigszins bemoeilijkt.[709] Tot 1792 is er ook geen sprake van een gemeenschappelijk pedagogisch project: elke leraar geeft les zoals hij wil en daar is geen plaats bij voor theorie. De Gentse academie organiseert ook zondagslessen tekenen voor wie er geen plaats is in de daglessen, voor wie slecht kan lezen en schrijven en voor te jonge leerlingen.[710] Voor het overige lijkt Gent in de periode 1770-1792 dezelfde klassen te tellen als Brugge. Ook Gent kent een systeem van wekelijkse commissarissen, wiens taak het is om stoute en luie leerlingen te straffen.[711] De taak van de leraars wordt in Gent veel strikter omschreven dan in Brugge: zij zijn expliciet verplicht van de acties uit te leggen, van tekeningen te verbeteren en van hun leerlingen elke week dezelfde oefeningen te laten doen. Het Gentse reglement bepaalt ook precies wat er in elke klas geleerd moet worden. De 'liefhebbers' hebben te allen tijde vrije toegang tot de lessen naar plaaster en naar model zonder enige restrictie. Alle kunstenaars worden zelfs uitgenodigd om zoveel mogelijk de lessen bij te wonen. Wat betreft de leerlingen: die moeten minstens twaalf jaar oud zijn en Nederlands kunnen lezen en schrijven. Voor de lessen architectuur, moet men minstens de laagste klas beginselen van het figuurtekenen achter de rug hebben. Via een systeem van gemerkte penningen die dagelijks bij het binnenkomen van de academie moeten afgegeven worden, is er in Gent een goede controle mogelijk op spijbelaars. Iedere leerling in Gent moet bovendien steeds een exemplaar van het reglement bij zich hebben.

Van 1792 tot 1795 wordt de Gentse academie grondig hervormd, onder meer onder impuls van beeldhouwer Karel Van Poucke, oud-leerling van de Brugse academie.[712] Het belangrijkste kenmerk van deze hervorming is het opstellen van een degelijk pedagogisch project en het invoegen van 'nieuwe' cursussen zoals wiskunde, meetkunde en perspectiefleer en voor de leerlingen van de figuurklassen ook anatomie. Over deze theoretische lessen moeten de leerlingen elke dag ondervraagd worden. Het systeem van om plaatsen en om prijzen tekenen wordt uitgebreid en verfijnd. Vanaf nu wordt er ook om de twee jaar een open concours georganiseerd en een 'pronk-zael'. Men neemt zich voor om theoretische werken over kunst in het Nederlands uit te geven. Ook verdubbelt het aantal klassen in de afdeling 'naer figeure', ongeveer in dezelfde trant als de klassen in Groningen georganiseerd worden: eerst leert men afzonderlijke lichaamsdelen tekenen en daarna het lichaam in zijn geheel. In de klassen architectuur wordt vanaf nu met 'programmata' gewerkt: minimum drie avonden of zes uren en maximum zes avonden of twaalf uur aan één 'program'. In Gent wordt, net als in Brugge, 's avonds les gegeven van St.-Lucas tot Sint-Jozef. Van 15 april tot 15 september kunnen de leerlingen naar plaaster en naar model 's morgens van zes tot acht tekenen. In de zomer kan er ook geschilderd worden.

 

Na dit overzicht van wat we weten en niet weten van andere academies, kunnen we een balans opmaken.

Het is absoluut niet uitzonderlijk dat het onderwijs in de Brugse academie gratis is. Dat is bijna overal zo waar het om avondonderwijs gaat. Voor dagonderwijs moet er in Brugge, net als bijvoorbeeld in Groningen, betaald worden, zij het dat in Brugge het dagonderwijs wel in de academie gegeven wordt, maar niet door deze instelling georganiseerd is: het gaat om de individuele leraars en hun persoonlijke leerlingen. Een zondagsschool zoals Gent die kent, ontbreekt in Brugge.

Het feit dat de Brugse academie alleen mannelijke leerlingen telt (hoewel het nergens expliciet verboden wordt aan meisjes om de academie te bezoeken), is ook zeker niet uitzonderlijk. Enkel in de tekenscholen van Londen, Groningen en Gent zien we ook vrouwelijke leerlingen. Voor het overige is Brugge relatief soepel in de recrutering van haar leerlingen: men moet niet voorgedragen worden door een of andere beschermheer, zoals in Gent, of tot een of andere beroepsklasse behoren noch een werkstuk ter aanvaarding aanbieden, zoals in Brussel.

Ook qua leeftijdsgrens is de Brugse tekenschool niet exceptioneel. Het lijkt er wel op dat Brugge relatief gezien vroeg het tekenen naar levend model ingevoerd heeft. In de meeste andere academies, gebeurde dat maar enige tijd later en dan wordt er vaak ook niet iedere avond naar model getekend, wat in Brugge wel gebeurt. Nergens, uitgezonderd in de Londense 'St.-Martins Lane Academy', wordt er naar vrouwelijk model getekend.

Ook de periode waarin de Brugse tekenschool open is, kan de vergelijking met de andere academies doorstaan: haast alle hierboven besproken academies zijn eveneens hoofdzakelijk in de winter open en vele, zoals onder meer Gent, hebben een beperkt zomerseizoen voor alleen maar de hoogste klassen van de afdeling figuurtekenen. Ook de uren waarop er in Brugge getekend wordt, zowel in de zomer als in de winter, vallen goed te vergelijken met de andere academies.

Het systeem van wekelijkse commissarissen zien we, voor zover we konden achterhalen, naast Brugge, alleen in Gent voorkomen. Nergens, ook niet in Brugge, is er expliciet sprake van aparte schilder- en beeldhouwlessen, ook al worden die twee kunsten vaak in de naam van de academie genoemd. Alleen in Gent, zien we dat er in de zomer geschilderd wordt en de beschrijving van de Brugse academie uit 1755 meldt dat er ook geboetseerd werd. Een en ander hangt natuurlijk samen met de toen heersende kunstopvatting dat het tekenen de basis is van alle beeldende kunsten.

Typisch is ook de structuur in twee afdelingen: architectuurtekenen en figuurtekenen. Slechts enkele kleinere tekenscholen, zoals Kortrijk, beperken zich tot figuurtekenen. En slechts weinige academies hebben nog een derde afdeling, zoals Mechelen met het tekenen naar 'cieraeten en looverwerken'.

 

Binnen de afdeling figuurtekenen wordt steeds het klassiek 'academisch curriculum' gevolgd: van tekenen naar prenten, over tekenen naar plaaster, naar het tekenen naar levend model.

Belangrijkste conclusie uit deze vergelijking is echter dat de Brugse academie in de jaren negentig van de achttiende eeuw de de nieuwe opvattingen inzake kunstonderwijs niet weet om te zetten in een nieuw pedagogisch project, en dat in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Gentse academie. Integendeel, de Brugse tekenschool ziet zich in die periode verplicht om een maand minder les te geven. Het is onmiskenbaar dat de Gentse tekenschool in de jaren 1792-1794 de fakkel overneemt als belangrijkste academie van de provincie Vlaanderen. In Brugge worden geen of weinig theoretische lessen gegeven. Het wordt in ieder geval niet expliciet gemeld. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld Amsterdam, Groningen en zeker Gent vanaf 1792, waar anatomie-, wiskunde- en perspectieflessen een integraal onderdeel van het onderwijs gaan vormen. In Brugge blijft men echter zweren bij de praktijk: tekenen. Ook de verfijning van het 'academisch curriculum', zoals we dat merken in Gent en in Groningen, zien we in Brugge niet tot uiting komen in een hervorming van het aantal klassen. We hebben wel aanwijzingen dat er binnen sommige klassen onderscheid gemaakt werd tussen de minder ervaren tekenaars, die lichaamsdelen moeten tekenen, en de meer ervaren tekenaars, die gehele figuren tekenen[713], doch dit weerspiegelt zich niet in het aantal klassen.

Tot slot wordt in Brugge, weer in tegenstelling tot Gent, nooit duidelijk de leeropdracht van de verschillende leraars en de inhoud van de verschillende klassen omschreven, zodat een en ander sterk afhankelijk blijft van de persoonlijke interesses en visies van de betrokken leraar.

 

 

3.2 Het tekenen om plaatsen en om prijzen

 

Minstens éénmaal per jaar moeten de leerlingen van de academie om ter best of om plaatsen tekenen. Zoals de naam al zegt, bepaalt deze proef welke plaats de betrokken leerling voortaan in de klas toegewezen krijgt. Dat is vooral in de twee hoogste klassen van het figuurtekenen van belang in verband met het tweejaarlijkse om prijs tekenen. Het tekenen om ter best en om prijzen wordt gezien als de belangrijkste manier om de 'emulatie' op te wekken: om de leerlingen door een gezonde dosis competitiegeest aan te moedigen en zo de 'voortganck in de konsten' te bewerkstelligen.

In de eerste bestaansjaren van een academie in Brugge, wordt er ieder jaar om prijs getekend: we kennen de prijswinnaars van 1721, 1722 en 1723.[714] De eerste wedstrijd wordt in 1721 georganiseerd met een zilveren pen als prijs.[715] Daartoe mogen de leerlingen van 22 april tot 15 mei van dat jaar dagelijks van acht tot twaalf en van twee tot zes in de academie aan hun tekening werken. Onderwerp of verdere modaliteiten van die eerste concours zijn niet gekend.

 

Op 8 maart 1740 wordt er voor het eerst sinds de heroprichting om prijzen getekend.[716] De eersten van de twee figuurklassen krijgen elk een zilveren penning, terwijl de eerste van de architectuurklas een zilveren passer krijgt. In de architectuurklas is er ook een primus 'van het examen', met name de leerling die het best de vragen van de leraar weet te beantwoorden, hetgeen er op wijst dat men in de architectuurklas zeker wel wat theorie te verwerken krijgt. Een jaar later, in 1741 zijn er twee architectuurklassen. De winnaar van de eerste klas krijgt dan een zilveren passer, de winnaar van de tweede klas een zilveren trekpen en de winnaar van het examen een koperen passer. Vanaf nu wordt er maar om de twee jaar om prijs getekend en dit zal zo blijven. De prijzen veranderen wel eens: zo wint de primus van de architectuur in 1745 een boek en de primus van de figuurklassen een medaille.[717] Toen al was het zo dat de primus niet aangeduid werd door de principaal alleen, maar door een keur van 'confraters-experten'.

 

In 1755 krijgen we een beter, algemeen zicht op het 'om prijs tekenen', althans voor de architectuurklassen: voor de tweejaarlijkse prijzen, vanaf nu steeds medailles, tekent de eerste klas architectuur een volledig huis; de eerste twee van deze klas ontvangen een prijs.[718] In de tweede klas architectuur moet er een poort of triomfboog, mét decoraties, getekend worden en alleen de eerste krijgt een prijs. De derde klas tekent enkele principes volgens de regels van Vignola: enkel de eerste ontvangt een kleinere prijs. Tot slot is er nog een grote medaille voor wie het best antwoordt op de vragen i.v.m. de regels van de architectuur. Met het uitdelen van de prijzen eindigt ook het schooljaar.

Dat blijkt in 1770 ietsje veranderd en uitgebreid te zijn: nog steeds worden alle tekeningen 'gejugeerd' door 'experten-confraters'.[719] Prijzen zijn er voor de twee eerste van het model, de twee eerste van het plaaster en de twee eerste van de elke klas eerste beginselen. Bij de arcitectuur zijn er prijzen voor de eerste twee van elke klas, voor de eerste van het examen en nu ook voor de eerste van de 'compositie van de architecteure'. Wellicht heeft de academie vergeten te vermelden dat er ook een prijs 'compositie van de figeure' was, zoals blijkt uit Garemijns notitieboekjes en de lijst van prijswinnaars.

Zoal blijkt uit Garemijns notitieboekjes, wordt er meerdere keren per jaar, toch zeker in de twee hoogste figuurklassen, om plaatsen getekend. In die klassen was het immers belangrijk vanuit welke positie het model of de plaasteren figuur aanschouwd kan worden. Garemijn maakt hier omtrent heel wat notities, die vaak echter moeilijk precies te duiden zijn. Op 13 februari 1768 noteert hij: "Reflectiën raekende van wanneer men om plaetse teekent, dat alle die naer 't model teeckenen moeten sitten op de bancken, maer niemant en mag teeckenen achter die, die op den oppersten banck teeckenen, want het gebeurt dat een goeden copist dan kan naervolghen dien die vor hem is teeckenende, ende alsoo hij dan deselve actie heeft van dien goeden teeckenaer die op den banck sit, dien die achter hem teeckent, veel daer naer doet, gelijck bij mijn kennisse geschiet is in de lesten om plaets teeckenynghe van den om prys teeckeninghe".[720] Op de tegenoverliggende bladzijde voegt hij daaraan toe: "nieuw reglement op de maniere van d'academie van Antwerpen: Alsoo de classe naer 't model in twee wordt gesepareert om bij dies yder goede plaetse soude hebben, soo ist dat de eerste classe naer 't model alleenelyck teeckenen, ende die van de tweede classe naer 't model hun retireeren. Ende de eerste classe gedaen zijnde, teeckenen de andere van de tweede classe naer 't model ende dan blijven die van d'eerste classe t'huys. Nota, dat die van de tweede classe mogen commen sien den avent als d'eerste gedaen hebben ende oock die van d'eerste classe commen sien als die van de tweede classe gedaen hebben. Nota, dat op desen selven tijdt oock alleenelyck die om prys teeckenen naer 't plaester op deselve wijse als die naer 't model. Dit reglement eerst geëxecuteert den 22 february 1768, zijnde den eersten dagh, dat die naer 't model om prys hebben geteeckent". Naast de klas naar model, blijkt dat jaar ook de klas naar plaaster gesplitst te zijn in zij die naar plaasteren figuren en zij die naar koppen tekenen. Elke groep mag zes dagen om prijs tekenen. De prijstekeningen moesten gemaakt worden op 'geheele blaers blauw papier'. Die bladen werden gesigneerd door Garemijn en door de president, zoals blijkt uit de paar prijstekeningen die we konden terugvinden en uit een brief van Garemijn d.d. 22 maart 1770.[721] In die brief vraagt de kunstschilder aan de president of hij de negen bladen wil signeren die zondagmorgen van zes tot twaalf 's morgens zullen dienen voor 'het examen van de compositie'. Verder krijgt elk blad een stempel van de academie en een letter. De naam van de leerling werd niet op het blad vermeld, maar er pas later, na de beoordeling, bijgeschreven samen met de behaalde plaats. Het was immers de bedoeling dat de 'confraters-experten' zonder enige vooringenomenheid de tekeningen

en zonder voorafgaande kennis van de naam van de auteur, de tekeningen zouden beoordelen. Het was waarschijnlijk de principaal die bijhield welke naam bij welke letter hoorde. Daarna worden de letters door de 'confraters-experten' verbonden met de namen die erbij horen en dat alles gaat in een verzegelde omslag, die pas geopend wordt op de prijsuitreiking.[722] Volgens ROCHE was deze anonimiteit bij de concoursen een gegeven die we bij alle achttiende-eeuwse academies terugvinden: niet de afkomst telt, maar alleen het talent.[723]

Uit een schemaatje uit het notititieboekje van 1769-1770[724] blijkt dat de principaal nauwkeurig bijhield wie waar zat tijdens het tekenen om prijs. Zoals reeds hierboven naar voren gekomen is, is er vanaf 1766 ook een prijs 'compositie van de figeure'. Enkel voor 1770 kennen we het onderwerp van die 'compositie': Kaïn en Abel.

Het examen architectuur verloopt zeer eenvoudig: de examinators, waarschijnlijk ook hier 'experten-confraters', stelden de leerlingen van de hoogste klas architectuur een vaste reeks vragen.[725] Per juist beantwoorde vraag werd een streepje naast de naam van de leerling geplaatst. Wie dan het grootste aantal juiste antwoorden gegeven heeft, krijgt de prijs van het examen.

Uit het leerlingenregister leren we verder dat tijdens het maandelijks om plaatsen tekenen in de hogere klassen figuurtekenen en in de hoogste klas architectuur, de oud-primussen afwezig moeten blijven.[726] In 1776 blijken het de principaal en de secretaris te zijn, die de bladen voor de prijstekeningen paraferen. Bij het tekenen voor plaatsen heeft men maar vier dagen om de actie op papier te zetten, tegenover zes bij het tekenen om prijzen. Bijgevolg stelt het model dan 18 dagen lang dezelfde actie: zes dagen voor een eerste deel van de klas naar model, nog eens zes dagen voor het tweede deel en tenslotte nog eens zes dagen voor de liefhebbers en oud-primussen, die enkel om te oefenen die actie komen tekenen.

In de klassen eerste beginselen en de architectuurklassen wordt er in de jaren dat er niet om prijzen getekend wordt, maar één keer om ter best getekend en dat in de periode na nieuwjaar.[727] In de jaren waarin er wel om prijzen getekend wordt, begint men om plaatsen te tekenen in december, zodat de tekeningen in de kerstdagen beoordeeld en de klassen 'gesepareert' kunnen worden. De eerste klas architectuur composeert dan hun originelen op kerstdag of op de volgende zondag. Zij hebben daartoe één volle dag de tijd. De dag na nieuwjaar moeten ze hun plan in het net en in het groot stellen, samen met de verdere tekeningen. De leerlingen model en plaaster beginnen kort na driekoningen om plaaster te tekenen met het oog op het prijstekenen. Het prijstekenen zelf, vindt plaats in februari en maart voor het tekenen naar model en plaaster[728], het tekenen voor de 'compositie van de figeure' in de tweede helft van maart.[729]

Die prijs voor de 'compositie van de figeure' of ''t gedagt' wordt niet altijd georganiseerd: pas vanaf 1766. In de jaren 1774, 1797 en 1800 was er geen prijs hiervoor voorzien. In 1774 wordt de prijs niet toegekend omdat niemand het zou verdiend hebben. In 1776 zegt principaal De Cock dat dit te allen prijze dient vermeden te worden omdat anders de 'courage' zal verdwijnen.[730] Integendeel, ter verbetering van de emulatie stelt hij voor dat vanaf dan iedereen mag meetekenen om de prijs van de compositie, met uitzondering van zij die de prijs al eens gewonnen hebben.

In 1786 wordt er uitzonderlijk een extra architectuurwedstrijd georganiseerd op vraag van de stadsmagistraat. Bedoeling is een plan en elevatie op te maken voor een gebouw voor het terrein van de afgebrande gevangenis op de Burg. Dat gebeurt volgens richtlijnen opgesteld door principaal De Cock.[731] Ondanks het feit dat de medailles voor deze tekeningen effectief toegekend zijn[732], is dat gebouw op de Burg er nooit gekomen.[733]

 

In 1789-1790 wordt beslist om het tekenen naar prijzen op te schorten zoals dat eerder gebeurd was in 1755, vanwege de brand, en 1765, vanwege het overlijden van principaal Matthias De Visch.[734] De reden voor de opschorting is dat haast alle leerlingen van de hoogste klassen moeten mee optrekken met de 'vaderlanders' of moeten patrouilleren in de stad. Uiteindelijk moet het tekenen om prijzen toch doorgegaan zijn, gezien de lijst van de prijswinnaars.[735]

Enkele jaren later, in 1792, is men, bij gebrek aan medailles, toch genoopt om het prijstekenen een jaartje uit te stellen. Ook het volgende jaar dreigt men alleen maar 'om best' te kunnen tekenen.[736]