De Brugse academie in de achttiende eeuw. (Dominiek Dendooven)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Hoofdstuk 2: de organisatie van de academie op genootschappelijk vlak.

 

De bespreking van de feitelijke werking van de academie kan m.i. het best opgesplitst worden in een hoofdstuk over de organisatie van de academie als genootschap[134] en een hoofdstuk over de academie als kunstschool, onafgezien van het feit dat beiden van elkaar afhankelijk zijn en dat beiden hun bestaansrecht aan elkaar ontlenen. Het doel van het genootschap van de 'Vrije Academie' is immers het openhouden van de 'academie', nl. de tekenschool. En de tekenschool kan niet bestaan zonder het genootschap, dat haar de nodige middelen verschaft. De academie als genootschap heeft meer betrekking tot het mecenaat, terwijl de academie als school meer te maken heeft met de kunstproduktie an sich. De academie als genootschap, is een vorm van collectief mecenaat. Basis van het begrip mecenaat is immers de financiering van een culturele activiteit, en dat is tenslotte toch wat de academie doet met het openhouden van een openbare tekenschool.[135]

Toch had het genootschap volgens mij nog andere functies dan alleen maar het openhouden van een school, hoewel dat wel het hoofddoel was. Zo was de academie een perfect middel voor kunstliefhebbers (kunstconsumenten) om in contact te komen met kunstenaars (kunstproducenten). De personen die vooral om die reden lid geworden zijn van de academie, zullen we vooral aantreffen in het bestuur. Vooral na 1755, echter, wordt het lidmaatschap van de academie ook een soort statussymbool: elke gegoede burger, edelman, geestelijke MOEST a.h.w. lid zijn van de academie, net zoals hij ook lid moest zijn van een van de schuttersgilden en van een of andere rederijkersgilde. Bovendien toonde hij met zijn lidmaatschap van de academie dat hij smaak had voor 'het schone'.

Al deze zaken tonen aan dat het gerechtvaardigd is de organisatie van de academie op genootschappelijk vlak afzonderlijk te behandelen van de organisatie van de academie op onderwijsvlak, mits de band tussen beide delen niet uit het oog verloren wordt.[136]

 

 

2.1 De organisatie tot aan de brand van 1755.

 

Van de "Confrerie van de vrije ende exempte schilder- en teeckenconst" uit de jaren 1720 weten we dat de leiding berustte bij de protecteur en de zorgers. Hoe bepaald werd wie er zorger was en wat die term precies inhield, wordt niet vermeld. Vermoedelijk moeten we onder zorgers verstaan, die personen die een functie uitoefenden, zoals de griffier en de penningmeester. Het was immers zo dat alle resoluties genomen werden door een algemene vergadering van alle confraters, wat perfect mogelijk was, gezien hun gering aantal. De leden werden tot die vergadering opgeroepen door middel van briefjes en moesten een boete betalen indien ze niet aanwezig waren.[137] Die vergaderingen grepen steeds plaats op de eerste dinsdag van de maand, in de winter om 3 uur en in de zomer om 4 uur 's namiddags.[138] Dat gebeurde in de Poortersloge, meer bepaald in de 'grote bovenkamer', waar ook de 13 heren van de rederijkerskamer van de H. Geest hun vergaderingen belegden.[139] De protecteur en de zorgers werden elk jaar op de feestdag van St.-Lucas, patroonheilige van de confrerie, benoemd door deze algemene vergadering. Wat we tenslotte nog weten over de organisatie van de confrerie is dat de confraters zich ertoe verbonden om jaarlijks 10 schellingen te schenken ten haren voordele.[140] Dit, en het houden van de Poortersloge als lokaaal zijn 2 zaken die niet zullen veranderen gedurende de hele achttiende eeuw. Wel eenmalig bleek de openbare verkoop van schilderijen, georganiseerd op 16 juni 1721. Van een dergelijke activiteit zou later niets meer vernomen worden.

 

Zoals reeds in het vorige hoofdstuk gemeld, is er een zekere continuatie tussen de confrerie die tussen 1726 en 1728 verdween en de heropgerichte academie in 1738-1739: de protecteur en griffier zijn dezelfde en ook de tresorier is iemand die er vijftien jaar eerder ook bij was. Ook nu spreekt men weer van 'zorgers', terwijl de term 'confrerie' nagenoeg verlaten wordt ten voordele van de term 'academie'. De contribuanten blijven echter aangeduid worden met 'confraters'.[141] Directeur is ook nu weer een gerenommeerd kunstschilder, de algemene vergadering blijft gehouden worden op St.-Lucasdag en de confraters blijven 10 schellingen per jaar afdragen.

Ook nu krijgt de academie weer een subsidie van stadswege, maar waar dat vroeger blijkbaar een subsidie in natura was (kolen, brandhout en lampolie), krijgt ze nu jaarlijks 20 ponden.[142] Bij de aanvraag voor die subsidie, voert de protecteur aan dat arme kinderen niet moeten betalen voor het onderwijs in de academie. We weten niet of dat ook zo was in de periode 1720-1728.[143]

Eveneens is er niet geweten of er in die eerste bestaansperiode van de Brugse academie een klerk (i.e. een concierge/knecht) in dienst was. DIENBERGHE[144] beweert in zijn handschrift dat in 1721 een zekere Jan Kleyn klerk was van de academie. Hij droeg, bij de uitoefening van zijn functie een hoed met zilveren boord en een blauwe mantel met witte voering, met daarop het wapen van de academie en het jaar in zilver. Dienberghe is fout: Jan Kleyn was wel klerk van de academie, maar dan in de jaren 1760.[145] We zien niet goed in, waarom een academie met beperkte financiele middelen en een beperkt aantal leden, wat die vroege Brugse academie toch wel was, een klerk zou aanwerven.

Begin 1739 was er in ieder geval wèl een klerk: een zekere J. De Rael. Hoogstwaarschijnlijk droeg hij inderdaad zo'n livrei, zoals Dienberghe beschreef. Zeker in 1773 droeg de klerk een eigen kostuum, wanneer hij optrad in dienst van de academie.[146] Iets dat misschien ook niet veranderd is ten opzichte van de jaren 1720, is dag en uur waarop vergaderd wordt. Zo wordt er op 2O maart 1753 beslist dat men voortaan zal vergaderen op iedere eerste dinsdag van de maand om 5 uur.[147] Het is echter niet duidelijk of het woordje 'voortaan' slaat op het feit dat men voordien niet op dinsdag vergaderde, ofwel dat men voordien niet om 5 uur vergaderde.

Nog steeds blijkt de Brugse academie het haantje-de-voorste te zijn onder de Zuidnederlandse academies: in Antwerpen hadden pas in 1741 enkele kunstenaars aangeboden om gratis les te geven, daarbij ondersteund door heel wat notabelen. Zij vragen de scheiding van het ambacht, wat na enig palaveren toegestaan wordt. Ook in Antwerpen krijgt een edelman de leidinggevende functie in handen.[148] En in Brussel bleef de academie maar aanmodderen: ze kreeg wel reglementen in 1737 en 1742 en genoot van enige subsidies, maar desondanks moest ze van tijd tot tijd de deuren sluiten.[149] En in Gent, tenslotte, werd er pas in 1751-1752 een echte academie opgericht, nadat kunstschilder Marissal al een paar jaar in zijn huis een tekenschooltje opengehouden had. Ook de Gentse academie kreeg de beschikking over lokalen in een publiek gebouw en stond onder de bescherming van een kleine 100 'inteekenaeren'.[150] Die 'inteekenaeren' verbonden zich ertoe om 6 jaar lang 10 schellingen per jaar af te dragen, hetgeen in 1794 duidelijk als een misstap beschouwd werd: "Marissal beging hier eenen misslag, hij had het voorbeeld van de Academie van Brugge moeten volgen en de verbintenis naar het leeven der inteekenaeren voorstellen". Door die beperking op 6 jaar, moest de Gentse academie immers voortdurend nieuwe 'inteekenaeren' ronselen.[151]

Ondanks het feit dat we van de organisatie van de Brugse academie voor 1755 niet zo bijster veel weten, schijnt het ons toch toe dat de academie degelijk gestructureerd was en een zekere uitstraling had. Want waarom anders, zou de Rijselse magistraat, wanneer ze in 1755 een tekenschool wil openen, eerst inlichtingen nemen omtrent de werking van de Brugse academie?[152] Volgens een rekwest aan de landvoogd, enige tijd later, na de brand, hadden de Rijselaars op 18 januari 1755 kopie gevraagd van de reglementen, statuten en resoluties van het bestuur, hetgeen bewijst dat de academie toen vaste reglementen en statuten had.[153]

 

 

2.2 De brand van 1755 en de herinrichting van de academie. Organisatie van de academie tot aan het reglement van 1775.

 

Minder dan 2 weken na de vraag van de Rijselse magistraat, brandt de Poortersloge tot op de grond af. Het vuur werd het eerst opgemerkt in de kamer die Matthias De Visch voor eigen gebruik ter zijner beschikking had. Naderhand bleek ook dat er tijdens het blussen heel wat misgelopen is: gebreken aan de stadsspeien, brandemmers en -kuipen die verdwenen waren en heel wat volk ter plaatse, die daar niet moest zijn, zodat het stadsbestuur een week later een onderzoek laat instellen.[154]

Bij de brand, gingen alle zaken, die zich in de Poortersloge bevonden, verloren. Zo verloor de rederijkerskamer van de H.Geest het grootste deel van haar archief en al haar meubels en kunstwerken.[155]

Maar ook de academie was bijna alles kwijt: "buyten al dat noodig was tot haere oeffeninge, een menigte van schilderien door de fameuste nederlanders als andere vremde meesters". Toch werd al heel gauw na de brand het idee geopperd om de Poortersloge binnen het jaar herop te bouwen: "Het schijnt dat door de zorge van de edele heeren van het magistraat van Brugge en van de lande van den Vryen, nevens den yver van de konst-lievende borgers van desen jaere nog zal erstelt worden, dat tot gemeene welvaeren gewenscht word".[156]

Inderdaad, het afbranden van de Poortersloge en het te niet gaan van de academie, hadden blijkbaar zoveel commotie teweeg gebracht dat zeer vele mensen zich aanboden om confrater te worden.[157] Daarom werd een algemene vergadering belegd in het stadhuis. De confraters besloten de Poortersloge te herstellen en een jointe in te stellen als bestuur.[158]

Er werd een bericht gedrukt waarin men stelde dat het genootschap niet over de nodige middelen beschikte om de afgebrande academie zelf weer op te bouwen, maar dat ze daarvoor de steun nodig heeft van heel de stad. Daarom zullen de "heeren van de academie" van woensdag 12 tot vrijdag 14 februari omhalingen doen in heel de stad om zo dankzij de gunsten van eenieder de school weer tot luister te kunnen brengen. De Brugse bisschop Caimo raadde ook eenieder aan om een milde gift te doen, "considererende dat de jonckheyt door dese soo loffelijcke exercitien uyt quaede geselschappen gehouden wordt".[159]

De plannen voor de wederopbouw krijgen algauw concreet vorm, want reeds op 26 februari 1755 wordt in de schepenkamer een rekwest behandeld vanwege protecteur De Schietere de Maelstaple in naam van de "Vrye ende Exempte Confrerie van de schilder ende teeckenkonste".[160] Er wordt gevraagd om een jaarlijkse subsidie alsook een "gratieuse somme uyt stadtspenninggen" om de Poortersloge weer te kunnen opbouwen, en een vrijstelling van het stadspondgeld op de materialen, nodig bij die werken. Als argumentatie voert men aan dat alle inwoners van de stad dat willen "omme dat de experientie heeft doen sien dat men om groot meester tsy inde bauwkunde tsy inde schulpture tsy inde schilderkunste te worden niet noodigh meer en hadde naer vremde landen te reysen als voor desen dat oock van een yders convenientie niet en is maer dat een yder aerm ende ryck sigh op syn gemack ende sonder synen cost alhier in alle die consten perfectioneren conde...". In hun aanvraag, stellen de confraters uitdrukkelijk dat de rederijkerskamer van de H.Geest in de heropgebouwde Poortersloge mag blijven vergaderen, op de conditie dat zij meebetaalt in de herstellingskosten. Het stadsbestuur, onder voorzittersschap van voorschepen Coppieters[161], stemt in met het verzoek van de academie, mits er jaarlijks een cijns betaald wordt van 6 gulden en mits de stad het recht behoudt om de Poortersloge, wanneer ze haar nodig blijkt te hebben, tot zich te nemen tegen een vergoeding ter waarde van het gebouw, zonder de grond en de buitenmuren.[162] Verder wordt er nog de voorwaarde gesteld dat de rederijkers van de H.Geest daar mogen blijven vergaderen, mits ze voor een deel bijdragen in de kosten voor de heropbouw. Indien academie en rederijkerskamer niet tot een akkoord komen, dan zal de magistraat arbitreren. Tenslotte zeggen de schepenen dat ze de tresorier-principaal van de stad bevel zullen geven om 2000 fl courant te betalen aan het academiebestuur. Deze som zou dan wel bij een eventuele overname van de Poortersloge door de stad afgetrokken worden van de vergoeding.[163]

Het afbranden van de Poortersloge had niet alleen repercussies voor de Brugse academie: in Gent, waar de academie haar lokaal had in het stadhuis, werden de lessen in aller ijl door de magistraat geschorst, bang als men was voor een gelijkaardig ongeval.[164] Meer dan 8 maanden lang zou de Gentse academie gesloten blijven en pas in october 1755 zou ze haar lessen hervatten in een ander lokaal.[165]

Op 6 maart 1755 werden de werken uitbesteed aan de goedkoopste kandidaten, hetgeen de voorwaarde was waartegen het bestuur van het Brugse Vrije een toelage wou verlenen.[166] Twee daartoe aangeduide confraters volgden de werken op de voet en controleerden in naam van de jointe of alles conform de opdracht uitgevoerd werd.[167] Reeds op 19 october 1755 konden alle confraters uitgenodigd worden voor een drankje ter ere van de officiële opening van de heropgebouwde Poortersloge en kort nadien werden de lessen hervat.[168] Ter herinnering aan die gebeurtenis werd er boven de ingangsdeur van de Poortersloge een jaarschrift gebeiteld: "Ut phoenIX eX CInere sUo brUgensIUM Dono reVIVIsCo".[169] Pas 2 jaar later, op 31 mei 1757, zou de eerste prijsuitreiking in de heropgebouwde academie plaatsvinden.[170]

De kosten van de heropbouw bleken echter allengs hoger uit te vallen dan aanvankelijk geschat en men begon dus uit te kijken naar bijkomende inkomstenbronnen. Daarom stelt voorschepen Coppieters op 6 februari 1756 in de schepenkamer voor dat de 'proficiatten' die de pensionarissen en commiezen gewoon zijn te geven ter gelegenheid van hun ambtsbekleding, ook zouden mogen gegeven worden aan de academie.[171] Het voorstel wordt goedgekeurd en vanaf nu hebben nieuwbakken ambtenaren de keuze om 25 lb te schenken aan het vrouwentuchthuis of aan de academie.[172] Nog geen week later, behandelt de schepenkamer een rekwest van de academie, waarin deze zegt dat de onkosten van de heropbouw zo hoog opgelopen zijn, dat men na gebruik van alle inkomstenbronnen nog steeds een som van 1000 lb wisselgeld schuldig blijft. Daarom vraagt de academie of ze een renteloze lening mag uitschrijven, waarbij de geinteresseerden genummerde obligaties van minimum 5 lb kunnen kopen. Ieder jaar zal men dan, na het afsluiten van de rekening, het positief saldo per 5 lb verloten onder de houders van zo'n obligatie.[173] In ieder geval bleek een en ander effect te hebben want een jaar later, op 20 mei 1757, kan de laatste rekening die verband houdt met de heropbouw van de Poortersloge, vereffend worden.[174]

 

Waarschijnlijk ook kort na de brand, werd er vanwege de academie een rekwest gestuurd naar landvoogd Karel van Lotharingen. Daarin wordt er uitvoerig uitgelegd hoe de lessen in de academie verlopen en welke successen er behaald zijn en hoe bekend de academie wel is in heel het land en buitenland. Dan wordt het verhaal van de brand uit de doeken gedaan en het feit dat zowel de bevolking als beide magistraten een duit in het zakje gedaan hebben voor de wederopbouw. Maar omdat dat niet voldoende is en omdat de landvoogd bekend staat om zijn liefde voor kunsten en wetenschappen, wordt hem gevraagd of hij protecteur wil worden. Daardoor zouden immers nog meer notabele personen aangespoord worden om confrater te worden.[175] Karel van Lotharingen stemt op 19 april 1755 in met het protectoraat[176] en een jaar later, op 25 juni 1756, vereert hij de academie met een bezoek.[177] Brugge was de derde academie, waarvan de hertog beschermheer werd, na Gent in 1754[178] en Antwerpen in 1755[179]. Het feit dat pas in 1763 de Brusselse academie onder hoge bescherming geplaatst werd, is tekenend voor de sukkelgang van deze tekenschool.[180]

Op 26 maart 1757 wordt er een akkoord gesloten tussen de rederijkerskamer van de H.Geest en de academie. Daarin wordt bepaald dat de rederijkers eenmalig een som zullen betalen van 45 lb voor het meubileren van beider vergaderkamer. Verder krijgt de academie de opdracht tot het schilderen van 2 schilderijen, de een met de H. Drievuldigheid en de andere met de wapens van de 13 heren van de rederijkerskamer. Voorts wordt beslist dat voortaan 2 heren van de rederijkerskamer lid zullen zijn van de jointe.[181] Dat kan niet echt moeilijk zijn, want onder meer de president van de academie, Pieter De Vooght en voorschepen Jan Baptist Coppieters zijn ook eminente leden van de rederijkerskamer.[182] Toch zijn de rederijkers er niet onmiddellijk in geslaagd om de bepaalde som bijeen te krijgen en daarom waren ze zelfs verplicht om eind september 1757 een lijfrente te lichten van 40 lb wisselgeld.[183] Desondanks zal de rederijkerskamer nog gedurende de hele verdere eeuw blijven vergaderen "op de const-camer in de academie".

 

Inmiddels was de academie grondig gereorganiseerd. In 1755 werd als bestuur een jointe ingesteld, waarvan nu een 'president' aan het hoofd stond. Ook in 1755, immers, was protecteur De Schietere de Maelstaple overleden en het beschermheerschap werd, zoals hierboven gezien, aan de landvoogd aangeboden en door deze aanvaard. Met de transformatie van het protectoraat in een louter ceremoniele functie, berustte de leiding van de academie vanaf nu dus bij een president en de 'assesseurs', want zo werden de leden van de jointe genoemd.

Vanwege het feit dat we voor 1775 niet over veel resoluties en andere bronnen i.v.m. de jointe beschikken, is het moeilijk een uitspraak te doen over het karakter van het academiebestuur in de jaren 1755-1775. Maar doordat de academie vanaf 1766 jaarlijks vermeld wordt in "Den Grooten Brugschen Comptoir Almanack"[184], kennen we tenminste vanaf 1765 per jaar al de leden van de jointe. Toch is enige voorzichtigheid hierbij op zijn plaats: de almanak zal onmogelijk correct jaar per jaar de mutaties binnen de jointe weergeven, gezien het hier informatie uit tweede hand betreft.

Reeds op 9 october 1755 had een algemene vergadering besloten om in de jointe "eenige expert van ider wetenschap" op te nemen.[185] En door het akkoord met de rederijkerskamer van de H.Geest werd bepaald dat er steeds 2 heren van deze kamer in de jointe moesten zetelen, doch, zoals eerder gezien, kon dat geen probleem vormen, daar haast alle 13 heren van bovengenoemde kamer ook confrater van de academie waren.

In 1765 stond de jointe onder leiding van president Robertus Van Severen, abt van Ter Duinen en 'primarius' van de geestelijke stand in de Staten van Vlaanderen. In 1764 was hij Amandus Fierens, abt van de Sint-Andriesabdij bij Brugge, opgevolgd die op zijn beurt in 1762 het roer overgenomen had van Pieter François De Vooght, hoogbaljuw van Brugge en eerste president van de academie.[186] Dit lijstje toont aan dat men, net zoals voordien de protecteur, de president recruteert uit de lokaal hoogste kringen: de hoogbaljuw en de abten van belangrijke abdijen in en om Brugge.

Als tresorier was in 1765 nog steeds Jan Van Steenlant actief en hij zou die functie blijven uitoefenen tot aan zijn dood in 1769. Secretaris was Simon Pieter Van Overloope, muntmeester, die volgens MENSAERT als een van de weinigen toen in Brugge een mooie verzameling schilderijen bezat.[187] Stokhouder[188] Willem Pavot had de functie van 'collecteur',i.e. de persoon die de bijdragen van de confraters ophaalt, bijhoudt en aan de tresorier overdraagt. Verder zetelden er heel wat notabelen in de jointe, zowel uit het stadsbestuur als uit het bestuur van het Brugse Vrije: burgemeesters, schepenen en raadspensionarissen. In totaal moet ongeveer de helft van de jointeleden, waarvan er meestal zo'n 20 zijn, als 'notabel' te bestempelen zijn. Onder hen ook een figuur als Hendrik Pulinx jr, zoon van de bekende beeldhouwer-architect, die naast makelaar en 'directeur van de navigatie' ook houtleverancier was van de werken aan het nieuw paleis te Brussel.[189] Als 'experte' zien we de beeldhouwers Bral en Pepers, de timmerlieden Joseph Gombert en Jan De Laveyne, de metselaars Nicolaas Goddyn en Karel Bultynck en zilversmid Andries Petit. Het betreft hier inderdaad allemaal beroepen, die voor hun uitoefening de tekenkunst best kunnen gebruiken.[190] Enkele resoluties uit 1765 en 1770 suggereren dat het de dekens waren van de ambachten van schrijnwerkers/timmerlieden en metselaars die in de jointe zaten.[191] Dat klopt zeker niet voor de timmerlieden/schrijnwerkers, hoewel Joseph Gombert wel in die jaren in het ambachtsbestuur zetelde en ook een naamsverwisseling met Jacob Gombert, deken van 1767 tot 1770, mogelijk blijft.[192] De kunstschilders waren ongetwijfeld vertegenwoordigd door de principaal van de academie en misschien ook door de leraar architectuur, tevens kunstschilder, Paul De Cock. Er lijkt tot 1775 niet veel te veranderen onder de kunstenaars die in de jointe zetelen. We merken alleen nieuwe kunstschilders: in 1766 krijgt Antoon Suweyns zijn zegje, in 1767 de adelijke kunstschilder Jan Legillon en in 1771 Pieter Le Doulx.[193] Onder de notabele jointeleden zien we veel meer mutaties, maar, voor zover we de "Grooten Brugschen Comptoir Almanack" mogen geloven, gebeuren die zeker niet op een regelmatige basis of volgens enige logica. Zo zou er tussen 1771 en 1775 volgens de almanak helemaal niets verandert zijn binnen de jointe, hetgeen voor een stuk bevestigd wordt door een ondertekende resolutie van 7 december 1774.[194] Steeds is er minstens één geestelijke assesseur. Naast president abt Robertus Van Severen is dat vanaf 1766 Jan Vander Stricht, proost van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel en bezitter van meer dan 350 schilderijen.[195] Ook lijkt de academie haar bestuur zoveel mogelijk te recruteren uit de beide magistraten. Zo zijn er in 1771 van de 27 Brugse (stedelijke) burgemeesters, schepenen, raden en tresorier-generaal welgeteld 6 die in de jointe zetelen of daar kort voordien in gezeteld hebben.[196] Vooral in 1770 veranderen er enkele belangrijke postjes van titularis. Abt Robertus Van Severen wordt als president opgevolgd door Charles Albert de Schietere de Caprijcke, zoon van de vroegere protecteur Philips de Schietere de Maelstaple en reeds in 1765 assesseur. Als tresorier zien we Jacques Van Overloope opduiken, schepen en muntmeester in opvolging van zijn overleden vader Simon Pieter. Deze laatste wordt als secretaris van de academie opgevolgd door makelaar-griffier Charles Verhulst, die door de jointe voor die functie gevraagd wordt omdat hij geschoold jurist is.[197] Ondanks deze vervangingen, lijkt er aan de werking en samenstelling van de jointe niet veel veranderd te zijn gedurende de jaren 1755-1775. Ook heeft het er alle schijn van dat er zelden iemand echt 'ontslag' nam uit de jointe: men bleef gewoon jointelid, zolang als men kon of wilde. Daardoor groeide het aantal jointeleden gestaag aan van 23 in 1765[198] tot 33 in 1774.[199]

Indirect blijkt de grote en belangrijke rol van de principaal in de jointe. De principaal was het belangrijkste contact tussen de jointe en de tekenschool. Hij was ook het uithangbord van de academie: niet voor niets werd in 1765 Jan Garemijn tot principaal gekozen. Het feit dat hij geen ervaring had in het lesgeven, woog blijkbaar niet op tegen het feit dat hij een van de meest bekende kunstschilders van het moment was. Dat de principaal zo'n belangrijke positie had, is voor een groot stuk ook te wijten aan historische factoren: De Visch lag immers met de informele bijeenkomsten bij hem thuis aan de basis van de heroprichting van de academie en het was gewoon logisch dat hij ook in de academie het voor het zeggen had. Hij had in de Poortersloge ook enkele kamers ter zijner beschikking.[200] Ook Garemijn was een autoriteit. Naast de verantwoordelijkheid voor alles wat met de tekenschool te maken had, nam hij ook andere taken op zich, zoals het voorbereiden van het gouden jubileum van de academie in 1768[201], het voorbereiden van de mis op St.-Lucas en de mis voor de overleden confraters de dag daarna[202] en het verzorgen van de subsidie-aanvragen aan de stad en aan het Vrije[203]. Ook had Garemijn de zorg op zich genomen van het bijhouden van het archief, of althans een groot deel ervan. Het lijkt er op dat hij zich niet voor honderd procent van die taak gekweten heeft want als de secretaris na zijn ontslag, verslag doet van de overdracht van het archief door Garemijn, moet hij opmerken dat er sinds 1755 niets meer bijgeschreven is in het resolutieboek[204] en dat er van sindsdien slechts 5 à 6 minuten van resoluties terug te vinden waren.[205]

Een ander personeelslid van de academie was de klerk ofte "conciergier". Hij was zowat het manusje-van-alles, zowel van de jointe als van de school. Wanneer Jan Kleyn nu juist J. De Rael opgevolgd is als klerk, weten we niet, maar Kleyn was in ieder geval in 1765 al in dienst.[206] Zeker in 1757 woonde de klerk al in de Poortersloge, waarvoor hij huur moest betalen.[207] Uit Garemijns notitieboekje van 1766-1767 blijkt dat Kleyn ook een van de modellen van de academie was.[208] Op 25 juli 1768 wordt Ambrosius Reyngout tot klerk aangesteld[209]. Reyngout zal gedurende rest van de eeuw tot een stuk in de 19de eeuw een vaste waarde blijven van de academie. Zijn loon zal minstens vanaf 1768 tot 1786 constant blijven: 3 lb per jaar.[210] Hij genoot ook gratis inwoon, aangezien Garemijn hem op 3 october 1768 vrijstelt van huur.[211] We weten precies tegen welke voorwaarden Reyngout aanvaard is want het gedrukte "Reglement ende conditiën die den klerck van de Conincklycke Accademie der schilder-, beeldhouw-, bauw- ende teeckenconst, opgerecht binnen dese stadt Brugge, moet onderhouden"[212] uit 1773, was, blijkens een annotatie op dit document, al in voege in 1768. Het reglement bevat samengevat de volgende punten:

Enkele niet gedateerde opmerkingen, die op het reglement zijn aangebracht, preciseren verder dat de zolder niet langer door de buren gebruikt mag worden, ook niet om de was te laten drogen, en dat de klerk geen kladschilder mag zijn noch veel kinderen mag hebben. In Gent blijkt de 'knaepe' zoals de concierge daar genoemd wordt, identiek dezelfde taken te hebben.[215] Dat de klerk van de academie niet altijd even plichtsbewust was, wordt bewezen door Garemijns notitieboekje van het schooljaar 1773-1774.[216] Daar noteert hij op 24 januari 1774: "synde redoute, Reyngout uyt de comedie plaetse doen haelen". En de klerk blijkt een fanatiek fuifnummer te zijn want een dag later ziet Garemijn zich verplicht hem weer de mantel uit te vegen: "den 25 andermal uyt de comedieplaetse doen haelen en geord. in de classe van printen te blyven alle avonden en myn lampen te ontsteek".

 

De academie lijkt in de jaren 1755-1775 tot een grote bloei gekomen te zijn. Niet alleen was de directeur een uitermate bekend schilder, niet alleen waren er de vele succesvolle leerlingen[217], ook het aantal confraters zat op een hoogtepunt. Op een lijst van alle confraters die in 1763 in leven waren[218], komen maar liefst 329 namen voor. Wetende dat WYFFELS[219] voor

de jaren 1756-1765 de Brugse bevolking op 28.266 eenheden schat, dan betekent dat, dat ruim 1 % van de Bruggelingen lid is van de academie, wat toch wel een groot succes genoemd kan worden. In 1775 bedraagt het aantal confraters zelfs 360[220], op een moment waar de Brugse bevolking bij benadering om en bij de 29.OOO zielen telt. Zoals eerder gezien vereiste het confraterschap enkel de jaarlijkse 10 schellingen. Verder werden de confraters ieder jaar uitgenodigd tot de mis op Sint-Lucas, het voorlezen van de rekening en de maaltijd daarna, en de zielmis voor de overleden confraters, een dag later. Ook voor de tweejaarlijkse prijsuitreikingen en voor bijzondere gelegenheden, zoals een primusviering worden ze formeel uitgenodigd. Dat gebeurt door middel van een gedrukt briefje[221], waar soms het wapen van de academie op afgebeeld staat en die meestal ondertekend is door de klerk. Op de uitnodigingen voor het Sint-Lucasfeest staan ook steeds de confraters vermeld die het afgelopen jaar overleden zijn. Wanneer een confrater wenst deel te nemen aan de maaltijd op St.-Lucas, dan moet hij zich op voorhand daarvoor inschrijven.

Dat de academie in 1769 'koninklijk' wordt, is een ander bewijs voor het succes van de instelling. Op 25 maart 1769 zendt gevolmachtigd minister graaf Karel van Cobenzl[222] de academie het bericht dat zij vanaf nu de titel 'koninklijk' mag dragen.[223] Als gevolg daarvan krijgt de tekenschool jaarlijks drie medailles, waaronder één verguld, van de overheid. De vorstin is immers "toujours portée à ce qui peut contribuer à l'avangement des sciences et des arts dans las païs soumis à Sa domination". De jointe schrijft een beleefde brief terug waarin ze haar dankbaarheid uitspreekt en waarin ze vraagt de medailles jaarlijks te mogen houden, hoewel ze maar om de twee jaar een prijsuitreiking houdt. Zo zouden immers zowel de eerste van de hoogste klas bouwkunde als de eerste van de klas naar model een vergulde medaille kunnen krijgen. De secretaris van Staat en Oorlog, Crumpipen gaat daar op 16 april mee akkoord.[224]

In het buitenland, meer bepaald in Parijs[225] en Wenen[226], ging het verlenen van de titel 'koninklijk' aan genootschappen en academies steeds samen met het toestaan van belangrijke rechtstreekse subsidies.[227] In de Oostenrijkse Nederlanden is dat niet zo, omdat, zo verklaart Kaunitz aan Maria-Theresia in 1776, de academies meestal onderhouden worden door particulieren en ze dat dus toch niet nodig hebben.[228] Een ander voordeel, verbonden aan de vorstelijke protectie, is dat de academie op die manier makkelijker haar onafhankelijkheid kan vrijwaren ten opzichte van kerk en plaatselijke overheid. En vanuit die geprivilegieerde positie, zo stelt MIJNHARDT[229], hadden de academies de kans om een ledenrecrutering tot stand te brengen dat minder onderworpen was aan de hiërarchische normen van het Ancien Regime.

 

De uitstraling die de academie rond 1770 had, wordt ook mooi geïllustreerd door het feit dat ze vanaf 1766 opgenomen werd in Den Grooten Brugschen Comptoir Almanack. Dit naslagwerkje vermeldt voor het overige de samenstelling van de centrale overheid, van de magistraten van de belangrijkste steden en kasselrijen en de belangrijkste kapittels. Ook worden de leden van enkele meer notabele beroepscategorieën vermeld. Zo wordt de "Academie of gratuite leerschole" vermeld na de kamer der makelaars en voor de stokhouders.[230] De academie wordt eveneens vermeld door MENSAERT[231] en DESCAMPS[232] en had ook een eigen zegel, zo blijkt uit de prijstekeningen die bewaard zijn uit die tijd.[233]

De Brugse academie was inderdaad toen zeker een van twee belangrijkste academies van het land. Dat zegt ook graaf Cobenzl in 1761[234]: hij toont zich het meest tevreden over de academies van Antwerpen en Brugge, deze van Doornik kan erdoor, de Gentse academie is minder dan middelmatig en die van Brussel is het spreken zelfs niet waard. En wanneer de Gentse academie zich in 1770 wil gaan hervormen, dan wint het Gentse stadsbestuur inlichtingen in bij hun Brugse collega's.[235] Daarop heeft de Brugse magistraat de academie bevel gegeven om de reglementen op te stellen en naar het Gentse magistraat op te sturen.[236] De jointe voldoet aan deze order, maar vragen op hun beurt dezelfde inlichtingen van de Gentse academie. Dat wordt hun op 24 maart toegezonden vanwege de Gentse schepenen van de Keure.[237] De Gentenaars blijken inderdaad enkele zaken over te nemen van de Bruggelingen: vanaf 1770 worden de 'inteekenaers' van de Gentse academie jaarlijks bijeengeroepen voor een verslag[238], komt er een degelijke hierarchische structuur met loontrekkende kunstenaars als leraars, een president, een tresorier, een secretaris en een groep 'bewindhebbers'.[239] In 1771 zou de Gentse academie opnieuw onder bescherming genomen worden door de landvoogd.[240] Het werd inderdaad tijd dat de Gentse academie zich reorganiseerde want het totaal aantal 'intekenaers' was tot en met 1768 beperkt gebleven tot zo'n 126. In 1770 bleven er nog maar 40 'intekenaers' over.

 

Dat men voor die reorganisatie de ogen op Brugge richt, heeft naast de bekendheid van de academie, ook te maken met de interesse die sommige toonaangevende Brugse confraters van in het begin hadden voor de Gentse academie. Onder de eerste 'inteekenaers' zien we onder meer de Brugse confraters Matthias De Visch, abt Fierens, de Gentse graveur Frans Heylbrouck[241], graveur Norbert Heylbrouck sr en schepen van het Brugse Vrije J.P. de Waepenaert[242].

 

Tegen 1775 telde het huidig België 10 academies: naast Antwerpen, Brussel, Brugge en Gent waren er Doornik (vanaf 1756), Kortrijk (1760), Mechelen (1771), Oudenaarde (1773), Ath (1773) en Luik (1773).[243] Daarvan was de Brugse academie, zeker in de periode tot 1775, ongetwijfeld één van de meest luisterrijke.

 

 

2.3 De organisatie van de academie vanaf het reglement van 1775.

 

Rond St.-Lucasdag 1774 moet er ruzie ontstaan zijn binnen de jointe. Immers, op 10 november 1774 schrijft gevolmachtigd minister Georg Adam van Starhemberg de academie een brief waarin hij vraagt om hem zo snel mogelijk een project-reglement op te sturen inzake het bestuur van de academie.[244] Het is de landvoogd immers ter ore gekomen dat er naar aanleiding van het aflezen van de laatste rekening onenigheid ontstaan is binnen de jointe.[245] Een nieuw en degelijk reglement moet dergelijke problemen in de toekomst vermijden. Intussen mag er niets veranderen aan de wijze waarop de academie bestuurd wordt en daar moet schout P.F. De Vooght, oud-president van de academie, op toezien.

Wat precies de problemen waren binnen de jointe, daar wordt niets over geschreven. We kunnen enkel enige gefundeerde vermoedens opperen.

Tot nu toe gingen alle auteurs er van uit dat Garemijn minstens met die ruzie(s) te maken had, als hij er al niet aan de basis van lag.[246] Als reden daarvoor haalt men aan dat Garemijn op 22 maart 1775 ontslag neemt en daarna nooit meer voorkomt in enig geschrift van de academie.[247] Blijft dan de vraag waarom Garemijn precies op de dag van de verkiezing van de nieuwe jointe zijn ontslagbrief schrijft en niet ten tijde van de ruzie of ten tijde van het ontvangen van het nieuw reglement, indien hij zich niet bij deze kon neerleggen. Het kan natuurlijk ook zijn dat de schilder piëteitsvol het einde van het schooljaar afwachtte om er de brui aan te geven. DIENBERGHE[248] beweert dat de ruzie ontstaan is door een hevige jaloezie van De Cock tegenover Garemijn, omdat deze laatste in 1765 principaal werd en niet hij. Dat valt moeilijk te aanvaarden. Immers uit alles blijkt dat De Cock niet ondergeschikt was aan 'professeur principaal' Garemijn, maar dat elk verantwoordelijk was voor een afdeling: Garemijn voor de afdeling 'figeure' en De Cock voor de afdeling 'bouwkunde'. In Garemijns notitieboekjes[249] is er nooit sprake van de afdeling bouwkunde. De 'opperdirectie' die Garemijn waarnam, had vooral betrekking op het voorbereiden van rekwesten, het controleren van de klerk, de olie- en kolenvoorraden en de lokalen in de Poortersloge. Vanaf 1773 verdienden beiden ook evenveel: 35 lb.[250] Bovendien, zoals HOSTEN en STRUBBE, terecht opgemerkt hebben[251], noemt Garemijn zijn collega steevast 'cosijn De Cock'[252], wat zonder twijfel op vriendschap wijst. Beide schilders zitten ook in dezelfde koets tijdens de primusviering van Jozef Suvée in 1771[253] en Garemijn heeft nog in 1777-1783 drie schetsen gemaakt voor schilderijen door De Cock uitgevoerd[254], dus toen hij reeds principaal af was.

Mogelijk was er wel onenigheid tussen Garemijn en de adjoint[255] van 'de beginselen van de figeure'[256], Jacques De Rijcke. Een blad, achteraan bijgevoegd in LE DOULX[257], vermeldt dat De Cock in 1765 opslag vroeg tot op hetzelfde niveau als Garemijn. Dat werd hem geweigerd, maar hij kreeg wel een kleinere opslag en hij werd, als 'professeur vande architecture' onafhankelijk van de principaal. Jacques De Rijcke wilde ook die status, maar zijn vraag werd totaal afgewezen. De jointe drong er wel bij Garemijn op aan om De Rijcke als adjoint te behouden (hetgeen suggereert dat Garemijn dat oorspronkelijk niet van plan was). In 1774 vroeg De Rijcke om opslag, maar dat werd wederom afgewezen, "wat het beginsel was van de oneenigheeden" die aan de basis liggen van Garemijns ontslag.

Deze gegevens vallen moeilijk te controleren. Zo wordt het loon van Jacques De Rijcke pas voor de eerste maal vermeld in de rekening van 18 october 1776.[258] We beschikken wel over een niet-gedateerde brief van De Rijcke, waarin deze klaagt over het feit dat hij slechts 3 lb per jaar krijgt, terwijl "den last van onderwijsinghe in de primeyrien van alle konsten seer swaer ende verdrietigh is".[259]

Een derde mogelijkheid, die kan te samen gaan met de vorige, is een onenigheid tussen de jointe en de principaal. Zoals eerder gezegd, nam Garemijn heel wat taken op zich, die niet specifiek behoorden tot zijn didactische opdracht. Dat zal niet meer het geval zijn na 1775, wanneer de rol van de principaal beperkt blijft tot het didactische[260]. Bovendien zegt het eerste punt van het reglement voor de principaal en de leraars, uit 1775, uitdrukkelijk dat de principaal toegang heeft tot alle vergaderingen van de jointe, MAAR ALLEEN MET ADVISERENDE STEM, en voor alles wat de school aangaat. Dat zou een gevolg zijn van het algemeen reglement, want het is op een exemplaar daarvan[261], dat we de handgeschreven opmerking vonden dat er nergens sprake is van een principaal, noch van adjoints, stemgerechtigd in de jointe en dat men bijgevolg niet staande kan houden dat de principaal de vergaderingen van de jointe mag bijwonen. Dat bewijst toch dat er enige commotie was omtrent de taak van de principaal.

 

Wat er ook van zij, ruzie binnen de jointe was de reden waarvoor de gevolmachtigd minister een voorstel van reglement vroeg. Op 2 december 1774 draagt klerk Reyngout de 33 oproepingsbriefjes rond[262] en op 7 december komt de jointe bijeen. Slechts 13 jointeleden, inclusief de leraars De Cock en Garemijn, zijn opgedaagd.[263] Op 16 december wordt een tweede vergadering gehouden, met 14 jointeleden. Daarop wordt het project-reglement, zoals die waarschijnlijk door enkele confraters voorbereid is[264], voorgelezen. Het feit dat er ook een vijftiental gewone confraters op de vergadering afgekomen zijn, toont dat er wel enige interesse leefde voor de ganse zaak. De gewone confraters mogen echter de jointevergadering niet meemaken, maar na afloop wordt het project-reglement ook aan hen voorgelezen en zij vinden het OK.[265] Voor het opstellen van de tekst is men uitgegaan van enkele vragen die beantwoord dienden te worden, omdat sommigen "verschillighe uytleghingen" aan het (huidige) reglement wilden geven.[266] De vragen die men beantwoord wou zien: moeten beslissingen genomen worden door de jointe of op een andere wijze? Hoe wordt bepaald wie in de jointe zit? En hoe moet de jointe zich gedragen om het minste kwaad aan de academie te bezorgen?

 

Op 17 december zendt secretaris Charles Verhulst het project-reglement naar Brussel waar de Secretaris van Staat en Oorlog, Van Crumpipen, op 21 december de hoofdvoorzitter van de Geheime Raad, graaf de Nény, opdracht geeft om de affaire naar voor te brengen in de hoge vergadering.[267] Dat gebeurt op 3 februari 1775. De raad keurt het project-reglement nagenoeg integraal goed. Enkel het 25ste en laatste artikel wordt weerhouden, want die "donneroit une autorité trop étendue à la jointe et aux députés". Dat artikel luidde "Tout ce qui sera arrêté de plus pour l'utilité de ladite academie dans l'assemblée de la jointe et des députés sera executé comme s'il était exprimé mot à mot dans un article particulier de notre présent réglement". Ook de preambule "qui étoit d'une prolixité deplacée" wordt wat ingekort. Op 9 februari wordt het reglement ondertekend door raadsheer De Reul en naar Brugge gezonden, waar de academie het op 13 februari ontvangt.[268]

Het "reglement tot de goede bestieringe van de koninglijke Academie van de schilder-, beeldhouw- en bouw-konsten, opgeregt binnen de stad Brugge"[269] luidt als volgt:

Dit reglement, dat, zoals al eerder vermeld, nagenoeg ongewijzigd in voege zal blijven tot 1892, wanneer de jointe ophoudt te bestaan, weerspiegelt goed de dualiteit die de academie kenmerkt. Net zoals ROCHE[271] voor Frankrijk opgemerkt heeft, zien we ook hier dat de academie schippert tussen twee maatschappijtypes: enerzijds het traditionele: men wil de verhoudingen weerspiegelen die in de maatschappij ook heersen en daarom onder meer worden de gedeputeerden onderverdeeld per klasse. Anderzijds zijn er ook invloeden van de Verlichting, waar talent voor afkomst komt: bijvoorbeeld de kunstenaars die een belangrijk deel van de jointe uitmaken en een belangrijke aparte vertegenwoordiging krijgen. Ook het feit dat de verschillende functies niet voorbehouden worden aan een bepaalde stand en dat ambachtslieden en kooplieden, tenminste in theorie[272], evenveel rechten hebben binnen de jointe als adel en geestelijken, kan als vernieuwend bestempeld worden. Het egalitaire ideaal wordt eerder weerspiegeld in de jointe an sich, terwijl de verhoudingen die binnen de staat heersen, met name de onderverdeling in standen, duidelijker is bij de gedeputeerden[273]. Ik kan het dus niet eens zijn met de stelling van COCHIN[274], wanneer hij zegt dat er in de achttiende eeuw twee varianten van vereniging bestaan, DIE ELKAAR UITSLUITEN, namelijk 1) gebonden aan een corporatief regime, hiërarchisch en gedomineerd door het staatsapparaat, zoals bijvoorbeeld salons en provinciale academies en 2) niet-gebonden, niet-hiërarchisch, niet-corporatief maar gebaseerd op het individu, zoals salons, loges en cafés. Me dunkt dat de Brugse academie daar ergens tussen in valt. Net zoals bijvoorbeeld de Brugse loge 'La Parfaite Egalité'[275], is de gelijkheid van de leden een ideaal van de academie. Alle standen zijn vertegenwoordigd in de jointe en hebben er iets in de pap te brokken. Zoals verder zal blijken, zijn het ook alle confraters, in een algemene vergadering, die de leden van de jointe kiezen of de eerder gemaakte keuze bevestigen. Er wordt steeds beslist met eenvoudige meerderheid van stemmen. Lidmaatschap is gebaseerd op 'talent' en niet op 'afkomst' en op die manier is de academie een kanaal van sociale mobiliteit. Al deze 'verlichte' elementen wijzen dus op een zeker democratisch ideaal. Dergelijke werkwijze was overigens ook in voege bij de meeste leesgenootschappen.[276] In de praktijk echter zien we dat, zowel in de loge als in de academie, de adel het grootste deel van de feitelijke touwtjes in handen heeft, het meeste invloed uitoefent en vaak het hele zaakje weet te dirigeren. Zo is het percentage edellieden in de jointe meestal veel hoger dan hun aandeel in het aantal confraters kan verantwoorden.[277]

 

Laten we vergelijken met de wijze waarop de meeste andere academies in die tijd georganiseerd waren, en die teruggaat op de Académie Royale in Parijs[278]: een piramidale structuur met aan de top een protector: koning, prins, vorst, minister, daaronder de ereleden: adel, dilettanten en connoisseurs (een zgn. extra-ordinaire raad), daaronder de leraarsstaf: met verschillende graden en daaronder de leden: een onbeperkt aantal, maar ook met verschillende graden. Ook hier zien we dat de organisatie van de Brugse academie slechts gedeeltelijk overeenkomt met het ideaalbeeld: er is een piramidale structuur met aan top een protector, doch het geheel is eenvoudiger en heeft een ander karakter dan bij de meeste andere academies. Als bestuur is er een jointe en als extra-ordinaire raad zijn er de gedeputeerden. Maar waar in de meeste andere academies de personen die daar deel van uit maken van bovenaf benoemd zijn, worden die in de Brugse academie van onder uit, door de gewone leden, gekozen. Ook de verschillende graden die een wezenlijk kenmerk zijn van de meeste andere academies, ontbreken in Brugge. Er wordt ten hoogste een verschil gemaakt tussen de president, tresorier, secretaris en de andere assesseurs. Ook heeft het lerarenkorps in Brugge niets te maken met het eigenlijke bestuur.

In Gent was dat anders. Daar kende men na 1770 een grote diversifiëring en hiërarchisering van titels (directeurs ordinaire, directeurs ordinaire surnumeraire, directeurs honoraire en directeurs artisten)[279], hetgeen een zeker gebrek aan eenheid binnen het bestuur tot gevolg had.[280] Globaal kunnen we echter in Gent de volgende onderdelen binnen het academiebestuur onderscheiden: een president, twaalf dienende bewindhebbers, die onder meer instaan voor de tucht tijdens de lessen, zes bewindhebbers-kunstenaars, onder meer belast met het toezicht op het onderwijs, een secretaris en een tresorier.[281] En dan kunnen we de gedachte opperen of de Bruggelingen zich bij het opstellen van hun project-reglement niet hebben laten leiden door hun Gentse collega's, mits weglating van al die verschillende titels binnen het bestuur. De gelijkenissen zijn immers opvallend. Zo bestaan de zes 'directeurs artisten' in Gent uit twee kunstschilders, twee architecten, een beeldhouwer en een graveur.[282] Vervang de graveur door een edelsmid en je hebt de situatie in Brugge. Vanzelfsprekend waren er, naast de doorgedreven hiërarchisering, nog andere verschillen tussen Gent en Brugge. Zo maakte men in Gent minimum zes jaar deel uit van het 'bewind', tegenover de helft in Brugge. In het Gentse reglement staat ook expliciet dat het 'opperbewind' bij de Gentse magistraat berust.[283] In Brugge, daarentegen, is de academie volledig autonoom en soeverein, hoewel dat niet met zoveel woorden in het reglement gezegd wordt.

De structuur van de Brugse academie lijkt wel het model geweest te zijn voor de Ieperse academie. Volgens de Grooten Brugschen Commptoir Almanach van 1794, p.209, bestaat het bestuur van deze in 1780 gestichte academie uit een president, acht assesseurs, een tresorier en een secretaris. Deze doorzichtige structuur heeft veel meer gemeen met Brugge dan met Gent.

 

Met het ontvangen van het reglement worden niet alle problemen van de Brugse academie opgelost. Op 2 maart 1775 komt de jointe bijeen om het reglement te bespreken.[284] Men beslist om op 8 maart een algemene vergadering van alle confraters te beleggen, om het reglement in het Nederlands te vertalen en om er bij Van Praet[285] zeshonderd(!) exemplaren van te laten drukken. Verder wordt er voorgesteld om vijf lijsten op te stellen, volgens de vijf standen waarvan sprake is in het reglement. Elke confrater zal in de lijst geplaatst worden waar hij thuishoort. Dan zal aan elke confrater de lijst, waar hij op figureert, gegeven of toegezonden worden, evenals een exemplaar van het reglement en een brief waarin hij verzocht wordt een vertegenwoordiger voor zijn stand te kiezen. Deze vertegenwoordigers zullen dan bijeengeroepen worden en de nieuwe jointe samenstellen.

Op de algemene vergadering van 8 maart wordt er echter blijkbaar iets anders voorgesteld.[286] Voor een gehoor van 50 confraters stelt de jointe, zonder de principaal, voor om de confraters te verdelen volgens drie lijsten: geestelijken, adel en burgers. Daar er onenigheid is, laat men de beslissing voorlopig open. Wel wordt er bepaald om de verkiezingen op 22 maart te houden en om zowel algemene als aparte lijsten met de confraters te laten drukken.

Op 17 maart 1775 volgt weer een vergadering van de jointe[287] en weeral stuurt Garemijn zijn kat. Binnen de jointe heersen er meningsverschillen aangaande het "verstand van het reglement". Sommigen willen via een algemene vergadering een jointe laten kiezen, anderen willen door vertegenwoordigers een jointe laten samenstellen. Men wil niet aan de contribuanten het recht ontnemen om zelf president en assesseurs te kiezen, maar aan de andere kant mag de jointe niet het risico lopen om bij de uitvoering van het reglement het verwijt te krijgen dat er tegen de "intentie van Hare Majesteit" gehandeld is. Uiteindelijk wordt eenparig het besluit genomen om op 22 maart de confraters de jointe te laten kiezen, functie per functie. De confraters zullen worden verwittigd door middel van een oproepingsbrief, met daarbij de lijst van confraters en het reglement. Alleen wie persoonlijk komt opdagen, mag stemmen. De jointe is er van overtuigd dat deze werkwijze de eenheid onder de confraters zal ten goede komen, hetgeen conform is met "Hare Majesteits intentie".

Zeker voor de verkiezing van de gedeputeerden was het dus zo dat de confraters per klasse stemden: geestelijken, adel, kooplieden, burgers en kunstenaars. Op de gedrukte ledenlijst[288] worden er echter niet zoveel verschillende standen onderscheiden. Daar houdt men het op geestelijken, adel en burgers. Ook de vrouwen werden op een aparte lijst vermeld.[289] Het feit dat de confraters onderverdeeld worden per stand, doet ons denken aan de "Royal Academy" in Londen waar de titel van de contribuantenlijst bij de stichting in 1768 als volgt luidt: "List of the nobility, clergy, gentry, merchants,... who have subscribed...".[290]

De stemming op 22 maart 1775 verloopt geheim.[291] Dezelfde dag wordt trouwens ook uitzonderlijk de rekening van het afgelopen jaar gesloten.[292] Van de drieëndertig verkozenen waren er slechts elf die tevoren ook al in de jointe gezeten hadden. Onder meer de secr