Menstruatie, bevruchting en zwangerschap in “gynaecologische” traktaten van de 18de eeuw bekend in de Zuidelijke Nederlanden. (Marleen Sluydts)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Deel II: De “gynaecologische” traktaten van de 18de eeuw.

 

In dit deel zullen we de “gynaecologische” traktaten zelf onder de loep nemen in zoverre ze handelen over menstruatie, bevruchting en zwangerschap. De analyse van de verschillende teksten is in hoofdzaak gebaseerd op zes van de tien werken, die we zouden kunnen omschrijven als traktaten voor geneesheren en chirurgijnen. De andere vier zijn werken voor vroedvrouwen en daar zal slechts hier en daar naar verwezen worden op het einde van een hoofdstuk, als er iets relevants over gezegd kan worden. In deze traktaten wordt er immers weinig aandacht besteed aan de meer theoretische kwesties zoals de bevruchting. Ze zijn bovenal op de praktijk gericht en meestal zo eenvoudig mogelijk gehouden. Zelden wijden de auteurs verder over iets uit dat niet noodzakelijk is voor het goede functioneren van een vroedvrouw. Daarom richten we onze aandacht vooral op de zes andere traktaten die meestal voor studenten geneeskunde of chirurgie bedoeld zijn en vaak eveneens voor de collega’s in dat vakgebied. Zij bevatten niet alleen de basisprincipes, maar ook de details en waar mogelijk achtergrondinformatie en eigen bespiegelingen van de auteurs.

Bijna alle traktaten hebben een inleiding met een verantwoording voor het schrijven en een uiteenzetting over de toenmalige “gynaecologie”. Een aandachtige lezer kan er ook een aantal onderliggende intenties van de auteurs in kwestie uithalen. Om een beeld te geven waaruit zo’n traktaat nu juist bestaat volgt er een beschrijving van de opbouw, de hiërarchie in de onderwerpen, het gebruik van privileges en het taalgebruik. Daarna volgen de meer inhoudelijke kenmerken, te beginnen met de invloed van de antieke schrijvers en andere auteurs, een prangende kwestie in de 18de eeuw. Vervolgens wordt er dieper ingegaan op de verschillende manieren waarop de “gynaecologen” iets proberen te bewijzen. Dan overlopen we de verschillende bespiegelingen waaraan de auteurs zich soms overgeven en de gendergebonden en religieuze problematiek die daarbij naar boven komt. Tenslotte staan we nog even stil bij de voorstelling van de praktijk die uit de traktaten blijkt.

 

 

1. De verantwoording voor het traktaat en het beeld van de toenmalige “gynaecologie”

 

1.1. De verantwoording voor het traktaat

 

Aanleiding tot het schrijven.

De meeste “gynaecologen” schrijven in hun inleiding dat ze lang getwijfeld hebben over het schrijven van een traktaat. Zowel Verheyen als Dionis als De la Motte voelen zich wat beschroomd om zelf de pen ter hand te nemen wanneer er zoveel uitmuntende geleerden zijn die hiervoor waarschijnlijk geschikter zouden zijn, zoals Dionis vreest. De la Motte denkt hier specifiek aan één bepaald persoon, namelijk Mauriceau, die zelf helemaal niet over twijfel spreekt i.v.m. het schrijven van een traktaat. Verheyen vindt de ijver van die andere verloskundigen echter ook begeesterend. Tegelijkertijd verkeert hij in tweestrijd juist omdat er tevens veel slechte werken geschreven worden en hij zijn naam niet aan dat lijstje wil toevoegen. Dionis haalt op de koop toe aan dat het auteurschap hem gevaarlijk toeschijnt. Waarom dit zo zou zijn is niet echt duidelijk, vermoedelijk vreest hij dat men al gauw een hoge dunk van zichzelf krijgt wanneer men een werk publiceert.[365]

Men kan de oprechtheid van deze gevoelens natuurlijk in vraag stellen, bescheidenheid was iets dat waarschijnlijk van elke auteur verwacht werd. Men gebruikt hier duidelijk een aantal retorische elementen. Naast een tendens tot vernieuwing zat de eerbied voor de voorgangers in de wetenschap er nog steeds diep in. Wanneer De la Motte schrijft over zijn bewondering voor Mauriceau, kunnen we er wel van uitgaan dat dit echt zo is. Als we namelijk zijn traktaat aandachtig bekijken, merken we dat hij veel aan Mauriceau ontleent en dan vooral in positieve zin. Er is geen enkele andere auteur die zelfs maar in de buurt komt van het aantal vermeldingen dat Mauriceau krijgt.[366] Het zou dus ook verkeerd zijn om alles wat de “gynaecologen” zelf in hun traktaat schrijven over de redenen voor hun werk als puur verzinsel op te vatten, al schrijft men wel binnen het retorisch kader dat van hen verwacht wordt.

De redenen die genoemd worden om dan toch aan een traktaat te beginnen zijn velerlei. De meest voorkomende is dat andere “gynaecologische” werken volgens hen ontoereikend zijn. Verheyen schrijft nogal algemeen dat werken die voor jongeren bedoeld zijn doorgaans “duister” geschreven zijn en veel fouten bevatten.[367] De la Motte meent dat er wel een aantal “gynaecologen” zijn die met kennis van zaken schrijven, maar hun werken zijn meestal verward en stuurloos. Hij beschouwt Mauriceau als de eerste die een traktaat schreef met een goede structuur, helderheid en eruditie.[368] Baudelocque schrijft zijn traktaat op herhaalde aanvraag van een groot aantal van zijn studenten. Na rijp beraad en het overdenken van de bestaande werken is hij tot de conclusie gekomen dat er inderdaad behoefte was aan een werk van zijn hand, omdat geen van de andere werken geschikt waren voor studenten die zich op zijn lessen wilden voorbereiden. Nergens wordt er bijvoorbeeld met volledigheid geschreven over de keizersnede, wat een essentieel onderdeel van zijn lessen is. Er schuilen ook veel fouten in en voorschriften worden vaak zo omfloerst beschreven alsof het werk slechts voor eigen gebruik bedoeld is. Bovendien vindt men zelden een auteur die zichzelf niet meermaals tegenspreekt en die niet af en toe volstrekt onnodig afwijkt van de lijn die hij wil volgen.[369]

De bescheidenheid die men in het begin vertoonde, schijnt hier weggevaagd te worden als sneeuw voor de zon. De “uitmuntende geleerden” zijn nu allen auteurs van duister geschreven werken geworden, omdat deze stelling nu in hun kraam te pas komt. Als alle bestaande werken zo goed zouden zijn, was er immers inderdaad geen behoefte aan het schrijven van een eigen traktaat. De inleidingen van dergelijke traktaten zijn dan ook vrij doorzichtig. Toch wil men de lijn van de bescheidenheid niet helemaal achterwege laten, zoals we bijvoorbeeld bij Baudelocque zien.

Baudelocque schrijft dat hij met de voorgaande uitleg niet wil zeggen dat al die werken waardeloos zijn. Hij verduidelijkt meteen dat het niet zijn bedoeling is om de gevestigde kennis af te breken en een nieuwe op te bouwen op het puin. Tenslotte is de verloskunde niet het werk van één man en dat kan het ook niet zijn. Alle “gynaecologen” zijn veel verschuldigd aan hun voorgangers en collega’s. Zelfs de bekendste “gynaecologen” geven toe dat ze leraars gehad hebben. Het is maar omdat er ooit zulke werken geschreven zijn dat men ze ook kan overtreffen. Daarom is het ieders taak om zelf ook kennis door te geven en zo zelfs een nieuw pad te traceren voor degenen die na hen aan dezelfde carrière zullen beginnen.[370]

Anders dan Baudelocque is Dionis een anatomist en dus vooral bekommerd om het bestuderen van de anatomie. Hij wil voor een werk zorgen waarin men onmiddellijk alles te zien krijgt waarvoor men normaal naar een publieke demonstratie moet gaan. Deze reden en de inzet voor het algemeen belang “font que je lui donne celui-ci au hazard de toutes les censures”. Hierin is hij niet de enige, ook Mauriceau schrijft dat niemand ooit “grooter lust noch drift” had dan hij om “’t gemeene best dienst te doen”. Een bewijs daarvan ziet hij in het feit dat hij onlangs de eer had om de koningin tijdens haar bevalling bij te staan. Dat en de rijkelijke beloning die hij daarvoor kreeg, zijn een duidelijk bewijs van de achting die de koning voor hem heeft.[371]

De auteurs van deze traktaten willen natuurlijk de lezers verzekeren dat hun wetenschap en dus hun traktaat het algemeen belang ten goede komt. Tenslotte hebben ze vaak de gunst van belangrijke personen nodig om een onderzoek te kunnen voeren. Dat onderzoek moet dus nuttig zijn en niet omwille van persoonlijk voordeel gedaan worden. Als men dan bovendien, zoals Mauriceau, kan beweren dat zelfs de koning volledig achter je staat, is er veel kans dat het werk goed ontvangen zal worden en dat men het belang ervan zal inzien. Het is een kwestie van reclame voor zichzelf te maken, zonder al te onbescheiden te lijken.

De hierboven besproken “gynaecologen” laten door hun commentaar op andere werken al uitschijnen dat er, ondanks de vooruitgang die er volgens hen in de “gynaecologie” gemaakt wordt, toch nog veel dingen ontbreken. Baudelocque betrekt dit gebrek vooral op de jonge mensen die volgens hem niet genoeg kansen krijgen om de verloskunde verder te ontwikkelen.[372] De la Motte ziet het echter meer algemeen. Volgens hem zijn er nog steeds vele vroedvrouwen en chirurgijnen die uitblinken in onwetendheid wat de verloskunde betreft en die meer kwaad dan goed doen.

 

“There is room to wonder, that whilst all the other branches of surgery were carried to such a height, Midwifry should, till the beginning of the last century, be entirely left in the hands of ignorant women; or of surgeons, of whose species there are many still in the provinces, whose only refuge in difficult labours consisted in an instrument unskilfully managed, that always killed the child, and often exposed the woman to imminent danger […] ;children maimed and half extracted; in some the head, in some the arms or legs tore off; in others the whole body, and the head left behind.”[373]

 

Hij schrijft vervolgens dat de verloskunde nu eindelijk op de goede weg is geraakt. In vergelijking met de werken van de vorige eeuw is er al veel veranderd. Als beginpunt daarvan ziet hij wederom Mauriceau.[374] De stelling dat er nog veel ontbreekt in de “gynaecologie” dient natuurlijk ook om aan te tonen dat men de verloskunde verder wil ontwikkelen en dat dit ook nodig is. Tenslotte vermeldt Verheyen nog als reden dat hij op dat moment juist de beschikking had over meer dan voldoende empirisch materiaal. Door de oorlogen die over heel Europa woedden waren er namelijk lijken genoeg om te dissecteren…[375]

 

Het doel.

Slechts enkele traktaten vermelden een expliciet doel. De bedoeling van Dionis bestaat hieruit dat hij het de studenten geneeskunde en chirurgie gemakkelijker wil maken om de kennis te vergaren die ze nodig hebben in de anatomie.[376] Mauriceau schrijft niet alleen voor studenten, maar tevens voor gevestigde geneesheren om hun onderzoek naar de bevruchting en dergelijke gemakkelijker te maken en om hen te helpen bepaalde kwalen te genezen. Zijn bedoeling is echter ook om een werk te schrijven dat begrijpelijk is voor jonge chirurgijnen en vroedvrouwen. Dit is vooral nodig voor diegenen die buiten de stad een praktijk hebben, want daar bevinden zich tot nu toe weinig bekwame lieden.[377]

Men zou dus kunnen zeggen dat de doelgroep in het algemeen bestaat uit studenten geneeskunde of chirurgie, onderzoekers, jonge chirurgijnen en vroedvrouwen. Doorheen de traktaten blijft dit ook sterk naar voren komen. De auteurs geven vaak aan wat men in bepaalde gevallen moet doen, welke remedies men kan toedienen, etc. Zo geeft Baudelocque bijvoorbeeld aan hoe men het best kan leren een manueel onderzoek te doen. Dan moet men eerst beginnen met een kadaver te bevoelen, vervolgens een vrouw die niet zwanger is in zoveel mogelijk verschillende houdingen te bevoelen en pas dan een zwangere vrouw. Hij voegt er zelfs aan toe waar men deze kan vinden, namelijk in de scholen en hospitalen van grote steden of bij “gynaecologen” zelf. Astruc, onder andere, geeft zijn advies dan weer heel gestructureerd. Voor elk onderdeel legt hij uit wat een geneesheer in dat bepaald geval moet doen, hoe hij een diagnose en een prognose kan stellen en tenslotte welke remedies er geschikt zijn. Bovendien staan er hier en daar ook praktische wenken in, zoals dingen waar men speciaal op moet letten.[378]

Verheyen vermeldt bovendien dat hij twee oogmerken heeft. Deze zijn ten eerste alles zo duidelijk mogelijk uitleggen en ten tweede een werk schrijven dat voor iedereen goedkoop te bekomen is, zodat zowel armen als rijken voordeel zouden kunnen opdoen met zijn (eventueel) nuttig en lezenswaardig traktaat. Daarbij koestert hij niet de pretentie een schitterend werk te schrijven, al hoopt hij dit wel.[379] Het is typisch voor de Verlichting om voor een zo ruim mogelijk publiek te schrijven, waarbij rijkdom geen factor mag zijn. Wetenschap moet voor iedereen toegankelijk zijn en niet slechts voor een elite.

Min of meer een geval apart is het traktaat van Astruc, dat niet door hemzelf is geschreven, omdat hij daar, volgens de samensteller, geen tijd voor had. Astruc gaf echter toestemming om de notities van zijn lessen te publiceren. Volgens eigen zeggen heeft de samensteller geprobeerd deze taak te volbrengen met alle mogelijke zorg om het volledig en duidelijk te maken en met meer aandacht voor de inhoud dan voor de stijl. Bepaalde heren hadden om zo’n traktaat gevraagd en bovendien is hij er van overtuigd dat de wereld hier voordeel uit kan halen. Vanuit zijn eigen ervaring kan hij immers bevestigen dat de doctrines van Astruc kloppen en bovendien heeft deze herhaaldelijk succes geboekt tijdens zijn dagelijkse praktijk.

De samensteller is er dan ook zeker van dat dit werk een universele reputatie en bijval zal krijgen van de meest vooraanstaande rechters van de faculteit van geneeskunde. Bovendien zou het succes van dit boek er toe kunnen leiden dat Astruc ook zelf werken zou gaan schrijven en in dat geval zou de wereld bij de samensteller in de schuld staan voor zo’n onmetelijke schat. Hijzelf zou een onuitsprekelijke voldoening vinden in het feit dat hij de oorzaak zou zijn van zulk een groot goed.[380] Deze formulering is wat overdreven, wat er misschien op zou kunnen wijzen dat hij geen toestemming van Astruc had of zijn lessen niet waarheidsgetrouw heeft weergegeven. In de literatuur wordt er in verband met Astruc echter nooit melding gemaakt van dit Engelse traktaat. Een werk van Astruc zelf met exact dezelfde titel verscheen echter een twintigtal jaren later in Frankrijk en dat is het enige werk waar men over schrijft. De ontstaansgeschiedenis van dit traktaat is dus nogal duister (cfr. inleidend hoofdstuk).

De werken voor vroedvrouwen vertonen min of meer hetzelfde profiel. De doelgroep is bij allen de (vooral jonge) vroedvrouwen, al vindt Le Boursier du Coudray dat haar traktaat ook nuttig kan zijn voor alle studenten verloskunde.[381] Dit soort traktaten hoort meestal thuis in een lessenreeks. De voornaamste bekommernis is dan ook de onwetendheid zoveel mogelijk uit te roeien. De vroedvrouwen op het platteland hebben immers weinig of geen benul van het werk dat ze doen en richten daardoor veel kwaad aan, zoals onder andere Capiaumont nogal dramatisch beschrijft.

 

“Gelykerwys deze vrouwen zelfs niet de gemeenste denk-beelden van het beroep, die sy onregtveerdig bezitten, en hebben, hunne handwerken doen de mensch-heyd zugten, en vernielen die, beroovende het gemeynte van eene menigte van kinderen, de welke dit der menschen zoude vergroot, en dienst aen de t’zamen-leving zoude gegeven hebben.”[382]

 

Huart wil de voornaamste ontdekkingen van de “roemweerdige” mannen mededelen “om de duysternissen in welke onze Leerzugtige nog zyn huysschende, te verlichten.”[383]

 De beste methode, volgens Le Boursier du Coudray, is om in een paar woorden de echte principes van de vroedkunde bijeen te brengen en dit op zo’n manier dat ook minder intelligente vrouwen ze kunnen begrijpen. Ze heeft daarvoor zelf een soort oefenpop gemaakt om de praktijk beter te kunnen leren. Zo kunnen de vrouwen de gevaren leren zien die het gevolg zijn van hun onwetendheid.[384]

 

De geplande werkwijze.

 Het basisconcept is over het algemeen dat men zowel wil steunen op alles wat reeds in de “gynaecologie” bereikt is, als op eigen ervaringen en observaties. Dionis schrijft dat hij de verschillende meningen over de voortplanting wil weergeven die men doorheen verschillende tijden over dit onderwerp gehad heeft. Daarenboven hebben de verschillende edities van zijn werk een duidelijke evolutie ondergaan, zoals hij zelf stelt. In de eerste editie van zijn werk twijfelde hij er nog over welke bevruchtingstheorie de juiste was. In de tweede neeg hij meer naar het geloof in het bestaan van eitjes en in de derde was hij daar volledig voor gewonnen. In de vierde editie heeft hij die theorie meer gepreciseerd en uitgewerkt.[385] Uit de tekst van zijn traktaat blijkt inderdaad dat hij zoveel mogelijk theorieën probeert weer te geven.

 In de eerste plaats richt men zich dus op de bestaande lectuur en, wat Verheyen betreft, ook specifiek op wat hij van zijn leraars geleerd heeft. Dionis schrijft dat hij zorgvuldig de nieuwe lectuur over geneeskunde en chirurgie verzamelt.[386] Toch willen ze allen meteen duidelijk maken dat die lectuur maar een ondergeschikte rol speelt, het gaat immers voornamelijk om de eigen ervaring in de verloskunde. Verheyen deelt mee dat hij er maar zelden andere schrijvers bijgebracht heeft en dan bijna uitsluitend diegenen wiens woorden hij als die van zichzelf kan beschouwen.[387] De la Motte en Mauriceau zien hun werk bijna als een queeste naar de waarheid en dit kan volgens Mauriceau niet door blindelings de mening van anderen te volgen. Deze stelling is bedoeld als waarschuwing voor de lezer dat zijn woorden soms strijdig zullen zijn met de opinies van anderen. Eén van de verschilpunten bijvoorbeeld is dat hij niet van plan is om, zoals vele anderen, ellenlange recepten te geven, gewoon om het boek dik te kunnen maken en de lezer te verwarren door zo veel mogelijk verschillende medicijnen op te noemen.[388]

 Het is in ieder geval duidelijk dat men op z’n minst wil doen uitschijnen dat er niet teveel van andere lectuur wordt overgenomen, of deze verzekering nu klopt of niet. Vanaf de 17de eeuw begint men zich immers serieus te distantiëren van “de Ouden” en van welke andere autoriteiten ook. Men hecht nu veel meer belang aan eigen observaties en ervaringen. Als men dat niet doet wordt men niet meer au-serieux genomen. Bovendien willen de wetenschappers, in dit geval “gynaecologen”, zichzelf duidelijk onderscheiden van het gros en dat kan natuurlijk niet als men gewoon de mening van anderen napraat. Gélis waarschuwt dat men die ervaringen niet te hoog mag inschatten, omdat die vooral bestaan uit de buitengewone dingen die men tijdens de praktijk waarneemt en niet uit systematische experimenten, al komt hier wel degelijk verandering in vanaf het einde van de 17de eeuw.[389]

 Baudelocque stelt zelfs expliciet dat hij geen rekening wil houden met andere werken. Het is immers niet de bedoeling om een catalogus daarvan te maken. Een volledig boekdeel zou daar trouwens amper voor volstaan, al zou zo’n werk wel nuttig zijn, want de bestaande geschiedenissen van de verloskunde zijn meestal heel onduidelijk en vaak heeft men het meeste lof voor de “gynaecologen” die dat het minst verdienen. Een beetje verder in het werk blijkt echter dat hij zijn traktaat bijna volledig gaat baseren op de verhandeling en de lessen van Solayrès de Renhac, voor wie dit werk een eerbetoon is. Deze “gynaecoloog” had immers nooit de kans gehad om zijn werk te publiceren terwijl hij toch een heel wijs en verdienstelijk geneesheer en chirurgijn was.

Vervolgens blijkt dat dit traktaat zelfs een soort van wraakactie is. Jaren geleden was hij al met dit werk bezig en werd toen geholpen door een zekere Alphonse Le Roy die voor hem kopieën van zijn voorbereidingen maakte. Hij publiceerde echter zelf deze (slecht gemaakte) kopieën. Baudelocque schrijft “deemoedig” dat hij niet van plan was geweest dit onrecht aan de kaak te stellen, maar hij werd door Le Roy geprovoceerd toen deze beweerde dat hij zelf al het werk had gedaan en er veel moeite en tijd aan besteed had. Vandaar dus de publicatie van zijn eigen traktaat, waarin hij duidelijk stelt dat het voornamelijk gebaseerd is op de lessen van Solayrès en op zijn eigen observaties.[390] Hier geeft Baudelocque zich bloot en laat zien dat zijn intenties toch niet zo nobel zijn als hij zelf wil laten uitschijnen. Het blijkt dat de strijd tussen de aanhangers van verschillende theorieën toch wel hevig kan zijn, al blijven de meeste traktaten op het eerste zicht heel beleefd en neutraal wanneer ze andere “gynaecologen” vermelden.

 Men wil dus over het algemeen de opinies van anderen niet blindelings weergeven. Maar dat niet alleen, het is tevens de bedoeling van de meesten om hun fouten expliciet te corrigeren. Dionis stelt dat het constante nadenken over de materie van zijn beroep en het lezen van nieuwe lectuur hem in staat stellen om verschillende fouten te corrigeren, enkele dingen recht te zetten en enkele nieuwe systemen die hem redelijk schenen toe te voegen.[391] De la Motte gaat zelfs verder en schrijft dat hij zelf nieuwe dingen ontdekt heeft die hij wil meedelen.[392] Vernieuwend zijn was immers een belangrijke factor om als een goede “gynaecoloog” beschouwd te worden, anders bleef men teveel in de traditie hangen. Daarentegen is het belangrijk om zoveel mogelijk vooruitgang te bewerkstelligen Baudelocque schrijft dat hij slechts citaten zal weergeven om de fouten eruit te halen en hij zou boos zijn als iemand zich daardoor beledigd zou voelen en de correcties als kritiek zou aanrekenen. Iedereen stelt zich immers aan kritiek bloot als hij zijn werk publiek maakt. Het is juist aan de leerlingen om de al dan niet soliditeit van de beginselen van hun leraars aan te tonen en hij verwacht ook niet anders van zijn eigen leerlingen met betrekking tot dit traktaat.[393]

 Veel belangrijker dan anatomie, illustraties en (ongegronde) waarschuwingen is, volgens De la Motte, de weergave van eigen observaties. Hij wil die observaties bovendien zo exact mogelijk opschrijven met plaats en datum erbij, opdat er geen twijfel over hun echtheid zou bestaan. Hij wil ook niet teveel observaties geven om de lezer niet te vervelen met onnodige herhalingen. Aan de observaties die hij wel geeft, voegt hij bovendien reflecties toe en voorschriften voor het handelen. Als die in tegenspraak zijn met wat beroemde “gynaecologen” daarover gezegd hebben, dan is dat niet om te pralen met zijn betere kennis, maar uit eerbied voor de waarheid. Hij legt er echter de nadruk op dat ervaring belangrijker is dan studeren.[394] Marx stelt echter dat men in de 18de eeuw observatie zowel overdreven waardeerde, als soms juist minimaliseerde, bijvoorbeeld wanneer men een theorie benaderde vanuit een filosofische probleemstelling.[395]

Inderdaad geeft De la Motte ook toe dat hij af en toe over dingen schrijft die zijn petje eigenlijk te boven gaan en ook dit is niet om op te scheppen, maar om bepaalde feiten voor te leggen aan “natural philosophers” opdat die hun theorieën erop zouden kunnen baseren en zo tot de kennis zouden komen van de meest verborgen oorzaken van de ziektes van vrouwen. Daardoor kunnen er dan weer nieuwe remedies gevonden worden of kunnen de oude verklaard worden. Daarom is het ook aan te bevelen dat sommige geneesheren zich specifiek met de verloskunde zouden bezighouden.[396] Bernier verwijst duidelijk naar zulk een gedachtegoed wanneer hij stelt dat de wetenschappers van de 18de eeuw nog steeds eveneens filosofen zijn. Ze zijn op zoek naar bepaalde immateriële “krachten” om hun observaties te verklaren en daarom komen ze volgens hem toch nooit werkelijk tot echte wetenschappelijke kennis. Pas in de 19de eeuw kunnen ze zich voldoende disciplineren om geen onwetenschappelijke verklaringen meer aan te nemen.[397] Bernier verliest daarbij wel uit het oog dat het niet aan hem is om een oordeel te vellen over wat wetenschap is en wat niet. Tegenwoordig neemt men aan dat wetenschap datgene is wat men in een bepaalde periode wetenschap noemt. De 18de eeuw kan dus ook staat maken op een wetenschappelijke aanpak. Alleen is het zo dat men in de 19de eeuw een andere wetenschappelijke aanpak begon te hanteren.

 

 

1.2. Het beeld van de toenmalige “gynaecologie”.[398]

 

Baudelocque schrijft in de inleiding dat de verloskunde een praktische kunde is, een kunde waar de beginselen zeker van zijn en waar, om het zo te zeggen, elke werking teruggebracht kan worden tot geometrische zekerheid. Het is bovendien omdat beroemde “gynaecologen” dit ook gemeend hebben dat er zoveel vooruitgang geboekt wordt in de verloskunde.[399] Het woord vooruitgang is hier belangrijk want de meeste “gynaecologen” zien de verloskunde van hun tijd zeer positief in en dit geldt niet alleen voor hen, maar ook voor de meeste filosofen en wetenschappers wat de wetenschap in het algemeen betreft.[400] Ook King vermeldt dat de geneesheren van de 17de eeuw zich er al volledig van bewust waren dat er zo’n “revolutionaire” vooruitgang plaatsvond.[401] King zelf meent dit blijkbaar ook. Zoals we in het vorige stukje zagen had De la Motte wel enige twijfels, maar hij plaatst die toch vooral in de verleden tijd, meerbepaald tot aan de vorige eeuw. “De Modernen” hebben echter de verloskunde tot meerder eer en glorie gebracht en wanneer De la Motte dan, net zoals Mauriceau, nog enige bemerkingen heeft, dan betreft dat de uitoefening van dit beroep op het platteland, juist omdat daar de moderne kennis nog niet is doorgebroken.[402]

Baudelocque schrijft dat de verloskunde sinds het einde van de 17de eeuw onophoudelijk een schitterende vooruitgang gemaakt heeft.[403] Verheyen situeert het beginpunt daarvan bij Harvey. Hij meent dat velen uit bewondering voor zijn ontdekking van de bloedsomloop en, aangetrokken door deze “wonderbare en lustige” nieuwigheid, gepoogd hebben dit zelf te beproeven en ook de experimenten die hij i.v.m. bevruchting deed. Dit enthousiasme leidde tot nieuwe onderzoeken die veel tot de “gynaecologie” hebben bijgedragen.

 

“door dese pooginge is ’t gebeurt dat veel tot noch toe geheelijk onbekende saeken, oft ten minsten aen de naerkomelingen niet mede-gedeelt, in dese tijden door den onvermoeyden aerbeyd en vernuftheyd van de hedendaegsche in ’t licht gekomen zijn.”[404]

 

 Volgens Roy Porter ontstond er tegen 1700 inderdaad een soort droom van een wetenschappelijk begrijpen van de structuren en functies van het menselijk lichaam. In de 18de eeuw kwamen echter niet al de aspecten van die droom in vervulling. Toch schrijft ook hij dat de geneeskunde (en dus ook de verloskunde als onderdeel daarvan) vaste grond onder de voeten begon te krijgen vanaf de 17de eeuw.[405] Volgens de Encyclopedia of Medical History zou de moderne “gynaecologie” specifiek begonnen zijn met de anatomische studies vanaf de 16de eeuw en met enkele belangrijke verloskundigen van de 16de en 17de eeuw, zoals Paré, Harvey en Astruc.[406] Volgens Cunningham en French is echter vooral de 18de eeuw heel belangrijk geweest voor de geneeskunde. Ook hier kan men van een “Verlichting” spreken, omwille van de afwijzing van autoriteiten, de afname van de invloed van de religie en de groeiende rationaliteit, waarbij o.a. de geboorte voor het eerst als iets hoofdzakelijk medisch beschouwd werd in plaats van iets natuurlijks.[407] De 18de eeuw was inderdaad belangrijk, zeker voor wat de geneeskunde in het algemeen betreft, maar de 17de eeuw is toch eerder een breekpunt geweest, waarvan de resultaten in de 18de eeuw aan de ene kant verder werden uitgewerkt en aan de andere kant ook terug voor een deel teniet werden gedaan. Ook Magner erkent het belang van de 18de eeuw en ziet deze periode als de adolescentie van de moderne wetenschappelijke geneeskunde, die aangekondigd werd door de grote transformaties van de 16de-17de eeuw.[408]

Toch is niet alles rozengeur en maneschijn. Op het systeem van “de Modernen” valt inderdaad niets aan te merken, maar niet iedereen heeft zich al tot dit gedachtegoed bekeerd en vele oude opinies blijven gewoon doorleven. Baudelocque schrijft dat velen, die zelf geen ervaring hebben, de fouten niet kunnen onderscheiden bij meer of minder erudiete “gynaecologen”. Vele gedachten worden dus zonder meer overgenomen. Het is immers maar door de overname van de doctrine van Hippocrates dat deze heeft kunnen blijven bestaan gedurende 2000 jaar, hoewel het Corpus Hippocraticum eigenlijk veel minderwaardiger is dan het grootste deel van de werken die vorige eeuw geschreven werden. Veel fouten van die doctrine bestonden zelfs nog in de tijd van Ambroise Paré, die de wedijver van de Franse chirurgijnen opwekte om deze kunde tot de perfectie te kunnen opvoeren. De eerste echt vernieuwende “gynaecoloog” was echter Mauriceau, die door de praktijk zelf gevormd werd en er dus de moeilijkheden van kende. Na hem kwamen Viardel, Peu, Portal, Deventer, Amand, De la Motte en vele anderen en het is dan dat de meest briljante periode van de verloskunde begon.[409] Paré wordt inderdaad vaak genoemd als één van de belangrijkste verloskundigen van het einde van de 16de eeuw.[410] Ook Mauriceau en Harvey worden vaak vernoemd wat de 17de eeuw betreft.[411] Voor dezelfde eeuw worden verder vooral de Graaf en van Leeuwenhoek beschreven als ontdekkers van respectievelijk de follikels en de spermatozoïden.[412] Ook in de traktaten komen deze vaak aan bod.

 Baudelocque gaat bovendien vrij diep in op de evolutie van het oude voortplantingssysteem naar het moderne. Hij vertelt dat men tot en met de vorige eeuw geloofde dat zowel man als vrouw zaad hadden dat vermengd werd tijdens het vrijen. Als belangrijk vertegenwoordiger van die stroming in de vorige eeuw noemt hij Buffon met zijn theorie over de mengeling van moleculen. Hij heeft veel bewondering voor hem maar toch vindt hij zijn theorie achterhaald. Dit komt door de ontdekking van “blaasjes” in de eierstokken van de vrouw. Sindsdien is men tot de overtuiging gekomen dat alle wezens uit een ei komen. Het enige discussiepunt is nu nog hoe het ei levend wordt. Zit er een volledig embryo in het eitje of zit er een volledig embryo als een zaaddiertje in het sperma van de man?[413]

 Verheyen vermeldt dat het Regnerus de Graaf was die ontdekte dat er eitjes in de eierstokken zitten, ook al is het Harvey die eerst gesteld heeft dat alle wezens uit een ei komen. Hij spreekt niet over zaaddiertjes en gelooft dus in het systeem van de ovisten. Zo ook Dionis die schrijft:

 

“je vais tâcher de mettre dans tout son jour ce systême des ovistes, qui est un des principaûx fruits des découvertes que l’Anatomie a faites en ce siécle.”[414]

 

Toch is hij wel op de hoogte van het bestaan van zaaddiertjes en hij schrijft dat Hartsoeker beweert de eerste te zijn die de diertjes onder een microscoop onderzocht heeft. Hij spreekt zich er niet over uit of hij meent dat dit waar is of niet. Astruc is geen ovist, maar een animalculist, dus is hij er van overtuigd dat het embryo in het zaad van de man zit, terwijl het eitje de nageboorte bevat. Hij beweert echter dat de ontdekking van de zaaddiertjes van Van Leeuwenhoek afkomstig is.[415] Voor een volledige uitleg over al deze theorieën kan men terecht in het eerste deel. Hier werden alleen kort de auteurs aangehaald die expliciet schrijven over de status-quo van de “gynaecologie” in hun tijd.

 

 

2. Opbouw, privilege en taalgebruik

 

Opbouw.

 

De meeste traktaten zijn vrij gelijkaardig opgebouwd. Eerst schrijft men over enkele fenomenen die zich vòòr de zwangerschap afspelen, dan over de zwangerschap zelf en tenslotte over de bevalling en/of de zwangerschap die verkeerd afloopt. Hoewel de bevalling meestal het grootste deel van het traktaat inneemt, zal dit hier toch achterwege gelaten worden. Baudelocque is de enige die in zijn, dan ook uitgebreide, inleiding de opbouw van zijn werk specificeert. Hij vertelt dat hij zijn werk in vier delen verdeeld heeft om meer methodisch en helder te werk te kunnen gaan. Het eerste deel omvat de anatomische en fysiologische kennis, het tweede handelt over de natuurlijke bevalling, het derde over de tegennatuurlijke bevalling en het vierde over de moeizame bevalling. Tot dat laatste deel behoren onder meer zwangerschap van een meerling, onwaarachtige zwangerschap en miskraam. Deze delen werden bovendien over twee volumes verdeeld.

Vervolgens bespreekt Baudelocque de delen apart, waarbij onze belangstelling uitgaat naar het eerste deel. Dat begint met een hoofdstuk anatomie van de vrouwelijke voortplantingsorganen. Hij wil deze echter vooral als “gynaecoloog” benaderen en niet zozeer als anatomist. Hij is van mening dat dit aspect te vaak door andere auteurs wordt genegeerd. Hieronder zal nochtans blijken dat de traktaten die bestudeerd werden bijna zonder uitzondering allemaal met een anatomische uitleg beginnen. Het tweede hoofdstuk behandelt de evolutie van de baarmoeder tijdens de zwangerschap. Vervolgens komen de menstruatie, de (on)vruchtbaarheid en de aanwijzingen van verkrachting, abortus of kindermoord aan bod.

In het vierde hoofdstuk beschrijft hij de verschillende theorieën over de bevruchting, al is het niet zijn bedoeling om zich in die discussies te mengen. Uit het traktaat zelf blijkt dat hij inderdaad niet zoveel aandacht aan de bevruchting besteedt en dat hij zich niet wil uitspreken voor een bepaalde theorie, al geeft hij af en toe wel aan welke hij zelf het meest waarschijnlijk vindt. Uiteindelijk concludeert hij uit al die systemen dat een mens waarschijnlijk niet tot zulke hoge kennis in staat is. Hij gaat wel uitgebreid in op de zwangerschap en haar tekenen. Het laatste hoofdstuk tenslotte gaat over de foetus en de nageboorte.[416] De hoofdstukken zijn bovendien verder onderverdeeld in artikels en deze nog verder in secties. Over het algemeen begint Baudelocque een hoofdstuk met enkele algemene beschouwingen alvorens de verschillende onderdelen gedetailleerder te behandelen.[417]

Ook het traktaat van Astruc is heel gestructureerd, al heeft hij zijn hoofdstukken niet nog eens verder onderverdeeld. Hij behandelt eerst kort de anatomie van de baarmoeder, vervolgens wijdt hij verschillende hoofdstukken aan de menstruatie, dan gaat hij, na een aantal ziektes van de baarmoeder, vrij beknopt in op bevruchting, steriliteit, de “mole” en de miskraam en tenslotte bespreekt hij de manier waarop men zwangere vrouwen moet behandelen. Hierna volgt alles in verband met bevalling en kraamtijd. Aan het begin van elk hoofdstuk kondigt hij meestal aan welke thema’s daarin aan bod zullen komen. Hij werkt bovendien vaak in puntjes, wat de helderheid zeker verhoogt. Na een algemene uitleg per thema gebruikt hij steeds dezelfde indeling in diagnoses, prognoses en remedies. Hij heeft dan ook vooral aandacht voor wat van belang is voor de geneeskundige behandeling van zwangere vrouwen.[418]

Het traktaat van De la Motte is ingedeeld in een aantal hoofdstukken binnen vijf “boeken” en begint klassiek met een korte bespreking van de anatomie, de (on)vruchtbaarheid, de bevruchting en, iets uitgebreider, over enkele aspecten van de zwangerschap, zowel waarachtige als onwaarachtige. Een beetje afwijkend van het normale patroon is dat hij dan pas iets over de menstruatie schrijft, iets wat gewoonlijk toch vòòr de zwangerschap geplaatst wordt. Daarna komt hij bij het eigenlijke doel van zijn traktaat, namelijk een gedetailleerde bespreking van allerlei mogelijke kwalen van vrouwen in verwachting en de remedies. Pas daarna komt de ontwikkeling van de foetus en de nageboorte aan bod. In het tweede “boek” behandelt hij het miskraam, naast de andere thema’s die met bevalling en de postnatale verzorging te maken hebben. Ook geeft hij over elk thema een algemene uitleg, waarna hij steeds een aantal observaties geeft, gevolgd door reflecties daarover.[419]

Mauriceau hanteert eveneens een indeling in “boeken”, meer bepaald drie, die onderverdeeld worden in hoofdstukken. Voor het eerste boek begint geeft hij inleidend een anatomische uiteenzetting. Vervolgens draagt dat eerste boek als titel: “Van de Siekkelykheden, en d’onderscheide gesteltenissen der swangere vrouwen, sedert den tyt harer ontfankenis, tot op het tipje van haer baren.” Nochtans gaat hij om te beginnen vrij uitgebreid in op vruchtbaarheid, bevruchting, zwangerschap en de “mole”. Hij onderbreekt eventjes het logische verloop van de opbouw met een hoofdstuk dat volledig gewijd is aan de…

 

“…History van een vrouw, in welkers buik men na haer doot. een kleen vruchtje vond van twee maenden en half, of daer ontrent, met een groote menigte geronnen bloed, die wel verdient ondersocht te wesen, om te weten of dit kind geteelt was in het aenvoerend of uitschietend vat, het trompet der lyfmoeder genoemt, gelyk vele persoonen gelooven. “

 

Na de uitleg over de “mole” volgen er 17 hoofdstukken over mogelijke zwangerschapskwalen en hun remedies. De volgende boeken gaan over de bevalling en de postnatale verzorging. Achter in het boek staat bovendien een trefwoordenindex, wat in geen van de andere traktaten voorkomt.[420]

 Een aparte plaats nemen de traktaten van Verheyen en Dionis in aangezien het eigenlijk om anatomische werken gaat en niet om “gynaecologische” werken op zich. Beiden wijden echter een groot deel aan de voortplanting, naast een uitgebreide anatomische beschrijving van de voortplantingsorganen van man en vrouw. Verheyen heeft zijn werk ingedeeld in een aantal verhandelingen en de achtste verhandeling, helemaal op het einde, gaat over de voortplanting. Ze heet: “Behelsende de Voort-teelinge van den Mensch en des zelfs voltrekking tot sijne Geboorte.” De verhandeling is ingedeeld in 22 vrij korte hoofdstukken die vooral op detailkwesties in verband met bevruchting en ontwikkeling van foetus en nageboorte ingaan. Enkele hoofdstukken zijn volledig aan bepaalde discussiepunten gewijd, bijvoorbeeld hoofdstuk VII: “Twist-reden, die het voorgaende bestryden en haere ontdoeninge.”[421]

 Het traktaat van Dionis is ingedeeld in een aantal demonstraties. De vierde demonstratie is in twee secties ingedeeld. De eerste sectie behandelt de voortplantingsorganen van de man. De tweede behandelt die van de vrouw, maar wordt bovendien gevolgd door een hele uiteenzetting over de voortplanting. Hij begint daarbij nogal ongestructureerd met een verdediging van het systeem van de ovisten, gevolgd door enkele hoofdstukken vol observaties. Pas daarna komt hij aan de verschillende theorieën van de bevruchting die in voege zijn of waren, te beginnen met de theorie van “de Ouden”. Hij eindigt met enkele reflecties daarover en met zijn eigen mening, die ondertussen al lang duidelijk was voor de lezer.[422]

 De structuur van de traktaten voor vroedvrouwen wijkt niet echt af van de traktaten voor geneesheren en chirurgijnen, alleen wordt alles veel korter uitgelegd, vooral de theoretische kwesties. Ze beginnen alle met anatomie, een belangrijke basis om van te vertrekken als vroedvrouw. Vervolgens wordt al dan niet oppervlakkig ingegaan op de verschillende thema’s die in deel I aan bod kwamen, met de meeste aandacht voor het manueel onderzoek en de mislukte zwangerschap, die voor de praktijk van de vroedkunde heel belangrijk zijn, al wordt er ook veel aandacht besteed aan de baarmoeder en de nageboorte, maar eveneens eerder in praktische zin.[423]

 

De hiërarchie in de onderwerpen.

 

Door na te gaan welke onderwerpen het uitvoerigst behandeld worden in deze traktaten en of er onderling veel verschillen zijn, krijgt men een indruk van de intenties van de verschillende auteurs. Als een traktaat bijvoorbeeld vooral bij de mogelijke bevruchtingstheorieën stilstaat, wijst dat op een grotere bekommernis voor een theoretische kennis, eerder dan voor een praktische. Het kan ook een indicatie geven van de thema’s waar men het meeste over wist te zeggen en die het uitvoerigst bestudeerd zijn. Bovendien kan de aandacht voor een bepaald onderwerp erop wijzen dat er in de praktijk een grotere behoefte was aan die specifieke kennis. Als iedereen bijvoorbeeld vrij uitvoerig over de “mole” schrijft, wil dit waarschijnlijk zeggen dat dat een veel voorkomend probleem was in die tijd, waar men liefst een zo adequaat mogelijke oplossing voor wou vinden.

Vooreerst kunnen we een overzicht geven van de procentuele bijdrage aan het geheel der zes traktaten van elk thema dat in deel I aan bod gekomen is.[424] De uitleg over menstruatie beslaat 15% van het geheel, over de bevruchting 19% en over de zwangerschap 66%. Binnen de zwangerschap zijn de verhoudingen als volgt:

 

 

De zwangerschap neemt duidelijk de meeste plaats in beslag en daarbinnen gaat de meeste aandacht naar de mislukking ervan. Dat thema neemt zelfs meer plaats in beslag dan menstruatie of bevruchting, namelijk 22%. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat er vele soorten van mislukte zwangerschappen zijn. Daarnaast gaat de aandacht toch het meest naar meer theoretische kwesties als de ontwikkeling van de foetus en de baarmoeder en nageboorte. Binnen de mislukte zwangerschap gaat de meeste aandacht dan weer uit naar het miskraam, op de voet gevolgd door de buitenbaarmoederlijke zwangerschap, waarschijnlijk omdat deze zo spectaculair overkomt tijdens dissecties en men vooral door het buiten-gewone gefascineerd wordt. Volgend overzicht geeft de precieze verhoudingen:

 

 

Als we elk traktaat afzonderlijk bekijken zien we dat sommige traktaten het geheel serieus vertekend hebben. Wat de menstruatie betreft geeft het al een enorm verschil wanneer we het traktaat van Astruc buiten beschouwing laten. Dan neemt dit thema slechts 2% van het geheel in. Astruc wijdt dan ook heel veel aandacht aan de maandstonden, meerbepaald 64% van zijn traktaat. Wat de bevruchting betreft zijn het vooral Verheyen en Dionis die het cijfer omhoog halen. Dionis besteedt 67% aan de conceptie en Verheyen 48%. Als we deze twee werken uit het rijtje halen is er nog 4% van het geheel voorbehouden aan de bevruchting. Dat deze twee traktaten zoveel aandacht voor de bevruchting hebben heeft vooral te maken met het feit dat het om twee anatomisten gaat. Hun verhandeling over de voortplanting is puur theoretisch. Ze hebben daarom meer interesse voor het, zeer theoretische, probleem van de bevruchting, eerder dan voor de zwangerschap in haar praktische aspecten. Wat zwangerschap betreft schrijft Dionis alleen iets over de ontwikkeling van de foetus en de buitenbaarmoederlijke zwangerschap. Verheyen heeft het eveneens vooral over de ontwikkeling van de foetus en daarnaast over de baarmoeder en de nageboorte.[425]

In verband met zwangerschap worden de tekenen van zwangerschap vooral behandeld door Baudelocque, al gaat Mauriceau er ook vrij uitgebreid op in. Zoals reeds gesteld draagt vooral Dionis zijn steentje bij op het vlak van de ontwikkeling van de foetus, terwijl Baudelocque opvallend veel aandacht aan de baarmoeder en de nageboorte besteedt: 47% van het geheel en 52% binnen het gedeelte zwangerschap. Alleen Verheyen en De la Motte schrijven eveneens over dit thema, al gaat het wat De la Motte betreft over een minieme bijdrage. Astruc, De la Motte en voornamelijk Mauriceau zijn dan weer de enigen die uitwijden over zwangerschapskwaaltjes en de verzorging van zwangere vrouwen, wat logisch is gezien hun traktaat voor de beschrijving daarvan bedoeld is. Aan mislukte zwangerschap daarentegen wordt door de meeste traktaten wel vrij veel aandacht besteed, op Verheyen na. Onvruchtbaarheid wordt vooral door Astruc beschreven, het miskraam door zowel Astruc als De la Motte, de onwaarachtige zwangerschap door De la Motte en de buitenbaarmoederlijke zwangerschap door Dionis, al wordt deze ook wel vrij uitgebreid door Baudelocque uit de doeken gedaan.[426]

Wat de traktaten voor vroedvrouwen betreft volgt hieronder een tabel met de resultaten van het onderzoek.

 

 

Le Boursier du Coudray

Huart

Capiaumont

Vandaele

MENSTRUATIE

0%

8%

0%

0%

BEVRUCHTING

3%

5%

0%

2%

ZWANGERSCHAP

97%

87%

100%

98%

Tekenen

17%

26%

33%

23%

Ontwikkeling foetus

13%

0%

15%

11%

Baarmoeder+nageboorte

41%

38%

26%

30%

Zwangerschapskwalen

0%

14%

0%

0%

Mislukte zwangerschap

29%

22%

27%

36%

Onvruchtbaarheid

0%

21%

0%

0%

Miskraam

32%

16%

81%

45%

Onwaarachtige zw.

24%

63%

19%

55%

Buitenbaarmoederlijke zw.

43%

0%

0%

0%

 

Privilege en/of opdracht.

 

 Op de uitgave van Astruc en De la Motte na staat er in al de traktaten een privilege en/of een opdracht. Wat Baudelocque betreft gaat het om een toestemming aan de schrijver van de Académie royale de Chirurgie om deze tweede editie van zijn traktaat uit te geven en om zichzelf “Conseiller de l’Académie royale de Chirurgie” te noemen. Het werk werd door twee commissarissen onderzocht en zelfs nog beter bevonden dan de eerste editie dankzij de vele correcties en toevoegingen. Bovendien blonk de eerste editie reeds uit door de soliditeit van de principes en de methode. Dit privilege werd ondertekend door de secretaris van de Academie.[427]

 Het privilege in de traktaten van Mauriceau en Verheyen is gericht aan de drukker, die in het geval van het laatste traktaat ook de verkoper is. Het privilege voor de drukker van Mauriceau is uitzonderlijk anderhalve bladzijde lang, terwijl dat van de anderen gemiddeld een kwart van een blad beslaat. De toestemming bij Verheyen werd toegekend door de koning van Spanje, tevens “hertog van Braband ende van Limbourg, Grave van Vlaenderen, &c. Heere van Mechelen, &c.” en geldt voor 12 jaar.[428] Tevens bevat zijn traktaat een opdracht van de vertaler aan niemand minder dan God.

 

“Aen Den Eeuwigen, Almogenden en Goedertierensten Godt die den mensch geschapen heeft naer syn beeld en gelykenisse, Die alles geschaepen heeft voor den Mensch, Die sich zelven tot een Slacht-offer heeft gegeven voor den Mensch, Die alles aengewend heeft tot behoudenis van den Mensch.

Offert allen sijnen in de Vertaelinge van de Ontleed-kundige Beschryvinge tot dienste en voordeel van den Even-mensch aengewenden arbeyd den geringsten sijnder Creaturen.”[429]

 

Het traktaat van Dionis tenslotte, bevat geen privilege maar wel een opdracht aan de koning om hem te bedanken voor alles wat hij voor de wetenschap heeft gedaan.[430]

 De traktaten voor vroedvrouwen bevatten meestal een koninklijk privilege. Het werk van Le Boursier du Coudray krijgt tevens een goedkeuring van het comité van de Académie Royale de Chirurgie en behelst een opdracht aan Bernard De Ballainvilliers, haar “beschermheer” die haar lessen georganiseerd heeft en blijkbaar een echte weldoener is. Ook in het traktaat van Vandaele staat er een opdracht, meerbepaald aan de heren van “het magistraat der Saele ende casselrye van Yper”, die veel bijgedragen hebben tot het verspreiden van de bijbehorende lessen. Het werk bevat tevens een privilege voor de drukker door de schepenen van Ieper.[431]

 

Taalgebruik.

 

 De Nederlandstalige wetenschappelijke benamingen voor allerlei “gynaecologische” onderwerpen waren vaak nog niet dezelfde als tegenwoordig. Het is interessant te zien welke woorden men gebruikte voor bepaalde fenomenen omdat het ook iets zegt over de manier waarop men over bepaalde dingen dacht. Dat men bijvoorbeeld de eierstokken vaak klootjens noemde verwijst naar de toenmalige gedachtegang dat de vrouwelijke voortplantingsorganen eigenlijk in essentie dezelfde waren als de mannelijke. De woorden die men voor vrijen gebruikte zijn dan weer interessant op het vlak van de moraliteit van die periode.

 Er zijn twee traktaten voor geneesheren die in het Nederlands geschreven zijn. Het werk van Verheyen werd uit het Latijn vertaald door een zekere Sassenus en dat van Mauriceau uit het Frans, maar de naam van de vertaler wordt daar niet vermeld. Uit het voorwoord van Sassenus blijkt dat men zich in de Zuidelijke Nederlanden wel bekommert om een correct Nederlands taalgebruik voor de wetenschap en dat men niet wil onderdoen voor de andere landen. Daarom is het belangrijk een goede vertaling te leveren van het werk van Verheyen.

 

“ heb ik getracht (soo veel het my mogelijk was) de beste en eygentlijk toegepaste woorden uyt te soeken ’t meeste deel der voor heen in swang zynde verbastarde aen den kant stellende, om U.E. aen te toonen dat wy in onse Nederlandsche taele niet hoeven eenige woorden van andere af te leenen, om onse meeningen aen de wereld bekend te maeken;”[432]

 

Hij voegt er wel aan toe dat hij af en toe Griekse of Latijnse woorden toegevoegd heeft op plaatsen waar hij specifieke “konst-woorden” gebruikt.[433] Ook Huart, in zijn werk voor vroedvrouwen, schrijft dat het heel nuttig voor de “nederlanders” is om een werk te hebben in de “nederduytsche taele”. Hij weet zich hier bovendien in gesteund door de heer van der Belen, een dokter en professor in de geneeskunde te Leuven.[434]

 Hieronder volgt een lijst met de belangrijkste “gynaecologische” termen in het Nederlands van de 18de eeuw.

 

 

 

3. De invloed van “de Ouden” en andere auteurs

 

 

De invloed van “de Ouden”.

 

De houding van 18de eeuwse “gynaecologen” ten opzichte van hun Grieks-Romeinse voorgangers is vaak zeer dubbelzinnig. Aan de ene kant vindt men hen voorbijgestreefd, aan de andere kant worden ze toch nog als een ontegensprekelijke autoriteit beschouwd. Men voelt zich eigenlijk tussen twee vuren geplaatst. Jacques Gélis drukt het als volgt uit: “L’époque est un vaste laboratoire qui, sans rejeter immédiatement l’héritage des siècles passés, tente d’élaborer une science obstétricale à partir de nouveaux concepts.”[436] Tegen die tijd schijnt het inderdaad toch eerder de bon ton geweest te zijn om “de Ouden” te verwerpen en komt men er uitdrukkelijk voor uit, bijvoorbeeld in de inleiding. Toch blijkt vaak uit de tekst zelf dat die verwerping niet ver doorgevoerd wordt en dat men hun autoriteit nog steeds koestert. Men zou kunnen stellen dat Baudelocque en Dionis het meest consequent zijn in hun afwijzing, terwijl Mauriceau juist nog een vurig verdediger van “de Ouden” kan genoemd worden.

Voor we deze traktaten wat nader zullen bekijken, volgt hier eerst nog de visie van R. French over dit thema. Hij schrijft dat de grote autoriteiten sinds de Oudheid, Aristoteles, Hippocrates en Galenus waren. Zeker de aforismen van Hippocrates bleven tot de 18de à 19de eeuw populair omdat die nogal vaag waren en men ze dus steeds opnieuw kon interpreteren. Vooral het ontstaan van de medische faculteiten binnen de universiteiten in de late Middeleeuwen was belangrijk voor het instandhouden van hun autoriteit. De faculteiten bepaalden immers welke teksten gelezen werden en welke autoriteiten gevolgd moesten worden. Men moedigde de studenten ook echt aan om “de Ouden” te volgen. Daarom zat de eerbied voor hen heel diep en was ze zo langdurig. “De Ouden” waren de stichters en hadden veel bereikt, terwijl “de Modernen” slechts de commentatoren waren en zich minderwaardig voelden ten opzichte van hun voorgangers.

Respect voor “de Ouden” betekende echter niet persé het stagneren van de wetenschap, men kon hun methoden verder ontwikkelen en voor nieuwe onderzoeksgebieden inzetten. In de Renaissance groeide zelfs het respect voor “de Ouden” nog. Ook in de antieke medische traditie bevond zich een kritische component, waardoor men het met bepaalde leerstellingen oneens kon zijn zonder het met “de Ouden” in het algemeen oneens te zijn. In de 17de eeuw was er echter wel sprake van een echte afwijzing, vooral van Aristoteles, wat een crisis teweegbracht. Over de leer van Hippocrates en Galenus was er geen eensgezindheid, omdat men hen als empirische wetenschappers kon zien. Men liet “de Ouden” dus zeker niet plots vallen. Wetenschappers, zoals Harvey, die nieuwe dingen ontdekten, gebruikten eigenlijk nog steeds de procedures van “de Ouden”, wat niet wegneemt dat ze door een heel aantal schrijvers toch echt in diskrediet gebracht werden.[437]

L. King heeft het vooral over Galenisme, het medische systeem van Galenus dat heel lang het medische gedachtegoed domineerde. Wat houdt dat nu precies in volgens King? Het is ten eerste een zorgvuldig bedachte doctrine die de metafysica van Aristoteles behelsde en veel belang hechtte aan “vormen en kwaliteiten”; ten tweede gebruikte Galenisme concepten van dynamisme en theologie, het bestond uit zorgvuldige redeneringen en overvloedige empirische observatie en tenslotte gaf het een antwoord op elke vraag en harmoniseerde het met de leer van de Kerk.[438] Tegen de 16de eeuw kwam er echter belangrijke dissentie op, waarbij, ook volgens King, vooral de Aristotelische filosofie onder vuur kwam. In de 17de eeuw gebeurde hetzelfde voor het Galenisme, dat tegen het einde van de 18de eeuw volledig gedesintegreerd geraakte als systeem.[439] Wat er ook van zij, de traktaten die hier onderzocht werden verwijzen opvallend weinig naar Galenus.

 Wat kan men nu over de invloed van “de Ouden” terugvinden in de traktaten? Zoals reeds in het eerste hoofdstuk vermeld werd, noemt Baudelocque het corpus Hippocraticum minderwaardig ten opzichte van de werken van zijn eigen tijd. Veel van de oude fouten worden nu echter nog steeds overgenomen en velen geloven ook daadwerkelijk nog in bepaalde van die oude theorieën, al is Baudelocque daar zeker niet één van. Als we dan naar zijn traktaat zelf gaan kijken blijkt inderdaad dat hij wel een klein aantal theorieën van “de Ouden” aanhaalt, maar allemaal om ze te verwerpen. Hij vernoemt één keer specifiek de naam van Hippocrates in verband met een vergelijking, maar hij spreekt zich er niet over uit of hij het met die vergelijking eens is of niet.