Menstruatie, bevruchting en zwangerschap in “gynaecologische” traktaten van de 18de eeuw bekend in de Zuidelijke Nederlanden. (Marleen Sluydts)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Deel I: Kennis van menstruatie, bevruchting en zwangerschap.

 

In dit deel zullen we de kennis in verband met menstruatie, bevruchting en zwangerschap bespreken, zoals die naar voren komt uit de tien geselecteerde “gynaecologische” traktaten, die gepubliceerd werden in de 18de eeuw. We maken daarbij geen indeling volgens traktaat, maar wel volgens thema, waarbij we een soort samenvatting geven van al de kennis die zich in de onderzochte traktaten bevindt. “Menstruatie” wordt niet in alle werken behandeld, maar vormt toch een essentieel aspect van de “gynaecologie. Zonder menstruatie kan er ook geen sprake zijn van bevruchting of zwangerschap. Uit de traktaten blijkt echter dat men niet veel doorzicht omtrent dit fenomeen bezat. Vervolgens komt “bevruchting” aan bod, waar de meeste traktaten, op z’n minst kort, op ingaan. Ook het verloop van de bevruchting stond de 18de eeuwse “gynaecologen” nog niet helder voor ogen, maar men beschouwde bevruchting wel als een zeer fascinerend onderwerp, dat men tot elke prijs probeerde te doorgronden, geholpen door de verschillende anatomische ontdekkingen van de eeuw daarvoor.

Zo belanden we dan uiteindelijk bij “zwangerschap”. Sommige traktaten beschouwen dit thema slechts als een inleiding tot de bevalling, andere beschouwen het als een boeiend onderzoeksobject op zich. Bepaalde verloskundigen zijn eerder geïnteresseerd in de meer theoretische kwesties, zoals de ontwikkeling van de foetus, waar men gestaag steeds meer betrouwbare informatie over opdeed. Andere “gynaecologen” zetten zich vooral in voor de praktische aspecten zoals de constatatie van een zwangerschap. Daarbij komt de concrete praktijk af en toe bovendrijven, maar daar zullen we niet dieper op ingaan. Concreet behandelen we de tekenen van zwangerschap, de ontwikkeling van de foetus, de baarmoeder en de nageboorte, de zwangerschapskwaaltjes en de verzorging van zwangere vrouwen en de verschillende vormen van een mislukte zwangerschap.

 

 

1. Menstruatie

 

Reeds duizenden jaren geleden hield de mens zich bezig met het fenomeen menstruatie. Men vroeg zich af wat de menstruatie veroorzaakte, wat het doel ervan was en vooral welke geheimzinnige krachten ermee gepaard gingen.[93] Gedurende de eeuwen die volgden kwam men er langzaam aan steeds meer over te weten, zeker tijdens de voorbije eeuw, maar toch is menstruatie die sfeer van geheimzinnigheid nooit volledig kwijtgeraakt. In de 18de eeuw was dit niet anders, zeker aangezien de menstruele cyclus in die periode nog niet gekend was en het nog tot de volgende eeuw zou duren eer daar verandering in kwam. Penelope Shuttle en Peter Redgrove beweren zelfs dat het tot 1930 duurde voor men het precieze mechanisme van de cyclus wat beter begon te begrijpen en dit geldt niet eens voor de psychische effecten, want die blijven tot op heden min of meer een raadsel.[94]

Dit lijkt op het eerste gezicht wat eigenaardig, omdat het zo’n belangrijk fenomeen is dat voor ons vanzelfsprekend lijkt. Hoe zouden wij immers de mogelijkheid van bevruchting kunnen verklaren zonder eerst de menstruele cyclus uit de doeken te doen? Die twee zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Bovendien is menstruatie een heel zichtbaar gegeven, iets wat geen enkele “gynaecoloog”, in heden noch verleden, over het hoofd zou kunnen zien. Spontaan denken wij dan dat ze vroeger wel erg kortzichtig waren. Natuurlijk wisten de 18de eeuwse “gynaecologen” dat, normaal gezien, elke vrouw vanaf een bepaalde leeftijd periodiek bloed verloor, maar op basis van dit gegeven alleen er uit afleiden dat er een gecompliceerde hormonale cyclus achter zat was niet zo evident. Waar kwam dat bloed vandaan en waarom zou men het in verband brengen met bevruchting? Als men bedenkt dat het vrouwelijke eitje pas ontdekt werd in de 17de eeuw en dat het zeker niet algemeen aanvaard zou worden tot diep in de 18de eeuw (en dan nog…), dan is dit alles niet zo verwonderlijk, want de hele cyclus draait rond de eisprong. Als er geen eitje is, is er ook geen eisprong, en zeker niet op een welbepaald moment, en zonder periodieke eisprong is er ook geen verband met een periodieke bloedvloeiing. Op het eitje en de mogelijke alternatieven zullen we in het volgende hoofdstuk nog terugkomen.

Men kende de menstruele cyclus dus niet. Dit betekende echter niet dat men geen enkel verband legde tussen menstruatie en vruchtbaarheid. Men zag wel dat vrouwen die hun maandstonden niet kregen meestal onvruchtbaar bleken te zijn, maar men kon de oorzaak daarvan niet meteen doorgronden, al werden er wel pogingen in die richting gedaan. Zo schrijft De la Motte dat het bloed van de menstruatie, dat er blijkbaar niet uit kan bij sommige vrouwen, “kwaadsappig” wordt en door het hele lichaam circuleert met de rest van het bloed en zo onvruchtbaarheid veroorzaakt. Ook onregelmatige maandstonden of constant maandstonden hebben kan tot onvruchtbaarheid leiden, omdat de baarmoeder erdoor verzwakt en niet in staat is zaad vast te houden. Mogelijke oplossingen hiervoor zijn het volgen van een strikt dieet, rusten, baden en mineraalwater gebruiken, al naargelang de persoonlijke constitutie.[95]

Er is nog een ander feit waar men niet omheen kan: de menstruatie houdt meestal op tijdens de zwangerschap en vaak ook nog tijdens de periode van borstvoeding. Men kan hierop nochtans veel uitzonderingen noemen. Zelden wordt het in de traktaten nagelaten om te vermelden dat sommige vrouwen nog wel hun regels hebben tijdens de zwangerschap en men kent er vele voorbeelden van. De opvallende aandacht die hieraan besteed wordt zou er op kunnen wijzen dat dit vroeger meer voorkwam dan nu. Toch trekt niemand het verband tussen menstruatie en zwangerschap of vruchtbaarheid in twijfel. De meest voorkomende opinie is dat het menstruatiebloed tijdens de zwangerschap als voedsel voor de foetus dient. Sommige antieke geneesheren meenden zelfs dat de foetus letterlijk gevormd werd uit het menstruatiebloed.[96] Astruc meent dit ook en heeft er zelfs een “wetenschappelijk” bewijs voor: de normale hoeveelheid bloed per menstruatie bedraagt ongeveer 300 gram. Dit getal vermenigvuldigd met 9 (want een zwangerschap duurt 9 maanden) is bijna 3 kilo, wat het normale geboortegewicht is voor een baby. Het menstruatiebloed zou dus nu in de baby zitten.[97]

Eenvoudig gezegd is menstruatie het bloed dat tot voedsel voor de foetus had moeten dienen. Wanneer er geen foetus is, wordt het bloed gewoon afgevoerd via de baarmoeder. Zo eenvoudig stelt Mauriceau het. Als er tijdens de zwangerschap toch nog bloed komt, dan is dat te wijten aan een teveel aan bloed of aan zwakte van de bloedvaten. In dat laatste geval kan men best het bed houden en het vrijen achterwege laten, want hij beseft wel dat een te hevige bloedvloeiing een miskraam kan veroorzaken.[98] De vermaarde vroedvrouw Le Boursier du Coudray ziet menstruatie in de eerste maanden van de zwangerschap zelfs als iets noodzakelijks. De foetus kan die grote hoeveelheid bloed dan nog niet verwerken, wat de placenta doet loskomen en een misval kan veroorzaken en dit moet natuurlijk tot elke prijs vermeden worden. Indien er niet spontaan een menstruatie komt, kan men dus maar best preventief aderlaten.[99] Zij is trouwens niet de enige die gelooft dat aderlaten noodzakelijk is, vooral als de vrouw in kwestie gewend is overvloedige maandstonden te hebben[100], zoals Huart stelt. Deze ziet menstruatie overigens niet specifiek als voedsel voor de foetus, maar meent dat ze dient om de noodzakelijke gesteldheid van de baarmoeder tot bevruchting te onderhouden.[101]

Natuurlijk is deze ene reden niet voldoende als verklaring voor menstruatie en veel “gynaecologen” beseffen dat zelf ook wel. Het bloed dient dan misschien wel voor de foetus, maar waar komt het vandaan en waarom komt het maandelijks? Hoe gaat het in zijn werk? Enkele “gynaecologische” traktaten gaan veel uitgebreider in op dit fenomeen om te proberen het mysterie volledig op te lossen. Vooral de verhandeling van Astruc wil het probleem van de menstruatie tot op het bot uitspitten. We zullen hier de beschrijvingen van drie traktaten wat nader bekijken om meer inzicht te krijgen in de kennis over menstruatie in de 18de eeuw. Het betreft de traktaten van De la Motte, Baudelocque en Astruc. Daarbij behandelen we achtereenvolgens de externe kenmerken van menstruatie, de ongemakken die ze veroorzaakt, de kwaliteit van het menstruatiebloed, hoe de menstruatie in zijn werk gaat en de oorzaken ervan.

 

De externe kenmerken van de menstruatie.

 

Over de externe kenmerken van menstruatie is er vrij veel overeenstemming, wat natuurlijk niet verbazingwekkend is. De leeftijd waarop ze begint en eindigt kan gemakkelijk uit de praktijk afgeleid worden, namelijk vanaf 13 à 16 jaar (of kortweg de puberteit) tot 45 à 50 jaar, maar de drie voornoemde “gynaecologen” zijn het er allen over eens dat er vele variaties mogelijk zijn. Het kan veel vroeger of veel later beginnen en eindigen. Volgens De la Motte begint het bijvoorbeeld uitzonderlijk op 9 jaar al en hij kent zelfs een meisje dat op 3 jaar haar regels kreeg en toen deze onderdrukt werden, kreeg ze in de plaats daarvan een bloedneus. Bij sommige vrouwen blijft de menstruatie onderdrukt en dat zou tot allerlei kwalen leiden.[102]

Ook Baudelocque stelt vast dat een vrouw die haar maandstonden niet krijgt, op een andere manier bloed verliest, namelijk door de ogen, neus, oren, borsten, etc. Deze “gynaecoloog” beweert, samen met Astruc, dat de leeftijd voor menstruatie varieert omwille van verschillende redenen, zoals de persoonlijke constitutie van de vrouw in kwestie, de levenswijze en het land. In een gematigd klimaat duurt de menstruatie bijvoorbeeld van 12 à 14 jaar tot 45 à 50 jaar. Voor ze stopt wordt ze echter eerst onregelmatig, wat in de volksmond de “kritieke tijd” voor vrouwen genoemd wordt. Daarna leiden vrouwen vaak een miserabel leven, al is het voor sommigen juist gezond. Af en toe gebeurt het wel eens dat de menstruatie plots terugkomt bij oudere vrouwen die dan verkeerdelijk menen dat ze opnieuw zwanger kunnen worden.[103]

Astruc haalt dezelfde mogelijke variaties aan en voegt er nog de kwaliteit en kwantiteit van de voeding aan toe. Bijvoorbeeld: een goed gevoed meisje of een meisje dat in een heet klimaat woont, kan haar menstruatie hebben van 9 à 11 jaar tot 35 à 40 jaar. In een tegenovergestelde situatie beginnen de maandstonden vanaf 17 à 18 jaar en duren ze tot 50 à 55 jaar. Dit houdt dus in dat hoe vroeger het begint, hoe vroeger het stopt.[104] Hierna voegt Astruc er nog aan toe dat meisjes in een kouder klimaat ook al kunnen beginnen menstrueren vanaf hun 10 à 11 jaar, maar dit wordt veroorzaakt door de lectuur van obscene boeken, het onzedige aanraken van zichzelf en dergelijke meer.

 

“It may happen that some Maids may have their Ordinaries in our Climate at the Age of ten or eleven Years; but this anticipated or premature flux is owing to the reading of obscene Books, unchaft Touching, &c. for hereby the Subject becomes as it were a Woman before her due Time.” [105]

 

Men vraagt zich af welke gevolgen deze theorie kan gehad hebben voor meisjes die het ongeluk hadden om zo vroeg hun menstruatie te krijgen…

Alledrie zijn ze het erover eens dat er geen regel is voor de duur en de frequentie van de menstruatie. Maandstonden kunnen 3 à 4 dagen duren, maar ook 7 à 8. Ze kan elke maand komen, maar ook 2 keer per maand of 1 keer per twee maanden. Volgens Astruc is het meest normale een maanmaand, waarmee hij niet wil zeggen dat de maan er invloed op uitoefent, want dan zouden alle vrouwen op hetzelfde moment menstrueren. De maandstonden vloeien gematigd en zonder onderbreking. Als het bloed toch plots komt en overvloedig is, duidt dat op losbandigheid van geest. Bij sommigen komt het ’s nachts overvloediger door de hitte van het bed en de verdunning van het bloed op dat moment, bij anderen is er juist meer bloed overdag.[106] Diezelfde “gynaecoloog” is echter niet tevreden met deze algemene vaststellingen en gaat er dieper op in door middel van een aantal vragen die hij zichzelf stelt.

Ten eerste: waarom begint de menstruatie vanaf de puberteit en waarom beginnen de borsten tegelijkertijd melk af te scheiden?[107] Tijdens de puberteit wordt er een grote hoeveelheid gal gevormd om het lichaam te voeden en die wordt tegelijk met lymfe naar de borsten gevoerd. Gal kan zich door de smalle lymfekanalen verplaatsen omdat hij heel teer is en zo wordt een deel ervan naar de okselklieren gevoerd, waar hij in het bloed terechtkomt. Een ander deel wordt door diezelfde lymfevaten naar de Colatoria Lactea[108] in de baarmoeder gevoerd. De Colatoria Lactea zet uit en drukt op de aderaanhangsels zodat die bloed afgeven en dat is de menstruatie. Dat een deel van de gal in de borsten terechtkomt en een ander deel in de menstruatie is volgens Astruc de reden waarom vrouwen die niet veel voeding nodig hebben en toch veel gal aanmaken grote en volle borsten hebben en veel menstruatie, want borsten en baarmoeder zijn sterk verbonden.[109] Deze uitleg maakt echter niet duidelijk hoe die melk, waar in de vraag sprake van was, precies ontstaat. In die tijd beschouwde men echter een vloeistof als een vloeistof, of het nu om bloed, gal of iets anders ging en een vocht zoals gal kon bijgevolg probleemloos in melk veranderen of in welke andere vloeistof dan ook. Bovendien meende men dat er specifiek een nauwe relatie was tussen melk en bloed en tegelijkertijd ook een “sympathie” tussen borsten en baarmoeder.[110] Zulke redeneringen zullen we nog vaak tegenkomen.

De tweede vraag die Astruc zich stelt is: waarom komt de menstruatie niet eerder? Voor hun puberteit moeten meisjes nog veel groeien waardoor hun vezels soepeler zijn en de poriën heel open (jongeren zweten immers veel). Op dat moment zijn ze dus niet plethorisch[111]. Later worden de vezels harder. Zo krijgen jongens rond die tijd vaak neusbloedingen ten gevolge daarvan. Maar dit alles gebeurt langzaam aan, de eerste regels bestaan vaak uit slechts weinig bloed.[112]

De meest logische volgende vraag is: waarom stoppen maandstonden op ongeveer 45 jaar? Tijdens het ouder worden, worden de vloeistoffen in het lichaam minder overvloedig en de vezels stijver en bovendien bieden deze weerstand tegen bloed en melk. Bijgevolg verdwijnt de plethora. Als deze toch blijft, kan het bloed niet weg wegens de inflexibiliteit van de vezels. Dit proces kan geleidelijk verlopen en het kan ook dat de menstruatie stopt zonder dat de bijbehorende tekenen stoppen, wat betekent dat de vezels nog niet allemaal even hard zijn. Er kunnen nog wel bloedvloeiingen zijn door het breken van bloedvaten. In dat geval moet men het bed houden.[113]

Vervolgens vraagt Astruc zich af waarom er zoveel variatie is per persoon. Dat beschouwt hij als evident: het is logisch dat een jong meisje, dat een zittend leven leidt, goed gevoed is en volbloedig van aard, vroeger en overvloediger haar regels krijgt en dat die ook langer duren.

 

“The Reason of these Phaenomena are evident; for let us suppose a young Girl of a vivid, replete, well-nourished and sanguine Constitution, who leads a sedentary Life, it is natural that her Ordinaries should appear earlier and be more plentiful, than those of a different Constitution; with whom they break forth later, and flow more sparingly.”[114]

 

Een volgende voor de hand liggende vraag is dan waarom de menstruatie stopt bij zwangere en zogende vrouwen. Ook hier lijkt de oplossing vrij simpel: de menstruatie dient in zo’n geval als voedsel voor de foetus. Als een vrouw wel maandstonden blijft hebben en zelfs tot op het einde, dan zal het kind zeer zwak en ziek zijn. De menstruatie kan in dat geval ook een miskraam veroorzaken.

Tijdens het geven van borstvoeding gaat het bloed van de menstruatie naar de borsten, waar het omgezet wordt in melk.[115] Deze redenering is gelijkaardig aan de redenering dat gal melk kan worden.

De volgende vraag is: waarom krijgen sommigen nooit hun regels? Dit zou komen door hard werk, veel transpiratie, een zwaar dieet en een sterke en harde constitutie, omdat de vezels dan te stijf en inflexibel zijn.[116]

Het is verbazingwekkend dat men niet besefte dat dit niet klopt met de praktijk. Tenslotte waren er genoeg hard werkende vrouwen. Natuurlijk is het wel zo dat deze vrouwen meestal slecht gevoed waren; extreme ondervoeding kwam in die klassen meer voor en dit kan het uitblijven van de menstruatie veroorzaken.

Vertrekkend van de vorige vraag wil Astruc tevens ontdekken waarom sommigen meer en anderen minder menstruatie hebben of de enen vaker dan de anderen. Dit is te wijten aan een combinatie van flexibiliteit en hardheid van de baarmoedervezels en van de vezels in het algemeen.[117]

Tenslotte vraagt hij zich af waarom maandstonden verminderen met het ouder worden en waarom ze langer gaan duren of pas traag terug op gang komen na lange ziekte. In het eerste en laatste geval is het bloed uitgeput. Na een bevalling treed er bijvoorbeeld de lochia of kraamzuivering (bloederige afscheiding na de bevalling) op, zodat er geen behoefte is aan nog meer wegvloeiend bloed. Hetzelfde geldt na het uitscheiden van veel bloed, zweet, urine of stoelgang; alle overbodige vochten zijn dan al uit het lichaam verwijderd. Er is geen extra bloed meer of er is zelfs bloed tekort. Wat de menstruatie eerder op de maand doet komen is koorts, coïtus, veel drinken, gewelddadige handelingen, overgeven, niezen, woede, hysterie, etc., omdat die dingen veel bloed meebrengen of de bloedvaten irriteren. Wat ze later op de maand doet komen is erge kou, zorgen, plotse schrik, een verdikkend dieet, grofheid van de vloeistoffen in het lichaam, zuren, stelpende of scherpe medicijnen, etc., omdat het bloed dan trager vloeit of de hoeveelheid ervan verminderd wordt.[118]

 

De ongemakken die de menstruatie veroorzaakt.

 

Een ander duidelijk merkbaar kenmerk dat in de drie traktaten ter sprake komt is de pijn en het ongemak die de menstruatie meestal vergezellen of die eraan voorafgaan en de menstruatie dus eigenlijk aankondigen. Het hoeft nauwelijks enig betoog dat tegenwoordig de periode van de menstruatie of de dagen daarvoor (PMS) vaak als zeer pijnlijk ervaren worden. Sommige effecten van menstruatie die hieronder vermeld staan (met name in de uitleg van Astruc) kunnen echter moeilijk uit de praktijk komen en hebben meer te maken met de mentaliteit van die periode.

De la Motte schrijft dat velen ziek worden tijdens de menstruatie: hun gezicht verkleurt, ze krijgen zware ogen met wallen eronder, ze voelen zich zwak, etc.[119] Baudelocque vermeldt dat maandstonden bij meisjes vaak voorafgegaan worden door een scherpe pijn die lijkt op de pijn tijdens een bevalling. Dit komt volgens hem door de verstopping van het bloed in de baarmoeder.[120] Astruc somt de tekenen op die volgens hem de menstruatie aankondigen. De redenen die hij voor sommige verschijnselen aanhaalt, worden nu vaak niet meer als correct beschouwd. Vooral het laatste puntje, waarin hij beweert dat menstruatie wellust opwekt, getuigt van een andere visie op menstruatie dan de hedendaagse wetenschap doorgaans hanteert, want dit impliceert dat vrouwen juist tijdens de menstruatie vruchtbaar zouden zijn. Wat er ook van zij, Astruc vermeldt de volgende tekenen:

 

 

“At this Time Women are very salacious, and extremely covet Venery; for to this Purpose are partly intended the Menstrua, as we observe in all other Animals, when they have this Flux.”[121]

 

De kwaliteit van het menstruatiebloed.

 

Lange tijd heeft men gedacht dat menstruatiebloed giftig was. Vooral de antieke geneesheren waren hier heilig van overtuigd, wat uitdrukkelijk vermeld wordt in de meeste traktaten. De la Motte haalt specifiek Plinius aan, die beweerde dat dit bloed zeer kwaadaardig was. Het zou bijen doden door de damp die het afgeeft, het zou honden dol maken als ze ervan proeven en het zou planten vernietigen die in de buurt staan.[122] Met deze gedachtegang wordt echter komaf gemaakt in de 18de eeuw. Experimenten bewijzen immers dat dergelijke dingen helemaal niet gebeuren.

Astruc stelt dan ook vast dat het bloed puur is, tenzij het bedorven raakt door een te lang of te heet verblijf in de baarmoeder of door een infectie.[123] Ook Baudelocque schrijft dat het bloed niet kwaadaardig is, alleen een beetje troebel door de vermenging met vocht uit de vagina.[124] De la Motte is het hier in principe mee eens, maar kan het toch niet laten om een uitzondering te maken voor roodharige vrouwen. Hun menstruatiebloed is wel giftig en dat “weet” hij uit eigen ervaring. Zijn eigen meid was roodharig en toen ze op een keer wijn uit de kelder ging halen terwijl ze haar regels had, werd de wijn slecht. Hetzelfde gebeurde met een varken dat ze zoutte.[125]

 

Hoe gaat de menstruatie in zijn werk?

 

Moeilijker wordt het al voor de “gynaecologen” om uit te dokteren welke weg het menstruatiebloed aflegt en hoe dit precies in zijn werk gaat. Baudelocque en De la Motte zijn hier erg kort over. De eerste vermeldt gewoon dat het menstruatiebloed door de baarmoederhals vloeit, al is hij niet zeker of het door aders of slagaders vervoerd wordt.[126] De tweede is iets genuanceerder en schrijft dat het via de bloedvaten in de baarmoeder komt als de vrouw niet zwanger is. Als ze wel zwanger is, komt het via de bloedvaten aan het buitenste deel van de baarmoedermond. Wat de werking zelf betreft, ziet hij het als een redelijke verklaring dat de menstruatie gebeurt via gisting van vloeistoffen, zoals bij wijn.[127]

Astruc meent iets gelijkaardigs, namelijk dat het bloed door de bloedvaten van de baarmoederbodem komt als de vrouw niet zwanger is. Als dat wel het geval is, komt het door de bloedvaten van de baarmoederhals (de baarmoedermond sluit aan op de baarmoederhals). Het bloed legt dus een andere weg af als er toch menstruatie komt tijdens de zwangerschap, opdat de foetus niet in gevaar zou komen.[128] Een beetje verder in het traktaat gaat hij nog dieper in op de aanleiding en de wijze waarop de menstruatie gebeurt. Hij stelt eerst en vooral vast dat het bloed wordt uitgestoten via aders, omdat dat bloed donkerder is dan het bloed in slagaders en het bloed van de menstruatie inderdaad donker is. De structuur van de baarmoeder wijst erop dat het bloed door dezelfde vaten gaat als de vloeistoffen die naar de placenta gaan tijdens de zwangerschap. Astruc legt echter niet uit hoe die structuur er dan uitziet en hoe hij het vorige daaruit kan afleiden.

Vervolgens maakt hij duidelijk dat menstruatie in ieder geval niet gebeurt door het breken of forceren van de bloedvaten, want zoiets zou tot een infectie leiden. In plaats daarvan gaat het bloed door de bloedvaten van de baarmoeder. Dit heeft hij in de praktijk vastgesteld door de dissectie van een vrouw die overleed tijdens de periode van haar maandstonden, want tijdens het onderzoek bleek dat ze rode vlekken in haar baarmoeder had. Dit betekent dus dat de plethora in de baarmoedervaten zit en dat verklaart ook de pijn in die streek. Hoe gebeurt dit nu precies? De Colatoria Lactea van de baarmoeder zet periodiek uit en leunt op de aders. Die zetten uit en drukken op hun beurt op de Colatoria Lactea. De hitte van het bloed verdunt de melkachtige vloeistof van de Colatoria Lactea zodat die vloeiender wordt. Voor de maandstonden beginnen, komt er immers eerst een melkachtige vloeistof uit de baarmoeder waarna het bloed komt.

 

“Thus Women at the Approach of their Menses have their Parts commonly bathed with a lymphatic or milky Humour, for three or four Days before the sanguin evacuation;”[129]

 

Het bloed wordt er dus min of meer uitgeperst. Hiermee gaat Astruc in tegen de mening van een andere gerespecteerde “gynaecoloog”, Freind, die meent dat de bloedvaten breken wanneer de menstruatie begint.[130]

De oorzaken van menstruatie.

 

Zoals we al eerder vermeld hebben waren de oorzaken van menstruatie nog ondoorzichtig voor de “gynaecologen” van de 18de eeuw. Men zag wel enig verband met zwangerschap, maar verder dan dat het bloed nodig was als voedsel voor de foetus kwam men meestal niet. Baudelocque geeft zelfs ronduit toe dat de oorzaak onbekend is en bovendien dat het verrassend is dat menstruatie plots kan verdwijnen, bijvoorbeeld door ouderdom of zelfs schijnbaar zonder enige reden. Vooral opvallend daarbij is dat het gebeurt zonder gevaar voor de gezondheid. Het enige wat hij erover meent te kunnen zeggen is dat het geen zuivering, maar een opstopping van bloed is dat tijdens de zwangerschap nodig is voor de foetus.[131] De la Motte ziet voortplanting en voedsel voor de foetus ook als het doel van een menstruatie, die dus in niet-zwangere toestand uit overbodig bloed bestaat dat er regelmatig uit moet. Sommigen beseffen echter wel dat dit niets zegt over de oorsprong van het bloed of over de zin van het aanmaken van overbodig bloed als men toch niet zwanger is. De la Motte onderkent hier twee mogelijkheden: de oorzaak van menstruatie is dat de vrouw vlugger bloed aanmaakt dan de man, waardoor ze teveel bloed in zich heeft, of de oorzaak is dat een vrouw minder transpireert, zodat er dus teveel vocht in het lichaam overblijft en zoals we reeds eerder vermeld hebben kan een vloeistof zoals zweet probleemloos in een andere vloeistof zoals bloed veranderen.[132]

Wederom besteedt Astruc hier de meeste aandacht aan. Hij onderscheidt een aantal redenen en een aantal oorzaken. De hoofdreden van menstruatie is de vrouw meer geschikt te maken voor conceptie. Dit gebeurt ten eerste door ze met geweld aan te zetten tot coïtus (opnieuw gebaseerd op de veronderstelling dat menstruatie begeerte opwekt), ten tweede door de baarmoederdoorgangen te openen (aangezien het bloed er daarlangs uit moet) zodat het zaad beter doorkan, vervolgens door zo voedsel te verstrekken aan de foetus en tenslotte omwille van gezondheidsredenen.[133] Wat de oorzaken betreft roept hij eerst opnieuw “de Ouden” in herinnering. Volgens Galenus zou de oorzaak geweest zijn: teveel ophoping van vloeistoffen (plethora) doordat de vrouw altijd thuis zit. Astruc ziet niets verkeerds in deze gedachtegang en neemt ze als basis voor zijn theorie, die echter meer oorzaken omvat dan alleen deze. In ieder geval staat voor hem vast dat plethora de oorzaak is van menstruatie, maar wat is dáár dan de oorzaak van?

Plethora kan natuurlijk of toevallig zijn. Als ze natuurlijk is, betekent dit dat er van nature uit overvloedigheid van bloed is, als ze toevallig is, betekent dit dat het bloed omwille van een bepaalde reden verdund wordt en dus vloeiender is. Om plethora tegen te gaan is er lediging of verdikking van het bloed nodig. “Natuurlijke plethora” betekent eigenlijk dat het bloed (of eigenlijk het vocht in het algemeen) dat uit het lichaam verwijderd wordt niet gelijk is aan het bloed dat erbij komt. Astruc somt 6 redenen voor dit fenomeen op waarvan de laatste vier, volgens eigen zeggen, van de “gynaecoloog” Freind overgenomen zijn.

 

1. Vrouwen maken meer gal en bloed aan dan er gebruikt moet worden. Het extra aan deze vloeistoffen komt samen in vaten om voldoende verwerkt te worden voor secretie (want overbodige vloeistoffen moet men kwijtraken).

 

2. Vrouwen transpireren minder en transpiratie is een vorm van secretie van vloeistoffen.

 

3. Het hart van een vrouw pompt zwakker, zodat er minder bloed naar de klieren gaat en er dus ook minder secretie van is.

 

4. De opening in de vaten is smaller, zodat er minder vloeistof in de secretievaten kan en er dus minder transpiratie is.

 

5. Het lichaam van een vrouw is zachter, wat betekent dat ze vochtiger is en dat betekent dat er meer bloed in zit.

 

“For the Bodies of Women are much more soft and tender both to the Touch and the Sight than those of Men”

 

Dit is ook de reden waarom vrouwen vlugger volgroeid zijn dan mannen. Bovendien wijst een vochtig lichaam op minder transpiratie.

 

6. Vrouwen leven thuis, hebben minder beweging en bijgevolg minder transpiratie. Men kan hier weliswaar tegenin brengen dat men vrouwen toch evenveel ziet zweten als mannen, maar zweet is niet hetzelfde als transpiratie: hoe meer zweet, hoe minder transpiratie en vice versa. Astruc legt echter niet uit wat precies het verschil is tussen zweten en transpireren. Bovendien is er met deze verklaring nog steeds geen verschil tussen mannen en vrouwen inzake transpiratie aangetoond, want als man en vrouw evenveel zweten, dan transpireren ze ook evenveel, aangezien deze twee volgens Astruc onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

 

Een tweede tegenwerping is dat vele vrouwen wél werken en dezen krijgen toch ook hun regels. Dit komt volgens Astruc omdat er meer dan één reden is voor de menstruatie, zoals hierboven opgesomd. Als een werkende vrouw tegelijk ook atletisch en droog van constitutie is, dan zal ze naar alle waarschijnlijkheid niet menstrueren. Zulk een vrouw noemt hij een “manwijf”, bijvoorbeeld danseressen en zangeressen.

 

Hoe zit het dan met “toevallige plethora”? De oorzaken hiervan kunnen zijn: koorts, veel drinken, sterk gekruid vlees, gewelddadige beweging, passies van de geest, waken, kwik en bepaalde planten. Hierdoor trekken de vaatdelen samen, gaan de vloeistoffen in het lichaam sneller stromen of wordt er een grotere hoeveelheid bloed aangemaakt.[134]

De oorzaak van menstruatie is dus voor de meeste “gynaecologen” niet helemaal duidelijk. Toch ziet men een verband met zwangerschap en vruchtbaarheid (cfr. supra). Hierna volgen nog enkele aanvullende opmerkingen daarover. Het wegblijven van de menstruatie is volgens De la Motte een teken van zwangerschap, tenminste als ze daarvoor regelmatig kwam. Door de onderdrukking van de regels is er in het begin van de zwangerschap een overvloed aan vloeistoffen in het lichaam, want de foetus is nog te klein om alle bloed op te nemen. Een mogelijk gevolg hiervan is overgeven. De beste remedie is aderlaten.[135] Volgens Baudelocque kunnen maandstonden in de eerste maanden van de zwangerschap alleen optreden als de vrouw een heel bloedrijke natuur heeft. In dat geval is het zelfs gevaarlijk als het bloed er niet uitkomt, want dat kan de placenta losrukken. De remedies hiervoor zijn licht eten, rusten en aderlaten. Negatief is wel dat de foetus door de menstruatie verzwakt.[136]

 

Besluit.

 

Het is ondertussen wel duidelijk geworden dat men niet op de hoogte was van de menstruele cyclus. Toch is het opvallend hoe vaak men dicht bij de ontdekking ervan in de buurt is gekomen. Neem nu de theorie van Mauriceau (en vele anderen): menstruatie is voedsel voor de foetus, als er geen foetus is, dan vloeit het bloed gewoon weg. Dit vertoont gelijkenissen met de huidige theorie: vóór de eisprong wordt er meer bloed en slijm naar de baarmoeder gebracht om deze klaar te maken voor de foetus; wordt het eitje niet bevrucht, dan vloeit het overbodig geworden baarmoederslijmvlies gewoon weg.[137] De “gynaecoloog” Huart schreef dat het doel van menstruatie was: de noodzakelijke gesteldheid van de baarmoeder tot bevruchting te onderhouden. Dit is inderdaad niet ver bezijden de waarheid, want zoals hierboven gesteld, maakt het bloed de baarmoeder klaar voor de foetus. Ook uit de volgende hoofdstukken zal nog blijken dat men vaak dicht bij de ontdekking van een menstruele cyclus kwam (cfr. infra: betwistingen over het bestaan van het eitje in het traktaat van Verheyen). Men mag bovendien niet uit het oog verliezen dat het voor een leek, zonder grondige “gynaecologische” kennis, moeilijk in te schatten is welke redeneringen van toen nu nog aanvaard worden en welke niet.

 

 

2. Bevruchting

 

Over bevruchting waren er vele theorieën in de 18de eeuw. Het was dan ook een fascinerend onderwerp dat moeilijk te doorgronden was. De bevruchting zelf was immers niet zichtbaar. Men had er dus het raden naar hoe het allemaal precies in zijn werk ging. Uit de “gynaecologische” traktaten kan men wel afleiden dat er veel experimenten met dieren werden gedaan, bijvoorbeeld het uitvoeren van een dissectie vlak na de copulatie of een paar dagen erna om te zien wat er allemaal gebeurde, maar dieren zijn natuurlijk geen mensen. Op die experimenten komen we nog terug in het tweede deel. De belangrijkste ontdekking op het einde van de 17de eeuw was waarschijnlijk die van het bestaan van het vrouwelijk eitje in levendbarende wezens.

Zoals reeds in het inleidend hoofdstuk vermeld werd, was Reinier de Graaf één van de eersten die het eitje uitvoerig beschreef, al besefte hij zelf niet dat hij eigenlijk de follikels zag waarin de eitjes zitten. Het eigenlijk eitje werd pas ontdekt door von Baer in 1827.[138] Twintig jaar voor De Graaf ongeveer had William Harvey reeds gezegd dat alle levende wezens uit een ei kwamen (“ex ovo omnia”), hij zag het ei echter niet als iets concreets, maar als iets abstracts.[139] Niet alle “gynaecologen” waren echter van het bestaan van het eitje overtuigd, velen behielden de oude overtuiging dat de bevruchting gebeurde door een vermenging van mannelijk en vrouwelijk zaad, een theorie die nog uit de Oudheid stamde. Er werd dan ook veel discussie over gevoerd in de traktaten. De meeste vooraanstaande “gynaecologen” aanvaardden echter het bestaan van het eitje, al werden er op het einde van de 18de eeuw nog steeds belangrijke traktaten uitgegeven, zoals dat van De la Motte, die de zadentheorie aanhingen.

Niet lang na de ontdekking van het eitje werd ook de spermatozoïde ontdekt, al was er hierbij eveneens twijfel over het bestaan ervan. De spermatozoïde werd in 1677 ontdekt en voor het eerst beschreven door Antonie van Leeuwenhoek uit Delft met zijn befaamde microscoop (al was hij niet de ontdekker daarvan[140]).[141] Hij knoopte er bovendien een hele theorie aan vast dat alleen de man een wezenlijke bijdrage tot de bevruchting deed. Dit is het begin van het systeem van de animalculisten.[142]

Aan dit feit werd in de traktaten echter niet zoveel aandacht geschonken als aan het al of niet bestaan van het eitje. Soms beschreef men zaad alsof er geen spermatozoïden (“zaaddiertjes”) in zaten, soms alsof het wel zo was. Slechts één traktaat ging hier wat dieper op in, zoals we zullen zien. In verband met de thematiek van bevruchting werd het vaakst een beroep gedaan op de Goddelijke inbreng om de uiteindelijke levengevende “bezieling” te verklaren. Men kon wel ongeveer beschrijven hoe de bevruchting gebeurde, maar wat de bevruchting in gang zette, kon men niet anders verklaren dan door een verwijzing naar God.

We zullen het hieronder eerst hebben over de bijdrage van de man, namelijk het zaad. Daarna overlopen we de noodzakelijke voorwaarden voor bevruchting en het moment waarop het gebeurt. Vervolgens gaan we verder in op de verschillende theorieën omtrent het verloop van de bevruchting. Dan vragen we ons samen met de 18de eeuwse “gynaecologen” af wie de belangrijkste bijdrage levert aan de bevruchting: man of vrouw en hierbij aansluitend de oorzaak van de gelijkenis met de (beide) ouders. Tenslotte staan we kort even stil bij enkele bedenkingen over meerlingen en de mogelijkheid tot overbevruchting.

 

De bijdrage van de man.

 

Weinig traktaten besteden bijzondere aandacht aan de nadere bestudering van de bijdrage van de man, namelijk het zaad. De meeste traktaten beginnen meteen over de vrouw en wat het zaad doet eens het in de vrouw zit. Er zijn maar drie traktaten die het zaad echt op zich behandelen, zonder het meteen bij de bevruchting te betrekken, en twee daarvan doen dat maar heel kort. Mauriceau vertegenwoordigt daarbij de oude visie van vóór de ontdekking van de spermatozoïde en bovendien betreft zijn theorie zowel mannelijk als vrouwelijk zaad. Toch doet zijn visie op een bepaald vlak juist heel modern aan. Hij beschrijft het zaad als een vochtige stof uit een deel van het allerzuiverste bloed van de slagaderen van heel het lichaam. Het zaad huist in de “ballekens” en wordt door hun warmte tot een wit, taai, schuimachtig vocht dat vol geesten zit.[143] Het bezit dan ook een goddelijke kracht.[144]

Vervolgens vertolkt hij een heel interessante stelling, namelijk dat het zaad de beeltenis en de gestalte in zich moet hebben van alle delen van het lichaam en deze beeltenis en gestalte zit in elk kleinste druppeltje van het zaad.[145] Zonder het zelf te beseffen, heeft Mauriceau het hier eigenlijk over het beginsel van DNA en wordt deze theorie nu ook gehanteerd, zij het op wat minder simplistische wijze uitgedrukt. Natuurlijk zou het begrip DNA voor Mauriceau niets betekenen, maar toch heeft hij er in essentie iets van aangevoeld. Het ironische is dat andere “gynaecologen” juist dat gedeelte van zijn theorie meestal niet aannemen. Zo spreekt bijvoorbeeld Levret dit tegen omdat er, volgens hem, anders alleen maar hermafrodieten zouden geboren worden.[146] Toch zijn er in die periode nog andere “gynaecologen” die een gelijkaardige redenering opbouwen, bijvoorbeeld de Buffon met het moleculisme. Hij (en anderen) menen dat het zaad van man en vrouw bestaat uit organische deeltjes die zich wederzijds aangetrokken voelen. Zo komen bijvoorbeeld de moleculen van de ogen van de man overeen met de moleculen van de ogen van de vrouw en bijgevolg vermengen beide zich. Deze theorie had echter niet veel aanhangers.[147]

De “gynaecoloog” Astruc verwoordt een modernere visie, aangezien hij het bestaan van de spermatozoïde aanvaardt. Hij schrijft dat er in (mannelijk) zaad kleine diertjes zitten, die enigszins op kikkervisjes gelijken, met een grote kop en een scherpe lange staart. Ze zijn zeer actief en zeer talrijk, want er zitten er duizenden in één druppeltje. Bij heel jonge of heel oude mannen zitten er slechts weinig van die “diertjes” in het zaad en zijn ze zwak en traag. Deze spermatozoïden werden volgens hem ontdekt door Van Leeuwenhoek met zijn “bril” (microscoop). Hij vermeldt ook de tegenwerping van Verheyen, namelijk dat die diertjes slechts luchtblaasjes zouden zijn, maar hij is niet overtuigd van de juistheid van die mening.[148]

Dionis, die eigenlijk een boek over anatomie schrijft, is veel specifieker. Hij haalt de bijdrage van de man eerst heel kort aan, omdat ze volgens hem niet ingewikkeld is: de man levert het zaad en brengt het naar de baarmoeder. Hoe het zaad gemaakt wordt is een veel moeilijkere kwestie. In een poging tot objectiviteit bespreekt hij vier gangbare opinies.

 

· De visie van de eerste anatomisten is dat zaad een omzetting is uit bloed. Bloed wordt namelijk naar de testikels gebracht door de vier spermavaten (twee aders en twee slagaders). Deze komen samen door meerdere vergroeiingen en het aderlijk en slagaderlijk bloed mengt zich. Dat is de voorbereiding tot de omvorming tot zaad. In de testikel wordt het mengsel gekookt en zo omgevormd door een bepaald kenmerk dat dit orgaan blijkbaar bezit. Deze theorie vindt Dionis echter niet plausibel, omdat de ader ten eerste niets naar de testikel brengt, ten tweede er geen verbinding is tussen ader en slagader en tenslotte er geen holte is in de testikel waar die omzetting zou kunnen plaatsvinden.

 

· Een andere theorie stelt dat zaad vocht is dat normaal in de hersenen zit, maar door de zenuwen naar de voortplantingsorganen wordt gevoerd. Tijdens de ejaculatie zou de man het zaad zelfs naar beneden voelen komen langs de ruggengraat Na de daad voelt hij zich zwak door de wegvloeiing van de dierlijke geesten die het zaad met zich meenemen. Bovendien lijkt de kleur van zaad op het vocht in de zenuwen.

 

“l’imagination étant frappée par le ressentiment du plaisir de la copulation, l’esprit animal s’excite, se détache, & courre avec impétuosité par les nerfs aux parties de la géneration”[149]

 

Ook hierover heeft Dionis zijn twijfels, omdat de zenuwen geen holte hebben die het zaad zou kunnen bevatten en de testikels dan geen nut zouden hebben. Nochtans kunnen mannen zonder testikels zich niet voortplanten, dus moeten deze wel een belangrijke functie hebben.

 

· De meest waarschijnlijke theorie is, volgens Dionis, de afscheiding of filtratie van de zaaddeeltjes door de testikels, omdat deze theorie gebaseerd is op de specifieke constitutie van de testikels en op het principe van de circulatie van de vloeistoffen. Het zaad bevindt zich in het bloed van de slagaders die naar de testikel gaan, het wordt gezeefd en afgescheiden in de testikel en vandaar naar de afvoerende vaten en naar de zaadblaasjes gebracht. De bewijzen die Dionis hiervoor aanhaalt berusten op anatomische ervaringen en kennis van de structuur van de testikel. Zaadproductie is dus de filtratie van een aantal deeltjes. Hoe dat precies gebeurt is echter moeilijk te verklaren. Waarschijnlijk zijn er in het bloed meer voedingslichaampjes dan er nodig zijn en die blijven daarom in het bloed tot aan de testikels. Een deel ervan komt ook via de zenuwen. Dus van alle onderdelen van de organen, komen er deeltjes samen in de testikel.

 

· De recentste theorie stelt dat zaad de samenstelling is van een oneindig aantal kleine diertjes (zaaddiertjes). Zij zwemmen in zaadvocht, wat men kan zien door een microscoop.

 

“La quatrième opinion, qui est toute nouvelle, est qu’il y a une infinité de petits animaux ausquels on a donné le nom de séminaires, qui nagent ou qui voltigent dans la liqueur qui fait le corps de la sémence”

 

De “zaaddiertjes” komen naar de eierstokken en raken het dichtstbijzijnde eitje aan. Eén van hen doordringt het vlies of gaat via een doorgang in het eitje, dat zich daarna sluit. De andere diertjes sterven of dringen zich in een ander eitje. Het diertje dient als kiem en bevrucht het eitje, waardoor het uit de eierstok komt en via de eileider naar de baarmoeder gaat. Het zou om miljoenen diertjes gaan, waardoor er dus vele verloren gaan. Om ze te kunnen zien moet het zaad bovendien juist uit de penis komen en nog warm zijn. Misschien zijn deze “zaaddiertjes” echter een illusie, zoals het zien dansen van stofdeeltjes in het zonlicht, dat lijken ook levende wezentjes.

 

“ il en arrivoit peut-être dans cette occasion, comme lorsqu’il y a quelque fente à une fenêtre, par où le Soleil entrant, on voit à l’endroit où les rayons du Soleil donnent, voltiger une infinité d’atomes, dont plusieurs ressemblent tellement à des insectes, qu’on les prendroit pour de petits animaux vivans, si on n’étoit pas assuré d’ailleurs que ce n’est que de la poussière”

 

Als er bovendien een gaatje, als doorgang, in het eitje zou zijn, dan zou de vloeistof die erin zat weglopen. Toch is dit niet noodzakelijk zo, want het zou hetzelfde systeem kunnen zijn als lucht in een ballon brengen zonder dat de lucht die er in zit er terug uitkomt. Men kan ook bewijzen aanhalen voor deze theorie. Hartsoeker zou de eerste zijn die de zaaddiertjes gezien heeft. Ze lijken volgens hem op dikkopjes. Het zaad is dus eigenlijk niet de slijmerige massa die men met het blote oog ziet, want die dient slechts om de weg in te oliën. Hij beweert tevens dat de diertjes langer leven in jonge en sterke wezens, dat een drup likeur hen onmiddellijk doet sterven en dat er na meerdere keren vrijen achtereen geen diertjes meer in het zaad zitten, alleen nog slijmmassa. Zo’n diertje kan mannelijk of vrouwelijk zijn. Na de bevruchting en de afdaling in de baarmoeder verenigt het zachtste deel van het diertje zich met het eitje en het eitje met de baarmoeder. De vrouw, het eitje en het diertje vormen één geheel. Het bloed gaat van de vrouw naar het eitje, van het eitje naar het diertje en dan terug. Toch zijn er, volgens Dionis nog veel moeilijkheden met deze theorie.

 

De eerste en de tweede theorie lijken Dionis onmogelijk. De derde lijkt de juiste, maar over de vierde durft de auteur zich nog niet uitspreken.[150] Alhoewel Dionis niet de voorkeur geeft aan de theorie die nu nog steeds aanvaard wordt als de enige juiste, staat hij er toch niet weigerachtig tegenover. Hij is enkel heel voorzichtig om een uitspraak te doen over een theorie die pas nieuw is en waar hij zelf nog geen concrete ervaring mee heeft kunnen opdoen. Het is verstandig van hem om de gevestigde theorie niet zomaar te laten vallen vanaf het moment dat iemand met iets nieuws afkomt. Men zou het eerder als een gezond wantrouwen kunnen zien. Zijn bedenking over de gelijkenis met dansende stofdeeltjes in de zon is immers niet ver gezocht en zeker niet zomaar te verwerpen. De theorie van de zaaddeeltjes is op dat moment een theorie die zich nog moet bewijzen en dan is voorzichtigheid geboden.

 

De noodzakelijke voorwaarden voor de bevruchting.

 

Een aantal “gynaecologische” traktaten schrijven eerst iets over de noodzakelijke voorwaarden voor bevruchting, alvorens het over de bevruchting zelf te hebben. Mauriceau neemt daar een korte maar krachtige stelling over in. Hij schrijft dat lust noodzakelijk is, want waarom zou de man anders zijn “prachtige penis” in dat “onreine gat” willen steken en waarom zou de vrouw anders de pijn van de zwangerschap willen doorstaan?[151] Dit is een vrij plastische benadering van de redenen voor seksueel gedrag bij de mens. Nochtans is deze stelling vrij onkarakteristiek voor het werk, aangezien hij elders ingaat op het plezier dat men tijdens vrijen beleeft en men heeft daarbij niet het idee dat het om een onreine daad gaat. Deze twee feiten spreken elkaar echter niet persé tegen, want hij beweert juist dat de natuur de mens lust gegeven heeft zodat hij dat “gat” niet meer als onrein zou beschouwen. Zulke uitspraken kwamen echter wel meer voor in “gynaecologische” traktaten van die periode.[152]

De andere “gynaecologen” behandelen over het algemeen de voorwaarden meer op een biologische manier. Astruc beschrijft seks als de vereniging van de twee seksen, met uitzondering van aardwormen, want dat zijn hermafrodieten, al geniet ook bij hen de man van het vrouwtje (maar blijkbaar niet andersom?). Hierbij moet het zaad van de man in de baarmoeder geraken of toch op z’n minst in de bodem van de vagina. Harvey beweert zelfs dat het bij paarden al voldoende is als hun voortplantingsorganen met elkaar in contact komen, net zoals bij vissen. In het geval van mensen is copulatie echter noodzakelijk.[153]

Dionis heeft zowel aandacht voor het biologische als voor het psychologische. Eerst geeft hij een ruime beschrijving van de voorwaarden en dan wordt hij steeds specifieker. Hij stelt dat er om een levend wezen voort te brengen een mannetje en een vrouwtje nodig zijn en dat beiden aan de bevruchting bijdragen.

 

“Pour produire un animal, il faut être deux, le mâle et la femelle; sans quoi la géneration est impossible, chacun d’eux contribuant de sa part à un oeuvre si admirable”

 

Hij maakt daarbij niet, zoals Astruc, een uitzondering voor hermafrodiete wezens, want ook deze moeten eerst koppelen om te kunnen voortplanten.[154] Copulatie is dus noodzakelijk, maar gelukkig helemaal niet moeilijk volgens Dionis. Dieren moeten er niet toe aangemoedigd worden, noch erin worden onderwezen, want het is een natuurlijk instinct. Ook de mens doet het vanzelf vanaf een bepaalde leeftijd en ook zonder dat hij er ooit over heeft horen spreken, weet hij wat hij moet doen. Het enige verschil met de dieren is dat de copulatie bij de mens geen brute handeling is. Wat is copulatie dan eigenlijk? Het is de verbinding tussen een mannetje en een vrouwtje. De aanleiding daartoe is vaak een hevige passie die niet naar rede luistert, maar slechts wil bevredigd worden en die veroorzaakt wordt door gemengde gevoelens van plezier en pijn. Die gevoelens vindt men in de “natuurlijke delen” en deze doen de lust opkomen om te copuleren. Hierbij “geeft” de man en “ontvangt” de vrouw (een passieve rol voor de vrouw dus).

Tijdens de copulatie moet het zaad in de baarmoeder geraken en hiervoor zijn drie omstandigheden absoluut nodig: de erectie van de penis, het inbrengen van de penis in de baarmoederhals en de ejaculatie van het zaad. De penis heeft twee toestanden: ofwel zacht en hangend en dus nutteloos voor de voortplanting, ofwel stijf en recht, wat de noodzakelijke toestand is. Een erectie ontstaat door slagaderlijk bloed in de sponsachtige of holteachtige zenuwen die daardoor druk geven. Bijgevolg duurt het langer voor grote penissen stijf worden en moeten deze meer moeite doen om die toestand te behouden. Behalve bloed zijn er ook “geesten” nodig die door de verbeelding opgewekt worden.

 

“ l’imagination étant échauffée par l’idée du plaisir, le suc animal qu’on peut appeler esprit, se détache & coure promptement par les fibres nerveuses aux parties de la géneration, […] il se fait […] une espece d’ébullition qui oblige la verge de se dresser & de s’étendre”

 

Een erectie is nodig om de penis in de baarmoederhals te krijgen, maar meer of minder diep doet er niet toe, want de ronde banden en de spiervezels van de baarmoeder zorgen er wel voor dat het zaad tot de baarmoeder komt. Eerst moet echter de ejaculatie plaatsvinden. Daarbij wordt het zaad door de ejaculatievaten gelanceerd via convulsies van de penis, waarna alles zich terug ontspant. Dat gebeurt bij de één sneller dan bij de ander, omwille van meer vurigheid of meer zaad. Bij de één komt er meer zaad uit dan bij de ander, maar er moet slechts genoeg zijn om tot de eierstok te geraken.

De ejaculatie is het doel van de mannelijke handeling en geeft het meeste plezier dat echter dicht aanleunt bij pijn. Vaak is het dit plezier dat de man drijft tot copulatie, eerder dan een kinderwens en daarom is dat plezier juist noodzakelijk, want anders zou die copulatie maar zelden plaatsvinden en de natuur wil zich nu eenmaal voortplanten. De oorzaak van dat plezier is onzeker. De enen zeggen dat het komt door het zout dat zich in het zaad bevindt, anderen beweren dat het de geesten zijn die het zaad vergezellen. Dionis denkt niet dat er genoeg zout in het zaad zit om de delen te prikkelen waar het voorbijkomt en zo’n plezier te veroorzaken en bovendien zou dat plezier dan te scherp en te puntig aanvoelen. Waarschijnlijker is dat het inderdaad door de geesten komt en door de delicatesse en de druk van de zenuwvezels. Sommige mannen zijn er trouwens gevoeliger voor dan anderen. Dit heeft te maken met hun constitutie. De volbloedigen zijn namelijk het meest verliefd, want ze zijn zacht en warm. Bij de galachtigen is het bloed te bitter en te subtiel. Bij melancholici te massief en bij flegmatici te waterachtig.[155]

Dionis’ uitleg is in het begin nogal droog en feitelijk, maar daarna vraagt hij zich toch ook af, zoals Mauriceau wat de mens nu eigenlijk drijft tot copulatie, zij het op een wat minder plastische manier. Ook nu nog menen velen dat de natuur er voor gezorgd heeft dat vrijen plezierig is opdat het überhaupt wel zou gebeuren. Het is misschien niet zo’n grote afstand die de wetenschappers van toen en nu scheidt. Wel is de visie van Dionis nogal eenzijdig vanuit het gezichtspunt van de man bekeken.

Baudelocque tenslotte wijdt slechts eventjes uit over wat er tijdens de copulatie zelf moet gebeuren om bevruchting mogelijk te maken. In de eerste plaats moet de baarmoedermond zich openen om het zaad op te vangen en zich vervolgens terug sluiten om het zaad te kunnen behouden. Mogelijk trekt de baarmoeder zich daarvoor samen, maar dat is niet zeker. Men heeft dit tijdens dissecties van dieren gezien, maar dat zou veroorzaakt kunnen zijn door hun gewelddadige dood en bovendien zijn dieren geen mensen.[156]

 

Het moment van de bevruchting.

 

Men stelt zich ook vragen over het precieze moment van de bevruchting. Volgens Astruc is het gunstigste moment wanneer de baarmoeder leeg is, dus zelden vlak voor of tijdens de regels. In dat laatste geval kan men wel bevrucht worden, maar dat leidt tot een slechte zwangerschap.[157] Mauriceau wil het moment van bevruchting nog preciezer vastleggen. De bevruchting vindt namelijk plaats wanneer het zaad wordt opgenomen in de baarmoeder.[158] Verheyen vraagt zich dan weer af hoe lang de bevruchting duurt en volgens hem is dat tot de redelijke ziel “ingestort” wordt.[159]

Drie van de vier traktaten die iets over het moment van bevruchting schrijven, voegen er nog aan toe dat sommige vrouwen merken wanneer ze bevrucht worden. Volgens Mauriceau loopt er dan geen zaad meer terug uit de baarmoeder, is de penis droger, heeft de vrouw een beetje pijn rond de navel en voelt ze wat gerommel onder in haar buik door het samentrekken van de baarmoeder.[160] Ook Astruc noemt enkele tekenen op waaraan men zou kunnen merken dat de vrouw net bevrucht werd, al geeft hij zelf toe dat deze niet onfeilbaar zijn. Net als Mauriceau meent hij dat het zaad niet meer uit de baarmoeder terugkomt, maar daarnaast beweert hij dat het koppel tijdens een bevruchting meer plezier heeft, dat de vrouw pijn voelt in de navel en dat ze over heel haar lichaam rillingen heeft. De man op zijn beurt voelt een soort zuigkracht aan het eind van zijn klieren, wat een beetje pijn doet.[161] Baudelocque tenslotte is wat vager en heeft het over een gevoel van interne bewegingen bij de vrouw. Hij legt er wel de nadruk op dat het heel handig zou zijn om inderdaad zo vroeg op de hoogte te zijn van de bevruchting, want dat zou verhinderen dat de vrouw, die last heeft van kwaaltjes, schadelijke en onnuttige medicijnen zou innemen.[162]

 

Theorieën over het verloop van de bevruchting.

 

Hoe zit het nu met de theorieën over de bevruchting zelf? Zoals we in het begin van dit hoofdstuk al vermeldden, kan men de verschillende theorieën indelen in twee grote categorieën: de theorie van de vermenging van mannelijke en vrouwelijke zaden en de theorie van het eitje dat op een of andere manier door het zaad bevrucht wordt. Wat de tweede theorie betreft kan men nog een onderscheid maken tussen wetenschappers die geloven in het bestaan van “zaaddiertjes” en wetenschappers die dat niet doen. Dit onderscheid hangt tevens in de meeste gevallen samen met het verschil in mening over wie de belangrijkste bijdrage levert tot de bevruchting: de man of de vrouw.

De meeste “gynaecologische” traktaten gaan op z’n minst kort in op het verloop van de bevruchting en sommigen zetten zelfs de verschillende theorieën van hun tijd uiteen. Enkele traktaten vermelden er echter niets over en één bepaald traktaat, dat voor vroedvrouwen geschreven is, stelt zelfs uitdrukkelijk dat het zich daar niet mee wil bezighouden, omdat theorieën over de oorzaken van conceptie slechts “ijdele gissingen van lediggangers” zijn. Wat de bevruchting juist is, kan men immers heel eenvoudig zeggen: “een vrucht begint met liefde, wanneer een huwbaar vrouwmens gemeenschap heeft met een huwbaar manmens”.[163]

Over de theorie van de vermenging van mannelijke en vrouwelijke zaden zijn de meeste traktaten kort, er zijn er maar twee die nog echt in deze theorie geloven. Wel vermelden de anderen vaak dat het de overheersende theorie van “de Ouden” was, dus van de antieke tijd, en geven er soms nog wat meer uitleg over. Dionis stelt gewoon vast dat “de Ouden” geloofden dat de vrouw ook zaad had in de vrouwelijke testikels en volgens hem menen sommige anatomisten van zijn tijd dat nog steeds.[164] Verheyen schrijft iets uitgebreider dat volgens “de Ouden” de bevruchting in de baarmoeder gebeurde, waar de zaden van man en vrouw werden vermengd. Toch waren er ook die meenden dat er alleen mannelijk zaad nodig was voor de vorming van de foetus en dat de moeder slechts bloed leverde voor de verdere vervolmaking. De oorzaak van het bestaan van de foetus was echter de ziel: ofwel de ziel van de moeder, ofwel de ziel van het “teelsel” zelf.[165]

Ook Baudelocque vermeldt dat er bij “de Ouden” zelf reeds oppositie was tegen de theorie van de vermenging van de zaden, maar dat deze toch de gangbare opinie vertegenwoordigde. Het zaad van de vrouw is volgens hem dan het slijm dat uit de vagina komt. Er zijn in zijn tijd nog steeds geleerden die dat geloven en als voorbeeld hiervan noemt hij de Buffon met de theorie van het moleculisme. Volgens deze is zaad een mengeling van organische moleculen uit alle delen van het lichaam, zowel bij de vrouw als bij de man (cfr. supra)[166]

Zoals gezegd zijn er twee traktaten van de 17de en 18de eeuw die op dat moment nog steeds in de theorie van de vermenging van de zaden geloven: dat van Mauriceau (die in de 18de eeuw nog grote invloed uitoefende) en dat van De la Motte. Mauriceau weet wel dat er “gynaecologen” zijn die in het bestaan van vrouwelijke eitjes geloven, maar hij is het daar niet mee eens. Volgens hem gaat er vrouwelijk zaad naar de “ballekens” (de eierstokken), waar het vervolmaakt en vruchtbaar wordt en dan naar de “aanvoerende of uitschietende vaten” (vermoedelijk de eileiders) gaat en zo in de baarmoeder terechtkomt. Door het vrijen “schiet” in man en vrouw zaad los en die twee zaden vermengen zich dan. Op het moment dat het zaad “schiet”, wordt de baarmoeder geopend (wat blijkbaar een leuk gevoel geeft bij de man) en zij moet zich vlug terug sluiten om het zaad niet te laten weglopen.[167]

De la Motte op zijn beurt onderscheidt ook verschillende bevruchtings-theorieën en bespreekt ze kort, maar zelf gelooft hij het meest in de theorie van Mauriceau, zonder de andere echter volledig te verwerpen. Bovendien meent hij dat er ook voor de theorie van Mauriceau heel wat problemen zijn. Zo stelt deze laatste dat het zaad absoluut in de baarmoeder moet geraken, maar volgens De la Motte kan iemand, wiens vagina dichtzit door bijvoorbeeld een litteken, toch zwanger worden. Hij concludeert daaruit dat niet al het zaad in de baarmoeder moet geraken, alleen het geestelijk gedeelte en dat via kleine openingen, die er wel moeten zijn, aangezien het menstruatiebloed er vaak ook nog uitgeraakt.

De baarmoeder sluit zich ook niet meteen, want hij twijfelt er niet aan dat er een paar dagen na de bevruchting nog een tweede kind kan ontvangen worden. Een ander probleem is dat men in het geval van een miskraam vaak een klein embryo terugvindt met vliezen er rond zoals bij een ei. Maar dit bezwaar kan gemakkelijk overwonnen worden: eerst is er een mengeling van zaden en daarna vormen er zich vliezen rond door de hitte van de baarmoeder, zoals bij de uitgroei van een cyste. Via vergelijking met het ei van een kip, merkt men bovendien dat dat ei steeds losser komt van de kip, terwijl het vlies rond een embryo zich juist steeds sterker aan de baarmoeder vasthecht. Dat weet hij omdat er meer bloedverlies is als het vlies op een gevorderd tijdstip scheurt. Hij besluit zijn uiteenzetting echter met de woorden: “niets is zeker”.[168] Volgens Darmon waren deze twee “gynaeco-logen” echter geen eenlingen en waren er wel meer wetenschappers die hardnekkig aan dit antieke systeem bleven vasthouden.[169]

In de 17de eeuw werd het eitje ontdekt en pasten de meeste “gynaecologen” hun theorieën aan. Baudelocque schrijft zelfs dat er in zijn tijd een akkoord bereikt is over het bestaan van die eitjes.[170] Wat is volgens hen dan precies een eitje? Dionis schijnt nog een beetje tussen de twee theorieën in te zitten, hij meent dat eitjes blaasjes zijn die in de vrouwelijke testikels (eierstokken) zitten en die een soort zaad vormen. Elk blaasje heeft een soort kelk of steel waardoor het zich kan losmaken van de testikel zonder dat het zaad erin zou uitlopen of zonder de andere eitjes te beschadigen. Het heeft in zich een klein wezen dat bijna af is zoals in het ei van een kip.[171] Die vergelijking met het ei van een kip komt wel meer voor in de traktaten. Volgens Verheyen is dat ook de reden waarom men die blaasjes eitjes is gaan noemen. Volgens hem krijgen de blaasjes een schaal zoals het ei van een kip, als men ze kookt.

 

“In de vrouwelijke ballen moet men voornaemelijk aenmerken eenige blaeskens met een klaer doorschijnend vocht opgepropt, die door kokinge op de wijse van eyeren van een gepluymt Dier verhardende, den zelven smaek, koleur en vastigheyd als het wit der voorseyde bekomen”[172]

 

In realiteit was het echter De Graaf die dit experiment uitvoerde[173], al is het natuurlijk wel mogelijk dat Verheyen het herhaald heeft.

Dit experiment komt ons wel een beetje verwonderlijk voor. Waarom zou men ten eerste op het idee komen om zo’n blaasjes te koken en ten tweede: hoe zou men dat kunnen doen? Een eifollikel is niet veel groter dan een speldenkop en dus moeilijk te hanteren. Volgens Verheyen echter kunnen “eitjes” zo groot zijn als een erwt en er zitten er veel in een eierstok, soms wel 20 of meer. Hij omschrijft een eitje vervolgens als een blaasje met een helder vocht erin. In het midden van het eitje is een kastje in twee delen, wat het beginsel van het hart moet voorstellen. Aan beide holtes eindigen enkele pijpjes, wat de aflijning is van de (slag)aders. Aan de ingang van het kastje is er een beginsel van klapvliezen en in de zijkanten zitten holle draden, de latere vezels.[174] Astruc schrijft ongeveer hetzelfde. In de eierstokken zitten verschillende blaasjes die aan dat orgaan vastzitten met een steel en bedekt zijn met een eenvoudig vliesje. Elk blaasje zit in een eigen nestje. In volwassen vrouwen zijn ze zichtbaar, in jongere vrouwen bijna onzichtbaar en in oude vrouwen zijn ze slap. Om uit de eierstok te geraken moeten de blaasjes, wanneer ze bevrucht worden, groeien en in volume toenemen totdat ze uiteindelijk het omringende vliesje doen barsten.[175]

Dionis en Astruc vragen zich ook af wat nu de uiteindelijke oorsprong van die eitjes is. Volgens Dionis zijn er hierover twee opinies. De eerste opinie komt van Swammerdam en zijn volgelingen. Hij beweert dat alle eitjes die er zijn en zullen zijn oorspronkelijk in de eierstok van Eva zaten. De auteur geeft toe dat deze opinie weliswaar moeilijk te begrijpen is door de kleinheid van de menselijke geest, maar dat ze niet zo belachelijk is als op het eerste gezicht misschien lijkt. Een probleem is echter wel dat men met deze theorie niet kan verklaren hoe “monsters” (mismaakte kinderen) ontstaan, aangezien dat toch niet de positieve bedoeling van God geweest kan zijn.

De tweede opinie stelt dat God vanaf de eerste dag al de eitjes van de dieren en de planten schiep. Die eitjes verspreidden zich en gingen door poriën en dergelijke die daarvoor geschikt waren en vervolgens werden ze vruchtbaar gemaakt door het zaad van de man. De eitjes die in de man terechtkomen zijn bijgevolg niet vruchtbaar, want kunnen niet door de man zelf bevrucht worden. Het zou hetzelfde principe zijn als bij de planten, waarvan men ook overal op de grond zaden ziet liggen. Dionis meent echter dat de natuur op die manier steeds maar zou verzwakken door de vele verliezen. Hij is er wel van overtuigd dat alles in het universum uit eitjes komt, zelfs de planten.[176] Astruc geeft ook de eerste opinie weer, namelijk dat de basis van heel de mensheid in de eierstokken van Eva of in het zaad van Adam zat, maar hij gelooft hier zelf niet in.[177] Nochtans was de theorie van een soort oerkiem in Adam en Eva, waarin alle toekomstige kiemen al in zitten en steeds de ene kiem in nog kleinere vorm in de andere zit, heel populair in de 18de eeuw. J. Marx meent dat deze theorie verbonden was met het toen heersende algemene enthousiasme voor de microscopische wereld.[178]

Baudelocque mag dan van mening zijn dat er in zijn tijd een akkoord is bereikt over het bestaan van eitjes, vele andere auteurs zijn dat niet. Zeker rond de eeuwwisseling was er nog veel discussie over het bestaan van het eitje en daarmee gepaard, ook over de theorieën van bevruchting die het “bezwangeren” van het eitje centraal stelden. Zowel Verheyen als Dionis schenken veel aandacht aan het weerleggen van de tegenwerpingen van de tegenstanders van het eitje. Verheyen is voorzichtig en stelt eerst dat hij niet zeker is dat zijn mening (dat het eitje bestaat) de juiste is, maar dat ze volgens hem wel het best bewijsbaar is. Vervolgens somt hij een aantal betwistingen op en weerlegt ze.

 

1. Betwisting: de blaasjes die men in de eierstokken vindt kunnen geen eitjes zijn, want men vindt ze ook in zeer jonge en zeer oude dieren en die zijn immers niet vruchtbaar.

Weerlegging: dat die blaasjes ook in jonge en oude dieren gevonden worden, wil niet zeggen dat het geen eitjes zijn, want in de jonge dieren zijn deze al aan het groeien en in de oude dieren bevindt zich nog het overschot dat niet gebruikt werd.

 

2. Betwisting: de dieren die eieren leggen houden daar na het leggen geen sporen van over in hun eierstok, wat wel het geval is met de blaasjes bij vrouwen (hij doelt hier, zonder het te weten, op het gele lichaampje dat in de eierstok ontstaat na de eisprong).

Weerlegging: de situatie bij dieren die eieren leggen en bij mensen is niet gelijkaardig.

 

3. Betwisting: dieren die eieren leggen, “baren” ook windeieren, mensen doen dit niet, want dan zou men dat wel merken.

Weerlegging: misschien leggen mensen wel windeieren. Tijdens de menstruatie komen er immers klonters bloed uit de baarmoeder die groter zijn dan zo’n blaasje, dus zou men het niet zien. Bovendien leggen duiven ook geen windeieren en zit het eitje bij de vrouw vaster gehecht aan de eierstok dan bij dieren.

 

4. Betwisting: er is geen opening in de eierstok waar het eitje door zou kunnen.

Weerlegging: in het vlies rond het eitje zou een spleetje kunnen zitten dat in ontspannen toestand niet te zien is.

 

5. Betwisting: het eitje kan niet bewegen, want het zit overal vast aan de eierstok. Bijgevolg kan het er ook niet uitkomen om zich in de baarmoeder te nestelen.

Weerlegging: dat is niet waar. Een onrijpe appel zit ook stevig vast aan de boom, terwijl een rijpe appel er vanzelf afvalt.

 

6. Betwisting: als een vrouw eitjes had zou er meer overbevruchting moeten zijn, want dan kunnen er tijdens elke copulatie eitjes bevrucht worden.

Weerlegging: overbevruchting komt dan ook voor, maar alleen wanneer het eitje nog in de eierstok zit, daarna wordt deze afgesloten en kunnen er dus geen eitjes meer uit. In geval van overbevruchting zal er in ieder geval geen groot groeiverschil tussen de vruchten zijn.

 

7. Betwisting: als bevruchte eitjes via de eileider naar de baarmoeder gaan, waarom zit de eileider dan niet steeds vast aan de eierstok?

Weerlegging: in dat geval zou de eileider niet bewogen kunnen worden naar andere plaatsen. Bovendien is het niet nodig, want de invloed van de zaadgeesten zorgt altijd voor het omkrommen van de eileider.[179]

 

Vooral interessant is de uitleg over windeieren bij de mens. Zonder het te weten komt Verheyen heel dicht bij het ontdekken van de menstruele cyclus. Want wanneer er geen bevruchting plaatsvindt, zou men inderdaad kunnen spreken over het leggen van een windei, dat tijdens de menstruatie afgevoerd wordt. Als hij die redenering gewoon een klein beetje doorgetrokken had, zou hij al heel vroeg een idee gehad hebben van het bestaan van een cyclische beweging in het lichaam van de vrouw, maar waarschijnlijk was de tijd er nog niet rijp voor.

Ook Dionis bespreekt een aantal bezwaren van tegenstanders van het bestaan van het eitje en staat zelfs wat uitgebreider stil bij elke weerlegging.

 

1. Betwisting: hoe kan het vlies rond de eitjes scheuren en toch maar één eitje doorlaten?

Weerlegging: het vlies hangt niet volledig aan elkaar, het heeft een soort van poriën en vezels die makkelijk uitrekken zonder te scheuren. Men zou ook kunnen zeggen dat er meerdere vliezen aan elkaar hangen die terug kunnen gescheiden worden. Bovendien gebeurt die scheiding niet plots, maar beetje bij beetje, gelijklopend met de groei van het eitje. Tegen dat het eitje klaar is om te vallen, hangt het nog maar lichtjes vast en moet dus niet echt uit het vlies gerukt worden. Het is vergelijkbaar met rijp fruit dat nog maar lichtjes aan een boom hangt. Dit proces heeft hij met eigen ogen geobserveerd.

 

2. Betwisting: hoe kan de eileider de eierstok zo precies omhelzen dat het eitje niet in de onderbuik valt? Als de eileider dat niet kan, is het onwaarschijnlijk dat het de bedoeling van de eileider is om een eitje te vervoeren, want de natuur zou zo’n risico niet nemen.

Weerlegging: De eileider kan dat echter gemakkelijk, want als de eileider het zaad kan overbrengen naar de eierstok, kan hij natuurlijk ook het eitje overbrengen naar de baarmoeder. Wanneer de baarmoeder het zaad wil ontvangen trekt ze zichzelf naar beneden, naar de penis toe, samen met de ronde banden. De brede banden richten zich daarentegen op, verstijven en buigen zo naar de eierstok. Zij zorgen er door hun spiervezels bovendien voor dat de eileiders samentrekken zodat ze exact over de eierstokken terechtkomen. Daarna komt de baarmoeder terug recht en neemt de eileider ook terug zijn normale positie in.

 

3. Betwisting: als de theorie over het eitje klopt, dan zou het eitje na de copulatie terug te vinden moeten zijn in de baarmoeder en dat is niet zo, zoals blijkt uit experimenten met dieren. Als dit voor dieren geldt, geldt het ook voor mensen, want de natuur is uniform en maakt dat er geen verschil in voortplanting is tussen een vrouw en een vrouwelijk dier.

Weerlegging: men ziet de eitjes op dat moment inderdaad niet in de baarmoeder, omdat ze zich niet meteen losmaken uit de eierstok. Het eitje gaat pas na een bepaalde tijd via de wormachtige en trage bewegingen van de eileider naar de baarmoeder. Bewijs hiervoor vindt men door observaties bij dieren. De Graaf is de eerste die zijn observaties hierover vermeldde. Eén dag na de conceptie ziet men een ontsteking in de eierstok (dat is het ontstaan van het gele lichaampje) en twee dagen nadat de ontsteking op zijn hevigst is, waarbij de rand van de eierstok wordt gescheurd, vindt men een klein blaasje in de baarmoeder. Waarom zou dit bij een vrouw anders zijn? De eierstokken van de vrouw hebben immers dezelfde structuur als die van het dier. Dionis voegt hier nog aan toe dat het idee van eitjes bij de vrouw wel nieuw is, maar toch al aangeduid werd door de antieke geneesheren, zoals Hippocrates, die een wanvrucht van zes dagen oud vergeleek met een ei en Galenus hield altijd vol dat de natuur begon met de vorming van een vlies dat de foetus omringde.

 

4. Betwisting: een mens kan niet uit zo’n klein eitje komen, want zelfs een klein vogeltje heeft grotere eieren dan de blaasjes in de eierstok van de vrouw.

Weerlegging: dieren wiens eieren buiten hun li