| "L’homme noir". Pierre van Zuylen en het Belgisch Buitenlands Beleid 1930-1945. (Mathieu Magherman) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Hoofdstuk III: De Tweede Wereldoorlog
25 jaar nadat de Eerste Wereldoorlog zijn beslag had gekend, stond het Europese continent andermaal op de rand van de totale oorlog. Wat jarenlang verwacht werd, zou nu bewaarheid worden. Hitlers divisies stonden opgesteld aan de Westelijke grenzen van Nederland, Frankrijk en België. Elke natie was in de hoogste staat van paraatheid. Het was wachten op het eerste schot.
De Belgische bevolking had onder de Duitse dreiging de rangen gesloten. Uiterlijke schijn zo bleek later, want het land stond op de vooravond van wat haar einde had kunnen betekenen. Zowel volk als leiders waren verdeeld. De beslissing van Koning Leopold III om onder de Duitse bezetting in het land te blijven, zou de tweespalt alleen maar verergeren. De Koninklijke gevangenschap was het culminatiepunt van een jarenlang dispuut tussen Vorst en regering. Beide partijen hielden er een verschillende visie op na over binnenlandse en buitenlandse politiek. Evenzeer zaten ze op een ander spoor over de toekomst van onze nationale instellingen. De Koningskwestie was geboren.
Gezien de beperkte omschrijving van het onderwerp, valt het buiten onze opdracht om alle activiteiten van de Koning tijdens de oorlog aan te brengen. We willen de lezer er op wijzen dat we enkel die situaties waarin van Zuylen betrokken was, zullen aanhalen. Dit is inderdaad een zeer onvolledig verslag, maar voor de volledige en uitgebreide achtergrond verwijzen we graag naar het standaardwerk Leopold III: de Koning, het land, de oorlog van Jan Velaers en Herman van Goethem.[714]
België was sinds november 1939 een aantal malen opgeschrikt door onheilspellende berichten over een nakende invasie. Telkenmale bleek het loos alarm. Het zette volgens Fernand Vanlangenhove aan tot: “sorte d’accoutumance et de fatalisme”.[715] De Secretaris-generaal zag hierin de oorzaak van de verslapte reactie op de vernieuwde geruchten in de aanloop naar 10 mei.[716] Van Zuylen had op 8 mei van de Nederlandse Ambassadeur Kleffens indicaties ontvangen over een nakende inval. Ook vanuit Berlijn werden deze door Davignon bevestigd.[717]
Aan de vooravond van de invasie leken alle signalen te wijzen op het onvermijdelijke van de actie. De Nederlandse Ambassadeur belde die avond van Zuylen op met de melding dat er troepenbewegingen werden gesignaleerd aan de grens. De Directeur-generaal speelde het bericht door aan Pierlot, de Generale Staf en het Paleis. Onmiddellijk werd een crisisberaad belegd op het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Pierlot, Spaak, Minister van Defensie Denis, Graaf Capelle, Vanlangenhove, van Zuylen en auditeur-generaal Ganshof van der Meersch beslisten nog geen appel uit te sturen naar de garanten, maar hen wel op de hoogte te brengen van de ernst van de situatie.[718]
Om 4u35 in de ochtend van 10 mei bevestigde Generaal van Overstraeten de schending van het Belgische luchtruim door Duitse jagers. Een halfuur later begonnen Duitse grondtroepen hun aanval op de Belgische stellingen, kort daarop gevolgd door een landing van Duitse parachutisten op het fort van Eben-Emael. De invasie was begonnen. Enkele minuten later, om 5u10, bereikt Brussel het bericht dat Duitse vliegtuigen Jemelle bombardeerden. De regering wou het bericht eerst bevestigd zien alvorens Parijs en Londen op te roepen, maar zover kwam het niet. Terwijl de ministers nog steeds aan het bekomen waren van de eerste schok, loeide plots boven Brussel het luchtalarm. Onder het overdonderende geluid van de luchtartillerie werd van Zuylen opgedragen de garanten te contacteren.[719]
De dagen volgend op de Duitse inval verbleef van Zuylen op het Ministerie. Op vraag van Minister Spaak bleven Vanlangenhove, Le Ghait, van Zuylen en Costermans constant in de Wetstraat 8.[720] Van Zuylen toonde zich al snel bewust van de ernst van de situatie. Samen met zijn ondergeschikte Delvaux de Fenffe, besliste hij al op 13 mei om zijn familie naar Frankrijk te laten vertrekken.[721] De dag daarop drong van Zuylen er bij Capelle en Vanlangenhove op aan om de Brusselse instellingen te ontruimen. De Belgische linies stonden op springen. Eenmaal die doorbroken waren, lag de weg naar Brussel open. Het verzet van Generaal van Overstraeten maakte dat enkel de ondergeschikten toestemming kregen om hun posten te verlaten.[722] Van Overstraeten had op dat moment Koning Leopold opgedragen Pierre van Zuylen te ontbieden in zijn hoofdkwartier. De Generaal had bij de Koning een mogelijke capitulatie laten vallen. De eerste terugtrekkingen van de nationale strijdkrachten vonden plaats, het was tijd om na te denken over “zware beslissingen”, aldus de militaire adviseur.[723] Daarom drong hij er bij de Koning op aan om zo snel mogelijk de Directeur-generaal te roepen voor overleg. Een ontmoeting die uiteindelijk niet zou plaatsvinden. Van Zuylen had intussen samen met Vanlangenhove Brussel ingeruild voor Oostende en vreesde op zijn tocht naar het Koninklijke Hoofdkwartier in Duitse handen te vallen. In de telegram van de Koning stond dat hij Minister Spaak moest vergezellen om de gevolgen van de Nederlandse overgave te bespreken. Volgens Gobert d’Aspremont Lynden, de adjunct-kabinetschef van de Koning die hem 2 maanden later over zijn afwezigheid moest ondervragen, had van Zuylen niet door dat zijn aanwezigheid belangrijker werd geacht dan die van de Minister. Een tweede oproep enige tijd later had de geadresseerde nooit bereikt.[724]
Ook in Oostende werd het al snel te onveilig. Drie dagen later kregen de functionarissen het bevel zich op te maken om uit te wijken naar Frankrijk. Het zou duren tot 23 mei alvorens ze hun finale bestemming Poitiers hadden bereikt.[725] In het Hôtel de France zetten van Zuylen en Delvaux de Fenffe een centrale op om het contact met de buitenlandse posten te herstellen.[726]
Het nieuws van de Belgische capitulatie op 28 mei drong al snel door tot in Poitiers. Diezelfde dag gingen van Zuylen en Vanlangenhove op bezoek bij de net aangekomen Generaal Denis. Van de Minister van Defensie kregen ze het verhaal van de laatste dagen te horen. De nachtelijke discussie op het Kasteel van Wijnendale, de weigering van de Koning om te vertrekken en de uiteindelijke overgave. Later die dag werden Vanlangenhove, van Zuylen en Kabinetschef Le Ghait door Minister Spaak naar Parijs geroepen. De verzamelde Ministers hadden er net een bericht van de Koning ontvangen. Hij vroeg hen een blanco ondertekend Koninklijk Besluit op te sturen. Zo zou de Vorst een nieuwe Minister kunnen aanstellen om zijn politieke dekking te garanderen.[727] Diezelfde 28ste mei riep Fernand Vanlangenhove alle hoge functionarissen die in Parijs verzameld waren bijeen. De uitspraken over de Koning waren duidelijk: “nous devons constater que le Roi n’est plus en état de gouverner”.[728] Volgens de Secretaris-generaal vertegenwoordigde Premier Pierlot vanaf nu de Belgische regering: “[et] celui est fermement résolu à poursuivre la lutte”.[729]
Die dag vond van Zuylen in de coulissen van de Ambassade Minister August De Schryver terug. Beiden waren duidelijk onder de indruk van de antikoningsgezinde tendens die sinds de capitulatie overheerste. Een houding die ze afkeurden en beloofden te bekampen.[730] Fernand Muûls bevestigde later in zijn mémoires de ingesteldheid van van Zuylen om te pogen beide kampen te verzoenen.[731] Premier Pierlot had zich al afwijzend uitgesproken over de houding van Koning Leopold, maar ook de overgebleven parlementsleden eisten inspraak. In Limoges verzamelden de overgebleven senatoren en volksvertegenwoordigers voor een heftig debat. De eerder symbolische zitting moest dienen om duidelijk te maken dat de politici zich openlijk achter de regering schaarden en de Koning afvallig waren. [732] Van Zuylen was aanwezig op deze zitting.[733] De harde woorden ten aanzien van de Vorst en het opzeggen van de neutraliteit hebben wellicht een invloed gehad op de houding van van Zuylen in de daaropvolgende weken.
De Franse capitulatie van 18 juni was voor de Belgische regering in ballingschap een morele mokerslag. De ontreddering was compleet, ze bood haar ontslag aan aan de Koning, probeerde in contact te treden met Duitsland om te onderhandelen en begon voorbereidingen te treffen voor haar terugkeer. De Koning reageerde echter niet op de ontslagbrief en de bezettingsmacht verbood de regering om terug te keren naar België. De Ministers hadden niets om handen, alle banden met de buitenwereld waren verbroken. De drang om terug te keren werd gekortwiekt toen duidelijk werd dat de natie achter haar Koning stond en de regeringsleden werden beschimpt.[734]
Het verblijf van van Zuylen in Frankrijk zou van korte duur zijn. Duidelijk is dat Generaal van Overstraeten al op 29 juni 1940 aan de Koning suggereerde om Jacques Davignon en Pierre van Zuylen terug te roepen uit Frankrijk.[735] We vonden geen enkel bericht van het Paleis aan de Baron om zo snel mogelijk terug te keren. Vast staat wel dat van Zuylen zich kort na de oproep inzette om de terugkeer van de colonnes gevluchte ambtenaren te begeleiden. Op 10 juli zou hij de oversteek gemaakt hebben naar bezet Frankrijk.[736] Diezelfde dag nog was hij terug in Brussel, waar hij onmiddellijk contact had met Graaf Capelle, die zich ondertussen al verzekerd wist van van Zuylens openlijke steun aan de Koning.[737]
Baron van Zuylen zou al snel zijn rol als adviseur en vertrouwenspersoon van de Koning en zijn staf hernemen. De dag van zijn aankomst in Brussel gaf hij Graaf Capelle zijn visie op de voorstellen van Graaf Lippens. De regering-Pierlot had namelijk voorzien dat tijdens de bezetting een Comité van Secretarissen-generaal het bestuur zou overnemen. Graaf Lippens had al snel vragen gesteld bij de daadkracht en de efficiëntie van dergelijk bestuur. Het Comité slaagde er nu eenmaal niet in om een einde te stellen aan de heersende anarchie. Hij opteerde ervoor om een nieuw orgaan, een Nationaal Comité, op te richten. Dit zou als functie hebben de Secretarissen-generaal bij te staan, maar evenzeer het land te oriënteren. De motieven voor dit voorstel waren duidelijk: vooreerst moest het Comité als verlengde van de Koninklijke macht gezien worden. Alhoewel de Vorst krijgsgevangen was, en dus de facto niet in staat om te regeren en een regering aan te duiden, kon hij door zijn moreel gezag op die manier toch invloed op het bestuur blijven uitoefenen. Daarenboven was Lippens van mening dat men beter zoveel mogelijk bevoegdheden in handen hield, opdat de bezetter niet al te overmachtig in alle domeinen van het dagelijks leven zou kunnen ingrijpen. De raad van sterke leiders, aldus de Graaf, moest zich gaan bezighouden met Binnen- en Buitenlandse Zaken, Nationale Defensie, Justitie en Financiën. Dat Lippens beïnvloed was door de overheersende rechtse staatsideeën, kan niet ontkend worden. Het instellen van dergelijke raad kon een voorbode betekenen voor een reorganisatie van de staatsinstellingen waarin het leiderschap van de Koning duidelijker benadrukt werd.[738] Lippens had met de oprichting van het Nationaal Comité ook nog een buitenlands doel: hij oordeelde dat na de Franse capitulatie het nodig was om met de bezetter in overleg te treden. Wat was Hitler van plan met België? Zou hij overgaan tot een annexatie of zou hij Koning Leopold toelaten om de reconstructie van het land aan te vatten? Om deze opdracht tot een goed einde te brengen, wees Lippens Jacques Davignon aan als ideale man.[739]
Van Zuylen kon zich, alhoewel Capelle geen reactie noteerde op de onderhandelingsvoorstellen, vinden in de aanstelling van een Nationaal Comité. Het Comité van Secretarissen-generaal was volgens hem één van kabinetsmedewerkers: “pas préparés à une mission gouvernementale et ne possèdant pas sur le pays l’autorité morale requise”.[740] Zijn oordeel over de regering-Pierlot was dat die niet meer in staat was om de nationale soevereiniteit uit te oefenen. De Koning kon geen constitutionele macht meer uitoefenen, maar gezien hij in het land was gebleven om zijn volk bij te staan, had hij toch verplichtingen ten aanzien van de natie. De enige mogelijkheid die hij daartoe had, was het aanstellen van een beperkt comité dat, in afwachting van een nieuwe regering, de feitelijke autoriteit zou uitmaken.[741]
Enkele dagen na zijn thuiskomst, meer bepaald op 16 juli, had van Zuylen een gesprek over de regering met Generaal van Overstraeten. Volgens de Baron hadden Pierlot en de zijnen geen enkel belang meer. De dagen van de regering waren geteld. Diplomatiek gezien was de regering ten dode opgeschreven: “il n’existe plus, ni à l’égard des Français, ni à l’égard des Belges”.[742] Dat Spaak zijn kabinetschef Le Ghait en Secretaris-generaal Vanlangenhove naar Portugal had laten vertrekken, was daarvan het bewijs, aldus van Zuylen. Van Franse zijde verwachtte hij niet veel meer. De enige optie leek hem dan ook: “il faut donc tâcher de s’entendre résolument avec les Allemands”.[743] Ook hij schoof de naam van Davignon naar voor als tussenpersoon. Net als Lippens pleitte van Zuylen er voor om het departement van Buitenlandse Zaken opnieuw op te starten. Weliswaar louter op het vlak van economische betrekkingen, “[mais] de laisser sommeiller provisoirement la domaine politique, qui se contentera d’exister en silence”.[744]
4. Secretaris-generaal voor Buitenlandse Zaken
Na de Franse overgave op 18 juni 1940 werd steeds meer duidelijk dat Groot-Brittannië alleen de Duitse opmars niet zou kunnen stoppen. In Laken sijpelden de berichten binnen over de onmacht en de verslagenheid van de Belgische regering in Vichy. Koning Leopold III wou ondanks zijn status van krijgsgevangene inbreng hebben in het bestuur over bezet België. Het Nationaal Comité van Graaf Lippens leek niet meteen van de grond te komen, dus zette de Vorst zijn zinnen op het Comité van de Secretarissen-generaal. De Koning probeerde eerst Léon Bekaert, vertrouwensman van het Hof, als super-secretaris-generaal bevoegd voor Administratie aan te stellen. Militärverwaltungschef Reeder wees het voorstel echter af.[745]
Daarmee was de kous voor Koning Leopold nog niet af. Samen met van Zuylen was ook de nieuwe Directeur-generaal van Buitenlandse Zaken Costermans, als opvolger van Fernand Vanlangenhove, naar België teruggekeerd. Spaak had Costermans aangeduid om als geaccrediteerd Secretaris-generaal voor Buitenlandse Zaken op te treden. In de zitting van het Comité van Secretarissen-generaal van 12 juli werd de terugkomst van de Directeur-generaal besproken. Eigenlijk ging de discussie niet over de persoon van Costermans, maar over de mogelijkheid en de wenselijkheid het Ministerie van Buitenlandse Zaken opnieuw op te starten. De vraag bleek te zijn of een bezet land wel een Buitenlands Beleid kon hebben? Secretaris-generaal voor Openbaar Onderwijs Nyns stuurde aan op een positief antwoord: het land had namelijk nood aan ambtenaren om desgevallend de vredesvoorwaarden te bespreken en vast te leggen.[746]
In afwachting van het Duitse antwoord kwam vanuit het Paleis een lobbycampagne op gang om niet Costermans, maar Pierre van Zuylen als Secretaris-generaal naar voor te schuiven. Het belang van de functie zou bij vredesonderhandelingen niet te onderschatten zijn, zoals de Koning en zijn entourage al snel hadden ingezien. Op vraag van Kabinetschef Frédéricq werd de kandidatuur van van Zuylen door het Comité besproken. De Secretarissen-generaal kozen er echter voor de door Spaak aangeduide kandidaat aan de bezettingsmacht voor te dragen.[747] De discussie bleek achteraf een maat voor niets. De Militärverwaltung weigerde daartoe haar toestemming te geven. Het departement had geen feitelijke rol meer te spelen en Generaal Reeder achtte het bestaan ervan dan ook overbodig.[748] Van Zuylen bleef niet bij de pakken zitten. Op 12 augustus 1940, enkele dagen na het schrijven van Generaal Reeder, zocht hij contact met Robert Capelle. De Baron was op de hoogte van het negatief antwoord en drong er bij Capelle op aan dat Secretaris-generaal voor Openbare Werken Alexandre Delmer met het probleem bij Generaal von Falkenhausen, de Militärsbefehlshaber, zou gaan aankloppen. Van Zuylen zou Delmer, waarmee hij nog had samengewerkt in het dossier van het Maaswater[749], contacteren zodat hij op dezelfde lijn zou zitten. Hij drong eveneens aan op spoedig overleg met Capelle: “sinon on risque de faire des erreurs, peut-être graves”.[750] Nogmaals een duidelijk teken dat het Paleis veel belang hechtte aan het heropstarten van Buitenlandse Zaken, was het antwoord van Robert Capelle twee dagen later. De secretaris van de Koning maakte zijn bezorgdheid duidelijk: “On est tout à fait d’accord sur la nécessité de ne pas laisser sans réplique la non ratification des rentrées en fonctions [van het Ministerie van Buitenlandse Zaken] que vous m’avez signalé”.[751] Die ‘On’ moeten we niet in de passieve context interpreteren, deze verwijst namelijk rechtstreeks naar de Koning. Verder in de brief had Capelle het namelijk ook over de audiëntie waar van Zuylen om vroeg: “je suis heureux de vous faire savoir qu’On a l’intention de vous convoquer dans une quinzaine de jours. Si ce délai est fixé, c’est parce que l’On est actuellement un peu fatigué, que l’On a décidé de ne recevoir personne”.[752] Van politieke afzijdigheid door de Koning was hier dus helemaal geen sprake.
In het Archief van het Koninklijk Paleis vonden we een kopie van de brief van Delmer aan Generaal Reeder terug. Daarin bepleitte de Secretaris-generaal nogmaals de zaak van Buitenlandse Zaken: “Si, en effet, les hostilités entre l’Allemagne et l’Angleterre apportent des entraves à la marche normale de ce Département ou entraînent certaines précautions de la part de l’autorité occupante, il n’est pas contestable cependant que les Affaires Etrangères ont dans leur attributions une série de problèmes dont l’étude ou la négociation ne peuvent être arrêtées sans inconvénient grave pour les relations avec les Pays étrangers”.[753] Volgens Delmer waren er trouwens met de bezetter alleen al vele zaken uit te klaren. De afwezigheid van het departement zou schade toebrengen aan de noodzakelijke samenwerking tussen beide landen. Economische aangelegenheden werden reeds door de Ministeries van Landbouw en Bevoorrading en dat van Economische Zaken behandeld, maar Delmer pleitte er voor om medewerkers van Buitenlandse Zaken toe te laten de onderhandelingen te volgen. De Secretaris-generaal achtte het zowel in het belang van het land als van de bezetter, indien de buitenlandse belangen van België opnieuw door functionarissen van Buitenlandse Zaken werden behandeld. Delmer sloot zijn brief af met een verzoek aan Generaal Reeder: “Nous croyons à cet égard qu’un entretien avec le Baron van Zuylen, (…), démontrerait l’intérêt que trouverait la Militärverwaltung dans le maintien du Ministère des Affaires Etrangères”.[754] Of het onderhoud er gekomen is, konden we niet achterhalen. De kansen op een heropstarten van het Ministerie bleven klein. Dat deed het Comité van Secretarissen-generaal aanzetten om Buitenlandse Handel definitief onder te brengen bij Economische Zaken.[755] Het voorstel stuitte op hevig verzet bij van Zuylen. Volgens van Zuylen was Buitenlandse Handel: “le seul département qui représente la Belgique vis-à-vis l’étranger”.[756] De Baron geloofde duidelijk nog in een economische dekmantel voor een stille diplomatie vanuit het Ministerie. Hij bleef hameren op het behoud van de economische poot van Buitenlandse Zaken zonder dewelke de bezetter nooit het Ministerie zou laten functioneren. Onder Duitse druk zou het Comité in oktober 1940 Buitenlandse Handel toch overhevelen naar Economische Zaken.[757] Reeder had ondertussen het verzoek van Delmer van 31 augustus doorgestuurd naar Berlijn. Daar ontfermde Minister van Buitenlandse Zaken Joachim von Ribbentrop zich persoonlijk over de zaak. Het kwam het Paleis midden oktober 1940 ter ore dat deze echter niet positief stond ten aanzien van het voorstel. De diplomatieke assistent van von Falkenhausen, Werner von Bargen, deelde mee dat het wantrouwen niet te wijten was aan de houding van personen in bezet België, “mais est commandée principalement par l’attitude à l’étranger de la plupart des diplomates et consuls belges. D’après M. von Bargen, le plus grand nombre de nos agents à l’étranger continuerait à manifester de l’hostilité à l’Allemagne et, dès lors, on ne tient pas à ce que l’administration belge rétablisse le contact avec eux”.[758] De gedachte dat men vanuit België met het nieuwe Ministerie de diplomaten in de pas kon doen lopen, deed de Duitse diplomaat af als een illusie: er zou altijd achterdocht blijven bestaan ten aanzien van instructies uit bezet gebied. Burggraaf Joseph Berryer, de gesprekspartner van von Bargen, haalde aan dat dit niet zo zou zijn indien personaliteiten van het vooroorlogse Ministerie van Buitenlandse Zaken, van Zuylen en Davignon, de uitgaande berichten zouden ondertekenen, in plaats van Duitse marionetten. Werner von Bargen gaf toe dat vooraanstaande functionarissen van het Auswärtiges Amt voorstander waren van de reconstitutie van het Departement, maar vreesde toch dat von Ribbentrop er niet zou mee instemmen. Op de vraag of dit besluit geen zeer pessimistische boodschap stuurde over de toekomst van het land, was von Bargen formeel: deze beslissing ging louter over de binnenlandse administratie, hieraan alarmerende conclusies verbinden, zou te veel argwaan inhouden.[759] Wat we uit het onderhoud zeer duidelijk kunnen opmaken, is dat Berryer er geen doekjes om wond dat het Departement meer zou doen dan de bezoldigingen van de diplomaten en de Economische Zaken regelen. Alhoewel de woorden nooit gevallen zijn, ging het hier duidelijk om het sturen van politieke richtlijnen aan de posten in het buitenland. Vooralsnog werd het Ministerie echter niet heringericht.
Ondertussen hadden Davignon en Berryer, zo goed als zeker met medewerking van van Zuylen, in de Jozef II-straat te Brussel een twaalftal teruggekeerde diplomaten verzameld die een geïmproviseerde Directie Politiek hadden opgezet. Freddy Cogels nam er aan deel, maar betuigde weinig enthousiasme: “J’eus très vite l’impression que l’on s’y donnait de l’importance pour rien”.[760] Aan die activiteiten kwam een einde toen de Gestapo op het einde van het jaar een rapport van het bureau terugvond bij een huiszoeking bij Berryer. Davignon probeerde daarna een beperkter bureau open te houden. Haar taak bestond er vooral in informatie te verzamelen voor het Paleis en enkele Secretarissen-generaal.[761]
We kunnen het eens zijn met dr. Albert De Jonghe dat de campagne gestuurd vanuit het Hof, om Bekaert en van Zuylen in het Comité van Secretarissen-generaal te krijgen, vooral tot doel had inspraak te krijgen in het bestuur. Was de Koning daarin geslaagd, dan beheerste hij grotendeels de besluitvorming van het Comité. Het lobbywerk om het Ministerie van Buitenlandse Zaken opnieuw opgestart te krijgen, werd daarenboven duidelijk gedirigeerd vanuit het Paleis.
5. Koninklijke richtlijnen aan de diplomaten
De discussie over het hernemen van de activiteiten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken bleek niet uit de lucht gegrepen. Naast de bekommernis om de Belgische belangen optimaal te verdedigen bij mogelijke vredesonderhandelingen, ontving Brussel steeds meer alarmsignalen van Belgische diplomaten uit het buitenland. De functionarissen op post bleven zonder informatie van de regering. Zij moesten zich baseren op informele contacten die steeds terugkwamen op de breuk tussen de regering en de Koning. Vanaf juli zag het Paleis de noodzaak in om in te grijpen.
4.1 Diplomaten slaan alarm
De teruggekeerde Jacques Davignon had midden juli al bij Graaf Capelle gewag gemaakt van de moedeloze toestand van Minister Spaak. Hij had er bij Spaak op gehamerd om de diplomaten op post op te dragen zich uit de schijnwerpers te houden en onopvallend hun dagdagelijkse activiteiten verder te zetten. Spaak reageerde niet op de verzuchtingen van Davignon, die concludeerde dat: “nos agents diplomatiques dans le monde entier voguent à la dérive”.[762] Naarmate de dagen na de capitulatie verstreken, bleek hoe langer hoe meer dat de diplomaten even verdeeld waren als de regering en de Koning. Op sommige posten waren de medewerkers onderling vaak opgesplitst in twee kampen, wat natuurlijk de werking van de post en meteen ook het prestige van het land niet ten goede kwam.[763]
Midden juli stuurde Ferdinand du Chastel vanuit Athene een ware noodkreet uit. In zijn schrijven aan Graaf Robert Capelle vroeg hij hem de Koning om instructies te verzoeken. Hij nam het op voor de diplomaten die in de minder cruciale gebieden aan hun lot werden overgelaten. Du Chastel vroeg met aandrang de hervatting van de activiteiten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.[764]
De onmacht van de regering werd bevestigd in de memoires van Freddy Cogels. Deze Belgische diplomaat verbleef in juli 1940 aan de zijde van de regering. Haar contacten met Brussel, Londen, Vichy en Kongo waren verbroken. Cogels luchtte zijn hart aan een redacteur van Le Peuple: “Je déclarai en substance que mon ministre ne servait plus à rien et le gouvernement non plus, qu’il existait plus aucune Direction Politique pour personne”.[765] Zwaar ontgoocheld besloot de diplomaat terug te keren naar België.
Capelle bracht het probleem in een nota van 24 juli 1940 ter sprake bij de Koning. Naast het gebrek aan informatie voor de posten, wees hij ook voor het eerst op het probleem van de betaling van de functionarissen. Capelle benadrukte de noodzaak van een interventie: “il semble pourtant indispensable que nos agents ne restent pas dans cette situation équivoque, sans instructions et sans directives.”[766] Voor het briefen van de posten achtte de secretaris van de Koning het aangewezen: “de faire parvenir un message à un de nos agents à l’étranger (par example d’Ursel) et de lui prescrire d’envoyer des instructions à nos agents sans préciser d’où elles viennent”.[767]
d’Ursel was in juni al eens doorgeefluik geweest van een Koninklijke boodschap. Na de aantijgingen van de regering stond Koning Leopold er op zijn versie over de capitulatie aan de diplomaten kundig te maken.[768]
Het betalingsprobleem was echter nog nijpender. De berichten over posten die hun verblijven niet meer konden betalen, brachten verschillende missies in gevaar. Midden juli arriveerde een rapport van graaf Louis d’Ursel. Volgens hem was sinds de Duitse aanval geen enkel diplomaat meer betaald geweest.[769] Capelle adviseerde de Koning om aan te kloppen bij industriëlen met vestigingen in het buitenland.[770] Enkele dagen later schreef de secretaris aan van Zuylen dat Baron de Launait van de Banque de Bruxelles had voorgesteld om de diplomaten te onderhouden via Belgische industriële vestigingen in het buitenland. Voor de Launait stond het prestige van het land boven alles, en hij was bereid daarin ver te gaan.[771]
Van Zuylen zelf ontving ook signalen van de diplomaten. Pol le Tellier, de voorganger van van Zuylen als Directeur-generaal Politiek, stak zijn ongenoegen over deze ongemakkelijke situatie niet onder stoelen of banken: “Nous sommes dans l’ignorance de toutes instructions du Roi ou encore de décisions de l’organisme administratif belge constitué par les secrétaires généraux”.[772] De Ambassadeur in Parijs werd overstelpt door oproepen van collega’s om instructies, die slechts van hogerhand konden komen. Daarom oordeelde hij het aannemelijk dat de Secretarissen-generaal, in samenspraak met de Koning en de bezetter, de diplomaten zouden bevelen niet meer in contact te treden met de regering. Hij zag maar één uitweg: “une voix tout à fait autorisée en Belgique devrait indiquer directement et officiellement aux diplomates l’attitude qu’ils doivent prendre”.[773] Le Tellier had duidelijk alle vertrouwen in de regering Pierlot verloren. Hij stelde zelfs voor om op te treden als tussenpersoon en het ontslag van de regering door te spelen aan het Comité van Secretarissen-generaal. Desnoods zou hij het aanvaarden in zijn hoedanigheid van Ambassadeur van de Koning.
De Belgische regering zat in juli 1940 inderdaad in zak en as. Volgens Jean Stengers was Vichy toentertijd voor de regering synoniem aan: “[de] profond découragement, de tristesse et on pourrait presque dire de déchéance”.[774] De Ministers hadden zich tot de Koning gericht, maar die had geweigerd nog met hen om te gaan. Daarop hadden ze gepoogd in contact te treden met de Duitsers, maar Hitler had hun bestaan gewoon ontkend. Dat Spaak noch Pierlot instructies konden doorsturen naar de diplomaten, hing grotendeels samen met de onmacht die hen overvallen was. De Franse capitulatie had hen overdonderd. Het zou duren tot in augustus 1940 alvorens ze uit hun zelfopgelegde inactiviteit traden.[775]
Het was uiteindelijk de nota van Capelle van 24 juli die de Koning zou overhalen om in te stemmen met de suggestie om instructies via graaf d’Ursel door te seinen aan de diplomaten. Volgens Capelle verklaarde de Vorst zich in principe akkoord met de suggestie: “tout en précisant qu’il ne désirait pas s’associer à la rédaction des instructions à envoyer à L. d’Ursel”.[776] Koning Leopold III wilde niet dat hij het verwijt zou krijgen zich toch bezig te houden met politieke activiteiten.
Terwijl aan het Hof de entourage begon na te denken over de diplomatieke instructies, kwamen tegengestelde berichten uit Engeland en Kongo. Op 18 juni, de dag van de Franse capitulatie, had de regering Pierlot Minister van Koloniën Albert De Vleeschauwer aangesteld als Administrateur-generaal voor Kongo en de mandaatgebieden Rwanda en Urundi. Zijn taak bestond er volgens de besluitwetten vooral uit de belangen van België in Midden-Afrika te vrijwaren.[777] De Vleeschauwer nam zijn taak echter ietwat te letterlijk, zo oordeelde het Hof er althans over.[778]
De Vleeschauwer verliet Bordeaux en bereikte uiteindelijk na een tussenstop in Lissabon, Londen. In de Portugese hoofdstad had hij Fernand Vanlangenhove teruggevonden. In een persoonlijke getuigenis verklaarde Vanlangenhove dat hij De Vleeschauwer toen als zijn nieuwe Minister van Buitenlandse Zaken beschouwde.[779] VanlangenhoFve zou vanuit Londen samen met de nieuwe administrateur-generaal de politieke lijn voor de kolonie uitstippelen.
Van bij zijn aankomst in Londen op 4 juli toonde De Vleeschauwer zich vastberaden de oorlog aan Engelse zijde verder te zetten. Hij verzekerde de Engelse regering van de Kongolese hulp om Duitsland te verslaan.[780] De Vleeschauwer sprak zich echter vooralsnog niet uit over de deelname van de Force Publique in de strijd tegen Duitse en Italiaanse troepen in Afrika. Wel liet hij al snel in duidelijke termen uitschijnen dat hij het, voorlopig, enige wettelijke aanspreekpunt was voor Belgen in het buitenland. In een circulaire aan de Belgische diplomaten van 3 juni liet hij verstaan dat er geen gehoor moest worden gegeven aan berichtgeving die direct of indirect uit bezette gebieden afkomstig was. Vanlangenhove schreef op 4 juli de Belgische Ambassadeur in Washington, George Theunis, aan, om dit te bevestigen. “Il n’existe plus comme représentant autorisé du Gouvernement Belge, que M. De Vleeschauwer”, zo oordeelde de Secretaris-generaal, “c’est lui qui tient notre drapeau”.[781]
Terwijl de Administrateur-generaal zich in Londen begon in te werken, deed zijn ondergeschikte gouverneur-generaal in de kolonie veel voortvarender uitspraken. In zijn 21-juli-toespraak had Pierre Ryckmans verklaard dat de regering slechts één programma had: de oorlog te winnen om België te bevrijden. Winnen kon volgens hem enkel aan de zijde van Groot-Brittannië. De Belgische inbreng in de overwinning zou bestaan uit de Kongolese bijdrage, en deze hield voor Ryckmans zowel grondstoffen als soldaten in.[782] Eind juli kon De Vleeschauwer een brief smokkelen naar Koning Leopold III. Daarin zette hij zijn doelstellingen uiteen, en meteen werd duidelijk dat deze minder ver gingen dan de visie van Ryckmans. Van militaire steun was in het schrijven geen sprake, de Minister sprak louter van economische collaboratie met Engeland.[783]
5.2 De Kongo-nota’s
In de Koninklijke kringen werd gevreesd dat de houding van De Vleeschauwer, Vanlangenhove en Ryckmans de kolonie, en bij voorbaat België, zouden meesleuren in een oorlog met Italië. Daarenboven kon de verderzetting van de strijd politieke gevolgen hebben voor bezet België. Gevreesd werd dat Hitler furieus zou reageren. De angst zat er goed in dat dit zou leiden tot de deportatie van de Koning, waardoor meteen een strenger regime aan de bevolking zou opgelegd worden.
Na de nota van 24 juli van Graaf Capelle, had de Koning zich akkoord verklaard om instructies rond te sturen naar de diplomaten in het buitenland.[784] Voorwaarde was dat hijzelf er niet in betrokken zou raken. Het is wel niet zo dat de privé-secretaris onmiddellijk werk maakte van het opstellen ervan. Althans niet in het bijzijn van Baron van Zuylen. Bewijs daarvan is een brief van van Zuylen aan Capelle van 12 augustus. Daarin schreef de Baron dat hij al veertien dagen tevergeefs contact zocht met Capelle.[785]
Kort na de brief van van Zuylen, ontving de Koning wel een nota over de diplomatieke situatie van de Belgische kolonie. Een niet-ondertekende nota werd op 14 augustus op het Paleis te Laken afgegeven. Volgens de auteur stond Minister De Vleeschauwer onder Britse druk om de Kongolese middelen in te zetten in de oorlog. Hij oordeelde het van groot belang na te gaan of er geen tegenmaatregelen dienden in acht genomen te worden om deze druk af te wimpelen. Het gevaar dat de kolonie zou betrokken raken in acties tegen de Italianen in Oost-Afrika bleef namelijk imminent. Italië was tot op heden niet in oorlog met België en dit moest volgens de auteur zo blijven. Londen had er alle belang bij Kongo te gebruiken als bijkomend operatiegebied tegen de Italianen.[786]
Tien dagen later verwoordde de auteur dezelfde vrees, doch stelde hij zich nu harder op. Indien het tot een gewapend conflict zou komen met Italië, zouden de gevolgen voor Kongo verschrikkelijk zijn. In de nota stond duidelijk dat indien Duitsland dan de overhand zou halen, Kongo zo goed als zeker zou afgenomen worden van België. Hielden we daarentegen een defensieve ingesteldheid aan, dan kon niemand ons iets verwijten, aldus de auteur. Volgens hem moest de Administrateur-generaal zo snel mogelijk gecontacteerd worden om hem te doen af zien van zijn voornemens.[787]
Luc Schepens verkondigde in zijn boek Dagboek van een conflict dat van Zuylen “met grote waarschijnlijkheid” kon aangewezen worden als de auteur van beide nota’s.[788] Velaers en van Goethem stelden zich daar - terecht - vragen bij. In hun boek verwijzen ze naar de tweede nota waarin expliciet om het advies van van Zuylen werd gevraagd.[789] De twijfel van Velaers en van Goethem kunnen we nu omzetten in zekerheid. Octave Louwers en niet Pierre van Zuylen, is de auteur van beide documenten. Louwers werd in het kader van het onderzoek naar Graaf Capelle na de oorlog ondervraagd. Daarbij verklaarde hij aan de krijgsauditeur: “ces deux notes ont été rédigées par moi motu proprio”.[790] Louwers was een vroegere ondergeschikte van Baron van Zuylen. Hij hield zich voornamelijk bezig met Koloniale Zaken op het Ministerie. In 1936-1937 werkte hij samen met van Zuylen in het dossier omtrent het vastleggen van de grenzen van de Kongo-stroom met de Portugezen.[791] Dat van Zuylen helemaal geen rol heeft gespeeld in de nota’s is daarentegen niet helemaal uit te sluiten. In hun respectievelijke ondervragingen ontkenden van Zuylen, Louwers en Davignon dat zij voor het opstellen van de memoranda onderling overleg hadden gepleegd. Kritische zielen dienen natuurlijk het zelfbehoud hier in aanschouw te nemen. De verhoren duiden allemaal aan dat iedereen elkaar indekte. Niemand wou na de oorlog verantwoordelijk gesteld worden voor de gebeurtenissen die het land hadden verscheurd. Niemand noemde namen, iedereen ontkende.
De roep om richtlijnen uit Brussel weerklonk steeds harder. De Belgische ambassadeur in Frankrijk, Pol Le Tellier, had van Pierlot en Spaak opdracht gekregen om zijn functies over te dragen aan een consul. Daarmee wilden beide Ministers ingaan op de vraag van het nieuwe Franse regime om de Ambassade te sluiten. Le Tellier kon daar niet mee akkoord gaan en richtte zich op 26 augustus in een schrijven tot de Koning: “l’ambassadeur désirerait recevoir de toute urgence des instructions du Collège des Secrétaires Généraux, seule autorité belge qualifiée pour donner une direction dans une question qui concerne la mission d’un ambassadeur du Roi”.[792] Capelle was zelf geschrokken van de harde verwoordingen van de Ambassadeur: “l’ambassadeur, qui est en contact journalier avec les ministres, substitue, de lui-même, leurs pouvoirs à ceux des secrétaires généraux”.[793] Met de duidelijke omschrijving als zijnde Ambassadeur van de Koning, benadrukte Le Tellier zijn loyaliteit aan de Koning. In overleg met Davignon, d’Aspremont en van Zuylen werd Le Tellier opgedragen geen gehoor te geven aan de instructies van Pierlot en Spaak. Zwichten onder de druk en de Ambassade sluiten, zou een gevaarlijk precedent vormen. Alle andere Belgische posten in het buitenland zouden daarmee in gevaar komen.[794]
5.3 De correspondentie van Bern
Zoals eerder aangehaald had de Koning op 28 juli zijn formele goedkeuring gegeven aan de suggestie van zijn privé-secretaris om via een schrijven aan Graaf d’Ursel, de Belgische Ambassadeur in de Zwitserse hoofdstad, de andere diplomaten richtlijnen door te geven. Nu we de achtergrond geschetst hebben, kunnen we de briefwisseling zelf onder de loep nemen. Op 28 augustus zou Capelle de instructies doorsturen aan d’Ursel. De bewuste brief vonden we terug in de recent gerecupereerde documenten van Koning Leopold III. Deze waren tot op heden niet open voor onderzoek. Het Secretariaat van de Koning deed daarenboven ook bijzonder geheimzinnig over het document. Dr. De Jonghe merkte schrander op dat in haar publicatie van Recueil de documents de inhoudsopgave van Annexe 156 naar Annexe 158 springt. 158 zijnde de eerste brief van d’Ursel.[795] Dat d’Ursel het doorgeefluik was van deze operatie, hoeft niemand te verwonderen. Vooreerst had de Ambassadeur in het neutrale Zwitserland nog enige manoeuvreerruimte en daarenboven waren de banden tussen Capelle, d’Ursel en van Zuylen hartelijk te noemen. d’Ursel had voor de oorlog bij Capelle al eens zijn beklag gedaan over de Ministers, dus ook op dat vlak kwamen ze overeen. Hij had zich vooral geërgerd aan het éénrichtingsverkeer in de correspondentie met Brussel. De Ambassadeur had het diplomatiek netwerk met de bloedsomloop vergeleken. Alleen stuwde het Brusselse hart de opgeslorpte informatie niet opnieuw door aan de aders.[796] In Bern stond de man trouwens bekend als ultraroyalist en “an honest pessimist”.[797]
Capelle maakte in zijn brief duidelijk dat hij elke week samen met van Zuylen en Davignon vergaderde om de situatie te bespreken en hun inlichtingen te verzamelen. Hij hamerde er bij d’Ursel op dat zijn informatie van kapitaal belang was voor de Koning: “Vous êtes notre seule fenêtre sur l’air libre”.[798] Over de toekomst van het land toonde Capelle zich voorzichtig optimistisch: “l’impression générale est que notre indépendance politique pourrait, en partie du moins, se retrouver”.[799]
Na een eerder persoonlijk schrijven aan de Ambassadeur veranderde het taalgebruik in de laatste alinea’s plots. Aan de tekst is duidelijk te zien dat deze later is getypt dan de inleiding. Wellicht was het eerste deel individueel voorbereid door de secretaris, waarna na overleg een algemene tekst werd toegevoegd. De toon van dit onderdeel was meteen gezet: “Le gouvernement Pierlot est en liquéfaction, et comme vous le pensez, nous n’avons jamais admis sa thèse d’une alliance”.[800] Frankrijk en Engeland waren onze garanten, maar onze wederdienst beperkte zich tot de verdediging van het eigen grondgebied, zo oordeelde Capelle. Toen onze strijdkrachten in een uithoek van het land waren samengedreven, legde België de wapens neer. Sinds de ochtend van 28 mei was België niet meer in strijd met Duitsland. De berichten die regeringsleden verspreidden vanuit Londen en Lissabon, waren dan ook strijdig met de belangen van het land. Capelle noemde de pogingen van De Vleeschauwer om Kongo in de oorlog te betrekken, afkeurenswaardig. “Nous estimons que notre colonie doit observer une absolue neutralité – qu’elle doit maintenir au commerce le principe de la porte ouverte”, aldus de brief. Daarmee ging de privé-secretaris lijnrecht in tegen de plannen van de Minister van Koloniën om de koloniale grondstoffen te reserveren voor Groot-Brittannië. Hij protesteerde daarenboven met klem tegen de plannen om de feitelijke opdracht van de Force Publique, namelijk de openbare orde te handhaven, te verloochenen, en hen te laten deelnemen in de strijd aan de zijde van de Engelsen.
Capelle vroeg d’Ursel om zijn contacten met de andere diplomaten te hernemen. Hij herinnerde er hem nogmaals aan dat België niet meer in oorlog was met Duitsland. Omtrent de omgang met Duitse diplomaten gaf hij de Ambassadeur volgende raad mee: “Sans avoir des relations ‘cordiales’ (…), j’estime qu’il est de l’intérêt commun qu’il existe des relations ‘courtoises’”.[801] Met deze houding zou België haar politieke rechtlijnigheid duidelijk maken, en daarenboven zou de informatievergaring veel makkelijker verlopen. Capelle droeg d’Ursel ten slotte op het voorgaande door te sturen aan zijn collega’s in het buitenland. Hij hoedde er zich duidelijk voor om de termen ‘instructies’ of ‘richtlijnen’ neer te pennen. Capelle verklaarde na de oorlog dat het niet om instructies ging, “mais des simples indications”.[802]
d’Ursel stuurde zoals gevraagd de “indicaties” door aan zijn collega’s. Hij deed dit echter in twee étappes. Op 6 september verstuurde hij een persoonlijke brief aan enkele van zijn collega’s. Op 12 september adresseerde hij alle diplomaten zonder onderscheid. De twee brieven beantwoorden volledig aan de opgegeven tekst van Capelle. Het is zinloos ze hier helemaal te herhalen.[803] Wat wel nog belangrijk is om op te merken, is het bezoek van Davignon aan d’Ursel de dag voor het versturen van de tweede brief. d’Ursel wou zeker zijn of de richtlijnen niet veranderd waren sinds 28 augustus. Davignon deed niets meer dan de inhoud ervan bevestigen. Davignon vestigde er wel nogmaals de nadruk dat de alliantie-these van de regering niet door hen erkend werd: “le Professeur attache une grande importance à cette thèse”.[804] Le Professeur was de man boven l’Agrégé, niemand minder dan de Koning zelf.
Opvallend is wel dat de Ambassadeur te Bern enkel in het eerste schrijven verwijst naar de afzender van de brief van 28 augustus: l’Agrégé. Volgens d’Ursel komt deze elke week samen met: “Le Noir et Jacques pour échanger vues et renseignements avec eux”.[805] De brief die wij aantroffen op het Paleis maakte geen gebruik van de codetaal om de oorsprong ervan te beschermen. Daarom gaat het wellicht om een kladversie die later gecodeerd werd door de privé-secretaris. In zijn nagelaten geschriften verklaarde Capelle namelijk: “la missive ne contenant aucun nom – en finale – mais elle était rédigée de telle façon que L. d’Ursel ne pouvait avoir aucun doute quant au nom de son expéditeur”.[806] Capelle wist ook dat de namen van Davignon en van Zuylen in de gehele Belgische diplomatie bekend waren. Beiden hadden een lange staat van dienst en genoten groot aanzien, het feit dat indirect naar hen verwezen werd in de brief, maakte dat de geloofwaardigheid ervan versterkt werd. De aangewende codetaal moest er enkel en alleen voor zorgen dat niet-ingewijden via de namen van Capelle, Davignon of van Zuylen de link konden leggen met de Koning. De instructies van de Vorst werden strikt nageleefd.
Van Zuylen en Davignon hebben alle betrokkenheid bij het opstellen van de Bern-richtlijnen steeds met klem ontkend. Beiden werden door Max Huwart, Auditeur-generaal van het Krijgshof, ondervraagd naar aanleiding van het onderzoek naar Graaf Capelle. Zowel Davignon als van Zuylen verklaarden dat ze in die tijd regelmatige contacten hadden waarbij zij de situaties op dat moment bespraken. Maar steeds wanneer het op de brief van Capelle aan d’Ursel ter sprake kwam, ontkenden beiden er enige inbreng in te hebben gehad. Van Zuylen verklaarde: “je n’ai pas été mêlé à l’inspiration, à la rédaction et à l’envoi de la lettre du Comte Capelle [à L.d’Ursel]”.[807] Volgens Davignon discussieerden ze op de bijeenkomsten over de verwarde toestand van het moment, maar over de brief was hij formeel: “j’affirme qu’il n’y a eu entre nous aucun concert pour établir le texte de la lettre que le Comte Capelle a adressée à notre Ministre à Berne”.[808] Capelle ondersteunde hun verklaringen door zelf aan te geven dat hij zich enkel op de ideeën van de twee baseerde om de brief te schrijven. Van Zuylen en Davignon hadden weliswaar beaamd om een bericht te sturen om de verwarring onder de diplomaten tegen te gaan, maar hadden zich niet ingelaten met de feitelijke uitwerking. Om de details van het bericht te preciseren had Capelle geen contact meer gezocht met de twee diplomaten. Eenmaal het bericht was opgesteld, stuurde hij het aan niemand anders door dan aan d’Ursel.[809]
Deze verklaringen zomaar slikken, zou gelijk staan met de waarheid geweld aandoen. d’Ursel gaf in zijn verhoren al te kennen dat net de betrokkenheid van van Zuylen en Davignon voor hem bevestigden dat de visie van Capelle onderbouwd was door zijn collega’s. Op de vraag of Capelle wel bij machte was om dergelijke instructies rond te sturen, had de Ambassadeur verklaard: “il est certain que le Comte Capelle seul n’avait aucun pouvoir pour m’adresser des instructions, mais étant donné que le Comte Capelle avait des échanges de vues fréquentes avec le Baron van Zuylen (…) et le Vicomte Davignon (…), j’étais certain que les instructions (…), étaient le reflet de la pensée de mes deux collègues”.[810] De inbreng van de twee diplomaten was met andere woorden voor d’Ursel het teken om de adequaatheid van de richtlijnen aan te nemen. Van Zuylen deed nog een laconieke poging om d’Ursels opmerking te ontzenuwen. Op de vraag van Auditeur-generaal Huwart waarom d’Ursel dan wel zo overtuigd was van de betrokkenheid van Davignon en hemzelf, antwoordde de Baron: “elle ne peut provenir que d’une mauvaise interprétation de la phrase ou il est dit que le Comte Capelle réunit chaque semaine chez lui ‘le Noir et Jacques’(…)”.[811] Over de verwijzing naar zijn persoon kon geen twijfel bestaan. Iedereen wist dat van Zuylen in de wandelgangen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken bekend stond als ‘l’homme noir’. Van Zuylen was zich daar maar al te bewust van. Enkele jaren eerder hij dat zelf nog verteld aan Graaf Capelle.[812]
Capelle nam steeds de volle verantwoordelijkheid op zich.[813] De betrokkenheid van de twee diplomaten uit de Koninklijke entourage minimaliseerde hij steeds tijdens zijn verhoren. Zijn poging om de houding van Spaak aan te wenden als rechtvaardiging voor de brief, werd in volle Koningskwestie al weggelachen.[814] Uiteindelijk gaf Capelle in zijn niet-gepubliceerde memoires indirect de betrokkenheid van Davignon en van Zuylen toe: “Tous ceux qui avaient collaboré à la mise sur pied des principes contenus dans cette lettre – sans en arrêter les termes – se défilèrent et jurèrent qu’il n’y étaient pour rien. C’était matériellement exact, puisque c’est moi qui ai écrit (…) cette lettre”.[815]
Dat Koning Leopold instemde met het sturen van de “indicaties”, toonden we eerder al aan. Opmerkelijk is dat Capelle in diezelfde gedenkschriften indirect de Koning toch linkt met de Bern-richtlijnen. Capelle schreef dat hij, ondanks de verwoede pogingen van de Auditeur-generaal, er alles aan gedaan heeft om de Koning te beschermen. Hij beschouwde het als zijn plicht de Vorst in te dekken. Eindigen doet hij met een sneer aan de Koning: “Personne ne me témoigne de reconnaissance, chacun s’efforçant d’éloigner de soi le plus difficultés possibles. J’ai fait mon devoir, ma conscience est tranquille…”.[816]
d’Ursel heeft officieel nooit de band durven leggen met de Koning. Informeel had hij tijdens de oorlog al aan de latere privé-secretaris van de Koning, Jacques Pirenne, laten verstaan dat hij er wel van uit was gegaan dat de richtlijnen van Capelle ingegeven waren door de Koning.[817] Verrassend is dat van Zuylen het toch aandurfde, zij het informeel, de Koning als inspirator van de instructie te noemen. Huwart ondervroeg van Zuylen in december 1946 over de zaak. De Auditeur-generaal vroeg hem of Capelle aan de basis lag van de rondzendbrief van d’Ursel. Van Zuylen riposteerde dat hij daar enkel wilde op antwoorden indien zijn woorden niet zouden worden opgenomen in het proces-verbaal. Huwart stemde daartoe in. Capelle noteerde wat toen volgde:
“PvZ: A votre question, je réponds: oui et non.
H: Comment? Oui et non?
PvZ:C’est Capelle qui a écrit la lettre. C’est le Roi qui l’a inspirée.
H: M. Gutt m’a affirmé que le Roi n’y était pour rien.
PvZ: Qu’en sait-il? Il était à Londres. J’étais à Bruxelles… D’ailleurs je vais vous donner la preuve de ce que j’avance: cette lettre a eu un certain ressentiment. Si Capelle l’avait écrite à l’insu du Roi, croyez-vous que le Roi l’aurait admis et aurait gardé Capelle à son service jusqu’à la fin de la guerre? Etant donné la jalousie dont Capelle était l’objet dans certains milieux et chez certaines personnes au Palais même, croyez-vous que des plaintes n’auraient pas été adressées au Roi, si l’on avait su que Capelle avait agi contrairement aux vues du Roi?”[818]
Een uitspraak waar Robert Capelle hem duidelijk zeer dankbaar voor was.[819] Dr. De Jonghe bevestigde dat Capelle het nooit zou gewaagd hebben de Koning woorden in de mond te leggen zonder dat hij die had uitgesproken.[820]
Koning Leopold III heeft nooit toegegeven iets te maken te hebben gehad met de hele zaak. In zijn persoonlijke mémoires behandelt hij het onderwerp nog steeds met grote voorzichtigheid: “Men geeft dus instructies in die zin aan graaf d’Ursel (…), die opdracht krijgt ze door te spelen aan onze buitenlandse vertegenwoordigers”.[821] Dat hij in krijgsgevangenschap verkeerde, bemoeilijkte de mogelijkheid om naar buiten te treden. Gelukkig had de Koning naar eigen zeggen op dat ogenblik enkele diplomaten met de rang van Ambassadeur rond zich: “wiens vaderlandsliefde men nooit kan en overigens nooit zal in twijfel trekken”.[822] Van Zuylen was, aldus de Koning, één van hen. De Baron deelde de mening van de Koning om het land niet verder in het conflict te laten meesleuren. “Het land is nog steeds in oorlog met Duitsland. Dit zal zo blijven zolang het Belgisch grondgebied door de invallen bezet blijft. Maar moeten wij nog elders op het oorlogstoneel verschijnen? Dat gaat onze krachten te boven. Gelet op de omstandigheden hebben wij daar ook geen enkel belang bij. (…) De belangen van het vaderland kunnen toch niet zomaar samenvallen met die van Frankrijk of Groot-Brittannië.”.[823] Verder dan dat hij zich verplicht voelde raad te geven, kwam de Koning niet. Uiteindelijk heeft Jean Stengers in zijn studie over de oorlogspolitiek duidelijk gemaakt dat hij wel degelijk betrokken was in de zaak. Het bezoek van Jacques Davignon aan d’Ursel van 11 september bewijst dit inderdaad.[824]
De Bern-richtlijnen zijn na de oorlog één van de speerpunten geworden van de anti-leopoldisten. Voor het eerst werd duidelijk dat de koninklijk entourage er van uit ging dat Duitsland de oorlog zou winnen. In het slechtste geval zou het tot een compromisvrede komen tussen Engeland en Duitsland. De Duitse hegemonie zou voor jaren verzekerd zijn. Alles moest dan ook in het werk gesteld worden opdat niets Hitler negatief zou stemmen. De koninklijke adviseurs gingen er van uit dat er alleen maar voordelen verbonden waren aan een, tenminste, neutrale houding ten aanzien van het Derde Rijk.
5.4 De reacties uit het buitenland
Dat een reactie van de regering op zich liet wachten, valt te verklaren uit het feit dat Spaak en Pierlot slechts vanaf 22 oktober 1940 in Engeland aankwamen.[825] De reactie kwam uit een andere hoek: het waren de diplomaten zelf die d’Ursel van antwoord dienden.
George Theunis, Buitengewoon Ambassadeur in Washington, was bikkelhard in zijn brief aan d’Ursel. Op 9 oktober schreef hij: “Votre lettre trahit donc une arrière-pensée politique que l’on pourrait résumer dans les termes suivants: il faut se mettre le plus rapidement possible du côté du plus fort”.[826] Dat de Ambassadeur te Bern het gezag van de regering ondermijnde, vond hij ongehoord. Er was maar één regering en de Koning kon vanuit zijn krijgsgevangenschap geen enkele politiek daad stellen. Theunis vroeg zich dan ook af van wie de instructies wel kwamen? Van het Comité van Secretarissen-generaal leek het hem alvast niet te komen, die waren sowieso al als onmachtig aan te zien. Hij stelde zich de vraag of deze dan niet rechtstreeks van de bezetter kwamen?[827] Theunis stond in contact met de regeringsleden die zich toen al in Londen bevonden. Minister van Financiën Camille Gutt twijfelde er niet aan dat d’Ursel de Koninklijke loopjongen was. Gutt stond er op om d’Ursel in het gareel te laten lopen. Ofwel zou d’Ursel de politiek van de regering aannemen, of hij zou zijn post moeten verlaten.[828] Niemand ging er van uit dat d’Ursel op eigen houtje had gehandeld. De Ambassadeur had volgens anderen trouwens geen idee hoeveel opschudding hij wel veroorzaakt had met zijn ‘instructies’. “Il a sans doute obéi tout simplement à Mr. Le Directeur Générale des Affaires Politiques (allias l’homme noir)”, zo schreef de Belgische Ambassadeur te Lissabon, de Lichtervelde in 1941 aan Fernand Vanlangenhove.[829]
Duidelijk is dat de Bern-richtlijnen niet zomaar overgenomen werden door het merendeel van de Belgische diplomaten. Vanuit de Bulgaarse zending kwam het bericht dat deze zich enkel zou houden aan de orders van de regering Pierlot. Athene en Stockholm lieten weten acte te hebben genomen van het schrijven.[830] De politieke impact op de diplomaten bleef volgens Jeans Stengers vrij beperkt, mede dankzij de reactie van Theunis. Het zou wachten zijn tot 6 december alvorens er een officieel tegenbericht kwam van de regering.[831]
5.5 van Zuylen laat van zich horen
Van Zuylen had zich eerder in zijn brief van 12 augustus aan Robert Capelle geërgerd aan het feit dat hij nog steeds niet ontvangen was door de Koning. Hij had onmiddellijk gehoor gegeven aan de oproep om terug te keren naar België, maar sedertdien had de Vorst niets van zich laten horen. Terwijl anderen, die nota bene later teruggekeerd waren dan hij, al bij de Koning hadden mogen komen. Hij stond op zijn strepen: “Je suppose que si on me rappelle, on a certaines choses à me dire, ou certains voeux à exprimer au sujet de mon autorité”.[832] Het antwoord viel twee dagen later al in de bus, de Koning was vermoeid en zou hem pas binnen twee weken kunnen ontvangen.[833] Van Zuylen zou uiteindelijk uitgenodigd worden voor een audiëntie op 5 september.[834] Van het onderhoud, als het er al gekomen is, konden we geen documenten terugvinden.
Terwijl d’Ursel vanuit Bern de Koninklijke “indicaties” rondstuurde, zorgde de situatie in Kongo opnieuw voor onrust in Brussel. De Vleeschauwer had zoals eerder aangehaald de Koning een brief kunnen laten bezorgen om zijn standpunt over de Belgische oorlogsinspanningen uiteen te zetten. De reactie van Capelle via d’Ursel was bedoeld voor de diplomaten, tezelfdertijd contacteerde Louis Fredericq, de Kabinetschef van de Koning, Minister De Vleeschauwer via Le Tellier en d’Ursel.[835]