"L’homme noir". Pierre van Zuylen en het Belgisch Buitenlands Beleid 1930-1945. (Mathieu Magherman)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Hoofdstuk II: De Onafhankelijkheidspolitiek

 

1. Inleiding

 

De Verdragen van Locarno hadden West-Europa in een vredesroes doen verzinken. De hoop bestond erin dat met het Rijnpact Duitsland haar nederlaag van ’14-’18 had toegegeven en haar revanchegevoelens had opgeborgen. De euforie bereikte haar een climax met het afsluiten van het Briand-Kellogg-pact in 1928. Oorlog zou nooit meer aangewend worden om diplomatieke geschillen te beslechten. De ontspannen internationale sfeer deed de economie in versneld tempo draaien. Een nieuw afbetalingsplan voor de Duitse oorlogsschuld kwam als een kers op de taart. De vreugde was echter van korte duur. De Krach van Wall Street in oktober 1929 bracht de wereld met beide voeten op de grond. Een economische depressie van nooit geziene omvang overspoelde de kapitalistische landen en had een diepgaande invloed op de politiek van de getroffen staten. Het internationalisme moest opnieuw plaatsmaken voor het nationaal belang. De Volkenbond kon in dergelijke egocentrische wereld louter machteloos toekijken. De Japanse inval in Mantschoerije in 1931 was de eerste stap in een geleidelijke ondermijning van de Volkenbondprincipes. Datzelfde jaar vroeg Berlijn opschorting van betaling van de herstelbetalingen, maar al snel werd duidelijk dat zelfs met een moratorium Duitsland niet bij machte was het afbetalingsplan verder af te lossen. De economische crisis die de Weimar-republiek trof, werd uiteindelijk de ideale voedingsbodem voor Hitlers nationaal-socialisme.[189]

 

Het Frans-Belgisch Militair Akkoord van 1920 hing nog altijd als een zwaard van Damocles boven België. De directe band met Frankrijk bracht Brussel langzaamaan in nauwe schoentjes. Parijs had sinds 1920 niet stilgezeten: het had allianties afgesloten met Polen in 1921 en Tsjecho-Slowakije in 1924. De vriendschapsakkoorden met Roemenië en Joegoslavië verbonden de Fransen in Oost-Europa. België vreesde nu dat Parijs het Militair Akkoord zou misbruiken om haar Oost-Europese bondgenoten ter hulp te snellen.[190] Parijs zag het Akkoord als een essentieel onderdeel van haar grensverdediging. Het was het Noordelijk sluitstuk van de Maginot-linie die sinds 1929 de Duitse grens omvatte. De Belgische Ardennen stonden in Franse legerkringen bekend als de zone de destruction.[191]

Het Akkoord bedreigde België niet enkel internationaal, maar even goed nationaal. Het dreef een wig tussen Vlamingen en Walen. Om de gemoederen te bedaren moest er duidelijkheid geschapen worden in de verplichtingen van het Akkoord.

Er groeide in de politieke kringen een consensus om de problemen op te lossen. Naar het einde van de jaren ’20 werd er over nagedacht om het akkoord te wijzigen of zelfs helemaal op te zeggen. België moest wachten tot op 6 maart 1936 alvorens het opgelucht kon ademhalen. En dan moest alles nog beginnen.

 

Sinds Paul Hymans terug was op het Ministerie van Buitenlandse Zaken in 1927, was het Militair Akkoord oorzaak van constante bezorgdheid.[192] Frankrijk was niet bepaald behulpzaam in haar aanpak. De uitlatingen van verschillende hoge functionarissen en officieren brachten het Akkoord ongewild in opspraak. Maarschalk Pétain joeg in 1927 de Vlamingen de gordijnen in. In een toespraak te Dinant betitelde hij België als de voorpost van de Latijnse beschaving tegen de Germaanse.[193] Drie jaar later zou hij de Belgische diplomaten opnieuw de stuipen op het lijf jagen door te verklaren dat Frankrijk in geval van oorlog haar troepen door België zou laten oprukken met of zonder de instemming van Brussel.[194] Oud-premier Raymond Poincaré aarzelde zelfs niet om in een gesprek met Ambassadeur Gaiffier te verklaren dat het in haar eigen belang zou zijn mocht België samen met Frankrijk oprukken om een Duitse invasie van Polen te counteren.[195]

Het Frans-Belgisch Militair akkoord was gesneden koek voor de flaminganten. Aan Vlaamse zijde roerden de meer gematigde Vlamingen zich ook stilaan. De katholieke voorman en voormalig premier Prosper Poulet gaf de aanzet in de jaren 1929-1930 toen hij een pleidooi hield voor een terugkeer naar vrijwillige neutraliteit. Ook de socialistische voorman Emile Vandervelde stak zijn bedenkingen over het Akkoord niet onder stoelen of banken, terwijl zijn jonge achterban zich steeds feller antimilitaristisch opstelde.[196]

 

 

2. Het Frans-Belgisch Militair Akkoord

 

De uitlatingen van Maréchal Pétain over de Franse troepenbewegingen door België in oktober 1930, sloegen in Brussel in als een bom. Baron Gaiffier had het Ministerie van Buitenlandse Zaken op de hoogte gebracht van zijn gesprek met de Maarschalk. Indien Parijs zijn troepen door ons land zou sturen, verzekerden we ons onrechtstreeks van een Duitse oorlogsverklaring. Hymans contacteerde de Koning. Op het Ministerie werd het het bericht slechts in beperkte kring verspreid: Fernand Vanlangenhove, de Secretaris-generaal, Pol Le Tellier als Directeur-generaal Politiek en Pierre van Zuylen waren als enigen op de hoogte.[197]

Aan het hof werd de evolutie met argusogen gevolgd. Koning Albert wilde er alles aan doen om zijn natie een herhaling van ’14-’18 te besparen. Hij ontbood zijn Minister om de Belgische houding te bespreken. Op deze audiëntie van Minister Hymans op 28 oktober 1930 toonde Koning Albert zich ongerust over de oorlogsdreiging in de Balkan en aan de Poolse grens. Frankrijk was duidelijk gelieerd met deze gebieden en dreigde België mee te sleuren in haar allianties. “Il faut veiller à ce que la Belgique ne soit pas entraînée dans des conflits étrangers à ses intérêts et si sa sécurité et son honneur ne sont pas menacés”,[198] gaf Zijne Majesteit hem als bedenking mee. Het werd noodzakelijk geacht de buitenwereld duidelijk te maken dat België nog altijd heer en meester was over haar eigen houding. De vorst wees er nog op dat al onze verplichtingen duidelijk terug te vinden waren in de akkoorden van Locarno. Voor Hymans was de boodschap duidelijk: de volgende dag pleegde hij overleg met de Directie Politiek op het Ministerie. De Minister bracht Le Tellier en zijn adjunct van Zuylen op de hoogte van het onderhoud. Brussel zag in dat het nu verplicht was klare wijn te schenken in verband met het Militair Akkoord. Parijs moest op de één of andere manier duidelijk gemaakt worden dat België de samenwerking als puur defensief beschouwde en daarbij de verplichtingen van Locarno als enige richtlijn zag voor haar houding.[199]

 

2.1 Naar een Herziening van het Militair Akkoord

 

Het personeel van het Ministerie van Buitenlandse Zaken viel niet uit de lucht toen de Franse uitlatingen paniek veroorzaakten. In de Belgische diplomatieke kringen broeide al enige tijd wantrouwen ten aanzien van het Frans-Belgisch Akkoord.

Pierre van Zuylen werkte sinds de zomer van 1930 aan een memorandum over de Belgische diplomatieke positie. De definitieve versie van zijn “Mémoire touchant la Politique à suivre par la Belgique conformément à ses intérêts et aux traités” zou op 14 januari 1931 in aangepaste vorm naar alle belangrijke Belgische diplomatieke posten verstuurd worden.[200]

In dit lijvige memorandum bestudeerde van Zuylen eerst het internationaal statuut van België. Was de opgelegde neutraliteit van België eigenlijk al opgeheven? Daar viel volgens hem niet meer aan te twijfelen: de verplichtingen die ons zijn opgelegd in het Volkenbondpact en de Rijnverdragen konden niet te beurt vallen aan neutrale staten. België moest er zich wel van bewust zijn dat in de aanslepende onderhandelingen met Nederland, Den Haag België nog altijd als neutrale natie beschouwde. Het gevaar bleef dat Groot-Brittannië of Duitsland op een dag dezelfde these kwamen verdedigen. Van Zuylen ijverde er dan ook voor elke kans te grijpen die het probleem definitief zou kunnen oplossen. Ook al lukte dit niet alvorens het volgende conflict uitbrak, toch diende het land zich enkel te laten inspireren door haar eigen belangen.[201]

In een tweede hoofdstuk ging hij dieper in op de verplichtingen uit het Volkenbondpact. Betreffende artikel 16, waarin elk lid van de Bond zich verbond elk ander lid die het slachtoffer werd van een aanval door een derde natie, te hulp te komen, was van Zuylen formeel: indien er geen unanimiteit bestond binnen de Raad viel voor België elke verplichting weg.[202] Zelfs al was de Raad eensgezind over een optreden tegen een agressor, dan kon België zich beroepen op de interpretatie die het samen met Italië, Engeland en Frankrijk tijdens de onderhandelingen in Locarno formuleerde. Daar werd overeengekomen dat bij de toegezegde steunmaatregelen rekening moest gehouden worden met de geografische ligging en de militaire situatie van het land. Dienden we ook alle commerciële en financiële banden met de aanvaller op te zeggen? Dat kon volgens van Zuylen voor de nodige problemen zorgen: het land kon zich bedreigd voelen en in het slechtste geval de wapens ook tegen ons opnemen. We moesten er daarnaast rekening mee houden dat de Verenigde Staten, als niet-lid van de Volkenbond, gemakkelijk elk gat op de wereldmarkt kon invullen. Daarom moest België als klein land de kat uit de boom kijken en de unanimiteit binnen de Raad afwachten. Indien de Raad besliste om militair te reageren op de agressie, werd elk lid verondersteld doorgang te verlenen aan de aangestelde troepen die de agressor moeten verdrijven. België mocht dit enkel toelaten indien er volledige duidelijkheid was geschapen in de Raad over de schendingen en de aanstokers daarvan.[203]

Deze inleiding bereidde het terrein voor van Zuylens bespreking van het Frans-Belgisch Militair Akkoord. Hij wees er op dat Minister Vandervelde in 1925 al verklaarde dat het Militair Akkoord niet strijdig was met het Rijnpact. Het pact leverde enkel het raamwerk waarbinnen het akkoord uitgevoerd kon worden: “l’accord militaire n’est que l’organisation technique anticipée des mesures à prendre en cas de coopération militaire des deux pays, mais que pour la fixation de l’obligation de coopération elle-même, on doit s’inspirer des seuls traités de Locarno”.[204] Alleen een schending van het Rijnpact kon het Militair Akkoord in werking zetten. Een Duitse aanval in het Oosten op een Franse bondgenoot zou voor België nooit een reden zijn om het akkoord in werking te stellen.[205]

Van Zuylen bleef een voorzichtige houding voorop stellen. In het Akkoord stond duidelijk dat een Duitse troepenmobilisatie onmiddellijk door beide landen zou beantwoord worden door middel van éénzelfde maatregel. Mobilisatie was echter niet gelijk aan oorlog, verduidelijkte hij verder. Het was noodzakelijk om op dat moment een grondige analyse te maken van de situatie en geen onbesuisde beslissingen te nemen. Er waren twee mogelijkheden: ofwel ging het Duitse leger over tot een volledige mobilisatie (met inbegrip van het gedemilitariseerde Rijnland) of slechts tot een gedeeltelijke. In het eerste geval was er duidelijk een schending van de Verdragen van Versailles en van Locarno. België kon de iure samen met Frankrijk onmiddellijk overgaan tot het positioneren van troepen aan de Oostelijke grenzen en indien nodig meteen tegen Duitsland ten strijde trekken. Van Zuylen waarschuwde echter voor deze laatste stap: in dat geval was België gedoemd om zich als vazal van Frankrijk te gedragen. Daarom mocht het enkel overgaan tot het innemen van de stellingen aan zijn grenzen. Hij achtte het zelfs noodzakelijk om zo lang mogelijk het contact met de Franse linies uit te stellen: “cette jonction ne manquerait pas d’être représentée comme une provocation par l’Allemagne et risquerait peut-être de nous aliéner la sympathie de l’Angleterre et de l’Italie”.[206] België moest zich op dat moment rekenschap geven van zowel strategische als politieke belangen. In geval van een gedeeltelijke mobilisatie, dus niet in de gedemilitariseerde zone, beging Berlijn een inbreuk op het Verdrag van Versailles, maar bleef het Rijnpact ongeschonden. Het Militair Akkoord verwees duidelijk naar een algemene mobilisatie en bond ons in dit geval niet aan de nodige tegenmaatregelen.[207]

Hij rondde het stuk over het Militair Akkoord af door te stellen dat er voor hem geen herziening van het Akkoord diende te gebeuren. Van Zuylen twijfelde of een herziening wel de publieke argwaan zouwegnemen: de regering had al enkele malen gepoogd om het Akkoord te verduidelijken, en dat bedaarde de gemoederen toch ook amper. Zelfs als het document gepubliceerd werd, zouden er mensen zijn die achterdochtig blijven en nog steeds geheime clausules veronderstellen. Als er in Parijs aangestuurd werd op een herziening van het Akkoord, kon dat op zijn beurt worden aanzien als een aanhalen van de band tussen beide landen en indirect zouden opnieuw vragen rijzen over de Belgische politieke onafhankelijkheid. De enige manier om de kritiek in de kiem te smoren schreef van Zuylen, was een eenvoudige briefwisseling tussen Parijs en Brussel om het Akkoord duidelijk af te lijnen binnen het kader van het Rijnpact. In het geval de Fransen daartoe niet bereid waren, kon een verklaring van de Minister van Buitenlandse Zaken in antwoord op een interpellatie in het Parlement voldoende zijn om de Belgische interpretatie van het Akkoord vast te leggen.[208]

Wat de interpretatie van de Locarno-verplichtingen betrof diende België zich te onthouden van elke vijandige daad ten aanzien van Duitsland, behalve in drie gevallen. De eerste daarvan was logischerwijs dat België zelf voorwerp was van een Duitse agressie. Het verzamelen van een aanzienlijke Duitse troepenmacht in de Rijnzone moest volgens van Zuylen eveneens als een aanvalsdaad beschouwd worden. Het tweede en het derde scenario lagen binnen de grenzen van de verplichtingen van de Volkenbond waarmee de statuten van het Locarno-pakt nauw verbonden waren. Indien Duitsland een aanval uitvoerde op een lid, zij het in Oost- of West-Europa, diende er militair opgetreden te worden. Bij voorbaat wanneer er eensgezindheid bestond binnen het officieel orgaan van de Volkenbond. Opnieuw maande van Zuylen echter aan tot voorzichtigheid: een militaire actie hoorde slechts ondernomen te worden na voorafgaand contact met de andere garanten en de leden van de Raad. België moest zich ten allen tijde hoeden Londen niet voor het hoofd te stoten. De afweging tussen het militaire en politieke diende steeds gemaakt te worden. De verdragen van Locarno droegen in grote mate bij tot de pacificatie van West-Europa, maar hebben hun lacunes die sommige garanten in staat konden stellen af te zien van hun bijstandsplichten. Indien het pact geschonden werd, was het noodzakelijk voor België om zich op één lijn te stellen met Londen.[209]

Na te hebben gesteld dat het Briand-Kellogg Pact geen aanleiding gaf om te denken dat oorlog voor eens en altijd gebannen werd, breide van Zuylen met een analyse van de internationale situatie een einde aan zijn memorandum. Hij waarschuwde om de steun van de garanten niet vanzelfsprekend te noemen. Ieder land zou tijdens een conflict pogen aan te tonen dat de eigen onthouding gerechtvaardigd was door het internationaal recht. Indien België zich op dat moment neutraal verklaarde, was het daarmee niet vrij van gevaar. Haar geografische positie en vooral haar houding in 1914, en zeker nu met het Militair Akkoord, maakten dat de Belgische positie niet ongecompromiteerd was: “Nous n’avons rien à gagner, et tout à perdre à la guerre”.[210] In wat volgde kunnen we voor het eerst de grote lijnen van de Onafhankelijkheidspolitiek herkennen. Van Zuylen pleitte er voor om in een periode van diplomatieke spanning een bemiddelende houding aan te nemen. Slaagde België er niet in om de situatie te ontmijnen, dan diende het aansluiting te zoeken bij een groep van neutrale staten. Slechts op het allerlaatste moment, wanneer alle hoop op een vreedzame oplossing tevergeefs was gebleken, mocht het in de vijandelijkheden betrokken raken. België diende er vooraf al voor te zorgen dat het op elk moment geruggensteund werd door een Europese grootmacht die analoge belangen had. Enkel Engeland kon België deze dienst bewijzen. Londen had eveneens niets te winnen in een volgend conflict en had daarentegen enkel voordeel bij een gepacificeerd Europa. Met een gevrijwaard Belgisch-Nederlands bruggenhoofd kon het in elk geval de mogelijkheid openhouden om militaire steun naar het continent te sturen. Wanneer Engeland besliste om niet militair in te grijpen in een Europees conflict omdat voor haar het casus foederis niet bestond, kon België zich beroepen op een neutrale houding. Als ze haar neutraliteit kon laten garanderen door Londen, kon ze haar positie versterken en daarmee de vrijwaring van de territoriale integriteit bewerkstelligen. Kon Parijs België iets verwijten met deze houding? Niets van aan, aldus de Baron: het Militair Akkoord kaderde in het Rijnpact, dus indien Engeland niet marcheerde, was er geen sprake van dat België dat wel zou doen.[211]

Van Zuylen hield ook rekening met de tegenstelling Vlaanderen-Wallonië. Waar het noordelijke gedeelte van het land zou kiezen voor een afzijdige houding in een volgend conflict, zou het zuidelijke deel de Franse kant kiezen: “Nous ne pouvons entrer en guerre avec un pays divisé sans courir les plus graves dangers. La neutralité au contraire, surtout si elle s’appuie sur une grande puissance comme l’Angleterre, refera facilement l’unanimité de l’opinion”.[212]

Hij besloot het lijvige document met een beschouwing van de mogelijke oorlogsscenario’s. Duidelijk was dat van Zuylen er toen al van overtuigd was dat een conflict nooit lokaal zou blijven. Daarvoor waren er veel te veel landen misnoegd achtergebleven na Versailles.

In zijn conclusies waren de contouren van de Zelfstandigheidspolitiek andermaal niet ver af: “Nous devons tendre tous nos efforts pour échapper à un futur conflit dans la mesure où la loyauté et les intérêts de notre existence nationale nous le permettent”.[213] Dit kon enkel bereikt worden in samenspraak met Engeland en mits een politiek van volstrekte onpartijdigheid ten aanzien van onze buurlanden. België moest zo snel mogelijk Londen en Berlijn duidelijk maken dat het niet zou optreden buiten de verplichtingen die het opgelegd kreeg in het Rijnpact. Een unilaterale verklaring, maar indien mogelijk in samenspraak met Parijs, zou daarvoor de ideale oplossing zijn. Ondertussen adviseerde van Zuylen om in contact te treden met Engeland en zo het terrein af te tasten alvorens het volgende conflict uitbrak. De kans dat Londen zich daarin afzijdig hield, achtte hij reëel.[214]

 

Zoals voorheen aangehaald werkte Pierre van Zuylen al sinds de zomermaanden van 1930 aan dit memorandum. De krijtlijnen van het stuk waren al geruime tijd in de Belgisch diplomatieke kringen bekend, wanneer Pétain en Poincarré hun uitspraken deden in het najaar. Het voorstel van van Zuylen om de band met Londen nauwer aan te halen, kreeg snel gehoor in de hoogste gelederen van het Ministerie. Het Diplomatiek Comité van 7 november besliste de Belgische houding op die van Londen af te stemmen. Ambassadeur de Gaiffier werd opgedragen om in Parijs een onderhoud te hebben met Lord Tyrrell, de Britse gezant. Van Zuylen kreeg de opdracht de instructies voor Gaiffier op te stellen.[215]

De Ambassadeur moest aan zijn Britse ambtsgenoot duidelijk maken dat in geval van conflict de Britse stellingname als leidraad zou dienen voor Brussel. Hij moest er ook op hameren dat België zich enkel gebonden voelde door de verplichtingen van het Volkenbondpact en het Rijnverdrag. Het Frans-Belgisch Militair Akkoord stond dus niet op zichzelf, maar was niet meer dan een technische uitwerking van beide multilaterale verdragen.[216] In het gesprek dat Baron de Gaiffier met hem had in november, beaamde Tyrrell dat de Belgische en Britse belangen inderdaad zo goed als overeenkwamen. Engeland erkende dat het Militair Akkoord eigenlijk “une superfétation” was geworden.[217]

Ook voor een gesprek met de Italianen stelde van Zuylen richtlijnen op. In de relatie met Rome moest de grootste voorzichtigheid in acht genomen worden. De minste beperking van onze banden met Parijs zou daar opgevat worden als de aankondiging van de opzegging van het Militair Akkoord. Indien de Minister niet van plan was om een publieke toespraak te houden, had het geen zin slapende honden wakker te maken.[218]

 

Na enkele weken overleg gepleegd te hebben met zijn naaste medewerkers keerde Hymans eind december terug naar de Koning. Het Akkoord opzeggen zou volgens Hymans een grote onvoorzichtigheid zijn. Het land had er geen baat bij om de Franse en een deel van de Belgische publieke opinie tegen zich in het harnas te jagen.[219] De Minister van Buitenlandse zaken stelde duidelijk voorop om klare wijn te schenken: “le meilleur procédé est de parler tout haut, à la tribune du Parlement, plutôt que de nouer une conversation qui peut entraîner des négociations et des discussions”.[220]

Vanaf eind december en vooral begin januari gonsde het van activiteit op het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Het was nu duidelijk geworden dat er actie moest ondernomen worden om de contouren van het Militair Akkoord duidelijker af te lijnen. In de Wetstraat 8 heerste grote eensgezindheid, nagenoeg alle topambtenaren waren er tegenstander van het Akkoord.[221] Secretaris-generaal Fernand Vanlangenhove stak zijn wantrouwen niet onder stoelen of banken. Het Akkoord had volgens hem alle nadelen van een alliantie, zonder ook maar één voordeel te hebben. De militaire afspraken maakten ons internationaal statuut allesbehalve duidelijk, zelfs niet voor de eigen onderdanen, laat staan voor de diplomaten. De Belgische regering moest Parijs duidelijk maken dat de eerstkomende bespreking van de begroting van Buitenlandse Zaken moeilijk zou worden. Een precisering van het Akkoord was wat Vanlangenhove betrof onontbeerlijk geworden.[222]

 

Begin januari 1931 werd druk overleg gepleegd tussen Brussel en Parijs. België maakte duidelijk dat het Militair Akkoord in haar ogen volledig opgeslorpt was door de bepalingen van het Rijnpact. Op 12 januari vond een eerste topontmoeting plaats tussen de Ministers Hymans en Briand. Hymans maakte gewag van de nakende problemen in het Parlement rond de militaire overeenkomst. Hij achtte het noodzakelijk om daarover in het Halfrond verklaringen af te leggen. Mocht dit kunnen gebeuren in overeenstemming met Parijs, zouden zijn woorden veel meer daadkracht hebben, zo dacht hij. De door België voorgestelde briefwisseling om het akkoord te preciseren werd door het Quai d’Orsay afgekeurd. De twee kwamen overeen om Vanlangenhove en zijn Franse ambtsgenoot Léger de opdracht te geven een nieuwe tekst voor te dragen.[223] De Franse diplomaat kwam enige tijd later zelf met een nieuw voorstel. Daaruit bleek impliciet dat het Militair Akkoord nog steeds van kracht was. Frankrijk weigerde met andere woorden te erkennen dat het Akkoord van 1920 volledig opging in de Locarno-verdragen. Léger bleef hameren op het belang van de bepalingen omtrent de defensie van de Noordzee en het Groot-Hertogdom en de afspraken rond de mobilisatie van de legers. Deze Franse eisen bleven voor van Zuylen, zelfs na amendering, onaanvaardbaar. Het zou inhouden dat indien Duitsland mobiliseerde omwille van een conflict in Oost-Europa, België met zijn tegenmobilisatie onvermijdelijk zijn lot verbond aan Frankrijk. En dat wou Brussel nu net ten allen tijde vermijden. Baron van Zuylen stelde voor de onderhandelingen te laten zoals ze waren en unilateraal de Belgische interpretatie te proclameren, maar Hymans weigerde. Hij wilde voor alles een gemeenschappelijke zienswijze, zonodig één die nog altijd dubbelzinnigheden en lacunes inhield.[224]

Minister Hymans neigde naar instemming met het Franse voorstel, maar daarmee was het einde van de discussie nog niet in zicht. Briand weigerde de publicatie van de correspondentie en Hymans zag nieuwe geheime akkoorden niet zitten. Daarop opteerde de Belgisch liberale voorman om een schrijven te richten aan de Franse ambassadeur in Brussel waarin hij zou aankondigen het Militair Akkoord tijdens een rede voor de verzamelde Kamer te verduidelijken. Uiteindelijk kwamen de Franse Ambassadeur en Minister Hymans tot een akkoord over de tekst. Opvallend was dat Hymans de door Parijs vooropgestelde tekst integraal overnam, wat inhield dat de Frans-Belgische betrekkingen op de Franse leest geschoeid bleven. De briefwisseling vond uiteindelijk plaats op 20 en 23 februari 1931.[225]

Hymans verscheen op 4 maart op het spreekgestoelte van de Kamer. Daar benadrukte hij de bepaling van het Akkoord waarin stond dat beide landen op elk moment individueel konden beslissen al dan niet in samenwerking met de andere partner op te treden. De geheimhouding van de documenten had de mogelijkheid geschapen om een waas van geheimzinnigheid rond de inhoud ervan te weven. Van een alliantie kon geen sprake zijn: “L’accord n’impose pas aux deux gouvernements l’obligation d’agir en commun, (…) mais il présuppose leur volonté commune (…) de résister en commun”.[226] De Minister hamerde daarmee nogmaals op de defensieve ingesteldheid van het Akkoord. De verklaring als zou België zich niet mengen in discussies waarbij haar vitale belangen niet op het spel stonden, kreeg de instemming van alle aanwezigen. Maar Hymans kreeg de Kamerleden pas helemaal op zijn hand toen hij naar het einde van zijn rede verkondigde dat België: “ne prendra les armes que pour sauvegarder son territoire et son indépendance et pour remplir les devoirs que lui dicte son statut”.[227]

 

De Kamerrede van Minister Hymans had de toon gezet voor de komende jaren. Het werd het referentiepunt voor de Belgische diplomaten. Men kon zich de vraag blijven stellen of het inderdaad niet beter was om het achterhaalde akkoord gewoon naar de prullenmand te verwijzen. Het antwoord was en bleef duidelijk negatief. België zag geen voordeel in het schofferen van Parijs. Daarnaast moest men rekening houden met de binnenlandse situatie. De interpretatie van het Akkoord kon voor het eerst in het voordeel van beide landsgedeelten uitgelegd worden.[228]

De correspondentie tussen Brussel en Parijs lijkt op het eerst zicht een plat op de buik gaan onder de Franse druk. In zijn studie over de militair-politieke gevolgen van het Frans-Belgisch Akkoord, haalt dr. Provoost aan dat Minister Hymans ondanks het verzet van Vanlangenhove en van Zuylen, zijn twee belangrijkste adviseurs, instemde met de Franse zienswijze. De dubbelzinnigheid was gebleven, zoniet nog toegenomen.[229] Volgens Professor Jonathan Helmreich had de herinterpretatie toch zijn positieve kanten. Het grootste struikelblok, namelijk de volledige gerichtheid van het Frans-Belgisch Akkoord op Duitsland, was nu afgelijnd binnen de grotere verplichtingen van België. Voor de eerste keer hadden beide landen zich akkoord verklaard om de tekst van 1920 enkel op te vatten als een modaliteit binnen het kader van het Rijnpact. De Belgische ingesteldheid om haar acties beter af te stemmen op Londen, toonden duidelijk aan dat Brussel een verruiming van haar beslissingsruimte zocht. De unisono verbondenheid met Frankrijk werd uitgerokken.[230]

Algemeen wordt aangenomen dat in de jaren 1930-1931 de eerste officiële stappen in de richting van een Onafhankelijkheidspolitiek werden gezet. Lange tijd werd 1936 gezien als een breuk in het diplomatieke optreden van ons land, maar die stelling is achterhaald. Wat Minister Hymans in november 1930 aan de Engelse ambassadeur vertelde, is een duidelijke afspiegeling van wat Paul-Henri Spaak in juli 1936 wereldkundig zal maken: “[que] notre pleine souveraineté nous permettait de pratiquer une politique de neutralité, que nous avions le droit de régler notre attitude selon les circonstances, mais que nous n’avions aucun désir et aucune raison de nous mêler à de grandes compétitions internationales où nos intérêts ne sont pas engagés”.[231]

 

De functionarissen op Buitenlandse Zaken zaten nu op dezelfde lijn. In februari 1931 toonde Secretaris-generaal Vanlangenhove zich voorstander van een hechtere samenwerking binnen de structuur van de Conventie van Oslo. Daar waren België, Nederland, Zweden, Denemarken en Noorwegen overeengekomen pogingen te ondernemen om de onderlinge handel te bevorderen.[232] Voor die landen was Engeland de natuurlijke en belangrijkste beschermheer. Volgens Vanlangenhove kon deze groep zich opwerken tot een morele kracht die in grote mate kon bijdragen tot het behoud van de Europese vrede. België kon daar slechts in participeren wanneer het zich in een positie bevond waarbij het in geen enkel van de buurlanden gewantrouwd werd. De beste veiligheidsgarantie was en bleef voor Vanlangenhove een grensverdediging tegen elke agressie: “de quelle côté qu’elle vienne, et (…) de telle sorte qu’aucun belligérant ne trouve jamais avantage à pénétrer sur notre territoire”.[233]

Fernand Vanlangenhove en Pierre van Zuylen worden niet voor niets genoemd als de belangrijkste voorvechters van de Belgische Onafhankelijkheidspolitiek. Samen zouden zij vanaf nu de diplomatieke lijnen voor ons land uittekenen.

 

2.2 Het meningsverschil bleef

 

Minister Paul Hymans verwees in zijn rede voor de Kamer van Volksvertegenwoordigers naar het belang van de op til zijnde ontwapeningsconferentie. Deze zou in februari 1932 van start gaan, maar zou een tumultueus verloop kennen. Pierre van Zuylen omschreef het schouwspel in zijn boek als: “une comédie aux cent actes divers et dont la scène est l’univers”.[234] Hymans had zich positief opgesteld over de conferentie, maar schuwde de naïviteit: het ging om wapenreductie en niet om ontwapening. België was bereid haar duit in het zakje te doen, maar het zou nooit unilateraal zijn wapenarsenaal opgeven. Een kleine ontwapende mogendheid zou niet veel meer zijn dan een speelbal en prooi van de grootmachten.[235]

Op de wapenconferentie zelf stonden Duitsland en Frankrijk al snel lijnrecht tegenover elkaar. Berlijn eiste de gelijkberechtiging, terwijl Parijs hamerde op de afsluiting van een algemeen veiligheidsakkoord alvorens de gelijke behandeling te kunnen bespreken.[236] Eind 1932 was er mogelijk licht op het einde van de tunnel. In december kwamen Frankrijk, Groot-Brittannië, de Verenigde Staten en Italië overeen de gelijkberechtiging van Duitsland te erkennen. Na dertien jaar was er voor Duitsland voor het eerst sprake van een mildering van het Diktat. Het getalm van de grootmachten had ondertussen in het Reich al voor groot ongenoegen gezorgd. De conferentie moest in januari 1933 opnieuw van start gaan, maar het nieuws van de nationaal-socialistische machtsovername gooide roet in het eten. Wat volgde was een verstrakking van de Duitse houding: de gelijkberechtiging moest met onmiddellijke ingang de iure erkend worden, of Duitsland zou de conferentie verlaten en unilateraal bewapenen.[237] De reactie van de grootmachten liet op zich wachten. Hitler besliste dan maar om in oktober 1933 de onderhandelingstafel en meteen ook de Volkenbond te verlaten.[238]

 

Brussel vreesde dat deze meningsverschillen zouden escaleren tot een nieuw oorlog. Wanneer Maréchal Philippe Pétain in januari 1933 aan Ambassadeur de Gaiffier vertelde dat het Franse leger van bij aanvang van het conflict het Belgische territorium zou binnentrekken, steigerden de Belgen andermaal.[239]

Pierre van Zuylen zag zich genoodzaakt nogmaals onze houding ten aanzien van de Franse garant te definiëren. Eind januari stelde hij in zijn nota Le pacte de Locarno et la garantie d’assistance française dat garanderende mogendheden slechts mits instemming van de gegarandeerde diens grondgebied mochten betreden. Zelfs bij een flagrante schending van het Rijnpact zou elke troepenassistentie onderworpen zijn aan de Belgische goedkeuring. Van Zuylen wees er verder nog op dat in het Frans-Belgisch Militair Akkoord duidelijk bepaald stond dat het in werking treden van het Akkoord door beide landen onafhankelijk beslist moest worden.[240]

De vraag was nu hoe Frankrijk duidelijk moest worden gemaakt dat haar leger geen vrijgeleide zou krijgen om het Belgische grondgebied te gebruiken voor een aanval, al dan niet als reactie op een Duitse agressie. In geen geval mocht Parijs daarbij gebruuskeerd worden. Daarom adviseerde van Zuylen om zeker niet te vragen wat de Fransen van plan waren indien haar Oost-Europese bondgenoten aangevallen werden. Het land moest zich strikt tot de defensieve vraagstukken beperken. Als Parijs unilateraal besliste België ter hulp te komen terwijl Londen en Rome geen reden zagen om het Rijnpact in werking te stellen, sleurde het Brussel tegen haar wil mee in het krijgsgewoel. “Assister quelqu’un, c’est se ranger à ses côtés, pour agir avec lui et non contre lui”, was de boodschap die we aan het Quai d’Orsay duidelijk moesten maken.[241]

Het aantreden van Adolf Hitler maakte het noodzakelijk de visies op elkaar af te stemmen. De nota van van Zuylen van januari werd gebruikt om in de daaropvolgende maand Gaiffier instructies door te seinen. De Ambassadeur moest het Belgische standpunt andermaal verduidelijken. In zijn instructies aan Gaiffier wees Minister Hymans er op dat geen enkele garant zonder onze toestemming zich toegang mocht verschaffen tot het territorium. De Baron moest klaar en duidelijk zijn tegen Maarschalk Pétain: “Si une armée étrangère tentait de pénétrer malgré notre volonté sur notre territoire, nous nous appliquerions de toutes nos forces à l’en empêcher et (…) nous ferions appel à l’assistance des autres puissances”.[242]

De soep zou uiteindelijk niet zo heet gegeten worden als ze werd opgediend. Hymans hoedde zich er voor te veel ruchtbaarheid te geven aan het incident. Frankrijk mocht op geen enkele manier de indruk krijgen dat er aan de Belgische loyaliteit te twijfelen was. Het ging hier niet om een nieuwe politiek van Brussel, maar om een verduidelijking van de aangehouden lijn.[243]

 

Het voorgaande incident was nog niet afgesloten of Minster Daladier jaagde opnieuw de Belgische diplomaten de stuipen op het lijf. In de Franse Senaat had deze verklaard dat Frankrijk er alle belang bij had om vanaf de eerste dag van een Frans-Duits conflict het Belgische leger te vervoegen aan de Belgische Oostgrenzen.[244] In zijn nota van mei 1933 wijst van Zuylen op het gevaar in de verschillende visie van Parijs en Brussel: “Ce désaccord qui peut devenir grave dans des moments de tension diplomatique, devrait être dissipé, non seulement entre les hommes politiques (…) mais encore dans les entretiens entre grands chefs militaires belges et français”.[245] In tijden van politieke crisis moest het land de Fransen meer dan ook wijzen op de strikte naleving van de Locarno-akkoorden. Alle Belgische instanties die in contact kwamen met Franse functionarissen moeten hun gesprekspartners op de juiste interpretatie ervan wijzen. Vooral de Belgische militairen spelen hierbij een belangrijke rol. Zij moesten hun Franse collega’s het belang van een Noordelijke Defensie duidelijk maken. Parijs was niet van zinnens om in het Noorden van het land uitgebreide defensieve stellingen uit te bouwen. Het rekende daarmee indirect op de Belgische Oostelijke verdedigingsgordel. Volgens van Zuylen was het net deze Noordelijke defensie die Frankrijk ervoor zou hoeden dat België opnieuw door een Duitse aanvalsgolf als transitgebied zou aangewend worden. Hij waarschuwde uiteindelijk nog voor de mogelijkheid dat: “En réalité, la France qui se sent à l’abri du côté de l’Est, ne cherche-t-elle pas, soit à faire une offensive contre l’Allemagne par le Nord, soit en cas de surprise ou de défaite, à circonscrire le champs de bataille sur notre territoire?”.[246]

In maart 1933 had Minister Hymans de Franse ambassadeur ontboden op het Ministerie. Hij kreeg een nota mee waarin de Belgische visie op het Rijnpact uit de doeken gedaan werd. De Franse reactie op de Belgische nota van Brussel liet lang op zich wachten. Brussel ontving het antwoord op 2 december en liet het onmiddellijk onderzoeken door de Directie Politiek. De conclusie van van Zuylen was zeer kritisch: Parijs trad België niet bij, integendeel, de discussie werd nog meer op de spits gedreven. Volgens onze Zuiderburen kon bij een flagrante schending van het Verdrag van Versailles België de Franse troepensteun niet weigeren. Tussen de lijnen door was te lezen dat Frankrijk België het recht niet erkende om te oordelen of de inbreuken met andere dan militaire maatregelen konden beantwoord worden.[247]

Alvorens Parijs van antwoord werd voorzien, oordeelde Paul Hymans het wijselijk voorafgaand de visie van Londen te vragen. Baron van Zuylen werd op pad gestuurd. Hij ontmoette op 15 december in de Britse hoofdstad onderstaatssecretaris Orme Sargent. Brussel had Londen in maart 1933 een kopie van het aan Parijs gerichte memorandum bezorgd. De opdracht van van Zuylen was de Britten ervan te overtuigen dat elk optreden van buitenlandse troepen op Belgische bodem maar kon plaats vinden mits Brussel daarom vroeg. Sargent was zich bewust van het feit dat er overleg moest zijn alvorens de Locarno-akkoorden in werking werden gesteld, maar de Belgische eis om haar toestemming af te wachten verlamde, volgens hem de werking van het Pact. Van Zuylen benadrukte dat indien Parijs en Londen het eens waren dat een flagrante schending van het Verdrag van Versailles had plaats gevonden, België zo goed als zeker mee ten strijde zou trekken. Indien Frankrijk en Engeland het niet eens raakten over een onmiddellijke reactie, wilde België alle opties open houden. Marcheerde het Franse leger alleen terwijl de Britten aan de zijlijn bleven staan, dan wilde België niet gedwongen worden om mee te moeten oprukken. Sargent antwoordde met de nodige Britse flegmatiek: “L’Angleterre veut aussi garder sa liberté d’action (…), c’est une question de stratégie militaire”.[248]

Volgens van Zuylen was Londen vooral bevreesd dat er ooit een Duitsgezinde Belgische regering zou zijn die op het kritieke moment wel eens voor het Duitse kamp kon kiezen. Hoe onwaarschijnlijk het scenario ook was, het Foreign Office toonde zich niet bereid dit risico te lopen. “Nous ne pouvons oublier que la Belgique a été hélas un des champs de bataille éternels où viennent se vider des querelles de l’Europe. Le seul moyen d’écarter, dans la mesure du possible ce danger dans l’avenir, c’est d’avoir une armée forte et une diplomatie vigilante et manœuvrière”, was de wijze raad die hij nog mee gaf.[249]

 

De visies van Londen en Parijs waren duidelijk voor Brussel. Er moest nu gewerkt worden aan een nota die hun beider standpunten met het Belgische verzoende. Van Zuylen en Vanlangenhove werden aan het werk gezet. Hymans die eind december 1933 naar Parijs trok om de meningsverschillen recht te trekken, haalde er nul op het rekest.[250] Op 8 februari 1934 maakte Brussel het definitieve memorandum over aan Parijs. De zinsnede dat elke staat zich het recht voorhield het karakter en de ernst van de schending voor zichzelf te evalueren, maakte opnieuw duidelijk dat België niet bereid was zijn beslissingsrecht op te geven. Een minieme inbreuk op het Verdrag van Versailles of het Rijnpact zou voor België nooit aanleiding kunnen geven tot een militaire actie.[251]

Een reactie uit Parijs bleef uit. De internationale situatie was ondertussen oorzaak geworden van grote onrust. België zou er nu alles aan doen om de Britse Locarno-verzekering stellig bevestigd te zien. Het stelde zich tot doel de Frans-Britse relatie te versterken en enkel in afspraak met deze grootmachten te handelen.[252] Het Franse stilzwijgen was wellicht te wijten aan de discussie over de landsverdediging die het land toen in zijn greep hield. De Maginot-linie had de vrees voor een nieuwe Duitse aanval niet doen wegebben. Het ontbrekende stuk aan de Belgisch-Duitse grens gaf Hitler volgens de Fransen beau jeu pour choisir les lieux et les temps.[253]

 

 

3. Naar een Militair Akkoord met Groot-Brittannië

 

Begin 1934 had Hitler de Duitse herbewapening aangekondigd. Een Belgische poging van Eerste Minister Charles de Broqueville om met een schokeffect West-Europa wakker te schudden, viel in dovemansoren.[254] De Senaat stemde kort na zijn toespraak een Dagorde waarin gepleit werd om de gegeven garanties herverzekerd te zien. In verdoken termen werd gepleit voor een militair akkoord met Groot-Brittannië. Iets waar België al sinds 1918 naar hengelde, maar Londen was er telkens in geslaagd om de boot af te houden. Gezien de toegenomen spanningen was het maar zeer de vraag of Engeland nu wel bereid daartoe zou zijn.[255]

Het was niet toevallig Frankrijk dat België aanzette om een uitgewerkte garantie van Engeland te bekomen. De Franse Oostgrens was een defensief fort, de minder versterkte Noordergrens leek voor Berlijn de enige mogelijke toegang tot de Republiek. Indien de veiligheid van België verhoogd werd, volgde de Franse automatisch. Minister Hymans was het idee wel genegen: onze positie ten aanzien van Duitsland werd versterkt en daarnaast bezorgde het België meer vrije beslissingsruimte ten aanzien van Frankrijk.[256] Berlijn had alle voordelen bij een blitzactie door Zuid-België, en de Fransen gingen er van uit dat enkel een even snelle tegenactie de Duitse troepen tot staan kon doen brengen in de Belgische Ardennen. Onmiddellijk toegang tot het Belgische grondgebied was voor hen levensnoodzakelijk.

Pierre van Zuylen kreeg de opdracht het terrein in Londen af te tasten. Opnieuw vond hij voor zich Orme Sargent.[257] Dat van Zuylen open stond voor een hechtere band met Londen was al langer duidelijk geworden. In zijn nota omtrent de internationale positie van België had hij in 1930 al gewezen op het belang van een nauwere samenwerking met Engeland.[258] Hij kreeg de opdracht mee om eerst en vooral te proberen de ontwapeningsconferentie vlot te trekken. Het tweede luik van de missie omhelsde het herverzekeren van de Britse veiligheidsgaranties. Mislukte het eerste objectief, dan werd het tweede primair.[259]

Sargent hield vol dat een nieuwe Britse garantie gezien de verplichtingen uit het Verdrag van Locarno, geen nut had. Hij merkte schamper op dat een nieuwe garantie zou te kennen geven dat er getwijfeld werd aan de effectiviteit van het Verdrag. Van Zuylen antwoordde daarop dat België nooit zou twijfelen aan het woord van Londen, maar dat de situatie om een duidelijke verklaring vroeg. Baron van Zuylen riep het voorbeeld van 1870 in. Toen had de interventie van Engeland er voor gezorgd dat de strijdende partijen op het continent niet door België trokken.[260] Het zou in het belang van beide landen zijn mocht een oorlog op het continent vermeden worden. Het bleef trouwens mogelijk dat Parijs bij het sluiten van deze garantie zich alsnog geneigd zou voelen om toegeeflijker op te treden in het ontwapeningsdebat.[261]

Orme Sargent was het idee uiteindelijk genegen. De kwestie werd echter te belangrijk gevonden om het tijdens het verblijf van van Zuylen nog te kunnen regelen. Bij zijn vertrek gaf hij de Baron nog mee dat het idee moest rijpen.[262]

Enkele weken later ontving Brussel een uitnodiging om het onderwerp verder te komen bespreken. De Belgische delegatie onder leiding van Minister Hymans met van Zuylen aan zijn zijde werd op 17 mei 1934 ontvangen op het Foreign Office. Tot hun beider grote verbazing zagen zij voor zich niet enkel de Minister van Buitenlanse Zaken John Simon, maar ook Neville Chaimberlain, Chancellor of the Exchequer, en Lord Hailsham, Minister van Oorlog. Premier MacDonald was verhinderd, maar was desondanks vastberaden Hymans te ontmoeten.[263] Het Belgische voorstel werd duidelijk tot op het hoogste niveau opgevolgd.

Simon en Hymans zaten op dezelfde lijn wat de Duitse bewapening betrof. Dat Berlijn zou bewapenen was een feit, nu moest geprobeerd worden de schade zoveel mogelijk te beperken. De Belgische liberaal waarschuwde voor de broeiende nationalistische gevoelens in Europa. Mocht het getouwtrek rond de wapenkwestie blijven duren, achtte hij het niet onwaarschijnlijk dat regeringsleiders onder druk van de publieke opinie mee in een bewapeningsrace zouden stappen. De Engelse regeringsleden beaamden dat deze bezorgdheid in Britse kringen ook speelde. De oproep van Hymans om een Belgische barrière onder uitdrukkelijke garantie van Londen op te zetten, werd niet onmiddellijk afgeschoten. Integendeel, Lord Hailsham voegde er aan toe dat indien Parijs haar bondgenoten in het Oosten zou willen ter hulp komen, het Locarno-pact tegen haar zou spelen.[264]

Nadat de bespreking op regeringsniveau even werd opgeschort, ontmoette van Zuylen in de coulissen Reginald Leeper, de Britse verantwoordelijke voor West-Europa. Van Zuylen bepleitte een goede samenwerking tussen de beide landen om tot een akkoord te komen in verband met de ontwapeningsdiscussie. Leeper gaf blijk van weinig vertrouwen in een goede afloop. Het Italiaans voorstel waarmee Frankrijk kon instemmen impliceerde een Frans-Britse alliantie, en daar kon Londen dan weer niet akkoord mee gaan. De Britten waren sinds het Verdrag van Versailles weigerachtig geweest ten aanzien van een verbintenissen op het continent. Londen zocht sinds 1919 naar een evenwichtspolitiek in West-Europa, waarbij de Engelse belangen gevrijwaard bleven zonder in extremen van isolationisme of militaire allianties te vervallen.[265] Toen duidelijk leek dat een compromis in de wapenreductie moeilijk leek, schakelde van Zuylen, zoals vooropgesteld, over tot het tweede objectief. Hij gaf Leeper een overzicht van alle voordelen die de Belgische barrière Londen kon bieden. Vooral de hypothese van een herbezette Rijnzone kreeg veel aandacht. In dit geval zou de druk op België groot zijn om Franse troepen aan haar Oostgrenzen posities te laten innemen. Eenmaal de Franse regering overtuigd zou zijn van de strijdvaardigheid van het Anglo-Belgisch Akkoord, zou het zich minder opdringerig opstellen ten aanzien van België.[266]

De Belgische defensie baarde Londen kopzorgen. Sir John Simon sprak er Hymans nog voor de tweede vergadering over aan. De evolutie op het vlak van de luchtvaart maakte dat het Britse eiland niet meer zo onschendbaar was als voorheen. Indien Duitse vliegtuigen opstegen van op hun eigen basissen om Engeland aan te vallen, kon de Britse defensie tijdig alarm slaan. Stonden deze toestellen echter op Belgische bodem gestationeerd, dan zou dit voor de Britten onmogelijk worden.[267]

 

In de namiddag stond een tweede onderhoud met de Britse Ministers op de agenda. Hymans haalde even de mogelijkheid aan van een entente met Nederland. Leeper had in de voormiddag al uitdrukkelijk gewaarschuwd voor het gevaar van een Duitse invasie door Nederlands-Limburg. Maar Den Haag was nooit bereid gebleken tot een gemeenschappelijke defensie. De kans dat hun opstelling veranderd was, leek volgens de Minister nihil. Hij kreeg van Britse zijde de vraag toegespeeld wat België nu eigenlijk verwachtte van hen. Hymans vertrouwde hen toe dat: “La Belgique ne cherche pas à provoquer votre intervention, mais à l’éviter en prévenant la guerre par la menace de cette intervention”.[268] De Belgen haalden opnieuw het voorbeeld van 1870 aan. Sir Simon vroeg zich af in welk opzicht dit dan verschilde van het Rijnpact. Van Zuylen repliceerde daarop dat er twee grote verschillen waren. Engeland beloofde namelijk onmiddellijk en vooral zonder voorafgaand overleg, België bij een buitenlandse aanval met alle mogelijke middelen ter hulp te snellen.[269]

De Belgen hadden tijdens het gesprek een ontwerp tekst voorgelegd. Chamberlain vroeg hen welke officiële vorm deze tekst dan zou moeten aannemen: een verklaring of een conventie. Volgens van Zuylen ging Hymans hier in de fout door te zeggen: “La chose est à examiner”.[270] De voorgestelde tekst was duidelijk in de vorm van een conventie gegoten. Volgens van Zuylen gaf Hymans Londen hiermee de voorzet om het Akkoord te weigeren of af te zwakken tot een verklaring.

Waren de Britten midden mei nog geneigd om mee te gaan in het Belgische scenario, dan kwam op het einde van de maand de ontgoocheling. In een gesprek tussen Hymans en zijn Engelse ambtsgenoot opperde deze laatste de mogelijkheid dat België een niet-aanvalsverbintenis met Duitsland zou sluiten. Het zou voor de Britse publieke opinie een Anglo-Belgisch akkoord beter verteerbaar maken. Hymans was verrast door het voorstel. Volgens hem waren er verschillende bezwaren op te noemen tegen dit non-agressiepact. De Belgische publieke opinie zou dit nooit aanvaarden en het zou daarenboven het Locarno-pact weinig bijbrengen.[271]

 

De ministeriële crisis van begin juni en de verwijdering van Paul Hymans uit de nieuwe regering, werden in Londen op de voet gevolgd. Engeland vreesde dat België met de nieuwe regering zijn internationaal beleid zou wijzigen. De nieuwbakken Minister van Buitenlandse Zaken Henri Jaspar verzocht van Zuylen om in Londen de bezorgdheid te gaan bezweren.[272] Daarnaast moest hij opnieuw de herbevestiging van de Britse garantie trachten te bekomen en inlichtingen over de internationale toestand inwinnen.[273]

Van Zuylen ontmoette Orme Sargent op 26 juni 1934 te Londen. Hij stelde zijn gesprekspartner van in het begin gerust: België bleef zijn politieke lijn trouw. Minister Jaspar had niet de intentie daar verandering in te brengen. Integendeel, in 1922 was hij de man achter de onderhandelingen omtrent een militair akkoord met Londen geweest. Gesteund door de Senaat zou hij de politiek van zijn voorganger verder zetten.[274]

Daarop kwam Sargent terug op de besprekingen die Sir Simon en Hymans in mei voerden. Van Zuylen wees er op dat Minister Jaspar duidelijk gewonnen was voor een Anglo-Belgische conventie. Sargent daarentegen maakte duidelijk dat Londen niet happig was om een conventie af te sluiten. België wou volgens de Baron indruk maken op Duitsland door het onvermijdelijke karakter van de Engelse interventie te benadrukken. Een verklaring kon Berlijn het signaal geven dat deze enkel gold zolang deze regering in het zadel bleef, terwijl een conventie een blijvend engagement van Londen liet uitschijnen. Sargent wou klaarblijkelijk de boot afhouden en riep allerlei tegenkantingen op. Het argument dat de conventie tot een nieuwe onderhandeling van de Locarno-akkoorden zou leiden, werd door van Zuylen ontkracht: er veranderde niets aan het verdrag. Dat een conventie steeds door het Gemenebest moest worden goedgekeurd, leek voor de Britse diplomaat een hinderpaal te vormen, vooral gezien Engeland er geen rechtstreeks voordeel bij zou hebben. Daartegen bracht van Zuylen de Belgische defensie in stelling. Sir Simon had in een vorig gesprek met Hymans nog op het belang van België voor de Britse luchtverdediging gewezen. Elk verzoek op het vlak van defensie zou door Brussel met plezier onderzocht worden. Ondanks alles kon Sargent zich niet bij een conventie neerleggen. Tot nu toe was er volgens hem telkenmale sprake van een verklaring. Sinds België op de proppen kwam met een conventie was alles veel gecompliceerder geworden. Hij verzocht van Zuylen dan ook niet langer aan te dringen.[275]

Wanneer het gesprek zich op het non-agressiepact van België met Duitsland richtte, viel van Zuylen scherp uit. Hij geloofde niet erg in het Britse voorstel om daarmee de vrede te consolideren. De Verdragen van Locarno hielden op zich al een niet-aanvalspact in, een nieuw pact zou Locarno alleen maar ondergraven. Voor Sargent was het voor Londen vooral van belang om geen nieuwe tegenstellingen te creëren op het continent en integendeel toenadering tussen de buren te vergemakkelijken. Hoe dat moest gebeuren, was voor hen zelf nog niet duidelijk, een nog-agressiepact was een mogelijkheid. De betrokkenheid van Berlijn in een Engelse verklaring over de Belgische veiligheid, was evenzeer een plausibel alternatief. Hij adviseerde België niet meteen te antwoorden op de Duitse voorstellen voor een niet-aanvalspact. Londen wou van de mogelijkheid gebruik maken om de situatie open te trekken en Berlijn erbij te betrekken.[276]

Tijdens het gesprek werd duidelijk dat een hechtere samenwerking tussen Londen en Parijs niet in het verschiet lag. Door haar allianties in Oost-Europa had Frankrijk een verbond met Engeland uitgesloten. Met Nederland daarentegen was Londen wel begaan. De Britse luchtverdediging was evenzeer afhankelijk van een goed verdedigd Nederland. Een niet-aanvalspact met Duitsland moest in Den Haag aangekaart worden: “quoiqu’on puisse penser de la fragilité de ces sortes de pactes, ils constituent quand même une barrière morale qui rend l’agression plus difficile et ses conséquences plus dangereuses pour l’agresseur”.[277]

Twee dagen later ontmoetten de heren elkaar opnieuw. Sargent deelde van Zuylen mee dat hij Sir Simon sprak over de Belgische vraag voor een conventie. De Minister van Buitenlandse Zaken kon daar niet mee in stemmen. Een conventie was voor hem nooit een optie geweest. Van Zuylen wist dat hij nu voor een bijna onbegonnen taak stond. Hij herhaalde andermaal zijn argumenten die nu genoegzaam bekend waren. Voor het eerst ging hij ook dieper in op de militaire voordelen van een conventie. In een verklaring waren deze niet aanwezig, wat in geval van onverwachte agressie bijzonder veel tijdverlies zou veroorzaken. Sargent toonde zich bereid de stafcontacten tussen het Belgische en Britse leger na de verklaring aan te halen. De Brit herhaalde met aandrang dat de Belgische regering niet langer mocht aandringen omtrent de vormelijke aspecten van de Britse herverzekering.[278]

Na afloop van de Londense gesprekken zag van Zuylen de toekomst van een defensief Anglo-Belgisch akkoord heel somber in. Hij bleef realistisch wanneer hij het afsluiten van dit akkoord moeilijk tot zelfs onmogelijk noemde. Engeland wou wel degelijk duidelijk maken aan Berlijn dat het de Belgische soevereiniteit hoog in het vaandel droeg, maar verder dan een officiële verklaring, mogelijk met Duitse inbreng, wou het niet gaan. Had België wel baat bij een verklaring alleen? Baron van Zuylen besloot pragmatisch dat deze, mits een nieuw Duits engagement en met de beloofde stafcontacten in rekening gebracht, uiteindelijk nog altijd bijdroeg tot een versterking van de Belgische positie. Hij pleitte er dan ook voor om de Britse verklaring uit te werken en te trachten nog meer Britse garanties binnen te halen.[279]

 

Uiteindelijk kwam de dubbele Britse verklaring er in juli 1934. Sir John Simon sprak in zijn rede voor het House of Commons over het belang van België voor de Britse defensie. België was altijd al een essentieel onderdeel geweest van de Britse veiligheid en sinds de invoering van de moderne luchtvaarttechnieken was daar niets aan veranderd, aldus de Minister. Prime Minister Stanley Baldwin sprak twee weken later de parlementsleden toe: “Let us never forget this: since the days of the air, the old frontiers are gone. When you think of the defence of England you no longer think of the chalk cliffs of Dover; you think of the Rhine. That is were our frontier lies”.[280]

Van Zuylen oordeelde later in zijn memoires dat men van een Belgisch succes kon spreken. Duitsland had een niet mis te verstane waarschuwing gekregen. Brussel had van Londen verkregen dat het de onschendbaarheid van het Belgische grondgebied als essentieel beschouwde. Ten aanzien van Frankrijk, verklaarde van Zuylen, was onze positie evenzeer versterkt. Indien Engeland besliste niet mee te gaan in de Franse militaire ondernemingen, kon België zich daarop baseren om Parijs de wacht aan te zeggen.[281]

Helaas voor België bleek Londen kort na de verklaringen niet bereid om het militaire aspect van de verklaring uit te werken. Sargent had nochtans in zijn gesprek met van Zuylen gewezen op de mogelijkheid daarvan. Wanneer Minister Jaspar in augustus 1934 de vraag tot Londen richtte, antwoordde het afwijzend.[282]

 

Dat de Britse verklaring indruk had gemaakt, bewijst het bezoek van de Duitse diplomaat Curt Brauer aan van Zuylen in dezelfde maand augustus. Berlijn stelde zich vragen bij de Engelse uitspraken. De nationale en internationale pers schreef ondertussen dat er tussen Brussel en Londen een defensief akkoord was stand gekomen tot. Brauer vroeg aan de Belgische diplomaat of dit zo was. De Duitser werd afgescheept met de boodschap dat het Ministerie niet verantwoordelijk was voor de perspublicaties. Het afschrikeffect had volgens van Zuylen gewerkt, het kwam er nu op aan om door te gaan op dezelfde lijn.[283]

Rond deze tijd verscheen in de katholieke periodiek Revue Générale belge het artikel L’Angleterre et l’inviolabilité de la Belgique.[284] Het stuk verscheen anoniem, maar volgens dr. Guido Provoost mogen we dit op naam van Pierre van Zuylen schrijven.[285] Het artikel gaf de lezer inzicht in het belang dat Londen doorheen de geschiedenis altijd hechtte aan onze contreien. Dat het geschreven moest zijn door een insider was duidelijk. Naar het einde van het artikel schrijft de auteur: “Mais pour que l’assistance anglaise donne sa pleine mesure, il est indispensable que, dès le temps de paix, la coopération des forces soit étudiée et organisée. Dans la guerre moderne, il devient de plus en plus difficile d’improviser”.[286] Zoals daarnet aangehaald, was er in de pers sprake van duidelijke militaire afspraken tussen Brussel en Parijs. Het Ministerie had het bestaan ervan bevestigd noch ontkend. De auteur wist duidelijk dat de afspraken er nog niet waren. Hij claimde dat dergelijk akkoord niet in strijd was met het Rijnpact. Beide standpunten waren door van Zuylen ook naar voren gebracht in de onderhandelingen. Dat de Baron de man achter het artikel was, lijkt dan ook aannemelijk. Als hoofdonderhandelaar met de Engelsen was hij bijzonder goed op de hoogte. Later zullen we nog zien dat van Zuylen er inderdaad niet voor terug deinsde om de publieke opinie te bespelen via de media.[287]

 

 

4. Que doit-on faire en cas de guerre?

 

De rust was na deze woelige periode even teruggekeerd. De onrust bij van Zuylen was echter niet weggeëbd. Hij maakte van de windstilte gebruik om enkele gedachten te ordenen. De uitkomst was een verontrustende nota over de gevolgen van een oorlog voor België. Hij zou het werkstuk afleveren in december 1934.[288]

Van Zuylen stak van wal met de vraag of de geruchten over een nakende oorlog wel correct waren. Een antwoord leek moeilijk te formuleren. Het snel bewapenende Duitsland wou zich snel van het juk van Versailles ontdoen, terwijl in de Balkan het nationalisme andermaal hoogtij vierde. Daarnaast waren er echter gelukkig nog landen met een vredelievender ingesteldheid, Engeland en Frankrijk op kop. De Duitse dreiging was reëel, maar Berlijn zou de aanval niet inzetten alvorens haar militaire opbouw vervolledigd was. Volgens de Belgische en Britse militaire staven kon het Duitse leger pas binnen twee of drie jaar een geslaagd offensief uitvoeren. Dit nam echter niet weg dat een zwaar internationaal incident nu al tot een oorlog kon leiden. Oorlog was voor België nog altijd een ten allen tijde te vermijden kwaad: “Nous avons tout à perdre et rien à gagner dans une guerre, (…) c’est notre existence et notre indépendance elles-mêmes qui seront en jeu”.[289]

In het eerste deel van het memorandum waren de gelijkenissen met zijn werkstuk van 1930-1931 duidelijk zichtbaar. Het deel omtrent de Verdragen van Locarno omvatte een uitgebreide interpretatie van het Frans-Belgisch Militair Akkoord. De reeds bekende Belgische standpunten werden herhaald. Voor de eerste keer ging van Zuylen dieper in op de technische bepalingen van het Akkoord. Deze noemde hij gedateerd, gezien ze louter te zien hadden met de bezetting van de Rijnzone in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog. Dat Parijs de laatste tijd probeerde via stafcontacten deze technische instructies te herinterpreteren naar de huidige internationale situatie, noemde hij onrustwekkend. Het land moest er over waken om immer over zijn volledige bewegingsvrijheid te kunnen beschikken.[290]

Voor het eerst raakte van Zuylen het eigenlijke pijnpunt van Locarno aan: de wederkerigheid van de garantieverplichting. Voor 1914 werd België gegarandeerd door de mogendheden zonder dat daar een tegenprestatie tegenover stond. Bij een nieuw Frans-Duits conflict kon België nu onmogelijk nog uit de oorlog blijven. Beiden konden van oordeel zijn dat een passage door ons land voor hen van strategisch belang was. Mocht Duitsland Frankrijk aanvallen of omgekeerd, dan was België via het Rijnpact automatisch verplicht om de agressor te helpen te verdrijven. Wat zou deze bijgevolg nog tegenhouden om niet van bij aanvang al door België te trekken, vroeg van Zuylen zich luidop af? In voornoemd voorbeeld was het onmogelijk om niet in het krijgsgewoel betrokken te raken. De situatie was helemaal anders als de schending van het Verdrag van Versailles zich beperkte tot het stationeren van Duitse troepen in de Rijnzone. Parijs kon in dit geval opperen dat deze inbreuk evenzeer tegen haar gericht was en het nodig achtten in het kader van haar eigen veiligheid de doortocht van haar troepen te eisen. Zonder voorafgaand akkoord was dit voor België onmogelijk, maar kon het land in dat geval het Franse verzoek weigeren? Engeland leek niet geneigd de visie van Brussel omtrent de voorafgaande consultatie te beamen. Londen sprak er over als een verlamming van het Rijnpact dat een onrechtstreeks voordeel voor Duitsland zou opleveren. Daarom pleitte van Zuylen er voor dat in het geval van schending van het Verdrag, België een duidelijke inschatting zou maken van de omstandigheden, alvorens tot actie over te gaan. Een nuchtere analyse van de feiten was altijd noodzakelijk. De eerste mogendheid die onze landsgrenzen schond, was bijvoorbeeld niet bij voorbaat dezelfde als die die de lont aan het kruitvat stak. Was een inval van buitenlandse troepen wel degelijk de eerste oorlogsdaad, dan moest het land nagaan of het hier wel om een massale invasie ging en niet om een grensoverschrijding van irreguliere troepen. Als het aanduiden van de oorspronkelijke agressor al moeilijk leek, dan was het nagaan van de precieze oorzaak van de vijandigheden al helemaal onbegonnen werk. Van Zuylen wees erop dat: “Il importe de s’assurer de la réalité et de la gravité de l’infraction, de l’absence de toute provocation [et] de la possibilité de remédier à la situation par une action diplomatique”.[291] De herbezetting van de Rijnzone zou voor België volgens van Zuylen de grootste problemen met zich meebrengen. Bij verdeeldheid onder de garanten van Locarno was een Belgische afzijdigheid de enige te verantwoorden houding.[292] Gezien Italië niet van plan was te reageren tegen een herbezetting van de Rijnzone, kon men dus eigenlijk spreken van een feitelijke afzijdigheid.

In een volgende hoofdstuk onderzocht hij de verschillende scenario’s die konden leiden tot een oorlog in West-Europa. In geval van een conflict waren er wat België betreft twee mogelijkheden: een directe aanval op België en een Frans-Duitse oorlog waarbij België niet onmiddellijk betrokken was. Onder een directe agressie tegen België vielen ten eerste de eenvoudige grensoverschrijdingen. Tegen een verdwaald bataljon of politieagenten in volle achtervolging diende kordaat doch met de nodige voorzichtigheid, militair en diplomatiek opgetreden te worden. Deze incidenten mochten in geen geval aanleiding geven tot een verhoging van de internationale spanning. Bij een luchtaanval op Belgische doelen veranderde de situatie helemaal. Bij een Duitse aanval moesten de garanten onmiddellijk ingelicht worden. Ware het een Franse of Nederlandse (?) aanval, dan diende de Volkenbond op de hoogte gebracht te worden van deze inbreuk. In dit laatste geval was het Rijnpact niet van toepassing. In het geval België getroffen werd door een massale buitenlandse aanvalsgolf, zou deze zo goed als zeker voorafgegaan worden door een periode van diplomatieke spanning. In die periode zou er ongetwijfeld al constant contact geweest zijn met de garanten en zullen de nodige militaire voorzorgen genomen zijn. Opnieuw zou een loutere herbezetting van de Rijnzone voor de meeste problemen zorgen. België moest er zich duidelijk van vergewissen of de Duitse inbreuk zich daartoe beperkt of dat er daarentegen verdere militaire offensieven in het verschiet lagen. Een oproep tot de garanten diende daarbij een automatisme te zijn. Van Zuylen stelde zich de vraag of deze actie onmiddellijk aanleiding moet geven tot een Belgische mobilisatie: “question d’opportunité encore une fois”.[293] Belangrijk voor de latere Belgische houding is zijn visie op de legerinstructies bij een Duitse inval: “il faudra résister de toutes nos forces, mais en veillant à ne pas exposer notre armée à un désastre ou à être coupée de la profondeur du territoire avant l’arrivée des garants, qui répondront à l’appel”.[294] De Baron wou vooraf van de garanten duidelijkheid over hun assistentie bij een Duitse aanval. Alvorens een conflict uitbrak, moesten de garanten zich uitgesproken hebben over de omvang van hun hulp, de militaire doelen en vooral hun visie op de naoorlogse positie van België. De aanhoudende vraag van Koning Leopold III om de Belgische soevereiniteit te erkennen zou in 1940 voor de nodige commotie zorgen, maar deze kwestie hield anderen dus al langer bezig. Van Zuylen achtte het noodzakelijk dat het Belgische leger zich zou houden aan dezelfde gedragslijn als die van 1914 waarbij het zich enkel verplicht zag op te treden op het eigen grondgebied. Indien echter het Duitse leger zich via het Nederlandse grondgebied toegang verschafte tot het Belgische was deze houding aanpasbaar. Alles hing af van de stellingname van Den Haag. Indien Nederland bereid was weerstand te bieden, was van Zuylen voorstander van een gezamenlijke Belgisch-Nederlandse defensie. Wanneer vanuit het Binnenhof slechts een formeel protest kwam en Nederland elke Belgische vraag tot militair optreden afwees, diende Brussel alle opties open te houden. In overleg met de garanten moest na gegaan worden of een onmiddellijke oorlogsverklaring aan Nederland te verkiezen was boven een eis tot compensatie na het beëindigen van de vijandelijkheden. In het laatste geval moest België nog voor het einde van de oorlog weten waar het aan toe was, zodat het niet, zoals in 1919, met lege handen achterbleef.[295]

Tweede mogelijke scenario was het uitbreken van een Frans-Duitse oorlog zonder dat België er onmiddellijk in betrokken raakte. In deze omstandigheden zouden beiden druk uitoefenen opdat België hun kant koos en in het extreme geval de doortocht van hun troepen eisen. Bij een directe schending van het Verdrag van Locarno dienden de Belgen slechts rekening te houden met de Britse houding. Hun acties moesten zich daarop concentreren. Trok Londen ten strijde dan kon België niet anders dan volgen, bleef ze op dat moment nog altijd afzijdig dan was de kans groot dat dit haar na de oorlog zwaar aangerekend zou worden. Dat België afzijdig zou blijven, was zeer onwaarschijnlijk: het land had er namelijk geen baat bij om de toorn van Londen over zich te halen. Beter zou zijn indien het Belgische leger de coalitie versterkt om een overwinning te bewerkstelligen, dan na een Engelse nederlaag de grillen van de overwinnaar te moeten trotseren. Een gelimiteerde herbe