Nederlands Elmina: een socio-economische analyse van de Tweede Westindische Compagnie in West-Afrika in 1715. (Yves Delepeleire)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

DEEL IV. SCHEEPVAART EN HANDEL IN WEST-AFRIKA.

 

HOOFDSTUK 9: Scheepvaart op West-Afrika.

 

De scheepvaart van de WIC op West-Afrika kan in vier belangrijke categorieën worden onderverdeeld. De retourhandel tussen de Republiek en de Bocht van Guinee gebeurde door retourschepen, terwijl de slavenhandel tussen de Republiek, Afrika en Amerika door slavenschepen gebeurde. Voor de kusthandel in West-Afrika (van de Greinkust tot aan Benin) werden kleine vaartuigen ingezet, hoekers of kustschepen. Een laatste categorie waren kruisers, sterk bewapende schepen die de smokkelhandel voor de kusten van West-Afrika bestreden. Dit scheepstype behandelen we hier niet, maar komt uitgebreid aan bod in Deel V over de smokkelhandel.

 

9.a. Retourschepen.

 

In de periode 1674-1740 werden volgens Den Heijer 334 retourschepen vanuit de Republiek uitgereed[212]. Dit kwam gemiddeld op 5 schepen per jaar. In het jaar 1715 kwam dit aantal met de schepen Faam, Commany, Etersem en Apam (cf. tabel 9.1.) op vier. De Faam was feitelijk een kruiser, maar fungeerde op haar heen- en terugreis ook als retourschip en is daarom hierbij opgenomen. De meeste scheepstypes waren fregatten en jachten, met uitzondering van de buis Etersem; snelle schepen die hun heenreis binnen de 3 maanden konden voltooien en, wanneer ze geen handelstochten langs de Westafrikaanse kust ondernamen en niet al te lang op de rede van Elmina bleven liggen, doorgaans zelfs binnen de 8 maanden naar de Republiek konden terug keren. Deze regel ging echter niet op voor 1715.

Het retourschip Commany moet in januari 1715 zijn uitgereed, want op 26 maart van datzelfde jaar lag het al op de rede van Elmina[213]. Vooraleer met een lading goud, ivoor of andere producten terug te keren, werd het echter tweemaal in de kusthandel op Benin en Gabon ingezet, waardoor de Commany uiteindelijk pas na meer dan twee jaar op 22 juni 1717 in de Republiek zou terugkeren. Voor de Etersem gold hetzelfde verhaal. Dit schip vertrok op 18 juni 1715 vanuit de Republiek en bereikte na circa drie maanden de baai van Elmina, waar het prompt voor meer dan 4 jaar in de kusthandel op Calabar werd ingeschakeld. Toen het daar in oktober 1719 met piraten in aanvaring kwam, ging het schip zelfs verloren[214]. De Apam tot slot is een merkwaardig geval. Het schip was oorspronkelijk een smokkelaar, dat naar de naam Americaense Galey luidde, en werd in 1710 door de WIC geconfisqueerd. Volgens Den Heijer werd dit schip in 1715 naar Elmina uitgereed, om in de loop van 1716 opnieuw naar de Republiek terug te keren[215]. Het dagjournaal van 1715 zwijgt daarover echter in alle talen. Uit andere bronnen leiden we af dat de Apam wel degelijk naar West-Afrika is uitgereed, maar mogelijk was het schip al eind 1714 vertrokken. Bovendien keerde de Apam ook veel vroeger terug, want op 5 augustus 1715 werd het schip door de Kamer Amsterdam op de Nederlandse markt te koop aangeboden[216]! Zijn retourlading is echter onbekend[217].

 

Tabel 9.1. Retourschepen in 1715

Heenreis

 

Terugreis

Schip

Vertrek Republiek

 

Schip

Vertrek Afrika

Faam

10-01-1715

 

Accra*

09-01-1715

Commany

00-01-1715°

 

Guinese Gebroeders*

15-02-1715

Etersem

18-06-1715

 

Eendragt

08-03-1715

Apam

?

 

Jacoba Galei

28-04-1715

 

 

 

Geertruyd Galei*

31-05-1715

 

 

 

Bercoe*

31-05-1715

 

 

 

Zacconde*

23-12-1715

* Veroverde smokkelaars / ° = Exacte datum onbekend.

 

In 1715 zond de WIC maar weinig retourschepen naar West-Afrika. Dit was ook niet nodig, omdat de Compagnie toen het geluk had beslag te kunnen leggen op dertien smokkelaars, die in de WIC-scheepvaart werden ingeschakeld en waarvan een groot deel als retourschip naar de Republiek terugkeerde. Van de 7 retourschepen die in 1715 vanuit West-Afrika met een lading goud, ivoor of peper vertrokken, waren maar liefst 5 voormalige smokkelaars (cf. tabel 9.1.). Zij vertrokken niet allemaal aan Elmina. Alleen de Jacoba Galei, Geertruyd Galei en Bercoe werden aan Elmina uitgereed[218], terwijl alle andere retourschepen op meerdere plaatsen aan de Greinkust vertrokken na daar een tijd de kusthandel (in peper) te hebben gedreven.

Een retourschip dat aan Elmina of ergens anders in de Bocht van Guinee vertrok, was gebonden aan vaste zeeroutes. Zo was het niet mogelijk om vandaar de reis naar de Republiek aan te vatten door langs de Bovenkust (Grein- en Ivoorkust) te laveren en zo rechtstreeks een noordelijke route te nemen, omdat men dan tegen de Guinea-stroom in zeilde, wat vrijwel ondoenbaar was en de duur van de retourreis met enkele maanden verlengde. Daarom was elk retourschip verplicht om de Bocht van Guinee eerst in zuidelijke richting af te varen tot aan Cabo Lopes Gonsalves (ter hoogte van de evenaar), alwaar het met de zuidoostpassaat en zuidequatoriale stroom in volle zee werd gedreven en daardoor de Atlantische Oceaan dwars kon oversteken. Deze route was echter niet zonder gevaren, omdat de Nederlandse schepen daar in het vaarwater van de Portugezen kwamen (aan de eilanden Principe en São Tomé), die erop belust waren om de WIC op alle mogelijke manieren te plunderen.

In vrijwel elke instructie voor retour- of slavenschepen legde directeur-generaal Haring er de nadruk op om zoveel mogelijk spoed te maken en uiterst voorzichtig te zijn ter hoogte van Cabo Lopes Gonsalves en de Portugese eilanden, opdat ze ‘niet onverhoedts van zeerovers off andere quaade scheepen overvallen’ zouden worden[219]. Eens men in Europa kwam, was het een Nederlands schip bovendien verboden om in Portugese of Engelse havens aan te leggen, maar moest het dwars door het Kanaal en zo snel mogelijk naar de Republiek varen, alwaar het bij zijn aankomst in de haven van Middelburg, Veere, Vlissingen, Texel of Amsterdam een schot moest lossen en de Nederlandse wimpel op de voorsteng van het schip moest laten waaien om de Heren X op de hoogte te brengen van de behouden thuiskomst[220].

Na hun terugreis werden de schepen Accra en Guinese Gebroeders, samen met de Apam, in 1715 openbaar verkocht (cf. Bijlage 9). De hoeker Zacconde, die eind 1715 met een lading peper terugkeerde, werd in 1716 verkocht voor 5.050 gulden[221]. Het waren allemaal veroverde smokkelaars, die eenmalig als retourschip werden ingezet, maar kennelijk in al te slechte staat waren om nog verder dienst te doen.

 

9.b. Slavenschepen.

 

In de periode 1674-1740 werden 383 slavenschepen uitgereed, of gemiddeld 6 schepen per jaar[222]. Daarmee was de slavenvaart de omvangrijkste scheepvaartactiviteit van de WIC. In 1715 werden in de Republiek 3 slavenschepen uitgereed. De schepen Bosbeek en Nieuwe Post hadden daarbij Angola als bestemming, terwijl de St. Andries naar de Slavenkust zeilde. Opvallend daarbij is dat deze twee laatste schepen niet aan de WIC zelf toebehoorden, maar van particuliere reders waren gehuurd. Het huren van slavenschepen was een vrij normale zaak tot aan de Spaanse Successieoorlog, maar kwam daarna nog nauwelijks voor[223]. In 1715 gebeurde dit voor de laatste keer. Toen werd de Nieuwe Post voor 1.400 gulden per maand door de Kamer Amsterdam en de St. Andries voor 1.350 gulden per maand door de Kamer Maze gehuurd[224].

 

Tabel 9.2. Slavenschepen in 1715

Heenreis

 

Terugreis

Schip

Vertrek Republiek

 

Schip

Vertrek Afrika

Bosbeek°

05-04-1715

 

Emmenes

09-03-1715

Nieuwe Post°

28-04-1715

 

Sonnesteyn

23-05-1715

St. Andries

14-07-1715

 

Akredam

22-09-1715

 

 

 

Engelenburgh*

30-09-1715

 

 

 

Fida*

14-12-1715

° Met bestemming Angola / * Veroverde smokkelaars.

 

Johannes Postma heeft op basis van verschillende steekproeven de duur van een slavenreis voor een compagnieschip berekend op 520 dagen of 17 maanden[225]. Voor alle WIC-schepen die in de loop van 1715 in de slavenvaart actief waren, geldt een vergelijkbaar cijfer van 16,5 maanden. De Engelenburgh en Fida zijn in deze raming buiten beschouwing gelaten, omdat het oorspronkelijk smokkelaars waren waarvan de exacte vertrekdatum in de Republiek onbekend is. De Engelenburgh werd na haar aankomst in Curaçao trouwens gesloopt. Over de verblijfduur van een slavenschip in West-Afrika (op de Goud- of Slavenkust) hebben we het nog uitgebreid in 11.c.

Voor de slavenhandel werden geen specifieke schepen gebouwd. Men gebruikte daarvoor verschillende scheepstypes die mits enkele kleine ingrepen geschikt werden gemaakt voor het vervoer van slaven[226]. Vóór het vertrek werd meestal een koebrug of een ‘diep verdeck’ aangebracht onder de overloop, waardoor de vervoerscapaciteit van het schip aanzienlijk vergrootte. Maar ook tijdens de reis naar en het verblijf op de Goud- of Slavenkust kon het schip nog verder worden aangepast. Zo moest met de komst van de Nieuwe Post aan de Goudkust, vooraleer naar Angola verder te zeilen, het ruim van het schip eerst nog omgebouwd worden om slaven te kunnen vervoeren, waartoe de kapitein ‘planken tot myn slavecombuys (…) alsmede die voor het slaven gemak op zeyde van het schip’ benodigd had[227]. Het nadeel daarvan was wel dat deze schepen langer dan nodig voor de Goud- of Slavenkust moesten blijven liggen.

De grootste leverancier van slaven was de Slavenkust, een kustgebied dat onder de Tweede WIC 39,4% van de totale export van slaven uit Afrika voor haar rekening nam[228]. Dit bleek ook in 1715 het geval te zijn geweest. De Bosbeek en Nieuwe Post zeilden weliswaar naar de Angolese kust, maar het slavenschip St. Andries voer naar de Slavenkust. En hoewel slechts twee van de 5 schepen, die in 1715 hun Atlantische oversteek aanvatten, van op de Slavenkust werden uitgereed, namelijk Emmenes en Akredam, was hun cargo slaven veel groter dan de drie overige schepen Sonnesteyn, Engelenburgh en Fida, die in 1715 van op de Goudkust vertrokken[229].

De Amerikaanse bestemmingen van de slavenschepen waren sterk uiteenlopend, hoewel Curaçao de populairste afzetmarkt leek te zijn. Van de 5 slavenschepen die in 1715 uit West-Afrika hun reis naar Amerika maakten, zeilden maar liefst 4 naar het eiland Curaçao. Alleen de Akredam zette koers naar Suriname. Voor de slavenvaart werden verschillende categorieën schepen gebruikt. Zo werden volgens Den Heijer kleine schepen voor slavenreizen naar Berbice ingezet, middelgrote en grote schepen naar Suriname en de grootste slavenschepen naar Curaçao[230]. Dit was echter niet altijd het geval. Zo werden in 1715 ook de kleinere schepen Engelenburgh en Fida met een beperkt aantal slaven naar Curaçao gezonden. Over de slavenhandel in West-Afrika zelf, hebben we het uitgebreid in paragraaf 11.c.

 

9.c. Kustschepen.

 

De WIC dreef niet alleen handel aan haar factorijen op de Goud- en Slavenkust, maar onderhield ook een intensieve kusthandel op de Grein- en Ivoorkust, Calabar en Benin met schepen. Daarvoor had de directeur-generaal van Elmina permanent 4 tot 6 kleine schepen, meestal hoekers, tot zijn beschikking. Deze schepen waren beperkt van diepgang, omdat ze bedoeld waren om de kreken en rivieren langs de kustlijn op te varen. Zo voeren de kustschepen onder meer op de handelsrivier Rio Sester ter hoogte van de Grein- en Ivoorkust, alsook Rio Calabar, Rio de Benyn, Rio del Rey, Rio Cameronus en Rio Gabon in Benin, tot aan de meest zuidelijke punt Cabo Lopes Gonsalves ter hoogte van de evenaar.

De WIC had 2 soorten kustschepen. De ene werden gebruikt in de kusthandel in Afrika, terwijl de overige slechts als interstationaire transportvaartuigen dienden en tussen de forten en factorijen op de Goud- en Slavenkust koopmanschappen, voedsel of bouwmaterialen vervoerden. De schepen Axim en Boutry, beide hoekers, zijn voor 1715 exemplarisch. Beide voeren bijna permanent tussen Elmina en Chama om vers water en hout in te slaan voor de retour- en slavenschepen die aan Elmina of Fida op de Slavenkust lagen te wachten voor vertrek. Eenmaal voer de Boutry ook naar Fida om er de oppercommies P. Valkenier, die zijn ontslag had aangevraagd, af te halen[231]. En vooraleer in de kusthandel ingezet te worden, volbracht het fregat Cormantin ook nog een inspectieronde van de factorijen op de Benedenkust[232].

Veel van deze transportschepen waren in slechte staat door hun lange staat van dienst in de Afrikaanse wateren. Zo werd de hoeker Axim in maart 1715 in de Benya-rivier gebracht om daar te worden hersteld[233]. De hoeker St. Jago, een retourscheepje dat in 1712 vanuit de Republiek was vertrokken en in Afrika als transportschip was ingezet, bleek zelfs zodanig beschadigd te zijn, dat het diende te worden gesloopt[234]. Tot slot was ook het scheepje Boutry in zeer slechte staat. Het werd in 1716 voor het schamele bedrag van 2 mark goud of 640 gulden aan de Portugezen verkocht. In deze paragraaf blijven we verder niet stilstaan bij deze transportschepen.

In de kusthandel werden schepen van diverse types gebruikt. Afhankelijk van de bestemming, de duur van de reis en de grootte van de lading werden zowel fregatten, jachten, hoekers, buisschepen als snauwen ingezet. Gegevens over de kusthandel in Afrika zijn jammer genoeg summier. Van de honderden tochten die langs de kustlijn van de Bocht van Guinee werden gemaakt, zijn voor de jaren 1697-1721 slechts van 26 handelsreizen gegevens, zoals de duur van de reis en handelsrekeningen, bewaard gebleven[235]. Dit bemoeilijkt uiteraard een gerechtvaardigd beeld over de kusthandel van de WIC. Gelukkig biedt het dagjournaal met haar instructies, bevelschriften van de gouverneur aan de handelaars op de kustschepen, ons een welgekomen bron.

In 1715 werden vanuit Elmina 7 schepen op handelsmissie gestuurd naar diverse bestemmingen. Dit gebeurde op geconcentreerde momenten van het jaar, namelijk in de maanden mei, oktober en november. Het opmerkelijke daarbij is dat van die zeven schepen maar liefst 5 voormalige smokkelaars waren, die in de loop van 1715 waren veroverd (cf. tabel 9.3.). De veroverde smokkelaars werden dus niet alleen in de retour- en slavenhandel, maar ook in de kusthandel gecharterd. De hoge kustvaartactiviteit van de WIC in 1715 was zelfs zo goed als volledig te danken aan de confiscatie van deze smokkelschepen. De Commany en Etersem vielen hier niet onder. Beide werden door de WIC uitgezonden om enkele jaren als kustschip dienst te doen vooraleer met een retourlading naar de Republiek terug te keren (cf. 9.a.).

 

Tabel 9.3. Kustschepen in 1715

Schip

Bestemming

Vertrek

Terugkomst

Chama*

Ivoorkust

02-05-1715

00-02-1716°

Commany

Benin-Gabon-Cabo Lopes

16-05-1715

26-12-1715

Mouree*

Calabar-Kameroen-Gabon

23-05-1715

19-12-1715

Etersem

Calabar-Gabon-Cabo Lopes

02-10-1715

00-00-1716°

Zacconde*

Greinkust

25-10-1715

23-12-1715 (R)

Cormantin*

Greinkust

11-11-1715

15-01-1716 (R)

Benin*

Greinkust

12-12-1715

00-00-1716°

* Veroverde smokkelaars / (R) Retour / ° Exacte datum onbekend.

 

Handelstochten langs de kust konden variëren van enkele weken tot maximaal 8 maanden, afhankelijk van de bestemming of het doel van de reis. Toen de scheepjes Zacconde en Cormantin eind 1715 door Haring werden uitgereed, was het de intentie dat ze slechts gedurende enkele weken op de Greinkust handel zouden drijven om zo snel mogelijk met hun lading, voornamelijk peper, naar de Republiek terug te keren (cf. tabel 9.3.). Vaartuigen die op de dichtbijgelegen Grein- en Ivoorkust voeren, waren bovendien meestal binnen de drie maanden terug aan Elmina. Een uitzondering daarop was het fregat Chama, dat 10 maanden onderweg was geweest. Handelstochten naar de meer zuidelijk gelegen gebieden, zoals Calabar, Benin en Gabon, duurden over het algemeen veel langer. Zo was de snauw Mouree bij haar terugkomst op de Goudkust op 3 dagen na zeven maanden onderweg geweest.

De meeste van de handelsreizen in 1715 gingen naar de Bovenkust, ten westen van de Goudkust. Daarvan zeilden drie schepen naar de Greinkust, terwijl de Chama als enige de Ivoorkust af en aan voer (cf. tabel 9.3.). Haar kusthandel in goud, ivoor en slaven was bovendien veel algemener van aard dan de schepen op de Greinkust, die enkel en alleen de handel in peper (grein) beoogden. Toen de Chama op 2 mei 1715 voor zes maanden naar de Ivoorkust werd uitgezonden, diende het vooral de handel te drijven tussen Kaap Apollonia, op de meest westelijke Goudkust, en Rio Sester. Daarbij had Frederik d’Orville de leiding over het fregat, terwijl Michiel Heyman als onderkoopman moest instaan voor de handel[236]. Aangezien het schip voor een redelijk lange tijd onderweg was, kwam het bijna maandelijks aan Axim, de meest westelijke factorij van de WIC op de Goudkust, om te rapporteren over de handelspraktijken op de Bovenkust en daar al het goud, ivoor en slaven af te zetten. Over de opgebrachte exportwaar van de Chama en andere handelstochten (alsook de meegebrachte import vanuit Elmina) hebben we het nog in de volgende hoofdstukken, maar de handel aan de Ivoorkust leek alvast zodanig succesvol, dat de termijn van de handelstocht met 3 maanden werd verlengd[237].

De achtereenvolgende handelsreizen van de scheepjes Zacconde, Cormantin en Benin naar de Greinkust waren feitelijk gecombineerde expedities. Als eerste vertrok het schip Zacconde op 25 oktober om daar een lading peper in te slaan, onder leiding van schipper Cornelis Marchal en assistent Ambrosius Prouwels[238]. Maar om op twee plaatsen tegelijk te kunnen handelen en het scheepje op die manier zo snel mogelijk naar de Republiek te zenden, ging ook de assistent Jan van de Poele mee. Met de Zacconde zou men ongeveer twee weken handel drijven. Daarna diende Prouwels op het andere schip Cormantin over te gaan met zijn resterende lading, waarvoor hij een retourlading peper diende in te kopen. Zes weken na het vertrek van het eerste schip uit Elmina, werd ook de Benin uitgereed, waarmee Prouwels eveneens diende handel te drijven en naar Elmina diende terug te keren. Op zijn terugkomst tot slot werd hem toegestaan ook goud en ivoor, maar geen slaven, in te kopen. De greinhandel van de WIC werd een succes, want in 1715 alleen al werden 5 schepen met een lading peper naar de Republiek gezonden (cf. tabel 11.1.).

De drie overige handelstochten gingen naar de Benedenkust, meer bepaald naar de Niger-delta (cf. Kaart 4) ter hoogte van Calabar en Benin. Net als de schepen naar de Greinkust betrof het geen algemene handelstochten in goud, ivoor en slaven, maar om handelsreizen met een specifiek doel. Het schip Commany was daarvan het meest frappante voorbeeld. Toen het op 16 mei 1715 naar Benin vertrok om er op de handel in ivoor, gom en verfhout (roodhout) toe te zien, had het niet alleen één koopman aan boord, namelijk Revixit van Naarsen, maar ook de onderkoopman Jan Ravens, drie assistenten, Jacobus de Reyke, Anthony Adriaensz. en Willem Leytzen, de chirurgijn Mosterdyk, de soldaat Cornelis van de Poele én twaalf compagnieslaven[239]. De reis van de Commany was namelijk niet zomaar een enkelvoudige handelsexpeditie, maar kaderde in het opstarten -voor het eerst- van een intensief en blijvend handelsnetwerk in gom (en ivoor) met Benin.

De handelstocht van de Commany leidde op 26 augustus 1715 tot een exclusief contract tussen de WIC en de vorst van Benin, waarin een waslijst aan voorwaarden en maatregelen werden opgenomen om de handel van de Compagnie in deze streek sinds lange tijd opnieuw kracht bij te zetten[240]. Eén van de meest opmerkelijke punten in dit akkoord betrof de oprichting van 2 permanente logementen van de WIC, één in het dorp Arrebo en één aan Agathon. Reeds in 1705 sprak directeur-generaal Willem de la Palma over de aanwezigheid van een Nederlandse handelspost daar, maar deze werd al snel opgeheven door de handelsmisbruiken van de Afrikaanse kooplieden in Benin. Volgens Haring was voornamelijk de handel in ivoor er zodanig slecht, dat de kosten voor een permanente personeelsbezetting daar snel hoog opliepen. Bovendien moesten de schepen van de Compagnie daar vaak meer dan vier of vijf maanden op hun handelslading wachten, ‘synde het genoeg dat haer scheepen soo een geruyme tyt vrugteloos in soo een ongesonde plaats moeten doorbrengen[241].

In 1715 ondernam Haring een nieuwe poging om zich daar ‘in fixim domicilium’ te vestigen, op enkele voorwaarden. Volgens de bepalingen van het akkoord diende de koning van Benin op eigen kosten de twee logementen aan Arrebo en Agathon te bouwen, verplichtte hij zich tot het beschermen van de goederen en het personeel van de Compagnie én moest ook de weggelopen compagnieslaaf Jan Knip aan de WIC worden teruggegeven met de belofte van in de toekomst nooit nog slaven of andere bedienden van de Compagnie in bescherming te nemen. Bovendien garandeerde hij de betaling van uitstaande schulden én de voldoende aanvoer van Afrikaanse producten, zoals de ‘Benijnse paan’, een lendendoek dat door de WIC in Benin was gegeerd en op de Goud- en Slavenkust met grote winst werd doorverkocht[242]. Indien de vorst van Benin zich daaraan strikt hield, zou dit alleen maar voordelen kunnen opleveren voor beide handelspartners, temeer omdat de WIC beloofde elk jaar drie tot vier schepen naar daar te zenden, die ‘ook 3 à 4 mael sooveel goederen in dien selvden tyd [zouden] verdebiteeren, waardoor zyn incomste ook onwedersprekelyk moeten vermeerderen[243]. Een belofte die de WIC echter nooit zou kunnen nakomen.

De handelsexpeditie van het jacht Commany naar de Niger-delta in Benin was in de eerste plaats opgezet om er de ivoorhandel voor de WIC nieuw leven in te blazen. Maar omdat de ivoorhandel té beperkt was om op geregeld tijdstip kustschepen naar Benin te zenden, moest koopman Revixit van Naarsen er op toezien dat ook gom en verfhout werden gekocht, producten die de Afrikanen daar gemakkelijk in de bossen zouden kunnen vinden. Vooral aangaande de gomhandel bereikte directeur-generaal Haring een primeur. Hoewel hij in de loop van 1714 al commies Frederik van Zelst naar Benin had gezonden om er gom in te handelen, bleef dit zonder gevolgen[244]. De Commany was het eerste schip dat eind 1715 met een grote lading gom naar Elmina terug zou keren en betekende de start van een hernieuwde handelsstroom op de Niger aan de factorijen te Agathon en Arrebo. Exportgegevens komen later nog aan bod in Hoofdstuk 11, wanneer we het afzonderlijk hebben over ivoor, gom en roodhout.

De scheepjes Mouree en Etersem voeren in 1715 ook naar Benin, maar zeilden daarbij iets verder de kustlijn naar het zuiden af in plaats van op de Niger handel te drijven. De snauw Mouree vertrok op 23 mei 1715 onder leiding van de schipper Ary Thuyn en onderkoopman Pieter Leezer in eerste instantie naar Calabar om er ivoor in te handelen, maar voer daarna ook nog meer naar het zuiden de rivieren Kameroen en Gabon op, zelfs tot aan de meest zuidelijke kaap, Cabo Lopes Gonsalves, om daar handel te drijven in was en gom[245]. De Etersem vertrok op 2 oktober met de commies Josua Boerhaven (cf. 8.b.2.) aan boord en diende vooral -in volgorde van belang- de negotie in ivoor, gom, was én roodhout te beogen[246]. Beide schepen mochten op hun terugkomst bovendien ook de Bovenkust afzeilen om er eventueel nog meer ivoor en goud in te kopen.

In Hoofdstuk 11 blijven we langer stilstaan bij de exportcijfers van goud, ivoor, slaven, peper, gom en andere producten in de Bocht van Guinee, maar op het eerste gezicht kunnen we al stellen dat de kusthandel in 1715 succesvol leek en dat er kon worden gesproken over een behoorlijke winstmarge. Zo profiteerde de Chama van de bulkende slavenhandel op de Ivoorkust, handelden de kustschepen op de Greinkust een nooit geziene lading peper in en slaagde de Commany erin om de handel in ivoor en gom in Benin te herstellen! Van alle kustschepen die in 1715 vanuit Elmina zijn uitgevaren, zijn de volledige importladingen wel bekend (cf. 10.c.), alsook een ruwe schatting van de export van enkele schepen, maar een berekening van de brutowinst in de kusthandel is niet mogelijk omdat de financiële administratie van deze schepen zo goed als verloren is gegaan en we dus niet kunnen nagaan hoeveel producten van de importlading de schepen effectief op de kustgebieden hebben afgezet. Alleen van het scheepje Mouree weten we dat haar handelspraktijken een negatief saldo moeten hebben opgeleverd, omdat Haring daarover de zinsnede ‘schadelyken handel’ in de mond nam[247]. Op 16 december 1715 zou Pieter Leezer met 8.500 pond ivoor en 8.000 pond was op de Goudkust zijn teruggekeerd, maar toen Haring zijn handelsrekening controleerde, bleek dit voor ruim de helft te ontbreken! Toen bleek dat dit bedrog aan Pieter Leezer was toe te schrijven, die ‘geduurende de geheele ryze door den dronk meest buyten staet [is] geweest’, besloot Haring de fiscaal de zaak te onderzoeken.

 

9.d. Deelbesluit.

 

In 1715 was er in de Bocht van Guinee een hoge graad van scheepsactiviteiten, vooral in de retourvaart naar de havens van Texel, Rotterdam, Vlissingen of Veere, de slavenvaart naar de Amerikaanse gebieden, alsook de handel voor de kusten van West-Afrika zelf. Een kleine berekening leert ons dat in 1715 circa 25 schepen in de vaart op of uit West-Afrika waren betrokken. Dit was onder meer te danken aan de successen van de WIC in de bestrijding van de smokkelhandel, waarbij meer dan de helft van de dertien veroverde Nederlandse smokkelaars in dienst van de Compagnie werden ingeschakeld.

Met in totaal 10 uitgerede retourschepen van en naar West-Afrika primeerde de retourhandel van de WIC boven alles, hoewel de slavenvaart van de Compagnie met 8 schepen ook een grote bedrijvigheid aan de dag legde. Het hoge aantal schepen dat daarbij in 1715 met een lading goederen of slaven vanuit West-Afrika vertrok, zal dan ook zonder meer een sterke invloed hebben gehad op de feitelijke handel van de WIC langs de kusten. Daarbij zou de opgedreven kusthandel een sleutelrol spelen: de winstgevende handelsreizen van de WIC in 1715 zorgden, naast goud en slaven, voor een opwaardering van producten zoals ivoor, peper, gom, was en roodhout.

 

 

HOOFDSTUK 10: Import in West-Afrika.

 

10.a. Bronnenproblematiek.

 

In tegenstelling tot de aard van de goederenhandel op Afrika, is over de omvang van de import weinig bekend. Studies van Davies, Feinberg en Postma zijn wel van belang voor de goederenhandel in bepaalde perioden van de 17de en 18de eeuw, maar pas met het werk van de Nederlandse historicus Den Heijer, Goud, ivoor en slaven, werd een nauwkeurig overzicht aangereikt van de import van de WIC in West-Afrika tussen 1700-1723[248]. Daarbij maakte hij gebruik van de ladinglijsten van 138 retour- en slavenschepen die voor de jaren 1700-1723 in het Archief van de Tweede Westindische Compagnie zijn bewaard. Deze lijsten vormen de belangrijkste bron om een beeld te krijgen over de import van de WIC in West-Afrika en bevatten waardevolle data over soorten goederen, hoeveelheden en inkoopprijzen[249].

Hoewel deze cijfergegevens een representatieve staal vormen om betrouwbare conclusies te trekken in verband met de import van de WIC in West-Afrika, zijn niet alle ladinglijsten bewaard gebleven. Alleen de lijsten van de Kamer Maze zijn tot ons in het archief overgeleverd. Normaal gezien was het zo dat elke Kamer van de WIC een schip voor haar eigen rekening uitreedde en een lijst van de importlading van dat schip opmaakte, waarvan de kopie binnen de 3 maanden naar alle andere Kamers van de Compagnie moest worden gezonden. Dit werd echter niet altijd even nauwkeurig opgevolgd. En daar alleen de ladinglijsten uit de boeken van de Kamer Maze de tand des tijd hebben overleefd, worden historici dan ook geconfronteerd met veel hiaten in hun onderzoek naar de totale import van de WIC.

Voor een diachronisch onderzoek, zoals Den Heijer deed voor de jaren 1700-1723, hoeft dit niet noodzakelijk een onoverkomelijk probleem te zijn. De conclusies die hij op basis van de 138 ladinglijsten trok, zijn zeker een representatief staal en geven een betrouwbaar beeld over de kwantitatieve import van de WIC in West-Afrika. Voor een casestudie, zoals in mijn geval over het jaar 1715, ligt dit echter veel moeilijker. In 1715 zonden de verschillende Kamers van de WIC 6 retour- en slavenschepen uit De Kamer Amsterdam zond daarbij de kruiser Faam, het slavenschip Bosbeek en het retourschip Commany naar Afrika, de Kamer Stad en Lande het slavenschip Nieuwe Post, de Kamer Noorderkwartier Etersem en tot slot de Kamer Maze de slavenhaler St. Andries. Maar alleen van de schepen Bosbeek en Nieuwe Post zijn de ladinglijsten bekend. Dit maakt een betrouwbare steekproef van de importlading voor het jaar 1715 zeer moeilijk, want bovendien ging het om twee slavenschepen die niet naar de Goudkust, maar naar Angola werden uitgezonden. In totaal verscheepten beide schepen voor 29.071 gulden textiel, 1.913 gulden wapens, 2.962 gulden buskruit, 751 gulden alcohol en nog voor 11.037 gulden aan diversen (cf. tabel 10.1.).

 

Tabel 10.1. Importlading retour- en slavenschepen in 1715.

(in gulden)

 

Textiel

Wapens

Buskruit

Alcoholica

Staafijzer

Kauri’s

Diversen

Totaal

Faam*

-

-

-

-

-

-

-

-

Bosbeek

6.483

725

1.493

237

-

-

3.751

12.689

Nieuwe Post

22.588

1.188

1.469

514

-

-

7.286

33.045

Etersem*

-

-

-

-

-

-

-

-

St. Andries*

-

-

-

-

-

-

-

-

Commany*

-

-

-

-

-

-

-

-

Totaal

29.071

1.913

2.962

751

0

0

11.037

45.734

 

63,5%

4,2%

6,5%

1,6%

0%

0%

24,1%

 

Bron: ARA, WIC 1296 / Den Heijer (persoonlijke databank).

* Van deze schepen zijn geen ladinglijsten bekend.

 

Ondanks het feit dat we voor de Goud- en Slavenkust in 1715 geen importdata hebben, kunnen de ladinglijsten van de Bosbeek en Nieuwe Post op de meeste punten worden geëxtrapoleerd naar de totale import van goederen tussen 1700-1723. Volgens berekeningen waren over die jaren textiel met 50,6% het belangrijkste product, gevolgd door militaria met 12,2%, kauri’s, alcoholica, staafijzer en diversen. Ook in het jaar 1715 waren textiel, goed voor 63,5%, en vuurwapens en buskruit, in totaal goed voor 10,7%, de belangrijkste aangevoerde goederen (cf. tabel 10.1.). Naar Angola werden geen kaurischelpen aangevoerd, omdat zij alleen op de Slavenkust als betaalmiddel werden gebruikt. Staafijzer werd overal in Afrika verkocht, maar werd in 1715 niet naar Angola verscheept. Dit was wél het geval voor de Goud- en Slavenkust, want uit het dagregister leiden we af dat het slavenschip St. Andries in hoofdzaak snaphanen en karabijnen, alsook staafijzer aan boord moet hebben gehad[250]. Alcohol werd zowel naar de Goud- en Slavenkust als Angola in een klein percentage verscheept. De grote waaier aan diverse goederen vervolledigde tot slot de ‘ideale’ cargo van de schepen van de WIC die op Afrika voeren. Vooral de importlading van de Etersem moet zeer gediversifieerd zijn geweest, want volgens schipper Sipke Egberts Brouwers bestond het in hoofdzaak uit minder courante goederen zoals koralen, messen, ringen (voor de slaven) en smidskolen[251].

Van de andere schepen ontbreken alle gegevens van de koopmanschappen. Voor wat betreft de Faam weten we wel dat de kosten voor de equipage van deze kruiser hoog waren opgelopen tot 45.626 gulden en dat het schip ook victualiën aan boord had voor Elmina ter waarde van 640 gulden, maar daar blijft het bij. Het lijkt echter niet onwaarschijnlijk dat de kruiser voor de rest geen koopwaar aan boord had, omdat H. Haring in het dagjournaal daarover stilzwijgt. Over de lading van de Commany, een scheepje dat voor de kustvaart werd ingezet, weten we al helemaal niets.

Hoewel er voor 1715 weinig of geen ladinglijsten zijn bewaard, kunnen we toch nagaan welke goederen door de WIC in de Republiek werden gegeerd om naar West-Afrika te worden getransporteerd. Dit leiden we onder meer af uit een aankondiging van de voorgenomen aankoop van goederen voor de handel op West-Afrika door de bewindhebbers van de Kamer Maze op 24 april 1715, een document uit het Archief van de Tweede Westindische Compagnie[252]. Deze aankondiging toont dat de WIC toen vooral geïnteresseerd was in de aankoop van 20.000 pond kaurischelpen of ‘boesjes’, 1.000 pond buskruit, 1.000 geweren in soort, 1.500 Zweedse ijzeren staven en in totaal 3.050 stuks textiel[253]. Ook schapensmeer stond hoog op het verlanglijstje. Deze goederen werden vermoedelijk allemaal aangekocht en zouden in theorie nog met de schepen Etersem, St. Andries en Commany naar West-Afrika kunnen zijn verscheept, omdat deze schepen pas vanaf juni 1715 onder zeil gingen. Indien dit het geval was, zou dit ons veel leren over de lading van die schepen en de ontbrekende ladinglijsten kunnen aanvullen. Of deze goederen in de tweede helft van 1715 effectief ook werden aangevoerd, zullen we in de volgende paragrafen proberen nagaan.

Voldoende gegevens over de importhandel in 1715 naar West-Afrika mogen dan wel ontbreken, niettemin biedt het dagjournaal ons een uitstekende mogelijkheid om de import vanuit een ander standpunt te belichten. Daarbij concentreren we ons dus niet op de goederen die in 1715 vanuit de Republiek werden verscheept, maar op die goederen die Elmina toen in voorraad had en over de verschillende factorijen over de Goud- en Slavenkust verdeelde! Dit is mogelijk op basis van de ‘petities en facturen’ die bij de brieven werden gevoegd en tussen de leiding in Elmina en de buitenforten circuleerden. In deze petities tekenden de commandanten van de factorijen hun vraag op om bepaalde goederen, zoals textiel of buskruit, te mogen ontvangen, terwijl in de facturen steevast werd opgetekend welke goederen in welk aantal naar een bepaalde factorij werden gezonden. Een analyse van deze verdeelsleutel is ontegenzeglijk een goede waardemeter voor de afzetmarkt van de WIC en kan het gebrek aan gegevens over de feitelijke import van koopwaar in 1715 compenseren.

Daarbij maken we een onderscheid tussen, gemakshalve, de categorieën textiel, vuurwapens en buskruit (militaria), alcohol, staafijzer en kauri’s. Vooral bij de eerste twee categorieën is deze verdeelsleutel belangrijk om te kunnen nagaan aan welke factorijen textiel en militaria het meest waren gegeerd. De petities en facturen geven ons geen beeld van de werkelijke verkoop, maar tonen wel het belang van bepaalde producten in de handel. De facturen, die door de gouverneur en opperkoopman werden opgemaakt, slaan echter alleen op de buitenfactorijen langs de Goudkust. Over Elmina en de distributie van goederen daar vertellen ze ons niets. Deze lacune is een spijtige zaak, maar vanuit het standpunt van het toenmalige bestuur in West-Afrika zeker niet onlogisch. De opperkoopman van Elmina hoefde voor zichzelf namelijk geen petities op te maken, omdat hij op elk moment van de dag goederen uit de pakhuizen van het fort kon halen wanneer Afrikaanse kooplieden handel kwamen drijven. Daarbij had hij steeds keuze te over, omdat de schepen van de WIC hun importlading altijd eerst aan Elmina kwamen lossen, alwaar de goederen in de pakhuizen werden opgeslagen alvorens over de Goud- en Slavenkust te worden verdeeld. Alleen de slavenschepen, zoals de St. Andries, zeilden rechtstreeks naar de Slavenkust, waar ze hun importlading afzetten. Vandaar dat voor Fida ook geen petities en facturen zijn bewaard.

In de volgende paragrafen ligt de nadruk dan ook vooral op de verdeelsleutel van goederen op de Goudkust. De Slavenkust komt slechts summier aan bod.

 

10.b. Importgoederen op de Goud- en Slavenkust.

 

10.b.1. Textiel.

Textiel was het meest verkochte product in Afrika. Van de totale import tussen de jaren 1700-1723 berekende Den Heijer het aandeel van textiel op 50,6%[254]. Voor het jaar 1715 is slechts de lading van twee schepen bekend, namelijk de Bosbeek en Nieuwe Post, waarvan het textiel samen 63,5% bedroeg van de totale lading. Beide schepen waren echter niet naar de Goud- of Slavenkust, maar naar de Angolese kust uitgezonden, zodat een representatieve steekkaart voor de import van textiel in 1715 naar West-Afrika quasi onmogelijk is. Desondanks toont de kwantitatieve import van textiel naar de Goudkust en Angola heel wat gelijkenissen. In deze paragraaf zullen we ons vooral concentreren op de verschillende soorten textiel die op de Goudkust in 1715 aanwezig waren en aan de verschillende factorijen werden uitgedeeld.

Op basis van alle petities en facturen onderscheiden we in tabel 10.2. slaaplakens (17.300) en perpetuanen (9.025) als de belangrijkste en meest voorkomende soorten textiel. Andere textielsoorten, die minder op de Goudkust voorkwamen maar toch niet onbelangrijk waren in de textielhandel, waren sits of ‘chitse’ (1.532), nicanesen (1.300), baftas, tapsels, saaien, cartambonis en platthillios. Ik zal ze hier afzonderlijk zeer kort behandelen. Een exhaustief overzicht van alle textielsoorten die de Compagnie op de Goud- en Slavenkust verhandelde is onmogelijk, omdat de marktbrief van 28 april 1715 meer dan honderd verschillende textielsoorten in allerhande kleuren en maten en van verschillende prijs vermeldt[255].

Hollandse slaaplakens vonden de grootste afzetmarkt op de Goud- en Slavenkust. Dit waren afgedankte, halfversleten linnen beddenlakens die voor 2,5 gulden werden verkocht en in tienduizenden aantallen hun weg naar Afrika vonden[256]. In 1715 alleen al verdeelde Haring 17.300 stuks over de verschillende factorijen. Daarnaast vonden perpetuanen, een duurzame gekeperde wollen stof uit Engeland en Frankrijk, ook een grote afzetmarkt. Deze stof bestond in verschillende maten en kleuren en werd aan alle factorijen het ganse jaar door verkocht. Vooral aan de forten van Axim, Sekondi, Bercoe, Accra en Chama was de (vermoedelijke) verkoop groot. Aan de overige forten werden beduidend minder perpetuanen gevraagd om de eenvoudige reden dat deze kleine handelsposten ook minder handelaars aantrokken. Aan fort Batesteyn in Boutri werd zelfs helemaal geen textiel verkocht (cf. tabel 10.2.). Deze plek was overigens al langer gekend als de minst lucratieve handelspost op de Goudkust.

 

Tabel 10.2. Textiel op de Goudkust in 1715 (in stuks).

Factorijen

Slaaplakens

Perpetuanen

Overige

Totaal

Axim

6.000

1.160

372

7.532

Boutri

-

-

-

-

Sekondi

1.700

1.356

245

3.301

Chama

900

1.601

128

2.629

Komenda

800

725

11

1.536

Mouree

300

238

80

618

Cormantin

600

180

250

1.030

Apam

1.000

450

595

2.045

Bercoe

2.000

1.615

1.571

5.186

Accra

4.000

1.700

1.961

7.661

Totaal

17.300

9.025

5.213

31.538

 

De perpetuanen werden door alle volkeren op de Goudkust zo gegeerd, dat men aan Elmina in januari 1715 al geen grote groene en blauwe stukken meer had. Haring schreef dat men zou moeten wachten tot er een nieuwe lading vanuit de Republiek werd aangevoerd, maar die kwam er in 1715 niet meer. Andere kleuren, zoals gele en rode, bleken minder succesvol, zodat men de kleine maten begon te verkopen. Op het einde van het jaar was de situatie zozeer geëvolueerd dat alleen nog de kleine blauwe perpetuanen een afzetmarkt vonden. Men mag trouwens aannemen dat de Afrikanen een sterke voorkeur hadden voor deze kleur. Haring besloot dan ook om de prijs van dat textiel te verhogen van 14 naar 12 stuks per bendo of 6,5 gulden per stuk[257]. Een bendo of benda was een Afrikaanse rekeneenheid die de WIC in haar handel met de Afrikanen gebruikte en bedroeg 80 à 81 gulden. Dit leert ons bovendien ook dat men op de Goudkust textiel nooit per stuk verkocht! Tot slot gingen ook de kleine groene perpetuanen vlot van de hand, hoewel de Afrikaanse kooplui aan Accra er meermaals op aandrongen om de prijs van 10 naar 12 stuks per bendo te verlagen[258].

Alle andere textielsoorten die in 1715 aan de buitenforten werden gedistribueerd, hebben we hier in een restcategorie ondergebracht, omdat ze kwantitatief gezien veel minder belangrijk waren. De eerste 2 belangrijke textielsoorten na slaaplakens en perpetuanen waren de Aziatische stoffen sits en nicanees, beide katoenen stoffen die al sinds lang uit Azië werden aangevoerd, eerst door de Portugezen en later door de VOC. Baftas en broulis waren de goedkoopste katoenen stoffen, hoewel het duurdere sits, een in India vervaardigde en beschilderde katoenen stof, op de Goudkust meer werd gegeerd. Daarnaast bestond er ook ‘inlandse chitse’, een in India vervaardigde stof die in de Republiek werd beschilderd en afgewerkt, maar veelal van een mindere kwaliteit werd gewaand[259]. Tot slot werd ook nicanees, een blauw en wit gestreept katoen uit de Coromandel of Voor-Indië, goed verkocht.

Zoals al aangehaald, was baftas de goedkoopste katoenen stof die in West-India werd gekocht. Op de marktbrief van 1715 staan maar liefst 6 verschillende soorten, van smalle, gewone tot brede en van witte, zwarte tot blauwe. Opvallend daarbij is dat ze in tegenstelling tot de andere textielsoorten alleen op de oostelijke Goudkust werden verkocht, en in het bijzonder aan Cormantin en Apam. Waarschijnlijk begeerde het volk van Fanti baftas meer dan perpetuanen, die in verhouding tot de slaaplakens en andere textielsoorten overigens veel minder aan beide factorijen werden verkocht (cf. tabel 10.2.). Een laatste stof uit Indië was cartambonis. Tot slot waren ook nog twee Europese soorten niet onbelangrijk, namelijk saaien of ‘zayen’, een gekeperde wollen stof uit Leiden, en platthillios, een fijn linnengoed. Deze 2 stoffen vervolledigden de lijst van begeerde textiels op de Goudkust in 1715.

 

10.b.2. Vuurwapens en buskruit.

Militaire goederen, zoals vuurwapens en buskruit, vormen een tweede categorie die in West-Afrika werden ingevoerd. Een algemeen kwantitatief overzicht voor de eerste helft van de 18de eeuw vinden we terug in het werk Goud, ivoor en slaven van Den Heijer (119). Ondanks grote fluctuaties is een geleidelijke stijging in de import van militaire goederen waar te nemen tussen 1700 en 1730. In deze periode bracht de WIC gemiddeld genomen jaarlijks 2.867 vuurwapens en 62.723 pond buskruit naar West-Afrika. In 1715 stellen we echter een plotselinge daling vast, met slechts 500 verscheepte wapens en 11.700 pond buskruit, die bovendien niet aan de Goudkust maar aan Angola werden afgezet[260]!

Dit verschijnsel hing samen met het grote aantal smokkelschepen dat de WIC in 1715 veroverde. De 13 getaxeerde smokkelaars brachten toen 10.644 stuks wapens op (20x meer), ter waarde van een kleine 40.000 gulden, en 93.392 pond buskruit (4x meer), ter waarde van 23.034 gulden. Deze comfortabele voorraad maakte dat de aanvoer van de WIC werd gereduceerd. Dat de WIC in 1715 helemaal geen wapens en buskruit naar de Goudkust verscheepte, klopt echter niet. Uit de aankondiging van de aankoop van goederen voor de handel op West-Afrika door de Kamer Maze op 24 april 1715 (cf. Bijlage 10) leiden we af dat de WIC 1.000 pond buskruit, 500 snaphanen en 500 karabijnen moet hebben gekocht, die hoogstwaarschijnlijk met de St. Andries werden aangevoerd (cf. 10.a.).

Over de precieze rol die vuurwapens en buskruit in de geschiedenis van Afrika gespeeld hebben, is onder historici al veel gediscussieerd. Of de import van buskruit en wapens aan het einde van de 17de eeuw (cf. I.3.c.) mee aan de basis van de komst én de overwinning van de Ashanti-staat lag, is niet duidelijk. Ten eerste was de import van vuurwapens toen nog beperkt, waren de meeste ‘snaphanen’ matig tot slecht van kwaliteit en daardoor onbetrouwbaar in het gevecht én moest Ashanti het meer hebben van haar demografische overmacht. Daarenboven was het laden van dergelijke wapens een tijdrovende bezigheid en mag de bruikbaarheid ervan niet al te hoog worden ingeschat[261]. Wel hebben vuurwapens en buskruit een omwenteling in de aard van de Afrikaanse oorlogvoering met zich mee gebracht.

In 1715 was de werkelijke import van vuurwapens en buskruit naar de Goud- en Slavenkust dan wel beperkt, toch lag de feitelijke verkoop van militaire goederen in West-Afrika veel hoger dan de ladinglijsten doen vermoeden, onder meer dankzij de extra voorraad uit de veroverde smokkelaars. Op basis van alle petities en facturen in het dagjournaal van 1715 stellen we vast dat de leiding aan Elmina toen in totaal 4.040 stuks vuurwapens en 58.319 pond buskruit over de verschillende Nederlandse factorijen op de Goudkust heeft verdeeld. De onderstaande tabel geeft een overzicht van deze verdeelsleutel. Op basis daarvan kunnen we besluiten nemen over de al dan niet succesvolle handel in militaire goederen aan een bepaalde factorij en de nood aan wapens en buskruit bij bepaalde Afrikaanse volkeren.

 

Tabel 10.3. Wapens (in stuks) en buskruit (in ponden) op de Goudkust in 1715.

Factorijen

Snaphanen

Karabijnen

Totaal

Buskruit

Axim

1.668

78

1.746

14.198

Boutri

50

-

50

500

Sekondi

600

96

696

6.492

Chama

266

-

266

6.040

Komenda

100

-

100

3.280

Mouree

-

-

-

800

Cormantin

100

100

200

2.200

Apam

100

-

100

2.000

Bercoe

200

150

350

13.802

Accra

532

-

532

9.007

Totaal

3.616

424

4.040

58.319

 

In 1715 werden 2 soorten vuurwapens op de Goudkust verkocht (hoewel er meer waren), namelijk snaphanen en karabijnen. Over hun functie en kwaliteit hebben we het verder nog, maar hier kunnen we al stellen dat de snaphanen overal langs de kust waren gegeerd, behalve aan Mouree dan, en dat de karabijnen duidelijk een mindere rol van betekenis speelden. Uit tabel 10.3. leiden we ook af dat de verkoop van wapens én buskruit kennelijk hand in hand ging. Waar veel wapens werden verkocht, werd ook veel buskruit verkocht. Dit is niet onlogisch, want de Afrikaanse volkeren die in oorlog waren konden niet zonder het één of het ander.

Alleen al aan Axim deelde de WIC in 1715 1.746 vuurwapens (43,2%) en 14.198 pond buskruit (24,3%) uit. Daarmee speelde de factorij St. Anthony aan Axim een leidinggevende rol. Daarvoor zijn twee verklaringen te geven. Doorheen het ganse jaar was er aan Axim een grote vraag naar wapens en buskruit door het volk van Aowin (cf. kaart 4), omdat het op het punt stond om oorlog te voeren met de Ashanti. Deze oorlog, die effectief op het einde van het jaar uitbrak, was één van de belangrijkste oorlogen in het Afrikaanse hinterland, die onder meer de goudhandel naar Axim sterk zou belemmeren, maar waarin vooral de nood aan degelijke wapens en buskruit het hoogst was[262]. Daarnaast had Butler aan Axim ook wapens en buskruit nodig om zijn fort te beschermen tegen een aanval van Jan Conny, één van de belangrijkste Afrikaanse makelaars of ‘caboceers’ op de Goudkust, die naar aanleiding van de vlucht van twee van zijn dienaars naar de WIC de Nederlanders in Axim onder druk had gezet en het fort was beginnen te belegeren[263].

Ook Bercoe was met 13.082 pond buskruit één van de meest florissante factorijen in deze handel. Door de ongelimiteerde handel daar zond H. Haring zelfs eens 8.000 pond in één keer op[264]. De grootste afzetmarkt vond men bij de volkeren van Agona en Fanti, die nogal sterk op oorlog waren gericht. Boerhaven kon volgens Haring zelfs gerust ook de slechte vaten buskruit verkopen, omdat Agona met een oorlog werd bedreigd en daar nood aan had. Boerhaven vergaloppeerde zich echter, want toen al het buskruit, zowel goed als slecht, op nauwelijks enkele dagen tijd was verkocht, bleek het garnizoen aan fort Goede Hoop niet meer dan 240 pond bedorven buskruit in voorraad te hebben. Haring was daarover woedend en zei dat het beter zou zijn om Boerhaven tot soldaat te degraderen, omdat hij ‘dan zout konnen leren dat het tegens alle goede maximen aanloopt een fort sonder bospolver gelyk als dit, want het is bedorven, te laten[265]. Boerhaven had nochtans al een precedent in januari van 1715, toen het volk van Agona naar aanleiding van de verbanning van één van zijn negers tegen Bercoe was opgetrokken en waarbij het garnizoen in een korte maar weliswaar hevige strijd 128 pond buskruit had verschoten[266].

Sekondi, Chama en Accra waren ook nog winstgevende forten in de handel van wapens en buskruit, maar bedroevend was het gesteld aan de factorijen van Boutri en Mouree. Terwijl aan Boutri, op de westelijke Goudkust, slechts 50 oude en verroeste snaphanen en 500 pond buskruit werden verdeeld, werd aan Mouree zelfs geen enkel vuurwapen verkocht én bleek de 800 pond buskruit niet bestemd voor verkoop, maar voor de defensie van het fort. Kennelijk hadden de lokale Afrikaanse handelaars daar geen wapens en buskruit van doen en kwamen ook de Fanti, het belangrijkste volk op de oostelijke Goudkust, niet tot aan Mouree om handel te drijven.

Naast de afzetmarkt op de Goudkust, wil ik ook de soorten, de kwaliteit en de in- en verkoopprijzen van deze militaire goederen bekijken.

Toen de WIC steeds meer vuurwapens naar Afrika importeerde, breidde ze haar assortiment ook sterk uit. Het meest voorkomende vuurwapen was de snaphaan, een geweer dat door middel van een haan met vuursteen werd afgeschoten en de moeilijk werkende musket (met lont) aan het begin van de 18de eeuw had verdrongen[267]. Rond 1700 werden nog slechts twee à drie soorten geweren aangeboden, maar tegen 1728 was dit al opgelopen tot negen verschillende soorten[268]. Ook in 1715 was het aanbod groot en werden zowel grove (‘ordinaire’) als fijne snaphanen met of zonder ijzer- of koperbeslag, alsook oude state snaphanen verkocht. Onder de Afrikaanse kooplui op de Goudkust waren al deze soorten snaphanen het populairst (cf. tabel 10.3.). Daarnaast werden er ook beperkte aantallen karabijnen verkocht, die net als de snaphanen ook te verkrijgen waren met ijzer- of koperbeslag. Pistolen werden in 1715 niet verkocht, maar werden wel door veroverde smokkelschepen opgebracht. Tot slot waren er ook nog boekaniers of jachtwapens, donderbussen (bronzen geweren) en geweerdolken of bajonetten in omloop.

De kwaliteit van de wapens liet veel te wensen over. Vele geweren waren aan de kolven of lopen gebroken en spleten of sprongen bij afgaan van een schot. Dit blijkt onder meer uit een voorval aan Komenda, waar de konstabel bij het uitproberen van een snaphaan levensgevaarlijk gewond raakte in het gezicht[269]. De Engelse geweren waren kwalitatief beter. De Afrikanen twijfelden dan ook niet om hun geweren bij de Engelse factorijen aan te kopen ‘daer de negers seer op versot zyn en integendeel het onze daerom qualyk willen[270]. Omdat veel van de Hollandse geweren onverkoopbaar waren, werden met het scheepje Bercoe eind mei 954 stuks geweren in soort naar de Republiek teruggestuurd, of bijna 25% van alle geweren die in 1715 effectief aan de factorijen werden gedistribueerd! Daarbij moet wel worden gezegd dat de meeste van die geweren afkomstig waren uit veroverde smokkelaars. De kwaliteit van de wapens die de WIC aanvoerde, zou er in de komende jaren echter niet op verbeteren.

Snaphanen kostten in de Republiek gemiddeld 4 gulden per stuk, terwijl ze voor 8 gulden of soms meer in Afrika werden verkocht, waarmee keurig werd voldaan aan de in de 18de eeuw gangbare avance van 100%. De verkoopprijzen konden nochtans sterk schommelen, afhankelijk van het aanbod en de kwaliteit van de geweren. Uit de marktbrief van 28 april 1715 leren we dat een ordinaire snaphaan een kleine 7 gulden kostte, een fijn geweer 8 gulden en een zéér fijne snaphaan 16 gulden[271]. De geweren werden normaal gezien nooit per stuk verkocht, maar per dozijn voor de prijs van 32 engels of 80 gulden (één bendo). Bij de verkoop van snaphanen zag Haring er ook op toe dat de minst courante, zoals de grove, samen met de fijnere soort werden afgezet. In tegenstelling tot de snaphanen werden de karabijnen aan 14 stuks per bendo of 80 gulden afgezet, terwijl de met koperbeslag afgewerkte karabijnen slechts op 10 stuks per bendo werden gesteld. Koperen geweren werden kennelijk waardevoller geacht dan ijzeren geweren, hoewel de kwaliteit niet veel beter was. Voor de rest kostte een boekanier 20 gulden, een bajonet 1,25 gulden en een pistool 7,5 gulden.

Net als de kwaliteit van de vuurwapens, liet de kwaliteit van het buskruit veel te wensen over. Niet toevallig sprak de commies aan Bercoe over buskruitvaten ‘daer het polver in één à twee klompen gepakt en geheel nat gevonden is[272]. Om het slechte en bedorven kruit toch te kunnen afzetten, liet Haring het vaak voor 1/5 deel met het goede vermengen en aan dezelfde prijs verkopen. Maar dit manoeuvre was niet echt succesvol, omdat het goede buskruit op termijn toch bedierf en de handelaars daarom ‘liever veel moeiten aenwenden om het van andere te kopen[273], zoals Butler steen en been klaagde. Het snelle bederf van het kruit, door het tropische en vochtige klimaat, was duidelijk het grootste probleem voor de WIC, maar veel meer dan de gebreken te camoufleren werd er niet gedaan. En omdat de verkoop van Nederlands buskruit op de Goudkust alleen maar steeg (cf. infra), ontbrak ook de intentie om dit probleem op grote schaal aan te pakken.

De cijfers liegen er nochtans niet om. In mei 1715 keerde de Bercoe met 28.478 pond bedorven buskruit naar de Republiek terug, waaronder 22.097 pond uit diverse veroverde smokkelaars[274]. En daar bleef het niet bij! Toen op 16 oktober een kano van de Compagnie met 106 vaten of 2.188 pond buskruit aan Sekondi voor anker ging, sloeg het bootje door de zware regenslag en wind tegen het strand, waardoor het lek was geraakt en bijna al het buskruit bedorven was[275]. Omdat de Afrikaanse roeiers er niet hadden op toegezien om het water meteen uit de kano te lozen, waren bovendien ook alle vaten in de onderste laag van de boot doornat geworden. Uiteindelijk zouden er van de 106 vaten slechts 34 vaten verkoopbaar zijn, terwijl het bedorven kruit in afwachting van een retourschip in de pakhuizen van Elmina werd opgeslagen. Deze ramp was weliswaar een alleenstaand geval, maar het weerspiegelde een negatieve trend die naar het einde van het jaar toe haar hoogtepunt bereikte. Begin november 1715 had de WIC alleen nog goed buskruit in voorraad om haar eigen factorijen op de Goudkust te verdedigen, terwijl al het andere buskruit dat voor verkoop bestemd was voor in totaal 20.000 pond slecht en bedorven was[276]. Gelukkig voor de WIC hadden de overige naties op de Goudkust al helemaal geen kruit meer, zodat de Compagnie haar verkoop van buskruit op peil kon houden.

De inkoopprijs van buskruit in de Republiek bedroeg 5 stuivers per pond of een kwart gulden, terwijl bij de verkoop in Afrika volgens Den Heijer gemiddeld gezien 15 stuivers of driekwart gulden per pond werd gevraagd[277]. Dit zou neerkomen op een winstmarge van 200%. Voor 1715 moet dit echter worden genuanceerd. In de eerste maanden van het jaar bedroeg de prijs voor het buskruit 20 engels of 50 gulden per 100 pond, wat neerkomt op 0,5 gulden per pond of een avance van 100%. Later op het jaar werd deze prijs echter verhoogd tot 48 engels of 1,2 gulden per pond, waarmee bijna vijf maal de inkoopprijs werd gebeurd. H. Haring kon deze prijsverhoging in oktober 1715 vrij gemakkelijk doorvoeren, omdat de WIC toen de énige compagnie was die nog buskruit op de kust leverde én omdat er geen smokkelaars voor de kust actief waren, waardoor alle Afrikaanse handelaars zich wel verplicht zagen om hun buskruit bij de WIC aan te kopen[278]. Bovendien was de meest courante koopwaar van de WIC, zoals perpetuanen, toen zodanig verminderd, dat Haring zijn winst uit het buskruit diende te vermeerderen.

Ondanks de slechte kwaliteit van de wapens en het buskruit én de prijsverhoging waren deze militaire goederen onmisbaar voor de handel in West-Afrika.

 

10.b.3. Alcoholica.

In de periode 1700-1723 importeerde de WIC in totaal 1.216.205 liter alcohol naar Afrika, goed voor 4,3% van de totale import[279]. In 1715 werd met de schepen Bosbeek en Nieuwe Post in totaal 751 liter alcohol, goed voor 1,6% van de totale lading, naar Angola aangevoerd (cf. tabel 10.1.), maar of de overige compagnieschepen in dat jaar ook nog alcoholica naar de Goud- en Slavenkust transporteerden, is niet duidelijk. Omdat de bewindhebbers van de WIC in april 1715 in de Republiek vermoedelijk 20 halve amen brandewijn of 1.552 liters aankochten (cf. Bijlage 10) en elke scheepslading, hoe klein het percentage ook, wel een aantal liters alcohol aan boord had, zouden we mogen verwachten dat de Etersem en St. Andries deze alcoholica nog in de tweede helft van 1715 hebben aangevoerd. Maar aangezien directeur-generaal Haring begin november 1715 meldde dat er toen brandewijn noch rum in de pakhuizen in voorraad waren, is dit dus niet gebeurd[280].

 

Tabel 10.4. Alcoholica op de Goudkust in 1715 (in liters).

Factorijen

Brandewijn

Rum

Totaal

Axim

-

-

-

Boutri

-

-

-

Sekondi

614

1.241

1.855

Chama

-

931

931

Komenda

152

155

307

Mouree

388

620

1.008

Cormantin

-

-

-

Apam

310

-

310

Bercoe

310

310

620

Accra

4.990

-

4.990

Totaal

6.764

3.257

10.021

 

Bovenstaande tabel toont de hoeveelheid alcoholica die in 1715 in de pakhuizen van Elmina aanwezig waren en over de diverse forten en factorijen op de Goudkust werden verdeeld. De voorraad beperkte zich tot brandewijn en rum. De aantallen, die op de facturen in het dagjournaal zowel in amen, ankers, kannen als stopen werden uitgedrukt, zijn hier gemakshalve in liters weergegeven. Voor een overzicht van alle maten en gewichten verwijs ik graag naar Bijlage 11: Metrologische tabel.

In tegenstelling tot militaria werd in 1715 aan de factorij van Axim geen alcohol verkocht (cf. tabel 10.4.). Omdat de Ashanti daar toen één van de meest belangrijke handelspartners van de WIC waren, zouden we kunnen besluiten dat de Ashanti geen alcohol kochten. Dit klopt echter niet, omdat hun handelsroutes ook naar het fort van Sekondi leidden, waar alcohol wél een goede afzetmarkt vond. Aan Axim waren het vooral de Aowin die enkel geïnteresseerd waren in wapens en buskruit (cf. tabel 10.3.), waardoor de handel in alcohol daar zo goed als verwaarloosbaar was. Het omgekeerde deed zich voor aan Mouree. Terwijl textiel en buskruit daar in 1715 niet van de hand gingen, bleek alcohol juist wél een lucratieve negotie te zijn. Tot slot was Accra met mijlen voorsprong de belangrijkste factorij in de handel van alcohol.

De meest verhandelde soorten waren Nederlandse en Franse brandewijn en rum. Andere alcoholica, zoals likeur en bier, kwamen in 1715 niet voor. Brandewijn was het meest gegeerde product onder de Afrikanen. Het werd trouwens niet alleen in de handel gebruikt, maar ook als geschenk voor vorsten en ‘caboceers (handelsprinsen). Tegen eind mei 1715 bleken de pakhuizen in Elmina echter geen brandewijn meer in voorraad te hebben, waardoor men overschakelde op de verkoop van rum. Deze rum werd slechts sporadisch door de WIC uit de Republiek aangevoerd, maar het meest door de Engelzen vanuit Barbados. Daarnaast voerden ook de Braziliaanse schepen of Portugese smokkelaars rum en brandewijn naar Afrika aan. Deze brandewijn werd in de bronnen ook ‘kilduyvel’ of ‘fiale brandewyn’ genoemd, waarschijnlijk wegens haar hoge alcoholpercentage.

Toen de WIC in juli 1715 een Portugese smokkelaar met 2.248 kan of 2.725 liter brandewijn taxeerde[281], had de Compagnie opnieuw voldoende voorraad brandewijn om op de Goudkust te distribueren. Desondanks valt het op dat de forten het slechts met de minder gegeerde rum moesten stellen, terwijl de schepen, die op handelstocht in de Bocht van Benin gingen, met de Portugese brandewijn werden bevoordeeld[282]. Haring ging er kennelijk van uit dat de handel op de kustschepen allerminst mocht worden belemmerd door op hun handelstochten alcoholica, zoals rum, mee te geven die op de Afrikaanse markt minder waren gegeerd.

Naast de geïmporteerde alcoholica, werden ook Afrikaanse soorten op de Goud- en Slavenkust genuttigd. De inlandse biersoort, gekend onder de naam ‘bitau’, werd vooral op de Slavenkust gedronken[283]. Maar veruit de belangrijkste Afrikaanse drank was palmwijn, een alcohol verkregen door gisting van het suikerhoudende sap van de palmboom. Deze drank werd echter zoveel mogelijk uit de factorijen geweerd, omdat het ‘de melitie doet creveren en van d’eene siekte tot den anderen brengt en veele de dood daerdoor moeten ondergaen’, aldus Haring[284]. Als alternatief voor deze slechte sterke drank cultiveerde de WIC zelf ook haar wijn op de hellingen van de berg Sint-Jago aan Elmina[285]. Niet alles werd dus geïmporteerd.

Hoewel de WIC-schepen in 1715 dus geen alcohol naar de Goud- of Slavenkust hadden aangevoerd, bleek dit wel een belangrijk distributieproduct te zijn.

 

10.b.4. Staafijzer.

De import van staafijzer in 1715 was quasi verwaarloosbaar. In tegenstelling tot alcoholica was haar aandeel in de handel op de Goudkust over het algemeen ook van minder groot belang. Tussen 1700-1723 werd voor 118.990 gulden aan ijzeren staven ingevoerd of 2,2 procent van de totale import. In 1715 voerden de schepen Bosbeek en Nieuwe Post geen ijzeren staven aan (cf. tabel 10.1.). Hoewel de bewindhebbers van de Kamer Maze in april 1715 vermoedelijk nog 1.500 stuks lange ijzeren staven hadden gekocht (cf. Bijlage 10), valt het te betwijfelen of de Etersem en St. Andries dit in de loop van 1715 nog hebben aangevoerd. De smokkelschepen brachten echter soelaas: in totaal brachten zij in het jaar 1715 alleen al 33.905 gulden aan staafijzer op. Daardoor kon de WIC haar handel in ijzerwaren op een gezond peil houden. Het onbewerkte ijzer kwam daarbij het merendeel uit Zweden (‘dun gemerkte Sweetsche yzere staven’) en diende tot het smeden van speerpunten, gereedschappen en andere voorwerpen. In principe vond het overal in West-Afrika een goede afzetmarkt, hoewel er toch duidelijke verschillen merkbaar waren tussen de Goudkust en Benin.

De in- en verkoopprijzen van dit staafijzer zijn moeilijk te berekenen wegens de verschillen in gewicht. Den Heijer schrijft dat grote staven in de jaren 1709 en 1713 vier gulden en negen stuivers per stuk opbrachten. Dit was in 1715 nog steeds het geval. Een korte ijzeren staaf kostte toen drie gulden en zeven stuivers. Het staafijzer werd in de praktijk echter nooit per stuk verkocht. De WIC ruilde 18 lange ijzeren en 24 korte ijzeren staven tegen 32 engels of één bendo[286]. Over het gewicht van het ijzer vinden we bij de WIC-schepen niets terug, maar gelukkig leren de taxatielijsten van veroverde smokkelaars ons meer. Een korte ijzeren staaf woog 25 pond of iets meer dan 12 kilogram, een lange ijzeren staaf 33 pond of 16 kilogram[287].

Op de Goudkust vond staafijzer een behoorlijk beperkte afzetmarkt. Bovendien had de WIC dan nog het geluk dat de aanvoer van Engels ijzer onder de Afrikanen minder werd gegeerd[288]. Hoewel het staafijzer in 1715 slechts aan vier verschillende factorijen op de Goudkust werd afgezet (waarvan Chama de grootste verkoper was), verdiende de WIC er toch goed aan. In totaal moet het gedistribueerde staafijzer daar ongeveer 11.600 gulden hebben opgeleverd.

 

Tabel 10.5. Staafijzer op de Goudkust in 1715 (in stuks).

Factorijen

Lange staven

Korte staven

Totaal

Axim

100

100

200

Boutri

-

-

-

Sekondi

-

-

-

Chama

1.101

-

1.101

Komenda

500

-

500

Mouree

-

-

-

Cormantin

-

-

-

Apam

-

-

-

Bercoe

-

-

-

Accra

600

300

900

Totaal

2.301

400

2.701

 

De WIC had ook het geluk om de lading van enkele Portugese smokkelaars, die veel ijzeren staven transporteerden, te confisqueren. Maar volgens de oppercommies Valkenier was dit staafijzer door haar slechte kwaliteit dan weer onverkoopbaar op de Slavenkust[289]. Desondanks werd op de Slavenkust allicht meer ijzer verkocht dan op de Goudkust, omdat het een voordelig ruilmiddel was in de slavenhandel. Cijfers daarover zijn echter onbekend. Op de Ivoorkust tot slot waren de ijzeren staven veel minder gegeerd, omdat de Afrikanen daarvoor slechts 2,5 gulden per stuk betaalden, terwijl ze op de Greinkust en in Benin wél een gretige afzetmarkt vonden (cf. 10.c.).

 

10.b.5. Kauri’s.

Kauri’s of ‘boesjes’ zijn van de Malediven afkomstige schelpen die in de 17de en 18de eeuw door de VOC naar Europa werden aangevoerd en na verkoop naar Afrika werden getransporteerd. Het grootste deel van deze kauri’s werd op de Slavenkust en in de Niger-delta (in Benin) afgezet, waar ze als betaalmiddel voor Afrikaanse slaven werden gebruikt. Voor een kwantitatief overzicht van de import van kauri’s verwijs ik graag naar Goud, ivoor en slaven van Henk den Heijer[290]. Daaruit leiden we af dat de import van kauri’s over de periode 1700-1723 sterk schommelde, maar in volume steeg. In totaal kocht en importeerde de WIC over 24 jaar 894.468 pond kauri’s voor een bedrag van 591.410 gulden, waarmee deze schelpen 11,2% van de import naar Afrika uitmaakten en naast textiel en militaire goederen goed waren voor een derde plaats op de ranglijst van categorieën. In principe waren kauri’s dus belangrijker dan alcohol en staafijzer, maar hier behandelen we ze pas als vijfde punt, omdat ze in het jaar 1715 níet werden geïmporteerd. Bovendien werden ze in het Senegambia-gebied en op de Goudkust en Angola niet als handelswaar gebruikt, maar doorgaans alleen op de Slavenkust verkocht[291]. Dit maakte van kauri’s een bijzonder product.

Terwijl in de jaren 1713-14 de handel in kauri’s een eerste hoogtepunt bereikte met een respectieve import van 88.712 en 63.155 pond, viel de aanvoer van schelpen naar de Slavenkust in 1715 terug tot nul. Hoe kunnen we dit verklaren? In 1713-14 werd in vergelijking met de vorige jaren drie tot vier maal meer kauri’s naar Afrika ingevoerd, wat een uitpuilende voorraad van deze schelpen op de Slavenkust met zich meebracht. Met het slavenschip Akredam alleen al bij voorbeeld werd in het jaar 1714 20.394 pond kauri’s ter waarde van 15.123 gulden aangevoerd, of 46% van de totale lading van het schip[292].

Het antwoord op de vraag waarom de WIC in de Republiek in 1715 geen kauri’s naar Afrika aanvoerde, vinden we in het dagjournaal. Toen directeur-generaal Haring op 16 mei aan de oppercommies van Fida schreef om in het scheepje Commany 3.000 pond kaurischelpen over te laden voor zijn handel in Benin, wees Haring hem er ook op dat hij de voorraad kauri’s goed moest beheren en er geen nodeloos verkwisten, ‘wyl dat wy syn geinformeert dat in ’t vaderlant tot een excessive prys zyn gestygert en dat naar alle apparentie ’s Compagnie scheepen daer weynig van sullen mede brengen[293]. In de aankondiging van de voorgenomen aankoop van goederen voor de handel in West-Afrika (cf. Bijlage 10) zien we dat de WIC wel van plan was om 20.000 pond kaurischelpen aan te kopen, maar door de te hoge marktprijs is dit niet gebeurd. Een mogelijke verklaring daarvoor is dat er toen veel minder kaurischelpen door de VOC vanuit Azië naar de Republiek werden aangebracht.

De WIC had het geluk dat ze in de jaren daarvoor een ongeziene voorraad aan kaurischelpen naar Afrika had aangevoerd. Toch gaat de veronderstelling niet op dat men in 1715 op de Slavenkust voor gans het jaar voldoende kauri’s in voorraad had om voor de slavenhandel in te staan. Volgens de berekening van H. Haring had men in mei 1715, na de handel voor het slavenschip Emmenes, nog 27.960 pond schelpen in voorraad[294]. Dit zou verre van volstaan voor de rest van het jaar, want met de schepen Akredam, Engelenburgh en Fida werden daarna in totaal nog 1.000 slaven ingekocht. Aan een betaling van 116 kauri’s pér slaaf, dat door Valkenier aan de loge in Fida nog werd opgedreven tot 122 kauri’s, betekent dit dat de WIC in totaal 122.000 pond kauri’s zou hebben nodig gehad. Dit geeft misschien een eenzijdig beeld, omdat de WIC op de Slavenkust uiteraard nog andere goederen verdebiteerde, maar het verzoek van P. Valkenier om 1.920 stukken textiel in soort en 4.000 pond buskruit eind 1715, wijst toch op een nijpend tekort[295]. Een dergelijk verzoek aan de gouverneur had Valkenier namelijk nooit eerder gedaan.

De veroverde smokkelaars brachten geen soelaas. In totaal brachten ze in 1715 540 pond kauri’s ter waarde van 376 gulden op, verwaarloosbaar in vergelijking met de aantallen die de WIC in de jaren 1713-14 importeerde. Dat de smokkelaars maar weinig kauri’s aanvoerden, kwam omdat ze nu eenmaal niet in de slavenhandel op de Slavenkust waren betrokken, maar zich enkel op de goederenhandel tussen Afrika en de Republiek concentreerden. Mede omdat de smokkelaars niets opbrachten, kampte de WIC op het einde van 1715 dan ook met een tekort aan kaurischelpen.

 

10.b.6. Diversen.

Andere artikelen die de WIC op geregeld tijdstip in West-Afrika verkocht, waren onder meer smeermiddelen, koralen, tabak en huishoudgereedschap.

Het belangrijkste smeermiddel was ‘schapensmeer’, een dierlijk vet dat in grote vaten vanuit de Republiek werd aangevoerd, bederfwerend werkte en zowel voor de Nederlandse factorijen als voor verkoop op de Afrikaanse markt was bestemd. Sinds januari 1715 was het schapensmeer al uitverkocht en was het wachten op een nieuwe importlading, temeer omdat Nederlandse smokkelaars dit zelden of nooit naar West-Afrika aanvoerden. Met de komst van de slavenhaler Akredam in juni 1715 hoopte Haring op een verse lading, maar die kwam er niet[296]. Daarvoor was het wachten tot de komst van het schip St. Andries in oktober van datzelfde jaar. De lading smeer van dit schip bestond waarschijnlijk uit 30.000 pond, aangezien de bewindhebbers van de WIC deze hoeveelheid in het voorjaar hadden aangekocht (cf. Bijlage 10). Omdat de WIC in Afrika daarvan bijna het ganse jaar verstoken zat en het één van de courante goederen was die op de Goud- en Slavenkust werden verkocht, kon Haring het zich permitteren om de prijs van dit smeer te verhogen. Terwijl de prijs van een groot vat in 1713 amper 7 engels (of 17,5 gulden) kostte, was dit in 1715 al opgelopen tot 9 engels (of 23 gulden). Een klein vat kostte 4,5 engels of 11,5 gulden.

Koralen werden overal in West-Afrika verkocht. Met de slavenschepen Bosbeek en Nieuwe Post, die Angola als bestemming hadden, werden voor 787 gulden kralen geïmporteerd. Dit was behoorlijk weinig als we zien dat de Akredam en Emmenes, twee andere slavenschepen die in 1714 naar de Slavenkust voeren, gemiddeld 1.726 gulden aan kralen vervoerden[297]. De meeste koralen deden dienst al ruilproduct in de slavenhandel en kenden op de Slavenkust dan ook de grootste afzetmarkt. De meest frequente soort was het fijne bloedkoraal, een steenhard fraai rood gekleurd sieraad dat aan 88 engels of 220 gulden per pond werd verkocht[298]. Maar volgens Valkenier, oppercommies aan Fida, was de kwaliteit van dit koraal nog nooit zo slecht geweest, want ‘sy is opgevult met was en overal vol gaten[299].

Andere gangbare soorten waren ‘agrikoraal’, ‘corte cribe’ en ‘olivet’, maar hun vorm is ons onbekend. Pijpkoraal of ‘jennebaas’ was dan weer een langwerpige kraal en werd in 1715 alleen aan Accra in grote hoeveelheid afgezet om daar de handel in slaven te bevorderen. Omdat de kwaliteit zeer slecht was (‘losdradig’), verzocht de oppercommies daar de gangbare prijs van 1,65 gulden per pond naar 1,25 gulden te verlagen[300]. Een laatste bijzondere soort was ‘quispel’, een kwast van varkenshaar dat als versiersel werd gebruikt, maar zijn aandeel op de Goudkust was, zeker in 1715, quasi verwaarloosbaar. Op de Slavenkust waren ze wel van belang.

Een ander belangrijk product in West-Afrika was tabak. De WIC zelf voerde slechts weinig ‘vaderlandse’ tabak vanuit de Republiek aan, omdat deze niet echt was gegeerd onder de Afrikanen. De meeste tabak was op de Braziliaanse plantages door Portugese kolonisten geproduceerd en naar West-Afrika verscheept als ruilmiddel in de slavenhandel. Bij de controle van illegale Portugese schepen kon de WIC bijna altijd beslag leggen op een mooie lading tabak. De kwaliteit van deze zoete tabak liet echter veel te wensen over. De drie of vier bovenste lagen waren goed, maar de rest meestal zodanig bedorven ‘dat die tussen de vingers tot gruys konde vryven[301]. De Nederlanders moesten het stellen met de geconfisqueerde tabak, omdat ze zelf weinig of geen moeite namen om vanuit de Republiek hoogwaardige tabak aan te voeren. De tabakshandel op de Goudkust was in 1715 overigens van weinig belang. Alleen aan fort Amsterdam in Cormantin bleek het een lucratieve bezigheid te zijn[302].

In paragraaf 10.b.4 hebben we de import van de onbewerkte ijzeren staven reeds besproken, maar daarnaast werden nog veel meer artikelen in ijzer en andere metalen ingevoerd, die helemaal geen bewerking hoefden. We denken daarbij aan vaatwerk zoals pannen, aardekannen, emmers, drinkbekers, wijnkelken en bierglazen, alsook nagels en spijkers met grote kop (‘taatzen’), vishaken, bellen, trompetten, spiegels en diverse soorten messen. Andere artikelen waren huiden, bij voorbeeld schapenvellen, levensmiddelen en specerijen. Hun aandeel in de totale import van de WIC was echter zo gering, dat van een aparte beschrijving alsook een overzicht van de in- en verkoopprijzen is afgezien.

De diversiteit van de handelsgoederen op de Goud- en Slavenkust was bijzonder groot. Tussen de jaren 1700-1723 vervoerde de WIC namelijk voor 1.023.080 gulden aan diverse goederen naar Afrika, of bijna 20% van de totale import. Voor 1715 gold een vergelijkbaar cijfer, toen met de Bosbeek en Nieuwe Post deze rubriek ongeveer 24% uitmaakte (cf. tabel 10.1.). Daarmee komt deze categorie na textiel feitelijk op de tweede plaats. Omdat de goederen zo verschillend van aard waren en elk afzonderlijk een verwaarloosbaar percentage van de lading uitmaakten, hebben we deze categorie echter als laatste punt behandeld.

 

10.c. Importgoederen in de kusthandel.

 

In tegenstelling tot de gebrekkige ladinglijsten van de retour- en slavenschepen van de WIC, die in 1715 op de Goud- en Slavenkust voeren, zijn de importladingen van de kustschepen wél bekend. In het dagjournaal van 1715 zijn namelijk niet alleen alle instructies voor de schippers en kooplieden bewaard, maar ook alle importlijsten of facturen van de kustschepen (cf. tabel 10.6.). De waarde van alle goederen werd door de directeur-generaal meteen in ponden peper of ivoor verrekend. Omdat van deze producten de standaardprijzen bekend zijn, kunnen we voor alle koopwaren van elke lading afzonderlijk de totale en percentuele waarde bepalen.

 

Tabel 10.6. Importlading kustschepen in 1715.

(in gulden)

 

Textiel

Wapens

Buskruit

Alcoholica

Staafijzer

Kauri’s

Diversen

Totaal

Chama*

8.843

2.960

2.500

360

973

-

2.447

18.083

Commany

8.561

600

675

960

5.250

3.375

14.341

33.762

Mouree*

5.222

360

2.025

384

9.000

-

7.806

24.797

Etersem

4.708

645

450

192

6.750

-

9.946

22.691

Zacconde*

7.103

1.920

1.024

102

2.729

-

3.369

16.247

Cormantin*

8.349

2.347

1.044

134

5.813

-

3.057

20.744

Benin*

2.057

863

-

102

2.129

-

1.211

6.362

Totaal

44.843

9.695

7.718

2.234

32.644

3.375

42.177

142.686

 

31,4%

6,8%

5,4%

1,6%

22,9%

2,4%

29,5%

 

Bron: ARA, NBKG 82, Facturen en marktbrieven.

* Veroverde smokkelaars.

 

Het is hier niet de bedoeling om bij elk product afzonderlijk opnieuw uitgebreid te blijven stilstaan, maar wel om op enkele algemene gelijkenissen en verschillen te duiden tussen de afzetmarkt op de Goud- en Slavenkust en de andere kustgebieden in West-Afrika, zoals de Grein- en Ivoorkust en Benin. Aangezien de meeste retour- en slavenschepen van de WIC op Elmina en Fida voeren, en in veel mindere mate op de kust van Angola, biedt het overzicht van de import naar Afrika voor de jaren 1700-1723 ons een aantrekkelijk beeld over de ‘ideale importlading’ van een WIC-schip die op de Goud- of Slavenkust voer. Zo maakte textiel meer dan 50% uit, terwijl wapens en buskruit goed waren voor 10 tot 15%, kaurischelpen voor 10%, alcoholica voor 5%, staafijzer voor 2% en tot slot een waaier aan diverse goederen voor 20%.

Tabel 14 toont echter aan dat het beeld van de import op de Goud- en Slavenkust niet kan worden geëxtrapoleerd naar de afzetmarkt op de andere kusten in de Bocht van Guinee. Zo valt op dat alle kustschepen gemiddeld genomen met ‘slechts’ 31,4% veel minder textiel aanvoerden naar de Boven- en Benedenkust dan op de Goudkust. Bovendien was er ook een grote differentiatie in de soorten van textiel. Zo werden met de scheepjes Zacconde, Cormantin en Benin op de Greinkust vooral perpetuanen en slaaplakens verkocht, terwijl in Benin in eerste instantie platthillios en nicanesen werden afgezet[303]. Het schip Mouree bij voorbeeld had voor 750 gulden platthillios en 1.500 gulden nicanesen aan boord, maar helemaal geen perpetuanen. Dit onderscheid wijst erop dat perpetuanen in Benin duidelijk minder waren gegeerd.

Vuurwapens en buskruit werden door de kustschepen voor 12,2% van hun totale lading aangevoerd, een gelijkaardig percentage van op de Goud- en Slavenkust dus. Desondanks traden ook hier verschillen op. Met het scheepje Chama werd naar de Ivoorkust voor meer dan 30% aan militaria aangevoerd, waar de verkoop ervan vlot verliep door de handel in slaven[304]. Ook de schepen Zacconde en Cormantin voerden een grote lading wapens en buskruit op de Greinkust aan. De handel in militaria aan Benin leek echter minder rendabel, want met de Commany werd bij voorbeeld slechts voor 3,8% aan wapens en buskruit geïmporteerd.

Het grootste verschil betrof echter het staafijzer. Terwijl het aandeel van dit ijzer op de Goudkust kwantitatief beperkt bleef, maakte het met gemiddeld 22,9% wél een belangrijk deel uit van de kusthandel (cf. tabel 10.6.), en dit zowel op de Greinkust als aan Benin. Met de schepen Mouree, Etersem en Benin was de lading staafijzer zelfs waardevoller dan het textiel, en dat was hoogst merkwaardig. Kennelijk verwachtte Haring dat het staafijzer, zowel op de Boven- als de Benedenkust, zonder problemen zou kunnen worden afgezet. Om de handel in ivoor aan Calabar te bevorderen, stelde hij de prijs van een korte staaf zelfs aan 0,5 pond ivoor minder dan gewoonlijk[305]. Eén uitzondering op deze lucratieve handel vormde de Ivoorkust, waar het scheepje Chama niet meer dan 973 gulden aan ijzer of 5,4% van zijn totale lading aanbracht. Er waren echter nog verschillen merkbaar tussen de Boven- en Benedenkust. Terwijl de drie kustschepen die op de Greinkust voeren in totaal voor 10.671 gulden aan staafijzer importeerden, bedroeg de waarde van de import naar Benin 21.000 gulden. Daarmee lijkt de kustregio tussen Calabar en Cabo Lopes Gonsalves de meest winstgevende afzetmarkt voor ijzer te zijn geweest.

Tot slot maakte de categorie van diversen met 29,5% ook een belangrijk deel uit van de kusthandel van de WIC. Net als staafijzer was haar aandeel in de handel op de Boven- en Benedenkust opmerkelijk groter dan op de Goudkust. Maar ook hier was er een duidelijke scheiding in de handelsstroom merkbaar. De 4 schepen die naar de Bovenkust (zowel Grein- als Ivoorkust) zeilden, importeerden in totaal slechts voor 10.084 gulden aan diverse goederen, terwijl de Commany, Mouree en Etersem naar Benin voor 32.093 gulden aan allerhande koopwaar met zich mee brachten! Eén van de verklaringen daarvoor moeten we zoeken in het aandeel van koraal. Sieraden van allerlei soorten waren zeer gegeerd door het volk van Benin en een ideaal ruilmiddel in de ivoor- en gomhandel, maar minder voordelig in de greinhandel. Zo werd naar de Greinkust slechts voor 3.375 gulden aan koralen verscheept, terwijl naar Benin in totaal voor 11.693 gulden werd vervoerd. De lading van de Commany bestond zelfs voor 18,6% uit kralen.

Uit het bovengaande kunnen we besluiten dat de stroom van importgoederen op de Goud- en Greinkust en in Benin enkele opvallende verschillen vertoonde. Textiel, wapens en buskruit (en alcohol) kwamen bijna overal in West-Afrika in gelijke mate voor, maar terwijl staafijzer op de Goudkust weinig werd afgezet, was het één van de belangrijkste producten in de kusthandel. Tot slot was er ook een duidelijke splitsing in de handelsstroom op de Bovenkust en Benin. Het verschil in textiel zat hem vooral in de soorten van stof. En terwijl wapens en buskruit op de Greinkust gemakkelijker werden verkocht, was Benin een aantrekkelijke markt voor ijzer en koralen.

 

 

HOOFDSTUK 11: Export uit West-Afrika.

 

11.a. Bronnenproblematiek.

 

In tegenstelling tot de gebrekkige ladinglijsten van de import, zijn gegevens over de export uit West-Afrika ons wel vrijwel allemaal bekend. Uit het dagjournaal of de correspondentie tussen de directeur-generaal en de Heren X hebben we voor het jaar 1715 de exacte exportlading van elk schip afzonderlijk kunnen halen. Tabel 11.1. geeft daarvan een overzicht. Daarbij is het belangrijk een onderscheid te maken tussen de goederenhandel op de Republiek en de slavenhandel op Amerika. Zo vertrokken in 1715 vanuit West-Afrika 7 retourschepen met een gevarieerde lading aan goud, ivoor en peper aan boord, terwijl 5 slavenschepen de overtocht naar Amerika maakten.

 

Tabel 11.1. Exportlading retour- en slavenschepen in 1715.

(in gulden)

 

Goud

Ivoor

Slaven

Peper

Diversen

Totaal

Accra*

-

-

-

15.300

1.352

15.300

Guinese Gebroeders*

-

-

-

7.327

-

7.327

Eendragt

-

-

-

9.350

-

9.350

Emmenes

-

-

18.360

-

-

18.360

Jacoba Galei

128.000

48.008

-

-

360

176.368

Sonnesteyn

-

-

2.640

-

-

2.640

Geertruyd Galei*

48.000

12.032

-

-

180

60.212

Bercoe*

-

-

-

2.834

1.124

3.958

Akredam

-

-

18.800

-

-

18.800

Engelenburgh*

-

-

5.440

-

-

5.440

Zacconde*

-

-

-

9.459

-

9.459

Fida*

-

-

9.680

-

-

9.680

 

176.000

60.040

54.920

44.270

3.016

338.245

 

52%

17,8%

16,2%

13,1%

0,9%

 

Bron: ARA, NBKG 82 / ARA, WIC 102 / ARA, WIC 1269 / Den Heijer (persoonlijke databank).

* Veroverde smokkelaars.

 

In 1715 werd voor 83,8% aan Afrikaanse goederen naar de Republiek gebracht, terwijl de slavenhandel op Amerika 16,2% uitmaakte (cf. tabel 11.1.). Dit maakt dat de goederenhandel tussen West-Afrika en de Republiek naar gewoonte de voornaamste handelsstroom was. Daarin maakten goud met 52%, ivoor met 17,8% en peper met 13,1% de belangrijkste producten uit. In de totale export uit West-Afrika resulteerde dit in een aandeel van 82,9%, maar als we alleen naar de goederenhandel kijken, was hun aanwezigheid met maar liefst 98,9% nog dominanter. Hoewel goud en ivoor met voorsprong de belangrijkste producten waren (zeker doorheen het ganse bestaan van de Tweede WIC), werden ze in 1715 alleen met de Jacoba Galei en Geertruyd Galei aangevoerd, terwijl peper toen door maar liefst vijf verschillende retourschepen werd geëxporteerd. Het aandeel van peper was toen trouwens opmerkelijk hoog. Andere producten zoals gom, limoensap, roodhout, was, tabak en suiker waren procentueel genomen dan weer verwaarloosbaar en zijn in de categorie Diversen opgenomen.

In een studie over de export van de WIC uit West-Afrika mogen we ons echter niet alleen baseren op het cijfermateriaal in tabel 11.1., omdat deze exportladingen ons een vertekend beeld kunnen geven over de eigenlijke handelssituatie van de WIC in West-Afrika in het jaar 1715. Goederen konden bij voorbeeld al in 1714 op de Goud- of Slavenkust zijn aangekocht om pas in 1715 met een retourschip naar de Republiek te worden getransporteerd. Daarom is de ‘memorie van de ingehandelde retourwaren op de Kust van Guinea, 1676-1731’ een betere bron, omdat dit per jaar een compilatie geeft van de goederen en slaven die de WIC in West-Afrika effectief had aangekocht (los van het feit of ze al dan niet met een schip werden geëxporteerd) [306].

 

Onder de historiografen, die zich bezighouden met de geschiedenis van de WIC, bestaat er echter geen unanieme interpretatie van deze memorie. De bron werd door historicus J. M. Postma voor het eerst gepubliceerd en beschreven in het Economisch en Sociaal-Historisch Jaarboek (1973), waarin hij stelde dat het de exporthandel van de WIC betrof in de volledige Bocht van Guinee, vanaf het Senegambia-gebied tot in Gabon[307]. De auteur moet volgens Postma iemand geweest zijn van hoge stand, zoals bij voorbeeld een voormalige directeur-generaal of aandeelhouder, die toegang had tot het archief van de Compagnie en het uit privé-initiatief heeft opgesteld, want in de minuten van de Heren X werd het bevel daartoe alvast nooit gegeven[308]. Voor het overige tastte Postma in het duister over de intentie van deze bron.

Met de publicatie van het proefschrift Goud, ivoor en slaven in 1997 was H. Den Heijer hierover een andere mening toegedaan. Volgens hem sloeg de memorie alleen op de exportgegevens van de Goudkust en kwamen de producten, die op de Grein- of Ivoor- of Slavenkust én in Benin werden aangekocht, daarin niet voor[309]. Deze these beargumenteerde hij door te wijzen op de datum van uitvoering. Het document moet kort na 1731 zijn opgesteld om het belang van de compagniehandel op de Goudkust aan te tonen, aldus Den Heijer. Met de verlenging van het octrooi van de Compagnie in 1730 werden de Afrikaanse kustgebieden namelijk opengesteld voor particuliere kooplieden uit de Republiek, behalve de strook van zestig mijl op de Goudkust, waar de WIC haar factorijen had. Vanaf 1731 maakten kooplieden uit Zeeland zich echter sterk om ook dit laatste monopolie van de WIC te slechten[310]. De bron had volgens H. Den Heijer dan ook de intentie om aan te tonen dat dit monopolie wel degelijk winst had opgeleverd en dus nooit mocht worden opengesteld.

De these van Den Heijer is echter onhoudbaar. Zoals de titel van het document al aangeeft, had de ‘memorie van de ingehandelde retourwaren op de Kust van Guinea’ wel degelijk betrekking op de volledige Bocht van Guinee en niet alleen op de zestig mijlen van de Goudkust. Dit kunnen we aantonen door de gegevens van de memorie te vergelijken met de exportgegevens uit het dagjournaal van 1715, een vergelijkende methode die historici zoals Postma en Den Heijer wellicht nog niet hebben gebruikt. Niettemin heeft Den Heijer wel gelijk wanneer hij meent dat de auteur een politieke intentie had met het maken van deze bron. Het opzet was echter niet anticiperend om aan te tonen dat de WIC haar laatste handelsmonopolie op de Goudkust nooit mocht vrijstellen voor particuliere vaart. Wél gaf de auteur daarmee een retrospectieve blik op het voormalige succes van het handelsmonopolie in West-Afrika, dat in 1730 voor particulieren werd opengesteld (behalve de Goudkust dan), maar in feite nooit mocht prijsgegeven zijn. In onderstaande tabel zijn alle exportcijfers voor 1715 opgenomen, gebaseerd op de memorie, waarvan we enkele zullen belichten om aan te tonen dat deze bron inderdaad betrekking had op de ganse Bocht van Guinee.

 

Tabel 11.2. Memorie ingehandelde retourwaren 1715.

(prijs en waarde in gulden)

Artikel

Prijs

Aantal

Waarde

Percentage

Goud

320

734 mark

235.068

60,8

Slaven

40

1606 stuks

64.240

16,6

Ivoor

0,75

69.858 pond

52.393

13,5

Peper

0,10

253.716 pond

25.371

6,6

Was

0,40

8.778 pond

3.511

0,9

Tabak

3

1.110 rol

3.330

0,9

Limoensap

0,15

7.680 kan

1.152

0,3

Gom

0,07

8.600 pond

602

0,2

Roodhout

0,05

11.200 pond

560

0,1

Suiker

0,20

2.667 pond

533

0,1

Totaal

 

 

386.760

100

Bron: VWIS 928.

 

Indien we de theorie van Den Heijer volgen, dan zouden alle exportproducten in tabel 11.2. door de WIC alleen op de Goudkust moeten zijn ingekocht. Een eenvoudige blik op de tabel leert ons echter dat dit onmogelijk is, omdat goederen zoals peper of was, gom en roodhout helemaal niet aan de Nederlandse factorijen op de Goudkust werden gehaald, maar het resultaat waren van de handelstochten van de kustschepen, die zowel op de Greinkust als op Benin voeren.

Gom bij voorbeeld werd in Afrika gewonnen uit de Acaciabomen, die alleen ter hoogte van Senegal (zoals het eiland Arguin) en in Benin groeiden. Aanvankelijk was de gomhandel op Arguin succesvol, maar toen het Nederlandse fort daar in het derde kwart van de 17de eeuw door de Fransen werd bezet, daalde de handel zienderogen. In het eerste decennium voeren wel nog enkele compagnieschepen op dit eiland om gom in te kopen, maar vanaf het begin van de 18de eeuw viel deze trafiek stil en zou de WIC voor lange tijd geen gom meer exporteren. Volgens de memorie hervatte de Compagnie de handel in gom pas in het jaar 1715, met een export van 8.600 pond ter waarde van 602 gulden. Deze gom werd niet op Arguin of op de Goudkust gehaald, maar was het resultaat van de handel met Benin. Toen de Commany in mei 1715 naar Benin vertrok, had het namelijk tot doel om er gom in te handelen. De expeditie werd een succes, want datzelfde jaar keerde het schip terug met een lading van circa 9.000 pond[311]. Dit was een schatting. De werkelijke handelsrekening bedroeg ongetwijfeld 8.600 pond, omdat in 1715 geen enkel ander schip gom aanvoerde. Bovendien werd gom, voor zijn medicinale doeleinden, nooit op de Goudkust gewonnen!

Hetzelfde verhaal doet zich voor in de handel van verfhout of roodhout. De regio waar het meeste van dit hout werd ingekocht, was Angola. In de 17de eeuw zond de WIC zelfs viermaal speciaal een retourschip naar daar voor de handel in deze soort verfhout[312]. Exportgegevens daarvan staan echter niet opgenomen in de memorie, die zich enkel beperkte tot de handel in de Bocht van Guinee. Een tweede voornaamste leverancier van verfhout was Benin of Gabon. Volgens de memorie startte de WIC pas in het jaar 1714 met deze handel op Benin, met een opbrengst van 4.480 pond[313]. Dit klopt, want in zijn correspondentie aan de Heren X schreef H. Haring inderdaad dat de commies Frederik van Zelst op zijn laatste reis naar Benin in 1714 met 4.480 pond roodhout aan Elmina was teruggekeerd[314]. In 1715 werd dan weer 11.200 pond geëxporteerd (cf. tabel 11.2.), wat opnieuw met het scheepje Commany uit Benin werd meegebracht[315]. In elk geval was de Goudkust absoluut geen leverancier.

De handel in was toont hetzelfde aan. Op de factorijen langs de Goudkust werd met geen enkel woord over dit product gerept. Dit was anders in Benin. Net als gom en roodhout werd was vooral verworven in de Bocht van Benin of Biafra, ter hoogte van Nigeria, en via de opererende kustschepen naar Elmina gevoerd. Zo voerden in 1715 uit Benin de schepen Commany en Mouree respectievelijk 2.000 en 8.000 pond was aan, hoewel de lading van dit laatste schip na controle door Haring veel minder aan boord bleek te hebben gehad (cf. 9.c.). Beide schepen stonden alvast in voor de enige aanvoer in 1715. Dit wordt bevestigd door de memorie, die voor dat jaar 8.778 pond was ter waarde van 3.511 gulden noteerde. De Goudkust lijkt dus ook hier geen enkel aandeel te hebben gehad in de export van was.

Een laatste voorbeeld betreft peper. Volgens de memorie werd peper of grein op een regelmatige basis in West-Afrika gekocht. De piek van deze handel werd in 1715 bereikt toen de WIC maar liefst 253.716 pond grein exporteerde voor een waarde van 25.371 gulden (cf. tabel 11.2.). De Goudkust was daarin zeker geen leverancier. Eerder beweerde Postma al dat peper door de Nederlanders quasi exclusief op de Greinkust of de huidige regio van Liberia werd verworven en vandaar door kustschepen naar de Goudkust of rechtstreeks naar de Republiek werd aangevoerd[316]. Ook in 1715 was er langs deze kust een drukke handelsactiviteit. Van de 7 kustschepen die er toen peper kochten, werden de Accra, Guinese Gebroeders, Eendragt en Engelenburgh al eind 1714 uitgereed, terwijl Haring in de laatste maanden van 1715 ook nog de scheepjes Zacconde, Cormantin en Benin naar daar zond (cf. 9.c.). Samen moeten ze het cijfer van in de memorie hebben benaderd, want het was alvast onmogelijk dat de bulkende handel in peper alleen door de Goudkust werd gedragen. In paragraaf 11.b.3 wordt deze peperhandel nog uitgebreid uit de doeken gedaan.

Ook bij goud, ivoor en slaven, de meer courante goederen, blijkt dat de aantallen en waarden van in de memorie wel degelijk op de handel in de volledige Bocht van Guinee slaan. De 1.606 ingekochte slaven bij voorbeeld werden grotendeels aan de loge van Fida op de Slavenkust verkregen. Dit zal verder nog blijken. In de volgende bespreking maken we gemakshalve het onderscheid tussen de goederenhandel en de slavenhandel. In beide rubrieken ligt de nadruk opnieuw op de Goud- en Slavenkust, hoewel de andere kustregio’s ook aan bod komen waar nodig. Bij de goederenhandel gaat mijn aandacht vooral uit naar goud, ivoor en peper. Producten zoals limoensap, gom, katoen en indigo komen echter ook kort aan bod.

Uit de bovenstaande memorie van 1715 (cf. tabel 11.2.) is al gebleken dat goud, ivoor en slaven in West-Afrika de belangrijkste exportproducten waren. Om het succes van de handel in deze goederen voor het jaar 1715 af te meten, worden ze in het brede tijdskader van 1700-1731 geplaatst, zodat het mogelijk is om gemiddelde waarden te berekenen. Dit tijdsbestek lijkt mij gegronder dan de volledige periode die de memorie beslaat, namelijk 1676-1731. In 1700 zorgde de opkomst van de sterke Ashanti-staat voor belangrijke politieke verschuivingen in West-Afrika, met invloeden tot ver buiten de Goudkust. Dit had een nooit geziene weerslag op de handelsstroom in goud, ivoor en slaven, die een duidelijke trendbreuk vertoonde met de 17de eeuw. De WIC moest zich aan deze nieuwe situatie aanpassen. Vandaar dat we een realistischer beeld zullen krijgen van het handelssucces in 1715 binnen het tijdskader 1700-1731.

 

11.b. Goederenhandel.

 

11.b.1. Goud.

 

11.b.1.1. Een kwantitatief overzicht.

Sinds de komst van de eerste Europeanen in West-Afrika in de 15de eeuw was de Goudkust de belangrijkste regio waar goud werd gewonnen en geëxporteerd. In de loop van de 17de eeuw namen de Nederlanders deze lucratieve handel over. Onder de Eerste en Tweede WIC zou de Goudkust tot aan de openstelling van het monopolie in 1734 de belangrijkste leverancier van goud blijven. Zeker tot aan het begin van de 18de eeuw zijn de cijfers over de goudexport in de memorie een goede waardemeter voor de handel op de Goudkust, omdat de WIC tot die tijd haar goud vrijwel alleen aan haar factorijen langs de Goudkust haalde. De goudhandel had tot aan de eeuwwisseling met andere woorden een stationair karakter. Na 1700 echter brachten ook de kustschepen steeds meer goud mee vanuit alle uithoeken van West-Afrika. Hoeveelheden konden variëren van enkele ounces in Benin tot meer dan vijftig mark op de Bovenkust[317]. Bovendien voerden ook de Portugezen steeds meer goud aan vanuit Brazilië, die ze langs de Slavenkust afzetten in ruil voor Afrikaanse slaven.

 

Tabel 11.3. Export goud uit de Bocht van Guinee (1700-1731).

Jaar

Mark (gewicht)

Gulden (waarde)

 

Jaar

Mark (gewicht)

Gulden (waarde)

1700

789

252.503

 

1716

764

244.490

1701

530

169.573

 

1717

651

208.403

1702

857

274.238

 

1718

812

259.944

1703

854

273.315

 

1719

866

277.175

1704

863

276.220

 

1720

557

178.346

1705

599

191.850

 

1721

647

207.249

1706

832

266.262

 

1722

643

205.932

1707

898

287.457

 

1723

1.198

383.303

1708

639

204.502

 

1724

876

280.494

1709

979

313.338

 

1725

872

279.200

1710

1.221

390.805

 

1726

635

203.249

1711

1.240

396.976

 

1727

614

196.583

1712

827

264.571

 

1728

599

190.935

1713

579

185.340

 

1729

683

218.827

1714

575

184.221

 

1730

551

176.430

1715

734

235.068

 

1731

360

115.129

 

 

 

 

Totaal

24.344

7.790.080

 

 

 

 

Gemiddelde

761

243.440

Bron: ARA, VWIS 928.

 

De goudhandel in West-Afrika was aan sterke schommelingen onderhevig. Tot aan de eeuwwisseling exporteerde de WIC jaarlijks gemiddeld 1.734 mark goud naar de Republiek, een gemiddelde dat in de periode 1700-1731 teruggevallen was naar 761 mark (cf. tabel 11.3.). De trendbreuk met de 17de eeuw is frappant. Een verklaring voor deze decimerende goudhandel is de opkomst van de Ashanti-staat in 1700, die de Westafrikaanse kust in een desastreuze oorlog stortte en de primaire handelsroutes van en naar de Nederlandse factorijen sloot. In 1701 bereikte de goudexport met 530 mark een eerste dieptepunt. De goudhandel herstelde zich daarna krampachtig, om in de jaren 1710-11 opnieuw tot meer dan 1.000 mark per jaar op te klimmen. De blijvende onlusten in West-Afrika zorgden echter voor een negatieve groei en tegen 1714 had de goudaanvoer met slechts 575 mark, ter waarde van 184.221 gulden, opnieuw een historisch dieptepunt bereikt (cf. tabel 11.3.).

Over de hoeveelheden goud die door de WIC werden gekocht, hoeft geen twijfel te bestaan. In de memorie en het dagjournaal werd het gewicht van goud altijd in mark uitgedrukt. Dit is anders met de waarden. De prijs van goud was in de loop van de 17de eeuw gestegen van 290 gulden naar 340 gulden per mark en bleef tot de jaren ’40 van de 18de eeuw redelijk stabiel met een gemiddelde opbrengst van 336 gulden per 1 mark goud[318]. In de memorie (cf. tabel 11.2.) hanteerde de auteur voor de periode 1676-1731 een standaard verkoopprijs van 320 gulden per mark, maar omdat het goud in de Republiek bij veiling werd verkocht, kon de standaardprijs lichtjes verschillen van de werkelijke marktprijs. Om praktische redenen heb ik mij hier toch aan de prijs van in de memorie gehouden.

In 1715 leverde de goudhandel in West-Afrika de WIC 734 mark ter waarde van 235.068 gulden op (cf. tabel 11.3.). In vergelijking met de jaren 1713-14 betekende dit opnieuw de aanzet tot een positieve trend. Op basis van dit droge cijfermateriaal kunnen we verwachten dat directeur-generaal H. Haring daarover tevreden moet zijn geweest. Het leeuwendeel van dit goud haalde de WIC uiteraard aan haar factorijen op de Goudkust. Deze handelsstroom wordt uitvoering in de onderstaande paragraaf behandeld. Een ander en niet gering deel van het goud haalde de WIC dan weer uit de kusthandel, in het bijzonder langs de Ivoorkust, én op de Slavenkust aan haar loge in Fida, waar de Portugezen hun goud afzetten. Ook deze twee handelsstromen komen hier aan bod. Samen maakten deze drie inkomstenbronnen de waarde van 734 mark in de memorie uit.

 

11.b.1.2. De Goudkust.

Op basis van de correspondentie, maandpapieren en goudextracten die tussen de buitenfactorijen en Elmina circuleerden en in het dagjournaal werden neergetekend, kunnen we het aandeel van de Goudkust in de goudhandel voor het jaar 1715 vrijwel precies bepalen. Zo leren de ‘cassareekeningen’ ons dat aan alle factorijen langs de Goudkust in de loop van 1715 in totaal 355 mark goud werd aangekocht, ter waarde van 113.641 gulden (cf. tabel 11.4.). Dit was slechts 48% van de toenmalige export uit gans West-Afrika. Gezien het grote historische aandeel van de Goudkust, was dit dus feitelijk vrij beperkt. Bij dit cijfer dient echter een kleine marge in acht te worden genomen. Zo zijn voor de factorijen aan Axim, Komenda en Apam in het dagjournaal in totaal drie goudextracten niet gekend. Handelsgegevens over São Jorge d’Elmina zijn daarenboven al helemaal niet bewaard gebleven. De feitelijke goudexport op de Goudkust lag dus (iets) hoger dan 355 mark.

 

Tabel 11.4. Export goud op de Goudkust in 1715.

 

Eerste kwartaal

Tweede kwartaal

Derde kwartaal

Vierde kwartaal

Totaal

 

Mark

Gulden

Mark

Gulden

Mark

Gulden

Mark

Gulden

Mark

Gulden

Axim

21,8

6.978

10,2

3.278

38

12.160

10,1

3.240

80,1

25.656

Boutri

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

Sekondi

12,9

4.136

11,1

3.548

11,3

3.615

13,9

4.469

49,2

15.768

Chama

10,8

3.445

8,4

2.680

22,9

7.317

-

-

42,1

13.442

Komenda

4,8

1.543

4,7

1.489

-

-

1,9

599

11,4

3.631

Elmina*

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

Mouree

1,25

400

3

960

2,2

695

20,4

6.542

26,9

8.597

Cormantin

1,4

440

0,02

5

4,1

1.303

18,7

5.976

24,2

7.724

Apam

1,2

374

3,5

1.113

2,7

861

3,8

1.213

11,2

3.561

Bercoe

3,3

1.065

23

7.361

-

-

32,3

10.325

58,6

18.751

Accra

-

-

8,6

2.750

10,5

3.371

32,5

10.389

51,6

16.510

Totaal

57,5

18.381

72,5

23.184

91,7

29.322

133,6

42.753

355

113.641

Bron: ARA, NBKG 82, Maandpapieren en goudextracten.

* Goudextracten niet bekend.

 

In tabel 11.4. zijn alle goudopbrengsten per factorij en per kwartaal van het jaar 1715 verzameld. De volgorde van de factorijen is opgevat volgens hun geografische ligging, dit wil zeggen van de westelijke naar de oostelijke Goudkust. De factorij van Elmina vormt daarbij de ideale scheidslijn. Tabel 11.4. toont aan dat er in 1715 geen noemenswaardige verschillen waren in de goudhandel aan de westelijke en oostelijke factorijen. Ten westen van Elmina bracht de goudhandel 58.497 gulden op, terwijl de handelsposten ten oosten van Elmina 55.144 gulden opleverden. Factorij St. Anthony aan Axim nam daarbij het leeuwendeel voor haar rekening, namelijk 22%, gevolgd door de handelsposten aan Bercoe (16,5%) en Accra (14,5%). Dit is helemaal niet zo verwonderlijk, omdat het ten slotte de grootste handelsposten van de WIC betrof, die bovendien aan het einde van de primaire handelsroutes waren gelegen.

Om tot betrouwbare conclusies over de goudhandel op de Goudkust te komen, is het echter ook noodzakelijk om het geografische kader te linken aan een tijdskader, dit wil zeggen door de handel op de westelijke en oostelijke Goudkust te onderzoeken per kwartaal. Op die manier kunnen we namelijk handelsevoluties ontrafelen, die we met behulp van informatie uit het dagjournaal kunnen verklaren door verschuivingen in het politieke hinterland of door wijzigende economische verhoudingen met andere Europese naties op de Goudkust. Over het algemeen evolueerde de goudhandel op de Goudkust zeer gunstig, met een permanente stijging van 18.381 gulden in het eerste kwartaal naar 42.753 gulden in het laatste kwartaal (cf. tabel 11.4.). Toch had zich een duidelijk tegenstrijdige evolutie voltrokken op de westelijke en oostelijke Goudkust. In de volgende uiteenzetting worden beide kustregio’s afzonderlijk behandeld.

 

- Elmina.

Onderzoek naar de goudhandel aan Elmina bracht heel wat problemen met zich mee. In Hoofdstuk 10 hebben we al gezien dat een reconstructie van de distributie van importgoederen aan dit fort onmogelijk is door het ontbreken van petities en facturen. Voor de export aan Elmina kampen we echter met hetzelfde probleem. De gemaakte rekeningen van de opperkoopman werden door de generale boekhouder rechtstreeks in het Grootboek opgetekend (cf. 7.b.6.), zodat de directeur-generaal ze niet meer in het dagjournaal hoefde op te nemen. Jammer genoeg zijn deze Grootboeken in het archief van de Tweede WIC allemaal verloren gegaan[319]. Op basis van de informatie uit het dagjournaal kunnen we wel een kwalitatief oordeel vellen over de handel aan Elmina, maar een bedrag kunnen we daar moeilijk op plakken.

Over de goudhandel aan St. George d’Elmina kan geen twijfel bestaan. Sinds het begin van de 18de eeuw had dit fort haar koppositie in de goudhandel verloren aan St. Anthony te Axim, waar in vredestijd het meeste goud werd aangevoerd. In 1715 zal de goudhandel aan Elmina dan ook zeker niet meer dan 80 mark hebben opgeleverd. De bedroevende goudopbrengst aan Elmina wil echter nog niet zeggen dat daar weinig of geen handelaars kwamen, integendeel.

In december 1715 schreef H. Haring aan W. Butler dat er wekelijks meer dan 300 handelaars uit Ashanti aan Elmina kwamen. Dit was zeker niet weinig. De hoop om van hen een fraaie kwantiteit goud te bekomen, was echter ijdel, want zo schreef H. Haring: ‘hetgeen zy besteden is niet om te noemen wyl ’t geene dat zy begeeren voor haer slaven, die in overvloet beginnen te komen, hetzelvde is daer de Comp(agni)e mede het oog op heeft, dat is goud, ’t welk wy haer niet konnen geven[320]. De Ashanti kwamen met andere woorden voornamelijk slaven aan Elmina aanbieden, die zijzelf voor goud wilden verruilen. De vrees dat de Ashanti zelf goud wilden krijgen, sprak Haring overigens al eerder op het jaar uit[321]. Op het eerste gezicht lijkt de vraag van Ashanti naar goud merkwaardig, maar in tegenstelling tot wat veel historici mogen denken, had de Ashanti-staat geen toegang de belangrijkste goudmijnen. Toen ze in 1715 een expansieve oorlog voerden langs de westelijke Goudkust (cf. infra), hadden ze dat goud echter nodig om de oorlog te bekostigen.

De jammerklacht van H. Haring weerspiegelt goed de teleurstellende goudhandel aan Elmina. Omdat Axim in 1715 ongetwijfeld de belangrijkste leverancier van goud was, kunnen we er daarom van uitgaan dat de goudhandel aan Elmina in 1715 slechts 50 à 75 mark zal hebben opgeleverd.

 

- De westelijke Goudkust.

De goudhandel op de westelijke Goudkust concentreerde zich vooral rond Axim. Volgens een brief van W. Butler waren het in 1715 niet in eerste instantie de Ashanti die hun goud naar daar brachten, maar vooral handelaars uit Aowin (cf. Kaart 3). Dat de Ashanti minder talrijk aan Axim kwamen, is opmerkelijk maar was waarschijnlijk slechts een tijdelijk fenomeen, omdat zij zich in de loop van 1715 in verbond met de staat Wassa op een oorlog tegen Aowin voorbereidden. Deze oorlog, die de naburige volkeren in staat van onrust bracht en de goudhandel naar de kust bemoeilijkte, zou verstrekkende gevolgen hebben, want in het derde en vierde kwartaal kampten bijna alle factorijen op de westelijke Goudkust met een decimerende goudexport. Alleen in Sekondi bleef de goudaanvoer doorheen het ganse jaar stabiel (cf. tabel 11.4.).

In het begin van 1715 floreerde de handel tussen Aowin en het Nederlandse fort aan Axim goed. De politieke situatie op de meest westelijke Goudkust was in die tijd namelijk nog vrij stabiel en de handelsroutes naar de kust open, zodat handelaars uit Aowin met hun goud vrij konden passeren. Dit leverde Axim in het eerste kwartaal 21,8 mark op (cf. tabel 11.4.), toen bijna 38% van de totale goudopbrengst van de WIC op de Goudkust. Al vrij vroeg op het jaar werd de druk op de goudhandel naar Axim echter vergroot. Aowin zat namelijk gekneld tussen de staten Ashanti en Wassa, twee grootmachten die een expansieve politiek voerden en steeds op zoek waren naar buit of uitbreiding van hun territorium. Beide staten beseften dat Aowin een goudrijk land was en hadden hun oog dan ook op dit gebied laten vallen.

Wassa maakte het de handelaars uit Aowin lastig wanneer zij met hun goud door deze staat wilden trekken. Zo rapporteerde C. van Naarsen begin februari 1715 aan H. Haring dat alle kooplieden uit Aowin op hun doortocht hun goud met geweld werden afgenomen[322]. Wanneer een nieuwe groep handelaars de factorij aan Axim probeerde te bereiken, vroeg Wassa zelfs ‘passeergelt’. Toen zij dit weigerden, kwam het tot een gewapend treffen, waarbij maar liefst 80 handelaars van Aowin door Wassa in het dorp van een lokale machthebber, Pinga genaamd, werden gevangen genomen en al hun goud (en ivoor) werden afgenomen. De inspanning van Butler om de handelaars van Aowin vrij te krijgen door de bevelvoerder van Wassa met geschenken te overstelpen, hielp niets. Bovendien was de WIC niet bereid om de hoge afkoopsom van 50 bendo goud of ongeveer 4.000 gulden te betalen[323].

Het conflict nam al snel veel grotere proporties aan dan men aanvankelijk dacht. Niet alleen had Wassa de druk op de staat Aowin vergroot, ook kwam het W. Butler in april 1715 ter ore dat Ashanti en Wassa een verbond hadden gesloten om in de nabije toekomst tegen Aowin op te trekken[324]. Deze dreiging hypothekeerde de goudhandel op de westelijke Goudkust, want de handelaars uit Aowin die nog aan Axim handel dreven, kwamen met veel minder om ‘van haer manschap niet ontbloot te wezen[325] en brachten ook steeds minder goud mee. Waarschijnlijk had Aowin zelf goud nodig om een legermacht op de been te brengen, die moest instaan voor de veiligheid van de staat en waardoor de goudexport naar de kust daalde. De cijfers liegen er ook niet om, want tegen juni 1715 was het aandeel van de goudopbrengst aan Axim flink gedaald van 38% in het eerste kwartaal naar slechts 14% in het tweede kwartaal.

Bovendien kampte de Compagnie op de westelijke Goudkust nog met een ander probleem, namelijk Jan Conny, wellicht de belangrijkste ‘caboceer’ in West-Afrika en een doorn in het oog van de WIC. Toen 2 dienaars van Jan Conny begin 1715 in het dorp van Pinga om bescherming hadden gevraagd, had Pinga ze aan de Nederlanders in Axim overgeleverd uit vrees voor een oorlog tegen Conny. Oppercommies Butler dacht daarmee eindelijk een troef in handen te hebben: hij was namelijk van plan de twee gijzelaars te gebruiken om een nog uitstaande oorlogsschatting van Jan Conny te innen[326]. De WIC onderschatte echter zijn macht, want Jan Conny had zich met de staat Wassa verenigd om een aanval op Axim te ondernemen. Toen ook de naburige staten van Axim, Ankober en Abocroe, zich in een defensief verbond tegen J. Conny hadden aaneengesloten, vreesde Haring dat een oorlog onafwendbaar was. Hij was er zelfs van overtuigd dat ‘het fortres aldaer alsook de negotie van geen de minste vruugt voor de Comp(agni)e wesen sal’, zolang Conny nog leefde en de plak zwaaide over de primaire handelsroutes naar Axim[327].

J. Conny ondernam de eerste zet door in januari 1715 op willekeurige basis acht negers aan Axim gevangen te nemen[328]. Kort daarna voerde hij de druk nog meer op door de Nederlandse factorij te belegeren (cf. 10.b.2.). Gesteund door de hulptroepen uit Wassa slaagde Jan Conny erin de bewoners van het dorp en de factorij aan Axim van de buitenwereld af te sluiten, maar door interne conflicten werd hij gedwongen de strijd snel te staken. Niettemin hield de druk op Axim nog tot eind juni 1715 aan, wanneer Jan Conny na de ontvangst van vijf bendo goud van Axim en 10 bendo goud van Ankober zijn leger definitief had laten terugtrekken, ‘demitterende de Wassaze hulptroepen tot dien eynde gekeurt, houdende zig verder gerust[329]. De schade aan de goudhandel was echter al aangericht.

In het derde kwartaal van 1715 bereikte de goudhandel aan Axim een verrassende piek met 38 mark goud of 12.160 gulden (cf. tabel 11.4.). Afgaande op wat hierboven al is verteld, lijkt dat contradictorisch. Toch kan dit afdoende worden verklaard. Met de aanvang van het derde kwartaal had Jan Conny de druk van de ketel gelaten, zijn leger teruggetrokken en de handelsroutes naar Axim voorlopig niet meer belemmerd, zodat de factorij aan Axim opnieuw in de actieve handelssfeer van de westelijke Goudkust werd betrokken. Anderzijds werd de factorij opnieuw overstelpt met kooplieden uit de staat Aowin, die hardnekkig vuurwapens en buskruit begeerden om zich in de nakende oorlog met Ashanti en Wassa te kunnen verdedigen.

Deze hernieuwde handelsstroom zorgde ervoor dat de factorij aan Axim in juli, augustus en september 1715 heel wat goud opbracht. De lucratieve handel was echter van korte duur, want eens de strijd tussen Ashanti en Aowin effectief werd aangevat, stuikte de goudhandel op de westelijke Goudkust opnieuw in elkaar. Haring vreesde overigens dat bij een overwinning van Ashanti, die op militair en demografisch vlak toch het overwicht had, de goudtransport tussen Axim en Aowin onherstelbaar zou worden beschadigd, ‘wyl daervandaen meer goud komt als van Asjantyn’. De WIC kende daarvan al een precedent, toen haar oude handelspartner Denkyira in 1701 ook door Ashanti werd verslagen en ‘met welken ruwienen de geheele Bovenkuste jarenlang heeft gekwynt[330].

Toen de dreiging van Ashanti eind september 1715 alsmaar groter werd, ging Aowin ijverig op zoek naar bondgenoten, onder meer bij haar inwonende lieden uit Ashanti, Akani en Denkyira. Wie weigerde te helpen, werd gevangen gezet. Veel kans om zich te verdedigen, had Aowin echter niet. Het ‘grote leger’ van Aowin was op dat moment namelijk op veroveringsexpeditie in de naburige staat Encasser. Bovendien besefte Aowin dat haar defensie al te kwetsbaar was en niet lang kon standhouden. Daarom besloten ze naar Encasser te vluchten en zich daar bij hun leger te voegen van zodra Ashanti de aanval had ingezet[331]. Uiteindelijk kwam het op 1 oktober 1715 tot een eerste treffen. De gevolgen voor de goudhandel aan Axim waren niet te overzien. Op 17 oktober rapporteerde W. Butler dat de negotie daar geheel stilstond, ‘wyl geen Ouwienze aff connen comen omdat de alle hier omleggende landschappen haer de deurtogt beletten[332].

Over de reden van de oorlog tussen Ashanti en Aowin bestaat geen zekerheid. In het dagjournaal werden verschillende veronderstellingen geopperd. Toen enkele jaren eerder Osei Tutu, vorst of zaay van Ashanti, een leger van 3.000 man op de been had gebracht om het kleine staatje Assin di Coco (gelegen tussen Ashanti en Aowin) aan te vallen, hadden zijn soldaten zich met hun oorlogsbuit in Aowin geïnstalleerd zonder de intentie om ooit nog naar Kumasi terug te keren. Osei Tutu zou dit als landsverraad hebben beschouwd en daarom besloten hebben om Aowin aan te vallen, ook al omdat het kernland van Ashanti ontvolk geraakte en door de afwezigheid van het leger van Aowin het moment voor een aanval rijp was.

De WIC kon deze geruchten maar moeilijk geloven. Volgens W. Butler was het aannemelijker dat de zaay van Ashanti in de loop van het jaar overleden was en zijn troonpretendenten besloten hadden de staat Aowin aan te vallen om er de wettelijke erfgenaam van Osei Tutu te installeren, vervolgens de dood van de zaay bekend te maken en tot slot het oorspronkelijke land van Ashanti onder elkaar te verdelen. Dit zou echter nooit gebeuren. Volgens Butler werd de inval van Ashanti in Aowin dan ook gewoon gepleegd ‘uyt jalousie, omdat Ouwien welvarende en ryk van goud is’ en kaderde dit binnen de expansieve politiek van Ashanti[333].

Op 27 november 1715 kreeg Willem Butler aan Axim van de sabeldrager van de caboceer Ajepa uit Wassa uiteindelijk te horen dat Aowin was gevallen en het leger van Wassa zich als eerste had meester gemaakt van de oorlogsbuit[334]. Daardoor werd Aowin als belangrijke goudmacht uitgeschakeld en had Ashanti haar territorium naar de kustlijn verder opgeschoven. De gevolgen voor de WIC waren nefast, want in het laatste kwartaal was de goudopbrengst aan Axim tot 10 mark teruggelopen, nog slechts eenvierde van wat de factorij in het derde kwartaal had bijeengesprokkeld. Daarmee bereikte de goudhandel aan Axim een dieptepunt.

Met de overwinning van Ashanti keerde de rust aan de westelijke Goudkust niet meteen terug. Omdat het land van Aowin tegen alle verwachtingen in een beperkte buit had opgeleverd, vervolgden een 300-tal soldaten van Ashanti hun weg naar de kust en ondernamen daar een plundertocht in de kuststaat Apolonia, net ten westen van de Nederlandse factorij aan Axim. Volgens H. Haring was dit onder de negers slechts een ‘ordinaire gewoonte’ en gerechtvaardigde vergeldingsactie, omdat Apolonia tijdens de oorlog wapens en buskruit aan Aowin had geleverd. Bij W. Butler zat de schrik er echter goed in dat de Ashanti daarmee een aanval op de forten St. Anthony en Gross Friedrichsburg aan Cabo Tres Puntas voorbereidden. Haring kon dit echter moeilijk geloven, ‘alzoo de Asjantynze gewoon zyn langs de geheele kust te negotieren tot aen Mouree toe’ en daardoor het risico konden lopen om gearresteerd te worden[335].

De plundertocht in Apolonia betekende het einde van een tumultueuze periode, waarbij Ashanti de staten op de westelijke Goudkust in een desastreuze oorlog had gestort en waarbij de nederlaag van Aowin een serieuze aderlating was voor de handel van de WIC. De diplomatieke relaties die David van Neyendael in 1701 met Ashanti had opgebouwd, leken in 1715 allang bekoeld. Zo schreef W. Butler dat de Ashanti ‘door haer overwinningen en geduurige victoirien niet te stuyten nog te wederhouden zullen wesen en (…) nu reets geen Europianen byna meer ontsien[336].

 

- De oostelijke Goudkust.

Ten oosten van Elmina kende de goudhandel een ander verloop. De voornaamste goudgebieden daar waren de binnenlandse staat Akim, de machtigste kuststaat Fanti (cf. Kaart 3) én Aquamboe, ter hoogte van factorij Crevecoeur in Accra. In het begin van de 18de eeuw al schreef Willem Bosman, toenmalig opperkoopman van de WIC, dat Akim het meeste en beste goud opleverde van de ganse Goudkust. Ook het kleine rijk van Aquamboe omschreef hij toen als zeer welvarend[337]. De Fanti tot slot waren ook een rijk volk. Jammer genoeg voor de WIC brachten ze hun goud eerder naar de Engelse schepen (zoals in de haven Annemaboe) dan naar de Nederlandse factorijen. Aangezien ze tussen Mouree en Accra de belangrijkste macht op de oostelijke kustlijn waren, controleerden ze ook veel primaire handelsroutes uit het binnenland.

In het begin van 1715 kwam de goudhandel aan de oostelijke factorijen moeilijk van de grond. Aan Accra bij voorbeeld, dat voor haar goudhandel voornamelijk van Akim afhankelijk was, werd in de eerste drie maanden van het jaar zelfs helemaal geen goud aangevoerd (cf. tabel 11.4.). Door de perikelen met Akim had Aquamboe namelijk de handelsroutes naar de kust gesloten. Ook aan de factorijen van Mouree, Cormantin en Apam was het droevig gesteld. Deze handelsposten lagen vooral in de handelszone van de Fanti, die op hun beurt de doorgangswegen van en naar de kust sloten en de aanvoer van goud bijgevolg belemmerden. Deze situatie hield in de eerste drie kwartalen van 1715 aan. Een kleine berekening leert ons dat de factorijen langs de oostelijke Goudkust tussen januari-september 1715 slechts goed waren voor 29% van de totale goudexport op de Goudkust.

Eén uitzondering daarop vormde Bercoe. In het tweede kwartaal van 1715 bracht fort Goede Hoop daar 23 mark goud op, waarmee het toen zelfs de grootste leverancier van goud was (cf. tabel 11.4.). In tegenstelling tot de andere oostelijke factorijen lag de factorij aan Bercoe niet op het actieterrein van de Fanti of Aquamboe, maar binnen het handelsveld van het volk van Agona (cf. Kaart 3), die de factorij overstelpten met hun vraag naar geweren en buskruit. Zo rapporteerde J. Boerhaven op 17 mei 1715 bij voorbeeld dat zijn fort tussen 6 en 12u in de voormiddag niet vrij was geweest van kooplieden uit Agona, die alleen maar goud meebrachten[338]. De bloeiende handel aan Bercoe kon het gebrek aan de andere factorijen echter niet compenseren.

De belangrijkste oorzaak voor de slabakkende goudhandel aan de factorijen op de oostelijke Goudkust in de eerste helft van 1715 was de druk van de staat Akim op de kustvolkeren. Niet alleen werd de goudhandel gestremd door een op til zijnde oorlog tussen Akim en Aquamboe, ook deden er geruchten de ronde over een oorlog met de staat Akani (cf. Kaart 3). In het begin van de 18de eeuw omschreef Bosman Akani als een zeer goudrijk gebied. Het goud dat dit land aanbracht, was zelfs zodanig zuiver en van goede kwaliteit, aldus Bosman, ‘dat noch huyden ten dage al het beste Goud van de Negers (…) Acaniste Goud werd genaamt[339]. Met de dreigende oorlog kwam de lucratieve goudtrafiek tussen de WIC en deze staat in 1715 echter grotendeels tot stilstand. De Akani waren in de armen van Fanti gevlucht, die beloofd hadden hen bij te staan. Jacobus Risbeek, commies aan Cormantin, vreesde dat de oorlog effectief een aanvang zou nemen van zodra het regenseizoen voorbij was[340].

Eind juni 1715 schreef Risbeek dat 2 caboceers van Akim ‘met eenig gewapent volk’ tegen Akani waren opgetrokken. Tot een gewapend treffen kwam het echter niet. De Akani waren namelijk allen gevlucht, voornamelijk in Cabesterra, en Akim was ‘sonder jets uyt te regten weder weg gegaen[341]. Volgens de Afrikanen zou dit het einde van de oorlog tussen beide staten hebben betekend, maar de goudhandel herstelde zich nauwelijks of niet. Zo waren de oostelijke factorijen in het derde kwartaal van 1715 slechts goed voor 21% van de totale goudopbrengst op de Goudkust. De druk op de kuststaten hield dus aan werd zelfs nog verder opgedreven toen een plaatselijke caboceer, Janny, aan commies Hendrickx in Apam kwam vertellen dat Akim het niet op Akani had gemunt, maar wel op de staat Agona. Deze maal zou ook de factorij aan Bercoe daarvan hinder ondervinden, want in het derde kwartaal viel de goudhandel daar nagenoeg stil (cf. tabel 11.4.).

Om de dreiging van Akim te weerstaan, besloten de kuststaten Agona, Fanti en Akron een defensief verbond te sluiten. Daarvoor diende wel eerst een dispuut tussen de staten van Agona en Akron van de baan te worden geruimd. Dit zou ook gebeuren ‘wanneer eenige cabeceros van weder zyden tesamen sullen coomen om suramente te nuttigen’, aldus Hendrickx[342]. Akron beloofde daarbij dat ze de handelswegen naar de kust opnieuw zou openen. H. Haring was daarover verheugd en achtte dit wenselijk, maar betwijfelde sterk of dit wel een impuls aan de goudhandel zou geven, omdat in het verleden al was gebleken dat de handelaars van de WIC ‘naer betalinge van consiederable oncosten uit haer privé beurs hebben moeten sien dat het meeste goud aen boord van de scheepen gebragt wierd of ook wel dat de wegen inmediaet weder gesloten waren[343]. De goudhandel met Akron was nooit een succes geweest.

Ook Fanti werd in de nakende oorlog betrokken. In het verleden was al gebleken dat de WIC zeer slechte relaties onderhield met deze staat, die vooral gericht was op oorlogvoering en het belemmeren van de handel (cf. 3.c.3.). Overal waar ze konden, probeerden ze het goud van binnenlandse handelaars te roven en handelsroutes naar de factorijen van de Compagnie af te sluiten. Toen in augustus 1715 aan de factorij van Cormantin zeer veel buskruit werd verkocht, zag Risbeek dit als een bevestiging van de optocht van Akim tegen Agona, Akron én Fanti. De vrees voor een aanval zat er bij Fanti goed in, maar niet toevallig hoopte Risbeek dat met deze oorlog de Fanti eindelijk mochten verslagen worden, ‘opdat de wegen door de cooplieden en andere vrye konnen gebruykt werden[344].

De schrik zat er bij de WIC goed in dat de oorlog alweer heel wat schade aan de factorijen op de oostelijke Goudkust, en vooral aan Accra, zou toebrengen[345]. Tot een gewapend treffen kwam het echter niet. Akim was dan wel een groot en machtig land, aldus H. Haring, die tot ‘vry groote forsen’ in staat was, maar het ontbrak hen aan eendracht om de oorlog tot een goed einde te brengen. Bovendien was de unie van Fanti, Akani, Akron, Agona én Aquamboe zodanig uitgestrekt, dat het voor de staat Akim onmogelijk was deze gebieden allemaal tegelijk te beoorlogen[346]. De geruchten over de oorlog bleken dus onwaar te zijn en daarmee kwam een einde aan de druk op de oostelijke kuststaten. Vooral vanaf november 1715, met de wederopenstelling van de handelswegen in Aquamboe, vonden handelaars uit Akim opnieuw hun weg naar Accra. Zo bracht het fort Crevecoeur daar in het vierde kwartaal 10.389 gulden aan goud op (cf. tabel 11.4.), goed voor 25% van de totale goudopbrengst. Ook de handel aan Bercoe herleefde, omdat de druk op de kuststaat Agona verdween.

De heropleving van de goudhandel aan de factorijen op de oostelijke Goudkust vanaf oktober 1715 had echter niet alles te maken met de ‘herwonnen vrede’ onder de Afrikaanse staten. Fort Amsterdam aan Cormantin bij voorbeeld lag voornamelijk binnen de invloedssfeer van de Fanti, die erom gekend stonden hun goud vooral naar Engelse schepen of andere smokkelaars aan te dragen in plaats van naar de Nederlandse factorijen. Desondanks kende ook de goudhandel aan Cormantin eind 1715 een flinke injectie en steeg de output er in het vierde kwartaal tot 5.976 gulden (cf. tabel 11.4.), een vervijfvoudiging ten opzichte van het vorige kwartaal. Dit was vooral te danken aan de toenmalige slappe Europese concurrentie op de Goudkust, waardoor de WIC plots de belangrijkste aantrekkingspool voor Afrikaanse handelaars was geworden.

Haring kon deze ‘aanwassende negotie’ alleen maar beamen. Gans het jaar 1715 was de goudhandel op de oostelijke Goudkust namelijk al zeer slecht geweest. Aan commandant J. Risbeek in Cormantin omschreef hij de nieuwe situatie als volgt: ‘En wyl de lorrend(rajers) (= smokkelaars) zyn genomen off verstroyt, alsmede dat de Engelze Comp(agni)e agoniceert, dewyl de enterlopers van die natie haer vaert mede gestremt schynt, soo sal het qualyk anders connen wesen off u Ed(el)e zal merkelyke veranderingen bespeuren’, aldus Haring, alzoo alle negotianten haer heden moeten aen de Comp(agnie) fortressen adresseren[347]. Haring had juist voorspeld en in de laatste maanden kwamen aan Cormantin steeds meer kooplieden over de vloer, volgens Risbeek omdat het aantal schepen in de naburige haven van Annemaboe nog nooit zo gering was geweest[348].

Ook aan Accra nam de goudhandel in het laatste kwartaal een hoge vlucht. Aan de ene kant werden de handelsroutes in Aquamboe heropend, zodat het goud vanuit Akim opnieuw haar weg naar de kust vond, maar aan de andere kant schreef Jacobus d’Outreleau de opmerkelijk betere negotie ook toe aan het ‘verminderen der onvrye scheepen’, waardoor de Deense factorij daar belemmerd werd in zijn slavenhandel en geen courante goederen voor goud kon krijgen, ‘soodat hij jegenwoordig seer wynig nadeel aen dit compt(oir) toebrengt[349]. Ook de Engelsen waren in de schaduw van de WIC getreden, omdat zij daar nauwelijks in hun eigen behoeften konden voorzien, laat staan handel drijven. Alleen fort Leydsaemheyd aan Apam stapte niet mee in het elan van de bloeiende handel. De handel met Akron verliep daar moeilijk, omdat zij weinig goud meebrachten en bovendien veelal goud dat door de WIC maar moeilijk kon worden gezuiverd[350].

Om mijn analyse van de goudhandel op de oostelijke Goudkust te vervolledigen, wil ik tot slot ook nog blijven stilstaan bij een sluimerend conflict tussen de WIC en Fanti in 1715, en in het bijzonder met de caboceer Quansang. Dit conflict is namelijk alweer een goed voorbeeld van de problemen waarmee de generale boekhouding in Elmina soms had af te rekenen. In principe was het de bedoeling dat elke buitenfactorij op de Goudkust haar maandpapieren of rekeningen en daarbij ook haar maandelijkse verhandeling in goud (goudextract) tegen de 15de van elke maand naar Elmina zond, zodat de generale boekhouder daar de beursjes goud in de schatkist kon bewaren en de rekeningen in zijn Grootboek kon optekenen. Normaal gezien gebeurden dergelijke zendingen per kano door Afrikaanse roeiers of ‘rimadoors’, die voor hun diensten aan de WIC werden betaald. Dit verliep echter niet altijd even vlekkeloos.

In juni 1715 schortte Haring deze maatregel voor de oostelijke forten aan Apam en Bercoe tijdelijk op, omdat volgens hem ‘de Fantynze heden niet te vertrouwen zyn en voornamentlyk Quansan[g], die veele onvreelykheden (…) pleegt’ en hij het té onverantwoordelijk achtte om het goud van de Compagnie aan de hebzucht van deze rovers bloot te stellen[351]. Daarom beval Haring dat deze forten hun goud niet langer naar Elmina mochten zenden, maar wel naar het naburige Accra, waar de Fanti niet operatief waren en waar oppercommies Jacobus d’Outreleau de verzegelde beursjes goud tot nader order diende te bewaren. Uiteindelijk werd dat goud in augustus 1715 door de fiscaal en commissarissen afgehaald, die toen bezig waren met de inspectie van de factorijen op de Benedenkust[352].

Deze tijdelijke regeling vroeg echter om een definitieve oplossing, omdat ook in de maanden daarna caboceer Quansang een stoorzender bleef in het goudtransport van de WIC langs de oostelijke factorijen. Dit bleek onder meer in oktober 1715, toen een dienaar van Bercoe met de rekeningen van dat fort per kano op weg was naar Elmina en zich door het barslechte weer genoodzaakt zag om in het dorpje Laetjo, een half uur van het dorp van Quansang, te schuilen. Wanneer hij op 25 oktober zijn tocht per kano wilde verderzetten, werd hij door een 15-tal kano’s van Quansang aangevallen, waarop het dorpje Laetjo hem bescherming verleende. Overtuigd dat de dienaar van Bercoe zeker goud bij zich had, drong Quansang bij Laetjo op zijn uitlevering aan. Dit bleef echter zonder gevolg, omdat Laetjo de Nederlanders niet tot vijand wilde maken. De WIC zou hen daarvoor trouwens ‘rijkelijk’ belonen met brandewijn en slaaplakens, ter waarde van één ons of 40 gulden.

Over het waarom van de roverspraktijken van Quansang is niet veel geweten. Hij behoorde dan wel tot de vijandige Fanti, die berucht stonden om hun razzia’s, maar waarschijnlijk ging het om een persoonlijke kwestie. Zo zou volgens de dienaar van Bercoe directeur-generaal Haring hebben geweigerd om een dorpeling van Quansang, ‘die met een enterlooper genomen was’, te bevrijden en wilde Quansang zich daarvoor wreken. Gelukkig voor de WIC was de dienaar van Bercoe dankzij de bescherming van Laetjo aan de klauwen van Quansang ontsnapt, maar commies G. Hendrickx aan Apam was ervan overtuigd dat hij vroeg of laat hoe dan ook zijn slag zou thuishalen, ‘sullen de boods, coopmansz(aken), gout en al wat maer krygen konden panjaren, al zouden ook twintig van zyn volk den hals by inschieten[353].

Quansang vormde inderdaad een doorn in het oog van de Compagnie. Door zijn raids langs de factorijen aan Cormantin, Apam en Bercoe liep de WIC niet alleen het risico om haar goud te worden gestolen, maar liep ook de generale boekhouding veel vertraging op. Volgens commies Johannes van Alzem stal Quansang alles wat hij maar kon verkrijgen, ‘wakende met al zyn magt zelvs heel diep in zee, dag & nagt, soodat niemand passeeren kan’. De WIC had nog meer geluk toen de dienaars van Accra, Cormantin en Apam er wel in slaagden om onopgemerkt langs de linies van Quansang te passeren en veilig met hun goud aan Elmina te komen. De aandacht van de caboceer was namelijk zodanig naar het voorval in Laetjo uitgegaan, dat hij op andere plaatsen langs de kust niet oplettend genoeg was, ‘hadden anders seekerlyk de jongen & het gout (…) in de klem gekregen’, aldus Van Alzem[354].

Na dit voorval, dat gelukkig voor de WIC zonder gevolgen bleef, besliste Haring dat de factorijen aan Apam en Bercoe voortaan hun goud, ivoor en slaven alleen nog naar Accra mochten zenden. De goudextracten van december werden daar eind 1715 of begin 1716 afgehaald, waaronder ook 32 mark goud of 10.325 gulden van Bercoe, die commies Johannes van Alzem naar daar had gezonden (cf. tabel 11.4.). Omdat de factorij aan Bercoe als enige sinds juni 1715 geen enkel goudextract nog naar Elmina had gezonden, valt het te verwachten dat een groot deel van die 32 mark goud al in het derde kwartaal werd verworven in tegenstelling tot wat tabel 11.4. misschien doet vermoeden. Verdere gegevens daarover ontbreken ons echter.

In tegenstelling tot de goudextracten dienden de maandpapieren van de factorijen aan de oostelijke Goudkust natuurlijk wel op tijd en stond in Elmina te geraken, omdat de generale boekhouder hen in het jaarlijkse Grootboek diende in te tekenen. Ook hier nam Haring zijn voorzorgen. Zo dienden de ‘cassarekeningen’ meegegeven te worden aan roeiers die ongehinderd en onopvallend konden passeren, zonder daarbij nog een dienaar van de WIC te voegen, ‘wyl daerdoor de besendinge te bedekter sal konnen geschieden[355]. Al bij al slaagde de WIC er in 1715 in om de struikroverij van Fanti en de caboceer Quansang te omzeilen, maar daar de Fanti op de oostelijke Goudkust het machtigste volk waren, die ook controle hadden op zee, valt het te verwachten dat ze ook in de jaren daarna nog voor problemen zullen hebben gezorgd.

 

11.b.1.3. De kusthandel.

Naast de handel op de Goudkust haalde de WIC ook haar goud via de kusthandel. Het belangrijkste gebied daarbij was de Ivoorkust. Ook in Benin werd, weliswaar in mindere mate, goud gehaald. De Greinkust daarentegen was alleen belangrijk voor de peper en lijkt nooit enige rol van betekenis in de goudhandel te hebben gespeeld. Van de 6 kustschepen die in 1715 vanuit Elmina op handelsmissie vertrokken, kreeg alleen het scheepje Chama uitdrukkelijk het bevel om op de Ivoorkust goud in te handelen. De goudhandel van het scheepje kende echter geen succes. Op acht maanden tijd wist de Chama in totaal slechts 3,5 mark goud in te handelen, een magere winst. Oorzaken daarvoor moeten alweer worden gezocht in de binnenlandse politiek. Net als op de westelijke Goudkust hadden de Ashanti in de loop van 1715 alle staten op de Ivoorkust in oproer gebracht en een klimaat van politieke onrust en instabiliteit geschapen, zelfs tot aan Kaap Palmas, het uiteinde van de Ivoorkust. Daarbij hadden ze het land van Druwien zelfs volledig geruïneerd[356]. Van een succesvolle goudhandel kwam er dan ook niet veel terecht, aldus Butler, ‘geconsiedereert de naturellen daer in vollen oorlog zyn en wanneer het goud gemeenlyk schaars is[357].

 

11.b.1.4. Braziliaans goud.

In algemene overzichten van de goudexport uit West-Afrika mogen we er niet van uitgaan dat al het goud uit de mijnen van Afrika afkomstig was. Een groot deel kwam ook uit Brazilië, vooral vanaf het begin van de 18de eeuw en werd door de Portugezen aangevoerd. Tot op de dag van vandaag is er echter weinig geweten over het precieze aandeel van dit Braziliaanse goud in de export van de WIC. In deze paragraaf hoop ik deze lacune enigszins te kunnen wegwerken.

Normaal gesproken werden de Portugezen met de vrede van 1669 definitief uit West-Afrika verbannen en hadden ze daar geen toegang meer tot de handel in goud en slaven. Toen het mensenreservoir in Angola door de waterpokkenepidemie van het jaar 1687 begon te slinken, zagen ze zich echter steeds meer genoodzaakt hun slaven in de Bocht van Guinee te halen, en meer bepaald op de Slavenkust, om hun suikerplantages in Brazilië in stand te houden. De Heren X stonden dit oogluikend toe, op voorwaarde dat ze daarvoor aan Elmina eerst een paspoort kwamen halen door tolgeld te betalen. Dit tolgeld bestond aanvankelijk uit suiker en tabak, maar werd met de ontdekking van de Braziliaanse goudmijnen al snel vervangen door stofgoud. De aanvoer van dit goud zou in de loop van de 18de eeuw steeds meer aan belang winnen.

Eens de Portugese schepen hun handelspas aan Elmina hadden verkregen, zeilden ze richting Slavenkust, waar ze hun slaven aanvankelijk rechtstreeks bij de Afrikaanse handelaars aankochten. Om sneller van een lading slaven te kunnen worden voorzien, concentreerden de Portugezen zich echter al vrij snel op de tussenhandel met de WIC aan Fida. Naast de tolgelden uit de paspoorten leverde dit de WIC ook heel wat goud op aan de Slavenkust. Vanaf 1711 zou directeur-generaal H. Haring bovendien ook een rechtstreekse handel met de Portugezen aan Elmina opstarten. Daarmee werden Fida en Elmina in de 18de eeuw belangrijke toevoerhavens voor Braziliaans goud.

De Portugese goudhandel aan Elmina kan goed worden gereconstrueerd, althans voor zover de dagjournaals en correspondentie van de gouverneur in het archief van de Tweede WIC zijn bewaard. Aanvankelijk kochten de Portugezen in Elmina slechts enkele tientallen slaven per jaar voor slechts enkele marken goud, maar al snel nam deze handel grotere proporties aan. In 1715 ontving de WIC aan Elmina zo een kleine 30 mark goud of 9.310 gulden voor haar handel met drie Portugese schepen. Het ging daarbij achtereenvolgens om het schip Nostra Seniora d’Apresentacao (13 mark goud op 7 augustus), de St. Isabelle (12 mark goud op 25 augustus) en de Nostra Seniora de Rocario (4 mark goud op 17 oktober). Daarmee was de Braziliaanse goudhandel aan Elmina goed voor ongeveer 4% van de totale goudhandel van de WIC in 1715. Dit was slechts een voorbode van wat er nog zou volgen. In 1719 bij voorbeeld kreeg de WIC aan Elmina 213 mark goud voor de levering van slaven, toen al goed voor maar liefst een kwart van de totale Nederlandse goudexport uit West-Afrika[358].

Het aandeel van de Slavenkust was veel belangrijker. Eerder stelde Den Heijer al dat het meeste goud van de WIC in de eerste twee decennia van de 18de eeuw van de Slavenkust kwam. Ook volgens R. Law kreeg het Braziliaanse goud in de eerste jaren van de 18de eeuw de bovenhand in de goudhandel[359]. De Portugese vaart op deze kust was dan ook ongekend groot, waarbij zowel de Nederlanders, Engelsen als Fransen van de aanvoer van Braziliaans goud profiteerden. Het aanbod van Braziliaans goud was zelfs zodanig groot, dat de meeste Europese compagnieën op de Slavenkust een prioriteit maakten van deze aanschaf. Volgens H. Haring brachten de Portugezen goud ‘in courante spetie’ aan en werden de Afrikaanse slaven ‘tegens een goede prys van goud’ betaald, zoals het daar toen kennelijk de gewoonte was[360].

Omdat het overgrote deel van de handelsrekeningen aan de loge in Fida verloren is gegaan, is het voor historici moeilijk om het aandeel van de Slavenkust in Portugees goud in kwantitatieve cijfers weer te geven. Alleen voor de periode 1 augustus 1721 - 1 oktober 1722 zijn twee handelsrekeningen overgeleverd, die laten zien dat toen 154 mark goud werd aangekocht met een verkoopwaarde van 51.470 gulden[361]. Voor 1715 zijn dergelijke facturen niet bewaard. Toch biedt het dagjournaal en de memorie van dat jaar ons voldoende informatie om een benaderend cijfer te kunnen geven. Als we weten dat de WIC in 1715 in totaal 734 mark goud exporteerde, waarvan de Goudkust ongeveer 400 mark leverde, de kusthandel 3,5 mark en de Portugese handel te Elmina 30 mark, kunnen we daaruit ook het besluit nemen dat de Slavenkust in 1715 om en bij de 200 mark Braziliaans goud moet hebben opgeleverd. In totaal liep het aandeel van Braziliaans goud in de Nederlandse goudexport van 1715 dan ook tot op 30%. In het verdere verloop van de 18de eeuw zou dit aandeel waarschijnlijk nog stijgen en was de rechtstreekse handel met de Portugezen ongetwijfeld de snelste weg voor de WIC om aan goud te komen en de dalende goudhandel op de Westafrikaanse kust, en in het bijzonder aan de Goudkust, te compenseren.

 

11.b.1.5. Aard en kwaliteit van het goud.

Het Afrikaanse goud werd gewonnen uit kleine mijnschachten in het binnenland, die voor de Europeanen angstvallig geheim werden gehouden. Zelf heeft de Tweede WIC nooit goudmijnen uitgebaat, hoewel ze daartoe meermaals verwoede pogingen had ondernomen, zoals bij voorbeeld in 1694, toen mijnwerkers nabij Komenda een goudmijn wilden aanleggen maar in opdracht van de caboceer Jan Kabes allemaal op een bloedige wijze werden vermoord[362]. De WIC bleef afhankelijk van het goud dat de Afrikaanse kooplieden vanuit het hinterland aanboden. Het ging daarbij vooral om stofgoud, dat in sterk verdeelde toestand bijna overal in de natuur werd aangetroffen. Dit goud was bijna zo fijn als meel en in Europa ook het meeste waard. Het stofgoud, dat meestal zuiver was van kwaliteit, werd door de Afrikaans handelaars echter ook met minder waardevol edelmetaal verhandeld. Het dagjournaal onderscheidde daarin drie soorten, waaronder berggoud, cakeraas en fetisjgoud.

Berggoud kwam in de handel met de Europeanen weinig voor. In het dagjournaal van 1715 werd daarover althans slechts tweemaal melding gemaakt. Dit goud was niet bestemd om in grote hoeveelheden te worden verhandeld, maar deed eerder dienst als presentje of als schuldaflossing door Afrikaanse vorsten of caboceers. Het bestond uit stukjes van verschillende grootte en was van zeer goede kwaliteit, maar door de vele steentjes die eraan vastzaten, leverde dit bij het smelten een groot verlies op.

Een frequentere soort goud was ‘cakeraas’. Dit waren kleine blokjes goud van geringe waarde, omdat ze waren vermengd met koper of zilver. Meestal ging het om gouden sieraden, die door de Afrikanen in kleine stukjes werden gehakt en aan de Nederlandse factorijen fungeerden als equivalent voor het Europese muntensysteem. Aan het begin van de 18de eeuw schreef W. Bosman dat het als het ware om gemunt geld ging, dat op de ganse kust in gebruik was en waarmee de WIC haar personeel op de factorijen betaalde[363]. In de exportlading van de schepen van de Compagnie had dit cakeraasgoud alvast een zeer groot aandeel.

Fetichen’ waren dan weer kleine gouden sieraden in de vorm van afgodbeeldjes die in het haar, als halssnoer of armband werden gedragen en gelegeerd waren met koper of zilver[364]. Veel van deze fetisjen waren echter nepgoud, omdat ze soms voor de helft uit zwarte aarde bestonden. Ze werden dan ook zoveel mogelijk geweigerd en alleen in uiterste nood aangekocht. Vooral de Ashanti leken in 1715 bedrijvig te zijn geweest in dit bedrog, want in juni 1715 schreef Haring aan de commies van Sekondi dat hij daar beter moest toezien op het goud dat vandaar werd meegebracht, ‘alzo wy by ervarentheyt hebben dat die natie haer als eertyds de Dinkiraze op het maken van valsche fetiches (…) beginnen te stileren[365].

De WIC kon zich echter niet permitteren om veel goud te weigeren. Het waren namelijk de Afrikanen die de goudtrafiek naar de kust controleerden en bepaalden of ze met hun goud al dan niet naar de Nederlandse factorijen trokken. De Afrikaanse handelaars waren ook zeer geslepen en beseften dat dit een middel was dat ze tegen de Europeanen konden uitspelen. Zo dreigden ze er bij de Nederlanders vaak mee om naar de concurrentie te gaan indien men hun (minderwaardig) goud niet in ontvangst wilde nemen! De WIC kon daardoor snel grote verliezen lijden. Beide partijen waren zich daarvan uiteraard bewust. Zo schreef commies J. Risbeek aan Haring in oktober 1715 dat ‘het slimts is dat de negers niet en brengen als caceraas en wynig off geen goed goud’, maar dat hij dat goud niet kon weigeren, omdat zij dan naar de Engelse schepen zouden gaan die nog voor Annemaboe lagen[366]. Veel meer dan zich aan deze nieuwe situatie aan te passen, zat er voor de WIC niet op.

In 1710 gaven de Heren X aan directeur-generaal A. Schoonheyd de volmacht om cakeraas (‘a reasonably good paying proposition’) te aanvaarden bij de verkoop van sterke drank, zoals rum en brandewijn[367]. Ook Haring probeerde in te grijpen in de steeds groter wordende toestroom van slecht goud. Zo schreef hij aan A. Barm van Mouree dat het was toegestaan om cakeraas of fetisjen te ontvangen, op voorwaarde dat dit alleen gebeurde wanneer er géén zuiver goud werd aangebracht en dit alleen voor de minder courante goederen van de Compagnie werd aanvaard[368]. Zo kon de WIC het zich bij voorbeeld permitteren om cakeraas te ontvangen voor tabak, omdat dit uitsluitend door de Portugezen werd aangevoerd en ‘ ’t bederv subject zynde’ best zo snel mogelijk werd verkocht. Voor de meest gegeerde koopwaar, zoals buskruit, was het echter ten strengste verboden om minderwaardig goud te ontvangen.

Deze regel werd niet altijd nageleefd. De goudhandel aan sommige factorijen was in 1715 al zodanig slecht, dat de commiezen daar eender welk goud aanvaardden om de gouverneur tevreden te stellen. Niet zelden was het goud op de Goudkust echter van zodanig slechte kwaliteit, dat Haring het niet gepast vond om dergelijk goud in naam van de Heren X te aanvaarden en het goudextract naar de betreffende koopman terug zond, waarvoor deze dan maar persoonlijk moest opdraaien. Goud dat wel acceptabel was, werd eerst op zijn zuiverheid gecontroleerd. Dit was de omvangrijke taak van de compagnieslaven en gebeurde in de Benya-rivier aan Elmina door de techniek van het goudwassen, dit is het spoelen van de goudkorreltjes uit het geklopte gouderts of uit het goudhoudende zand. Pas nadien verdween het (verzegelde) goud in de schatkist om in afwachting van zijn retour aan Elmina te worden bewaard.

 

11.b.1.6. Eindbalans.

Zoals we al hebben gezien, bracht de WIC in 1715 in de Bocht van Guinee 734 mark goud op (cf. tabel 11.3.). De Nederlandse handelsposten op de Goudkust hadden daarin een aandeel van ongeveer 65%. Daarmee bleef de Goudkust in 1715 nog steeds de belangrijkste leverancier van goud. Desondanks was de goudhandel er van een zeer bedroevend niveau. De desastreuze oorlog van Ashanti en de latende dreiging van de staat Akim op de oostelijke kustvolkerren, maakten dat de meeste handelsroutes van en naar de kust gesloten bleven. Pas op het einde van 1715 had de goudhandel opnieuw haar niveau bereikt, waarop de directeur-generaal steeds had verhoopt.

De kusthandel bracht voor de WIC geen soelaas. De handelsreis van de Chama was slechts goed voor 5% van de totale goudhandel. Wél had de Compagnie geluk met de grote afzetmarkt van Braziliaans goud op de Slavenkust en aan Elmina, dat in 1715 al goed was voor 30% van de totale goudexport. Bovendien was de werkelijke goudopbrengst in 1715 véél groter dan de memorie doet vermoeden. De strijd tegen de smokkelhandel leverde de WIC toen namelijk 232 mark goud extra op. Dit komt echter nog uitgebreid aan bod in Deel V.

Van al het goud dat in West-Afrika werd opgebracht, kon de WIC natuurlijk niet optimaal profiteren, omdat haar handelsnetwerk van factorijen ook onkosten met zich meebracht. Een belangrijke uitgavenpost waren onder meer de kanolonen die Elmina betaalde aan Afrikaanse roeiers of ‘rimadoors’, die in opdracht van de verschillende factorijen op de Goudkust koopwaar transporteerden. Zo berekende boekhouder Aris Snoek eind 1715 voor hen een onkostennota van circa 25 mark goud of 8.000 gulden, goed voor 5% van de hoeveelheid goud, die toen op de Goudkust werd verworven[369]. De kosten voor victualiën en gages van matrozen en officieren, alsook het uitreden van kust- en retourschepen liepen daarbij nog veel hoger op. Zo zal de goudopbrengst van het scheepje Chama in werkelijkheid ongetwijfeld op een deficit zijn uitgedraaid. Hoeveel winst de goudhandel feitelijk opleverde, is echter zeer moeilijk te bepalen.

Uiteindelijk werd de goudkist van Elmina in 1715 slechts tweemaal verzegeld en met een retourschip naar de Republiek gezonden. Het ging daarbij om de Jacoba Galei en Geertruyd Galei, die achtereenvolgens 400 en 150 mark verscheepten, samen goed voor 550 mark goud of een geschatte waarde van 176.000 gulden. Het overige goud werd door de directeur-generaal in afwachting van een ander retourschip bewaard.

 

Tabel 11.5. Goudlading retourschepen in 1715.

 

 Jacoba Galei

 

 Geertruyd Galei

Kamer

Mark

Gulden

 

Mark

Gulden

Amsterdam

132

42.240

 

46

14.720

Zeeland

66

21.120

 

23

7.360

Maze

-

-

 

-

-

Hoorn*

16,5

5.280

 

6

1.920

Enkhuizen*

-

-

 

-

-

Groningen°

5

1.600

 

-

-

Heren X

180

57.600

 

75

24.000

Totaal

400

128.000

 

150

48.000

* Kamer Noorderkwartier / ° Kamer Stad en Lande.

 

Uit bovenstaande tabel leiden we af dat het goud niet onverdeeld naar de Heren X werd gezonden. Volgens hiërarchisch belang maakte de gouverneur een rekening op van het goud dat aan elke Kamer afzonderlijk toebehoorde[370]. Zo kregen de Heren X met 255 mark bijna de helft van de hoeveelheid goud die in 1715 werd verscheept, terwijl de Kamer Amsterdam 32% en de Kamer Zeeland 16% naar zich toetrokken, geheel volgens het gewicht van deze Kamers in de scheepvaart op West-Afrika. Dit goud kon dan vervolgens door elke Kamer afzonderlijk op de Nederlandse markt bij opbod of aan de VOC tegen een vaste prijs worden verkocht.

 

11.b.2. Ivoor.

 

11.b.2.1. Een kwantitatief overzicht.

Na goud was ivoor het belangrijkste product dat in West-Afrika werd gekocht en naar de Republiek geëxporteerd. Voor de periode 1676-1731 berekende Postma al op basis van de memorie dat de Tweede WIC jaarlijks gemiddeld 51.807 pond ivoor in West-Afrika aankocht[371]. Net als de goudhandel kende de handel in ivoor een grillig verloop. Terwijl in het laatste kwart van de 17de eeuw de ivoorhandel daalde naar een gemiddelde van 43.400 pond, had zich vanaf de eeuwwisseling een omgekeerde trend voorgedaan. In de periode 1700-1731 bedroeg de gemiddelde jaarlijkse ivoorexport namelijk 59.806 pond ter waarde van 44.853 gulden (cf. tabel 11.6.). Dit is opmerkelijk te noemen, want althans wat betreft de Goudkust was dit een omgekeerde evolutie van de goudhandel. Zoals we al hebben gezien, was met de komst van Ashanti in 1701 de goudexport sterk gedaald ten gevolge van de expansieve oorlogsvoeringen, waardoor de aanvoer van goud naar de kust stilviel. Dat de handel in ivoor ná 1700 gemiddeld genomen steeg, wil echter nog niet zeggen dat Afrikaanse oorlogen geen invloed hebben gehad op de aanvoer van ivoor naar de kust (cf. infra).

 

Tabel 11.6. Export ivoor uit de Bocht van Guinee (1700-1731).

Jaar

Pond (gewicht)

Gulden (waarde)

 

Jaar

Pond (gewicht)

Gulden (waarde)

1700

18.377 ½

13.783

 

1716

56.469

42.337

1701

15.055

11.291

 

1717

27.526 ½

20.644

1702

29.525

22.143

 

1718

31.187

23.390

1703

19.072 ½

14.304

 

1719

142.320

106.740

1704

44.504

33.378

 

1720

43.404 ½

32.553

1705

57.373 ½

43.030

 

1721

49.926

37.444

1706

52.535 ½

39.401

 

1722

101.715 ½

76.286

1707

24.288 ½

18.216

 

1723

118.752 ½

89.064

1708

78.635 ½

58.976

 

1724

79.788

59.814

1709

42.071 ½

31.553

 

1725

75.784

56.837

1710

48.127

36.095

 

1726

81.277

60.957

1711

77.378

58.033

 

1727

87.568 ½

65.676

1712

47.231

35.423

 

1728

92.432

69.324

1713

53.584

40.188

 

1729

65.078

48.808

1714

50.185

37.638

 

1730

54.715 ½

41.037

1715

69.858

52.393

 

1731

78.034 ½

58.526

 

 

 

 

Totaal

1.913.780

1.435.282

 

 

 

 

Gemiddelde

59.806

44.853

Bron: ARA, VWIS 928.

 

De stijging van de ivoorhandel gebeurde niet in één vloeiende lijn, maar was aan sterke schommelingen onderhevig. Hoogtes en laagtes wisselden elkaar af, zoals bij voorbeeld over de jaren 1706-1709 (cf. tabel 11.6.). Op enkele uitzonderlijke pieken na in de jaren 1708 (78.635 pond) en 1711 (77.378 pond), leverde de ivoorhandel in 1715 sinds lang geruststellende resultaten op. Met de aanvoer van 69.858 pond oversteeg de handel toen ruimschoots het gemiddelde van 59.806 pond over de periode 1700-1731. Dit was ook voor het eerst sinds H. Haring de leiding aan Elmina in de loop van 1711 had overgenomen. De vreugde was echter van korte duur, want in 1716 daalde de export van ivoor opnieuw naar 56.469 pond om in de twee daaropvolgende jaren zelfs voor meer dan de helft terug te vallen. Mede daardoor mogen we 1715 als een goed jaar beschouwen voor de ivoorhandel in West-Afrika. Pas vanaf de jaren ’20 in de 18de eeuw zou de stijging van deze handel zich gestadig doorzetten.

Vanuit West-Afrika werden 2 soorten ivoor aangevoerd, enerzijds ‘tanden’ van volwassen olifanten en anderzijds ‘crevellen’, slagtanden van jonge olifanten. Grote slagtanden hadden een grote hardheid en een lichtere kleur en genoten de voorkeur in Europa, waar ze als versiering werden gebruikt in meubels of voor de vervaardiging van snuifdozen, bestek en medaillonportretten[372]. H. Haring stond er ook steeds op dat dit ivoor ‘wit en suyver’ van kwaliteit was[373]. De prijs voor één pond tand bedroeg 4 stuivers, terwijl men voor één pond crevel 2 stuivers betaalde. Bij de verkoop ervan in de Republiek hanteerde de WIC een standaardprijs van 1 gulden voor één pond tand en 10 stuivers of 0,5 gulden voor één pond crevel; een winstmarge van 500% dus. In de memorie is echter uitgegaan van een gemiddelde waarde van 15 stuivers of 0,75 gulden (cf. tabel 11.2.). Daarbij veronderstelde de auteur verkeerdelijk dat de aanvoer van tand en crevel in gewicht evenredig was. Op basis van enkele cognossementen van retourschepen tussen 1699 en 1730 berekende Den Heijer dat ongeveer driekwart van de verscheepte lading ivoor uit tanden bestond en één kwart uit crevellen[374]. Het ivoor zal op de Nederlandse markt in werkelijkheid dan ook meer hebben opgeleverd dan de memorie aanduidt.

In 1715 verscheepten de Jacoba Galei en Geertruyd Galei in totaal 80.053 pond ivoor ter waarde van 60.040 gulden, goed voor bijna 18% van de totale export in dat jaar (cf. tabel 11.1.). Daarmee kwam ivoor op de tweede plaats. In de memorie van datzelfde jaar maakte de ivoorhandel van de WIC echter slechts 13,5% van de totale handel uit (cf. tabel 11.2.). Dit nuanceverschil is niet onbelangrijk, want in de memorie kwam ivoor daarmee pas op de derde plaats, ná goud en slaven. Desondanks leverde de ivoorhandel in 1715 voor de WIC grote winsten op.

 

11.b.2.2. De Goudkust.

Opnieuw was de Goudkust de grootste leverancier van ivoor in West-Afrika. Op basis van de geannoteerde extracten in het dagjournaal was de Goudkust in 1715 goed voor 29.625 pond ivoor ter waarde van 22.222 gulden (cf. tabel 11.7.) of 42,4% van de ganse aanvoer in de Bocht van Guinee. Daarbij lijken de factorijen aan Sekondi en Axim het meeste ivoor te hebben opgeleverd. Niettemin leverde de ivoorhandel aan de fortfactorij van Elmina waarschijnlijk grotere winsten op. Exacte cijfers daarover hebben we echter niet.

 

Tabel 11.7. Export ivoor op de Goudkust in 1715.

 

Eerste kwartaal

Tweede kwartaal

Derde kwartaal

Vierde kwartaal

Totaal

 

Pond

Gulden

Pond

Gulden

Pond

Gulden

Pond

Gulden

Pond

Gulden

Axim

3.013

2.260

2.764

2.073

-

-

360

270

6.137

4.603

Boutri

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

Sekondi

2.940

2.205

3.210

2.408

681

511

429

322

7.260

5.446

Chama

2.054

1.541

2.186

1.640

288

216

932

699

5.460

4.096

Komenda

681

511

974

731

1.123

842

1.465

1.099

4.243

3.183

Elmina*

1.500

1.125

-

-

-

-

-

-

1.500

1.125

Mouree

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

Cormantin

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

Apam

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

Bercoe

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

Accra

521

391

964

723

1.259

944

2.281

1.711

5.025

3.769

Totaal

10.709

8.033

10.098

7.575

3.351

2.513

5.467

4.101

29.625

22.222

Bron: ARA, NBKG 82, Maandpapieren en ivoorextracten.

* Ivoorextracten (grotendeels) niet bekend.

 

Net als de goudextracten zijn de handelsrekeningen van ivoor voor de fortfactorij van Elmina verloren gegaan. Desondanks biedt het dagjournaal ons tussen de regels voldoende informatie om de ivoorhandel aan Elmina kwalitatief te kunnen beoordelen. In paragraaf 11.b.1.2 hebben we al gezien dat de handelaars uit Ashanti de belangrijkste handelspartners voor Elmina waren en daar wekelijks met honderden tegelijk kwamen om hun slaven aan te bieden. Terwijl ze slechts weinig goud aanvoerden, was er wel een grote toevoer van ivoor. Op 13 januari 1715 bij voorbeeld maakte H. Haring voor het eerst melding van de komst van een grote groep kooplieden uit Ashanti, die daar in totaal 1.500 pond ivoor hebben besteed[375]. Ook op andere dagen maakte H. Haring gewag van grote groepen asantehene, die hun ivoor aan Elmina wilden verkopen[376]. In tegenstelling tot de westelijke Goudkust, had Elmina niet te lijden onder de oorlog met Aowin en bleef de ivoorhandel daar het ganse jaar door redelijk stabiel. Daarom valt het te verwachten dat in 1715 aan Elmina om en bij de 10.000 pond ivoor werd aangevoerd, ter waarde van 7 à 8.000 gulden. Dit zou het aandeel van de Goudkust in de ivoorhandel hebben verhoogd tot 54,2%. De ivoorhandel aan Elmina was daarmee waarschijnlijk de belangrijkste langs de kust.

De ivoorhandel concentreerde zich voornamelijk aan de factorijen op de westelijke Goudkust. Zij waren in 1715 goed voor 23.100 pond, terwijl op de oostelijke Goudkust alleen de factorij aan Accra 5.025 pond opleverde (cf. tabel 11.7.). Daarmee waren de factorijen op de oostelijke Goudkust slechts goed voor 17% van de totale ivoorhandel langs de Goudkust. Dit kwam vooral door de Ashanti, die zeer bedrijvig waren in het verhandelen van ivoor en deze handel als het ware ‘monopoliseerden’. Zij kwamen echter niet verder dan Elmina handel drijven. Eén uitzondering daarop vormde Boutri, waar geen ivoor binnnen kwam. Deze fortfactorij lag gekneld tussen de belangrijkste handelsroutes naar Axim en Sekondi en werd door de meeste handelaars dan ook niet aangedaan. Op de oostelijke Goudkust had alleen de binnenlandse staat Akim ook een grote voorraad aan ivoor, die zij in Accra verkocht. De Fanti, die bijna de volledige oostelijke Goudkust bezetten, participeerden niet in deze handel, waardoor plaatsen zoals Mouree, Cormantin, Apam en Bercoe daarvan verstoken bleven.

Net als de goudhandel, kende de ivoorhandel een grillig verloop. In tegenstelling tot wat Den Heijer beweerde, hadden binnenlandse oorlogen namelijk wel degelijk invloed op de aanvoer van ivoor naar de kust[377]. Tabel 11.7. toont een gelijkaardig patroon als bij de goudhandel. Op de westelijke Goudkust verliep de ivoorhandel in dalende lijn door de oorlog van Ashanti met Aowin. Vooral in de tweede helft van het jaar ondervonden de westelijke factorijen daarvan veel hinder. De factorij in Komenda vormde daarop een uitzondering. Deze factorij viel namelijk buiten de oorlogsdreiging van de Ashanti en werd een belangrijke aantrekkingspool voor handelaars die, ondanks de oorlog, toch hun ivoor wilden verhandelen. De ivoorhandel aan Accra kwam dan weer pas goed van de grond eens het staatje Aquamboe haar handelsroutes voor Akim in het laatste kwartaal van 1715 opnieuw had opengesteld (cf. tabel 11.7.).

Onderstaande tabel toont aan dat er op de Goudkust opmerkelijk meer tanden dan crevellen werden aangekocht. De gangbare verhouding van driekwart tanden tegenover één kwart crevellen werd alleen aan de factorijen van Chama en Komenda benaderd. Aan Axim, één van de belangrijkste factorijen in de ivoorhandel, was het aandeel van crevellen zelfs verwaarloosbaar. Hetzelfde constateren we bij de retourcargo’s van de Jacoba Galei en Geertruyd Galei. Toen de Jacoba Galei eind april 1715 vertrok, had het met 78% tanden en 22% crevellen nog een evenwichtige lading aan boord, maar met de Geertruyd Galei een maand later was het aandeel van tanden al opgelopen tot 90%. De verhoudingen die Den Heijer berekende, gaan voor het jaar 1715 dan ook niet op. In de kusthandel weerspiegelde zich trouwens een gelijkaardige tendens.

 

Tabel 11.8. Tanden en crevellen op de Goudkust in 1715.

 

 Tanden

 

 Crevellen

Factorij

Pond

Percent

 

Pond

Percent

Axim

6.109

99,5

 

28

0,5

Sekondi

6.181

86,4

 

970

13,6

Chama

4.278

78,3

 

1.182

21,7

Komenda

3.304

77,9

 

939

22,1

Elmina

1.500

100

 

-

-

Accra

4.623

91,6

 

426

8,4

Totaal

25.995

89

 

3.545

11

Bron: ARA, NBKG 82.

 

11.b.2.3. De kusthandel.

De Goudkust was uiteraard niet de enige leverancier van ivoor. De handel met de Ivoorkust en Benin leverde in 1715 ook 32.043 pond ivoor of 24.032 gulden op. Daarmee was de kusthandel goed voor 45,8% of bijna de helft van de ivoorhandel in gans West-Afrika. De kust van Angola is hierbij niet meegerekend. Deze kust was de meest zuidelijke streek waar de WIC handel dreef en tevens een grote leverancier van ivoor, dat voornamelijk door Nederlandse slavenschepen werd aangevoerd. Cijfers over deze handel zijn echter niet in de memorie opgenomen. Deze bron weerspiegelt dan ook mogelijk slechts de helft van de totale ivoorexport uit Afrika.

Een eerste gebied waar ivoor werd gehaald, was uiteraard de Ivoorkust. In 1715 handelde het scheepje Chama daar op acht maanden tijd 6.743 pond ivoor in met een marktwaarde van ongeveer 5.000 gulden. Daarmee leverde de Ivoorkust feitelijk een zeer beperkte bijdrage tot de ivoorhandel in West-Afrika. Hoewel haar naam anders doet vermoeden, was de Ivoorkust in 1715 pas het derde belangrijkste gebied waar de WIC haar ivoor haalde. In het begin van de jaren ’20 zou haar aandeel in deze handel zelfs nog verder teruglopen. Dat de ivoorhandel langs de Ivoorkust weinig opbracht, was onder meer te wijten aan het feit dat H. Haring in 1715 slechts één kustschip naar daar had uitgezonden. Belangrijker was echter de rol van de Ashanti, die de staten op de Bovenkust in staat van oorlog hadden gebracht en waardoor er een daling optrad in de ivoorhandel. Bovendien was het voor de WIC daar al veel moeilijker handelen, omdat ze er geen handelsposten bezat en daar afhankelijk was van de Afrikanen, die met hun ivoor aan boord van de Nederlandse schepen kwamen.

Het rijkste gebied aan ivoor in de Bocht van Guinee was Benin. Sinds het begin van de 18de eeuw onderhield de WIC al een uitgebreide ivoorhandel met deze streek. In 1705 werd daarvoor zelfs een factorij opgericht aan Agathon. Lang bloeide deze handel echter niet, want in 1715 schreef Haring dat Benin ‘niet anders heeft dan een weynig o(liphants)tand’, waardoor de schepen van de WIC daar vier tot vijf maanden moesten blijven liggen vooraleer met een lading naar Elmina te kunnen terugkeren, waardoor ook de onkosten voor het personeel op de factorij aan Agathon veel hoger opliepen dan de werkelijke opbrengst[378]. Deze factorij werd vroegtijdig opgegeven. In 1715 besloot Haring de handel met Benin echter nieuw leven in te blazen. Het kwam daarbij tot een akkoord met de vorst die twee factorijen voor de WIC liet bouwen.

De eerste reis van de Commany werd een succes. Op 26 december 1715 keerde koopman Revixit van Naarsen met het scheepje aan Elmina terug met 16.800 pond ivoor ter waarde van 12.600 gulden. Enkele dagen daarvoor was ook het scheepje Mouree al vanuit Calabar teruggekeerd met 8.500 pond, althans volgens de rekening van P. Leezer[379]. In 1715 was de Bocht van Benin daarmee goed voor ongeveer 36% van de totale ivoorhandel in West-Afrika! Ook in de jaren daarna Bracht Benin heel wat ivoor op. Zo bracht alweer de Commany eind 1716 na een tocht van 9 maanden 11.176 pond ivoor mee vanuit Agathon, terwijl de ivoorhandel aan deze factorij er in de jaren 1718-19 zelfs steeg tot 31.092 pond[380]. Daarmee had de ivoorhandel in Benin haar hoogtepunt bereikt.

Net als op de Goudkust werden in Benin en op de Ivoorkust overwegend tanden geëxporteerd. Met de Chama werd bij voorbeeld slechts 3 pond crevellen aangevoerd of 0,1% van de lading ivoor. In Calabar en Benin lagen de verhoudingen dichter bij elkaar. Terwijl het scheepje Mouree slechts 6% crevellen aanvoerde, was het aandeel van deze kleine slagtanden met de Commany namelijk gestegen naar 31%. Dit belet ons echter niet om te besluiten dat de verhouding van driekwart tanden tegenover een kwart crevellen, zoals Den Heijer op basis van enkele cognossementen over de jaren 1699-1731 berekende, voor 1715 bijlange niet werd gehaald.

 

11.b.3. Peper.

In paragraaf 11.a. hebben we reeds gezien dat de peperhandel in West-Afrika in 1715 met 253.716 pond een ongekend grote hoeveelheid opleverde. Daarmee was het jaar 1715 een uitzonderlijk succesvol jaar voor de handel in peper. In de periode 1676-1731 bedroeg het jaarlijkse gemiddelde namelijk slechts 49.020 pond[381]. Het succes was zonder twijfel toe te schrijven aan het belang van de Greinkust, waar in de loop van 1715 maar liefst zeven kustschepen in handel lagen.

Eind 1714 al stuurde H. Haring de kustscheepjes Accra, Guinese Gebroeders en Engelenburgh naar de Greinkust om er peper in te handelen. Over deze kusthandel is jammer genoeg weinig of niets geweten, omdat de financiële administratie daarvan is verloren gegaan. Alleen enkele brieven van de onderboekhouder Joan Philip Eytzen, die in het dagjournaal zijn bewaard, geven ons summiere informatie. De organisatie van de peperhandel op de Greinkust lag enerzijds in handen van de onderboekhouder, die de handel op het scheepje Accra waarnam, en anderzijds bij assistent Ambrosius Prouwels, die de handel op de Guinese Gebroeders waarnam. Zij konden misschien ook gebruik maken van enkele compagnieslaven. In november 1714 schreef Eytzen dat hij na 12 dagen eindelijk Kaap Palmas had gerond en op de Greinkust al 40.000 pond peper had ingekocht, terwijl assistent Prouwels ‘gefrustreert was van te connen negotieeren (hebbende doentertyd nog geen één pond greyn te scheep)’, omdat de schipper van de Guinese Gebroeders liever jacht maakte op smokkelaars[382].

Toen ook de hoeker Eendragt zich na een ongunstige reis van meer dan 6 weken bij de Accra kwam voegen, voeren de drie schepen gezamenlijk naar de plaats Sester Crou, waar tevens het schip Engelenburgh op 5 december aanmeerde. Deze plaats is in historische atlassen niet terug te vinden. Volgens bericht van de onderboekhouder verliep de peperhandel er in de eerste weken niet vlot. Zo had de hoeker Accra op 16 december 1714 slechts 15 à 16 last peper en de Guinese Gebroeders ongeveer 12 last peper aan boord. Algemeen wordt in de maritieme historiografie aangenomen dat één last gelijk was aan twee ton, hoewel er variaties mogelijk waren[383]. In Amsterdamse ponden uitgedrukt, wil dit zeggen dat beide scheepjes toen respectievelijk 32.000 en 24.000 pond peper aan boord moeten hebben gehad.

Gelukkig voor de WIC kreeg de peperhandel in de laatste twee weken van 1714 een sterke impuls. Zo schreef onderboekhouder Eytzen op 21 december: ‘Den handel gaet in dit getyden des jaers nogal redelyk, dog verhopen binnen een groote maent een beter saysoen[384]. De resultaten lieten niet op zich wachten. In ongeveer drie tot vier maanden tijd wisten de vier ‘greynhaelders’ hun lading peper in te kopen. Op 9 januari 1715 uiteindelijk vertrok het scheepje Accra als eerste naar de Republiek met 153.000 pond grein aan boord, gevolgd door de Guinese Gebroeders op 15 februari met 73.273 pond en de Eendragt op 8 maart met 94.337 pond[385]. Tot slot keerde ook de onderboekhouder op de Engelenburgh terug naar de Goudkust, waar het schip op 2 april door W. Butler aan Axim werd gesignaleerd. De lading peper van dit schip is niet bekend, maar werd waarschijnlijk integraal op het scheepje Bercoe overgeladen, dat op 31 mei 1715 met 28.336 pond peper naar de Republiek vertrok.

Omdat de peperhandel aan de Greinkust in de eerste maanden van 1715 veel had opgebracht, besloot Haring in november van datzelfde jaar nog eens drie kustschepen naar daar uit te reden. Het betrof toen de Zacconde, Cormantin en Benin (cf. 9.c.). Alweer had assistent A. Prouwels het toezicht op deze handel. Correspondentie over deze handel is in het dagjournaal niet bewaard. Over het verloop ervan tasten we dan ook in het duister. Wel weten we dat de Zacconde op 23 december 1715 met 94.591 pond en de Cormantin op 15 januari 1716 met 128.880 pond peper naar de Republiek zijn vertrokken[386]. Hoewel een groot deel van de lading van deze laatste ongetwijfeld al in de laatste dagen of weken van 1715 werd ingekocht, is dit schip niet opgenomen in de tabel van retourschepen (cf. tabel 9.1.).

Een verklaring voor de succesvolle commercie op de Greinkust in 1715 moeten we niet ver zoeken. Zoals eerder al vermeld, had de WIC toen het geluk om heel wat smokkelaars in West-Afrika te veroveren, die na de confiscatie van hun goederen in dienst van de Compagnie werden ingeschakeld. In de peperhandel was hun aandeel opvallend groot. Van de zeven kustschepen hierboven vermeld, die in 1715 langs de Greinkust handel dreven, waren maar liefst 6 voormalige smokkelaars (cf. Deel V). Alleen de hoeker Eendragt werd door de WIC in 1714 vanuit Holland uitgereed. Het succes van de peperhandel was in 1715 dan ook onlosmakelijk verbonden met het grote aantal smokkelschepen dat toen werd veroverd. Zonder deze meevaller zou H. Haring er nooit toe hebben kunnen besluiten om zoveel kustschepen naar de Greinkust uit te zenden. Daarvoor had de Compagnie zelf namelijk veel te weinig schepen.

Op de factorijen aan de Goudkust werd in 1715 niet in peper gehandeld, hoewel H. Haring daartoe wel degelijk pogingen heeft ondernomen. Zo gaf hij op 6 december 1715 aan waarnemend commies Johannes van Alzem in Bercoe de instructie om zich te informeren over de peper, die volgens geruchten in het land van Agona aanwezig was[387]. Dit bevel was overigens niet nieuw, maar al die tijd door de commies Josua Boerhaven genegeerd, aldus Haring. Meteen zond J. van Alzem de caboceer Quouw Apreba op pad om twee à drie kisten peper te halen bij de handelaars van Agona, dat hij gemakkelijk en in grote hoeveelheden zou kunnen verkrijgen[388]. Over de soort en kwaliteit van deze peper was blijkbaar niet zo veel geweten, want verder gaf Haring ook nog de instructie om na te gaan aan welke prijs deze peper te bekomen was, ‘op wat voor ’t zoort van bomen dezelve wassen, ‘tzy hoog off laag, en hoelang die wel moeten groejen, in wat saisoen die gezamelt werd en hoe menigmaale in ’t jaar’, zodat hij daaromtrent gepaste maatregelen zou kunnen treffen[389].

Verdere informatie over deze handelstrafiek is in het dagjournaal niet bewaard. Wél staat vast dat in 1715 zeker géén peper aan de factorijen op de Goudkust werd gekocht. Het cijfer van in de memorie slaat bijgevolg dan ook alleen en uitsluitend op de handelsactiviteiten van de zeven kustschepen langs de Greinkust én weerlegt ook de these van Den Heijer, als zou de memorie alleen die cijfergegevens bevatten voor de handel op de Goudkust (cf. 11.a.).

 

11.b.4. Diversen.

Tot slot exporteerde de WIC ook een waaier aan andere producten. Hun aantal was in 1715 echter verwaarloosbaar. Toch wil ik hier de belangrijkste de revue laten passeren. Het gaat daarbij om twee producten die voorwerp waren van handel met de Afrikanen, namelijk limoensap en gom, en twee producten die door de WIC in Afrika zelf werden geteeld, namelijk katoen en indigo. Van deze laatste zijn geen waarden in de memorie bewaard, omdat zij feitelijk buiten het handelspakket vielen. Andere producten, zoals was en roodhout, worden hier niet meer behandeld. In het licht van de bronnenproblematiek in paragraaf 11.a. zijn ze al uitvoerig aan bod gekomen. In het dagjournaal van 1715 is over deze producten trouwens niets gevonden.

 

11.b.4.1. Limoensap.

Limoensap was een uit de ‘brambaas’ of braambes geperst vruchtensap, dat op de Goudkust alleen aan de factorij te Mouree kon worden verkregen. Deze drank was niet alleen in trek in Holland, maar werd ook op de slavenschepen in de Atlantische oversteek als drank voor de slaven gebruikt. De braambessen waren rijp in de maand juli en werden dan in grote hoeveelheden door het volk van Sabu naar de factorij in Mouree gebracht, waar men kon beginnen met het persen van het sap. Het persen van de bessen gebeurde weliswaar door de Afrikanen zelf, maar Haring stond erop dat dit binnen de muren van het fort gebeurde, omdat hij het ‘bedriegelyke humeur’ van de Afrikaanse handelaars niet vertrouwde ‘wanneer zy buyten beryk van de blanken haer gezigt zyn[390]. De eenheid van limoensap werd berekend in kannen (met 1,2125 liter inhoud) of per aam (gelijk aan een vat of 155,22 liter). Eén kan bedroeg 0,15 gulden, één aam 20 gulden. In de memorie worden beide maten door elkaar gebruikt.

In 1715 leverde de handel in limoensap 7.680 kan op (cf. tabel 11.2.), die eind april 1715 met de Jacoba Galei naar de Republiek werden geëxporteerd. Aangezien de vruchten van de braamstruiken alleen in de maanden juli tot oktober rijpten, zoals ook commies Barm aan Mouree rapporteerde, kan de lading limoensap van de Jacoba Galei echter nooit in het voorjaar van 1715 zijn aangekocht. Waarschijnlijk werden de vruchten al eind 1714 verzameld, geperst en in kannen gegoten, totdat ze op 28 februari 1715 aan Mouree in de Jacoba Galei werden overgeladen[391]. De memorie van limoensap slaat daarmee dan ook niet op de werkelijke handel in West-Afrika, maar op de export in 1715. Hetzelfde stellen we vast voor 1716. Volgens de memorie werd toen 1.280 kan limoensap gekocht. Deze hoeveelheid werd echter al in de loop van 1715 gebotteld en naar Elmina gezonden[392].

 

11.b.4.2. Gom.

In de 17de eeuw was het Senegambia-gebied, en meer bepaald het eiland Arguin, de grootste leverancier van gom, maar met de verovering van het eiland in 1678 door de Franse generaal Ducasse kwam de gomhandel van de WIC daar op een laag pitje te staan. Volgens de memorie exporteerde de WIC in de periode 1676-1715 geen gom meer vanuit West-Afrika, maar dit klopt niet. Tussen 1679 en 1687 werden namelijk nog veertien schepen voor de gomhandel naar Arguin en Cabo Verde uitgezonden[393]. Daarmee lijken de handelswinsten aan Arguin niet in de memorie te zijn opgenomen. Na 1687 viel de vaart op Arguin echter nagenoeg stil en kon er van een georganiseerde handel geen sprake meer zijn.

Vanaf 1715 probeerde Haring de gomhandel nieuw leven in te blazen. Deze keer richtte de WIC haar pijlen op Benin. In 1714 al had H. Haring commies Frederik van Zelst naar daar gestuurd om er de gomhandel op permanente leest te schoeien, ‘dog dezelve heeft niets mede gebragt, rapporterende ons de naturellen die hoog op geld houden, zoodat het hem onmogelyk was die in te copen[394]. Omdat Haring kwam te ervaren dat de gom in Benin van zeer goede kwaliteit en redelijke prijs was, besloot hij in mei 1715 echter om een nieuwe missie naar Benin uit te rusten. Deze keer had commies Revixit van Naarsen de leiding over de expeditie. Hij slaagde wonderwel in zijn opzet en was de eerste Nederlander die met een lading gom uit Benin naar Elmina zou terugkeren. Zijn handelsreis betekende dan ook een primeur voor de Compagnie en een pluim op de hoed van Haring, die er van overtuigd was dat de ‘Benynze’ daar zonder moeite en kosten gom in de bossen konden verzamelen[395].

Op het einde van 1715 keerde de Commany uit Benin terug met een lading van ongeveer 9.000 pond gom. Dit was slechts een ‘staeltje’ en leverde waarschijnlijk geen winst op, omdat de kosten voor de expeditie heel hoog waren opgelopen. Commies R. van Naarsen was er echter van overtuigd dat de WIC in de nabije toekomst veel meer gom zou kunnen exporteren, vooral aan Arrebo, waar de gom ‘incomparabal in groote en schoonheyd’ was. Desondanks verliep de gomhandel eind 1715 en begin 1716 nog stroef. Daar zat de bouw van de twee loges aan Agathon en Arrebo voor veel tussen. De vorst van Benin had de bouw van deze factorijen op zich genomen, ‘maer vermits de traagheyd van zyn slaven sal deselve nog langh werk hebben eer die gemaakt sal zyn’, zo rapporteerde commies Ravens[396]. De WIC kon daardoor aanvankelijk maar weinig gom in voorraad opslaan.

Daarnaast probeerden beide partijen ook nog de grenzen van het mogelijke af te tasten en een redelijke prijs te bepalen. In afwachting van verdere instructies betaalde Revixit van Naarsen voor één vat gom ‘daerin 170 lb gaet’ 12 Benijnse panen. Deze lendendoeken waren normaal bestemd voor doorverkoop op de Goud- en Slavenkust, maar werden kennelijk ook als ruilmiddel in de gomhandel gebruikt. Eens de bouw van de loges was afgerond en beide partijen een goede prijs waren overeengekomen, nam de gomhandel in Benin een hoge vlucht. In 1716 leverde de handel met Benin al 105.704 pond op, maar liefst 12 keer meer dan bij de aanvang van de handel in 1715. In het jaar 1717 werd zelfs 127.556 pond gom uit Benin geëxporteerd[397]. Ondanks de grote winsten, was deze trafiek geen lang leven beschoren, want tegen 1720 voerde de WIC voor het laatst een kleine lading gom aan.

Op de vraag hoe het komt dat deze trafiek met Benin ná 1720 plots tot stilstand kwam, kan alleen een gefundeerd antwoord worden gegeven na grondig onderzoek van de bewaarde dagjournaals en correspondentie met de Heren X uit die periode. Dit valt echter buiten het bestek van mijn onderzoek. Wel kunnen hier enkele mogelijke pistes worden bewandeld. Zo werd de loge aan Arrebo mogelijk verlaten of in brand gestoken na een dispuut met de plaatselijke bevolking, zoals dat eerder ook al eens het geval was geweest[398]. Een afdoende verklaring is dit niet, omdat de factorij aan Agathon tot 1736 bleef verderbestaan. Een andere mogelijkheid was de hernieuwde aandacht van de WIC voor het gomeiland Arguin. Met het oog op een reorganisatie van de gomhandel, probeerde de WIC daar vanaf de jaren ‘20 opnieuw voet aan wal te krijgen. Dit gelukte niet, omdat ze er met de Fransen in conflict was gekomen[399]. De meest logische verklaring voor het stopzetten van de gomhandel in Benin, lijken de te hoge onkosten te zijn geweest voor het personeel.

Tot slot wil ik opmerken dat de totale opbrengst van gom in West-Afrika hoger lag dan de cijfers in de memorie. De gom die door compagnieschepen vanuit Arguin werd aangevoerd, is namelijk niet in dit document opgenomen. Zo voerde de hoeker Accra in 1715 niet alleen een grote lading peper naar de Republiek, maar had het ook 19.320 pond ‘Argynze gom’ aan boord[400]. Deze Arabische gom haalde de WIC niet zelf aan Arguin, maar werd waarschijnlijk over land naar de Greinkust aangevoerd, waar het schip in handel lag.

 

11.b.4.3. Katoen en indigo.

In tegenstelling tot goud, ivoor, slaven en alle andere handelsproducten, komen katoen en indigo niet in de memorie voor, omdat ze in West-Afrika door de WIC zelf werden geteeld. Deze teelt kwam exclusief aan de factorijen langs de Goudkust voor. Ideeën voor het opstarten van een dergelijke plantagecultuur op de Goudkust rijpten al lang bij de Heren X, maar werden pas effectief waarheid onder directeur-generaal J. van Sevenhuysen, die tegen 1702 een uitgebreide katoenplantage aan Chama wist aan te leggen. Onder gouverneur De La Palma werd de cultivatie van katoen verder geïntensifieerd. Hij wilde vooral aan de forten in Axim, Boutri en Chama succesvolle plantages opstarten[401]. De techniek daarvoor werd uit Curaçao geïmporteerd. Zwarte slaven, die er sinds generaties op de katoenplantages werkten en de techniek onder de knie hadden, werden naar de Goudkust overgeheveld om er aan de ‘trainslaven’ van de Compagnie te leren hoe ze succesvol plantages konden uitbaten.

Dit legde de WIC geen windeieren, want tegen 1705 meldde directeur-generaal De La Palma met trots dat het katoen op de Goudkust van uitstekende kwaliteit was. Om de cultivatie van de plantages nog vlotter te laten verlopen, stelde hij zelfs voor om speciaal een commies aan te stellen, die toezicht hield op het werk van de slaven en verantwoordelijk was voor de plantagecultuur van de Compagnie. In de tijdspanne 1705-1711 werd de cultivatie van katoen nog verder geïntensifieerd en op tijd en stond werden stalen van deze textiel naar de Republiek gezonden. Daar leek men kennelijk tevreden over de kwaliteit, want in 1711 werden nog twee zakken katoenzaad naar de Goudkust verscheept. Volgens de Afrikaanse historicus Daaku waarborgde het katoen van de Goudkust tegen 1714 zelfs een stabiele markt in Amsterdam[402].

In 1715 had de WIC katoenplantages aan Axim en Chama. De factorij aan Axim kende daarbij ook als enige een uitgebreide plantage voor indigo. De opzichter van deze plantages was commies Johannes Munnikhoven, die in het dagjournaal steeds als ‘indigomaker’ werd omschreven. Volgens de monsterrol van 12 april 1715 was J. Munnikhoven niet toevallig als enige compagniedienaar uit Curaçao afkomstig. Hij was een telg van Nederlandse afkomst, die vermoedelijk eerst in dienst van de WIC naar Amerika was geëmigreerd en daar enkele jaren als plantagehouder was tewerk gesteld, om in een latere fase van zijn leven naar de Goudkust te worden overgeheveld om er de plantagecultuur met zijn ervaring te verrijken.

Hoeveel katoen de verschillende plantages in 1715 opleverden, kunnen we uit het dagjournaal niet afleiden. Wel weten we de inhoud van één katoenzak, namelijk 450 pond, want in 1715 werd met de Geertruyd Galei ‘900 lb cattoen in 2 zacken’ naar de Republiek verscheept. Het katoen werd in jutezakken gestoken en vervolgens in kisten of ‘coffen’ bewaard en verzonden. De grootste katoenplantage was waarschijnlijk aan Axim, want deze leverde in 1715 vijf kisten op, die alle naar Elmina werden gezonden. Over de totale katoenopbrengst tasten we echter in het duister.

Wat we wel weten, is dat de cultivatie van katoen niet van een leien dakje liep. Volgens Haring kon de geringe katoenopbrengst aan Chama alleen te wijten zijn aan de ‘luyigheid der slavinnen’, omdat de WIC er in vergelijking met voorgaande jaren zeker voldoende struiken voorhanden had[403]. De slechte kwaliteit van het verbouwde katoen baarde de WIC echter nog veel meer zorgen. Toen equipagemeester H. de Haan zich na de dood van commies Otto van Belcamp in november 1715 over de factorij aan Chama ontfermde, trof hij er op de katoenplantages ‘een wildernis’ aan. Deze verwaarlozing was volgens hem veroorzaakt door de langdurige ziekte van de commies. Om een optimale kwaliteit te verkrijgen, moesten de katoenstruiken echter op tijd en stond worden gewied. Daarom zette de equipagemeester bij zijn aankomst meteen enkele compagnieslaven aan het werk. De schade was echter al aangericht.

Ook de oogst van de indigoplanten aan Axim liet veel te wensen over. Ondanks nauwgezette instructies, moest Haring in april 1715 vaststellen dat het oogsten van de indigo daar bijzonder langzaam vorderde. Veel hoop op beterschap had Haring niet, omdat hij volgens hem daarvoor al alle moeite en kosten had aangewend. Desondanks wist Butler aan Haring te verzekeren ‘als dat er een groote quantiteyt onder de negers, incasje genaemt, alsmede van de Curacaow geplant is en dat wanneer hetselve tot de volcomen wasdom is gecomen goede hoop geeft[404]. Toch zou dit volgens W. Butler alleen maar winsten kunnen opleveren, indien Haring daarvoor aan J. Munnikhoven 50 à 60 compagnieslaven extra wilde geven ‘om daermede continueel aen den aerbeyd te zyn, wyl hetzelve een groot terrein van land vereist om de verwagte voordelen van te rapen[405]. De weinige compagnieslaven die Munnikhoven tot zijn beschikking had, werden namelijk vooral ingezet bij het kappen van brandhout en aandragen van balast (witte aarde) voor de schepen. Munnikhoven was er zelfs van overtuigd dat de oogst van indigo ‘sonder magt van slaven’ nooit winstgevend zou zijn en de onkosten voor het aanleggen van de plantages nooit zou overstijgen.

Haring moest inderdaad toegeven dat Munnikhoven te weinig arbeidskrachten tot zijn beschikking had, maar schreef de kleine opbrengst van indigo vooral toe aan het geringe organisatietalent van de man. Zo had elke (water)bak, waarin de planten werden gedrenkt om de kleurstof te laten bezinken, niet meer dan twee pond indigo opgeleverd, terwijl Haring had berekend dat ‘ider trekzel omtrend 20 lb behoorden te halen’ om geen deficit te lijden[406]. Volgens Haring was dit louter en alleen te wijten aan de laksheid van de opzichter, die hij als een ‘onkondig’ man omschreef. Toen W. Butler in oktober 1715 aan Haring schreef dat het gedroogde indigo voor ‘het meeste gedeelte van de witte mieren (= termieten) [was] verteert[407], aanzag hij daarvoor het droge klimaat als de grootste boosdoener, omdat het aan Axim in drie maanden niet had geregend. Haring zag het echter als de taak van de plantagehouder om in zo een geval water uit de rivier te halen en de planten te besproeien. Om de man verder geen kans meer te geven zich achter ‘abusive termen’ te verschuilen, stemde H. Haring er toch mee in enkele compagnieslaven van Boutri naar Axim te laten overgaan, maar het kwaad was toen allang geschied.

In 1715 lijkt de cultivatie van katoen en indigo op de Goudkust, in tegenstelling tot voorgaande jaren, zeer moeizaam te zijn verlopen. Het is dan ook zeer de vraag of deze plantages toen effectief ook winsten opleverden. De kwaliteit van het katoen en indigo was alvast zeer slecht en kon zeker niet tippen aan de opbrengsten in Curaçao of Suriname. Bovendien doodde de slavenhandel dit project op middellange termijn. Niet alleen bracht een zwarte plantagearbeider, die door de WIC onderhouden moest worden, veel meer op in West-Indië, ook de Amerikaanse plantagehouders klaagden dat met de cultivatie van katoen in Afrika de markt werd verstoord en de aanvoer van slaven verminderde.

Jammer genoeg voor de WIC konden de slavenhandel en de plantagecultuur op de Goudkust niet met elkaar worden verzoend. Men moest dan ook een keuze maken. Toen de slavenexport naar Amerika vanaf het tweede decennium van de 18de eeuw definitief in de lift zat, leek het lot van de plantages in Afrika bezegeld. Tegelijk ging de WIC zich echter steeds meer bezighouden met de teelt van ‘milhio’, millet of ook nog sorghum, een lokale graansoort dat als voedsel voor de slaven was bestemd en vooral aan Chama werd verbouwd.

 

11.c. Slavenhandel.

 

11.c.1. Een kwantitatief overzicht.

Volgens de memorie werden in 1715 door de WIC in totaal 1.606 slaven uit de Bocht van Guinee geëxporteerd (cf. tabel 11.9.). Drie kustregio’s in West-Afrika waren daarbij van belang, namelijk de Goud-, Ivoor- en Slavenkust. Zoals de naam al doet vermoeden, was de Slavenkust de grootste leverancier van slaven. Uit deze kustregio exporteerde de Tweede WIC in totaal 75.110 slaven, goed voor 63,5% van de totale slavenexport uit West-Afrika. De Goudkust was de tweede belangrijkste regio, met in totaal 43.038 slaven over de periode 1674-1738 en daarmee goed voor 36,5% van de totale export. Op de Ivoorkust participeerde de WIC slechts sporadisch in deze trafiek. De slavenhandel op de kust van Loango-Angola is hier buiten beschouwing gelaten, omdat zij buiten het geografische gebied valt van ‘Guinea’. Zij was weliswaar goed voor ongeveer 30% van de totale slavenexport uit gans Afrika.

 

Tabel 11.9. Export slaven uit de Bocht van Guinee (1700-1731).

Jaar

Piezas de India

Gulden (waarde)

 

Jaar

Piezas de India

Gulden (waarde)

1700

969 ½

38.780

 

1716

1.452

58.080

1701

323

12.920

 

1717

1.011

40.440

1702

299

11.960

 

1718

2.212

88.480

1703

424

16.960

 

1719

2.586

103.440

1704

1.578

60.720

 

1720

1.446

57.840

1705

1.995

78.806

 

1721

1.648

65.920

1706

2.269

90.760

 

1722

1.352

54.080

1707

2.930 ½

97.220

 

1723

2.071

82.850

1708

2.194

87.760

 

1724

3.165

126.606

1709

1.908

76.320

 

1725

2.890

115.600

1710

1.334

53.360

 

1726

2.752

110.080

1711

35

1.400

 

1727

2.900

116.000

1712

1.912

76.480

 

1728

1.936

77.440

1713

716

28.640

 

1729

3.263

130.520

1714

1.557

62.280

 

1730

1.440

57.600

1715

1.606

64.240

 

1731

1.874

74.960

 

 

 

 

Totaal

56.048

2.218.542

 

 

 

 

Gemiddelde

1.752

69.329

Bron: ARA, VWIS 928.

 

In West-Afrika kende de slavenhandel onder de Tweede WIC een geleidelijke, maar constante stijging. In de periode 1676-1700 bedroeg de gemiddelde opbrengst in de Bocht van Guinee 1.355 slaven[408]. Tussen 1700-1731 was het gemiddelde aantal slaven al opgelopen tot 1.752 stuks (cf. tabel 11.9.). Daarbij leverde de periode 1700-1715 gemiddeld 1.405 slaven op, terwijl de handel over de jaren 1716-1731 gestegen was naar 2.125 slaven per jaar! De slavenhandel van de Compagnie werd daarmee in de loop van de 18de eeuw steeds belangrijker. Eén van de belangrijkste oorzaken voor deze stijgende handel, was het toenemende aantal binnenlandse oorlogen, vooral vanaf het jaar 1700. In deze oorlogen werden steeds meer krijgsgevangenen gemaakt, die als slaaf bij de WIC te koop werden aangeboden.

Vooral op de Goudkust was de slavenhandel sterk onderhevig aan binnenlandse oorlogen en kende deze trafiek een grillig verloop. Tot aan het begin van de 18de eeuw trachtte de WIC de slavenhandel aan haar factorijen nog bewust beperkt te houden en de vrede onder de Afrikaanse staten te bewaren, omdat dit de enige manier was om de goudaanvoer op peil te houden. Met de overwinning van Ashanti op Denkyira in 1701 viel de goudhandel echter nagenoeg stil en trok de slavenhandel zeer sterk aan, waardoor het voor de WIC steeds moeilijker werd om een harmonieus evenwicht te vinden tussen beide handelsstromen. In 1705 schreef directeur-generaal De La Palma dat de oorlogstoestand op de Goudkust zelfs een ware slavenjacht had uitgelokt. (cf. 3.c.2.). Dit gaf weliswaar een tijdelijke impuls aan de slavenhandel van de Compagnie, toch zou het nog tot het einde van de Spaanse Successieoorlog in 1713 duren vooraleer de slavenhandel op de Goudkust permanent steeg. Daarmee ontpopte de Goudkust zich eensklaps tot het belangrijkste slavengebied in West-Afrika, want volgens Den Heijer leverden de forten op de Goudkust vanaf het midden van de jaren ’20 meer slaven op dan de factorijen op de Slavenkust, een positie die zij tot aan het staken van de export in 1738 zouden behouden[409].

De Slavenkust was de meest stabiele regio voor de slavenhandel. In de loop van de 17de eeuw was het monopolie van de slavenhandel daar in handen van de koning van Aja, die ook de kuststaten controleerde. Toen zijn positie rond de eeuwwisseling verzwakte, ontstond er aanvankelijk politieke onrust. Bovendien moest de WIC meer en meer terrein prijsgeven aan haar concurrenten. Toch heeft de WIC haar export op de Slavenkust steeds redelijk stabiel kunnen houden, met een gemiddelde export van 1.200 slaven per jaar[410]. Dit gaat uiteraard slechts om een benaderend cijfer, omdat het grootste deel van de handelsrekeningen aan Fida verloren zijn gegaan.

Voor de berekening van de slavenexport gebruikte de WIC een speciale eenheid, namelijk Pieza de India. Dit was een volwassen én gezonde slaaf of slavin tussen 15 en 35 jaar die ‘leverbaar’ was en waarvan de plantagehouders in Amerika ten volle gebruik konden maken. Dergelijke slaven werden gemiddeld aan 40 gulden het stuk ingekocht en voor 250 gulden in Amerika afgezet. Oudere slaven, alsook slaven met een fysieke of psychische handicap waren niet leverbaar maar ‘macroen’, zoals het in de bronnen staat vermeld, en werden pertinent geweigerd. Wel kocht men kinderen aan die jonger waren dan 15 jaar en slechts fracties van Piezas de India waren. Volgens asientocontracten uit 1683 en 1699 werden de leeftijdsgroepen van 3 tot 7 jaar en van 8 tot 12 jaar respectievelijk geteld als de helft en eenderde van een Pieza de India[411]. In de achttiende eeuw hield men vast aan deze rekeneenheid.

 

11.c.2. De Goudkust.

In navolging van de goud- en ivoorhandel, bespreken we ook hier de Goudkust als de eerste leverancier van slaven. Toch was deze smalle kuststrook niet de grootste leverancier. Op basis van de gekende maandpapieren en slavenextracten, die op tijd en stond naar Elmina werden gezonden, weten we dat alle factorijen op de Goudkust ongeveer 390 Piezas de India exporteerden (cf. tabel 11.10.) of een 400-tal slaven in totaal. Daarmee was de Goudkust goed voor ongeveer 25% van alle geëxporteerde slaven in de Bocht van Guinee in 1715. Net als bij de goud- en ivoorhandel dienen we echter ook hier een kleine marge in acht te nemen, aangezien de slavenextracten van de fortfactorij aan Elmina niet zijn bewaard. De precieze bijdrage van de handel aan Elmina komt verder nog uitgebreid aan bod.

 

Tabel 11.10. Export slaven op de Goudkust in 1715.

 

Eerste kwartaal

Tweede kwartaal

Derde kwartaal

Vierde kwartaal

Totaal

 

Pieza

Gulden

Pieza

Gulden

Pieza

Gulden

Pieza

Gulden

Pieza

Gulden

Axim

7

280

24 2/3

986

44 2/3

1.787

33

1.320

109 1/3

4.373

Boutri

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

Sekondi

2

80

10 ½

420

37 1/6

1.487

25 ½

1.020

75 1/6

3.007

Chama

-

-

1

40

7

280

15

600

23

920

Komenda

-

-

-

-

3

120

10

400

13

520

Elmina*

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

Mouree

-

-

-

-

-

-

2

80

2

80

Cormantin

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

Apam

-

-

-

-

-

-

5

200

5

200

Bercoe

-

-

-

-

-

-

22

880

22

880

Accra

-

-

26

1.040

26

1.040

88 1/3

3.533

140 1/3

5.613

Totaal

9

360

62 1/6

2.486

117 2/3

4.714

200 5/6

8.033

389 5/6

15.593

Bron: ARA, NBKG 82, Maandpapieren en slavenextracten.

* Slavenextracten niet bekend.

 

Tabel 11.10. toont dat er in 1715 op de westelijke Goudkust een licht overwicht van de slavenhandel was. Ten westen van Elmina brachten de factorijen in totaal 220 Piezas de India ter waarde van 8.820 gulden op, terwijl de oostelijke Goudkust goed was voor 169 slaven ter waarde van 6.773 gulden. Diezelfde tabel toont ook aan dat de slavenhandel op de Goudkust in de loop van het jaar geleidelijk aan maar constant steeg, van nauwelijks 9 slaven in het eerste kwartaal tot maar liefst 200 slaven in het vierde en laatste kwartaal. In de volgende paragrafen zullen we deze positieve trend vanuit diachronisch opzicht proberen te verklaren.

 

11.c.2.1. Elmina.

In deze paragraaf wil ik antwoord geven op twee vragen: werden aan de factorij van Elmina in 1715 veel slaven ingekocht of was Elmina louter en alleen een depot, waar alle slaven van de andere factorijen naartoe werden gezonden en in afwachting van hun ontscheping in de kerkers werden opgeslagen?

In tegenstelling tot het Afrikaanse goud, was het aanbod van slaven aan Elmina in de loop van 1715 groot. Wekelijks stroomden er wel honderden handelaars uit de staat Ashanti toe om hun slaven te verkopen. Deze slaven werden niet uit het kernland van Ashanti gehaald, maar waren in hoofdzaak het gevolg van de desastreuze oorlog tegen het naburige Aowin, dat van haar bevolking werd ontroofd. Vooral eind 1715 hielden de Ashanti uitgebreide slavenrazzia’s langs de kust, onder meer uit frustratie omdat het goudrijke gebied van Aowin maar weinig oorlogsbuit had opgeleverd. Door de bevolking tot krijgsgevangenen te maken en hen als slaven te verkopen, hoopten de Ashanti op die manier hun buit te vergroten.

Het slavenaanbod aan Elmina was zeer groot. Desondanks valt het te betwijfelen of de opperkoopman daar wel degelijk veel slaven aankocht. Voor hun slaven wilden de Ashanti namelijk alleen goud verkrijgen. Dit veroorzaakte een impasse, omdat dat goud ‘hetzelvde is daer de Comp(agni)e mede het oog op heeft, (…) ’t welk wy haer niet konnen geven’, aldus Haring[412]. De Ashanti hadden dit goud echter nodig om de oorlog te bekostigen en het leger te betalen. Deze patstelling wekt het vermoeden dat aan Elmina feitelijk maar weinig slaven werden ingekocht, temeer omdat de Ashanti daar geen andere producten dan goud begeerden.

Dit vermoeden wordt bevestigd door een ander voorval in 1715. Toen de WIC in oktober 1715 het geluk had om de smokkelaar Anna Catharina te veroveren, vond ze daar ’56 boute voor boeyens, 166 beugels tot boeyens, 5 slavenkettingen [en] 310 spyle tot boeien’ aan boord, aldus Den Heijer. Deze smokkelaar was met andere woorden uitgerust voor de slavenhandel. Met de confiscatie door de WIC werd het schip in de naam Fida herdoopt en met een lading slaven naar Curaçao gezonden. Daarvoor liet men het schip niet op de Slavenkust handelen, maar op de Goudkust, waar het feitelijk aan de rede van Elmina voor anker bleef. De slaven voor dit schip werden echter niet aan Elmina zelf bekomen, want op 10 oktober 1715 gaf Haring aan alle factorijen op de Goudkust de instructie de slavenhandel ‘met jever en vigilantie te doen floreren om het gem(elde) schip daerdoor dies te spoediger zyn depeches te konnen geven[413].

Op 14 december 1715 vatte de Fida zijn reis naar Curaçao aan met 242 Piezas de India aan boord. Het merendeel daarvan werd aan de buitenfactorijen op de Goudkust verkregen, want tussen het moment van de bovenvermelde instructie en het moment waarop het schip vertrok, zonden alle buitenfactorijen een 200-tal slaven naar Elmina op (cf. tabel 11.10). Toen Haring vond dat het scheepje voldoende slaven aan boord had, ordonneerde hij alle factorijen op de Goudkust om de handel te staken[414]. Alle slaven die de buitenfactorijen in die tijd hadden aangekocht, werden integraal op de Fida overgeladen en waren daarmee goed voor ongeveer 85% van zijn lading. Het resterende aantal slaven kwam uit de kerkers van Elmina, maar werden daarvoor niet speciaal bij de Ashanti aangekocht. Dit wijst er dan ook op dat de slavenhandel aan Elmina in 1715 op een zeer laag pitje stond.

Dit wil echter niet zeggen dat de fortfactorij van Elmina weinig slaven in voorraad had. In de historiografie bestaat het beeld dat de kerkers van Elmina, de zogenaamde mannelijke en vrouwelijke ‘slavengaten’, in de loop van de 18de eeuw propvol zaten. In zo een geval kon Elmina 300 tot 400 slaven herbergen[415]. Normaal gezien moest de slavenopzichter van Elmina nota houden van het aantal slaven dat in de kerkers van het fort werd bewaard, maar deze gegevens zijn jammer genoeg verloren gegaan. Toch kunnen we op basis van het dagjournaal een schatting maken. In de eerste 3 kwartalen van 1715 zonden alle buitenfactorijen circa 190 slaven naar Elmina (cf. tabel 11.10.). Daarbij kwamen nog 200 slaven, die op de Ivoorkust waren verkregen. Op hun toppunt herbergden de kerkers van Elmina inderdaad meer dan 300 of 400 slaven. Daarmee was Elmina in eerste instantie dan ook een slavendepot.

 

11.c.2.2. Overige factorijen.

In 1715 was St. George d’Elmina voor haar slaven voornamelijk afhankelijk van de handel aan de andere factorijen op de Goudkust. De forten op de meest westelijke en oostelijke Goudkust aan Axim en Accra waren daarbij, net zoals in de goudhandel, de grootste leveranciers. Samen brachten ze 250 slaven op (cf. tabel 11.10.), bijna goed voor 65% van de totale slavenexport op de Goudkust. Daarnaast was ook de factorij aan Sekondi met 75 slaven of bijna 20% een belangrijke leverancier. Het is zeker niet toevallig dat deze drie handelsposten de grootste winsten opleverden. Vooral de forten in Axim en Accra waren gelegen aan de uiteinden van de primaire handelsroutes op de Goudkust en profiteerden van de Afrikaanse handelaars die langs deze hoofdwegen hun slaven bij de WIC te koop kwamen aanbieden.

Zoals eerder al vermeld, floreerde de slavenhandel van de Compagnie vooral in tijden van oorlog. Wanneer Afrikaanse staten onderling een burgeroorlog uitvochten, leverde dit voor de overwinnende partij krijgsgevangenen op, die vervolgens als slaven aan de Nederlandse factorijen werden verkocht. In tijden van algehele vrede werden echter geen slavenrazzia’s georganiseerd, zodat de slavenhandel met de Europeanen op de Goudkust nagenoeg stilviel. Dit patroon ontplooide zich ook in 1715.

Op de westelijke Goudkust deed zich een constante stijging in de slavenhandel voor, die haar toppunt bereikte in het derde en vierde kwartaal. In de eerste 3 maanden van 1715 werden slechts 9 slaven vanuit Axim en Sekondi naar Elmina gezonden (cf. tabel 11.10.). In die periode werden maar weinig slaven aangeboden, omdat er in het binnenland vrede heerste en de goudhandel met Aowin bloeide. Daarenboven schreef de ondercommies van Axim, Carel van Naarsen, dat de aankoop van slaven ook werd bemoeilijkt door het gebrek aan goede koopwaar, de gevaarlijke handelsroutes dwars door de staat Wassa én de vele (Portugese) smokkelschepen, die dagelijks aan Gross Friedrichsburg kwamen liggen[416]. Van zodra de oorlog tussen Ashanti en Aowin was losgebarsten, deed zich een trendbreuk voor en steeg de slavenhandel aan alle forten op de westelijke Goudkust, door de krijgsgevangenen die Ashanti had gemaakt.

Op de oostelijke Goudkust was de slavenhandel van de WIC nagenoeg beperkt tot de factorij aan Accra. Net als op de westelijke Goudkust deed zich daar eveneens een constante stijging in de slavenexport voor, die we kunnen verklaren door de politieke verschuivingen in het hinterland. In de eerste helft van 1715 stond de slavenhandel aan Accra nagenoeg stil, omdat de kuststaat Aquamboe de handelsroutes van en naar de kust gesloten hield. Toen deze in oktober 1715 besloot om de handelswegen opnieuw open te stellen, kwamen de handelaars uit Akim veelvuldig aan Accra. In het vierde kwartaal bereikte de slavenhandel aan Accra haar hoogtepunt met een export van 88 slaven (cf. tabel 11.10.). Een andere oorzaak voor de bloeiende slavenhandel te Accra eind 1715 was volgens oppercommies J. d’Outreleau de afwezigheid van Portugese smokkelschepen, ‘waerdoor den Deen vooreerst gefrustreerd is zyn slavenhandel te continueren[417]. Het Deense fort Christiansborg in Accra deed namelijk alleen dienst als tussenpersoon voor de Portugezen in de slavenhandel.

In het vierde kwartaal bereikte de slavenhandel aan alle westelijke en oostelijke factorijen haar hoogtepunt door gunstige politieke ontwikkelingen in het Afrikaanse hinterland. Dit was echter ook te danken aan een maatregel van de WIC. Zoals we al hebben gezien, had de WIC eind 1715 het geluk om de smokkelaar Anna Catharina te veroveren, die als slavenschip werd ingezet. Om het schip zo snel mogelijk van zijn lading slaven te voorzien, beval H. Haring aan álle factorijen op de Goudkust om de slavenhandel te intensiveren. Deze rondzendbrief of circulaire verklaart onder meer waarom de factorijen aan Komenda, Mouree, Apam en Bercoe plots wel een aantal slaven kwamen te exporteren (cf. tabel 11.10.). Alleen Cormantin participeerde niet in deze trafiek, omdat de aankoopprijzen daar de pan uitzwaaiden. Zo moest men daar voor één volwassen slaaf 240 gulden en voor één volwassen slavin 180 gulden betalen, terwijl de WIC voor één slaaf gemiddeld 40 gulden betaalde[418].

Eind november 1715 schreef Haring een tweede rondzendbrief, waarin hij alle commandanten op de buitenforten beval om de slavenhandel te staken, ‘om redenen het slaveschip Fida op weynige naar het getal (…) reets binnen boort heeft en wy van geen andere scheepen zyn geprovideert om de slavenhandel ten voordelen van de Comp(agni)e met kragt te konnen voortzetten[419]. Volgens Haring zou het voortzetten van de slavenhandel alleen ‘een gewisse schade’ toebrengen aan de Compagnie, omdat de slaven al te lang in de kerkers zouden moeten worden opgesloten en daardoor het risico zouden lopen om ziek te worden. Dit wijst er ook op dat de slavenhandel op de Goudkust slechts een periodiek karakter had. Er werden alleen veel slaven gekocht, wanneer de WIC daarvoor een slavenschip aan Elmina had liggen. Pas met de komst van een nieuw slavenschip aan Axim zou de slavenhandel mogen worden hervat. Dit gebeurde pas in de tweede helft van 1716 met de komst van de Agatha, die op 16 mei 1716 vanuit de Republiek was vertrokken[420]. Daarom bereikte de slavenexport op de Goudkust in de eerste helft van 1716 waarschijnlijk een nieuw dieptepunt.

 

11.c.3. De Ivoorkust.

In 1715 leverde de Ivoorkust 200 Piezas de India op. Daarmee was deze kustlijn goed voor 12,5% van de slavenexport uit gans West-Afrika. Dit was het resultaat van de maandenlange missie van het kustscheepje Chama (cf. 9.d.), omdat de WIC op de Ivoorkust geen factorijen had. Dit had zowel voor- als nadelen. Enerzijds moest men minder onkosten maken om de slavenhandel te bedrijven. Anderzijds was men voor de aanvoer van slaven volledig afhankelijk van de Afrikanen, die met hun kano’s aan boord van de schepen kwamen. Slechte weersomstandigheden waren daarin vaak een grote spelbreker. De slavenhandel op de Ivoorkust was in 1715 succesvol om dezelfde reden waarom de goudhandel er toen niet van de grond kwam: de Ashanti hadden het volk van Druwien beoorloogd, geruïneerd en tot krijgsgevangenen gemaakt,waerdoor de negotie in myn voorgaende reyze veel heeft gecontribueerd om spoedig slaven te bekomen’, aldus M. Heyman[421].

Ondanks het schijnbare succes was Haring niet te spreken over de kwaliteit van de geleverde slaven. In de instructie aan ondercommies Heyman had de gouverneur er nochtans op gewezen dat het beter was om een ‘goed en leverbaer’ aantal slaven te kopen dan een groot aantal slaven met gezondheidsproblemen of andere gebreken, die niet als Piezas de India zouden kunnen worden aanvaard en aan de Portugezen zouden moeten worden versast. Zo was het hem verboden slaven met gevijlde tanden en vrouwen met al te grote of slappe borsten te aanvaarden[422]. Volgens Heyman was het echter zeer moeilijk om zich daaraan te houden, ‘alzoo dezelve meest langborstig vallen[423]. Of de povere kwaliteit van de slaven te wijten was aan de laksheid van M. Heyman, laten we hier in het midden.

 

11.c.4. De Slavenkust.

De grootste leverancier van slaven was uiteraard de Slavenkust. De slavenhandel van de WIC werd er aan de onversterkte loge van Fida georganiseerd (cf. 3.b.2.) en was er in handen van de oppercommies Pieter Valkenier, de assistenten A. Altuna, E. Hulleman en P. de Pape. Volgens het neutraliteitsverdrag, dat met de vorst van Fida was afgesloten, was de loge onbewapend. De slavenhandel werd zo door de compacte aanwezigheid van Europeanen een moeilijke evenwichtsoefening, waarbij termen als diplomatie en geweldloosheid sleutelbegrippen waren tot succes. Naast Fida, waren de plaatsen Ardra en Jaquin echter ook niet onbelangrijke handelscentra.

 

11.c.4.1. Een prijzenslag tussen de Europese naties.

De handel op de Slavenkust was een complex fenomeen en totaal verschillend van de situatie op de Goudkust. Daar hadden de Europeanen op behoorlijke afstand van elkaar verschillende factorijen waar de slavenhandel kon worden bedreven. Aan de Slavenkust concentreerde de slavenhandel zich echter voornamelijk aan één plaats waar de Nederlanders, Fransen en Engelsen op nauwelijks enkele minuten loopafstand van elkaar een factorij hadden. Bovendien was er aan Fida ook een levendige drukte van Portugese schepen, die de slaven uit Guinee nodig hadden om op de katoen- en suikerplantages in Brazilië te werken. De aanwezigheid van deze Europese naties op een beperkte ruimte zorgde voor een ware prijzenslag, waarbij de WIC het ontzettend moeilijk kreeg om de concurrentie bij te houden.

Volgens rapport van P. Valkenier begin september 1714 was de slavenhandel ter hoogte van Jaquin toen zodanig slecht dat ‘het bykans onmogelyk is om eenig slaaff te becomen[424]. Dit kwam door de hoge prijzen die de andere Europese naties voor de slaven betaalden en waartegen de WIC niet kon concurreren zonder verlies te lijden. De situatie op de Slavenkust was zelfs zó rampspoedig dat P. Valkenier geen andere uitkomst zag ‘als een totale ruim der slavenhandel’! De hoge prijzen waren vooral het gevolg van het slinkende aanbod op de Afrikaanse markt, waardoor men tevreden mocht zijn wanneer men 5 slaven op 1 dag kon inkopen. Als voorbeeld gaf Valkenier aan dat de Portugezen, ‘welke extraordienare hoge betalinge doen’, gehouden waren om voor een armazoen van 400 slaven vier maanden te moeten blijven liggen en dat ze dan nog mochten tevreden zijn wanneer ze met 350 slaven konden vertrekken.

De toestand op de Slavenkust zag er in het najaar van 1714 dus niet rooskleurig uit en de balans leek niet snel in positieve zin om te slaan, want P. Valkenier besloot toen met de woorden: ‘Hieruyt kan u Ed(el)e bespeuren op welke miserable voet de slavennegotie gecomen is. En waerlyk, ik kan in ’t eerst nog geen beterschap in de negotie sien[425]. Veel beterschap kwam er inderdaad niet, want begin 1715 kwam het bericht van Valkenier dat de slavenhandel zowel aan Fida als Jaquin ‘dodelyk slegt’ was door de prijzenslag onder de Europese naties. Terwijl de Nederlanders voor één slaaf of Pieza de India gemiddeld 40 gulden betaalden, betaalden de Fransen in Fida 125 pond kauri’s (of 50 gulden) en de Engelsen 130 pond kauri’s (of 52 gulden). De Portugezen betaalden zelfs 40 platthillios en 10 lange ijzeren staven ter waarde van 118 gulden, ‘zoodat wy tegenwoordig zyn een 0 in een cyffer[426].

De hoge prijzen die de Portugezen aan de Afrikaanse handelaars betaalden, door de Nederlanders ook wel ‘cladden’ genoemd (een marktbedervend systeem waarin de WIC nooit heeft geparticipeerd), werden hen door de andere Europese naties niet in dank afgenomen. In tegenstelling tot de Engelsen, Fransen en Nederlanders, die in compagnieën waren georganiseerd en zich naar de bevelen van de bewindhebbers ‘in patria’ moesten schikken, konden de Braziliaanse schepen het zich permitteren om exuberante prijzen te betalen, omdat zij door de Portugese overheid in Lissabon niet werden gerugsteund en geen enkele beperkende of disciplinerende maatregel voor de vaart op Guinee kregen opgelegd. Met de toenemende vaart op West-Afrika sinds het begin van de 18de eeuw veroorzaakte dit al snel een gehele ontwrichting van de markt op de Slavenkust.

Dit mocht het Nederlandse slavenschip Emmenes aan den lijve ondervinden. Op 30 september 1714 legde het op de rede van Fida aan. Na daar meer dan 3 maanden vruchteloos in handel te hebben gelegen, had kapitein C. Louw nauwelijks eenderde van zijn beoogde lading slaven aan boord en was hij het wachten moe. Op 7 januari 1715 liet hij oppercommies Valkenier weten dat hij hoogstens nog 7 weken aan Fida kon blijven liggen en dan, ongeacht het aantal slaven, moest vertrekken. De Heren X hadden namelijk aan elk slavenschip de instructie gegeven om binnen een redelijke termijn naar Amerika af te zeilen. De aanmodderende slavenhandel zorgde voor heel wat wrevel bij schipper Claas Louw. Zo vroeg hij zich af waarom de oppercommies niet evenveel voor de slaven wilde betalen als de andere Europese naties aan Fida én of de Heren X dit wel zouden goedkeuren.

Wanneer Valkenier hem daarop antwoordde dat hij zich niet met de handel had te bemoeien, ‘dan loopt hy en draaft hy of hy gek is en wil myn ternauwernood ten antwoord staen[427]. Volgens Valkenier was de schipper dan ook een ‘volkomen boer’. Bovendien deed P. Valkenier wel degelijk een inspanning om gelijke tred te houden met de Fransen en Engelsen. Zo had hij voor de slaven van de Emmenes 6 pond kauri’s en 1 platthillios meer betaald dan de marktbrief hem had toegestaan[428]. Dit kwam neer op 5 gulden per slaaf, die Valkenier uit eigen zak had betaald. De oppercommies had zich daartoe genoodzaakt gezien, ‘doordien door de France in allen deelen meerder betaelt werden[429]. In augustus 1715 betaalden zij voor één volwassen slaaf of slavin namelijk 116 pond kauri’s, 25 platthillios, 35 ijzeren staven, 12 Engelse of 20 Franse snaphanen. Dit kwam toen neer op ongeveer 46 gulden per slaaf.

De prijzen op de Slavenkust bleven het ganse jaar door zeer hoog. Daarin kwam in de volgende jaren trouwens geen beterschap. Zo berekende Postma dat de WIC in Afrika tussen 1710 en 1719 gemiddeld 59 gulden per Pieza de India betaalde[430]. Dit is veel meer dan de gemiddelde waarde van 40 gulden per slaaf, waar in de memorie is van uitgegaan. De prijzenslag aan Fida was voor de WIC zeer ongunstig, omdat de schepen daardoor langer dan nodig op de rede moesten blijven liggen. In de loop van 1715 probeerde de Compagnie zich echter aan deze nieuwe situatie aan te passen door enkele ingrijpende maatregelen te nemen, zoals hieronder staat beschreven.

 

11.c.4.2. De inschepingsperiode van slaven.

In paragraaf 9.b. hebben we reeds gezien dat J. Postma de gemiddelde duur van een slavenreis op 520 dagen of 17 maanden berekende, de periode tussen het vertrek en de terugkomst in de Republiek. Deze gegevens vertellen ons echter niet veel over de slavenhandel zelf. In het kader van dit onderzoek, waarin de nadruk vooral ligt op de slavenhandel aan de Afrikaanse kusten en minder op de transatlantische oversteek of de verkoop van slaven in Amerika, is het volgens mij eerder aangewezen te kijken naar de verblijfsduur van de slavenschepen in West-Afrika, de inschepingsperiode of de tijd die elk schip nodig had om zijn armazoen slaven te bekomen. De resultaten hiervan kunnen namelijk veel beter helpen bij het vellen van een waardeoordeel over de slavenhandel in West-Afrika in 1715.

Op 28 april 1715 schreef Haring aan de Heren X dat de slavenschepen onder zijn voorgangers niet langer dan drie maanden voor Fida bleven liggen vooraleer de tocht naar Amerika aan te vatten. Dit was een relatief korte inschepingsperiode en vereiste een vlotte handel langs de Slavenkust. De handelsperiode van twee tot drie maanden beantwoordde aan het verwachtingspatroon van de Heren X die de lading victualiën voor de slavenschepen daardoor vrij beperkt konden houden. Onder het bewind van H. Haring had de gunstige handelssfeer aan Fida echter een gevoelige deuk gekregen, want zo schreef hij: ‘Maer de tijden heden verandert zynde, waarin de schepen nu 6 à 7 ja agt maanden moeten blyven ter rhede leggen, zoo is het ook wel te begrypen dat de consumptie extraordinair groter moet zyn…[431].

De WIC was daarmee uiteraard niet gebaat. Hoe langer de slavenschepen voor de Westafrikaanse kust in handel lagen, hoe hoger de kosten daarvoor opliepen en hoe langer de Nederlandse plantagehouders in Amerika van verse arbeidskrachten verstoken zaten. Daarom drong zich een afdoende oplossing voor het probleem op. Op 22 januari 1714 formuleerde H. Haring een voorstel ‘nopende den slavenhandel en ’t prompter expediëren van de slavescheepen van de Comp(agni)e’, dat gericht was aan de Kamer Amsterdam[432]. Dit voorstel hield drie vragen in, namelijk de vraag om de uitgerede slavenschepen van een grotere lading victualiën te voorzien, het recht op een premie’ of vergoeding wanneer hij erin slaagde om een schip binnen de behoorlijke termijn van 2 à 3 maanden van zijn lading slaven te voorzien én tot slot de mogelijkheid voor de oppercommies aan Fida om het ‘slaavscargasoen’ of de importlading van elk schip naar goeddunken te mogen verhandelen, zonder zich daarbij aan de marktbrief van de Heren X te moeten houden.

Het antwoord van de toenmalige bewindhebbers van de Kamer Amsterdam, Jan van Beuningen en Ferdinand van Collen, op 7 januari 1715 was gedeeltelijk positief. De Heren X hadden weliswaar nog geen definitieve beslissing genomen over Haring zijn voorstel, omdat ze eerst wilden afwachten met wat voor succes de slavenhandel in Fida verliep en of Haring de schepen binnen de opgelegde termijn van 8 weken of 2 maanden van een armazoen slaven kon voorzien. Maar indien hij daarin slaagde, kon hij wel ‘een premie genieten’ van 0,5 engels of 2,5 gulden per slaaf, die aan Fida werd ingescheept. Bovendien werd hem ook tijdelijk toegestaan om de goederen van de Compagnie naar believen te verhandelen, op voorwaarde dat hij ervan overtuigd was om de slavenschepen binnen de 8 weken te kunnen ‘depecheren[433].

Vooral dit laatste was een heikel punt voor de Heren X. Normaal gezien zonden zij vanuit de Republiek aan de directeur-generaal jaarlijks uitgebreide instructies over de te voeren handelspolitiek, zoals bij voorbeeld de aantallen in te kopen slaven en de verkoopprijzen van handelsgoederen, die op de ‘marktbrief’ stonden genoteerd en waaraan de gouverneur zich strikt te houden had. Door de rapporten van P. Valkenier was H. Haring echter als geen ander op de hoogte van de werkelijke handelssituatie aan Fida en wist hij welke prijzen acceptabel waren. De Heren X waren zich daarvan bewust. Daarom hielden ze meestal wel rekening met de voorgestelde prijswijzigingen van de directeur-generaal, die in de nieuwe marktbrief werden opgenomen. De vraag van Haring om zich niet meer aan de marktbrief te hoeven houden, ging daarin echter veel verder en druiste zelfs in tegen de macht van de Heren X.

Uiteindelijk zou het in 1715 nog tot een definitieve beslissing komen. Terwijl P. Valkenier zich op 15 augustus 1715 nog maar eens had beklaagd over de erbarmelijke kwaliteit van de importladingen en de al te hoge prijzen die men op de Slavenkust voor de slaven moest betalen, ‘soodat u Ed(el)e wel kond begrypen dat my onmogelyk na den marckbrieff kan reguleeren’, ontving de oppercommies in dezelfde maand nog een brief van de Kamer Amsterdam, gedateerd op 7 juni 1715, waarin hem werd toegestaan om zich niet meer aan de marktbrief van de Heren X te houden ‘en met de goederen te handelen na myn welgevallen[434]. Daarmee had Haring eindelijk zijn slag thuisgehaald en hoopte Valkenier dat hij alle slaven voor de twee schepen Akredam en St. Andries binnen de twee maanden of tien weken tijd zou kunnen inschepen. Hieronder blijven we kort stilstaan bij de inschepingsperiode van beide schepen.

Op 18 juni 1715 was de Akredam op de Goudkust aangekomen, maar omdat het scheepsruim eerst nog werd omgebouwd voor het vervoer van slaven, duurde het nog een maand vooraleer het schip op de rede van Fida aanlegde[435]. Omdat het door zijn lange heenreis van 6 maanden al veel van zijn victualiën had geconsumeerd, mocht het schip onder geen beding langer aan Fida worden opgehouden dan nodig was[436]. Uiteindelijk vertrok de Akredam op 22 september 1715 met 590 slaven (470 Piezas de India) naar Suriname. Dit was 12 weken na zijn aankomst op de Goudkust en zelfs binnen de 8 weken na zijn komst aan Fida. De vrijstelling van de marktbrief had haar effect hier dus duidelijk niet gemist.

De St. Andries legde eind november 1715 op de Slavenkust aan. Om de handel van dit schip te bevorderen, zond P. Valkenier het naar Ardra, waar de slaven tegen een goedkopere prijs werden aangeboden, om daar op 8 maart 1716 met 653 slaven (480 Piezas de India) te vertrekken. De termijn van twee maanden of 8 weken werd hier weliswaar overschreden, maar op drie maanden tijd wist de St. Andries toch wel een behoorlijk aantal slaven in te handelen. Met het lotgeval van de Emmenes nog in het achterhoofd, die ruim vijf maanden nodig had om al zijn slaven in te schepen, kon H. Haring daarover dan ook alleen maar tevreden zijn.

 

11.c.4.3. Schendingen van het neutraliteitsverdrag.

In 1704 liet de koning van Fida de aanwezige Europese naties op de Slavenkust een neutraliteitsverdrag tekenen. Met dit verdrag wilde hij voorkomen dat de in 1703 uitgebroken Spaanse Successieoorlog zich naar de Slavenkust zou verbreiden. Het verbood namelijk het gebruik van vuurwapens en de bouw van versterkte factorijen aan Fida. Het moest ook een vriendelijk en open handelsklimaat garanderen tussen de verschillende Europese naties, omdat noch de WIC, RAC of Franse Compagnie de Guinée het handelsmonopolie op Fida kon claimen. Wie zich vijandig gedroeg en de handel van anderen schade toebracht door het gebruiken van geweld, kon prompt uit het rechtsgebied van de vorst worden ontzet en van alle verdere handel aan Fida worden uitgesloten. Dit gold in 1715 zowel voor de Engelse agent W. Blaney als de Franse directeur Du Colombier en zou, vooral naar het einde van 1715 toe, een sterke injectie geven aan de slavenhandel van de Compagnie. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat de verbanning van de Engelsen en Fransen slechts tijdelijk was tot met de installatie van een nieuwe agent of directeur.

Zoals we al hebben gezien, zorgde de hoge prijzenpolitiek van de Portugezen op de Slavenkust voor heel wat ongenoegen bij de andere Europese naties aan Fida. Op 22 maart 1714 schreef de Franse directeur Du Colombier aan zijn oversten in Parijs: ‘La traite est devenue de plus en plus mauvaise en raison du grand nombre de vaisseaux qui ont abordé… ce qui a ruiné le commerce (…) parce que le capitaine (…) donne après souvent jusqu’à deux fois plus que l’ordinaire pour avoir de beaux captifs…[437]. Terwijl de Fransen het bij deze woorden hielden, gingen de Engelsen in de tegenaanval over. Op 14 februari 1715 schreef Du Colombier dat de Engelse agent William Blaney naar de koning van Fida was gegaan met het dwingende verzoek om alle handel van de Portugezen in zijn handen te monopoliseren. Op die manier wilde hij de controle over het Braziliaanse goud verkrijgen. Volgens het neutraliteitsverdrag vond Blaney echter bot en toen de vorst van Fida zijn verzoek weigerde, trok hij met een aantal gewapende negers tegen de aanwezige Portugezen op. Bij het vinden van een oude Portugese man langs de weg, liet Blaney hem molesteren en hem de hoed afnemen, ‘pyssende in dezelve en latende dezelve hoed [met] pis op den Portugees zyn hooft zetten door zyn negers[438].

Deze daad was een schending van het neutraliteitsverdrag, omdat het van weinig respect betuigde tegenover de Portugese handelspartners. W. Blaney werd daarom uit het land van Fida gezet. De vorst van Fida had echter nog meerdere redenen om W. Blaney van de slavenhandel aan Fida uit te sluiten, die hij in aanwezigheid van Pieter Valkenier als getuige in een officiële verklaring samenbalde. Zo had Blaney zich niet alleen schuldig gemaakt aan geweld tegen de Portugezen, maar ook aan geweld tegen de Nederlandse koopman[439]. Dit was gebeurd naar aanleiding van een dispuut over het akkoord dat de WIC en RAC in 1708 onderling hadden afgesloten en de bescherming van smokkelaars reglementeerde. Over dit conflict heb ik het hier verder niet, omdat dit nog uitgebreid aan bod komt in Deel V over de smokkelhandel (cf. 12.c.).

De verbanning van de Engelsen had positieve gevolgen voor de Nederlanders in Fida. Met het verdwijnen van één van de vier Europese handelspartners verkleinde namelijk de concurrentie op de slavenmarkt. Dit moet een impuls hebben gegeven aan de Nederlandse slavenhandel. De verbanning van de Engelse agent Blaney leek echter niet definitief. Zo ondernam de RAC verwoede pogingen om terug bij de vorst in de gunst te komen door hem met geschenken te paaien. H. Haring schreef daarover ‘van niet contrarie te zullen werken tegens haer in de middelen die sy sullen aenwenden by de coning en andere tot herstellen van meergemelte Blennie[440]. Het is zeker niet uitgesloten dat dit in de loop van het volgende jaar gelukte, want de koning van Fida wilde niet alleen de veiligheid en welstand van zijn volk vrijwaren, hij had er tevens alle belang bij dat de Engelsen bleven participeren in de slavenhandel.

Begin september 1715 ontving Haring een tweede positief signaal van Fida. Op 10 augustus van dat jaar namelijk had de koning van Fida aan Pieter Valkenier laten weten dat hij ook de Franse directeur Du Colombier ‘syn land ontsegt had (…) en dat niet weder aen land souw hebben te komen, maer dierect na Vrankryk te zeylen’. De beschuldigingen aan het adres van Du Colombier waren niet min. Zo had hij met een schip aan het naburige volk van Jaquin buskruit, geweren en kanonnen gezonden, zodat het volk zich bij een eventuele aanval van Fida kon verdedigen. ‘En alzoo hy coning van Fida tegens de Jaquynze in ’t kort meent te oorlogen, soo quam hem hetselve als een ongehoorde saak voor als dat men syn vyand met oorlogsammunitie provideerde om tegens hem te oorlogen’, aldus nog Valkenier[441].

Met de verbanning van de Fransen uit Fida viel een tweede concurrent aan Fida weg. De Afrikaanse handelscontacten beperkten zich vanaf dan -althans tijdelijk- tot de Portugezen én de WIC. Hoewel de Portugezen bereid waren aan de Afrikanen veel meer voor hun slaven te betalen (cf. 11.c.4.1.), vonden de Afrikaanse handelaars bij de WIC een grotere en permanente afzetmarkt, terwijl de handel met de Portugezen alleen kon worden gedreven wanneer er schepen op de rede lagen. Bovendien wist de WIC extra inkomsten te genereren uit haar rechtstreekse handel met de Portugezen (cf. 11.c.6), die niet zelden bij de Nederlandse loge aan Fida aanklopten om sneller van hun lading slaven te kunnen worden voorzien.

Uit het voorval van de Franse directeur kon H. Haring eens te meer zien dat de koning van Fida volgens het neutraliteitsverdrag ‘de scheytsman van alle differentie’ was en de touwtjes stevig in handen had. Daarom bij voorbeeld hadden de Heren X nooit de goedkeuring kunnen geven om ‘aldaer een soort van vastigheyt (= factorij) te maken…[442]. Omwille van het geldende neutraliteitsverdrag was de slavenhandel in Fida veel gecompliceerder dan op de Goudkust. Elk gebruik van geweld tegenover de Afrikaanse kooplieden of andere Europeanen daar kon alleen maar schadelijk zijn voor de eigen handel, zoals de Engelse en Franse natie aan den lijve hadden mogen ondervinden. Het kwam er voor elke partij dan ook op aan om andere kunstgrepen te gebruiken om het laken van de slavenhandel naar zich toe te trekken. Diplomatie en doorzicht waren daarbij twee cruciale termen.

De Engelsen en Fransen aan Fida hadden daarvan duidelijk geen kaas gegeten. Hun ondoordachtheid moesten ze bekopen met uitsluiting van de handel. Verbanning uit Fida was echter een persoonlijke strafmaatregel. Met de installatie van een andere agent of directeur en de belofte aan de koning van Fida om het neutraliteitsverdrag in de toekomst na te leven, konden beide naties er tot spijt van de WIC al vrij snel hun handelsactiviteiten hernemen. Ondanks hun terugkeer in de loop van 1715 en 1716 moet de WIC echter wel gesterkt uit de situatie zijn gekomen. Haring besefte dat hij daar in de nabije toekomst misschien van kon profiteren en was van oordeel dat men bij de vorst van Fida veel kon bereiken ‘door goede intriges’. In navolging van het ontslag van Pieter Valkenier eind 1715 (cf. 7.b.1.), had de Compagnie aan Fida dan ook iemand nodig ‘die wat meer als een ordinair Guinees verstant bezit[443].

 

11.c.4.4. Deelbesluit.

Volgens Den Heijer kon de WIC haar handel op de Slavenkust redelijk stabiel houden met een gemiddelde export van 1.200 slaven per jaar. Voor het jaar 1715 zijn de handelsrekeningen van Fida jammer genoeg verloren gegaan. Dit hoeft ons echter niet te beletten om een betrouwbare schatting te maken. Zo wist de WIC daar in 1715 ongeveer 1.000 slaven te kopen (opgeteld bij de gegevens van de Goud- en Ivoorkust benadert dit het cijfer van in de memorie). Daarmee was de Slavenkust in 1715 goed voor 62% van de totale slavenexport uit West-Afrika. Deze slaven werden zowel op de Nederlandse schepen gezet als aan de Portugezen doorverkocht.

In de laatste maanden van 1714 was de concurrentie op de Slavenkust het grootst en was de slavenhandel er voor de WIC dodelijk slecht. De Nederlanders konden de prijzenslag met de Portugezen, die de slavenmarkt ontwrichtten, niet aangaan en ook de Engelsen en Fransen staken hen de loef af. Voor de Emmenes, die 5 maanden aan Fida voor anker lag, had dit bijna fatale gevolgen. Gelukkig voor de WIC zouden er in de loop van het jaar 1715 enkele positieve elementen opduiken. Enerzijds was er het voorstel van H. Haring tot ‘reorganisatie’ van de slavenhandel aan Fida, waarbij oppercommies Valkenier geen rekening meer hoefde te houden met de verkoopprijzen in de marktbrief, zodat de schepen voortaan sneller van hun slaven zouden kunnen worden voorzien. Anderzijds betekende de tijdelijke Engelse en Franse verbanning uit Fida een meevaller voor de Compagnie, die daardoor haar slavenhandel wist omhoog te krikken. Zo wisten de slavenschepen Akredam en St. Andries hun slaven binnen een termijn van 2 tot 3 maanden in te schepen.

 

11.c.5. Exportgegevens van de slavenschepen in 1715.

 

11.c.5.1. Cargo.

Op hun reis naar Afrika kregen de slavenschepen van de Heren X een instructie mee, waarin het aantal te transporteren slaven stond vermeld. In de praktijk werd dit cijfer echter niet altijd gehaald, zo ook in 1715. Daar zat de stokkende slavenhandel op de Goud- en Slavenkust voor iets tussen. De Emmenes had met 563 slaven of 459 Piezas de India wel een behoorlijk aantal slaven aan boord, maar dit was alleen door de ingreep van H. Haring, die 230 slaven uit veroverde Portugese smokkelaars naar Fida had laten zenden ‘omme daermede de kwaden handel van het schip Emmenes enigsints tegemoet te komen[444]. Ook de Akredam had met 590 slaven of 470 Piezas een groot aantal slaven aan boord (cf. tabel 11.11.). Niet toevallig betrof het 2 grote fluitschepen, waarvan de onkosten voor de expeditie zeer hoog waren opgelopen. Om geen deficit te lijden, konden beide schepen het zich niet permitteren om met minder slaven te vertrekken dan in de instructie stond vermeld.

 

Tabel 11.11. Reis- en exportgegevens slavenschepen in 1715.

 

Kamer

Traject

Vertrek Republiek

Aankomst Afrika

Vertrek Afrika

Aankomst Amerika

Emmenes

A

SK-C

24-04-1714

30-07-1714

09-03-1715

09-06-1715

Sonnesteyn

A

GK-C

27-07-1713

26-12-1713

23-05-1715

21-09-1715

Akredam

N

SK-S

11-12-1714

18-06-1715

22-09-1715

20-12-1715

Engelenburgh*

-

GK-C

00-00-1714

00-00-1714

30-09-1715

00-00-1716

Fida*

-

GK-C

00-00-1715

00-00-1715

14-12-1715

09-02-1716

 

 

Cargo

Piezas de India

Mannen

Vrouwen

Jongens

Meisjes

Zuigelingen

Sterfte

%

Emmenes

563

459

291

171

59

40

2

103

18,3

Sonnesteyn

104

94

67

22

10

3

2

37

35,6

Akredam

590

470

-

-

-

-

-

120

20,3

Engelenburgh*

153

136

125

20

6

2

-

17

11,1

Fida*

257

242

178

64

11

4

-

15

5,8

Totaal:

1.667

1.401

61,4%

25,7%

8%

4,5%

0,4%

292

18,2

Bron: ARA, NBKG 82 / ARA, WIC 102 en 1296 / Postma, The Dutch in the Atlantic Slave Trade, appendix 1 en 19.

A = Amsterdam / N = Noorderkwartier / SK = Slavenkust / GK = Goudkust / C = Curaçao / S = Suriname.

* Veroverde smokkelaars.

 

Anders verging het met de 3 slavenschepen die in de loop van 1715 aan Elmina vertrokken. De Engelenburgh en Fida waren twee veroverde smokkelaars, die na hun confiscatie door de directeur-generaal als slavenschip werden ingezet. De Sonnesteyn was een WIC-schip dat in juli 1713 vanuit de Republiek naar Elmina was vertrokken, waar het waarschijnlijk meer dan anderhalf jaar dienst deed als transportschip om pas op 22 mei 1715 van de directeur-generaal (en niet de Kamer Amsterdam) de speciale opdracht te krijgen om met het aantal van 104 slaven naar Curaçao te vertrekken[445]. Van de 370 slavenmissies van de Tweede WIC in de jaren 1675-1738 hadden slechts 2 schepen nog slechter gedaan[446]. De Engelenburgh en Fida hadden gezien de omvang van het scheepsruim wel een behoorlijk aantal slaven aan boord, maar behaalden ook verre van de lading die door de directeur-generaal werd beoogd. Aanvankelijk was H. Haring van plan om het scheepje Engelenburgh naar Jaquin of Ardra op de Slavenkust te zenden om daar een lading van 300 slaven aan te kopen, maar uiteindelijk bleef het schip aan Elmina liggen[447]. Op 30 september 1715 vertrok het daar met 153 slaven aan boord, ‘zynde het ons leet dat by manquement van vaatwerk het getal niet grooter kan wesen, hoewel dat scheepje vry wat meer souden konnen laden’, aldus Haring[448]. Dit vaatwerk was nodig om de victualiën en het drinkwater voor de bemanningsleden en de slaven te conserveren. Ook het scheepje Fida moest eind 1715 door een tekort aan voldoende vaatwerk noodgedwongen met 50 slaven minder vertrekken[449].

 

11.c.5.2. Gender en leeftijdsgroepen van de slaven.

Omdat Afrikaanse slaven vooral werden ingezet om zwaar werk te verrichten op de Amerikaanse suiker-, katoen- of tabakplantages, is het niet verwonderlijk dat een meerderheid van hen volwassen mannen (Piezas de India) waren. Mannelijke slaven werden in Amerika bovendien courant aan een hogere prijs verkocht, wat een motief kon zijn geweest voor de Nederlandse slavenschepen om meer mannen dan vrouwen te transporteren. In de loop van de 18de eeuw werd de vraag naar vrouwelijke slaven echter groter. In de jaren 1662-1701, wanneer de WIC onrechtstreeks het asiento met de Spaanse kolonies in handen had, stipuleerden de asientocontracten altijd een verhouding van twee mannen tegenover één vrouw. Na het verlies van het asiento in 1701 wijzigden deze verhoudingen niet. In principe moest elk schip er op toezien dat het alleen maar Piezas de India inscheepte en de verhoudingen respecteerde.

Naast volwassen en gezonde mannen en vrouwen, vervoerde de WIC natuurlijk ook kinderen jonger dan 15 jaar die als fracties van Piezas de India werden gerekend. In Amerika werden zij eerder de lichtere huishoudelijke taken toebedeeld, maar eens ze volwassen waren, werden ze ook op de intensieve plantages ingezet. Voor de WIC waren ze geen eerste keus. Kinderen werden in Afrika pas ingescheept wanneer er al voldoende mannen en vrouwen aan boord waren of de slavenhandel van een bepaald schip teveel stremde. Een mooi voorbeeld daarvan is artikel 7 van de instructie voor de Akredam. ‘Vyff à ses weken in handel gelegen hebbende en de negotie eenigsints stremmende’, zoo werd de schipper toegestaan om niet langer Piezas in te handelen, maar ook gezonde jongens en meisjes te ontvangen[450]. Zuigelingen, kinderen jonger dan 3 jaar, waren geen fractie van een Pieza, maar bleven bij de moeder. Zo hadden de slavenschepen Emmenes en Sonnesteyn elk 2 zuigelingen aan boord.

In tabel 11.11. zijn de genderverhoudingen van de verscheepte slaven in het jaar 1715 procentueel uitgedrukt. Daarvoor is dankbaar gebruik gemaakt van de databank van Postma. Alleen van het schip Sonnesteyn is in het dagjournaal een gedetailleerde cargolijst nagelaten[451]. In 1715 bedroeg het aandeel van verscheepte mannen 61,4%, vrouwen 25,7%, jongens 8%, meisjes 4,5% en zuigelingen 0,4%. Deze percentages stemmen zeer goed overeen met de cijfergegevens die J. M. Postma op basis van 370 slaventochten voor de ganse periode van de Tweede WIC heeft verzameld. Over de jaren 1680-1739 bedroeg het aandeel van verscheepte mannen namelijk 61%, terwijl vrouwen 27%, jongens 8%, meisjes 3% en zuigelingen 1% uitmaakten[452]. Alleen van het slavenschip Akredam zijn voor 1715 geen gegevens bekend.

Ondanks de grotere vraag naar vrouwelijke slaven in het begin van de 18de eeuw, steeg hun export pas opmerkelijk ná 1750. Ook de export van kinderen bleef onder de WIC met 13% redelijk stabiel. Tot aan 1735 bleef de slavenhandel het monopolie van de Compagnie, maar met het verlies van dit laatste alleenrecht en de openstelling van de slavenhandel op Amerika voor private handelaars, zou de export van vrouwen en kinderen pijlsnel stijgen.

 

11.c.5.3. Sterfte.

Volgens Postma stierf gemiddeld 15,9% van de slaven die onder de WIC in de jaren 1675-1739 de Atlantische oversteek of ‘middle passage’ maakten[453]. De meeste van hen stierven aan epidemische ziektes, zoals dysenterie of rode loop, scheurbuik en kinderpokken. Vooral deze laatste ziekte kwam frequent voor en werd vaak al in Afrika zelf opgelopen vooraleer de slaven werden ingescheept. In 1715 lag de sterfte onder de geëxporteerde slaven met gemiddeld 18,2% iets hoger (cf. tabel 11.11.). Dit percentage slaat echter alleen op die schepen die in 1715 vanuit de Bocht van Guinee waren vertrokken. In 1715 waren er nog drie andere schepen, namelijk de Adrichem, Nieuwe Post en Bosbeek, die hun lading slaven in Loango-Angola haalden. De sterfte onder deze slaven bedroeg in totaal 31,7%. Het gemiddelde sterftecijfer voor gans Afrika cirkelde in 1715 feitelijk dan ook rond de 25%.

Zoals gezegd, waren kinderpokken één van de hoofdoorzaken van sterfte, zoals de Sonnesteyn in 1715 aan den lijve mocht ondervinden. Op 23 mei 1715 vertrok het met 104 slaven aan boord, waarvan in totaal 35,6% de overtocht niet overleefde (cf. tabel 11.11.). Een verklaring daarvoor vinden we in het dagjournaal. Toen de kruiser Jacoba Galei begin 1715 met een veroverde Portugese smokkelaar in Elmina kwam, kreeg H. Haring van de bottelier te horen ‘dat onder de slaven de kinderpocken sterk regneerde, waerdoor veele wegstierven, zynde het alle seer slegte slaven[454]. Indien men deze slaven aan land bracht, bestond het reële gevaar om ‘een ongezontheyt in ’t land te brengen die zoo ligt niet weder souw overgaen, als zynde dat hier te landen soo slim als in Europa de pest’, aldus Haring. ‘Om de andere rest hier in ’t fort niet te onsteken’, gaf hij daarom het bevel aan equipagemeester De Haan om de slaven op de scheepjes St. Jago en Sonnesteyn over te schepen om daar te worden verzorgd[455]. Na enkele maanden tijd wist Haring zich echter blijkbaar geen raad met deze slaven en werd besloten om ze dan maar naar Curaçao te zenden.

In een verontschuldigende brief aan Jeremias van Collen, directeur-generaal van Curaçao, schreef Haring dat veel van deze slaven ‘één off ander cleyn gebrek hebben en dierhalven macroen’, omdat ze niet door de WIC zelf waren aangekocht, maar uit veroverde Portugese smokkelaars afkomstig waren, die over het algemeen minder op de kwaliteit van de slaven toezagen[456]. Uiteindelijk stierven 37 slaven op de reis naar Amerika. Volgens J. Postma was de hoge sterfte op de Sonnesteyn ook te wijten aan een slavenrebellie, maar daarover verschaft hij ons geen verdere uitleg[457].

De Emmenes onderging een gelijkaardig lot. Naar aanleiding van de vruchteloze handel van het schip aan Fida (cf. 11.c.4.1.) en de verovering van enkele Portugese slavenschepen, schreef Haring op 28 april 1715 aan de Heren X: ‘Alle de Portugeze slaven, waarvan al veele aan de kinderpockjes gestorven zyn, hebben wy sonder die aan land te derven laten komen met communicatie van raden geoordeelt ten besten van de Comp(agni)e te moeten versenden naar Fida om het schip Emmenes vandaar te depescheren[458]. Uiteindelijk stierven 94 slaven op de overtocht en 9 slaven in de haven van Curaçao. Net als bij de Sonnesteyn, was de ziekte kinderpokken ook hier de grootste boosdoener.

 

11.c.6. Rechtstreekse slavenhandel met de Portugezen.

In paragraaf 11.b.1.4. hebben we al gezien dat de Portugese vaart op West-Afrika en in het bijzonder op de Slavenkust aan het begin van de 18de eeuw een hoge vlucht nam. Al vanaf 1690 werden in Bahia op grote schaal vergunningen verleend voor de slavenhandel op Guinee, omdat bij de Portugese kolonisten de vrees was ontstaan dat Angola door de waterpokkenepidemie in 1687 niet meer zou kunnen instaan voor de aanvoer van voldoende slaven. Hoewel de Portugezen officieel sinds 1669 uit West-Afrika waren verbannen, stond de WIC deze handel oogluikend toe op voorwaarde dat elk Portugees schip tolgeld betaalde (cf. 11.b.1.4.). Naast de slavenhandel met de Afrikanen, wendden de Portugezen zich echter ook al vrij snel tot directe handel met de WIC, zowel in Elmina als Fida. Hoewel dit voor de Portugezen veel duurder was, konden ze op die manier lange wachttijden voorkomen.

Directeur-generaal H. Haring vroeg in 1711 al aan de Heren X om een reguliere slavenhandel met de Portugezen op poten te zetten. Daarmee hoopte hij slaven tegen goud, tabak, suiker en brandewijn of ‘kilduyvel’ te kunnen verhandelen[459]. Volgens Haring zou dit niet alleen de slavenhandel, maar ook de goudhandel bevorderen. Hij had gelijk, want in de loop van de 18de eeuw en zeker in de jaren ’20 zou het goud uit Brazilië steeds meer aandeel hebben in de goudexport van de WIC. Onder een aantal voorwaarden gingen de Heren X met het voorstel van Haring akkoord. Zo bleef het voor Portugese schepen verboden om Europese en Aziatische waren aan te voeren en moest voor hun vertrek aan Elmina in een handelsrekening worden vermeld hoeveel slaven ze aan boord hadden. Indien een compagniekruiser bij controle van Portugese schepen meer slaven aan boord vond, werden deze in beslag genomen[460].

De directe slavenhandel met de Portugezen legde de WIC geen windeieren. In de beginjaren van deze nieuwe handelsstroom ging het om enkele tientallen slaven per jaar, maar vanaf 1715 steeg het aantal pijlsnel tot enkele honderden per jaar. In 1719 werd de piek in deze handel bereikt. Eenduidigheid over handelscijfers voor dat jaar bestaat echter niet. Terwijl Postma van mening is dat de WIC toen 1.491 slaven aan twaalf verschillende Portugese kapiteins verkocht, meent Den Heijer dat deze handel toen 1.503 slaven opleverde[461]. In 1715 werden volgens Postma dan weer 473 slaven aan de Portugezen verkocht[462]. Deze werden keurig verdeeld over de schepen die in Elmina en op de rede van Fida lagen.

In 1715 vertrokken aan Elmina drie Braziliaanse schepen met slaven. De eerste was de Nostra Seniora d’Apresentacao, die op 7 augustus met 89 coppen slaven naar Pernambuco vertrok. Zijn betaling voor deze slaven waren in totaal 896 rollen tabak, 13 mark goud en 1.350 pond suiker[463]. Het tweede schip, de St. Isabelle, werd door de Nederlandse slavenhaler Nieuwe Post op de Bovenkust veroverd en naar Elmina overgebracht, waar het na het verkrijgen van een handelspas met een kleine lading van 48 slaven vertrok. Zijn betaling bestond uit 238 rollen tabak en 12 mark goud[464]. Het laatste schip, de Nostra Seniora de Rocario, vertrok op 17 oktober aan Elmina met 55 slaven, waarvoor de WIC 406 rollen tabak, 4 mark goud en 255 pond suiker ontving[465]. In 1715 verkocht Elmina aan de Portugezen dus 192 slaven, bijna 50% van de totale slavenhandel op de Goudkust in dat jaar! Voor één gezonde volwassen slaaf betaalden de Portugezen gemiddeld 5 ons of 200 gulden. In tabak omgerekend, kwam dit neer op 8 rollen voor één slaaf.

De overige 281 slaven werden in Fida aan 4 Portugezen verkocht. Aangezien de WIC daar in 1715 om en bij de 1.000 slaven had geëxporteerd, kunnen we besluiten dat 72% van deze handel naar de schepen van de WIC ging, terwijl 28% of éénvierde van de slaven bestemd was voor verkoop aan de Portugezen. Hoewel deze percentages alleen voor het jaar 1715 gelden, kunnen we ze gemakkelijk naar de daaropvolgende jaren extrapoleren. Na 1715 steeg namelijk niet alleen de slavenhandel aan Fida, maar nam ook de handel met de Portugezen grotere vormen aan.

 

11.d. Goederen- versus slavenhandel: een balans.

 

11.d.1. Goud, ivoor en slaven in West-Afrika (1700-1731).

 

 

Grafiek 4 toont de ongecontesteerde primordialiteit van de goudhandel in West-Afrika. Hoewel de goudhandel in vergelijking met het laatste kwart van de 17de eeuw ná 1700 een ferme neerwaartse duik nam, bleef de export tijdens de 18de eeuw boven het niveau van alle andere goederen tesamen uitstijgen, waaronder ivoor en slaven de belangrijkste waren. Over de jaren 1675-1731 was de goudexport volgens berekening van Postma zelfs goed voor 75% van de totale export uit West-Afrika[466]! Gedurende de 18de eeuw boerde de goudexport echter flink achteruit. Oorlogen tussen Europese staten, zoals de Spaanse Successieoorlog (1701-1713), waardoor de maritieme vaart in de Atlantische ruimte werd verstoord, hadden daarin zeker hun aandeel; toch moet dit fenomeen eerder worden verklaard aan de hand van de politieke verschuivingen in West-Afrika en voornamelijk op de Goudkust, waar de goudhandel voor de WIC ten slotte het belangrijkst was.

Met de opkomst en definitieve overwinning van de Ashanti in 1701, werden de politieke verhoudingen tussen de Afrikaanse staten en hun Europese handelspartners grondig verstoord. Tussen 1701 en 1710 was de Goudkust quasi permanent in oorlog ten gevolge van de agressieve expansiepolitiek van Ashanti. Met de geconsolideerde vrede in 1711 kwam er meteen een sterke groei in de goudexport (cf. grafiek 4), maar jammer genoeg voor de WIC was dit slechts een eenmalig feit. In tegenstelling tot de Akkanisten, een groep professionele kooplieden uit het binnenland die tot het einde van de 17de eeuw voor de aanvoer van voldoende goud zorgde, voeren de asantehene opmerkelijk minder goud aan. De WIC werd afhankelijk van andere staten en moest zich aan deze nieuwe situatie aanpassen.

Vandaar ook dat ik mij bij het vellen van een waardeoordeel over de goudhandel van de WIC in 1715 (net als voor de overige exporttakken trouwens) heb beperkt tot het tijdskader van 1700-1731. In deze periode behaalde de goudexport van de WIC in 1715 een gemiddelde opbrengst. Gezien de gewijzigde politieke verhoudingen op de Goudkust, werd dit toen door Haring waarschijnlijk ook zo ervaren. Indien ik mijn waardeoordeel over het jaar 1715 echter had gekadreerd in de ganse bestaansperiode van de Tweede WIC (1675-1731), zou het besluit luiden dat de goudhandel in 1715 vér onder het gemiddelde lag. In de 17de eeuw heerste er namelijk een relatieve rust op de Goudkust en werd er veel meer goud aangevoerd. Deze tijdspanne is volgens mij echter een vertekende en verkeerde waardemeter. Dat de goudhandel in de jaren 1700-1731, op enkele uitzonderlijke hoogtes en laagtes na, dan toch redelijk stabiel bleef, kwam door externe factoren. Terwijl de handel op de Goudkust verslechterde, kreeg de WIC namelijk een injectie van Braziliaans goud, zowel aan Elmina als aan Fida. Daardoor kon de WIC haar goudexport in de jaren ’20 van de 18de eeuw op peil houden. Vanaf de jaren ‘20 zou de Slavenkust zelfs de Goudkust overvleugelen en de grootste leverancier worden van (Braziliaans) goud.

De ivoor- en slavenhandel waren de twee andere belangrijke handelsstromen van de WIC in West-Afrika, maar brachten duidelijk veel minder op. Op het einde van de jaren ’20 en vooral in 1731 was de kloof tussen de goud-, ivoor- en slavenhandel wel zeer klein geworden. Over het algemeen hadden de slaven een groter aandeel dan de ivoorhandel. Zo leverde de slavenhandel voor de periode 1700-1731 in 24 jaren meer op dan de ivoorhandel (cf. grafiek 4). Dit slaat alleen op de handel in West-Afrika, de brutowinst dus, en zegt nog niets over de uiteindelijke nettowinst na verkoop van de slaven in Amerika en het aftrekken van alle onkosten voor de uitredingen, waarover verder meer. In het tijdskader van 1700-1731 geldt dat de ivoorhandel in 1715 net iets boven het gemiddelde uitstak, terwijl de slavenhandel toen iets onder het gemiddelde dook.

Deze gemiddelde waarden voor de ganse Bocht van Guinee bieden echter alleen een kwantitatief houvast. Een aparte belichting van de goud-, ivoor- en slavenhandel op de Goud- en Slavenkust legt enkele opmerkelijkheden bloot en verschaft ons een beter en kwalitatief waardeoordeel over de exporthandel van de WIC.

 

11.d.2. Handel op de Goudkust in 1715.

In 1715 was de Goudkust nog steeds de belangrijkste handelsstrook van de WIC in West-Afrika. Dit kwam door het uitgebreide netwerk aan factorijen dat men daar bezat. Verschillende politieke entiteiten, die via caboceers of Afrikaanse makelaars werkten, konden hun goud, ivoor en slaven daar kwijt. Omdat de Goudkust in West-Afrika het meest gevoelig was voor politieke verschuivingen in het binnenland door oorlogen, die veelal hun terugslag kenden op de handelsstromen naar de kust, biedt onderstaande grafiek ons de mogelijkheid om een kwalitatief waardeoordeel te vellen over de handelsevolutie daar van de WIC in 1715.

 

 

De belangrijkste opmerking daarbij is dat de handel in goud en slaven parallel én permanent steeg (cf. grafiek 5). Dit is op het eerste gezicht hoogst opmerkelijk, want men mag verwachten dat wanneer de goudhandel in tijden van vrede steeg, de handel in slaven logischerwijs zou dalen. Het feit dat beide handelsstromen in de loop van 1715 en vooral in de 2e helft van het jaar een hoge vlucht namen, is niet eenduidig te verklaren. De discrepantie tussen de westelijke en oostelijke Goudkust en wisselende relaties met andere Europese naties speelden daarin een belangrijke rol. Haring helpt ons bij deze verklaring, want in de loop van 1715 en 1716 schreef hij aan de Heren X twee brieven, waarin hij de handelsevolutie op de Goudkust samenbalde vanuit zijn eigen ervaringswereld. Een eerste brief van 28 april 1715 luidde als volgt:

Den handel langs de Goudcuste is insgelyx van weinig of geen belang, alzo gene immers weinige koopluyden uit het land aan strand komen door de nieuwe troubles die zig zoo op de Boven als Benedencuste opdoen, zynde de Wassaze met de Brandenburgse reeds geconjungeert en gereet om de Aximze en de daaromheen leggende landschappen te bevegten. En beneden is mede een oorlog op handen tusschen de Akimze en Aquamboeze, waardoor de negotie aan de daaromtrent leggende comptoiren insgelyx gestremt is, zynde bovendien d’Accanisten t’eenemaal uyt hun land door de Akimze verdreven. En de Asjantyn hebben insgelyx de wapenen in plaatze van de balans vercoren en reeds in Wassa genadert om de Ouwienze uit te roeyen…[467].

De politieke onrust op de westelijke Goudkust had ervoor gezorgd dat er in de 1e helft van 1715 minder goud werd aangevoerd, maar omdat het toen nog niet openlijk tot een oorlog was gekomen, gaf dit ook geen impuls aan de slavenhandel. Tegelijk hield de staat Aquamboe de primaire handelsroutes naar Accra gesloten en trokken de Nederlandse smokkelschepen ook een groot deel van de handel naar zich toe. In de tweede helft van 1715 was er echter een forse stijging in de goud- en slavenhandel merkbaar. Op 12 april 1716 schreef Haring daarover deze brief:

Tot de affaires te landen en wel eerstelyk met de negotie seggen dat dezelve in de laatste maanden november, december en january seer aanmerkelyk is geweest en het grootste gedeelte van de jegenwoordige cassa in die maanden ontvangen is, waartoe de ruïne der Z(eeuws)e lorrend(raaie)rs en het agter blyven der Engelze [en] Francen H(ee)r niet weinig hebben gecontribueert, ’t geen ons verhopen deed de negotie zoo florisant als in vorige tyden herstelt te zullen sien…[468].

 

In de 2e helft van 1715 behaalde de WIC inderdaad een overmacht op de andere Europese naties én de Nederlandse smokkelaars, waardoor de Afrikaanse handelaars zich verplicht zagen om hun goederen bij de WIC aan te bieden. Maar de evoluties in het Afrikaanse binnenland waren even belangrijk. De stijging van de goudhandel in het laatste kwartaal van 1715 lijkt op het eerste gezicht merkwaardig, omdat Ashanti toen in volle oorlog was met Aowin. Dit zorgde inderdaad voor een terugval in de goudaanvoer op de westelijke Goudkust, maar tegelijk werden de handelsroutes naar de factorij in Accra opnieuw opengesteld, die erin slaagde om de dalende goudhandel rond Axim voldoende te compenseren. Tevens nam de slavenhandel vanaf het derde kwartaal een hoge vlucht door de vele krijgsgevangenen onder het volk van Aowin, die door de Ashanti als slaaf werden aangeboden. Bovendien gaf Haring in oktober aan alle factorijen het uitdrukkelijke bevel om het slavenschip Fida zo snel mogelijk van zijn lading slaven te voorzien.

Ondanks de tegenstrijdige ontwikkelingen in de goud- en slavenhandel langs de westelijke en oostelijke Goudkust, deed zich in de loop van 1715 een permanente en parallele stijging voor. Tegen het einde van 1715 had de handel op de Goudkust dan ook haar niveau bereikt waarop de directeur-generaal steeds had verhoopt. De handel in ivoor leek daarbij al die tijd het minst onderhevig te zijn aan oorlogen of Europese concurrentie langs de kust, want ondanks een kleine depressie in het derde kwartaal van 1715 (cf. grafiek 5) was de ivoorhandel de meest stabiele handelsstroom langs de Westafrikaanse kust.

 

11.d.3. Rentabiliteit: winst of verlies?

Op basis van de ‘generale driejaarlijkse rekeningen’ in het archief van de WIC is het goed mogelijk de waarde van de handelsstromen tussen 1674 en 1740 in kaart te brengen, omdat zowel de waarde van de importproducten als de verkoopcijfers van de Afrikaanse retourgoederen bekend zijn. Deze rekeningen omsluiten echter telkens een driejaarlijkse periode (bij voorbeeld 1714-16), zodat een baten- en lastenanalyse voor het jaar 1715 alleen onmogelijk is. Gezien de complexiteit van de handel van de WIC, kunnen we hier dus slechts een benaderend inzicht geven.

Volgens de ‘memorie van ingehandelde retourwaren bedroeg de brutowinst (dit wil zeggen de winst op alle exportproducten zonder aftrek van de onkosten) van de Westafrikaanse handel in 1715 386.760 gulden[469]. De balans van deze winst is alvast positief, want in de periode 1700-1731 bedroeg de gemiddelde brutowinst 382.697 gulden[470]. Bovendien lag de opbrengst in 1715 vermoedelijk nog hoger, omdat bij de berekening van deze waarde gebruik is gemaakt van de gangbare standaardprijzen en niet van de werkelijke marktprijzen. De nettowinst van alle geëxporteerde goederen lag echter een pak lager door de vele onkosten van de WIC. Zo had de Compagnie in West-Afrika een uitgebreid netwerk van factorijen, dat jaarlijks om onderhoud vroeg. Andere belangrijke uitgavenposten waren de soldijen of ‘gages’ van het personeel op de forten en schepen, alsook de uitredingskosten voor retour-, slaven- en kustschepen naar en van West-Afrika. In 1715 bedroeg de totale onkostennota zo 171.005 gulden, waardoor een nettowinst overbleef van 215.756 gulden. In vergelijking met andere jaren was dit een vrij hoog onkostenbilan. De werkelijke winst beperkte zich dan ook tot 56% en lag daarmee voor de periode 1700-1731 iets onder de gemiddelde opbrengst van 61%. Het kortwieken van de nettowinst door de hoge onkosten doet vermoeden dat de WIC in 1715 één of meer verliesposten had in haar Westafrikaanse handel. Het is echter niet altijd even gemakkelijk om te bepalen welke handelsstromen nu precies winstgevend of verlieslatend waren.

Over het algemeen waren de kosten voor equipage, victualiëring en gages voor een retourschip de helft goedkoper dan voor slavenschepen, omdat de tijdsduur van retourreizen korter was en de bemanning ook minder talrijk was. Bovendien kon de WIC profiteren van een vrij stabiele handelsstroom naar de Republiek. Ondanks de desastreuze goudhandel op de Goudkust, bleef de goudexport naar de Republiek op peil door de aanvoer van Braziliaans goud (en de confiscatie van smokkelgoud). Ook in de ivoor- en peperhandel moet de Compagnie grote winsten hebben verwezenlijkt. Bovendien wist de WIC de handel met Benin opnieuw op te starten. Het staat dan ook buiten kijf dat de goederenhandel in 1715 (grote) winsten heeft opgeleverd.

Anders verging het de slavenhandel van de WIC. Den Heijer berekende al dat de Nederlandse slavenhandel tot 1711, de slotfase van de Spaanse Successieoorlog, een redelijke winst boekte[471]. Tegelijk betekende deze oorlog echter een keerpunt, door het verlies van het asientocontract, en werd vanaf 1711 steeds meer verlies in plaats van winst gemaakt. Ook in 1715 was de transatlantische slavenhandel voor de WIC een verlieslatende post. Dit was te wijten aan een combinatie van factoren waarin de handel in Afrika een belangrijk aandeel had. Zo waren er de stijgende inkoopprijzen op de Slavenkust (terwijl de verkoopprijzen in Amerika stabiel bleven), de langere wachttijden aan Fida, waardoor de gage- en uitredingskosten van de schepen hoger opliepen, en tot slot het hoge sterftecijfer onder de slaven op hun oversteek.

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[212] Den Heijer, Goud, ivoor en slaven, 98.

[213] ARA, NBKG 82, 26 maart 1715 (113).

[214] Den Heijer, Goud, ivoor en slaven, 290.

[215] Ibidem, 400, Bijlage 1.

[216] ARA, WIC 1296, achteraan register / Zie ook Bijlage 9.

[217] In tabel 11.1. Exportlading wordt dit schip dan ook buiten beschouwing gelaten.

[218] ARA, NBKG 82, Instructies I. Pontanus, G. Pranger en J. van de Raaden, 28 april en 31 mei 1715.

[219] Ibidem, Instructie H. Pronk, 23 mei 1715, artikel 1 (223).

[220] Ibidem, Instructies I. Pontanus, G. Pranger en J. van de Raaden, 28 april en 31 mei 1715 (176/234).

[221] Den Heijer (Persoonlijke databank).

[222] Den Heijer, Goud, ivoor en slaven, 99.

[223] Ibidem, 91.

[224] Idem / Den Heijer (Persoonlijke databank).

[225] Postma, The Dutch in the Atlantic Slave Trade, 152, tabel 7.1.

[226] Den Heijer, Goud, ivoor en slaven, 100.

[227] ARA, NBKG 82, W. Butler aan H. Haring, 17 juli 1715 (319).

[228] Den Heijer, Goud, ivoor en slaven, 147.

[229] ARA, NBKG 82, Instructies 23 mei, 30 september en 14 december 1715 (223/470/650).

[230] Den Heijer, Goud, ivoor en slaven, 141-142.

[231] ARA, NBKG 82, 18 december 1715 (660).

[232] Ibidem, Instructie A. van de Poele en commissarissen, 6 augustus 1715 (336).

[233] Ibidem, 20 maart 1715 (108).

[234] Ibidem, 23 februari 1715 (84).

[235] Den Heijer, Goud, ivoor en slaven, 95.

[236] ARA, NBKG 82, Instructie F. d’Orville en M. Heyman, 2 mei 1715 (183-189).

[237] Ibidem, A. Robbertsz. aan W. Butler, 18 november 1715 (589).

[238] Ibidem, Instructie A. Prouwels en C. Marchal, 25 oktober 1715 (526-531).

[239] Ibidem, Instructie R. van Naarsen, 16 mei 1715, artikels 2 en 3 (203).

[240] ARA, WIC 122, Akkoord tussen WIC en Benin, 26 augustus 1715.

[241] ARA, NBKG 82, Instructie R. van Naarsen, 16 mei 1715, artikel 8 (204).

[242] Den Heijer, Goud, ivoor en slaven, 117-118.

[243] ARA, NBKG 82, Instructie R. van Naarsen, 16 mei 1715, artikel 17 (206).

[244] ARA, WIC 1296, H. Haring aan Heren X, ultimo mei 1715.

[245] ARA, NBKG 82, Instructie P. Leezer, 23 mei 1715, artikels 2 en 3 (220).

[246] Ibidem, Instructie J. Boerhaven, 2 oktober 1715, artikels 4, 5 en 6 (477).

[247] Ibidem, 27 december 1715 (675).

[248] Den Heijer, Goud, ivoor en slaven, 112-126.

[249] Ibidem, 113 / ARA, WIC 1282-1304, Ladinglijsten.

[250] ARA, NBKG 82, P. Valkenier aan H. Haring, 26 oktober 1715 (587).

[251] Ibidem, Sipke E. Brouwer aan H. Haring, 10 september 1715 (426).

[252] ARA, WIC 1296, achteraan register / Zie ook Bijlage 10.

[253] Idem.

[254] Den Heijer, Goud, ivoor en slaven, 114, tabel 5.4.

[255] ARA, WIC 102, Marktbrief 28 april 1715, folio’s 410-411.

[256] Den Heijer, Goud, ivoor en slaven, 117.

[257] ARA, NBKG 82, H. Haring aan alle commandanten, 27 oktober 1715 (535).

[258] Ibidem, J. d’Outreleau aan H. Haring, 10 oktober 1715 (501-502).

[259] Den Heijer, Goud, ivoor en slaven, 117.

[260] Ibidem, 119, tabel 5.5.

[261] Ibidem, 249.

[262] ARA, NBKG 82, 15 april 1715 (156).

[263] Den Heijer, Goud, ivoor en slaven, 528.

[264] ARA, NBKG 82, 23 mei 1715 (219).

[265] Ibidem, H. Haring aan J. Boerhaven, 29 mei 1715 (227).

[266] Ibidem, J. Boerhaven aan H. Haring, 27 en 28 januari 1715 (40-42).

[267] Den Heijer, Goud, ivoor en slaven, 120.

[268] Idem.

[269] ARA, NBKG 82, J. de Landman aan H. Haring, 18 augustus 1715 (360-361).

[270] Ibidem, 13 januari 1715 (16).

[271] ARA, WIC 102, Marktbrief 28 april 1715, folio’s 410-411.

[272] ARA, NBKG 82, J. van Alzem aan H. Haring, 10 september 1715 (419).

[273] Ibidem, W. Butler aan H. Haring, 19 juni 1715 (263-264).

[274] ARA, WIC 102, Cargo Bercoe, folio 525.

[275] ARA, NBKG 82, H. Blenke aan H. Haring, 17 oktober 1715 (515).

[276] Ibidem, H. Haring aan J. d’Outreleau, 5 november 1715 (568).

[277] Den Heijer, Goud, ivoor en slaven, 120.

[278] ARA, NBKG 82, H. Haring aan alle commandanten, 27 oktober 1715 (535-536).

[279] Den Heijer, Goud, ivoor en slaven, 124.

[280] ARA, NBKG 82, H. Haring aan J. de Landman, 4 november 1715 (566).

[281] Ibidem, 8 juli 1715 (298).

[282] Ibidem, Notitie van scheepsbehoeften en koopwaar, 12 december 1715 (643-644).

[283] Den Heijer, Goud, ivoor en slaven, 124.

[284] ARA, NBKG 82, H. Haring aan J. Boerhaven, 14 augustus (348).

[285] Ibidem, 3 oktober 1715 (485).

[286] ARA, WIC 102, Marktbrief 28 april 1715, folio’s 410-411.

[287] ARA, NBKG 82, Taxatielijsten Liefde en Juffrouw Catharina, 9 en 11 april 1715 (142/152).

[288] Ibidem, H. Blenke aan H. Haring, 23 april 1715 (173).

[289] Ibidem, P. Valkenier aan H. Haring, 26 oktober 1715 (587).

[290] Den Heijer, Goud, ivoor en slaven, 123, tabel 5.6.

[291] Ibidem, 123.

[292] ARA, WIC 1295 / Den Heijer (persoonlijke databank).

[293] ARA, NBKG 82, H. Haring aan P. Valkenier, 16 mei 1715 (201).

[294] Idem.

[295] Ibidem, P. Valkenier aan H. Haring, 26 oktober 1715 (587).

[296] Ibidem, 16 juni en 2 juli 1715 (257/290).

[297] ARA, WIC 1295 / Den Heijer (Persoonlijke databank).

[298] ARA, WIC 102, Marktbrief 28 april 1715, folio’s 410-411.

[299] ARA, NBKG 82, P. Valkenier aan H. Haring, 15 augustus 1715 (406).

[300] Ibidem, J. d’Outreleau aan H. Haring, 17 oktober 1715 (508).

[301] Ibidem, J. Risbeek aan H. Haring, 17 augustus 1715 (359).

[302] Ibidem, H. Haring aan J. Risbeek, 9 augustus 1715 (343).

[303] Voor een beschrijving van deze textielsoorten, zie 10.b.1.

[304] ARA, NBKG 82, M. Heyman aan H. Haring, 21 juni 1715 (270-271).

[305] Ibidem, Instructie J. Boerhaven, 2 oktober, artikel 4 (477).

[306] ARA, VWIS 928, Memorie van de ingehandelde retourwaren op de Kust van Guinea, 1676-1731.

[307] Postma, West African exports, 53.

[308] Ibidem, 55.

[309] Den Heijer, Goud, ivoor en slaven, 126.

[310] Idem.

[311] ARA, NBKG 82, R. van Naarsen aan H. Haring, 26 december 1715 (675).

[312] Den Heijer, Goud, ivoor en slaven, 139.

[313] ARA, VWIS 928 / Postma, West African exports, 73.

[314] ARA, WIC 1296, H. Haring aan Heren X, 28 april 1715.

[315] Idem.

[316] Postma, West African exports, 65.

[317] Den Heijer, Goud, ivoor en slaven, 134.

[318] Ibidem, 128.

[319] Ibidem, 126.

[320] ARA, NBKG 82, H. Haring aan W. Butler, 10 december 1715 (638-639).

[321] Ibidem, 13 oktober 1715 (497).

[322] Ibidem, C. van Naarsen aan H. Haring, 6 februari 1715 (56).

[323] Ibidem, C. van Naarsen aan H. Haring, 11 februari 1715 (67).

[324] Ibidem, C. van Naarsen aan H. Haring, 17 april 1715 (161).

[325] Ibidem, W. Butler aan H. Haring, 30 augustus 1715 (403).

[326] Den Heijer, Goud, ivoor en slaven, 258.

[327] ARA, NBKG 82, 29 maart 1715 (114).

[328] Ibidem, 21 januari 1715 (34).

[329] Ibidem, W. Butler aan H. Haring, 25 juni 1715 (276).

[330] Ibidem, H. Haring aan W. Butler, 9 september 1715 (417).

[331] Ibidem, W. Butler aan H. Haring, 10 oktober 1715 (503).

[332] Ibidem, W. Butler aan H. Haring, 17 oktober 1715 (513).

[333] Ibidem, W. Butler aan H. Haring, 8 oktober 1715 (491).

[334] Ibidem, W. Butler aan H. Haring, 27 november 1715 (617).

[335] Ibidem, H. Haring aan W. Butler, 11 december 1715 (642).

[336] Ibidem, W. Butler aan H. Haring, 13 oktober 1715 (504).

[337] Bosman, A New and Accurate Description of the Coast of Guinea, 71-79.

[338] ARA, NBKG 82, J. Boerhaven aan H. Haring, 17 mei 1715 (216).

[339] Bosman, A New and Accurate Description of the Coast of Guinea, 78.

[340] ARA, NBKG 82, J. Risbeek aan H. Haring, 5 mei 1715 (195).

[341] Ibidem, J. Risbeek aan H. Haring, 29 juni 1715 (291).

[342] Ibidem, G. Hendrickx aan H. Haring, 16 augustus 1715 (359).

[343] Ibidem, H. Haring aan G. Hendrickx, 13 augustus 1715 (345).

[344] Ibidem, J. Risbeek aan H. Haring, 30 augustus 1715 (395).

[345] Ibidem, J. d’Outreleau aan H. Haring, 31 oktober 1715 (560).

[346] Ibidem, H. Haring aan J. d’Outreleau, 5 november 1715 (568).

[347] Ibidem, H. Haring aan J. Risbeek, 2 oktober 1715 (482).

[348] Ibidem, J. Risbeek aan H. Haring, 10 oktober 1715 (494).

[349] Ibidem, J. d’Outreleau aan H. Haring, 26 oktober 1715 (547).

[350] Ibidem, G. Hendrickx aan H. Haring, 2 november 1715 (563).

[351] Ibidem, H. Haring aan J. d’Outreleau, 17 juni 1715 (257-258).

[352] Ibidem, A. van de Poele en commissarissen aan H. Haring, 31 augustus 1715 (409).

[353] Ibidem, G. Hendrickx aan H. Haring, 27 oktober 1715 (541-542).

[354] Ibidem, J. van Alzem aan H. Haring, 27 oktober 1715 (542).

[355] Ibidem, H. Haring aan G. Hendrickx, 30 oktober 1715 (543).

[356] Ibidem, M. Heyman aan H. Haring, 13 november 1715 (585).

[357] Ibidem, W. Butler aan H. Haring, 24 november 1715 (612).

[358] Den Heijer, Goud, ivoor en slaven, 197.

[359] Law, The Slave Coast of West Africa, 204.

[360] ARA, NBKG 82, H. Haring aan P. Valkenier, 15 februari 1715 (74).

[361] Den Heijer, Goud, ivoor en slaven, 134.

[362] Ibidem, 131.

[363] Idem.

[364] Garrard, Akan Weights and the Gold Trade, 87-88.

[365] ARA, NBKG 82, H. Haring aan H. Blenke, 25 juni 1715 (273).

[366] Ibidem, J. Risbeek aan H. Haring, 10 oktober 1715 (494).