| Nederlands Elmina: een socio-economische analyse van de Tweede Westindische Compagnie in West-Afrika in 1715. (Yves Delepeleire) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
DEEL IV. SCHEEPVAART EN HANDEL IN WEST-AFRIKA.
HOOFDSTUK 9: Scheepvaart op West-Afrika.
De scheepvaart van de WIC op West-Afrika kan in vier belangrijke categorieën worden onderverdeeld. De retourhandel tussen de Republiek en de Bocht van Guinee gebeurde door retourschepen, terwijl de slavenhandel tussen de Republiek, Afrika en Amerika door slavenschepen gebeurde. Voor de kusthandel in West-Afrika (van de Greinkust tot aan Benin) werden kleine vaartuigen ingezet, hoekers of kustschepen. Een laatste categorie waren kruisers, sterk bewapende schepen die de smokkelhandel voor de kusten van West-Afrika bestreden. Dit scheepstype behandelen we hier niet, maar komt uitgebreid aan bod in Deel V over de smokkelhandel.
9.a. Retourschepen.
In de periode 1674-1740 werden volgens Den Heijer 334 retourschepen vanuit de Republiek uitgereed[212]. Dit kwam gemiddeld op 5 schepen per jaar. In het jaar 1715 kwam dit aantal met de schepen Faam, Commany, Etersem en Apam (cf. tabel 9.1.) op vier. De Faam was feitelijk een kruiser, maar fungeerde op haar heen- en terugreis ook als retourschip en is daarom hierbij opgenomen. De meeste scheepstypes waren fregatten en jachten, met uitzondering van de buis Etersem; snelle schepen die hun heenreis binnen de 3 maanden konden voltooien en, wanneer ze geen handelstochten langs de Westafrikaanse kust ondernamen en niet al te lang op de rede van Elmina bleven liggen, doorgaans zelfs binnen de 8 maanden naar de Republiek konden terug keren. Deze regel ging echter niet op voor 1715.
Het retourschip Commany moet in januari 1715 zijn uitgereed, want op 26 maart van datzelfde jaar lag het al op de rede van Elmina[213]. Vooraleer met een lading goud, ivoor of andere producten terug te keren, werd het echter tweemaal in de kusthandel op Benin en Gabon ingezet, waardoor de Commany uiteindelijk pas na meer dan twee jaar op 22 juni 1717 in de Republiek zou terugkeren. Voor de Etersem gold hetzelfde verhaal. Dit schip vertrok op 18 juni 1715 vanuit de Republiek en bereikte na circa drie maanden de baai van Elmina, waar het prompt voor meer dan 4 jaar in de kusthandel op Calabar werd ingeschakeld. Toen het daar in oktober 1719 met piraten in aanvaring kwam, ging het schip zelfs verloren[214]. De Apam tot slot is een merkwaardig geval. Het schip was oorspronkelijk een smokkelaar, dat naar de naam Americaense Galey luidde, en werd in 1710 door de WIC geconfisqueerd. Volgens Den Heijer werd dit schip in 1715 naar Elmina uitgereed, om in de loop van 1716 opnieuw naar de Republiek terug te keren[215]. Het dagjournaal van 1715 zwijgt daarover echter in alle talen. Uit andere bronnen leiden we af dat de Apam wel degelijk naar West-Afrika is uitgereed, maar mogelijk was het schip al eind 1714 vertrokken. Bovendien keerde de Apam ook veel vroeger terug, want op 5 augustus 1715 werd het schip door de Kamer Amsterdam op de Nederlandse markt te koop aangeboden[216]! Zijn retourlading is echter onbekend[217].
|
Tabel 9.1. Retourschepen in 1715 |
||||
|
Heenreis |
|
Terugreis |
||
|
Schip |
Vertrek Republiek |
|
Schip |
Vertrek Afrika |
|
Faam |
10-01-1715 |
|
Accra* |
09-01-1715 |
|
Commany |
00-01-1715° |
|
Guinese Gebroeders* |
15-02-1715 |
|
Etersem |
18-06-1715 |
|
Eendragt |
08-03-1715 |
|
Apam |
? |
|
Jacoba Galei |
28-04-1715 |
|
|
|
|
Geertruyd Galei* |
31-05-1715 |
|
|
|
|
Bercoe* |
31-05-1715 |
|
|
|
|
Zacconde* |
23-12-1715 |
|
* Veroverde smokkelaars / ° = Exacte datum onbekend. |
||||
In 1715 zond de WIC maar weinig retourschepen naar West-Afrika. Dit was ook niet nodig, omdat de Compagnie toen het geluk had beslag te kunnen leggen op dertien smokkelaars, die in de WIC-scheepvaart werden ingeschakeld en waarvan een groot deel als retourschip naar de Republiek terugkeerde. Van de 7 retourschepen die in 1715 vanuit West-Afrika met een lading goud, ivoor of peper vertrokken, waren maar liefst 5 voormalige smokkelaars (cf. tabel 9.1.). Zij vertrokken niet allemaal aan Elmina. Alleen de Jacoba Galei, Geertruyd Galei en Bercoe werden aan Elmina uitgereed[218], terwijl alle andere retourschepen op meerdere plaatsen aan de Greinkust vertrokken na daar een tijd de kusthandel (in peper) te hebben gedreven.
Een retourschip dat aan Elmina of ergens anders in de Bocht van Guinee vertrok, was gebonden aan vaste zeeroutes. Zo was het niet mogelijk om vandaar de reis naar de Republiek aan te vatten door langs de Bovenkust (Grein- en Ivoorkust) te laveren en zo rechtstreeks een noordelijke route te nemen, omdat men dan tegen de Guinea-stroom in zeilde, wat vrijwel ondoenbaar was en de duur van de retourreis met enkele maanden verlengde. Daarom was elk retourschip verplicht om de Bocht van Guinee eerst in zuidelijke richting af te varen tot aan Cabo Lopes Gonsalves (ter hoogte van de evenaar), alwaar het met de zuidoostpassaat en zuidequatoriale stroom in volle zee werd gedreven en daardoor de Atlantische Oceaan dwars kon oversteken. Deze route was echter niet zonder gevaren, omdat de Nederlandse schepen daar in het vaarwater van de Portugezen kwamen (aan de eilanden Principe en São Tomé), die erop belust waren om de WIC op alle mogelijke manieren te plunderen.
In vrijwel elke instructie voor retour- of slavenschepen legde directeur-generaal Haring er de nadruk op om zoveel mogelijk spoed te maken en uiterst voorzichtig te zijn ter hoogte van Cabo Lopes Gonsalves en de Portugese eilanden, opdat ze ‘niet onverhoedts van zeerovers off andere quaade scheepen overvallen’ zouden worden[219]. Eens men in Europa kwam, was het een Nederlands schip bovendien verboden om in Portugese of Engelse havens aan te leggen, maar moest het dwars door het Kanaal en zo snel mogelijk naar de Republiek varen, alwaar het bij zijn aankomst in de haven van Middelburg, Veere, Vlissingen, Texel of Amsterdam een schot moest lossen en de Nederlandse wimpel op de voorsteng van het schip moest laten waaien om de Heren X op de hoogte te brengen van de behouden thuiskomst[220].
Na hun terugreis werden de schepen Accra en Guinese Gebroeders, samen met de Apam, in 1715 openbaar verkocht (cf. Bijlage 9). De hoeker Zacconde, die eind 1715 met een lading peper terugkeerde, werd in 1716 verkocht voor 5.050 gulden[221]. Het waren allemaal veroverde smokkelaars, die eenmalig als retourschip werden ingezet, maar kennelijk in al te slechte staat waren om nog verder dienst te doen.
9.b. Slavenschepen.
In de periode 1674-1740 werden 383 slavenschepen uitgereed, of gemiddeld 6 schepen per jaar[222]. Daarmee was de slavenvaart de omvangrijkste scheepvaartactiviteit van de WIC. In 1715 werden in de Republiek 3 slavenschepen uitgereed. De schepen Bosbeek en Nieuwe Post hadden daarbij Angola als bestemming, terwijl de St. Andries naar de Slavenkust zeilde. Opvallend daarbij is dat deze twee laatste schepen niet aan de WIC zelf toebehoorden, maar van particuliere reders waren gehuurd. Het huren van slavenschepen was een vrij normale zaak tot aan de Spaanse Successieoorlog, maar kwam daarna nog nauwelijks voor[223]. In 1715 gebeurde dit voor de laatste keer. Toen werd de Nieuwe Post voor 1.400 gulden per maand door de Kamer Amsterdam en de St. Andries voor 1.350 gulden per maand door de Kamer Maze gehuurd[224].
|
Tabel 9.2. Slavenschepen in 1715 |
||||
|
Heenreis |
|
Terugreis |
||
|
Schip |
Vertrek Republiek |
|
Schip |
Vertrek Afrika |
|
Bosbeek° |
05-04-1715 |
|
Emmenes |
09-03-1715 |
|
Nieuwe Post° |
28-04-1715 |
|
Sonnesteyn |
23-05-1715 |
|
St. Andries |
14-07-1715 |
|
Akredam |
22-09-1715 |
|
|
|
|
Engelenburgh* |
30-09-1715 |
|
|
|
|
Fida* |
14-12-1715 |
|
° Met bestemming Angola / * Veroverde smokkelaars. |
||||
Johannes Postma heeft op basis van verschillende steekproeven de duur van een slavenreis voor een compagnieschip berekend op 520 dagen of 17 maanden[225]. Voor alle WIC-schepen die in de loop van 1715 in de slavenvaart actief waren, geldt een vergelijkbaar cijfer van 16,5 maanden. De Engelenburgh en Fida zijn in deze raming buiten beschouwing gelaten, omdat het oorspronkelijk smokkelaars waren waarvan de exacte vertrekdatum in de Republiek onbekend is. De Engelenburgh werd na haar aankomst in Curaçao trouwens gesloopt. Over de verblijfduur van een slavenschip in West-Afrika (op de Goud- of Slavenkust) hebben we het nog uitgebreid in 11.c.
Voor de slavenhandel werden geen specifieke schepen gebouwd. Men gebruikte daarvoor verschillende scheepstypes die mits enkele kleine ingrepen geschikt werden gemaakt voor het vervoer van slaven[226]. Vóór het vertrek werd meestal een koebrug of een ‘diep verdeck’ aangebracht onder de overloop, waardoor de vervoerscapaciteit van het schip aanzienlijk vergrootte. Maar ook tijdens de reis naar en het verblijf op de Goud- of Slavenkust kon het schip nog verder worden aangepast. Zo moest met de komst van de Nieuwe Post aan de Goudkust, vooraleer naar Angola verder te zeilen, het ruim van het schip eerst nog omgebouwd worden om slaven te kunnen vervoeren, waartoe de kapitein ‘planken tot myn slavecombuys (…) alsmede die voor het slaven gemak op zeyde van het schip’ benodigd had[227]. Het nadeel daarvan was wel dat deze schepen langer dan nodig voor de Goud- of Slavenkust moesten blijven liggen.
De grootste leverancier van slaven was de Slavenkust, een kustgebied dat onder de Tweede WIC 39,4% van de totale export van slaven uit Afrika voor haar rekening nam[228]. Dit bleek ook in 1715 het geval te zijn geweest. De Bosbeek en Nieuwe Post zeilden weliswaar naar de Angolese kust, maar het slavenschip St. Andries voer naar de Slavenkust. En hoewel slechts twee van de 5 schepen, die in 1715 hun Atlantische oversteek aanvatten, van op de Slavenkust werden uitgereed, namelijk Emmenes en Akredam, was hun cargo slaven veel groter dan de drie overige schepen Sonnesteyn, Engelenburgh en Fida, die in 1715 van op de Goudkust vertrokken[229].
De Amerikaanse bestemmingen van de slavenschepen waren sterk uiteenlopend, hoewel Curaçao de populairste afzetmarkt leek te zijn. Van de 5 slavenschepen die in 1715 uit West-Afrika hun reis naar Amerika maakten, zeilden maar liefst 4 naar het eiland Curaçao. Alleen de Akredam zette koers naar Suriname. Voor de slavenvaart werden verschillende categorieën schepen gebruikt. Zo werden volgens Den Heijer kleine schepen voor slavenreizen naar Berbice ingezet, middelgrote en grote schepen naar Suriname en de grootste slavenschepen naar Curaçao[230]. Dit was echter niet altijd het geval. Zo werden in 1715 ook de kleinere schepen Engelenburgh en Fida met een beperkt aantal slaven naar Curaçao gezonden. Over de slavenhandel in West-Afrika zelf, hebben we het uitgebreid in paragraaf 11.c.
9.c. Kustschepen.
De WIC dreef niet alleen handel aan haar factorijen op de Goud- en Slavenkust, maar onderhield ook een intensieve kusthandel op de Grein- en Ivoorkust, Calabar en Benin met schepen. Daarvoor had de directeur-generaal van Elmina permanent 4 tot 6 kleine schepen, meestal hoekers, tot zijn beschikking. Deze schepen waren beperkt van diepgang, omdat ze bedoeld waren om de kreken en rivieren langs de kustlijn op te varen. Zo voeren de kustschepen onder meer op de handelsrivier Rio Sester ter hoogte van de Grein- en Ivoorkust, alsook Rio Calabar, Rio de Benyn, Rio del Rey, Rio Cameronus en Rio Gabon in Benin, tot aan de meest zuidelijke punt Cabo Lopes Gonsalves ter hoogte van de evenaar.
De WIC had 2 soorten kustschepen. De ene werden gebruikt in de kusthandel in Afrika, terwijl de overige slechts als interstationaire transportvaartuigen dienden en tussen de forten en factorijen op de Goud- en Slavenkust koopmanschappen, voedsel of bouwmaterialen vervoerden. De schepen Axim en Boutry, beide hoekers, zijn voor 1715 exemplarisch. Beide voeren bijna permanent tussen Elmina en Chama om vers water en hout in te slaan voor de retour- en slavenschepen die aan Elmina of Fida op de Slavenkust lagen te wachten voor vertrek. Eenmaal voer de Boutry ook naar Fida om er de oppercommies P. Valkenier, die zijn ontslag had aangevraagd, af te halen[231]. En vooraleer in de kusthandel ingezet te worden, volbracht het fregat Cormantin ook nog een inspectieronde van de factorijen op de Benedenkust[232].
Veel van deze transportschepen waren in slechte staat door hun lange staat van dienst in de Afrikaanse wateren. Zo werd de hoeker Axim in maart 1715 in de Benya-rivier gebracht om daar te worden hersteld[233]. De hoeker St. Jago, een retourscheepje dat in 1712 vanuit de Republiek was vertrokken en in Afrika als transportschip was ingezet, bleek zelfs zodanig beschadigd te zijn, dat het diende te worden gesloopt[234]. Tot slot was ook het scheepje Boutry in zeer slechte staat. Het werd in 1716 voor het schamele bedrag van 2 mark goud of 640 gulden aan de Portugezen verkocht. In deze paragraaf blijven we verder niet stilstaan bij deze transportschepen.
In de kusthandel werden schepen van diverse types gebruikt. Afhankelijk van de bestemming, de duur van de reis en de grootte van de lading werden zowel fregatten, jachten, hoekers, buisschepen als snauwen ingezet. Gegevens over de kusthandel in Afrika zijn jammer genoeg summier. Van de honderden tochten die langs de kustlijn van de Bocht van Guinee werden gemaakt, zijn voor de jaren 1697-1721 slechts van 26 handelsreizen gegevens, zoals de duur van de reis en handelsrekeningen, bewaard gebleven[235]. Dit bemoeilijkt uiteraard een gerechtvaardigd beeld over de kusthandel van de WIC. Gelukkig biedt het dagjournaal met haar instructies, bevelschriften van de gouverneur aan de handelaars op de kustschepen, ons een welgekomen bron.
In 1715 werden vanuit Elmina 7 schepen op handelsmissie gestuurd naar diverse bestemmingen. Dit gebeurde op geconcentreerde momenten van het jaar, namelijk in de maanden mei, oktober en november. Het opmerkelijke daarbij is dat van die zeven schepen maar liefst 5 voormalige smokkelaars waren, die in de loop van 1715 waren veroverd (cf. tabel 9.3.). De veroverde smokkelaars werden dus niet alleen in de retour- en slavenhandel, maar ook in de kusthandel gecharterd. De hoge kustvaartactiviteit van de WIC in 1715 was zelfs zo goed als volledig te danken aan de confiscatie van deze smokkelschepen. De Commany en Etersem vielen hier niet onder. Beide werden door de WIC uitgezonden om enkele jaren als kustschip dienst te doen vooraleer met een retourlading naar de Republiek terug te keren (cf. 9.a.).
|
Tabel 9.3. Kustschepen in 1715 |
|||
|
Schip |
Bestemming |
Vertrek |
Terugkomst |
|
Chama* |
Ivoorkust |
02-05-1715 |
00-02-1716° |
|
Commany |
Benin-Gabon-Cabo Lopes |
16-05-1715 |
26-12-1715 |
|
Mouree* |
Calabar-Kameroen-Gabon |
23-05-1715 |
19-12-1715 |
|
Etersem |
Calabar-Gabon-Cabo Lopes |
02-10-1715 |
00-00-1716° |
|
Zacconde* |
Greinkust |
25-10-1715 |
23-12-1715 (R) |
|
Cormantin* |
Greinkust |
11-11-1715 |
15-01-1716 (R) |
|
Benin* |
Greinkust |
12-12-1715 |
00-00-1716° |
|
* Veroverde smokkelaars / (R) Retour / ° Exacte datum onbekend. |
|||
Handelstochten langs de kust konden variëren van enkele weken tot maximaal 8 maanden, afhankelijk van de bestemming of het doel van de reis. Toen de scheepjes Zacconde en Cormantin eind 1715 door Haring werden uitgereed, was het de intentie dat ze slechts gedurende enkele weken op de Greinkust handel zouden drijven om zo snel mogelijk met hun lading, voornamelijk peper, naar de Republiek terug te keren (cf. tabel 9.3.). Vaartuigen die op de dichtbijgelegen Grein- en Ivoorkust voeren, waren bovendien meestal binnen de drie maanden terug aan Elmina. Een uitzondering daarop was het fregat Chama, dat 10 maanden onderweg was geweest. Handelstochten naar de meer zuidelijk gelegen gebieden, zoals Calabar, Benin en Gabon, duurden over het algemeen veel langer. Zo was de snauw Mouree bij haar terugkomst op de Goudkust op 3 dagen na zeven maanden onderweg geweest.
De meeste van de handelsreizen in 1715 gingen naar de Bovenkust, ten westen van de Goudkust. Daarvan zeilden drie schepen naar de Greinkust, terwijl de Chama als enige de Ivoorkust af en aan voer (cf. tabel 9.3.). Haar kusthandel in goud, ivoor en slaven was bovendien veel algemener van aard dan de schepen op de Greinkust, die enkel en alleen de handel in peper (grein) beoogden. Toen de Chama op 2 mei 1715 voor zes maanden naar de Ivoorkust werd uitgezonden, diende het vooral de handel te drijven tussen Kaap Apollonia, op de meest westelijke Goudkust, en Rio Sester. Daarbij had Frederik d’Orville de leiding over het fregat, terwijl Michiel Heyman als onderkoopman moest instaan voor de handel[236]. Aangezien het schip voor een redelijk lange tijd onderweg was, kwam het bijna maandelijks aan Axim, de meest westelijke factorij van de WIC op de Goudkust, om te rapporteren over de handelspraktijken op de Bovenkust en daar al het goud, ivoor en slaven af te zetten. Over de opgebrachte exportwaar van de Chama en andere handelstochten (alsook de meegebrachte import vanuit Elmina) hebben we het nog in de volgende hoofdstukken, maar de handel aan de Ivoorkust leek alvast zodanig succesvol, dat de termijn van de handelstocht met 3 maanden werd verlengd[237].
De achtereenvolgende handelsreizen van de scheepjes Zacconde, Cormantin en Benin naar de Greinkust waren feitelijk gecombineerde expedities. Als eerste vertrok het schip Zacconde op 25 oktober om daar een lading peper in te slaan, onder leiding van schipper Cornelis Marchal en assistent Ambrosius Prouwels[238]. Maar om op twee plaatsen tegelijk te kunnen handelen en het scheepje op die manier zo snel mogelijk naar de Republiek te zenden, ging ook de assistent Jan van de Poele mee. Met de Zacconde zou men ongeveer twee weken handel drijven. Daarna diende Prouwels op het andere schip Cormantin over te gaan met zijn resterende lading, waarvoor hij een retourlading peper diende in te kopen. Zes weken na het vertrek van het eerste schip uit Elmina, werd ook de Benin uitgereed, waarmee Prouwels eveneens diende handel te drijven en naar Elmina diende terug te keren. Op zijn terugkomst tot slot werd hem toegestaan ook goud en ivoor, maar geen slaven, in te kopen. De greinhandel van de WIC werd een succes, want in 1715 alleen al werden 5 schepen met een lading peper naar de Republiek gezonden (cf. tabel 11.1.).
De drie overige handelstochten gingen naar de Benedenkust, meer bepaald naar de Niger-delta (cf. Kaart 4) ter hoogte van Calabar en Benin. Net als de schepen naar de Greinkust betrof het geen algemene handelstochten in goud, ivoor en slaven, maar om handelsreizen met een specifiek doel. Het schip Commany was daarvan het meest frappante voorbeeld. Toen het op 16 mei 1715 naar Benin vertrok om er op de handel in ivoor, gom en verfhout (roodhout) toe te zien, had het niet alleen één koopman aan boord, namelijk Revixit van Naarsen, maar ook de onderkoopman Jan Ravens, drie assistenten, Jacobus de Reyke, Anthony Adriaensz. en Willem Leytzen, de chirurgijn Mosterdyk, de soldaat Cornelis van de Poele én twaalf compagnieslaven[239]. De reis van de Commany was namelijk niet zomaar een enkelvoudige handelsexpeditie, maar kaderde in het opstarten -voor het eerst- van een intensief en blijvend handelsnetwerk in gom (en ivoor) met Benin.
De handelstocht van de Commany leidde op 26 augustus 1715 tot een exclusief contract tussen de WIC en de vorst van Benin, waarin een waslijst aan voorwaarden en maatregelen werden opgenomen om de handel van de Compagnie in deze streek sinds lange tijd opnieuw kracht bij te zetten[240]. Eén van de meest opmerkelijke punten in dit akkoord betrof de oprichting van 2 permanente logementen van de WIC, één in het dorp Arrebo en één aan Agathon. Reeds in 1705 sprak directeur-generaal Willem de la Palma over de aanwezigheid van een Nederlandse handelspost daar, maar deze werd al snel opgeheven door de handelsmisbruiken van de Afrikaanse kooplieden in Benin. Volgens Haring was voornamelijk de handel in ivoor er zodanig slecht, dat de kosten voor een permanente personeelsbezetting daar snel hoog opliepen. Bovendien moesten de schepen van de Compagnie daar vaak meer dan vier of vijf maanden op hun handelslading wachten, ‘synde het genoeg dat haer scheepen soo een geruyme tyt vrugteloos in soo een ongesonde plaats moeten doorbrengen’[241].
In 1715 ondernam Haring een nieuwe poging om zich daar ‘in fixim domicilium’ te vestigen, op enkele voorwaarden. Volgens de bepalingen van het akkoord diende de koning van Benin op eigen kosten de twee logementen aan Arrebo en Agathon te bouwen, verplichtte hij zich tot het beschermen van de goederen en het personeel van de Compagnie én moest ook de weggelopen compagnieslaaf Jan Knip aan de WIC worden teruggegeven met de belofte van in de toekomst nooit nog slaven of andere bedienden van de Compagnie in bescherming te nemen. Bovendien garandeerde hij de betaling van uitstaande schulden én de voldoende aanvoer van Afrikaanse producten, zoals de ‘Benijnse paan’, een lendendoek dat door de WIC in Benin was gegeerd en op de Goud- en Slavenkust met grote winst werd doorverkocht[242]. Indien de vorst van Benin zich daaraan strikt hield, zou dit alleen maar voordelen kunnen opleveren voor beide handelspartners, temeer omdat de WIC beloofde elk jaar drie tot vier schepen naar daar te zenden, die ‘ook 3 à 4 mael sooveel goederen in dien selvden tyd [zouden] verdebiteeren, waardoor zyn incomste ook onwedersprekelyk moeten vermeerderen’[243]. Een belofte die de WIC echter nooit zou kunnen nakomen.
De handelsexpeditie van het jacht Commany naar de Niger-delta in Benin was in de eerste plaats opgezet om er de ivoorhandel voor de WIC nieuw leven in te blazen. Maar omdat de ivoorhandel té beperkt was om op geregeld tijdstip kustschepen naar Benin te zenden, moest koopman Revixit van Naarsen er op toezien dat ook gom en verfhout werden gekocht, producten die de Afrikanen daar gemakkelijk in de bossen zouden kunnen vinden. Vooral aangaande de gomhandel bereikte directeur-generaal Haring een primeur. Hoewel hij in de loop van 1714 al commies Frederik van Zelst naar Benin had gezonden om er gom in te handelen, bleef dit zonder gevolgen[244]. De Commany was het eerste schip dat eind 1715 met een grote lading gom naar Elmina terug zou keren en betekende de start van een hernieuwde handelsstroom op de Niger aan de factorijen te Agathon en Arrebo. Exportgegevens komen later nog aan bod in Hoofdstuk 11, wanneer we het afzonderlijk hebben over ivoor, gom en roodhout.
De scheepjes Mouree en Etersem voeren in 1715 ook naar Benin, maar zeilden daarbij iets verder de kustlijn naar het zuiden af in plaats van op de Niger handel te drijven. De snauw Mouree vertrok op 23 mei 1715 onder leiding van de schipper Ary Thuyn en onderkoopman Pieter Leezer in eerste instantie naar Calabar om er ivoor in te handelen, maar voer daarna ook nog meer naar het zuiden de rivieren Kameroen en Gabon op, zelfs tot aan de meest zuidelijke kaap, Cabo Lopes Gonsalves, om daar handel te drijven in was en gom[245]. De Etersem vertrok op 2 oktober met de commies Josua Boerhaven (cf. 8.b.2.) aan boord en diende vooral -in volgorde van belang- de negotie in ivoor, gom, was én roodhout te beogen[246]. Beide schepen mochten op hun terugkomst bovendien ook de Bovenkust afzeilen om er eventueel nog meer ivoor en goud in te kopen.
In Hoofdstuk 11 blijven we langer stilstaan bij de exportcijfers van goud, ivoor, slaven, peper, gom en andere producten in de Bocht van Guinee, maar op het eerste gezicht kunnen we al stellen dat de kusthandel in 1715 succesvol leek en dat er kon worden gesproken over een behoorlijke winstmarge. Zo profiteerde de Chama van de bulkende slavenhandel op de Ivoorkust, handelden de kustschepen op de Greinkust een nooit geziene lading peper in en slaagde de Commany erin om de handel in ivoor en gom in Benin te herstellen! Van alle kustschepen die in 1715 vanuit Elmina zijn uitgevaren, zijn de volledige importladingen wel bekend (cf. 10.c.), alsook een ruwe schatting van de export van enkele schepen, maar een berekening van de brutowinst in de kusthandel is niet mogelijk omdat de financiële administratie van deze schepen zo goed als verloren is gegaan en we dus niet kunnen nagaan hoeveel producten van de importlading de schepen effectief op de kustgebieden hebben afgezet. Alleen van het scheepje Mouree weten we dat haar handelspraktijken een negatief saldo moeten hebben opgeleverd, omdat Haring daarover de zinsnede ‘schadelyken handel’ in de mond nam[247]. Op 16 december 1715 zou Pieter Leezer met 8.500 pond ivoor en 8.000 pond was op de Goudkust zijn teruggekeerd, maar toen Haring zijn handelsrekening controleerde, bleek dit voor ruim de helft te ontbreken! Toen bleek dat dit bedrog aan Pieter Leezer was toe te schrijven, die ‘geduurende de geheele ryze door den dronk meest buyten staet [is] geweest’, besloot Haring de fiscaal de zaak te onderzoeken.
9.d. Deelbesluit.
In 1715 was er in de Bocht van Guinee een hoge graad van scheepsactiviteiten, vooral in de retourvaart naar de havens van Texel, Rotterdam, Vlissingen of Veere, de slavenvaart naar de Amerikaanse gebieden, alsook de handel voor de kusten van West-Afrika zelf. Een kleine berekening leert ons dat in 1715 circa 25 schepen in de vaart op of uit West-Afrika waren betrokken. Dit was onder meer te danken aan de successen van de WIC in de bestrijding van de smokkelhandel, waarbij meer dan de helft van de dertien veroverde Nederlandse smokkelaars in dienst van de Compagnie werden ingeschakeld.
Met in totaal 10 uitgerede retourschepen van en naar West-Afrika primeerde de retourhandel van de WIC boven alles, hoewel de slavenvaart van de Compagnie met 8 schepen ook een grote bedrijvigheid aan de dag legde. Het hoge aantal schepen dat daarbij in 1715 met een lading goederen of slaven vanuit West-Afrika vertrok, zal dan ook zonder meer een sterke invloed hebben gehad op de feitelijke handel van de WIC langs de kusten. Daarbij zou de opgedreven kusthandel een sleutelrol spelen: de winstgevende handelsreizen van de WIC in 1715 zorgden, naast goud en slaven, voor een opwaardering van producten zoals ivoor, peper, gom, was en roodhout.
HOOFDSTUK 10: Import in West-Afrika.
10.a. Bronnenproblematiek.
In tegenstelling tot de aard van de goederenhandel op Afrika, is over de omvang van de import weinig bekend. Studies van Davies, Feinberg en Postma zijn wel van belang voor de goederenhandel in bepaalde perioden van de 17de en 18de eeuw, maar pas met het werk van de Nederlandse historicus Den Heijer, Goud, ivoor en slaven, werd een nauwkeurig overzicht aangereikt van de import van de WIC in West-Afrika tussen 1700-1723[248]. Daarbij maakte hij gebruik van de ladinglijsten van 138 retour- en slavenschepen die voor de jaren 1700-1723 in het Archief van de Tweede Westindische Compagnie zijn bewaard. Deze lijsten vormen de belangrijkste bron om een beeld te krijgen over de import van de WIC in West-Afrika en bevatten waardevolle data over soorten goederen, hoeveelheden en inkoopprijzen[249].
Hoewel deze cijfergegevens een representatieve staal vormen om betrouwbare conclusies te trekken in verband met de import van de WIC in West-Afrika, zijn niet alle ladinglijsten bewaard gebleven. Alleen de lijsten van de Kamer Maze zijn tot ons in het archief overgeleverd. Normaal gezien was het zo dat elke Kamer van de WIC een schip voor haar eigen rekening uitreedde en een lijst van de importlading van dat schip opmaakte, waarvan de kopie binnen de 3 maanden naar alle andere Kamers van de Compagnie moest worden gezonden. Dit werd echter niet altijd even nauwkeurig opgevolgd. En daar alleen de ladinglijsten uit de boeken van de Kamer Maze de tand des tijd hebben overleefd, worden historici dan ook geconfronteerd met veel hiaten in hun onderzoek naar de totale import van de WIC.
Voor een diachronisch onderzoek, zoals Den Heijer deed voor de jaren 1700-1723, hoeft dit niet noodzakelijk een onoverkomelijk probleem te zijn. De conclusies die hij op basis van de 138 ladinglijsten trok, zijn zeker een representatief staal en geven een betrouwbaar beeld over de kwantitatieve import van de WIC in West-Afrika. Voor een casestudie, zoals in mijn geval over het jaar 1715, ligt dit echter veel moeilijker. In 1715 zonden de verschillende Kamers van de WIC 6 retour- en slavenschepen uit De Kamer Amsterdam zond daarbij de kruiser Faam, het slavenschip Bosbeek en het retourschip Commany naar Afrika, de Kamer Stad en Lande het slavenschip Nieuwe Post, de Kamer Noorderkwartier Etersem en tot slot de Kamer Maze de slavenhaler St. Andries. Maar alleen van de schepen Bosbeek en Nieuwe Post zijn de ladinglijsten bekend. Dit maakt een betrouwbare steekproef van de importlading voor het jaar 1715 zeer moeilijk, want bovendien ging het om twee slavenschepen die niet naar de Goudkust, maar naar Angola werden uitgezonden. In totaal verscheepten beide schepen voor 29.071 gulden textiel, 1.913 gulden wapens, 2.962 gulden buskruit, 751 gulden alcohol en nog voor 11.037 gulden aan diversen (cf. tabel 10.1.).
|
Tabel 10.1. Importlading retour- en slavenschepen in 1715. (in gulden) |
|
|
Textiel |
Wapens |
Buskruit |
Alcoholica |
Staafijzer |
Kauri’s |
Diversen |
Totaal |
|
Faam* |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
|
Bosbeek |
6.483 |
725 |
1.493 |
237 |
- |
- |
3.751 |
12.689 |
|
Nieuwe Post |
22.588 |
1.188 |
1.469 |
514 |
- |
- |
7.286 |
33.045 |
|
Etersem* |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
|
St. Andries* |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
|
Commany* |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
|
Totaal |
29.071 |
1.913 |
2.962 |
751 |
0 |
0 |
11.037 |
45.734 |
|
|
63,5% |
4,2% |
6,5% |
1,6% |
0% |
0% |
24,1% |
|
|
Bron: ARA, WIC 1296 / Den Heijer (persoonlijke databank). * Van deze schepen zijn geen ladinglijsten bekend. |
Ondanks het feit dat we voor de Goud- en Slavenkust in 1715 geen importdata hebben, kunnen de ladinglijsten van de Bosbeek en Nieuwe Post op de meeste punten worden geëxtrapoleerd naar de totale import van goederen tussen 1700-1723. Volgens berekeningen waren over die jaren textiel met 50,6% het belangrijkste product, gevolgd door militaria met 12,2%, kauri’s, alcoholica, staafijzer en diversen. Ook in het jaar 1715 waren textiel, goed voor 63,5%, en vuurwapens en buskruit, in totaal goed voor 10,7%, de belangrijkste aangevoerde goederen (cf. tabel 10.1.). Naar Angola werden geen kaurischelpen aangevoerd, omdat zij alleen op de Slavenkust als betaalmiddel werden gebruikt. Staafijzer werd overal in Afrika verkocht, maar werd in 1715 niet naar Angola verscheept. Dit was wél het geval voor de Goud- en Slavenkust, want uit het dagregister leiden we af dat het slavenschip St. Andries in hoofdzaak snaphanen en karabijnen, alsook staafijzer aan boord moet hebben gehad[250]. Alcohol werd zowel naar de Goud- en Slavenkust als Angola in een klein percentage verscheept. De grote waaier aan diverse goederen vervolledigde tot slot de ‘ideale’ cargo van de schepen van de WIC die op Afrika voeren. Vooral de importlading van de Etersem moet zeer gediversifieerd zijn geweest, want volgens schipper Sipke Egberts Brouwers bestond het in hoofdzaak uit minder courante goederen zoals koralen, messen, ringen (voor de slaven) en smidskolen[251].
Van de andere schepen ontbreken alle gegevens van de koopmanschappen. Voor wat betreft de Faam weten we wel dat de kosten voor de equipage van deze kruiser hoog waren opgelopen tot 45.626 gulden en dat het schip ook victualiën aan boord had voor Elmina ter waarde van 640 gulden, maar daar blijft het bij. Het lijkt echter niet onwaarschijnlijk dat de kruiser voor de rest geen koopwaar aan boord had, omdat H. Haring in het dagjournaal daarover stilzwijgt. Over de lading van de Commany, een scheepje dat voor de kustvaart werd ingezet, weten we al helemaal niets.
Hoewel er voor 1715 weinig of geen ladinglijsten zijn bewaard, kunnen we toch nagaan welke goederen door de WIC in de Republiek werden gegeerd om naar West-Afrika te worden getransporteerd. Dit leiden we onder meer af uit een aankondiging van de voorgenomen aankoop van goederen voor de handel op West-Afrika door de bewindhebbers van de Kamer Maze op 24 april 1715, een document uit het Archief van de Tweede Westindische Compagnie[252]. Deze aankondiging toont dat de WIC toen vooral geïnteresseerd was in de aankoop van 20.000 pond kaurischelpen of ‘boesjes’, 1.000 pond buskruit, 1.000 geweren in soort, 1.500 Zweedse ijzeren staven en in totaal 3.050 stuks textiel[253]. Ook schapensmeer stond hoog op het verlanglijstje. Deze goederen werden vermoedelijk allemaal aangekocht en zouden in theorie nog met de schepen Etersem, St. Andries en Commany naar West-Afrika kunnen zijn verscheept, omdat deze schepen pas vanaf juni 1715 onder zeil gingen. Indien dit het geval was, zou dit ons veel leren over de lading van die schepen en de ontbrekende ladinglijsten kunnen aanvullen. Of deze goederen in de tweede helft van 1715 effectief ook werden aangevoerd, zullen we in de volgende paragrafen proberen nagaan.