| Nederlands Elmina: een socio-economische analyse van de Tweede Westindische Compagnie in West-Afrika in 1715. (Yves Delepeleire) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
DEEL V. SMOKKELAARS IN WEST-AFRIKA.
HOOFDSTUK 12: De strijd tegen de smokkelhandel.
12.a. Nederlandse smokkelaars.
Hoewel de Westindische Compagnie in de loop van de 17de eeuw al de handen vol had met de strijd tegen de nieuwe Europese compagnieën in West-Afrika, zoals de RAC en BAC, vormde de welig tierende smokkelhandel een bijkomend probleem. Sinds de oprichting van de Eerste WIC in 1621 werd de compagnie geconfronteerd met de ontduiking van haar handelsmonopolie door Nederlandse smokkelaars die een investering in de smokkelhandel kennelijk aantrekkelijker achtten dan het kopen van een aandeel in de WIC. In de bronnen, zoals bij voorbeeld procesdossiers, werden ze ‘lorrendraaiers’ of ‘enterlopers’ genoemd. In tegenstelling tot de WIC hoefden ze in West-Afrika geen duur handelsapparaat van fortfactorijen te onderhouden, waardoor ze hun koopwaar steevast aan een lagere prijs konden aanbieden. Voor de Afrikanen waren deze smokkelaars dus een lucratieve handelspartner, terwijl de handelsstroom van de WIC werd afgeleid.
De Staten-Generaal vaardigde met het ontstaan van de Eerste WIC een plakkaat uit, waarin het voor particuliere reders werd verboden binnen het octrooigebied van de Compagnie handel te drijven, op straffe van confiscatie van hun goederen. Dat men in 1624, 1632 en 1657 moest overgaan tot verscherping van de ‘peynen en straffen’, zoals verbanning, wijst er op dat deze maatregelen weinig uithaalden[472]. Zo was het een publiek geheim dat de WIC niet in staat was om de kustlijn van West-Afrika te bewaken. Na 1674 vaardigde men nog zwaardere straffen uit, zoals de doodstraf in een plakkaat van 1680, maar ook daarna bleef de zwendel welig tieren[473]. Smokkelaars waren namelijk van hun winstgevende praktijken overtuigd en bereid om grote risico’s te nemen. De regelgeving in de Republiek zou daarom niets bijdragen tot de bestrijding van de smokkelhandel. Andere maatregelen drongen zich op.
12.a.1. Kruisers.
De WIC kon geen halt toeroepen aan de smokkelvaart vanuit de Republiek. Het kwam er voor de Compagnie dan ook op aan om in Afrika zoveel mogelijk schepen te veroveren. Retour- en slavenschepen waren daarvoor niet geschikt, omdat ze vaak over te weinig bewapening of bemanning beschikten en dit hun handelstochten danig vertraagde. Daarom werden zwaar bewapende oorlogsbodems of kruisers naar West-Afrika uitgerust, die alleen de verovering van smokkelaars tot doel hadden en geen handel dreven. Ondanks de schuldensanering in 1674 slaagde de Tweede WIC er in de eerste jaren niet in een kruiser naar Afrika uit te sturen omdat de kosten, die met de uitreding van zo een schip gemoeid waren, zeer hoog opliepen, maar vanaf 1686 tot de ontmanteling van het handelsmonopolie in 1734 was er permanent een kruiser in West-Afrika aanwezig[474].
In de periode 1674-1740 rustte de WIC 33 kruisers uit, die gemiddeld anderhalf jaar in Afrika verbleven. Eind 1714 was dit nog de Jacoba Galei, die toen ter hoogte van Gabon en het Portugese eiland Principe de smokkelaars Swarte Arents Galei en Jonge Jan en Jacob wist te veroveren[475], maar begin 1715 keerde het met een lading goud naar de Republiek terug. Zijn vervanger was de Faam, die door de Kamer van Amsterdam op 10 januari 1715 werd uitgereed. Deze kruiser zou in de loop van 1715 erin slagen om maar liefst 9 Nederlandse smokkelaars te veroveren (cf. tabel 12.1.) en wist daarmee zijn plaats in de geschiedenis van de WIC te bemachtigen. De onkosten voor uitreding en victualiën van de Faam liepen op tot het uitzonderlijk hoge bedrag van 58.699 gulden[476].
|
Tabel 12.1. Confiscatie lorrendraaiers in 1715. |
|||||||
|
Naam smokkelaar |
Kapitein |
H |
Veroverd |
Kruiser |
Confiscatie |
WIC-naam |
Waarde° |
|
Jonge Jan en Jacob |
Cornelis Croes |
Vl |
21-11-1714 |
Jacoba Galei |
28-01-1715 |
Geertruyd Galei |
45.787 |
|
Swarte Arents Galei |
Jacques Baillieu |
V |
13-10-1714 |
Jacoba Galei |
29-01-1715 |
Idem* |
13.738 |
|
Liefde |
Daniel Brakman |
M |
00-02-1715 |
Faam |
07-03-1715 |
Bercoe |
44.213 |
|
Orangeboom |
Jacob Vermare |
Vl |
00-02-1715 |
Faam |
18-03-1715 |
Chama |
26.628 |
|
Juffrouw Catharina |
Hendrik Kievit |
Vl |
00-02-1715 |
Faam |
18-03-1715 |
Idem |
12.413 |
|
Rusteloze Galei |
Leendert Lodder |
Z |
00-02-1715 |
Faam |
18-03-1715 |
Idem* |
10.063 |
|
Johanna Galei |
Hendrik Robbregts |
Z |
24-12-1714 |
Engelenburgh |
00-04-1715 |
Boutri |
4.909 |
|
Zeeuwse Galei |
Jan Andriessen |
M |
20-03-1715 |
Faam |
12-04-1715 |
Cormantin |
50.481 |
|
St. Bernardo |
Digman B. Boom |
Z |
00-03-1715 |
Engelenburgh |
26-04-1715 |
Mouree |
5.523 |
|
Deinsvliet |
Jan van Bokhoven |
Vl |
16-06-1715 |
Faam |
05-07-1715 |
Zacconde |
42.739 |
|
Juffrouw Maria |
Jan Maas |
- |
07-08-1715 |
Faam |
18-09-1715 |
Idem* |
4.969 |
|
Herstel van Zeeland |
Pieter Deinshout |
Vl |
02-09-1715 |
Faam |
18-09-1715 |
Benin |
62.030 |
|
Anna Catharina |
Klaas Leendersen |
M |
03-10-1715 |
Faam |
29-10-1715 |
Fida |
43.129 |
|
Bron: ARA, NBKG 82 / ARA, WIC 102, 1296 / Kors, Lorrendraaien, 80 / Den Heijer, Goud, ivoor en slaven, 413. H = Herkomst Republiek / M = Middelburg / V = Veere / Vl = Vlissingen / Z = Zierikzee. * = Gesloopt / ° = Taxatie van de lading en het schip (in gulden). |
|||||||
De Faam was bezet met 34 stukken geschut en 137 bemanningsleden en mocht in alle gevallen geweld gebruiken om de lorrendraaiers te veroveren. De smokkelaars hadden echter weet van de aanwezigheid van deze kruiser en verspreidden zich snel over alle uithoeken van West-Afrika om een confrontatie te vermijden. Door de hoge graad van smokkelschepen in 1715 kon de Faam dan ook niet overal tegelijk worden ingezet. Daarom zette H. Haring in augustus 1715 tijdelijk twee andere schepen in, de Cormantin en Zacconde, om tussen Cabo Tres Puntas en Axim jacht te maken op drie gesignaleerde lorrendraaiers[477]. Hun kruistocht leverde echter geen resultaat op en werd na een maand stopgezet.
Terwijl het de Faam altijd was toegestaan om smokkelschepen gewapenderhand te veroveren, moesten de scheepjes Cormantin en Zacconde op uitdrukkelijk bevel van Haring veel omzichtiger tewerk gaan. Beide schepen hadden in tegenstelling tot de Faam een beperkte bemanning en minder geschut, zodat ze sneller het slachtoffer konden worden van vijandig kanonvuur. Daarom moesten ze steeds in vloot varen en een ‘synbriev’ afspreken voor in geval van nood. Om de eigen schepen niet in gevaar te brengen en geen onnodig ‘menschebloed te storten’, dienden ze bij het vinden van een smokkelaar trouwens niet meteen het vuur te openen maar eerst een diplomatieke uitkomst te zoeken door de scheepsbemanning van de lorrendraaier te beloven dat ze hun loon ‘by haer particuliere meester verdient’ én persoonlijke bezittingen mochten behouden indien ze zich vrijwillig aan de WIC overgaven[478]. Wanneer dit niet gelukte, was het de schepen Cormantin en Zacconde wel toegestaan om geweld te gebruiken, net als ‘de vrye plundering (…), jeder voor zyn privé volgens zeemansgebruyk’, op voorwaarde dat niets uit het scheepcargasoen werd ontvreemd[479].
Bij de verovering van lorrendraaiers moest de kapitein van de kruiser er eerst en vooral voor zorgen dat hij de scheepspapieren en het goud wist te bemachtigen, dat in bijzijn van 2 van zijn officieren én de kapitein van de lorrendraaier moest worden gewogen en verzegeld[480]. Ook moest hij de luiken van het scheepsruim laten sluiten, opdat niemand iets uit de scheepslading zou kunnen vervreemden. Tot slot diende de kruiser het schip aan Elmina op te brengen, waar de lading werd gelost en getaxeerd, het schip werd geconfisqueerd (cf. 12.a.3.) en de bemanning werd ondervraagd.
Bij de bestrijding van de smokkelvaart was motivatie de sleutel tot succes. Vaak kwam het tot een gevecht, waarbij de matrozen van de Faam een groot risico liepen om gedood te worden. Daarom werden ze bij de verovering van een smokkelschip bovenop hun maandelijkse wedden, die voor matrozen en soldaten zeer laag waren, rijkelijk beloond. Voor elk smokkelschip dat de matrozen veroverden, kregen ze een gezamenlijke premie van 8,75%, terwijl luitenant Josua van der Doos een premie van 0,25% en kapitein Jan van der Hoeven een premie van 1% kreeg. Vooral deze laatste kon daarmee een klein fortuin vergaren. Zo wist de Faam in 1715 9 lorrendraaiers te veroveren, waarmee de man ongeveer 3.000 gulden aan premies verdiende, bovenop zijn jaarlijks salaris van 1.200 gulden. Voor het volk van de Cormantin en Zacconde golden verder ‘dezelve voorregten en emolumenten (…), jeder man hoovt voor hoovt, naer proportie van zyn qualiteyt en gagie’[481].
12.a.2. Toenemend geweld.
Vanaf 1714-1715 begonnen de bedrijfsrisico’s van de smokkelreders ongekende vormen aan te nemen door de talrijke schepen die de WIC wist te confisqueren. In de eerste jaren beperkten de reders zich tot papieren protesten, maar vanaf 1714 zonden ze ook zwaar bewapende schepen uit om het tegen de compagniekruisers te kunnen opnemen. Toen de Zeeuwse smokkelreders in de loop van 1715 hadden gehoord van de prille successen van de kruiser Faam, die op nauwelijks zes maanden tijd een 6-tal smokkelaars had weten te veroveren (cf. tabel 12.1.), werden in augustus van datzelfde jaar vanuit Middelburg twee smokkelschepen met 24 en 22 stukken kanongeschut in zee gebracht[482]. De bewindhebbers van de WIC probeerden deze nieuwe ontwikkeling tegen te gaan door de bemanning van de smokkelschepen een gage van 4 maanden te beloven, indien ze zich vrijwillig overgaven, maar dit interessante aanbod vond geen gehoor. In de loop van 1715 en 1716 zou het voor de kusten van West-Afrika steeds meer tot een zeeslag komen tussen de WIC-schepen en lorrendraaiers. In de volgende alinea’s zal ik enkele van deze confrontaties bespreken.
Toen het fregat Engelenburgh eind december 1714 langs de Greinkust kruiste en de Zeeuwse lorrendraaier Johanna Galei in het vizier had gekregen, zette het samen met een ander WIC-schip, de Guinese Gebroeders, meteen de jacht in. Om zijn schip niet aan het kanongeschut van de smokkelaar bloot te stellen, zond schipper J. Bruyn twee sloepen uit ‘met al zyn gewapende manschap’. In een eerste poging durfden de soldaten en matrozen het smokkelschip niet aan te vallen, omdat de schipper Hendrik Robbregts hen toeriep ‘aan boord te zullen blyven, alzoo voor haer niet wilde stryken [en] in cas van attacque zig te zullen defenderen’, waarop hij het vuur op de sloepjes opende en ‘continueel schoot op schoot’ deed[483]. Na een kort vuurgevecht slaagden de bootjes er in een tweede poging wel in om de lorrendraaier in te nemen. Daarbij was alleen de schipper gewond geraakt, ‘zynde dit veroorsaekt door ’t springen van 10 à 12 cruytflessen’, aldus Eytzen[484]. Al bij al kon de Engelenburgh het smokkelschip vrij gemakkelijk en zonder slachtoffers te maken veroveren.
Anders verging het met de kruiser Faam. Op zijn reis naar West-Afrika had deze kruiser zonder al teveel moeite de vier lorrendraaiers Liefde, Orangeboom, Juffrouw Catharina en Rusteloze Galei (cf. 12.a.3.) weten te veroveren, maar daarnaast was hij ook slaags geraakt met 3 andere smokkelaars, namelijk Negotie Galei, Onbekende en Juffrouw Hendrinna, ‘hebbende tezamen 68 stucken cannon, die hem ook 3 doden en eenige gequetsten hebben toegebragt en veel schade aen stengen en touwwerk’[485]. De smokkelschepen wisten de dans te ontspringen en ten gevolge van deze confrontatie diende de Faam een tijd vruchteloos aan Elmina te blijven liggen om daar te worden hersteld. Dit was echter slechts een voorproefje van wat de kruiser nog allemaal te wachten stond, toen hij op 16 oktober 1715 richting Angola zeilde.
Onderweg naar Angola liet kapitein Jan van der Hoeven op 7 november 1715 de Faam voor de rivier Calabar (in Benin) ankeren en zijn sloep de stroom opvaren om te controleren of er geen smokkelschepen in handel lagen. Diezelfde nacht nog wist hij daar de smokkelaar Elseboom geruisloos te veroveren. Van de kapitein van deze lorrendraaier hoorde hij dat er verderop de rivier nog een ander schip in handel lag, namelijk de Vijff Gebroeders uit Vlissingen. Omdat schipper Jan de Moor van deze smokkelaar de durf had om zich te verzetten, moest de kruiser daarvoor een zwaar en lang gevecht leveren, ‘waarin van ’t volk van de Faam negen gedood en vyff gequest syn geworden’[486]. Dit leiden we ook af uit de dodenlijsten van het WIC-personeel in Bijlage 7. Op 7 november 1715 sneuvelden 7 bemanningsleden van de Faam, terwijl enkele dagen later nog twee personen aan hun verwondingen bezweken. Uiteindelijk zou de kruiser pas in zijn opzet slagen door de bijstand van het scheepje Etersem, dat daar toen voor de WIC in handel lag en ‘welke vereende magt dezen lorrend(raje)r schipper dan ook niet verder heevt derven resisteren’[487].
Enkele maanden later, op 22 februari 1716, leverde de Faam een zwaar gevecht voor de Koning van Pruisen, een lorrendraaier uit Dordrecht met 26 kanonnen en 2 bassen en een 66-koppige bemanning aan boord. Schipper Daniel Sanders had zich daarbij voorgenomen om zoveel mogelijk schade aan de Faam en zijn bemanning te berokkenen en zo lang mogelijk stand te houden, vooraleer hij zich in de handen van de WIC zou moeten overgeven, hoewel hij zich ‘na een kort dog scherp gevegt van omtrent drie glasen en naar verlies van ses doden & vyftien gequesten, waaronder hy Sandersen selve, hebbende het regteroog verloren, (…) heevt moeten overgeven’[488]. Volgens Den Heijer was het de compagniekruiser die na afloop zes doden en vijftien gewonden te betreuren had, maar zoals hierboven geparafraseerd slaan deze aantallen wel degelijk op de lorrendraaier en niet op de Faam[489].
Het laatste voorbeeld van het toenemende geweld en de grimmige sfeer onder de belanghebbenden in de smokkelvaart dateert van 25 december 1715, toen W. Butler melding maakte van twee lorrendraaiers, ‘gemonteert met 30 stukken en één met 24 stukken met suffisante manschap’, die in de haven van Frederiksburg waren geankerd en volgens de plaatselijke geruchten doelbewust waren uitgereed om de strijd met de compagniekruiser aan te gaan[490]. Dit is goed mogelijk, want volgens W. Butler waren beide smokkelaars in de Republiek vertrokken niet lang nadat de Jacoba Galei daar in juni 1715 aan Middelburg was teruggekeerd. Vermoedelijk had het nieuws over de opbrengst van 5 lorrendraaiers door de kruiser Faam op nauwelijks vier maanden tijd zich als een lopend vuurtje onder de Zeeuwse belanghebbenden in de smokkelhandel verspreid en hadden zij bijgevolg besloten om hun schepen zwaarder te bewapenen en de Faam uit te schakelen. Tot een confrontatie zou het echter nooit komen, want eind 1716 keerde de kruiser behouden terug in de Republiek.
Zijn opvolger Jacoba Galei kreeg het in 1717 echter veel zwaarder te verduren. Toen in november 1716 vijf zwaar bewapende lorrendraaiers in de Republiek werden uitgereed, hadden zij de uitdrukkelijke opdracht gekregen om de kustbewaking van de WIC in West-Afrika zoveel mogelijk schade toe te brengen. Dit bleef niet zonder resultaat, want tijdens een gevecht werd de Jacoba Galei zo ernstig toegetakeld, dat het schip voor reparatie naar de Republiek moest terugkeren[491]. Eind december 1718 was de kruiser Faam een nog dramatischer lot beschoren, toen het na een voltreffer in de kruitkamer de lucht in vloog. Van de 163 bemanningsleden die toen aan boord waren, konden slechts zestien opvarenden zich redden[492]. Het agressieve optreden van de lorrendraaiers was het directe gevolg van de successen die de WIC in de loop van 1715 had geboekt. Paradoxaal genoeg bracht dit op middellange termijn alleen schade toe aan de Compagnie.
12.a.3. Taxatie en confiscatie.
Alle veroverde smokkelaars dienden aan Elmina te worden opgebracht, waar de scheepslading werd getaxeerd en het schip geconfisqueerd. Na de verovering van een smokkelaar kon het soms weken of zelfs maanden duren vooraleer het schip door de directeur-generaal in beslag werd genomen. Om praktische redenen zijn we daarom in onderstaande tabel alleen uitgegaan van die schepen die in 1715 effectief werden geconfisqueerd, dit wil zeggen het moment waarop de schepen in dienst van de WIC overgingen. Dit gebeurde pas nadat de lading van het schip was getaxeerd. Daarom zijn van alle schepen in tabel 12.1. taxatielijsten bewaard, met de aantallen en waarden van de in beslag genomen goederen, die ons in Hoofdstuk 14 een beeld zullen geven over de import en export van de Nederlandse smokkelaars.
In 1715 werden aan Elmina in totaal 13 schepen geconfisqueerd (cf. tabel 12.1.). Den Heijer heeft in zijn werk Goud, ivoor en slaven ook een chronologische lijst van geconfisqueerde lorrendraaiers gepubliceerd, maar hij komt voor het jaar 1715 tot een veel groter aantal van 21 in beslag genomen. Het is niet duidelijk op welke bronnen Den Heijer zich daarvoor heeft gebaseerd, maar in zijn confiscatielijst voor 1715 zijn ook schepen opgenomen die ofwel al in 1714 waren geconfisqueerd, ofwel pas in 1716. Bovendien vermeldt hij ook enkele lorrendraaiers die helemaal niet door de kruisers van de WIC waren veroverd[493]. We overlopen ze hier kort.
De Engelenburgh of voormalige smokkelaar Ruyter werd al in 1714 veroverd én geconfisqueerd, want in de laatste maanden van 1714 lag het in opdracht van Haring voor de Greinkust in handel. Twee andere schepen, Elseboom en Vijff Gebroeders, werden dan wel al in november 1715 veroverd (cf. 12.a.2.), maar pas in de loop van 1716 aan Elmina opgebracht en geconfisqueerd. Hetzelfde gold trouwens voor het schip Vlissings Welvaren, dat in de tweede helft van 1715 door de Nieuwe Post voor de kust van Angola werd veroverd, maar niet voor het einde van het jaar aan Elmina werd opgebracht. Volgens de notulen van Elmina werd het schip daar pas op 9 juni 1716 geconfisqueerd[494]. De schepen St. Joseph Galei en Koning van Pruisen werden dan weer pas op 26 januari en 22 februari 1716 veroverd[495].
De schepen Negotie Galei, Onbekende en Juffrouw Hendrinna tot slot werden al helemaal niet veroverd. In de vorige paragraaf hebben we gezien dat de kruiser Faam op zijn tocht naar West-Afrika met deze lorrendraaiers wel slaags was geraakt, maar hen niet had kunnen veroveren. Op 14 mei 1715 had de kruiser volgens bericht van W. Butler nog eenmaal de jacht ingezet op Jan Plas of James Plats, de schipper van de Negotie Galei, maar ‘door de sterke koelte (…), geraakten zyn bramsteng van boven neder, waerdoor het schip ’t welk hy joeg eschappeerde’[496]. Voor de rest van het jaar werd daarover in het dagjournaal geen melding meer gemaakt. De WIC zou er trouwens nooit in slagen deze drie lorrendraaiers te veroveren.
Wanneer een smokkelschip aan Elmina werd opgebracht, was het de taak van de fiscaal om als eerste aan boord te gaan, de luiken van het ruim te sluiten, de sleutels in bewaring te nemen en alle goederen te inventariseren en taxeren (cf. 7.b.2.). Deze taxatielijsten gaven de directeur-generaal een overzicht van de waarde van de buit en werden ook bijgehouden om te voorkomen dat de buitgemaakte goederen, en zeker het goud, door WIC-ambtenaren werden verdonkeremaand. Zolang de inventarisatie en taxatie van de scheepslading niet was voltooid, mochten de fiscaal en auditeur of onderfiscaal het schip dan ook niet verlaten. Vaak kon deze karwei enkele dagen in beslag nemen. Als laatste ging ook de equipagemeester aan boord, die de waarde van het schip ‘met syn staende en lopende want, rondhout [en] zeylen’ moest bepalen.
De waarde van een getaxeerd smokkelschip kon sterk variëren. Afhankelijk van hun zeewaardigheid werden ze in de compagnievaart ingeschakeld. De Jonge Jan en Jacob (6.578 gulden) en Liefde (7.653 gulden) bij voorbeeld waren in zodanig goede staat, dat ze kort na hun confiscatie als retourschip werden ingezet en met een lading goud en peper naar de Republiek terugkeerden. Andere schepen, zoals bij voorbeeld de Johanna Galei (550 gulden) en St. Bernardo (1.150 gulden) waren er veel slechter aan toe en werden alleen in de transportvaart tussen de verschillende factorijen op de Goud- en Slavenkust ingezet. Elk smokkelschip dat in dienst van de WIC overging, werd herdoopt om de smet van de smokkelhandel van zich af te gooien.
Tot slot werden de schepen Swarte Arents Galei (1.300 gulden), Rusteloze Galei (850 gulden) en Juffrouw Maria (950 gulden) niet meer zeewaardig geoordeeld en in de ‘slaapersbaai’ van Elmina onttakeld en gesloopt. Het scheepsvolk van de Swarte Arents Galei was trouwens al langer de mening toegedaan dat het schip verrot en niet langer bevaarbaar was. Ondanks de beweringen van schipper Baillieu dat zijn schuit nog wel twintig jaar kon varen, was de bemanning op het Portugese eiland São Tomé van boord gegaan en had de schipper zich daar genoodzaakt gezien om een nieuwe en Franse bemanning te ronselen[497].
Na de taxatie van de scheepslading en het schip werden daarvan de premies voor het compagniepersoneel afgetrokken. De beloningen voor de kapitein, de luitenant en de matrozen van de kruisers hebben we eerder al vermeld (cf. 12.a.1.), maar het was de fiscaal die de beste financiële voordelen genoot, omdat hij de leiding had over het gerechtelijke onderzoek tegen de smokkelaars. Voor elk schip dat de WIC in Afrika confisqueerde, kreeg hij een premie van 2%, zoals bij voorbeeld de taxatielijst van de Liefde aantoont in Bijlage 12. Een kleine optelsom leert ons dat de fiscaal Abraham van de Poele in 1715, met de confiscatie van maar liefst 13 lorrendraaiers, een royaal bedrag aan premies van ongeveer 5.000 gulden moet hebben vergaard. Bovenop zijn bescheiden loon, betekende dit een lucratieve bron van inkomsten.
12.a.4. Onder Zeeuwse vlag.
Onderzoek naar de herkomst van Nederlandse smokkelaars heeft in het verleden met onder meer studies van H. den Heijer en M. Kors al aangetoond dat Zeeland het belangrijkste smokkelcentrum was van de Republiek. Van de 63 schepen die door de WIC werden opgebracht én waarvan de thuishaven is bekend, werden maar liefst 47 schepen in Zeeuwse havens uitgereed. Vlissingen, Middelburg, Veere en Zierikzee waren daarbij de belangrijkste havensteden. Slechts een kleine minderheid vertrok uit Amsterdam. De 13 geconfisqueerde schepen in 1715 waren zelfs louter afkomstig uit Zeeland, zoals tabel 12.1. aantoont, met uitzondering misschien van de Juffrouw Maria, waarvan de plaats van herkomst niet is gekend. In zijn dagregister en correspondentie aan de Heren X nam H. Haring bovendien steeds het samengestelde woord ‘Zeeuwse lorrendraaiers’ in de mond, dat onder de dienaars van de WIC een begrip werd.
Op het einde van de 16de eeuw al hadden Zeeuwse reders naam verworven met kaapvaart tegen het Spaanse en Portugese imperium. Met de officieuze vrede in 1640 kwam er een einde aan deze praktijken, maar participanten in de kaapvaart maakten gezwind de ommezwaai naar de smokkelhandel, die voor hen een nieuwe lucratieve bron van inkomsten was. Met de Spaanse Successieoorlog (1702-1713), waarbij de Fransen en Spanjaarden tegen de bond van Nederlanders en Engelsen streden en het strijdtoneel zich ook in West-Afrika afspeelde, was er opnieuw een tijdelijke bloei in de kaapvaart merkbaar, hoewel deze oorlogsactiviteiten steeds meer een voorwendsel of dekmantel waren om de smokkelhandel te bedrijven. Na afloop van de oorlog, die voor de kaapvaarders grote winsten had opgeleverd, zochten zij nieuwe investeringen in de smokkelhandel.
De belangrijkste hindernis voor een adequate bestrijding van de smokkelhandel op West-Afrika, was de onwil van de Zeeuwse stadsbesturen om de bepalingen in de plakkaten van de Staten-Generaal uit te voeren. Telkens wanneer de Kamer Zeeland de autoriteiten in Vlissingen of Middelburg op de hoogte bracht van de uitreding van een lorrendraaier in hun haven, weigerden zij de schepen aan de ketting te leggen en de opgelegde straffen tot uitvoering te brengen. Naast kooplieden uit de middenlaag van de maatschappij, hadden namelijk vele vooraanstaande en invloedrijke regenten belangen in de smokkelvaart. Het is dan ook begrijpelijk dat de stedelijke autoriteiten in Zeeland niet graag wilden optreden tegen regenten uit eigen kring[498].
Twee voorbeelden van zulke regenten zijn Appolonius Lampsins en Hieronymus Boudaen Courten uit Middelburg. De eerste had financiële belangen in de schepen Orangeboom en Herstel van Zeeland, die allebei in 1715 door de kruiser van de WIC werden veroverd. Voor de familie Lampsins betekende dit een zware financiële klap. De laatste had aandelen in de smokkelaar Negotie Galei, die wel uit de klauwen van de Compagnie wist te blijven[499]. De belangenvermenging van beide heren ging echter veel verder. Naast regent van Middelburg, waren ze ook aandeelhouder van de WIC! Zo had de familie Boudaen Courten tussen 1701-1727 45.282 gulden aan aandelen in de Kamer Zeeland, waarmee zij de belangrijkste aandeelhouder van deze Kamer was die tegelijk ook belangen had in de smokkelvaart. Ook de familie Lampsins was voor een redelijk kapitaal van 16.770 gulden in het aandeelhoudersregister van de Kamer Zeeland ingeschreven[500]. Tot slot had de smokkellobby van Zeeland ongetwijfeld ook connecties met een aantal bewindhebbers van de Kamer Zeeland, die er een dubbele levenswandel op nahielden, maar namen van zulke personen zijn niet bekend. Privé-archieven zouden ons daarover eventueel meer informatie kunnen geven.
De weigering van de Zeeuwse autoriteiten om de smokkelhandel aan te pakken, was één zaak. Daarnaast verleenden ze aan de lorrendraaiers ook paspoorten om hen een zekere bescherming te bieden. In deze passen richtten de ‘burgemeesteren ende regeerders’ van Vlissingen of Middelburg zich tot de WIC-schepen in de havens van de Republiek en Afrika om het desbetreffende schip op zijn vaart vrije doorgang te verlenen, omdat het schip aan de stad toebehoorde, geen buitenlandse goederen aan boord had en ‘syne ghewoonlycke thollen ende ongelden’ (= belasting om gebruik te mogen maken van een kade) had betaald. Op 16 november 1714 had Vlissingen bij voorbeeld zo een doorgangspas verleend aan het schip Orangeboom (cf. Bijlage 13). Met deze paspoorten wilden de stedelijke autoriteiten in Zeeland een juridische basis leggen voor de smokkelvaart vanuit hun steden, maar de WIC hechtte er geen belang aan en ging onverstoord verder met het confisqueren van lorrendraaiers.
Sommige smokkelreders trachtten de inbreuk op het handelsmonopolie in West-Afrika ook te omzeilen door een buitenlandse nationaliteit voor te wenden. Volgens de inventarislijsten van de processtukken lieten de meeste lorrendraaiers vreemde of buitenlandse vlaggen waaien in plaats van de Nederlandse rood-wit-blauwe wimpel, met de hoop de WIC in West-Afrika te misleiden en ongemoeid gelaten te worden in hun handelsactiviteiten. De Anna Catharina bij voorbeeld zeilde onder Schotse vlag, terwijl de Herstel van Zeeland, ‘voerende een witte lely’, de Franse vlag liet waaien. De Koning van Pruisen had dan weer de instructie gekregen om op haar terugtocht naar Vlissingen Brandenburgse vlaggen te laten waaien[501].
Om de Nederlandse herkomst van de schepen te verdoezelen of een buitenlandse origine voor te wenden, verleenden ook buitenlandse vorsten paspoorten. In Bijlage 14 zit het voorbeeld van de smokkelaar Jonge Jan en Jacob, dat op 3 maart 1713 van de Franse vorst de toestemming had gekregen ‘pour aller en celuy de cust van Africa & faire son retour avec sa charge’. Deze pas diende als doorgangsbewijs, maar had opnieuw geen enkele juridische waarde. Voor de WIC bleef het een lorrendraaier uit de Republiek die een inbreuk maakte op het handelsmonopolie. Toen de WIC begin 1716 na een kort gevecht de lorrendraaier Koning van Pruisen veroverde, vond men daar ook een buitenlandse pas aan boord, ‘getekent by syn Koninkl(yke) Maj(estey)t van Pruyssen in desselvs leger voor Straalzond den 3 october 1715, op dewelke deze capt(eyn) en syn volk scheynen en ook verclaren dit gevegt te hebben aengevangen, als van sustenue wesende deselve haar die vryheyd verleent dat zy dese custe alomme mogen behandelen sonder daarin … te kunnen werden verhindert’[502].
De buitenlandse paspoorten deden niets af aan het feit dat de smokkelhandel een Zeeuwse aangelegenheid bleef. Smokkelreders uit Zeeland zogen een groot deel van de Nederlandse handel op West-Afrika naar zich toe en werden een kapitaalkrachtige groep, met connecties tot in de hoogste politieke regionen, zoals met de twee families Boudaen Courten en Lampsins in het stadsbestuur van Middelburg, en de bonzen van de WIC, zoals de bewindvoerders van de Kamer Zeeland. Vanuit Zeeland werden de lorrendraaiers de hand boven het hoofd gehouden. Dit bemoeilijkte uiteraard de strijd van de directeur-generaal in West-Afrika.
12.b. Portugese smokkelaars.
In Hoofdstuk 11 is reeds ter sprake gekomen dat de bewindhebbers van de WIC geen bezwaar maakten tegen de komst van Portugese schepen uit Brazilië, die aan de Slavenkust en in tweede instantie ook aan Elmina slaven kwamen kopen in ruil voor hun Braziliaanse goud, tweederangs tabak en suiker, op voorwaarde dat deze schepen aan de WIC 10% tolgeld of recognitiegeld betaalden op hun heenlading. Toch waren lang niet alle Portugezen bereid om deze belasting te betalen. Velen dreven illegaal handel met de Afrikaanse vorsten op de Slavenkust of aan de andere Europese naties op de Goudkust.
Aanvankelijk bleef de illegale vaart op West-Afrika beperkt, omdat de Portugese kooplieden behalve de gewilde zoete tabak over onvoldoende koopwaren beschikten. Zo werden in de laatste twee decennia van de 17de eeuw slechts 2 smokkelaars door de WIC opgebracht[503]. Tussen juni 1702 en maart 1703 was dit al opgelopen tot vijf smokkelschepen. Tussen 1711-1715 werden volgens Den Heijer de meeste schepen aan Elmina opgebracht, 19 in totaal[504]. Daarvan werden in 1715 (volgens de bewaarde facturen in het dagjournaal en de correspondentie aan de Heren X) 7 schepen door de Compagnie veroverd. De bedrijvigheid van de Faam speelde daarin een grote rol.
Bij de bestrijding van de Portugese smokkelvaart in Afrika ging de WIC anders tewerk dan bij Nederlandse lorrendraaiers. Zo werden niet alle schepen aan Elmina opgebracht, zag men zoveel mogelijk af van geweld, kreeg het scheepsvolk voor het veroveren van Portugese schepen géén ‘premies’ én was het Braziliaanse stofgoud, dat de schepen aan boord hadden, niet confiscabel. In de volgende alinea’s zullen we deze elementen kort bespreken.
Voor de verovering van Portugese smokkelaars werkte de directeur-generaal een speciale regeling uit. Zo dienden alleen die Portugese schepen aan Elmina te worden opgebracht, die de kruiser Faam op zijn terugreis naar Elmina veroverde. Alle andere schepen mochten op zee worden gecontroleerd. Na het lossen van de smokkelwaar of contrabande goederen, was een WIC-schipper gemachtigd de Portugees een paspoort of handelspas te verlenen, zodat het zijn handelsreis naar de Slavenkust op een legale manier kon voortzetten[505]. Dit was mogelijk, omdat Portugese schepen niet in beslag werden genomen; dit in tegenstelling tot Nederlandse lorrendraaiers. Op die manier losten de WIC-schepen Jacoba Galei, Guinese Gebroeders, Engelenburgh en Faam de contrabande goederen uit 4 Portugese smokkelaars, bovenop de 7 schepen die in de loop van 1715 aan Elmina werden opgebracht[506].
Portugese smokkelschepen waren klein van omvang, slecht bewapend en hadden een minimale bemanning aan boord, zodat de WIC hen in de meeste gevallen zonder slag of stoot kon veroveren. Alleen de kruiser Faam zag zich tweemaal verplicht een Portugees schip met geweld aan Elmina op te brengen[507]. Zelf probeerde de WIC zo weinig mogelijk geweld tegen Portugezen te gebruiken om zich geen problemen met de Portugese regering op de hals te halen en haar handelsverkeer met de Braziliaanse capitania’s niet in gevaar te brengen. Door de stijgende aanvoer van Braziliaans goud in de loop van de 18de eeuw, die de goudexport van de Compagnie enigszins op peil wist te houden, waren de Portugezen langs de Goud- en Slavenkust namelijk een zeer belangrijke handelspartner geworden.
Volgens H. den Heijer was het veroveren van een smokkelschip, ongeacht of het een Nederlands of Portugees vaartuig betrof, bijzonder lucratief voor de bemanning van WIC-schepen, omdat zij daarvoor een premie kregen[508]. Dit is slechts gedeeltelijk juist, omdat deze regeling voor de verovering van Portugese schepen niet gold. Toen Jan van der Hoeven, kapitein op de Faam, op 30 maart 1715 na ‘een gevegt van vier glasen’ de Portugees Nostra Seniora del Agontias e Santa Joseph had veroverd, eiste hij daarvoor bij directeur-generaal Haring ‘eenige plunderagie off buytgeldt voor syn volk (…), als hebbende zy daervoor hun leven geresiqueert’[509]. H. Haring repliceerde daarop dat de Compagnie in het verleden nooit buitgelden of premies had uitbetaald voor het veroveren van Portugese schepen. Wel was het de gewoonte dat de kapitein van een compagnieschip voor zijn scheepsvolk 5 à 6 rollen tabak en 2 vaten kilduivel of brandewijn in beslag mocht nemen[510]. Maar omdat Jan van der Hoeven ermee had gedreigd ‘geen anker te sullen ligten voor en aleer zy buydgeld van deze Portugees hadden genoten’, besloot Haring zijn verzoek in de Raad voor te leggen. Dit verzoek belandde echter al snel in de prullenmand.
Toen Jan van der Hoeven op 29 mei 1715 alweer met een Portugees aan Elmina kwam en daarvoor opnieuw een beloning eiste, ‘alzoo de Portugees geslagen en zyn volk gevaar aen hun leven daerdoor hadden gelopen’, gaf Haring dit keer wel gehoor aan zijn verzoek, omdat hij vreesde dat de scheepsbemanning van de Faam ‘mogelyk by finaal refuus gediscourageert of deze pretentie door haer zelvs uyt de ladinge der prysen voldaen zouden werden…’[511]. Na lang overleg besloot de Raad de bemanning van de kruiser 2 extra maandlonen te geven, alsook 10% van de geconfisqueerde buit volgens dezelfde verdeelsleutel als bij Nederlandse smokkelaars. Getuige daarvan de taxatielijst van de Portugees, die op 25 september 1715 door de directeur-generaal in het dagjournaal werd ingeschreven. Deze praktijk bleef echter een uitzondering.
Dat de WIC aan haar dienaren geen premies uitbetaalde voor het veroveren van Portugese schepen, was verbonden met het feit dat het ‘Braziliaans goud volgens de ordres der Ed(el)e Comp(agni)e niet confisquabel was’, aldus Haring, ‘alzoo alle de Brisiliaanen op deze custe navigeerende altoos sonder maendgelden voeren, maer op hare eygene medegenomen cargasoenen…’[512]. Terwijl de Nederlandse lorrendraaiers van de smokkelreders een maandloon kregen uitbetaald, moesten de Portugezen het dus stellen met de verdiensten van de aangevoerde producten. Daarom ging de WIC niet over tot de inbeslagname van hun goud. In de taxatielijsten van de 7 opgebrachte Portugezen in 1715 vinden we inderdaad geen goud terug. Desondanks was het een onderwerp van discussie, zoals uit twee voorvallen blijkt.
Op 10 april 1715 bij voorbeeld beklaagde de kapitein van de Nostra Seniora del Agontias e Santa Joseph zich bij Haring erover dat Jan van der Hoeven en Josua van der Doos elk 360 en 72 octaven goud voor een waarde van 2.160 gulden uit het ruim van het schip hadden gestolen. Jan van der Hoeven meende daar recht op te hebben, omdat hij het schip met geweld had moeten veroveren en de WIC hem daarvoor geen premies had willen uitbetalen (cf. supra), maar Haring floot hem op gepaste wijze terug. Veel erger was de wandaad van Claas Caagman, schipper op de kruiser Jacoba Galei sinds het overlijden van kapitein Jacob Geurtsen eind 1714.
Caagman was zeker niet de enige die wel eens teveel ijver aan de dag legde bij de controle van Portugese schepen, maar ging daarbij wel zeer buitensporig te werk. Zo had hij in november of december 1714 uit een Portugese bark aan Appa langs de Slavenkust 315 rollen tabak laten lichten ‘en de menschen gedwongen met brandende lonten tusschen de vingers haar goud over te geven…’ [513]. Deze brutale razzia leverde in totaal bijna 16 mark goud op, maar werd door Haring ten stelligste veroordeeld. C. Caagman had zich namelijk niet alleen bezondigd aan diefstal, maar had het volk van de Portugees ook ‘barbaars (…) getracteert’[514]. Volgens Den Heijer was het kapitein Jacob Geurtsen die daartoe het bevel had gegeven, maar door zijn plotse overlijden aan Ardra op 18 november 1714 was het bevel over de Jacoba Galei in handen van Claas Caagman overgegaan[515].
Het wantrouwen van de WIC ten opzichte van haar Portugese handelspartners in West-Afrika was groot. Met de groei van de legale Portugese vaart op Elmina, nam ook het aantal ontduikers van tolgelden toe. Bovendien voeren de Portugezen steeds meer goederen van Europese of Aziatische makelij aan, wat tegen de afspraak met de WIC was. Portugese schepen mochten namelijk alleen Braziliaanse producten, zoals goud, tabak en suiker aanvoeren. Portugese kooplieden legden de handel met Afrika bovendien heel slim aan boord. Vele, zoniet de meeste, Portugese schepen die vanuit Bahia de Todos os Santos in Brazilië vertrokken, waren smokkelaars, maar hadden toch een instructiebrief meegekregen om rechtstreeks op Elmina te varen en daar het tolgeld te betalen. Deze instructie was een dekmantel en werd veelal achter de hand gehouden voor in tijden van nood.
Bij de WIC groeide de frustratie, omdat de dubbele agenda van de Portugezen in Afrika verwarring zaaide en de bestrijding van de smokkelhandel bemoeilijkte. Dit ongenoegen sloeg al snel om in geweldpleging. Bij de terugkeer van een Portugees in Bahia op 15 januari 1718, schreef de Franse wereldreiziger Gentil de la Barbinais bij voorbeeld dat de Nederlanders in Guinee steeds meer vijandigheden pleegden tegen Portugese handelaars, omdat zij met hun bloeiende handel aan Fida de slavenhandel van de WIC naar de kroon staken en tegen de afspraken in Europese zijden en andere stoffen en producten aanvoerden. Verder schreef Barbinais nog dat de Nederlanders in West-Afrika op maritiem en militair vlak té machtig waren om represailles van de Portugezen te hoeven vrezen: ‘… ils coururent sus aux Portugais, attaquèrent leurs vaisseaux et entreprirent de ruiner leur commerce’[516]. In 1715 was de geweldpleging tegenover Portugese schepen nog vrij beperkt. Behalve de Faam, die zijn geschut 2 maal moest inzetten tegen Portugese schepen, en de razzia van C. Caagman, werden geen andere buitensporigheden in het dagjournaal gemeld. Wel kwam het in 1715 tot een diplomatiek geschil tussen de WIC en een Portugese kapitein.
Toen het fregatscheepje Chama in juni 1715 de Portugese schuit Nostra Seniora d’Apresentosas e Santa Anthonio controleerde en ondercommies Heyman de kapitein van het schip, Juan Baptista Lixbora, naar zijn papieren en instructies vroeg, waaruit moest blijken of hij van plan was naar Elmina te varen en daar zijn tolgeld te betalen, weigerde hij, ‘leggende tot tweemalen toe aen op den schipper met een donderbus en dreygden den ondercommies met een zabel’[517]. De schipper en ondercommies van de Chama werden daarop 3 uren aan boord van het Portugese schip gevangen gehouden, terwijl de Portugese matrozen het heimelijke plan hadden bekokstoofd om de Chama te overmeesteren en haar bemanning ‘om de hals te brengen’ (= doden)[518]. Dit voedde bij Heyman het vermoeden dat de Portugees een smokkelaar was en helemaal niet de intentie had naar Elmina te zeilen. Gelukkig voor de WIC kon dit plan tijdig worden verijdeld, waarop de Portugese kapitein plots wel de juiste papieren vertoonde.
Toen de Portugese kapitein voor verantwoording aan de factorij van Axim werd gebracht, verzekerde hij Butler ervan dat hij volgens zijn instructie rechtstreeks naar Elmina zeilde om er zijn tolgeld te betalen en slaven in te kopen. De Santa Anthonio was weliswaar een voormalige Portugese smokkelaar en in de loop van 1713-1714 al eens aan Elmina opgebracht, maar toen het daar gemerkt had dat de WIC toch bereid was onder bepaalde voorwaarden met de Portugezen handel te drijven, maakte het nu een nieuwe reis naar Guinee onder legale vlag, aldus Lixbora. Zijn gewelddadigheid tegen het volk van de WIC ontkende hij niet, maar was volgens hem gerechtvaardigd omdat Heyman had geprobeerd zijn goud te stelen[519].
Dit conflict was zeker geen alleenstaand geval. Enerzijds toont het de dubieuze handel en wandel van de Portugese kapiteins, die ondanks instructies vanuit Brazilië veel liever de smokkelhandel bedreven en zich pas na controle door schepen van de WIC ‘vrijwillig’ aan Elmina meldden. Haring kon de beschuldigingen van Heyman beamen en wilde best geloven ‘dat de Portugezen liever dit fort passeren als daeraen komen’, maar omdat hij daarvoor geen harde bewijzen had, liet hij de zaken zoals ze waren. Wel had Butler ondertussen zijn voorzorgen genomen door de opperstuurman en klerk van de Portugees ‘als ostagiers’ binnen zijn fort te brengen en ‘een man uit dit guarnisoen tot sauveguarde’ op het schip te stationeren. Op 24 juni 1715 ankerde het schip voor de rede van Elmina, waar het op 1 juli zijn tolgeld in tabak betaalde en op 7 augustus uiteindelijk met een lading slaven naar Pernambuco vertrok.
12.c. Akkoorden tussen WIC en RAC.
Naast de maatregelen door de Staten-Generaal in de Republiek, die maar weinig gehoor vonden, en de kruistochten van schepen zoals de Faam, die de WIC zeer veel geld kostten en behalve het jaar 1715 niet altijd succesvol bleken, kon de Compagnie in West-Afrika ook akkoorden met andere Europese naties afsluiten om paal en perk te stellen aan de groeiende smokkelhandel. In de tweede helft van de 17de eeuw had de Engelse Royal African Company of RAC zich als grootste concurrent van de WIC in West-Afrika geprofileerd, maar aangezien ook haar positie door de activiteiten van lorrendraaiers werd ondermijnd, lag het voor de hand dat de WIC en RAC voor het bestrijden van de smokkelhandel een gezamenlijke strategie zouden uitwerken.
In 1677 werd daartoe tussen beide organisaties een eerste verdrag afgesloten, dat het wederzijds weren en uitleveren van lorrendraaiers bepaalde[520]. Tot aan het einde van de 17de eeuw werkte dit bevredigend, maar in 1698 had het Engelse parlement de handel op West-Afrika voor particulieren vrijgegeven, waardoor de RAC vanaf 1700 voor haar inkomsten in toenemende mate afhankelijk werd van de tussenhandel met deze particulieren of lorrendraaiers. De verwelkoming van Nederlandse en Portugese smokkelaars aan de Engelse forten op de Goudkust was een doorn in het oog van de WIC. Het zware geschut van Cape Coast Castle (cf. Kaart 2) maakte het de kruisers van de Compagnie vrijwel onmogelijk schepen op die rede te veroveren[521].
De groeiende onenigheid met de RAC over de bestrijding van de smokkelhandel zette directeur-generaal Pieter Nuyts in 1706 ertoe aan om een onderhoud te vragen met de Engelse directeur Sir Dalby Thomas. De afspraken tussen beide compagnieën werden op 14 juli 1708 in een gloednieuw verdrag gegoten, dat op 16 mei 1713 nog eens werd aangescherpt, maar terwijl de WIC haar compagniedienaren daarvan zo goed mogelijk op de hoogte bracht, ging de RAC in de praktijk onverdroten verder met haar handelsactiviteiten met Nederlandse en Portugese smokkelaars.
In het akkoord van 14 juli 1708 werd vastgelegd dat Nederlandse lorrendraaiers geen bescherming mochten zoeken aan de Engelse forten. Ook zou de WIC voortaan geen Portugese schepen meer mogen aanvallen, ‘welke op één der Engelze scheepen ’t zy forten of logies ten anker leggen’ en daar bescherming van de RAC genoten of waarop de Engelse compagnie haar bedienden had gestationeerd[522]. Na vertrek vanuit een Engelse vestiging mochten zij ook niet langer als ‘prys’ of smokkelschip worden genomen. Daarmee stemde P. Nuyts in met de onvoorwaardelijke erkenning van het Engelse recht om net als de WIC met Braziliaanse schepen handel te mogen drijven. Omgekeerd verbonden de Engelsen zich ertoe om geen Portugese schepen te helpen, die eerder al door de WIC als smokkelaar waren opgebracht en ‘geen paspoorten aen de Portugeeze natiën uyt Brasiel comende te geven (…) om alhier de vrye commercie te dryven’. Vooral dit laatste punt zou vanaf 1724 een nieuw tijdperk van conflicten tussen beide compagnieën inluiden, toen de RAC voortaan ook paspoorten afleverde, die Portugezen moest vrijwaren van inbeslagname door de WIC[523].
Het verdrag van 1708 bracht in de praktijk maar weinig soelaas. De WIC bleef klagen over de frequente handelscontacten van de RAC met Hollandse en Portugese smokkelaars. Onder gouverneur H. Haring kwam het in mei 1713 daarom tot ‘eenige ophelderinge en elucidatie’, een aanscherping of uitbreiding van het gememoreerde akkoord uit 1708. Niet alleen was het de Nederlandse lorrendraaiers verboden bij de Engelse forten bescherming (‘canon protextie’) te zoeken, ook Engelse smokkelaars mochten niet langer aan de factorijen van de WIC ankeren. Zulke schepen mochten door de WIC en RAC zonder uitzondering in beslag worden genomen. Ook mocht de WIC geen Portugese schepen aanvallen, waarop de RAC één van haar bedienden had gestationeerd, óp voorwaarde dat deze persoon een ondertekend bewijs bij zich had ‘van wie & van waer hy comt’[524].
Het akkoord van 1713 zorgde voor geen oplossing. De Engelse bescherming van lorrendraaiers bleef een groot probleem voor de WIC. Terwijl de Engelse Compagnie voor haar handel in Afrika steeds meer afhankelijk werd van smokkelschepen, had de WIC zelf geen belangstelling voor handel met Engelse smokkelaars, omdat dit alleen maar schade toebracht aan haar eigen goederen- en slavenhandel[525]. Hooguit heeft zij vóór de openstelling van het Engelse handelsmonopolie in 1698 incidenteel Engelse smokkelaars in bescherming genomen om haar concurrent te dwarsbomen. Ná 1713 groeide het ongenoegen bij directeur-generaal H. Haring door de lakse houding van de RAC ten aanzien van de gesloten verdragen in 1708 en 1713. Dit blijkt onder meer uit een voorval in 1715 tussen de Nederlandse oppercommies Pieter Valkenier en de Engelse agent William Blaney, naar aanleiding van een Portugese smokkelaar die op de rede van Fida onder Engelse bescherming lag. Blaney nam de Portugezen in bescherming ‘als dezelve hem al haer goud & goed overgeven’, om op die manier de aanvoer van Braziliaans goud op de Slavenkust naar zich toe te trekken[526].
Toen Valkenier op 25 december 1714 uit zo een schip veertig slaven had gelicht, had Blaney dat gezien als een flagrante schending van het verdrag tussen de RAC en WIC. Uitzinnig van woede was hij daarop met een klein leger tegen de Nederlandse loge opgetrokken, waar hij Pieter Valkenier onder vuur en gevangen nam ‘en latende dezelve tot hem brengen op een seer vilaine manier, slepende den selven coopman langs de grond slimmer als een slaaff’[527]. De Franse gouverneur Du Colombier had de rel in de kiem weten te smoren door Valkenier bij hem in bescherming te nemen, ‘preserverende hem alzoo van groter affront’, maar als wraakactie had het volk van Fida vier Engelse compagnieslaven gedood. De geweldpleging van William Blaney bleef, zoals eerder al gezien, niet zonder gevolgen. Volgens het neutraliteitsverdrag werd hij prompt uit Fida verbannen (cf. 11.c.4.3.).
Dit bracht echter nog geen oplossing voor het conflict tussen de WIC en RAC. Toen het relaas van Blaney en Valkenier de Goudkust had bereikt, kwam er meteen een uitgebreide correspondentie op gang tussen Cape Coast Castle en Elmina. Beide partijen namen het geschil zeer ernstig, omdat dit hun onderlinge vriendschappelijke relatie in gevaar kon brengen, en besloten daarom elk afzonderlijk een commissaris naar Fida te zenden, die in samenspraak met Blaney, Valkenier, Du Colombier én de koning van Fida de waarheid moest achterhalen. Voor de RAC was dit agent Randle Logan, voor de WIC koopman Revixit van Naarsen[528]. Over het diplomatieke overleg aan Fida tussen de WIC en RAC zijn we door deze laatste goed geïnformeerd, omdat van hem een apart dagverhaal in het dagjournaal is bewaard met een overzicht van de wederzijdse beschuldigingen, argumentaties en weerleggingen[529].
Volgens W. Blaney had Valkenier tegen de gememoreerde verdragen gezondigd, omdat hij slaven had gelicht uit een Portugees die onder Engelse bescherming lag en voor de Engelse rede lag geankerd. Revixit van Naarsen kon echter moeilijk geloven dat de RAC de havenplaats van Fida beschouwde ‘als een plaats waerover sy alleen het gebiet mogten off konnen voeren, want het is een verblyff en vylige plaatsen voor de meeste Europiaenze natiën’[530]. Het neutraliteitsverdrag, dat de koning van Fida aan alle aanwezige Europese naties had opgelegd, bepaalde namelijk dat de rede van Fida ‘van niemant in eygendom kan geadschribeert worden’. Bovendien kon Blaney nooit aantonen ‘dat oyt off oyt één de minste laat staan eenige bediendens van opgemelde Royale Comp(agni)e binnen boordt van het Portugeeze schip geweest zyn’, omdat hij daartoe de nodige ondertekende bewijsschriften niet had verleend, zoals het verdrag van 1713 nochtans had verplicht. Andere beschuldigingen van de Engelse agent aan het adres van P. Valkenier, zoals het omkopen van de vorst om Blaney te verbannen en het afslaan van de Franse bemiddeling, werden door de WIC afgewimpeld en door de koning van Fida schriftelijk ontkend na een officieel onderhoud met de Engelse en Nederlandse vertegenwoordigers[531].
De Engelse agent had volgens Revixit van Naarsen geen poot om op te staan. De Nederlandse koopman ging zelfs verder in zijn betoog en draaide de schuldvraag om door Blaney te betichten van schending van het verdrag. Hij had namelijk geweigerd om de Nederlandse deserteur A. Debie, ‘een gebooren onderdaen van desen staadt’ en kapitein op de slavenhaler Coningin Hester, aan de WIC uit te leveren, hoewel hij daartoe gehouden was volgens artikel 2 van het gememoreerde akkoord van 1708[532]. De WIC vond het alvast tijd worden dat de RAC eens bedacht ‘wat toegeventheyt wy niet al opgeoffert hebben om onze wedersydze vriendschap ten voordelen van beyde de Comp(agnie)s daerdoor vast te houden’, aldus Haring[533]. Echte liefde tussen beide compagnieën is het nooit geworden. Het was eerder een verstandshuwelijk met veel echtelijke ruzies, zoals Den Heijer het zo mooi formuleerde. Dit conflict was daarvan slechts één voorbeeld.
HOOFDSTUK 13: Smokkelaars in dienst van de WIC.
Participatie in de smokkelhandel was voor de WIC een ernstig misdrijf waarvoor men zelfs de doodstraf kon krijgen, zoals het plakkaat van de Staten-Generaal uit het jaar 1680 bepaalde. In de praktijk sprak de Raad van Elmina echter geen enkele keer de doodstraf uit. Dit leren ons de bewaarde procesdossiers[534]. Zelfs van de schippers die op een gevecht met de kruisers van de WIC hadden aangestuurd, werd het leven opmerkelijk genoeg gespaard. Naast de confiscatie van het schip en de goederen, die alle smokkelaars te wachten stond, was verbanning uit het octrooigebied van de WIC de zwaarste straf die werd opgelegd. Daarbij was het de smokkelaars wel toegestaan om met een WIC-schip naar de Republiek terug te keren.
In de praktijk werd de bemanning van smokkelschepen redelijk mild behandeld. Vaak werd ze zelfs in dienst van de WIC genomen. Die houding laat zich verklaren door het chronische tekort aan personeel, dat de Compagnie op haar kustschepen en forten in West-Afrika had. Smokkelaars waren dan ook een welkome aanvulling van het personeelsbestand, waarmee men voorzichtig moest omspringen. Zelfs schippers waren welkom, maar omdat zij als de grootste zondaars te boek stonden die zich aan dronkenschap of rebellie schuldig maakten, was het vanaf 1710 voor de directeur van Elmina verboden hen nog langer in dienst te nemen (cf. 13.b.). De overige matrozen en soldaten maakten vrij gemakkelijk de overstap naar de WIC.
13.a. Een verdeelsleutel.
Ter inleiding van deze paragraaf wil ik deze woorden van Haring citeren:
‘Wy moeten u Ed(el)e Gr(ote) Agtb(are) seggen dat wy ons hier heden in veel moeiten vinden geëmbrasseert vermits het opbrengen van zooveel schepen en de swakke gesteltheyd daar wy ons in vinde van die te bemannen. U Ed(ele) Gr(ote) Agtb(are) ordres zyn (…) dat men altoos moet reflecteren zooals het ook wel behoorden dat tweederde comp(agnie)s bediendens tegens eenderde lorrendrayer volkeren op de schepen werden geplaast, maar hier ons in dit geval na te schicken is buiten ons vermogen of wy