Nederlands Elmina: een socio-economische analyse van de Tweede Westindische Compagnie in West-Afrika in 1715. (Yves Delepeleire)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

DEEL III. HET WIC-PERSONEEL IN WEST-AFRIKA.

 

HOOFDSTUK 6: Een demografisch onderzoek.

 

6.a. Een kwantitatieve kijk.

 

Op de kusten van West-Afrika wisselde de personeelssterkte van de Compagnie voortdurend. Daarom werden op geregeld tijdstip personeelslijsten of monsterrollen opgemaakt, die per factorij en schip in West-Afrika een exhaustief overzicht geven van het aantal bedienden, hun afkomst en beroep. Deze lijsten zijn allemaal intact bewaard gebleven in het Archief van de Tweede West-Indische Compagnie (WIC), 1641-1791 en zijn voor hedendaagse historici een waardevolle en zelfs onontbeerlijke bron om demografisch onderzoek te verrichten naar het personeelsbestand van de WIC. In de volgende twee paragrafen blijven we stilstaan bij de kwantitatieve personeelssterkte van de Tweede WIC op de factorijen en de schepen in 1715. Daarbij moet er rekening mee worden gehouden dat het slechts om een momentopname gaat[106].

 

6.a.1. Personeelssterkte op de factorijen.

Tussen 1700 en 1740 berekende Den Heijer op basis van alle beschikbare lijsten dat de gemiddelde personeelssterkte op alle factorijen langs de Goud- en Slavenkust 249 man bedroeg[107]. Op de monsterrol van 12 april 1715 waren slechts 231 bedienden ingeschreven, een getal dat daarmee lichtjes onder het gemiddelde lag dat Den Heijer voor de eerste veertig jaar van de 18de eeuw aangaf. Of dit wijst op een problematische onderbemanning van de factorijen, valt hieruit nog niet af te leiden. Daarvoor vinden we vergelijkend en stavend materiaal in het dagjournaal van 1715.

Volgens berekeningen van Den Heijer liep de gemiddelde bezetting van Elmina op tot 100 à 150 man, inclusief het garnizoen aan St. Jago. Volgens de Franse auteur Barbot herbergde Elmina in 1682 een 100-tal garnizoensoldaten, een getal dat al veel hoger lag dan bij de overdracht van het bewind aan Jacob van der Wel in 1645, toen het garnizoen slechts 69 man telde. In de jaren ’90 berekende een Deense officier de bezetting van Elmina zelfs op 150 soldaten. Tot slot stelde opperkoopman W. Bosman in het begin van de 18de eeuw dat er in het kasteel zelfs probleemloos plaats was voor meer dan 200 militairen[108]. Deze geruststellende aantallen zouden in de loop van de 18de eeuw echter nooit worden gehaald. In 1715 was de volledige bezetting aan Elmina, de klasse van handelsofficieren en ambachtslieden incluis, zelfs teruggelopen tot 78 man, waaronder slechts 29 garnizoensoldaten, die daar over beide forten waren verspreid. Het personeel van São Jorge da Mina en Koenraadsburg, en vooral het garnizoen, was in 1715 dan ook schromelijk onderbemand.

Deze schrijnende situatie vertaalde zich in het dagjournaal van H. Haring en zijn correspondentie met zijn broodheren in de Republiek, waarin hij meermaals klachten opperde over het tekort aan manschappen; dit niet alleen aan Elmina, maar overal waar de WIC handelsposten had. Vooral ná 28 april 1715, toen de kruiser Jacoba Galei met repatriërende soldaten naar de Republiek terugkeerde, stak het probleem intens de kop op. Toen op 19 april commies Blenke aan fort Oranje te Sekondi bij voorbeeld 2 à 3 man tot versterking van zijn garnizoen vroeg, moest de directeur-generaal dit verzoek weigeren, omdat hij zelf na het vertrek van de Jacoba Galei niet meer dan 12 soldaten aan Elmina zou behouden[109].

Het water stond de WIC duidelijk aan de lippen. Op 5 juli 1715 schreef Haring zelfs dat al het zware artilleriegeschut op de bastions van Elmina slechts door één man kon worden bezet, waardoor geen enkele soldaat in Elmina nog kon worden gemist[110]. Elke opstoot of onrustwekkende mobilisering van Afrikaanse troepen was dan ook hét signaal om het zwakke garnizoen onmiddellijk in gereedheid te brengen, zoals mocht blijken bij de verontrustende komst van een grote groep negers uit het vijandige en naburig gelegen Fanti[111]. Hetzelfde schrikbeeld leefde ook bij de andere factorijen op de Goudkust, zoals bij voorbeeld aan Chama, waar de commandant in september 1714 een Frans scheepje onder vuur nam (cf. 5.a.1.). Beide voorbeelden waren zeker geen alleenstaande gevallen, maar treffend voor het tekort aan manschappen op de kusten van West-Afrika.

 

6.a.2. Personeelssterkte op de schepen.

In de kustscheepvaart voor West-Afrika lagen de zaken anders. Hier had de WIC volgens de monsterrol van 12 april 1715 294 manschappen tot haar beschikking, die over 9 verschillende schepen waren verspreid. De meeste vaartuigen waren hoekers, die slechts licht waren bewapend en met een bezetting van 10 tot 20 man voldoende hadden om de kusthandel waar te nemen. Daarnaast was er nog de kruiser Faam, een groot fregat dat sterk was bewapend en bijgevolg een grote bemanning nodig had van meer dan 100 man. In vergelijking met de forten lijken de schepen van de WIC nooit echt met een problematische onderbemanning te hebben gekampt. Althans in het jaar 1715 werd daarover zelden melding gemaakt. In de maand februari moest directeur-generaal Haring de Jacoba Galeivermits de slegte gesteltenisse van officieren op de cruysser’ wel doelloos in de baai van Elmina laten liggen en in september en december 1715 hadden de scheepjes Chama en Commany wel plots te lijden onder hoge sterfte (cf. 6.b.2.), maar meestal ging dit om acute problemen waarvoor men een oplossing had. Zo had de WIC aan Elmina voldoende matrozen om het tekort op de uitvarende schepen op te vangen, omdat er steeds wel enkele schepen van de Compagnie op non-actief lagen. Dit moet natuurlijk worden gerelativeerd, want het feit dat er schepen op non-actief werden geplaatst, had te maken met een algemeen tekort aan matrozen en officieren om álle schepen te kunnen bemannen.

 

6.b. Ziekte en sterfte in West-Afrika.

 

6.b.1. Kwantitatieve sterfte in 1715.

Een belangrijke oorzaak van het chronische tekort aan manschappen was sterfte door het vochtige en tropische klimaat en bijgevolg ongunstige leefomstandigheden. Ph. Curtin omschreef de Westafrikaanse kustlijn zelfs als ‘the white man’s grave’, zó hoog lag het sterftecijfer daar onder de blanken[112]. De dodenlijsten, die jaarlijks aan het fort van Elmina werden opgemaakt, vormen daarbij een uitstekende bron. Deze lijsten, waarop naast de naam van de gestorven dienaar ook sterfteplaats, functie en afkomst stonden vermeld (eventueel ook de gage die erfgenamen in de Republiek nog tegoed hadden) werden opgemaakt op basis van een overlijdensakte of een ‘biljet’, die door de soldijboekhouder te Elmina werd bijgehouden[113]. Soms werd een overledene echter niet in de dodenlijsten ingeschreven, omdat de overledene bij voorbeeld helemaal geen nalatenschap had of zijn dood niet aan de soldijboekhouder was gemeld. Deze lijsten zijn dan ook zelden of nooit volledig. Daarom moeten ze worden aangevuld met extra informatie uit het dagjournaal[114].

Van de 231 bedienden van de WIC op de factorijen in 1715, stierven in de loop van het jaar 35 personen of 15,2%. Dit cijfer is uiteraard slechts benaderend, omdat hier ook alle bedienden zijn in opgenomen die al vóór 12 april waren gestorven, het moment waarop de monsterrol werd opgesteld. Bovendien deden zich na deze datum nog fluctuaties voor in het personeelsbestand als gevolg van extra bedienden die met schepen uit Europa werden aangevoerd (cf. 6.c.). Toch schetst dit percentage een zeer betrouwbaar beeld over de omvang van de mortaliteit in West-Afrika. Zo komen ook Ph. Curtin en H. den Heijer tot de conclusie dat het sterftecijfer onder de bedienden van de Tweede WIC in West-Afrika iets onder de 20% moet hebben gelegen[115].

Onder de militairen vielen de meeste doden te betreuren. Maar liefst drie op de vier sterfgevallen waren soldaat. Dit is niet verwonderlijk. De militairen leefden niet alleen in de meest onhygiënische en vochtige vertrekken van het fort, zij werden ook het meest aan direct vuurgeweld en andere risico’s blootgesteld. Bovendien waren ze ook gemakkelijker vatbaar voor allerlei tropische ziektes, omdat ze in groepsverband leefden. Zo werd in de loop van 1715 bij maar liefst 6 handelsposten op de Goudkust melding gemaakt van een massale (epidemische) ziekte onder het garnizoen. Bij de aard van deze ziekten blijven we in de volgende paragraaf uitvoeriger stilstaan.

Ook de klasse van handelsofficieren bleef niet gespaard. In 1715 stierven zo vijf handelaars of 9,4% van alle aanwezige kooplieden op de factorijen. Dit aantal mag zeker niet worden verwaarloosd. Meer dan bij elke andere socio-economische groep kon sterfte onder de handelsofficieren een sterke impact hebben op het handelsbeleid van de WIC in Afrika. Het waren ten slotte deze kooplieden die de negotie voor de WIC waarnamen. Het behoud van het handelsimperium in Afrika was zelfs verbonden aan hun aanwezigheid. Onder de sterfgevallen in 1715 waren er enkele kooplieden met een grotere verantwoordelijkheid, zoals bij voorbeeld Otto van Belcamp, commandant van de factorij aan Chama, en vooral Jacobus d’Outreleau, oppercommies van de WIC aan fort Crevecoeur in Accra. Zijn overlijden op 13 november 1715 deed gouverneur H. Haring er zelfs toe besluiten zelf het bestuur aan Accra tijdelijk waar te nemen.

In de scheepvaart krijgen we een vergelijkbaar percentage. Van de 294 bedienden op de schepen stierven in 1715 in totaal 45 man, voornamelijk matrozen, goed voor 15,3% van het totale scheepspersoneel.

 

6.b.2. Dodelijke ziekten: Dysenterie en koudvuur.

De meest voorkomende ziekte in West-Afrika was rodeloop of dysenterie door de ongezonde leef- en eetgewoonten van de Europeanen en het besmette drinkwater of voedsel. Dysenterie was gekenmerkt door diarree (‘sware persing’), buikkrampen (‘stuypen’ of ‘colyken’) en hoge koorts. De Nederlanders namen zich niet de moeite om de eetgewoonten van de Afrikanen over te nemen en aten het geconserveerde vlees dat vanuit de Republiek in grote vaten werd aangevoerd. Dit vlees was gedroogd en kon onmogelijk voldoende voedingsstoffen leveren die nodig waren om te overleven. Daarnaast at men ook gedroogde peulvruchten, zoals erwten en bonen, gort en vetten in de vorm van spek en olie, voornamelijk olijfolie. Bij een tekort aan gort of haverpap kon er ook gedroogd brood op het menu staan. De meeste ziektes in die tijd werden toegeschreven aan té droge gort, té zout vlees, garstig spek en stinkend drinkwater[116]. Dat verse groenten en citrusvruchten scheurbuik of dysenterie konden tegengaan, wist men al langer, maar daarvan leverden de moestuintjes in Elmina te weinig op. Gezien de primitieve en beperkte conserveringsmethoden van die tijd, kreeg het personeel van de WIC bijna nooit een energieke maaltijd aangeboden.

Toen Haring begin mei 1715 het voedsel liet inspecteren dat met de Emmenes was aangevoerd, bleken de erwten en paardebonen oneetbaar te zijn. Dit was toe te schrijven aan de laksheid en onverantwoordelijkheid van de bedienden van de WIC in de Republiek, ‘zynde het zeer bedroeft om te sien dat ’s Comp(agni)e bediendens in patria hieromtrent geen beter sorg dragen[117]. De grote schaarste aan voedsel blijkt ook uit een voorval begin juli 1715. Omdat het vlees en spek toen einde voorraad was, had H. Haring zich verplicht gezien vers voedsel aan te kopen bij een Engels schip, dat toen op de rede van Elmina lag[118]. Dit kostte de WIC meer dan 500 florijnen. De situatie werd er daarna echter niet beter op. Tegen eind augustus 1715 had men geen gedroogd brood meer, zodat men de scheepsbemanning voortaan moest voorzien van jammes, één of andere eetbare wortelknol (of Zeeuwse aardappel), die niet echt in de smaak viel. Op het scheepje Chama was onder de matrozen zelfs een spontane muiterij ontstaan, omdat ze het spuugzat waren op jammes en palmolie te moeten leven[119].

Onder de tropische temperaturen in West-Afrika ontstond niet alleen bederf van het geconserveerde drinkwater en voedsel, ook het menselijke lichaam werd sneller aan allerlei kwalen en infecties blootgesteld. Gele koorts, malaria, kinderpokken en gangreen of koudvuur waren veelvoorkomend en worden meestal onder de noemer klimaatziekten gecatalogiseerd. Besmetting met malaria of gele koorts werd door een muskietsteek veroorzaakt. De epidemische pokkenziekte tierde vooral welig onder de slavenbevolking. De Nederlandse soldaten hadden volgens het dagjournaal van 1715 dan weer sterk te lijden onder gangreen of koudvuur, een dodelijke ziekte die feitelijk niet te genezen viel. Men liep het op door infectie van verrot weefsel, bij voorbeeld na een kwetsuur (waar de soldaten het meest aan onderhevig waren), veroorzaakte een intoxicatie van het lichaam en ging gepaard met een walgelijke stank. Men omschreef het in 1715 vaak als ‘gaten in de benen’ hebben. Meestal was amputatie daarbij zelfs onvermijdelijk. Dit was onder meer het geval bij soldaat Jan Hendrik Pytak aan fort Amsterdam in Cormantin. In zijn geval omschreef men koudvuur ‘als een miserabel accident aan ’t been … daer het vuur in is en zoo swart als een dovekool[120].

Bij de scheepsbemanning lagen de zaken iets anders. Ongetwijfeld hadden vele matrozen ook te lijden onder dysenterie en scheurbuik door gebrek aan vers voedsel en drinkwater. Vooral op het transatlantische traject kwam deze ziekte frequent voor. In het dagjournaal wordt daarover echter geen melding gemaakt. Eén uitzondering daarop vormde het scheepje Commany, dat eind 1715 in Benin het slachtoffer was geworden van een desastreuze ziekteplaag, ‘waervan niemand nog blank nog swart die op het schip geweest is zig heeft bevryt gevonden[121]. Ziektes waren echter niet de enige boosdoener. Nog meer dan op de forten zelf, stierven vele matrozen en soldaten op de schepen vaak in volle strijd. Van de 45 sterfgevallen onder het scheepspersoneel voeren meer dan de helft op de kruiser Faam, die in haar strijd tegen de smokkelaars aan toenemend geweld blootstond. Vooral aan het eind van 1715 had de strijd tegen de smokkelaars een hoge tol geëist, waarbij een 20-tal matrozen op nauwelijks twee maanden tijd het leven lieten.

 

6.b.3. Een rudimentaire ziektebestrijding.

De ziektebestrijding in die tijd was zeer rudimentair. De chirurgijn beschikte wel over een kist met geneesmiddelen en instrumenten, waarvan de inhoud door de WIC aan nauwkeurige voorschriften was gebonden, maar de meeste medicijnen werkten slechts verzachtend en boden nooit een definitieve genezing. De medicijnenkist van de chirurgijn bestond in hoofdzaak uit enkelvoudige stoffen zoals kruiden, bloemen, zaden, oliën, minerale zouten en gommen en samengestelde preparaten, zoals zalven, pleisters, pillen en tincturen of alcoholoplossingen[122]. Slechts enkele van deze stoffen, zoals kamille, drop en mirre waren doeltreffend genoeg en hebben tot op heden hun plaats in de apotheek behouden.

Een veelgebruikt geneesmiddel in 1715 was kamfer, uit het fijngemaakt hout van de kamferboom bereid, dat verkoelend werkte en jeukstillend was. Daarom werd het als olie of zalf gebruikt tegen jeuk-, zenuw- en spierpijnen. Twee andere gebruikte medicijnen waren mirre, een gomhars van de mirreboom, dat overvloedig in West-Afrika aanwezig was en als substantie in alcohol met lepelblad tegen ontstekingen en infecties werd gebruikt, en aloë, dat zowel in sap- als poedervorm tegen verbrande huid kon worden gebruikt. Deze kruiden werden in alcohol opgelost, ‘spiritualiasgenoemd. Zoals eerder al gezegd, ging het echter slechts om verzachtende medicijnen. Wie in West-Afrika ernstig ziek werd, had maar weinig hoop op beterschap en stierf meestal na een lang aanslepende ziekte.

Daarnaast ontbrak het de chirurgijns ook aan bruikbare instrumentaria. Terwijl de WIC voor de nodige medicatie zorgde, moesten de ‘meesters’ zelf instaan voor de operatiematerialen die ze nodig hadden. Het loon van de chirurgijn was echter laag en veel kon men zich niet aanschaffen. Het instrumentarium van de toenmalige arts beperkte zich dan ook in hoofdzaak tot incisiemessen en amputatiezagen. Dringende operationele ingrepen waren daardoor nauwelijks mogelijk. Dat bemoeilijkte verder de efficiënte behandeling van zieken. In 1715 was de toestand zelfs zó schrijnend, dat men een soldaat van het garnizoen in Apam aan de ‘spirituele’ zorgen van de negers had moeten overdragen[123].

 

6.b.4. Gevolgen voor de Compagnie.

De Afrikaanse ziektes dunden het personeelsbestand van de Compagnie snel uit. De gevolgen van de hoge sterfte lieten dan ook niet lang op zich wachten. In het jaar 1715 was de toestand op de Goud- en Slavenkust zodanig slecht, dat gouverneur H. Haring niet meer kon instaan voor de zo al minimale bezetting van de andere forten en factorijen. In 6.a. hebben we al gezien dat alle posten aan Elmina slechts door één man konden worden bezet en dat Haring geen enkele soldaat meer kon missen. Dit impliceerde dat alle factorijen het voortaan moesten rooien met het personeel die er beschikbaar was, hoe gebrekkig ook. Dit had grote gevolgen voor het sociale beleid en het strafbewind van de WIC.

Normaal gesproken was het regime voor het personeel in West-Afrika streng: wie de wetten en regels van de WIC overtrad, kon op een zware straf rekenen[124]. Door de schrijnende situatie van het personeelsbestand op de factorijen was er in de loop van 1715 echter nog maar weinig sprake van sociale controle. Den Heijer beweert wel dat er jaarlijks meerdere personeelsleden van de Compagnie werden veroordeeld tot de strop, maar in de 18de eeuw gold deze regel allang niet meer[125]. De Raad van Elmina deelde beduidend mildere straffen uit om de onderbezette handelsposten niet verder te hypothekeren. In plaats van lijfelijke straffen en ontslagen, werd de beschuldigde in de meeste gevallen veroordeeld tot een geldboete van twee tot drie maandlonen. Eén uitzondering daarop vormde de bottelier van de kruiser Jacoba Galei, die voor de grote mast ‘gelaerst’ of met de zweep geslagen werd[126]. Opperstuurman Caagman werd dan weer uit zijn functie ontzet op beschuldiging van wangedrag (cf. 13.b.). De zware boetes zetten echter geen rem op de vele uitspattingen van het personeel, zoals dronkenschap, (speel)schulden, geweld, diefstal en sluikhandel. Deze zaken komen in Hoofdstuk 8 nog uitgebreid aan bod.

 

6.c. Beperkte migratie uit Europa.

 

De geringe komst van nieuwe personeelsleden naar West-Afrika had ook een zeer groot aandeel in de onderbezetting van de WIC. H. Haring verzocht de Heren X wel om meer en beter gekwalificeerd personeel, maar zijn eisen werden niet voldaan. Het was niet eenvoudig om mensen te vinden die in West-Afrika wilden werken, omdat velen geen heil zagen in een avontuur vol gevaren. Soldaten en matrozen vond men in de Republiek moeilijk, omdat voor hen de toekomst het minst rooskleurig was. De meeste soldaten zouden tijdens hun lange verblijf op de kust de dood vinden en wie overleefde, maakte nauwelijks kans op promotie. Daarbij kwam nog dat hun soldijen (cf. 6.e.) doorgaans lager waren dan in het Staatse leger, de admiraliteit of zelfs bij de VOC! Wat zette de meeste soldaten er dan toe aan om bij de WIC in dienst te treden? Gelet op het loonpeil, de abominabele leef- en werkomstandigheden en de grote kans op sterfte waren het meestal mannen, die ongehuwd waren en uit de armste lagen van de maatschappij kwamen. Voor hen was dienstneming bij de WIC een noodsprong, een laatste keuze omdat ze nergens op de arbeidsmarkt terecht konden, ongeacht hun geografische afkomst of nationaliteit. In de Geschiedenis van de VOC kwam de Nederlander F. S. Gaastra tot diezelfde conclusie.

Voor de hogere rangen, zoals handelaars, waren wel gemakkelijker sollicitanten te vinden, omdat zij op de Goudkust meer kans maakten op carrière. Hier speelde het hoge sterftecijfer in West-Afrika zelfs een zeer voordelige rol. De meeste kooplieden begonnen hun loopbaan als assistent (de laagste rang) of ondercommies, maar maakten door het hoge sterftecijfer op de Westafrikaanse kust snel promotie[127]. Velen schopten het zelfs tot de hoogste regionen, namelijk die van opperkoopman of gouverneur, zoals bij voorbeeld H. Haring (cf. 7.a.). In tegenstelling tot de soldaten en matrozen hadden zij ook het aangename vooruitzicht om binnen enkele jaren tijd een aardig salaris te verdienen. Bovendien lieten de bewindhebbers van de WIC in de 18de eeuw steeds meer stilzwijgend toe dat zij op de kusten van West-Afrika goederen verkochten voor eigen voordeel, de zogenoemde ‘halfwinstgoederen’. In de praktijk betekende deze private handel een extra mogelijkheid om meer geld te verdienen.

Al bij al brachten deze voordelen maar weinig nieuw personeel naar de kusten van Afrika. Voor het jaar 1715 kwamen alleen met het schip Nieuwe Post, dat op 26 juli voor de haven van Elmina arriveerde, één vaandrig, drie ondercommiezen en één soldaat over voor de factorijen, naast 19 matrozen die exclusief voor het kruiserschip Faam waren bestemd[128]. In verhouding met het gemiddelde mortaliteitscijfer lag dit aantal zeer laag. Daardoor kampte de WIC in West-Afrika in het ganse jaar 1715 met een uitgesproken onderbemanning, voornamelijk op de factorijen.

 

6.d. Nationaliteiten.

 

6.d.1. Personeel op de factorijen.

 

Tabel 6.1. Geografische afkomst WIC-personeel op de factorijen (12 april 1715)*.

 

Republiek

Duitse Rijk

Scandinavië

Oostenrijkse Nederlanden

Rest van Europa

Goudkust

Andere

Totaal

Axim

9

6

-

1

2

3

1

22

Boutri

7

1

1

-

-

-

-

9

Sekondi

4

3

-

-

-

-

-

7

Chama

8

2

1

-

-

-

-

11

Komenda

4

3

1

-

-

-

-

8

Elmina

52

15

2

-

6

2

1

78

Mouree

6

2

-

1

1

-

-

10

Cormantin

14

5

-

2

4

-

-

25

Apam

6

1

-

1

1

-

-

9

Bercoe

12

1

-

-

-

1

-

14

Accra

16

9

2

-

1

3

-

31

Fida

3

3

-

-

-

-

1

7

Totaal

141

51

7

5

14

9

3

231

 

61%

22%

3%

2,2%

6%

3,9%

1,3%

 

Bron: ARA, WIC 102, f° 490-493 / * = Er is rekening gehouden met de politieke landsgrenzen van Europa in 1715.

 

De WIC was een Nederlandse instelling en dus in hoofdzaak een compagnie van Nederlanders. Op basis van de monsterrol van 12 april 1715 leiden we af dat er toen 61% Nederlanders op de verschillende fortfactorijen in West-Afrika werkzaam waren (cf. tabel 6.1.). De meesten onder hen kwamen daarbij uit de streek van Holland, en meer bepaald uit Amsterdam, en Zeeland. Aangezien dit de 2 belangrijkste Kamers waren van de Compagnie, rekruteerden zij ook het merendeel van het personeel voor dienst in West-Afrika. Omdat het voor de WIC in de Republiek alsmaar moeilijker werd om mensen te vinden die naar West-Afrika wilden gezonden worden, moesten de afzonderlijke Kamers vanaf de tweede helft van de 17de eeuw echter steeds meer personeel rekruteren onder de grote groep van migranten uit Noordwest- en Centraal-Europa, die in 1715 toch wel een kleine 40% van het WIC-personeel in West-Afrika uitmaakte! Den Heijer berekende zelfs dat het percentage personeelsleden van buiten de Republiek in de periode 1700-1740 groeide van 32,5 naar 56,6%[129].

De grootste groep van vreemdelingen stamde uit de grenzen van het Duitse Rijk en vertegenwoordigde in 1715 in totaal 22%, een vijfde van het aanwezige personeel op de Goud- en Slavenkust (cf. tabel 6.1.). De meesten onder hen kwamen daarbij uit de Noordduitse en Middenduitse gebieden, waar het lutheranisme hoogtij vierde. Voor katholieke Duitsers was het namelijk weinig aantrekkelijk te dienen bij een compagnie waar de gereformeerde geest permanent voelbaar was[130].

 

Naast de twee grote groepen van Nederlanders en Duitsers, bestond het overige deel van het personeel op de factorijen uit een waaier aan kleinere Europese en niet-Europese nationaliteiten. De Scandinaven (Denen, Zweden en Noren) waren daarbij met 3% het sterkst vertegenwoordigd, terwijl 2,2% afkomstig was uit de Oostenrijkse Nederlanden, meer bepaald uit Gent, Gistel, Melle, Brugge en Menen[131]. Voor de rest kwam ook een handvol mensen uit Polen (Gdansk of Dantzig), Pruisen (Königsberg of Kaliningrad), Frankrijk, Italië, Ierland, Schotland, de Zwitserse Confederatie en het Oostenrijkse Rijk. Hun aanwezigheid was echter verwaarloosbaar. Opvallend is wel dat zij vooral uit de grote havensteden van deze landen afkomstig waren, zoals Oslo, Bergen, Stockholm, Rouen, Brest, Genua, Cork en Edinburgh. Zij boden namelijk de mogelijkheid om zeer snel in de Republiek te geraken.

Het kleine percentage aan niet-Europeanen kwam grotendeels uit Afrika zelf, en meer bepaald de Goudkust (cf. tabel 6.1.). Het ging hier om mulatten, kinderen van een Europese man en Afrikaanse vrouw, of ‘tapoejers’ (zoals ze in de bronnen worden aangeduid), die binnen de muren van Elmina al op jonge leeftijd onderricht kregen van een predikant en op latere leeftijd in dienst traden van de WIC. In 1715 waren er zo 9 mulatten aan de factorijen ingeschreven of 3,9% van het totaalaantal leden. Zij hadden allen doodgewone Nederlandse namen. Vaak waren ze tweetalig en werden ze als tolk door de WIC ingeschakeld[132]. In die context speelden ze een grote rol in de contacten met Afrikaanse handelsprinsen of ‘caboceers’, hoewel de meesten niet verder kwamen dan de rang van soldaat. Daarnaast waren er nog enkele bedienden afkomstig uit meer ‘exotische’ gebieden van de wereld, zoals Sri Lanka, Curaçao en Moskou.

Tot slot had de WIC ook een grote groep compagnieslaven tot haar beschikking. Dit waren autochtone zwarten, die niet voor verkoop in Amerika waren bestemd, maar op de factorijen in West-Afrika als werkkracht werden ingeschakeld. De WIC had zo een 200 tot 300 compagnieslaven in dienst. Over het algemeen hadden zij het beter dan hun lotgenoten, die naar Amerika werden verscheept[133]. Op de monsterrollen en in het dagjournaal werden ze echter meestal stilgezwegen.

 

6.d.2. Personeel op de schepen.

 

Tabel 6.2. Geografische afkomst WIC-personeel op de schepen (12 april 1715)*.

 

Republiek

Duitse Rijk

Scandinavië

Rest van Europa

Goudkust

Andere

Onbekend

Totaal

Faam

66

22

32

8

1

-

8

137

Engelenburgh

16

3

1

1

3

1

-

25

Geertruyd Galei

11

2

3

2

1

-

7

26

Zacconde

4

-

-

-

1

-

-

5

Sonnesteyn

4

1

2

-

-

-

-

7

Commany

13

1

-

-

1

-

-

15

Bercoe

21

1

1

1

1

-

1

26

Chama

14

-

-

1

-

-

-

15

Zeeuwse Galei

33

2

-

3

-

-

-

38

Totaal

182

32

39

16

8

1

16

294

 

61,7%

10,9%

13,3%

5,4%

2,7%

0,3%

5,4%

 

Bron: ARA, WIC 102, f° 494-498 / * = Er is rekening gehouden met de politieke landsgrenzen van Europa in 1715.

 

Bij het scheepspersoneel van de WIC vinden we vergelijkbare percentages terug (cf. tabel 6.2.). De Nederlanders waren met 61,7% het sterkst vertegenwoordigd op de schepen. Vooral de leidinggevende functies, zoals de rangen van schipper, opper- of onderstuurman en derdewaak waren in Nederlandse handen. Meestal gebruikte de WIC voor de kustscheepvaart in West-Afrika kleine schepen (‘hoekers’), die zelden of nooit met meer dan 25 man waren bezet en waarop één à 2 Nederlandse officieren de leiding hadden. Alleen op de kruiser Faam kwam de onderstuurman uit het Duitse Bremen en waren de twee derdewaken respectievelijk afkomstig uit Kopenhagen en het Deense eiland Bornholm[134].

Opvallend onder het personeelsbestand op de schepen is de grote aanwezigheid van Scandinaven. Terwijl ze op de forten en factorijen slechts 3% van het personeel uitmaakten, vertegenwoordigden ze op de schepen maar liefst 13,3% (cf. tabel 6.2.). Daarmee waren ze talrijker dan de Duitsers en ná de Nederlanders de tweede meest belangrijke groep onder de scheepsbemanning. De aantrekkingskracht van de steden Oslo (toenmalig Christiania) en Bergen in Noorwegen, Stockholm en Göteborg in Zweden en Kopenhagen in Denemarken speelde daarbij een vooraanstaande rol. Deze havensteden hadden zelf al een lange traditie van scheepvaart en bijgevolg een groot potentieel aan maritiem personeel, matrozen. Velen van hen vonden hun weg naar de Nederlandse WIC en VOC en traden daar veeleer in dienst als matroos op de schepen dan als soldaat op de forten en factorijen. In het bijzonder waren de Scandinaven met maar liefst 23% op de kruiser Faam zeer sterk vertegenwoordigd.

 

6.d.3. Nationaliteiten per beroepsklasse.

In de bovenstaande paragrafen is vooral met cijfermateriaal gegoocheld. Goede verklaringsmodellen zijn daarbij nog niet echt aan bod gekomen. Deze wil ik bekomen door de nationaliteiten van het personeel van de WIC per beroepsklasse te belichten. Deze benadering is namelijk veel genuanceerder dan een algemeen overzicht, zoals hierboven is beschreven. Uit praktische overwegingen beperk ik mij hier alleen tot de forten en factorijen. De drie beroepsklassen waren de klasse van handelsofficieren en kooplieden, ambachtslieden en militairen[135].

 

6.d.3.1. Handelsofficieren en kooplieden.

 

 

In 1715 waren er 53 leden van de WIC op de factorijen, die tot de klasse van de handelsofficieren en kooplieden behoorden, onder wie uiteraard de directeur-generaal en zijn Raad, alle commiezen en assistenten, boekhouders en secretarissen, tot zelfs de predikant en voorlezer toe. Het aandeel van de Nederlanders in deze beroepsklasse was bijzonder hoog. Maar liefst 50 handelsofficieren waren van Nederlandse afkomst of 94%. Grafiek 1 toont dit overwicht per factorij goed aan. De leiding over quasi alle handelsposten was in Nederlandse handen. Alleen aan St. Anthony in Axim was de ondercommies uit Curaçao afkomstig. Zijn naam, Johannes Munnikhoven, verraadt echter een Nederlandse afkomst. Vermoedelijk was hij de telg van een Nederlandse familie, die zich in Nederlands Curaçao had gevestigd. Aan de loge in Fida waren de 2 assistenten Albertus Altuna en Egbert Hulleman dan weer afkomstig uit Geldern en Elburg in het Duitse Rijk. Dit waren slechts uitzonderingen! Het handelsbeleid van de WIC in West-Afrika was exclusief voorbehouden aan leden uit de Republiek.

De hoogste gezagdrager van de WIC in Afrika, de directeur-generaal, werd altijd door de Heren X aangesteld, terwijl de overige raadsleden van de Compagnie (cf. 7.b.) volgens een roterende verdeelsleutel door de 5 Kamers werden aangesteld. Dit waren in volgorde van belang de Kamer van Amsterdam, Zeeland, Maze, Stad en Lande en tot slot Noorderkwartier. De directeur-generaal en raadsleden van Elmina hadden de grootste verantwoordelijkheid en waren altijd Nederlanders, omdat de kennis van de Nederlandse taal onontbeerlijk was voor hun correspondentie met de Heren X of hun Kamers aan het thuisfront[136]. Bovendien was de WIC wantrouwig om het bestuur van de Compagnie in Elmina (en aan de buitenfactorijen) aan buitenlanders over te laten. Zij konden vrijwel nooit tot de hoogste bestuursorganen en functies doordringen. Van slechts twee buitenlanders is geweten dat ze het in Afrika tot opperkoopman hebben geschopt, namelijk de Zwitser Louis Bardet (Genève) en de Duitser Hendrik Hertogh (Frankfurt), respectievelijk in 1706 en 1731[137].

Als we kijken naar de regionale afkomst van de Nederlanders, ontdekken we ook enkele frappante zaken. Van de 50 Nederlandse handelsofficieren op de verschillende factorijen waren er 22 (45,8%) uit Amsterdam afkomstig. Dit was niet verwonderlijk. In de loop van de 17de en 18de eeuw is Holland altijd het kloppende hart geweest van de Republiek. De metropool Amsterdam oefende daarbij een grote aantrekkingskracht uit. Bovendien had de Kamer Amsterdam vanaf 1674 60% van het aandelenkapitaal in handen en nam zij 4/9 deel van alle scheepsuitredingen naar Afrika voor haar rekening. Volgens diezelfde verdeelsleutel leverde Amsterdam dan ook het meeste personeel.

 

6.d.3.2. Ambachtslieden.

In 1715 herbergden de factorijen op de Goud- en Slavenkust 37 arbeiders, onder wie de onderbaas of werfleider, enkele smeden, timmerlieden, kuipers, metselaars, een molenaar en bottelier, enkele chirurgijns of ‘meesters’ en onderchirurgijns, een gasthuisbewaarder en konstabels. De konstabel was belast met het onderhoud van de artilleriegoederen, namelijk het kanongeschut en de munitie. Feitelijk had hij dus een militaire functie. In 1715 werd hij door de WIC echter ingeschreven als arbeider en behoorde hij niet tot het garnizoen!

 

 

Grafiek 2 toont de spreiding van de ambachtslieden over de Goud- en Slavenkust. Het merendeel van de arbeiders was in Elmina werkzaam, omdat de kattenplaats (cf. 4.c.3.) daar hét arbeidscentrum bij uitstek was. Aan de overige handelsposten waren meestal wel één timmerman, konstabel en chirurgijn aanwezig. Het overgrote deel van de arbeiders was opnieuw van Nederlandse afkomst (73%). De Duitsers waren met 6 man vertegenwoordigd en daarmee goed voor 16%, namelijk de chirurgijn Zacharias Aleescher, de smeden Hans Jurgen Meyer en Magnus Hansen, de kuiper Hans Hendrik Hunnevelt en de metselaar Christiaan Hovenaar, alsook onderchirurgijn Jan Andries Hanebort aan Axim. Voor de rest waren er nog 3 andere arbeiders uit Denemarken, Zweden en Rusland afkomstig en één ‘tapoejer’.

Het aandeel van de Nederlanders in de arbeidersklasse was dus al minder dan bij de kooplieden, maar nog steeds dominant. Een mogelijke verklaring daarvoor is dat de arbeid volgens technische instructies van de equipagemeester of onderbaas werd uitgevoerd, waarbij Nederlandse lengtematen werden gebruikt. Buitenlanders hadden waarschijnlijk onvoldoende technische bagage.

 

6.d.3.3. Militairen.

De militairen vormden met 141 manschappen de grootste groep in West-Afrika. Normaal gezien was de leiding over het ganse garnizoen in handen van de vaandrig, maar deze was in 1715 niet aan Elmina aanwezig (cf. 7.b.4.). Het bevel over het leger werd dan maar verspreid over drie sergeanten, die onder hen 11 korporaals hadden, alsook 12 adelborsten. Hun rang stond gelijk aan die van luitenant. Zij hadden aan de verschillende factorijen 115 soldaten onder hun vleugels.

Grafiek 3 toont een grote diversiteit aan nationaliteiten aan. Van de 141 militairen waren ‘slechts’ 64 van Nederlandse afkomst (45%). Daarnaast waren er ook 43 Duitse soldaten (30%) en 35 soldaten van diverse afkomst (25%). De Nederlandse militairen waren dus niet dominant en werden vooral bijgehaald door het hoge aantal soldaten van Duitse afkomst. Bij 4 factorijen overschreed of evenaarde het aantal Duitsers zelfs dat van het aantal Nederlanders, namelijk aan Axim, Sekondi, Komenda en Fida. Ook opvallend is het aandeel van Pruisische soldaten (2) uit Königsberg of Kaliningrad en Poolse soldaten (4) uit Gdansk of Dantzig, twee nationaliteiten die we bij de klassen van handelsofficieren en ambachtslieden niet teruggevonden hebben.

 

 

Centraal-Europa was onder de militairen dus sterk vertegenwoordigd. Vooral de noordelijk gelegen keurvorstendommen Hannover (Bremen, Hamburg, Braunschweig en Lübeck) en Brandenburg (Berlijn, Magdeburg) waren zeer belangrijke gebieden van herkomst. Ook het hertogdom Saksen (Leipzig) was een belangrijk district. Sporadisch waren er ook Duitsers afkomstig uit de meer zuidelijk gelegen steden, zoals Frankfurt, Würzbürg en Ulm. Een bijzonder rekruteringscentrum was Pruisen. Dit gebied werd al in 1701 als onafhankelijk vorstendom, los van het Duitse Rijk, erkend. De havenstad Königsberg oefende daarbij een grote aantrekkingskracht uit. Voor de stad Gdansk in Polen gold hetzelfde. Beide steden waren de belangrijkste havens in het Oostzeegebied en hadden in 1715 al een lange handelsgeschiedenis achter de rug met de Republiek, voornamelijk in Baltisch graan. Vele Pruisen en Polen vonden dan ook gemakkelijk hun weg naar de Republiek, waar ze al snel in dienst traden van de WIC en VOC. Zo schreef R. van Gelder met betrekking tot de VOC dat tussen 1700 en 1752 minstens honderd man uit Königsberg in dienst van de compagnie was getreden[138].

De grote stroom van personeelsleden uit Centraal-Europa was vooral te wijten aan de hoge werkloosheid en de weinig bevorderlijke toestand van de landbouw in deze regio. In tegenstelling tot de meeste Westeuropese landen, werden vanaf de 17de eeuw de banden van lijfeigenschap in Centraal-Europa nog strakker aangespannen. Tussen 1614 en 1717 verviervoudigden zo de huurpachten en corveediensten in Brandenburg en Pruisen[139]. Deze druk smoorde de mogeli