| Het dagelijks leven in Wervik tijdens de Franse periode (1790 – 1815). (Leen Breyne) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Een grote historische gebeurtenis op lokaal niveau bespreken, sprak mij het meeste aan. Ik koos ervoor om de stad Wervik te bespreken tijdens de Franse periode. De titel van mijn onderzoek luidt dan ook: ‘Het dagelijks leven in Wervik tijdens de Franse periode, 1790 - 1815’. Het is de bedoeling om, in de mate van het mogelijke, na te gaan hoezeer de Franse periode het dagelijks leven in Wervik heeft beïnvloed.
Met mijn onderzoek poog ik het hiaat in de kennis over de stad Wervik aan te vullen. Wie meer over de geschiedenis van de stad wilde weten, moest zich in hoofdzaak richten op de werken van René Defrancq. In zijn werken beschrijft hij de volledige stadsgeschiedenis van Wervik. Het is dan ook begrijpelijk dat Defrancq niet overal even diep kon op ingaan. Zijn werk verdient zeker het nodige respect, doch moet ik echter de opmerking maken dat een aantal verwijzingen naar bijvoorbeeld zijn bronnen uit het Frans Fonds niet steeds correct waren. Dit poog ik dan ook met dit werk recht te zetten.
De keuze om de Franse periode van naderbij te bekijken was snel gemaakt. Eerst en vooral omdat er, zoals reeds gezegd, nog zeer weinig geweten is over de stad Wervik tijdens deze periode. Bovendien vind ik de Franse periode een boeiende gebeurtenis in de geschiedenis van de Zuidelijke Nederlanden. De Franse periode maakte immers onomkeerbaar komaf met het Ancien Régime, een nieuw tijdperk werd ingeluid. Er is dan ook heel wat gebeurd in deze relatief korte periode. De maatschappij onderging vele veranderingen waardoor de gehele maatschappij werd hervormd. [1]
Zoals reeds gezegd, betreft het hier een lokaal onderzoek waar ik het dagelijks leven van Wervik tijdens de Franse periode tracht te (re)construeren.
De keuze voor deze lokaliteit werd eerst en vooral bepaald door mijn eigen interesse. Het kan mij, denk ik toch, niet kwalijk genomen worden, dat ik interesse heb voor het verleden van ‘mijn’ stad en hier specifiek voor Wervik tijdens de Franse periode.
Daarenboven is Wervik een grensstad, van Frankrijk gescheiden door de Leie. Het feit dat Wervik een grensstad is, maakt dit onderzoek misschien nog interessanter. Het zou kunnen dat Wervik als grensstad de opmars van het Franse leger intenser gevoeld heeft dan elders in het Vlaamse binnenland. Misschien zag de Wervikse bevolking de Franse troepen zich aan de overkant van de Leie in gereedheid brengen om via Wervik de Oostenrijkse Nederlanden binnen te trekken. Daarnaast was Wervik de hoofdplaats van het kanton, misschien had dit een invloed op de organisatie van het dagelijks leven.
We kunnen ons bijgevolg afvragen hoe deze grote historische gebeurtenis door de Wervikse bevolking werd beleefd en hoe ze hiermee omgingen. De Franse periode wordt doorgaans omschreven als een tijd van terreur en vernieling. In dit onderzoek tracht ik te achterhalen of er van dit alles iets merkbaar is op het lokale niveau, meer bepaald in de stad Wervik. Werd Wervik zoals vele andere steden en dorpen in Vlaanderen geteisterd door terreur, vernieling en dergelijke? Het zou ook kunnen dat het dagelijks leven zijn gewone gang ging, en de boer, hij ploegde voort.
Centraal in mijn onderzoek staat dus de vraag: Hoe leefde de Wervikse bevolking in de periode 1790 – 1815. Ik poog (dus) een grote historische gebeurtenis te bestuderen via een kleine lokaliteit. Zoals reeds gezegd betekende de Franse Revolutie, gevolgd door de Franse periode, de teloorgang van het Ancien Régime. Ik stel mij dus de vraag of men ook in Wervik een nieuwe periode binnenstapte. Mijn twee subvragen hierbij zijn: wat was nu juist de impact van deze ‘woelige’ periode op het dagelijks leven in Wervik en wat was de reactie van de lokale bevolking: gingen zij gewillig samenwerken of is er eerder sprake van verzet.
Wie de literatuur omtrent de Franse periode eens vluchtig doorneemt, merkt dat de grote lijnen van deze periode al grondig besproken, behandeld en bestudeerd werden, zeker in vergelijking met de studies op lokaal gebied. Reeds enkele studies werden besteed aan het lokaal onderzoek tijdens de Franse periode. Ik hoop dan ook hier een bijdrage te kunnen leveren.
Zeer gelijkend op mijn onderzoek is de licentiaatsverhandeling van Johan Buyck ‘Het kanton Tielt tijdens de Franse periode, 1794-1814.[2] Hij poogde vooral na te gaan welke veranderingen de Franse overheersing teweegbracht op het bestuurlijk niveau in Tielt, daar reeds voordien een onderzoek werd verricht naar de demografische en sociaal-economische situatie.[3]
In mijn onderzoek is de bedoeling zowel het politieke, sociaal-economische, culturele als demografische aspect van Wervik te behandelen. In de hoop zo een beter beeld te krijgen van de stad Wervik tijdens de Franse periode.
In de hieropvolgende pagina’s bespreek ik eerst algemeen de Franse periode voor de gehele Zuidelijke Nederlanden. Dit is noodzakelijk om mijn onderzoek naar het dagelijks leven in Wervik tijdens de Franse periode te omkaderen. Vervolgens bespreek ik de Franse periode in Wervik, het eigenlijk onderzoek. Achtereenvolgens bespreek ik de politieke, de socio- culturele met onder andere het religieuze leven, het economische en demografische aspect.
1 Het politieke- militaire aspect
Hier poog ik na te gaan of de Franse overheersing veranderingen teweegbracht op het bestuurlijk niveau te Wervik en hoe de lokale machthebbers functioneerden. Daarnaast vroeg ik mij tevens af welke personen bereid waren een functie op zich te nemen. Waren deze personen gewillig bereid mee te werken of pleegden ze op de een of andere manier verzet? Misschien werd het Wervikse stadsbestuur aan de deur gezet en vervangen door revolutionairen.
Om na te gaan in welke mate het stadsbestuur van Wervik meewerkte met de Franse bezetter is het interessant om te kijken in welke mate het politiek personeel zich inzet om de republikeinse wetten in Wervik te laten gelden. Er waren twee mogelijkheden ofwel voerden ze een strenge revolutionaire politiek, ofwel hadden ze een eerder lakse houding en namen ze het niet nauw met de opgelegde republikeinse wetten. Bovendien werd Wervik uitgeroepen tot de hoofdplaats van het kanton. Wellicht had dit ook een invloed op de politiek in Wervik.
Uiteraard zal de Wervikse bevolking hier zijn eigen mening over hebben gehad en deze eventuele politieke wijzigingen aan den lijve hebben ondervonden. De inwoners hadden twee keuzen ofwel steunden ze het stadsbestuur en kon de (nieuwe) burgemeester op zijn onderdanen rekenen. Maar daarnaast kon de bevolking ook kiezen voor tegenwerking en verzet tegen het lokaal bestuur, misschien bemoeilijkte de bevolking het functioneren het stadsbestuur.
Uiteraard is het ook mogelijk dat alles zijn gewone gangetje ging en dat het dagelijks leven gewoon werd verder gezet zoals voordien. Met andere woorden in welke mate was de Wervikse bevolking revolutionair en Fransgezind.
2 Het socio- culturele aspect
Vandaag de dag wordt er nog steeds om allerlei redenen feest gevierd. Wellicht was dat tijdens de Franse periode niet anders. Ik stelde mij de vraag in welke mate er tijdens deze ‘woelige’ periode tijd was om te feesten. Werden de traditionele feesten nog steeds gevierd of bracht de Franse bezetter zijn eigen feesten mee waar de bevolking al dan niet gedwongen moest aan deelnemen?
Een belangrijk ander aspect onder dit hoofdstuk is het onderwijs. Eerst en vooral is het noodzakelijk te weten hoe het schoolleven te Wervik georganiseerd was en welke scholen er bestonden. Het onderwijs is de ideale gelegenheid om de jeugd een zekere ideologie bij te brengen, bijgevolg leek het mij interessant om na te gaan in welke mate de Franse bezetter de bestaande scholen gebruikt of kozen ze eerder voor de opbouw van eigen republikeinse scholen. Uiteraard is het ook van belang welke leerkracht vooraan de klas staat. Liet de Franse bezetter de ‘oude’ leerkrachten in hun functie of werden ze door Fransgezinden vervangen?
Een al veel besproken verschijnsel van verzet is de Boerenkrijg. De militair, politiek en ideologisch geïnspireerde maatregelen, in combinatie met economische moeilijkheden, worden als oorzaken aangewezen voor het ontstaan van deze opstand in het najaar van 1798.[4] De Boerenkrijg is een historisch fenomeen dat nog steeds ambivalente gevoelens oproept. Bij de ene komt een meewarig gevoel van een hopeloze en reactionaire strijd naar boven, terwijl anderen dan weer vol vuur de zaak van 1798 verdedigen. Zoals herhaaldelijk vermeld, was de overgang van het Ancien Régime naar de Hedendaagse Tijd een proces dat met veel groeipijnen gepaard ging. De Boerenkrijg was daar een element van. Luc François meldt dat het noodzakelijk is om de Boerenkrijg als een uniek gebeuren in vraag te stellen. Het moet veeleer als een onderdeel van een veel complexer fenomeen worden bestudeerd.[5] In mijn onderzoek is het dan ook de bedoeling om de Boerenkrijg als een element van een groter geheel te beschouwen.
Vooreerst stelde ik mij de vraag of er wel effectief ontevredenheid was onder de Wervikse bevolking en zo ja, uitte dit zich dat in verzet waardoor we misschien kunnen spreken van een Boerenkrijg in Wervik.
Daarnaast is het ook van belang de oorzaken na te gaan van het eventuele verzet of Boerenkrijg. Een van de meest aangehaalde redenen van het ontstaan van het verzet tegen de Fransen, is de conscriptie. Het is alom geweten dat tijdens de Franse periode er een zware conscriptie werd gevoerd, dus ook in Wervik zullen vele jongeren voor het leger zijn opgeroepen. In de vele literatuur die hier omtrent geschreven is, wordt steeds gemeld dat de bevolking zich tegen deze conscriptie hardnekkig heeft verzet. Ik vroeg mij dan ook af of dit ook zo was te Wervik. Uiteraard zal dit wellicht niet door iedereen met een even groot enthousiast onthaald zijn. Wellicht koos een deel voor gehoorzaamheid en trok naar het leger, het ander deel koos er voor een tijdje ondergedoken te leven. Daarnaast, als er sprake is van verzet tegen de conscriptie, stelde ik mij de vraag of dit een algemeen verzet was of eerder enkele losstaande relletjes van enkele individuen. Indien er sprake was van verzet dan lijkt het mij ook interessant om de houding van de lokale overheid hierop na te gaan.
Algemeen is geweten dat de Franse periode op religieus gebied een onrustige periode was. Tal van beperkingen werden de clerus opgedrongen. Dit aspect kon dus zeker in mijn onderzoek niet ontbreken. Vooral daar de clerus toen nog een grote invloed had op de lokale bevolking.
Het leek mij dan ook interessant te onderzoeken hoe de Wervikse geestelijken met deze Franse overheersing omgingen, deden ze wat hen gevraagd werd of voerden ze hun functie zoals tevoren verder uit.
Tevens weten we dat de geestelijken een trouwgelofte moesten afleggen tegenover de Franse Republiek. Normaal gezien, zou dus ook de Wervikse clerus deze eed hebben afgelegd. In welke mate is dit dan ook effectief gebeurd, welke geestelijken legden de eed af en welke niet? Ook hier vroeg ik mij af hoe de lokale overheid hiermee omsprong.
De Franse overheerser ging zelfs zover dat vele kloosters en kerken werden gesloten. Wellicht zijn de Wervikse katholieke instellingen hier niet aan ontsnapt. Ik stelde dus de vraag in welke mate er in Wervik religieuze instellingen werden gesloten en opgedoekt. Hiermee verbonden vroeg ik mij af of de geestelijken van de opgedoekte instellingen hun functie mochten blijven uitoefenen of niet.
Zoals reeds gezegd had de geestelijkheid toen nog een grote invloed op de lokale bevolking. Wellicht zal de houding van de clerus ook voor een stuk de houding van de bevolking hebben bepaald. Het is dus logisch dat ik ook de reactie van de bevolking op deze strenge godsdienstpolitiek naga. We kunnen ons bijgevolg de vraag stellen of de Wervikse bevolking de geestelijken trouw bleef of kozen ze de kant van de Franse bezetter.
3 Het economische aspect
Armoede is een verschijnsel uit alle tijden. Wellicht zal Wervik dus tijdens de Franse periode ook armen gekend hebben. Wie waren deze armen en moet hoeveel waren zij? Wellicht zijn er verschillende redenen die armoede veroorzaken. Misschien was er slechts een kleine groep armen in Wervik, de gewone landlopers. Maar misschien kent het aantal armen een hoogtepunt in de Franse periode met eventueel als mogelijke oorzaak de economische crisis. Of waren de zware belastingen hier de eventuele oorzaak van?
Daarnaast kunnen we de vraag stellen of er een armenzorg in Wervik georganiseerd was en wie er voor deze armenzorg in aanmerking kwam. Oorspronkelijk lag de verantwoordelijkheid van de armenzorg bij de Kerk. Met de Franse overheersing werd dit aan de Kerk onttrokken en in handen van de staat gelegd. Hoe was de situatie in Wervik: bleef de Kerk verantwoordelijk voor de armenzorg of nam de lokale overheid dit over.
De economie bepaalt in grote mate de groei en bloei van een stad of dorp. Ik vroeg mij af of Wervik tijdens de Franse periode een economisch bloeiende of verloederende stad was. Er is geweten dat er zich economische moeilijkheden voordeden sinds 1793, en vooral sinds 1795.[6] In welke mate vinden we dit terug in Wervik? Zijn de eventuele economische moeilijkheden in Wervik enkel beperkt tot de beginfase van de Franse periode of werd de hele Franse periode overmeesterd door economische moeilijkheden. En bijgevolg hoe werd dit in Wervik aangepakt om de eventuele economische crisis te boven te komen?
Tijdens de Franse periode speelde de landbouw nog een vooraanstaande rol. We kunnen ons de vraag stellen of de landbouw tijdens deze periode problemen ondervond. Wellicht hebben de voorbijtrekkende legers vaak de oogst geplunderd en verwoest.
Daarenboven eisten de Franse legers vele zaken op en wellicht ook grote delen van de oogst. Ook hier was het de bedoeling na te gaan in welke mate dit ook in Wervik gebeurde.
Maar misschien was de Franse periode een economisch gunstige periode en bracht de landbouw voldoende voedsel op om zowel de Franse troepen als de bevolking te voeden. Misschien betekende de Franse overheersing eerder een stimulans voor de economie en zorgde het Franse regime voor een grotere afzetmarkt, waardoor de boeren meer konden produceren.
Met de markt komen we bij een ander belangrijk economisch aspect, namelijk de handel. Vandaag nog uit Wervik zich als tabaksstad, met andere woorden de tabak neemt er een belangrijke plaats in. Wat was het belang van de tabaksteelt tijdens de Franse periode, kende Wervik in deze periode een florerende tabakshandel of werd deze handel door de overheid beperkingen opgelegd? Indien dit het geval was, gaven de ‘boeren-handelaars’ dan zonder tegensputteren wat de overheid vroeg of staakten ze gewoon de handel en teelt van tabak zodat de overheid hier geen inkomsten kon uit halen.
Daarnaast is het bij een lokale studie volgens mij ook van belang na te gaan waar de Wervikse bevolking nog geld aan verdiende, welke andere nijverheden en ambachten floreerden in de stad en werden door de Franse bezetter opgedoekt of gestimuleerd.
4 Het demografische aspect
Demografie is onlosmakelijk met de drie bovengestelde hoofdstukken verbonden. Het mocht dan ook niet in mijn onderzoek ontbreken.
Voor het demografisch onderzoek richt men zich onder andere tot gegevens uit de parochieregisters en de burgerlijke stand. Deze laatste werd door de Fransen ingevoerd. Ik vroeg mij af hoe de Wervikse bevolking hiermee omging, stapten ze naar het stadhuis of bleven ze trouw aan hun parochiepriester.
Enerzijds hoop ik een reconstructie te kunnen geven van de bevolkingsevolutie tijdens deze periode, interne demografie, anderzijds de eigenlijke gedragspatronen omtrent geboorte, huwelijk, migratie en sterfte.[7] Geboren worden, trouwen en overlijden hoort nu eenmaal tot het dagelijks leven. De demografie wordt beïnvloed door externe omstandigheden waardoor dit een goede meter kan zijn voor de invloed van de Franse periode op het dagelijks leven.
Het is uiteraard interessant om te weten hoeveel inwoners Wervik in deze periode telde. Zorgden de Franse inval en bezetting door de Franse troepen voor een daling in het bevolkingsaantal of bleef deze stabiel? Het is uiteraard mogelijk dat de bevolking bij het zien van de oorlogszuchtige troepen op de vlucht sloeg.
De bevolkingsevolutie staat in relatie met het geboortecijfer en sterftecijfer. Ik stelde mij de vraag welke evolutie deze cijfers tijdens de Franse periode voor Wervik vertoont. Kende Wervik een hoog of laag geboorte- en sterftecijfer, hoe verhouden deze cijfers zich ten opzichte van elkaar?
De Franse periode staat gekend voor ellende en miserie, misschien zien we dan ook een enorme toename in het aantal overlijdens, misschien kunnen we zelfs spreken van een sterftepiek en welke leeftijdcategorieën werden het meest getroffen.
Daarnaast zorgde de ellende misschien voor een daling van het geboortecijfer. De Franse bezetter hoopte een grote impact te hebben op de bevolking, in welke mate zijn ze daarin geslaagd betreffende de naamgeving. Het is immers geweten dat men lang trouw bleef aan dezelfde voornamen. Misschien werden er wel tijdens de jaren 1800 meer jongens met de naam Napoleon geboren of bleef de Kerk een belangrijke invloed uitoefenen op de naamgeving?
Naast de overlijdens en geboorten wou ik tot een zeker niveau het huwelijkspatroon reconstrueren. Ging men in Wervik tijdens de Franse periode vroeger trouwen of stelde men zijn huwelijk uit tot ‘betere’ tijden? Uiteraard is het ook interessant om na te gaan wat de oorzaken van dit gedrag waren, misschien huwden vele jonge mannen omdat ze zo dachten aan de conscriptie te ontsnappen. Ik hoop dan ook een zeker beeld te krijgen van de huwelijksleeftijd.
De Franse periode werd reeds herhaaldelijk als ‘woelig’ omschreven en zorgde wellicht voor een stijging van het sterftecijfer. Daarnaast zorgde de conscriptie dat vele jonge mannen het leven werden ontnomen, misschien zorgde dit ervoor dat het aandeel van weduwes op de huwelijksmarkt toenam.
De stad Wervik is een grensstad en onderhield duidelijke connecties met de steden en dorpen uit Noord-Frankrijk. Er bestond bijgevolg een uitwisseling van huwelijkskandidaten tussen beide. Met de Franse periode kwam er hier misschien verandering in en wilde de Wervikse bevolking niets te maken hebben met het Franse volk.
Ik hoop dat in deze inleiding het doel van mijn onderzoek duidelijk gebleken is. De vele vragen en opmerkingen die ik hier heb gemaakt, heb ik dan ook getracht te beantwoorden met het voor handen zijnde bronnenmateriaal. En hoop dus ook dat mijn onderzoek naar het dagelijkse leven in Wervik tijdens de Franse periode een bijdrage kan leveren aan de kennis die we over de Franse periode hebben.
Lijst met gebruikte afkortingen
A.D.N. : Archives Départementales du Nord
A.S.J. : Archief van het Sint Janshospitaal
B.A.B. : Bisschoppelijk archief Brugge
B.A.D .: Bisschoppelijk archief Doornik
B.A.G. : Bisschoppelijk archief Gent
BS : registers van de burgerlijke stand
F.F. : Frans Fonds (Archief van de Franse Hoofdbesturen)
K.A.W. : Kerkarchief Wervik
R.A.B. : Rijksarchief Brugge
R.A.K. : Rijksarchief Kortrijk
PR : parochieregisters
-Jos De Smet, Inventaris van het archief van de Franse Hoofdbesturen in West-Vlaanderen, 1794-1814, Brussel, 1951, 245 p.
Het is onbegonnen werk en naar mijn mening niet noodzakelijk om de door mij geraadpleegde bundels hier te noteren. Ik zou namelijk grote delen van de inventaris moeten overnemen. Helaas bracht niet elke bundel de gewenste informatie op. Vele bundels werden immers doorbladerd zonder resultaat. De bundels die wel informatie boden en die voor mijn onderzoek van belang waren, vind je in de voetnoten terug aangeduid als R.A.B. F.F. en het nummer van de bundel. Voor verdere informatie verwijs ik dan ook naar de inventaris van Jos De Smet.
-R.A.K.: PR 0293288 (1780)
PR 0293289 (1781 – 1791)
PR 0293290 (1792 – 1797)
PR 1115853 (1796 – 1806)
BS 1165611 (1797 – 1806)
BS 1165612 (1807 – 1815)
BS 1165613 (1816 – 1823)
BS 1165614 (1824 – 1830)
-K.A.W.:
-registrum baptistorum:
-1807 – 1811 (kladversie en een exemplaar in het net overgeschreven)
-1812 – 1815
-1816 – jan. 1821
-vervolg 1821 – aug. 1825
-vervolg 1825 – maart 1830
-vervolg 1830 – sept. 1837
-registrum mortuorum:
-1807 - 1811
-1812 – 1814
-(in het net overgeschreven: 1807 – 1814)
-1815 – 1819
-(ontbreekt: 1820 – 30 maart 1824)
-31 maart 1824 – juni 1828
-vervolg 1828 – 1837
-registrum matrimoniale
-1807 – 1813
-(in het net overgeschreven 1807 – sept. 1813)
-1814 –1821
-1822 – sept. 1829
-vervolg 1829 – aug. 1839
-Christine Descamps, inventaris van het kerkarchief.
De volgende nummers werden door mij ingekeken. Ondanks de veelbelovende titels bevat dit archief geen enkel document die voor mijn onderzoek iets bijbracht.
- 26 t.e.m.34: kerkrekeningen (1790-1815, hiaten!)
- 94: kritiek op revolutionair bestuur i.v.m. de eed van getrouwheden
- 95: voorstel i.v.m. de samenstelling van het nieuwe magistraat, lijst met namen
- 100: ±1815: troebels i.v.m. kanoniek recht rond de nieuwe grondwet
- 164: 1772-1797: correspondentie Z.E.H. Cocquit (met o.a. stukken i.v.m. theologisch geschil + Cocquit contra St.-Elooisgilde)
- 165: 1797-1804: correspondentie Z.E.H. Onraedt
- 197 c: 18de eeuw: verpachting van de tabakstienden
- 202: 17de-18de eeuw: visitatieverslagen
- 203: 18de eeuw: voorschriften om de zondagsmis en de mis op hoogdagen op te luisteren
- 213 a: 1758-1860: klijtschool
-Miet Demuynck, Inventaris van het archief van het Sint-Janshospitaal te Wervik (Archief van de hospitaalzusters van St.-Jan, Oude Oostendse Steenweg 45, Brugge).
De nummers 302 tot en met 335 werden door mij nagekeken, deze handelen immers over het Sint-Janshospitaal tijdens de Franse periode. Ook dit archief leverde weinig op.
-Archief van de Grauwe Zusters: Na telefonisch contact te hebben genomen met de zuster verantwoordelijk voor het archief, namelijk zuster Wilhelmina Depla, kon zij, na het checken van de inventaris, mij meedelen dat er voor Wervik niets bewaard is gebleven. De eerste wereldoorlog zou voor de vernieling van het archief hebben gezorgd.
-B.A.B: - aanvraag van Wervicq-Sud aan het bisdom van Cambrai om opnieuw bij Wervicq-Nord te mogen horen
-B.A.G.: Aangezien er geen inventaris beschikbaar is, moest ik op het woord van de archivaris vertrouwen. Er zouden zich geen documenten omtrent Wervik in dit archief bevinden.
-B.A.D.: Helaas werd tijdens de eerste wereldoorlog het merendeel van het archief vernietigd, waaronder de documenten omtrent Wervik.
-Dagboek van Lemaitre 1793-1814 (kopie in het bezit van S.t.O.C. Wervik)
-Brievenboek van Sophia Lecompte 1826-1828, verhael der kerkplundering der stad Wervick dor de Franschen den 28 november 1793 (kopie in het bezit van S.t.O.C. Wervik)
2.1 Algemeen
A Zuidelijke Nederlanden
-Art J. en Boone M., Inleiding tot de lokale geschiedenis van de 12de tot de 18de eeuw, Mens & Cultuur Uitgevers, Gent, 2004, 290 p.
-Art J. en Vanhaute E., Inleiding tot de lokale geschiedenis van de 19de en 20ste eeuw, Mens & Cultuur Uigevers, Gent, 2003, 409 p.
-Art J., Hoe schrijf ik de geschiedenis van mijn gemeente?, deel 1: 19de en 20ste eeuw, Stichting Mens & Kultuur, Gent, 1993, 323 p.
-Blom J.C.H., Lamberts E., Geschiedenis van de Nederlanden, Baarn, HBuitgevers, 2003, p. 222-246
-Bruneel C., Des Révolutions à Waterloo, Bibliographie sélective d’ histoire de Belgique (1789-1815), Bruxelles, Archives générales du royaume, 1989, 435 p.
-Cauwe R., Harelbeekse geestelijkheid tijdens de Beloken Tijd, in: De Leiegouw, XXVII, 1975, p. 185-193
-Cortebeeck C.,
De Fransche overheersching in België, 1792-1815,
Gent, s.n., 1900,
239 p.
-Craene B. de, Het Kortrijks stadsbestuur tijdens de eerste jaren van de Franse overheersing. Deel II: de kantonmunicipaliteiten (1796-1800), in: De Leiegouw, t.XIV, 1972, p. 33-52
-Cottyn J., Gullegem tijdens de Franse overheersing 1792-1814, Wevelgem, Leuven, KUL, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1983
-Decraene Bernard, Kortrijk tijdens de Franse Overheersing. Stedelijke bestuursinstellingen, april 1794-nov 1800, Leuven, K.U.L., onuitgegeven licentatiaatsverhandeling, 1967
-Flament G., La société pendant la révolution dans quelques communes de la vallée de la Lys de Comines à Armentières, in Mémoires de la société d’ histoire de Comines-Warneton et de la région, t.VI, 1976, p. 9-196
-François L., Baelde
B., Bresseleers M., e.a., De Boerenkrijg (1798):
bibliografie van de fictie en de non-fictie literatuur, Gent, RUG.
Vakgroep Nieuwste Geschiedenis, 1998,
105 p.
-François Luc en Leloup Geert, Te paard op drie eeuwen: bibliografie van de licentiaats- en doctoraatsverhandelingen aan de Vakgroepen Geschiedenis van de Universiteit Gent 1891-2003, Gent, Academia press, 2004, 217 p.
-François L., De vele gezichten van de nieuwste geschiedenis. 3: Bibliografie van de licentiaatsverhandelingen en doctoraatsproefschriften betreffende de nieuwste geschiedenis, tot stand gekomen aan de afdelingen geschiedenis van de Belgische universiteiten, 1945-2001, Gent, Academia press, 2003, 472 p.
-Gevaert F., De Republikeinse kalender en de volledige vergelijkingstabellen met de Gregoriaanse kalender, Heule, UGA, 1965
-Hasquin Hervé,
België onder het Frans Bewind 1792-1815,
s.l., Gemeentekrediet, 1993,
503 p.
-Kossmann E.H., De Lage Landen 1780-1940, anderhalve eeuw Nederland en België, Amsterdam-Brussel, Elsevier, 1984, 618 p.
-Kossmann Ernst Heinrich, De Lage Landen 1780-1980: twee eeuwen Nederland en België, deel 1: 1780-1914, Amsterdam, Elsevier, 1986, 478 p.
-Speleers F., Anzegem tijdens de Franse Revolutie en het Frans Bewind (1792-1815), in: jaarboek voor Geschied- en Oudheidkundige Kring De Gaverstreke, t.XIV, 1986, p. 133-169
-van de Voorde Hugo, e.a., Bastille Boerenkrijg en Tricolore. De Franse Revolutie in de zuidelijke Nederlanden, Leuven, Davidsfonds, 1989, 286 p.
-Van Nieuwenhuyse Liesbet, Verzet of integratie? De politiek van de Franse administratieve overheden met betrekking tot de volkscultuur in het Leiedepartement tussen 1795 en 1814, Gent, RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 2000
-Vervaeck Solange, Enkele bronnen uit de Franse tijd. Hun belang voor de sociale geschiedenis, Interuniversitair centrum voor Hedendaagse geschiedenis, Bijdragen 22, Leuven – Parijs, 1962
-Verherstraeten Louis, Publieke opinie en collectieve actie in België, Nederland, Noord-Frankrijk in de periode 1812-1814, Gent, RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1995
-Vrielinck S.,
De territoriale indeling van België (1795-1963),
Universitaire Pers, Leuven,
Volume 1 - 3
B West-Vlaanderen
-Allaeys L., Het Westland in den Fransen Tijd, Ieper, s.n., 1898, 336 p.
-Bekaert R., Izegem onder het Frans Tijdsvlak, in Ten Mandere, t.XIV, 1974, p. 59-87, 129-184
-De Belder J., e.a., Arbeid en tewerstelling in West-Vlaanderen op het einde van het Ancien Régime, een sociale-professionele en demografische analyse, Werkdocument 4
-De Belder J., e.a., Arbeid en tewerstelling in West-Vlaanderen 1814-1815, een sociale-professionele en demografische analyse, Werkdocument 6
-Decraene B., De vorming van de provincie West-Vlaanderen en de stad Kortijk in de beginjaren van de Franse bezetting, in: De Leiegouw, t.XI, 1969, p. 209-226
-Denys Franz, “Van Keizer tot Sansculot”. De laatste vijf maanden van het Ancien Régime in het Westland 16 november 1793 - 25 april 1794, Poperinge, Davidsfonds Poperinge-Ijzerweelde, 1997, 176 p.
-Denys Franz, De vrijkorpsen van West-Vlaanderen: 1794, Erpe, Uigeverij De Krijger, 2002, 190 p.
-De Smet J., Het begin van den Beloken Tijd in West-Vlaanderen, Brugge, Album English, s.n., 1952, p. 159-176
-De Smet J., De opstand tegen Napoleon in West-Vlaanderen en Frans-Vlaanderen, in: Het Brugs Ommeland, t.X, 1970, p. 128-156
-Lanszweert Roger, De Westhoek tijdens de Franse Revolutie, s.l., s.n., 1978, 336 p.
-Van Sevencoten Frank, West-Vlaanderen onder het Frans Bewind, 1792-1793, Gent, R.U.G., onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1970
C Wervik
-Blieck, Quelque notes historiques, 1902
-Bomans J.A., Wervik 1793-Kennismaking met de totale oorlog, in: Verslagen en mededelingen van de Stedelijke oudheidkundige commissie Wervik, 1974, p. 45
-Bomans J., Clairfayt en Waldeck, in: Verslagen en mededelingen van de Stedelijke oudheidkundige commissie Wervik, 1982, p. 77
-Bottema J.K.M., Nederlandse troepen onderscheidden zich bij Wervick. Herinneringen aan 1793, in: Verslagen en mededelingen van de Stedelijke oudheidkundige commissie Wervik, 1974, p. 40
-Defrancq R., Bijdragen tot de geschiedenis van Wervik, deel 1, Wervik, druk Almar, 1960, 128 p.
-Defrancq R., Bijdragen tot de geschiedenis van Wervik, deel 2, Wervik, druk Almar, 1961, 227 p.
-Defrancq R., Bijdragen tot de geschiedenis van Wervik, deel 3, Wervik, druk Almar, 1966, 267 p.
-Defrancq R., Bijdragen tot de geschiedenis van Wervik, deel 4, Wervik, druk Almar, 1972, 158 p.
-Desreumaux John, Het dagboek van Lemaitre, in: De Stam, Trimestrieel tijdschrift van de kring voor Familiekunde, Jaargang V, nr. 18, 1996/97, 24 p.
-Penet M., In memoriam R. Defrancq, ondervoorzitter St.o.c., in: Verslagen en mededelingen van de Stedelijke Oudheidkundige Commissie Wervik, 1977
-Stedelijke oudheidkundige commissie Wervik, Wervik door de eeuwen heen, Wervik, St.o.c., 1968, 62 p.
2.2 Het politieke leven
-Buyck Johan, Tielt tijdens de Franse periode (1794-1814). De nieuwe instellingen en hun politieke weerslag, Gent, RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1996
-Decraene Bernard, Kortrijk tijdens de Franse Overheersing. Stedelijke bestuursinstellingen, april 1794-nov 1800, Leuven, K.U.L., onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1967
-Defrancq R. en R.V. Verbeke, Komt er in Wervik een monument voor prins Willem George Frederik van Oranje-Nassau?, in: Verslagen en mededelingen van de Stedelijke oudheidkundige commissie Wervik, 1968, p. 83
-Descamps C., Wervik onder de Brabantse omwenteling, in Verslagen en mededelingen van de St.O.C. Wervik, t. XV, 1980, p. 2-14
-François Luc,
Politieke integratie of exclusie. Belgische notabelen tussen 1785 en 1835, in:
Belgische Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis,
Hasselt, 1977, jg. 8 afl. 1-2,
p. 153-183
-Gadeyne G., De maatregelen uitgevaardigd door de Franse hoofdbesturen in West-Vlaanderen betreffende bevolkingsregister en tellingen (1794-1814), in: H.G.B., t.CXII, 1975, p. 231-357
-Renier J.P., Twee Wervikse soldatenbrieven uit de Napoleontische tijd,in: Verslagen en mededelingen van de Stedelijke oudheidkundige commissie Wervik, I - II, 1975, p. 39
-Renier J.P., Twee Wervikse soldatenbrieven uit de Napoleontische tijd, in: Verslagen en mededelingen van de Stedelijke oudheidkundige commissie Wervik, III - IV, 1975, p. 25
-Renier J.P., Gestorven in den vreemde. Gesneuvelden in Wervik, 1792-93,in: Verslagen en mededelingen van de Stedelijke oudheidkundige commissie Wervik, 1991, p. 169
-Vriellinck S.,
De Territoriale Indeling van België, 1795-1963,
Leuven, s.n., 2000,
volume 1 - 3
2.3 Het socio- culturele leven
-Cloet Michel, De voornaamgeving in het hertogdom Brabant (17de – 20ste eeuw). Een bijdrage tot de mentaliteitsgeschiedenis, Leuven, 1986, p. 117
-Gadeyne G., Bevolking en mortualiteit te Izegem, 1794-1815, Demografische evolutie in een grote landelijke gemeente onder het Frans bewind, Leuven, K.U.L., onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1964
- Mielants Eric, De publieke opinie ten tijde van de Brabantse omwenteling (dec 1789-dec 1790). Een comparatief personderzoek tussen Brabant en Vlaanderen, Gent, RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1995
-Nieuwenhuyse Liesbet Van, Verzet of integratie? De politiek van de Franse administratieve overheden met betrekking tot de volkscultuur in het Leiedepartement tussen 1795 en 1814, Gent, RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 2000, 283 p.
-Vandenbroeke Chris, Het demografisch proces: determinanten van de demografische evolutie, Gent, RUG, 1976, 106 p.
A Onderwijs
-Bailleur R., Werviks oudst gekende school, in: Verslagen en mededelingen van de Stedelijke oudheidkundige commissie Wervik, 1988, p. 55
-Bailleur R., Het Kloostertje, in: Verslagen en mededelingen van de Stedelijke oudheidkundige commissie Wervik, 1988, p. 75
-Depoortere A., De Klijtschool, in: Verslagen en mededelingen van de Stedelijke oudheidkundige commissie Wervik, 1988, p. 157
- Sluys A., Geschiedenis van het onderwijs in de 3 graden in België tijdens de Franse overheersing en onder regering van Willem I, Gent, A.Siffer, 1912
B Religieuze leven
-Cauwe R., Harelbeekse geestelijkheid tijdens de Beloken Tijd, in: De Leiegouw, XXVII, 1975, p. 185-193
-Clair Ch., De christene helden. Geschiedenis der Belgische priesters gedurende de Fransche omwenteling, Gent, s.n., 1863, s.p.
-Cloet Michel,
Het bisdom Gent (1559 - 1991). Vier eeuwen geschiedenis,
Gent, 1992,
583 p.
-Defrancq R., De geschiedenis van het Sint-Janshospitaal,in: Verslagen en mededelingen van de Stedelijke oudheidkundige commissie Wervik, 1980, p. 27
-François Luc, De verhouding tussen kerk en staat en het politiek personeel (1780-1830): een wisselende relatie, in: Tijdschrift voor de geschiedenis van het katholiek leven, Nijmegen, Trajecta, 1994, 3(4), p. 297-306
-Parmentier Koen, Priesters en gelovigen onder het Frans Bewind: de dekenij Roeselare (1794-1802), Leuven, Belgisch Centrum voor Landelijke Geschiedenis, 1991, 157 p.
-Slosse L., Rond Kortryk of schetsen over de prochien van het oud bisdom van Doornyk liggende in de voormalige dekenijen van Helkyn, kortryk en wervick., Rousselare, Jules De Meester, 1977, deel IV, p. 2017-2020
-Versavel G., Passendaelse herinneringen. Godsdienst en kerkelijk leven, Langemark, 1973
C De Boerenkrijg
-Dejonghe H., De Boerenkrijg in Geluwe en omgeving, in: Verslagen en mededelingen van de Stedelijke oudheidkundige Commissie Wervik, III, 1968, p. 27
-Denys F., Verzet of Boerenkrijg in het Westland?, in: Boerenkrijgtijdschrift., I, 1993, 3, p. 22-25 [ook: Biekorf, LIV, 1994, 1, p. 18-23]
-De Smet J., De Boerenkrijg in het Leyedepartement, 1789, in: Biekorf, XXXII, 1926, p.169-184; XXXIV, 1926, p. 86-91
-De Smet J., Briefjes tegen de eerste soldatenlichting in het Leyedepartement, 1789, in: Biekorf, XXXII, 1926, p. 256-261
-De Smet J., Nog een woord over den Boerenkrijg in het Leyedepartement, in: Biekorf, XXXIV, 1928, p. 86-91
-De Smet J., Wie deed mee in den “Boerenkrijg”?, in: Biekorf, XXXII, 1926, p. 217-225
-François Luc,
De Boerenkrijg. Twee eeuwen feiten en fictie,
Leuven, Davidsfonds, 1998,
200 p.
-Haelewijn R., Lijst van Westvlaamse boerenkrijgers, Ons Heem, XI, 1953-1955, p. 1-32, 69-199
-Lernout Annelies, De Boerenkrijg in West-Vlaanderen, Gent, RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1997, 282 p.
-Lowijck Antoon, Boerenkrijg in West-Vlaanderen, Sint Andries, Drukkerij Schoonbaert, 1948, 50 p.
-Sevens T., De Boerenkrijg in het departement van de Leie, in: De Vlaamsche kunstbode, 1896, p. 158-166
-Seynaeve Edgard, Leiedepartement Jaar VII (1798-1799): de Franse perceptie van de Boerenkrijg, Izegem, Hochepied, 1998, 730 p.
2.4 Het economische leven
-Descamps C., De Wervikse tabak in de 17de en 18de eeuw, in: Verslagen en mededelingen van de Stedelijke oudheidkundige commissie Wervik, 1982, p. 51
-Descamps C., De Wervikse tabak in de 19de en 20ste eeuw, in: Verslagen en mededelingen van de Stedelijke oudheidkundige commissie Wervik, 1983, p. 17
-Gyssels G. en Van Der Straeten L., Bevolking, arbeid en tewerkstelling in West-Vlaanderen (1796-1815), Gent, 1986, (Centrale Belge d’ histoire rurale, publications, n°89)
-Leman W., Van douaniers en smokkelaars te Wervik, in: Verslagen en mededelingen van de Stedelijke oudheidkundige commissie Wervik, 1992, p. 3
-Mertens J. en Vanderpijpen W., Schets van de Westvlaamse landbouw, eind 18e-begin 19e eeuw: het rapport van B.J. Holvoet en zijn belang voor het Mémoire Statistique du département de la Lys, in: H.G.B., t.CVII, 1970, p. 277-300
-Vandenbraembussche Jan, De invloed van de Franse Revolutie op de Wervikse tabaksteelt 1780-1800, s.l., s.n., 1983
-Vanderpijpen W., De landbouwstatistiek in Vlaanderen onder het Frans Bewind, in: Belgisch tijdschrift voor Nieuwste geschiedenis, Leuven, Belgisch centrum voor landelijke geschiedenis, 1971, 2, p. 29-46
3 Biografische gegevens
In mijn onderzoek baseerde ik mij naast het Frans Fonds uit het Rijksarchief Brugge, vooral ook op het dagboek van Lemaitre en de ‘Bijdragen tot de geschiedenis van Wervik’ van René Defrancq.
Het lijkt mij dan ook nuttig om deze personen wat meer te duiden.
Lemaitre was een inwoner van de stad Wervik tijdens de Franse periode. Hij schreef de gebeurtenissen die hem belangrijk schenen in een dagboek op. Het dagboek start in het jaar 1784 en eindigt in 1807. Inleidend beschrijft kort enkele gebeurtenissen van voor 1784 en als slot nog enkele gebeurtenissen van 1814. Bijgevolg is dit dagboek een uniek document om de plaatselijke geschiedenis van Wervik rond en tijdens de Franse periode te leren kennen.
Het dagboek zelf werd overgeschreven en een kopie ligt in de stadsbibliotheek in Kortrijk, onder het fonds Goethals-Vercruysse, deel 16, p. 6503 – 6642.[8]

René Defrancq werd op 8 december 1896 te Menen geboren. Hij doorliep te Menen de lagere school om vervolgens in het Sint-Aloysiuscollege zijn studies verder te zetten. In het Klein-Seminarie te Roeselare werd zijn roeping om priesters te worden sterker. Daarna beëindigde hij zijn studies als priester in het Groot-Seminarie te Brugge.
Tijdens de eerste wereldoorlog had hij zich vol idealisme aangemeld als vrijwilliger en werd brancardier.
Na de oorlog werd hij in 1926 leraar aan het Klein Seminarie te Roeselare. Vervolgens werd hij als onderpastoor aangesteld te Ooigem (1926), te Heestert (1931) en te Zwevegem (1934).
Na de oorlog werd hij in 1948 tot onderpastoor benoemd te Keiem. Daarnaast was hij ook Diocesaan Proost van de Boerenbond. Tijdens deze periode ging hij zich ook bekommeren om de Vlaamse boeren in Canada en trok er zelfs naartoe. In 1954 werd hij pastoor op de H. Hartparochie te Roeselare.
Het was in 1956 dat Defrancq aangesteld werd als rector van het Sint-Janshospitaal te Wervik.
Doorheen de jaren groeide zijn interesse voor lokale geschiedenis. Als directeur van de kloostergemeenschap van de Augustinessen te Wervik, die het Sint-Janshospitaal beheerde, zou hij het baanbrekende opzoekwerk van zijn voorganger, E.H. Verhaeghe, verder zetten en gieten in de vorm van onder andere de vierdelige ‘Bijdragen tot de geschiedenis van Wervik’. Zijn dagen werden bijgevolg verdeeld tussen aandacht voor de zieken en zijn interesse in de Wervikse geschiedenis.
Daarnaast zorgde Defrancq voor een beter functioneren van de Stedelijke Oudheidkundige Commissie Wervik en werd dan ook tot ondervoorzitter verkozen. Voor zijn verdienstelijk werk omtrent de geschiedschrijving van Wervik, had het stadsbestuur de plannen hem de titel ereburger van Wervik te geven. Door ziekte werden deze plannen uitgesteld en op 31 mei 1977 overleed hij[9].
René Defrancq kreeg toch de nodige eer. In 2007 kreeg het erfgoedhuis te Wervik de naam ‘Huis René Defrancq’.
4 Problemen tijdens het onderzoek
Een eerste zaak waar mijn promotor en ikzelf niet volledig in gerust waren, was of er wel voldoende bronnenmateriaal beschikbaar was.
Bij een lokale studie doet men doorgaans beroep het stads- of gemeentearchief, dit vormde al een eerste probleem. Het stadsarchief van Wervik is immers voor deze periode volledig verdwenen. De oorzaak hiervan blijft een raadsel. Er wordt vermoed dat eerste wereldoorlog hiervan de schuldige is, zekerheid bestaat hierover niet. Andere hebben het vermoeden dat het stadhuis en dus ook het stadsarchief te grondig werd opgeruimd.
Het ontbreken van het stadsarchief heeft als gevolg dat een aantal zeer interessante bronnen voorgoed verloren zijn gegaan. Ik ben mij er dan ook van bewust dat moest dit archief nog voor handen zijn, ik wellicht een beter beeld kon scheppen van Wervik tijdens de Franse periode.
U kunt zich de vraag stellen waarom ik dan toch met dit onderzoek ben verdergegaan. Ten eerste vond ik het dagboek van Lemaitre een te interessante bron om links te laten liggen. Daarenboven werd al snel duidelijk dat het Frans Fonds in het R.A.B. een veelheid aan informatie bevat.
Het enorme archief dat in het Frans Fonds zit, werd door Jos De Smet geïnventariseerd. De bundels werden geklasseerd volgens onderwerp, met andere woorden bij het aanvragen van een bundel wist je nooit met zekerheid of deze iets omtrent Wervik bevatte. U kunt zich dan ook wel voorstellen dat dit een zeer tijdrovend werk is geweest. Maar naar mijn mening, heeft het toch de moeite geloond.
Ondanks het ontbreken van het stadsarchief ben ik er volgens mij toch in geslaagd een zeker beeld van het dagelijks leven in Wervik tijdens de Franse periode te reconstrueren.
In mijn onderzoek verwijs ik via het werk van Defrancq naar het privé-archief van de heer Paul Ferrant. Ik ben naar dit archief op zoek geweest, maar dit bleef zonder resultaat. Hopelijk komt dit archief ergens boven, want het bevat wellicht nog meer interessante bronnen.
Een ander probleem waren de microfilms van de parochieregisters in het R.A.K. Het kwam herhaaldelijk voor dat pagina’s dubbel werden ingescand. Een seconde onoplettendheid kon er voor zorgen dat bepaalde huwelijken, geboorten en overlijdens twee maal werden meegeteld.
Daarenboven hielden de verschillende priesters in Wervik doorheen de jaren 1794 - 1797 elk hun eigen parochieregister bij. Deze boekjes werden nadien wellicht in elkaar geschoven en in het boek met de parochieregisters gestoken. Hierdoor werd bij het maken van de microfilms de verschillende boekjes door elkaar opgenomen. Het spreekt voor zich dat dit een moeilijke puzzel was om te ontrafelen.
Ik ben er mij dan ook van bewust dat er wellicht hier en daar een foutje in mijn tellingen is ingeslopen. Toch ben ik overtuigd dat het mogelijk is om aan de hand van de door mij getelde geboorten, huwelijken en overlijdens een beeld te vormen van de demografische situatie in Wervik.
Samen met het verloren zijn van een aantal archieven van Wervik, zorgde dit alles dat mijn onderzoek niet steeds even vlot verliep. Desondanks ben ik er, naar mijn mening, toch in geslaagd het dagelijks leven in Wervik tijdens de Franse periode tot op zekere hoogte te (re)construeren.
Deel 1 De Franse periode, 1790 - 1815
1.1 De institutionele hervormingen
Eens de Zuidelijke Nederlanden in 1794 door de Fransen waren veroverd, werden de administratieve instellingen van het ancien régime niet onmiddellijk afgeschaft. Wel werd het land nu bestuurd door de ‘représentants du peuple près des armées de Sambre et Meuse’. Deze werden door de ‘commissaries civils’ bijgestaan. De Franse bezetter beperkte zich voornamelijk tot het benoemen van enkele commissarissen in de oude provinciale instellingen. Ze veronderstelden dat het bestuur daarmee in republikeinse handen was.
Op 16 november 1794 werd de ‘administration centrale et supérieure de la Belgique’ opgericht, samen met acht arrondissementen. Het oude graafschap Vlaanderen werd onderverdeeld in twee arrondissementen, namelijk Oost-Vlaanderen met een zetel in Gent en als tweede het arrondissement West-Vlaanderen, waar Wervik toe behoorde. De leden van het bestuur van het arrondissement West-Vlaanderen werden administrateurs genoemd. Het arrondissement West-Vlaanderen omvatte de stad en kasselrij Ieper, de stad en kasselrij Veurne, de stad en kasselrij Waasten, de stad en roede van Menen, de steden Poperinge, Roeselare, Wervik en de omliggende gemeenten, ten slotte behoorde ook de steden Diksmuide en Lo tot dit zelfde arrondissement[10]. Deze indeling lokte niet veel reactie uit omdat het geen enorme breuk betekende met de ingewortelde tradities.
Op het ogenblik van de tweede Franse inval in 1794 waren de Zuidelijke Nederlanden verbrokkeld in een wirwar van heerlijkheden, parochies, vrijheden, steden en allerlei dorpen. Van een uniforme administratie was er in onze gewesten geen sprake. Voor de Franse overheid met haar centralisatiepolitiek was een nieuwe territoriale indeling noodzakelijk[11].
Door de wet van 1 oktober 1795 werden de ‘Belgische’ gewesten bij de Franse republiek ingelijfd. Om de versmelting met Frankrijk gemakkelijker te doen verlopen, was een reorganisatie van het territorium nodig. Men ging over tot het oprichten van negen departementen en vele kantons. Het nieuwe Leiedepartement had zijn hoofdplaats te Brugge. Op 1 december 1795 hield het arrondissement West-Vlaanderen bijgevolg op te bestaan.
Al op 6 oktober 1795 werd de grondwet van het jaar III in de Zuidelijke Nederlanden van kracht. Door deze constitutie werd de scheiding van de machten ingevoerd. Naast een onafhankelijke wetgevende en rechterlijke macht, werd ook een autonome uitvoerende macht tot leven geroepen, die te Parijs werd waargenomen door het Directoire.
Bij besluit van 31 oktober 1795 werd het Leiedepartement ingedeeld in 28 kantons. Enkele gemeenten werden echter bij deze indeling vergeten. Op 15 februari 1796 werd een nieuwe indeling uitgevaardigd. Er bestonden nu ongeveer veertig kantons. De gemeenten, met ten minste vijfduizend inwoners vormden een onafhankelijk kanton. De minder bevolkte gemeenten werden met drie of meer samengevoegd tot één enkel kanton. Ieder kanton beschikte over een ‘administration municipale’ en een vrederechter.
Zo bestond het kanton Wervik uit de volgende gemeenten: Wervik, Geluwe, Hollebeke, Houtem, Komen, Neerwaasten en Zandvoorde[12].
De staatsgreep van 9 november 1799 verving het Directoire door drie consuls. De kantonale besturen werden afgeschaft en niet vervangen. De kantons bleven allen nog bestaan als omschrijving van een vredegerecht. Door de wet van 17 februari 1800 stond elk departement onder leiding van een ‘préfet’, bijgestaan door een ‘conseil général’ en een ‘conseil de préfecture’. Ieder gemeente kreeg een eigen ‘conseil municipal’, met aan het hoofd een ‘maire’ bijgestaan, door een of meer ‘adjoints’. Het Leiedepartement bestond uit vier arrondissementen, namelijk Ieper, Kortrijk, Veurne en Brugge. Zij werden door een ‘sous-préfet’ geleid[13]. Het kanton Wervik behoorde bijgevolg tot het arrondissement Kortrijk in het departement van de Leie.
1.2 De politieke en militaire situatie
De Zuidelijke Nederlanden kenden tijdens de achttiende eeuw onder het Oostenrijks bewind een lange periode van vrede. Eind de jaren tachtig werd deze rust verbroken toen de bevolking zich kantte tegen het eigenzinnige beleid van Jozef II. Er ontstond een patriottenbeweging die heel wat steun kreeg van de clerici. In december 1789 slaagden zij erin de Oostenrijkers terug te dringen[14].
Op twee januari 1790 werd vervolgens de Verenigde Nederlandse Staten opgericht. De machthebbers gedroegen zich zeer behoudensgezind. Ze wilden immers geen revolutionaire sfeer zoals in Frankrijk. Toch hadden velen een ‘assemblée nationale’ naar Frans model voor ogen. Deze situatie leidde in maart 1790 tot aanslagen en plunderingen. Sommigen eindigden in de gevangenis. Anderen vluchtten naar Frankrijk. Op het Zuid-Vlaamse platteland kwamen ook de boeren in opstand. Zij wilden Jozef II terug die hun lot wilde verbeteren. Dit Deze oproer werd bloedig onderdrukt. De regering slaagde er echter niet in de beloofde buitenlandse steun los te krijgen. Integendeel,0 de Driebond: Groot-Brittannië, Pruisen en de Verenigde Provinciën zochten toenadering tot Oostenrijk. Het lot van de jonge republiek was bezegeld[15]. Het resultaat van dit alles was dat de Verenigde Nederlandse Staten in isolement en verdeeldheid een eerloze nederlaag tegemoet gingen. De keizerlijke troepen konden in november 1790 zonder enig probleem het Habsburgse gezag in de Zuidelijke Nederlanden herstellen[16].
Op 27 juli 1790 werd een akkoord afgesloten tussen de nieuwe keizer Leopold II en de leden van de Driebond. Er werd Leopold toegestaan de Zuidelijke Nederlanden te heroveren op voorwaarde dat hij er de traditionele instellingen zou respecteren. Toen de Oostenrijkse troepen eind november de Nederlanden binnenkwamen, stootten zij nauwelijks op enig verzet.
Op 10 december werd in Den Haag een conventie ondertekend die het herstel van het keizerlijk gezag in de Oostenrijkse Nederlanden vastlegde. Dit is de eerste Oostenrijkse restauratie. Maar men slaagde er niet in de rust te herstellen en het overlijden van Leopold II op 1 maart 1792 versterkte de malaise[17].
De Oostenrijkers slaagden er duidelijk niet in de gemoederen in de Zuidelijke Nederlanden te bedaren. Dumouriez maakte zich ondertussen klaar om zijn persoonlijke ambities te verwezenlijken via militaire ondernemingen in het buitenland. In maart 1792 werd hij benoemd tot minister van Buitenlandse zaken. Hij wou de ontevreden Zuidelijke Nederlanden bevrijden van de Oostenrijkse heerschappij en er een onafhankelijke republiek stichten, die bevoorrechte banden zou hebben met Frankrijk. Dumouriez vond gehoor voor zijn plannen en geleidelijk aan kreeg het begrip ‘bevrijdingsoorlog’ meer vorm[18].
De Franse troepen vielen de Zuidelijke Nederlanden binnen en versloegen de Oostenrijkers te Jemappes op 6 november 1792. Er werd geprobeerd om de lokale besturen in handen te krijgen en uiteindelijk de Zuidelijke Nederlanden in de Franse Republiek te doen opgaan[19]. Heel Europa keek verschrikt op bij deze eerste grote militaire overwinning van revolutionair Frankrijk. In minder dan een maand moesten de Oostenrijkse troepen hun biezen pakken. De ontvangst van de republikeinse legers door de plaatselijke bevolking was over het algemeen enthousiast. Maar de plannen van Dumouriez werden echter van in het begin gedwarsboomd. Vanuit Parijs kwam er kritiek op de persoonlijke aanpak van Dumouriez. Begin december stuurde de Conventie vier van haar leden als commissarissen naar de Zuidelijke Nederlanden om er de stand van zaken op te nemen. Ongerust rapporteerden ze de moeilijkheden die de vestiging van een democratische republiek met zich mee zou brengen. De Zuidelijke Nederlanden zouden zeker niet op eigen initiatief breken met de oude orde. De Conventie antwoordde met een decreet op 15 december 1792. Alle bestaande privileges en belastingen werden afgeschaft. Alle bezittingen van de vroegere vorst en van de kerkelijke en wereldlijke instellingen werden onder de bescherming van de Franse Republiek geplaatst. De bestaande bestuurscolleges werden opgeheven en slechts wie een eed op de vrijheid en de gelijkheid aflegde, mocht deelnemen aan algemene verkiezingen voor een voorlopig bewind. Het spreekt voor zich dat de plaatselijke bevolking hierover niet te spreken viel[20]. Maar net zoals de Oostenrijkers de orde niet konden herstellen, lukte het ook Frankrijk niet.
Al op 18 maart 1793 werden de Fransen te Neerwinden verslagen door de troepen van keizer Frans II. Deze tweede Oostenrijkse restauratie had een heel ander karakter dan de eerste. De regering en de conservatieve meerderheid hadden nu een gemeenschappelijke vijand, namelijk de Franse republikeinen[21]. Ongeveer een jaar lang wisten de Oostenrijkers hun gezag te handhaven. Maar Frankrijk zou al snel de stap zetten naar de meedogenloze uitbuiting en annexatie van onze gewesten. In de lente van 1794 stonden vele manschappen klaar om op te trekken. Frankrijk ontdekte dat het dankzij zijn kwantitatief overwicht en de motivatie van zijn troepen uitgegroeid was tot de grootste militaire macht van Europa[22].
Met een overwinning te Fleurus op 26 juni 1794 heroverden de Franse troepen de Oostenrijkse Nederlanden. De Oostenrijkers verlieten definitief het land. De herinnering aan de eerste