Oorlog aan de oorlog !? De houding van de Belgische Werkliedenpartij ten aanzien van het leger 1885 – 1914. (Jan Godderis)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Deel 2: De houding van de Belgische Werkliedenpartij tegenover het militaire vraagstuk

 

Afbeelding:De Kazerne’, september 1912, bijzondere uitgave

 

Welke houding nam de BWP (in beperkte betekenis) aan tegenover het leger (het instituut, het vermijden van oorlog, de militaire organisatie en de wijzigingen daarin)? Hoe uitte dat zich in het parlement, de pers, partijdocumenten, partijuitgaven? Welk alternatief had de partij en waar plaatste ze zich daarmee in het toenmalige politieke spectrum? Was de partij eensgezind? Hoe uitte dat zich? Waren er verschillen tussen de partijbasis en partijtop? Hoe was de propaganda georganiseerd? Waren er daarin bepaalde kernmomenten? Hoe communiceerde de partij haar standpunten? Wat waren de achtergronden hiervan?

Al deze vragen komen in dit deel aan bod. Daarvoor hebben we de periode 1885-1894 opgedeeld in drie subperiodes op basis van de onderverdeling die Luc De Vos hanteerde in zijn magnus opus[80]. Per subperiode maken we een verdere onderverdeling. Eerst schetsen we een algemeen kader aan de hand van het voornoemde werk van Luc De Vos. Daarna kijken we hoe de hierboven aangehaalde aspecten van de socialistische houding aan bod kwam en in achtereenvolgens de partijdocumenten (congressen, algemene raad van de BWP, en het bureau van de BWP), het parlement, de pers en andere uitgaven. Hierna volgt per subperiode een besluit. Daarna gaan we in op de houding van de mandatarissen van de BWP binnen de tweede internationale.

 

 

Hoofdstuk 1: Van de stichting van de BWP tot de intrede in het parlement, 1885 - 1894

 

 

De achtergrond [81]

 

In 1884, het jaar voor de stichting van de Belgische Werkliedenpartij (BWP) kwamen de katholieken aan de macht. Ze zouden de absolute meerderheid behouden tot aan de Eerste Wereldoorlog. Met de stichting van de Belgische Werkliedenpartij werd het linkse kamp meer en meer verdeeld tussen vooruitstrevende progressisten (die nauw samenwerkten met de BWP) en traditionele doctrinairen. Deze intern liberale tegenstelling leidde in 1887 tot de oprichting van een progressistische partij[82].

Aanvankelijk waren er grote spanningen tussen koning Leopold II en de katholieke regering. De koning reageerde daarbij behoorlijk onbeschoft, terwijl de katholieken meer belang leken te hechten aan hun eigen kringen dan aan de mening van de Kroon. Deze laatste kon dat uiteraard niet appreciëren[83]. Na een zekere tijd zag Leopold in dat hij nog lange tijd aan de katholieken gebonden zou zijn. De nieuwe regeringsleider, Beernaert, wordt door Luc De Vos omschreven als Leopolds ‘grootste creatuur’, maar niettemin bleef het antimilitarisme en antiroyalisme sterk in de katholieke partij.

 

De Maasforten

 

In de jaren ’80 steeg de internationale spanning. De kolonisatiegolf spelde daar een rol in, maar er waren eveneens andere factoren. In 1882 ontstond de Driebond (Oostenrijk-Hongarije, Italië en Duitsland). Duitsland en Oostenrijk-Hongarije voerden daarbij een anti-Franse politiek. Dit vormde een aanzet voor een verdere blokvorming. In de Balkan woedde de machtsstrijd tussen de Dubbelmonarchie (Oostenrijk-Hongarije) en Rusland, ten nadele van het verder verzwakkende Ottomaanse Rijk. Deze spanningshaarden veroorzaakten een bewapeningswedloop, evenals het opdrijven van de militaire effectieven bij de antagonisten. Dit zette Belgische militairen en militairgezinden aan om aan te dringen op een sterker leger. Daarbij waarschuwden ze voor een (blind) vertrouwen in het Belgische neutraliteitsstatuut. Dit alles lijkt weinig invloed uitgeoefend te hebben op de leidende politieke kringen, maar des te meer op de Kroon, die hier sowieso zeer gevoelig voor was.

Tegen de achtergrond van de verslechterende internationale toestand had Beernaert[84] Brialmont[85] de opdracht gegeven een studie te maken over de verdediging van de Maasvallei (die algemeen gezien werd als een ideale ader voor Duitse of Franse legers die de aartsvijand wilden aanvallen. Ook Banning[86] schreef hierover een vertrouwelijk document dat in oktober 1886 klaar kwam. In 1887 kwam het voorstel van Brialmont klaar. De uitvoering ervan betekende volgens De Vos de overgang van een passieve naar een actieve defensie[87]

De overgrote meerderheid van de liberalen verklaarden zich tegenstanders van de Maasforten. Zij vreesden de grote kosten, de stijging van het effectief en vreesden voor grote Luikse weerstand. Ook in het militaire milieu waren er naast vele voorstanders, ook heel wat tegenstanders die bovendien niet van de minsten waren.

Ondertussen verscheen een brochure van de hand van Banning, waarin het grote belang voor Duitsland van het bezit van de Maasvallei onderstreept werd. Volgens Banning ging het voornaamste gevaar uit van Duitsland omdat zij sneller konden mobiliseren dan Frankrijk.

Op 1’ juni 1887 stelde Beernaert de vertrouwenskwestie en op 14 juni 1887 werden de kredieten voor de Maasforten goedgekeurd. Vele katholieken hadden de kredieten maar met tegenzin gestemd. Ze wilden de regering niet in gevaar brengen en wilden evenmin doorgaan als slechte patriotten.

 

De gevolgen van de ‘troebelen’ van de tweede helft van de jaren ‘80

 

Zoals hoger uitgebreider aangehaald werd de tweede helft van de jaren 1880 gekenmerkt door grootschalig sociaal oproer dat zich vooral situeerde in de industriebekkens.

In zijn verslag over de ongeregeldheden in het Luikse en in het bekken van Charleroi wees generaal Vander Smissen[88] op het gevaar de orde te moeten handhaven met een leger dat in principe zou sympathiseren met de stakers. Diezelfde stelling zou hij kort daarop in een brochure verdedigen.

De koning drukte minister generaal Pontus[89] per brief op het hart de soldaten niet te kazerneren in hun provincie van herkomst. Ook wilde hij de rijkswacht versterken.

De invloedrijke katholieke journalist P. de Haulleville schreef een verslag dat een waar pleidooi betekende voor de persoonlijke dienstplicht.

 

Het wetsvoorstel d’Oultremont,1886-1887

 

De internationale spanning en de binnenlandse sociale opstand leidden tot een hernieuwde belangstelling voor defensie. Daarbij stonden de forten, maar meer nog de rekruteringswijze centraal.

De vorst achtte het moment gekomen om een wetsontwerp over de militie in te dienen en zo de plaatsvervanging voorgoed uit de wereld te helpen. De regering was zich echter bewust van de verdeeldheid binnen het katholieke kamp en vermeed dan ook die delicate materie.

Daarop wendde de vorst zich ontgoocheld tot graaf A. d’Oultremont[90]. Met zijn lokale Brusselse Nationaal-Onafhankelijke partij speelde die toen erg populaire politicus een niet onbelangrijke rol in de machtsverhouding tussen katholieken en liberalen.

Op 17 november werd het wetsvoorstel ingediend. Kort tevoren hadden de twee grote partijen inzage in het voorstel gekregen. Ook kort tevoren had Leopold II gepleit voor een militaire hervorming. Het voorstel hield in dat iedere burger vanaf zijn twintigste jaar militaire verplichtingen had. De dienstplicht was persoonlijk in vredestijd en verplicht in oorlogstijd. De dienstplichtigen zouden in twee categorieën ingedeeld worden. Het eerste deel zou een actieve klasse zijn die in vredestijd persoonlijk zou moeten dienen. De tweede groep zou nog eens onderverdeeld worden in een categorie die drie maanden dienst zou moeten doen en een andere die enkel in oorlogstijd opgeroepen zou worden. Broers konden elkaar vervangen. Het leger zou bestaan uit 1 % van de bevolking (50 000 man, daar het leger onderverdeeld werd in 3 klassen zou een klasse 18 000 man tellen). De effectieve legerdienst zou drie jaar tellen, de militieverplichtingen tien jaar. Al wie voldoende opgeleid was, kon met speciaal verlof gezonden worden (dat was een maatregel ten gunste van de welgestelden, die doorgaans beter geschoold waren!). Ambtenaren, magistraten en geestelijken konden bij mobilisatie vrijgesteld worden. Een zeker aantal personen zou buiten de kazerne mogen blijven (daarbij dacht men vooral aan clerici). Een gemengde commissie zou de nieuwe rekruteringskwestie uitwerken.

Zowat alle militairen gingen akkoord met het algemeen principe: de persoonlijke dienstplicht. Over de andere elementen was er meer verdeeldheid. Een brochure van Banning ondersteunde de visie van de meeste officieren. Het groot deel van liberalen was voorstander van de persoonlijke dienstplicht (in tegenstelling tot voor 1884). Ongetwijfeld speelde daar de ondergraven positie van Frère-Orban (een belangrijk tegenstander), de troebelen van 1886 en het feit dat een groot deel van de liberale verkozenen uit de industriële kantons kwamen, daar een grote rol in. Onder druk van de radicale vleugel van de liberalen voegde ook Frère-Orban zich bij de voorstanders.

Op het eerste progressistische congres (29 en 30 mei 1887) omarmden de vooruitstrevenden de nation armée (de gewapende natie). Om tactische redenen zou men zich echter beperken tot de persoonlijke dienstplicht.

Volgens Luc De Vos zou de ‘schijnbaar eensgezinde liberale stellingname’ ook bepaald zijn door de bedoeling de katholieken verder te verdelen en opgegeven door de bedoeling de katholieken verder te verdelen, en dus te verzwakken. Bovendien hadden de liberalen geen uitgewerkt militair programma; ze durfden ook hun eigen kiesverenigingen niet te raadplegen. Een aantal liberale georiënteerde verenigingen wierpen zich wel in het strijdtoneel.

Op vijf juli 1887 begon de discussie over het voorstel d’Oultremont in de Kamer. In juli 1887 werd het voorstel verworpen. De liberalen stemden voor, de katholieken verdeeld. De Antwerpse Bank[91] bleef voorstander van het vrijwilligerschap en stemde tegen. Daarnaast stemden vooral volksvertegenwoordigers uit landelijke kantons tegen.

Leopold II kon zich moeilijk neerleggen bij de verwerping van het voorstel d’ Oultremont. Bij de onthulling van het standbeeld van Jan Breydel en Pieter De Coninck op de Brugse Grote markt, op 15 augustus greep hij zijn kans. Hij verwees er niet enkel naar 1302, maar uitte er ook kritiek op de verwerping. Luc De Vos beschreef de reacties als volgt:

 

Zoals gebruikelijk bij dergelijke omstandigheden juichte de menigte toe zonder aandachtig te hebben geluisterd. Bovendien was de taalbarrière er de oorzaak van dat zeker het overgrote deel van de luisteraars de zin van de rede niet hadden begrepen. De reacties naderhand waren des te merkwaardiger. De secretaris van de vorst ontving enkele brieven, o.a. van de katholieke senator J Lammens waarin die zijn waardering voor de rede uitsprak. Nederlandse, Duitse en Franse kranten bespraken ze. De Belgische pers beweerde dat alle Parijse kranten ze in extenso hadden weergegeven. Maar vooral in eigen land waren de reacties tegenstrijdig. De liberale kranten waren zonder onderscheid enthousiast. De katholieke, maar regeringstrouwe Journal de Bruxelles publiceerde de rede zonder commentaar, de overige katholieke publicistiek bestreed ze. Alle argumenten, tot die ad hominem toe, werden daartoe aangehaald. [92]

 

De brochureslag 1887-1889

 

Na de verwerping van het voorstel d’Oultremont ontstond een brochureslag die geen enkel resultaat opbracht. Voor dit verhaal is enkel de brochure van de progressist George Lorand[93] van belang. Daarin stelde hij een hervorming van het Belgisch leger voor naar het Zwitserse model. Exit loting, vervanging, langdurig kazerneleven en nutteloze parades en karweien. Elke gezonde man van 20 jaar zou een effectieve diensttijd van drie maanden volbrengen. Vervolgens zou hij tot de leeftijd van tweeëndertig jaar om de twee jaar voor een periode van 28 dagen heropgeroepen worden. Tot zijn veertigste zou hij dan in de burgerwacht dienen, alwaar de tweejaarlijkse oproepingen slechts acht dagen zouden duren. De rekrutering zou regionaal geschieden wat de taalkwestie in het leger zou oplossen. De voorbereiding voor het leger zou al op school gebeuren. Beroepsmilitairen zouden instaan voor de opleiding, het vredeseffectief uitmaken en ten slotte de speciale afdelingen artillerie, genie en cavalerie vormen. Door al deze maatregelen zou het Belgisch leger op oorlogsvoet 500 à 600 000 man tellen zonder verhoging van de financiële kosten en met verzachting van de persoonlijke lasten. Luc De Vos Besluit hierover:

 

Ongetwijfeld was het idee niet nieuw maar het werd kernachtig uitgedrukt en verschafte radicalen en socialisten een militair programma. De militairen verwachtten geen heil van zo een leger waarin opleiding en tucht zeker ontoereikend zouden blijven. Ze oordeelden het tactisch waardeloos, zeker in open veld, en ongeschikt voor de handhaving van de orde. Radicalen en socialisten werden er zelfs van verdacht het om die reden na te streven. Woest echter vond het een verdienstelijk systeem, maar twijfelde aan de mogelijkheid tot toepassing in België. Ontgoocheld stonden de officieren, voorstanders van de persoonlijke dienstplicht, nu tegenover twee hun vijandige kampen.[94]

 

De legerkwestie naar de achtergrond verdrongen door de strijd voor Algemeen Stemrecht

Vanaf 1890 werd de militaire kwestie meer naar de achtergrond verdreven ten gunste van de druk voor een grondswetsherziening om de kieshervorming (richting een algemener stemrecht) mogelijk te maken. (zie hoger)

 

De socialistische houding aan de vooravond van de stichting van de BWP

 

Al voor de stichting van de BWP lieten radicalen, progressisten en socialisten zich in met de militaire kwestie. Hun ideeën kwamen aan bod in de progressistische kranten. Zo schreven Jean Volders[95] en César De Paepe[96] voor de ‘National Belge’. Later zouden zij een belangrijke rol spelen in de Werkliedenpartij. Het militaire probleem kwam er slechts occasioneel aan bod, maar hun standpunten waren duidelijk. De militaire politiek van de regering, de organisatie van het leger, de plaatsvervanging in het leger en de rol van het leger bij binnenlandse onrust kwamen daarin aan bod.

De vorm die deze artikels aannamen was variabel. Brieven aan generaal Brialmont, die in deze periode een campagne leidde ten voordele van de persoonlijke dienstplicht evenals voor de versterking van het leger, waren een geliefde vorm. De generaal stootte op de vijandigheid van de katholieken tegen een verandering in de militaire politiek. Vooral de conservatieve voorman Charles Woeste was hierin onverzettelijk. Brialmont leek een zekere sympathie op te wekken in de progressistische milieus. Zijn eisen hadden een sociaal karakter in de zin dat ze de lottrekking en plaatsvervanging wilden opheffen. Op dat vlak hadden de progressisten immers vergelijkbare eisen. Men leek daarbij te vergeten dat Brialmont vanuit een militaire geest handelde, waarin de verdediging van het land de voornaamste zorg was, waarin de archaïsche legerrekrutering niet kon voldoen.

Op zijn minst een aantal progressisten hadden een voorkeur voor de gewapende natie als rekruteringswijze, die in zekere zin een soort democratische burgerwacht zou worden. Dat zou als bijkomend voordeel hebben dat ze over de rechten en vrijheden van het volk zou waken. Zo sprak Jean Volders zich in de ‘National Belge’ uit voor ten voordele van een soort gewapende natie[97].

De progressisten eisten eveneens een verbetering van de materiële en morele situatie in het leger, het aanklagen van militaire uitgaven. Dit ging geregeld gepaard met kritiek op de monarchie, en meer bepaald op de persoon van Leopold II. Hem werd de te nauwe band met de Duitse keizer, het symbool van de militaire geest, verweten.

 

Het programma van de BWP [98]

 

In augustus 1885, tijdens het congres van Antwerpen werden het programma (en de statuten) van de piepjonge BWP vastgelegd.

Daarin kwam het antimilitarisme slechts beperkt aan bod. Men eiste er de afschaffing van de loting, de vervanging en van de kazernes. Het oorlogsbudget moest verminderen en de permanente legers afgeschaft worden. Het programma was dus enkel in negatieve termen gesteld.

 

De BWP-congressen, de algemene raad en het bureau.

 

Een belangrijke bron voor alle interne partijaangelegenheden zijn de congressen van die organisatie. Alle belangrijke zaken komen daarin immers aan bod en de verschillende meningen hebben in principe spreekrecht. Het is dan ook logisch hier eerst en vooral bij stil te staan. Bovendien is het congres het hoogste beslissingsorgaan binnen een partij.

Op het eerste BWP-congres kwam het militaire vraagstuk niet aan bod[99]. Dat is evenwel niet onlogisch voor een stichtingscongres. Over de congressen van 1886 tot 1888 beschikte ik niet over officiële verslagen. Daarom heb ik me tot de artikels in de officiële partijkrant ‘Le Peuple’ gewend. Enkel in het verslag over het congres van 1886 werd er iets over het militaire probleem vermeld. Een zekere Teerlings(?) van de Brusselse schoenmakers wou een agendapunt over het leger. Dat werd afgewimpeld omdat het niet op de agenda zou staan. In de verslagen van de volgende jaren werd niets over het militaire vraagstuk vermeld. Daaruit kan besloten worden dat het niet als een bijzonder belangrijk onderwerp gezien werd.

Aangaande het congres van 1889 beschikte ik terug over een officieel verslag. Daarin werd enige aandacht besteed aan de militaire kwestie. ‘De Loteling’ en ‘De Kazerne’ (zie lager) kwamen aan bod. De vertegenwoordiger van de Brusselse Socialistische wacht[100] stelde dat de propaganda over de militaire kwestie te belangrijk is om alleen aan de Jonge Wachten overgelaten te worden. Op basis van de geschiedenis meende hij dat geen enkele eis uit het programma gerealiseerd kon worden langs wettelijke wegen; zelfs de voornaamste eis, het algemeen stemrecht niet. Daarom diende hij het volgende voorstel in, dat aangenomen werd:

 

‘La jeune garde demande qu’on envisage l’impossibilité d’obtenir une réforme sérieuse sans l’arracher aux privilégiés; en conséquence, elle souhaite qu’on n’oublie pas l’importante mission de gagner à la cause du peuple la sympathie de l’armée:

1° En attendant la propagande parmi les miliciens et dans l’armée à tout le pays

2° En chergeant de cette mission les meilleurs orateurs et écrivains du Parti’

 

Verder in het verslag werd het eisenpakket van de Werkliedenpartij opgesomd. Het vijfde punt van het politieke luik betrof de eis tot het afschaffen van de conscriptie en de vervanging, de eis tot gelijkheid van de militaire lasten en vermindering van het oorlogsbudget, het afschaffen van de staande legers, ten slotte was er de eis dat de beslissing over oorlog en vrede bij het volk zou liggen.[101]

Tijdens het congres van 1890 werd het verslag van de (Brusselse) Socialistische Jonge Wachten zonder enige moeilijkheden aanvaard.

 

‘La Jeune Garde Socialiste de Bruxelles a la conviction profonde qu’aucune amélioriation sensible dans lasituation économique des travailleurs ne peut être obtenue par les voies légales. Si les classes dirigeantes étaient animées d’un peu d’esprit de justice ou même de simple pitié, depuis longtemps déjà, elles auraient fait droit aux revendications si modérées de la classe ouvrière. Mais elles ne veulent rien abandonner de leurs privilèges, elles ne sont plus accessibles qu’ à un seul sentiment, la peur, et leur passé nous dit qu’elles ne cèderont que devant la ménace et la force.

Nous devons donc devenir forts, gagner à la cause populaire tous les travailleurs, mais surtout l’armée., cette partie de la classe ouvrière, chargée spécialement de monter la garde devant les privilèges de la bourgeoisie. Il faut que les soldats deviennent socialistes, parce qu’ il sera nécessaire, le jour où nos idées seront arrivées au terme de leur Révolution, de mettre la force au service du thriomphe de la justice.

C’est là le travail spécial des jeunes gardes socialistes dans la propagande générale du Parti ouvrier.

Voici ce qui a été faite cette année par la Jeune garde socialiste de Bruxelles. Dès le mois de décembre dernier, nous commençames notre campagne contre l’impôt du sang et un comité spécial fut nommé pour la diriger.

Dans la première semaine de janvier parut le journal Le Conscrit tiré d’abord de 20,000 exemplaires. Ce première tirage fut vite épuisé et un second tirage de 10,.000, à peu près épuisé aussi eut lieu. Des circulaires avaient été envoyées au groupes de provinces wallonnes les priant de souscrire un certain nombre d’exemplaires. Notre appel reçut presque partout un bienveillant accueil. Nous devons dire dependant que si certains groupes comprenaient un peu mieux l’importance de la diffusion des idées par la presse, si, surtout, ils avaient mis à propager le conscrit un peu plus d’ardeur et dévouement, nous aurions pu facilement faire un tirage double. Nous comptons sur eux pour l’année prochaine.

La Jeune Garde organisa dans l’agglomération bruxelloise, de concert avec la Fédération bruxelloise du Parti ouvrier, une dizaine de grands meetings annoncés par des affiches, par la voie des journaux et par des petites circulaires-manisfestes repandu par milliers dans tous les quartiers de la capitale. Nous étions parvenus à nous procurer des listes de miliciens. Chaque fois qu’un meeting était organisé dans un quartier, des membres de la Jeune garde parcouraient les rues de ce quartier et allaient de porte en porte distribuer nos manifestes. Les miliciens étaient servis par la poste. Gràce à tous ces moyens on a pu constater, cette année, le progrès énorme accompli par notre propagande depuis deux ans. A cette époque, nos meetings étaient suivis par trente ou quarante personnes. Cette fois, c’est par centaines qu’on les comptait, et, chose rmarquable et que nou n’avions pu obtenir jusqu’ici, presque partout, les jeunes gens étaient en majorité dans ces réunions.

La série des meetings fut close par une belle manifestation aux flambeaux, qui eut lieu la veille du tirage au sort à Bruxelles, et qui eut pour conséquence de doubler à peu près le nombre des membres de la Jeune garde.

Les frais de cette campagne se sont élévés à 520 francs.

En dehors de la propagande particulière faite à l’époque du tirage au sort, la Jeune garde entretient des correspondances avec ceux de ses membres qui deviennent victimes de la loi militaire. Le reste de l’année, elle s’occupe de l’étude des questions sociales et, pendant l’été, fait des sorties de propagande à la campagne et distribue aux paysans des journaux et des brochures.

Voilà, compagnons, de quelle manière la Jeune garde socialiste de Bruxelles comprend le rôle spécial qu’elle continuera à faire dans l’avenir, en essayant de rendre sa propagande toujours pratique et plus fructueuse.

Nous constatons avec regret, qu’en dehors de Bruxelles, de Gand, d’Anvers et de Centre, il ne se fait presque rien pour la propagande à laquelle se livrent nos jeunes gardes. A quoi cela tient-il? En grande partie, croyons-nous, à ce qu’il n’existe pas, en dehors des localités que nous avons citées tantôt, des groupes sérieux de jeunes gens. Or, il est de toute nécessité que cette propagande se généralise. La Jeune garde socialiste de Bruxelles demande au Congrès de dédider que, dans chaque localité importante où la chose est possible, la Fédération locale sera chargé de créer des Jeunes gardes socialistes, des groupes des jeunes gens ayant pour mission la propagande à faire dans l’armée et parmi les miliciens. Il ne faut pas demander à ces jeunes gens de s’occuper exclusement de politique, cela n’est pas de leur âge.

Il faut commencer par les attirer au Parti ouvrier en fondant dans les locaux des coopératives et des ligues ouvrières, des sociétés de gymnastique et d’agrément ayant un but politique. Dans cet ordre d’idées, nous demandons aux Coopératives de créer, pour ces sociétés, un gymnase et une salle de jeux comme il y a en a déjà a Anvers et à Gand. On sait que tout cela existe chez les cléricaux sur le nom du patronage. C’est un bon exemple à suivre par les socialistes.

Afin de donner de l’unité et puissance au mouvement de protestation contre l’impôt du sang et les armées permanentes, la Jeune garde socialiste de Bruxelles se propose de convoquer sous peu un congrès des Jeunes gardes socialistes du pays. Nous prions donc les Fédérations de s’occuper sans retard de la création de groupes de jeunes gens.

Nous pensons, Compagnons, qu’il faut, dans la propagande générale du Parti ouvrier, plus d’unité d’action. Chaque fois qu’un groupe quelconque, coopérative, syndicat ou société politique, entreprend une campagne d’une certaine importance, il ne doit pas lui être permis de ne pas tenir compte de la volonté du reste de Parti.

Jusqu’ici, les différentes jeunes gardes ont organisé leur travail de propagande à peu près comme elles l’entendent. Nous disons que si cela continue et si d’autres groupes devaient les imiter, bientôt les défiances naîtraient, la discipline se relacherait et le Parti ouvrier sera en danger.

Nous voulons éviter cette éventualité, nous voulons une union plus intime entre les Jeunes Gardes socialistes et le reste du Parti, Il faut que nos jeunes gens, trop facilement séduit par de vagues théories de réforme sociale, se rendent un compte plus exact des difficultés d’organisation et des aspirarions du Parti tout entier. C’est pourquoi nous demandons que les Jeunes Gardes socialistes du pays aient leur représentant au sein du Conseil général.’

 

CONCLUSIONS

1. Les groupes souscriront au Loteling ou au Conscrit pour un nombre d’exemplaires au moins égal à celui de leurs membres et prennent l’engagement de propager le plus possible ces deux journeaux;

2. Chaque Fédération organisera un certain nombre des meetings contre l’impôt du sang à l’époque du tirage au sort;

3. Cette série de meetings sera close par une manifestation à organiser par la Fédération lociale;

4. Les groupes politiques se chargeront d’organiser dans le plus bref délai des groupes de jeunes gens: jeunes Gardes socialistes, Sociétés de gymnastique, etc;

5. Le Conseil général pourvoira aux nécessités matérielles et financières de la propagande des Jeunes Gardes socialistes, si celles-ci réclament son appui;

6. Les Jeunes Gardes socialistes seront représentée au Conseil général par un délégué.’[102]

 

In 1891 werd zowel op de bloedwet als op de Jonge Wachten apart ingegaan. Over de acties die de Jonge Wachten tegen de loting georganiseerd hadden werd niets dan positiefs gezegd. ‘Le Conscrit’ had een oplage van meer dan 60,000 exemplaren.

Hermans diende een lang verslag in name van de nationale federatie van de Jonge Wachten. Aangezien het verder ingaat op de problematiek die vorig jaar vermeld werd, nemen we het hier in grote mate over:

 

‘Au congrès de Louvain, l’an dernier, la Jeune garde socialiste de Bruxelles présenta un rapport complet sur le rôle des Jeunes gardes dans le Parti ouvrier.

Aujourd’hui, la Fédération nationale des Jeunes gardes, constitué et établie solidement, comme nous vous l’avions promis, vient demander aux délégués de ce Congrès ce que leurs groupes ont fait concernant les décisions adoptées à l’unanimité au Congrès de Louvain.

Nous croyons que si les groupes ne sont pas préoccupés des décisions prises à Louvain, les Jeunes gardes, au contraire ont travaillé plus que jamais, et les faits et renseignements que nous signalons plus loin en sont les preuves.

Les Jeunes gardes constituées ont, comme les années précédentes, mené une active campagne contre l’odieux impôt du sang. Partout, à Bruxelles, Gand, Anvers, Liège, Louvain, le Centre, Ixelles et Saint Gilles, en de nombreux meetings et conférences, notre appel reçut partout un excellent acceuil.

Nous ne reviendront pas ici à retracer tous les détails de l’organisation de notre propagande, tant dans l’armée que vis-à-vis des jeunes gens qui seront appelés à la fameuse loterie militaire. Non, nous demandons aux délégués de tous les groupes ouvriers de bien vouloir nou conseiller des moyens de propagande, et surtout nous insistons pour qu’on s’occupe de nos demandes.

Nous remarquons qu’ au dernier Congrès tous les délégués étaient d’accord pour reconnaître que nos demandes étaient justes; tous pensaient que nous ne demandions que des choses pratiques et réalisables, et malgré cela nous avons vu plusieurs Fédérations manquer à la parole de leur délégués.

Quelque mots de ce qui a été fait pendant le courant de l’année.

Outre la magnifique campagne menée à l’époque du tirage au sort, par toutes nos Jeunes gardes, nous sommes parvenus à tirer à 60,000 exemplaires les journaux Le Conscrit’ et ‘De Loteling’.

Pendant les récentes grèves, nous ne sommes pas restés inactifs; deux manifestes furent lancés aux soldats par les soins de la Fédération, un autre par le Conseil général du Parti ouvrier, et cela dans toutes les villes de garnisons.

En dehors de ces appels, plusiers autres, édités par les Jeunes Gardes de Gand et du Centre ont été distribués à l’armée.

[…]

[…] les Jeunes gardes constitués ont formé une Fédération qui compte aujourd’hui 32 groupes […]

Par notre entente nationale, nous allons enfin pouvoir régler notre propagande dans l’armée et obtenir ainsi des correspondants et agents sérieux. A coté des jeunes gens que nous aurons converti pendant notre campagne contre l’impöt du sang, nous aurons les membres de nos Jeunes gardes incorporés, qui deviendront dans l’armée nos propagandistes et nos distributeurs des journaux et de brochures à la caserne et aux alentours. Ajoutez à ce travail la propagande continuée près du miliciens tombés au sort, et cela surtout à la veille de leur rentrée, et vous aurez un tableau encore inexact de la besogne que nous allons accomplir.

Mais pour arriver à avoir des groupes sérieux et de nombreux jeunes gens, il faut comprendre que nous ne pouvons demander à ces derniers de ne s’occuper exclusivement que de politique; nous avons dans nos associations des enfants, et pour les attirer chez nous, pour faire leur éducation, nous devons créer des sections de chant, de gymnastique et d’agrément ayant un but politique. Nous visons à avoir, à posséder des patronages. C’est ainsi que nous espérons faire l’éducation des jeunes gens, afin qu’arrivés à être des hommes ils entrent dans les syndicats, ligues ouvrières du Parti ouvrier, et y deviennent de sérieux organisateurs et de bons propagandistes.

[…]

Pouvons-nous dire que les groupes du Partis ouvrier ont soutenu vaillamment la cause défendue par nous?

Nous le pensons pas.

Malgré la majoration importante du tirage des journaux ‘Le Conscrit’ et ‘De Loteling’, nous disons que si tous les groupes avaient répondu à notre appel, pour propager ces publications, nous serions facilement arrivés à un tirage supérieur.

Nous demandons donc que l’an prochain tous les groupes souscrivent à ces journaux de circonstance, les frères flamands au Loteling, les frères wallons au Conscrit.

En dehors des localités où la Fédération nationale des Jeunes gardes possède des groupes, il ne se fait aucune propagande contre l’impôt du sang. C’est une lacune! Surtout que le Congrès de Louvain avait décidé que là où il n’y a pas de Jeunes gardes, les groupes politiques se chargeraient d’organiser un certain nombre de meetings contre l’impôt du sang à l’époque du tirage au sort, et qu’ une manifestation, pour clore ces réunions, serait organisée par la Fédération locale.

De nombreux groupes et plusieurs fédérations du Parti ouvrier ont omis ces décisions. D’autres part, là ou nous avions des organisations nouvellement fondées, c’est-à-dire possédant peu d’action sur le public, et surtout aucune ressource, certaines fédérations ont négligé de souternir ces jeunes groupes.

C’est un tort, mais il y a plus: Toujours au Congrès de Louvain, nous proposions – et ceci fut également voté – que les associations politiques se chargeraient d’organiser dans le plus bref delai des groupes de jeunes gens, jeunes gardes, des cercles de gymnastique.

Eh bien, 14 mois après ces décisions, nous demandons quels sont les groupes qui ont tenu leur promesse? Egalement, nous pensons qu’il faudrait que les coopératives nous aident pour créer des salles de jeux et de gymnastique à la disposition de nos jeunes gardes.

Si ce rapport renferme nombre de récriminations contre certains groupes du parti ouvrier, c’est que nous pensons que les jeunes gardes ont un rôle spécial et important à remplir.

C’est sur les jeunes surtout que nous devons compter, car c’est par eux que nous devons arriver à gagner l’armée au socialisme et, vous le savez, tant que nous n’aurons pas les soldats avec nous, nous verrons toujours les privilèges de la bourgeoisie être défendus par les prolétaires eux-mêmes.

La fédération nationale des Jeunes Gardes pense que si le suffrage universel est un moyen entre les mains de la classe ouvrière pour arriver à obtenir justice et l’amélioration de sa condition, l’armée gagnée au socialisme serait une arme bien plus précieuse en notre possession pour arriver au triomphe de nos justes revendications.

Les grands pays qui nous environnent possèdent le suffrage universel; cela n’empêche pas les conservateurs d’obtenir la majorité dans les Parlements et de ne faire que des lois anodines pour le peuple. Ils savent que leur gouvernement d’injustice repose sur des baïonnettes fidèles, et que si le peuple réclamait trop haut, il y aurait des bouches de feu pour fermer la bouche aux prolétaires.

A coté du suffrage universel, si nous pouvions avoir l’armée avec nous, c’en serait fait de la sangsue capitaliste; d’ouvrier, possèdant son droit de vote et son fusil, serait maître de la situation, et ce ne serait plus cette minorité d’individus qui continuerait à nous exploiter et à nous dominer.

Compagnons, comprenez vous enfin avec nous qu’il est plus que temps de s’occuper de la propagande dans l’armée. Une propagande intense de trois à quatre ans suffirait pour infuser un sang nouveau à l’armée, en attendant que nous arrivions à sa suppression.

Nous demandons donc aux délégués de voter nos propositions et surtout de nous promettre de s’en occuper à leur retour. Il en est plus que temps.

Après l’exposé de la situation, nous déposons les conclusions suivantes, dont un partie a déjà été votée à Louvain, mais non mise à exécution par les groupes;

Conclusions:

1. Referendum populaire à établir, non pas sur la question de remplacement, non pas sur la service obligatoire, mais bien sur l’utilité de la suppression des armées, et cela par les Conseils communaux, là ou nous avons des mandataires.

2. Les groupes souscriront au Loteling ou au Conscrit pour un nombre d’exemplaires au moins égal à celui de leurs membres et prennent également de propager le plus possible ces journaux.

3. Chaque Fédération organisera un certain nombre de meetings contre l’impôt du sang, à l’époque du tirage au sort.

4. Cette série de meetings sera close par une manifestation à organiser par la Fédération locale.

5. Les groupes politiques se chargeront d’organiser, dans le plus bref délai, des groupes de jeunes gens, Jeunes Gardes socialistes, Sociétés de gymnastique, etc.

Voilà, Compagnons, les conclusions que nous vous présentons, et nous espérons que les groupes en tiendront bonne note si le Congrès les adopte.’ [103]

 

Het rapport werd met een warm applaus afgesloten. Volders bestreed het eerste punt dat hij niet opportuun achtte. Demblon[104], Bertrand[105] en Serwy[106] ondersteunden het rapport. Allen wilden ze dat de partijafdelingen meer aandacht besteedden aan de propaganda tegen de lottrekking. Serwy zei dat de groepen meer moesten doen dan hier applaudisseren, Bertrand vond dat de groepen aan deze propaganda een week moesten opofferen. Het rapport werd unaniem aangenomen.

Tijdens het congres van 1892 werd nauwelijks op de militaire kwestie ingegaan.

Op het congres van 1893 werd er opnieuw aandacht besteed aan de propaganda tegen de bloedwet. Volders herinnerde eraan dat het vroeger de gewoonte was dat de algemene raad de propaganda tegen de bloedwet organiseerde. Niemand had daar, volgens hem, ooit over geklaagd, maar enkele jaren tevoren werd beslist dat over te laten aan de Brusselse Jonge Wacht. Dat had volgens hem tot zware fouten geleid. De organisatie zou terug door de regionale federaties moeten gebeuren, onder leiding van de algemene raad, zoals dat in Gent en in het Centre gebeurde. Volders legde daartoe een notie neer, waarin bovendien expliciet vermeld werd dat er in overeenstemming met het partijprogramma gehandeld diende te worden. Daarenboven zouden ook de gelegenheidsbladen onder de auspiciën van de algemene raad of de federale comités verschijnen.

Levêque verzette zich. Hij wou dat de Jonge Wachten vrij waren om te handelen naar hun zin. Daarnaast uitte hij zich als voorstander van het voorstel-Nieuwenhuys op het internationaal congres te Brussel (1891). Beide ideeën bundelde hij in een resolutie.

Rousseau, afkomstig uit het Centre, ondersteunt de algemene raad (notie-Volders). Hij stelt dat de jeugd in het Centre volledig georganiseerd is, zij het in studie- en propagandakringen, zij het in hulpkassen. Elke kameraad die naar de kazerne moest, ontving 3,5 frank per maand. Dit werd begroet met een applaus.

De Jonge Wachten uit het centrum zouden minder polemieken veroorzaken dan hun Brusselse collega’s, maar een intense propaganda houden. Ze waren het volledig oneens met de Brusselse Jonge Wachten qua programma: het militaire probleem kon slechts opgelost worden via het algemeen stemrecht. Opnieuw werd dit met applaus begroet.

Serwy verklaarde zich tegen de notie-Levêque. Het stond immers niet op de agenda en het ging in tegen het partijprogramma.

Van Langendonck stelde dat de propaganda van de Leuvense Jonge Wachten goed verliep. Ze werdmet volharding uitgevoerd nabij de soldaten en ‘plattelanders’. Ook zij waren het niet eens met de Brusselse Jonge Wacht.

Levêque riposteerde dat de Brusselse Wachten vrijer waren dan hen, met hun politieke relaties. Brussel zou de volledige waarheid zeggen. De Brusselaar Deutscher wees op de beslissingen van de vorige congressen over de propaganda en vroeg ze uit te voeren. Hij wees er op dat goede resoluties niet volstaan; ze moesten uitgevoerd worden. Verbelen dacht eveneens dat men niet genoeg deed. In Mechelen waren de jongeren meer revolutionair en men mocht hun propaganda dan ookniet tegenwerken. Over de resolutie [van de algemene raad] mocht nu naar zijn mening niet gediscussieerd worden.

Leonard stelde dat de jonge wachten succesvol zijn in het Centre. De jongeren die naar de kazernen moesten, waren er gewonnen voor de socialistische zaak. De relatie met de Jonge Wachten werden er onderhouden en kregen er geld. Mansart bevestigde dit. Mayeu stelde de constante opmars van de Luikse jonge wacht vast.

Serwy sloot deze discussie af. Hij vroeg dat de resoluties van de congressen van Verviers en Namen over de protesten tegen de Bloedwet serieus uitgevoerd zouden worden.

Het agendapunt van de Brusselse federatie werd unaniem aangenomen (motie volders).

Hierna vroeg Anseele bij acclamatie de socialistische soldaten van Doornik te feliciteren, wat hevig gebeurde. De oud-soldatenclub van Gent vroeg Paul Janson een interpellatie te houden over de behandeling van de socialistische soldaten in de correctie[107]. Voordien had Anseele er een brief over voorgelezen die doorgestuurd werd naar de algemene raad[108].

 

Op het laatste congres voor de socialistische intrede in het parlement, het congres van 1894, kwam het leger kort aan bod. Men stelde dat de intense propaganda in het leger zijn vruchten begonnen af te werpen. In de feiten te Doornik[109] en de socialistische manifestatie van soldaten in de provincie Antwerpen (een groep soldaten zich op de dag dat het voorstel Nyssens gestemd werd bij de manifestatie vervoegd zou hebben[110]) kon dat afgelezen worden.

Ook de evenementen te Brussel op 14 april worden aangehaald. Verschillende miliciens hielden toen een socialistische manifestatie op het Rogierplein. Hetzelfde gebeurde te Lier. Het leek hen bijzonder interessant om de rapporten te kennen die de militairen naar de regering verstuurden tijdens de algemene staking.

V. Ernest werd veroordeeld door het assisenhof voor een discours tegen de bloedwet (9 maanden). Levêque, die de verantwoordelijkheid voor de artikels in ‘Le Conscrit’ opnam, moest naar de rechtbank. De echte auteurs van de artikels (Michotte, Lhoste en Ernest) namen hun verantwoordelijkheid op en Levêque werd daardoor niet verder vervolgd. Michotte en Lhoste werden vrijgesproken. Ernest werd tot 6 maanden gevangenis veroordeeld.

Vanaf het begin van januari zou de algemene raad de aangesloten arbeidersverenigingen gevraagd hebben de bloedwet op de agenda van hun volgende vergadering te plaatsen. Men verklaarde zich dan ook gelukkig vast te stellen dat vele groepen die oproep beantwoord hadden. Tegelijk verklaarde men er op te rekenen op de verenigingen die niets ondernomen hadden. Alle grote manifestaties zouden gelukt zijn.

Op dit congres werd het programma van Quaregnon bevestigd. Dat vroeg aangaande de militaire kwestie:

 

‘Suppression des armées. – A titre transitoire, organisation de la nation armée [111].’

 

Hierover zijn in het verslag geen specifieke opmerkingen bewaard gebleven.[112]

 

In de notulen van de algemene raad (die slechts vanaf in de loop van 1892 bewaard zijn) staat voor deze periode weinig te lezen over het militaire vraagstuk en het vraagstuk van oorlog of vrede. In de notulen van 13 januari 1893 krijgen we te lezen dat Delporte[113] er sprak over een manifest voor het leger. Men haalde aan dat men een samenvatting zou kunnen geven van de discours van de generaals die in ‘L’Etoile Belge’ gepubliceerd staan. In verband met de samenkomst 11 februari van hetzelfde jaar valt er in verband met het manifest te lezen dat er protest was van de jonge wachten van Sint Gilles en Brussel. De inhoud van dat protest werd niet vermeld. Men besliste er, hoewel het manifest uit de algemene raad kwam, het niet te beschouwen als een officieel manifest van de partij. Delporte vroeg dit manifest op te sturen naar de groepen die het via hun leden zouden doorsturen naar de soldaten. Hij wou een grote verspreiding ervan in de kazerne (in de kantlijn staat er ’20 000 exemplaires’). Het manifest werd aanvaard mits een kleine correctie. Op dezelfde 11 februari rees de vraag de redactie van het antimilitaristische gelegenheidsblad ‘Le Conscrit’ aan de Jonge Wachten te ontnemen. [114]

Op de zitting van 14 maart besliste men een protest de wereld in de sturen via de partijkrant ‘Le Peuple’ tegen de repressie van de opstandige daden door militairen te Doornik (zie eerder). Daarenboven werden de afdelingen uitgenodigd protestmeetings te houden. De secretaris gaf wat uitleg over de verdeling van manifesten in het leger. [115]

Op 19 december kwam de programma tegen de ‘bloedwet’ aan bod. Na lange discussies (!) aanvaarde de algemene raad volgend programma:

 

  1. Een nationaal manifest zou gelanceerd worden door de algemene raad

  2. Le Conscrit’ zou vanuit Brussel opgemaakt worden. De Jonge Wachten zouden artikels inzenden die aan de goedkeuring door de algemene raad onderworpen zouden worden (!). Wel zou men geen enkele wijziging kunnen aanbrengen in de artikels zonder de toestemming van de auteur, die zich verantwoordelijk zou moeten verklaren voor het artikel.

  3. Een uitnodiging aan de groepen om zich te engageren in de propaganda tegen de bloedwet.

  4. De algemene raad zou zo veel mogelijk Jonge Wachten uit Brussel en uit de provincie afvaardigen voor de meetings. [116]

 

De pers.

 

Voor deze periode nam ik steekproeven uit ‘Le Peuple’ en ‘Vooruit’ (zie hoger voor meer informatie).

De aandacht voor het militair vraagstuk in de socialistische kranten was sterk gebonden aan de actualiteit. Bepaalde uitspraken, initiatieven op wetgevend vlak en de lotingperiode evenals in veel mindere mate de periode waar de rekruten in het leger ingelijfd waren, waren de periodes waarin er vooral aandacht besteed werd aan deze kwestie. Daarnaast verschenen er in meer verspreide slagorde berichten over mistoestanden in het leger. De artikels kunnen ingedeeld worden in twee hoofdgroepen: artikels die vooral op emoties inspelen en meer zakelijke artikels.

Wat volgt deel ik in in ‘actualiteitsgebonden’ artikels (in enge zin), de artikels rond de loting en de intrede in het leger en artikels over mistoestanden in het leger.

 

Actualiteitsgebonden artikels

 

Op vier oktober 1884 (voor het ontstaan van de BWP) vond ik in Vooruit op de voorpagina een artikel in scherpe bewoordingen waarin men meldde dat er een nieuwe militiewet zou stemmen die de invoering van nationale reserve zou inhouden. Vooruit veroordeelde dat omdat dat ‘meer militaire lasten, meer forten, meer kazernen, meer discipline’ zou vragen. De koning ‘dien vader der Belgen – vader zonder kinderen alsdan’ was de zondebok. Ook ging men heftig te keer tegen de katholieken die riepen ‘geen soldaat, geen cent meer!’. Men vroeg zich af of Leopold schrik had, of hij zijn troon voelde wandelen, of dat hij krankzinnig geworden was of de natie gewoon in de natie wou spugen. Men vroeg of hij misschien de revolutie wou.

Daarna roerde men het thema aan dat ik in wat volgt intern militarisme zal noemen. Daarmee wordt het gegeven bedoeld dat het leger vooral ingezet werd tegen binnenlandse vijanden, om de (‘kapitalistische’)orde te bewaren. Daarbij verwees men naar bloedbaden te Seraing, Chatelineau en elders. Men stelde dat dit intern militarisme de reden is waarom de koning extra soldaten wilde.

Het discours kreeg al snel een emotioneel tintje in ‘romantische’ (weinig zakelijke) bewoordingen. Men sprak over een aanstaande volksmoord waarvoor niet de burgerzonen, maar de volkskinderen ingezet zouden worden tegen hun eigen ouders. Bovendien zou die misdaad gebeuren door het katholicisme. De volksmoord zou in naam van Jezus, de god der liefde worden ingericht. ‘Leve de koning! Geloofd zij Jezus Christus!’ besloot men ironisch[117].

Op 10 en 11 december 1884 gaf men een verslag over de kamerzitting. Dat waren veeleer zakelijke weergaven.

In de ‘Vooruit’ van drie november 1886 verklaarde men zich pro persoonlijke dienst omdat dat het kazerneleven zou verzachten daar ook bourgeois dienst zouden moeten doen. De kazerne zou zo wat minder vernederend en verbeestend worden. Men vreesde geen ‘soldatenstaat’ te worden ‘zoals Duitsland’ omdat België ‘een kapitalistenland bij uitstek’ was.

Men stelde dat het niet zo erg was dat de rijken zo ook zouden leren schieten, omdat ze dat nu toch al leren in de burgerwacht. Bovendien zou dat er voor zorgen dat er meer ‘volkskinderen’ in het leger zijn, wat ditmaal opmerkelijk genoeg positief ingeschat werd, omdat ze zo zouden leren schieten

 

‘De omwenteling – als zij komen moet – zal dus nog op meer «kolven in de lucht» mogen rekenen dan met het onrechtvaardig systeem van heden.’ [118]

 

Even opmerkelijk is dat men opriep niet te jammeren over de loting. Men stelde dat men veeleer blij diende te zijn omdat het volk zo leert schieten. Wel zou men liever persoonlijke dienst hebben zodat allen zou kunnen schieten. Daarbij dient opgemerkt te worden dat dit niet klopt. Persoonlijke dienst werd hier klaarblijkelijk verward met algemene dienst, wat dit artikel des te opmerkelijker zou maken. Vreemd is dat het artikel toch eindigt met:

 

‘Heeren, doe wat gij wilt, wij roepen

Leve de bloedwet! Of leve de persoonlijken dienst! ‘[119]

 

Waarmee nog het premature karakter van de BWP benadrukt werd. [120] Op 20 november 1886 verscheen een vergelijkbaar artikel[121].

Vooruit’ wees er op twaalf november 1886 op dat er te Charleroi een verbroedering geweest was tussen militairen en werklieden en dat er daarvoor gestraft werd. Men wees er op dat dit er nogmaals op wees dat het leger enkel diende om vijandig tegenover het volk te staan. Niettemin stelde men dat ook in het leger het besef zou groeien en dat het leger dan zou deelnemen aan de socialistische strijd[122]. ‘Le Peuple’ berichtte over de zelfde gegevens op veertien november. Daar had men het erover dat de dagen na de feiten de officieren bijzonder vriendelijk geweest waren tegenover de soldaten, maar dat ze die soldaten veeleer bespioneerden[123].

Nieuws uit eigen huis was er in ‘Vooruit’ op 17 november 1886, en meldde toen de opmerking over de lotelingenkring. Het principe bestond er uit dat men zich via het neertellen van een bepaald bedrag verzekerde. Dat geld werd dan na de loting beetje bij beetje gegeven aan de pechvogels die naar het leger moesten. Men riep de vaders, moeders, zusters en broeders op hun zonen en broeders naar deze nieuwe king te sturen[124].

Op 23 november 1886 beoordeelde ‘Le Peuple’ het wetsvoostel-D’Oultremont[125] negatief. Men stelde dat weliswaar alle Belgen een inspanning zouden moeten doen, maar dat die inspanningen voor de enigen klein zouden zijn, terwijl de anderen veel zouden moeten doen. Men veroordeelde het behoud van de loting en vervanging. Het eindoordeel was dat dit geen vooruitgang richting de gewapende natie was. Bovendien werd het effectief verhoogd ‘ten gunste van de koning’. Het kleine ‘embourgeoisement’ van het leger zou enkel dienen om de burgerlijke belangen veilig te stellen[126].

De oorlog en het ‘militarisme’ werden vaak gekoppeld aan economische factoren, vooral de overproductie en de concurrentie. Als voorbeeld van dat eerste kan ‘het militarisme en de overproductie’ aangehaald worden[127].

Toen er omwille van de gebeurtenissen in het Waalse landsgedeelte militieklassen opgeroepen werden volgde er in Vooruit op 13 juni 1887 opnieuw het traditionele discours dat opriep niet op het volk te schieten[128].

In verband met de stemming van het wetsontwerp van de forten langs de Maasvallei haalde de hoge kosten ervan aan, en confronteerde hij dat met het gegeven dat men geen geld had voor het lot van de arbeidersbevolking[129]. Over de senaat liet men zich bij deze gelegenheid laagdunkend uit:

 

‘De forten aan de Maas zijn thans ook door den Oudemannenraad gestemd. Niets is gemakkelijker voor hen dan ja te zegen. Ze zitten toch altijd te knikkebollen van den grote vaak.’[130]

 

Wanneer men een tiental dagen later een artikel publiceerde waarin de algemene dienstplicht verdedigd werd, werd die gelegenheid aangegrepen om de regering te blameren:

 

‘De Jesuïtenregering […] is voor den persoonlijken dienstplicht in beginsel, ’t is voor te zeggen voor … later, ofwel, als zij den dienst naar haar grillen kan kneden.’ [131]

 

De verwerping van de persoonlijke dienst gaf op 19 juli aanleiding tot een artikel met de cynische ondertitel: ‘Alle Belgen zijn gelijk voor de wet[132].

Op 3 januari 1889 verscheen in ‘Vooruit’ een opmerkelijk hard artikel met als titel: ‘Alleman soldaat’. De katholieken werden zwaar beschimpt. Men verwees bijvoorbeeld naar Ignatius van Loyola en men stelde dat de katholieken zijn stelling dat alle middelen gebruikt mogen worden toepasten. Men had het over gehuil in de katholieke pers. Men ging al evenzeer tekeer tegen de vervanging die er voor zorgde dat enkel werklieden soldaat mochten worden, mishandelingen werden aangehaald, het volk was slechts kanonnenvlees. Men vroeg zich af waarom men de werkers zo wreed behandelde. Men stelde dat het de volkshatende bourgeois weinig kon schelen. De kazernes werden ‘pestholen van ontucht’ genoemd. [133]

In volgend fragment komt de radicale toon van het artikel duidelijk bovendrijven:

 

‘En onze kinderen dan, hunne carrière die heel wat nuttiger is dan die van pastoors die niets doen, advokaten voor wien gij nuttelooze plaatskens schept, dokters die de armen niet genezen kunnen, telt de loopbaan, de bestemming der volksjongens dan voor niets?’ […] Zeg eens zouden wij niet honderd maal beter uwe advokaten en gerokte papen missen?

Zijn de pestholen dan maar goed voor’t canaille, om het meer te verdierlijken, dieper te doen vallen, om daarbinnen het onmenschelijk, barbaarsch regiem te kunnen volgen die er sedert 50 jaren in zwang is, wat onmogelijk zou zijn als uwe welpen daar ook intrek zouden moeten nemen.? Ja, niet waar, voor de armen die gij veracht uit het diepste uwe zwarte ziel is dit alles goed genoeg, te goed nog.’[134]

 

‘Daarom wilt gij van geen peroonlijken dienst weten, daarom schrikt ’t bastaardsysteem van d’Oultremont, dat de deur voor algemeene dienstplicht opent u af en zult gij het verwerpen!

Past op, blinde reactionairen, gij speelt met vuur, onze leuze is en blijft: alle man soldaat of niemand. Gij zegt: de armen soldaat, ze zijn er niet te goed voor. [135]

 

Toch liet men een zekere gematigdheid blijken, om daarna snel terug te beginnen te dreigen:

 

‘’t staat u vrij, maar weet wel dat wij bij het alle man soldaat weinig voordeel hebben, hoogstens een tijdelijke verzachting van het soldatenleven en ’t is al, door het te vragen gehoorzamen wij slechts aan onze rechtvaardigheids- en gelijkheidsbeginselen. Tot hiertoe gehoorzaamden onze volksjongens toen gij hen gebood uwen eigendom te verdedigen, in hun vaders en moeders en broêrs te schieten. Denkt gij dat ze dat zullen blijven doen?

De opkomende volksbeweging zal tot in het leger doordringen, het volk haat u, haat uw stelsel, uwe regering en de macht, de wapens die gij ons in handen hebt geduwen zullen zich tegen u keeren, voor het volk als straf uwer lafheid;

Kiest dus!’[136]

 

In de loop van begin 1889 begon de brochureslag aan bod te komen in de socialistische pers. De groene brochure kwam aan bod op 14 en 16 januari. De brochure werd geïdentificeerd als ‘het programma van Cobourg’. Daartegenover werd op 16 januari het programma van de socialisten gezet. Deze laatste waren wereldburgers voor wie de kunstmatige grenzen van geen belang waren. Tegelijk vond ik een eerste teken van patriottisme: men stelde immers dat dit niet betekende dat men zich zomaar zou laten opgaan in een ander land, maar men voegde er tegelijk aan toe dat dit gevaar evenwel niet bestond.

Men stelde dat de extra soldaten niet moesten dienen voor de verdediging, maar veeleer om Duitsland te helpen bij de vernietiging van Frankrijk, dat de nachtmerrie zou zijn ‘der keizers en koningen’. Daartegenover verdedigden de socialisten de gewapende natie. [137]

De brochure van Lorand kreeg een positief onthaal in de socialistische pers. In ‘Vooruit’ stelde men dat deze brochure een buitengewone bijval kende.

De brochure van Woeste, die een vrijwilligersleger als alternatief stelde werd dan weer negatief onthaald. Men maakte het onderscheid tussen soldaten, die deftige mensen zijn, en soldeniers. Deze laatste worden omschreven als onderworpen wezens die hun vrijheid verkochten. Het werd beschreven als ‘een zedenbedervend stieltje’. Soldeniers zouden enkel dienen om rijken te beschermen en andere volkeren te onderdrukken[138].

Op 18 februari stelde men zich bereid samen te werken met verschillende politieke partijen, en organisaties, om de oorlog te vermijden. [139]

1891 bracht soldatenrellen in Brussel. Dit werd uitgebreid uitgesmeerd in de socialistische pers.

Op 31 januari 1893 klonk het bitter via een senaat van luitenant generaal en ex-minister van oorlog Liagre. Men vermelde erbij ‘Déclaration à un journaliste, le 16 décembre 1890’:

 

‘Ce ne seront jamais les chambres centitaires qui suprimeront le remplaçement et réorganiseront l’armée. Qu’importe! La révision marche à pas de géants, le courant est trop fort pour être enrayé. Il faudra que l’on aille jusqu’à bout. Pour moi je suis devenu partisan du suffrage universel sans ambage. Il aura cette immense mérite du supprimer la corruption électorale. Une cause juste doit nécessairement thriompher. C’est d’un parlement issu du suffrage universel sans ambuge que j’attends le vote des mesures nécessaires pour assurer la défense nationale.’ [140]

 

Dit vormde het begin van een reeks dergelijke korte berichtjes waarin uitspraken van militaire personaliteiten gepresenteerd werden!

 

Vaak boden besprekingen in de Kamers of uitspraken van persoonlijkheden de gelegenheid om het socialistisch programma te verduidelijken. Zo bood een uitspraak van Beernaert, die stelde dat het toenmalig militair systeem het meest rechtvaardige was, op 17 februari 1886 de gelegenheid die ‘Le Peuple’ aangreep om op het socialistisch programma in te gaan[141].

Vanaf eind september 1893 merkte ik in ‘Le Peuple’ een gegeven op dat nog vaak zou terugkeren: ‘de gewapende vrede’. Daarmee doelde men er op dat er weliswaar vrede was, maar dat er tegelijk op elk moment een conflict kon ontstaan door de bewapeningwedloop. Daarmee haalde men aan dat het zo niet verder kon gaan. Deze politiek zou ofwel naar het failliet, of … naar de revolutie leiden.[142]

Vanaf 1894 opende men het thema dat het leger te veel officieren telt ten op opzichte van het aantal soldaten en dat er verschillende soldaten in het Kongo van Leopold II tewerk gesteld werden. Zie bijvoorbeeld: ‘Une armée sans officiers[143].

De houding tegenover de progressisten werd steeds beter

 

Loting en intrede in de kazerne

 

Dit gaf in de ‘Vooruit’ vooral aanleiding tot artikels die op emoties inspelen. Huilende moeders, zusters en geliefden, vaders en broers die zich er over opwinden, zijn beelden die vaak aangehaald werden. De tranen vloeien er in overvloed. De loting wordt veroordeeld als een tombola waar veel van afhangt. Ook het drankmisbruik en allerlei mistoestanden die geregeld zouden voorkomen op de lotingsdagen worden daarbij aangehaald. Mistoestanden in het leger worden daarbij uitgebreid uitgesmeerd, evenals de ‘wraakroepende’ voorrechten van de rijken of de bourgeoisie die zich kon afkopen via de plaatsvervanging.

Een constante zijn de verwijzingen naar het gegeven dat men bij stakingen op de eigen ouders zou moeten schieten of vaker oproepen niet op de ouders, of meer algemeen op het volk te schieten.

Een geliefd thema is tevens de ‘schijnheiligheid’ van de katholieken in de militaire kwestie. Zo haalt men op de derde bladzijde van de Vooruit van 9 februari 1886 aan dat de liberalen en katholieken jaren geschreeuwd hebben om de loting af te schaffen, maar dat ze integendeel de militaire lasten verzwaard zouden hebben. Daarna legde men de link met het intern militarisme, dat een noodzaak zou zijn voor het behoud van de onrechtvaardige maatschappij die in het voordeel van de bourgeois speelt[144].

Sporen van patriottisme vallen er in deze periode nauwelijks op te merken in de pers. Men stelt dat men geen vaderland heeft zolang men geen algemeen stemrecht heeft. Vaak wordt daarbij ook de eis tot gelijkwaardige behandeling als criterium vermeld. In De Vooruit van 15 oktober 1886 heeft men het bijvoorbeeld over België als een land waarin men als vreemdeling behandeld wordt[145].

Le Peuple’ hanteerde vaak een enigzins verschillend discours. Daar werd minder op de emoties ingespeeld, maar ging men vaker te keer tegen de berusting onder de bevolking.

 

Niettemin waren er eveneens artikels die veeleer op emoties inspeelden. Zo was er bijvoorbeeld ‘L’impôt du sang’ dat op 2 oktober 1886 in ‘Le Peuple’ verscheen. Men had er over het onrecht de oudste zoon, de kostwinnaar aan een gezin te onttrekken, over pas getrouwde koppeltjes die uiteen getrokken werden, over gehuil en gesticulaties door de ouders en broers en zusters. De nationale defensie werd een voorwendsel genoemd, de koning werd zijn kuren verweten, men had het over het leger als een school voor immoraliteit, men had het over het ophitsen van de soldaten tegen het socialisme, de passieve gehoorzaamheid. Uiteraard riep men de soldaten andermaal op niet op het volk te schieten en ging men in op het prijskaartje. Naar het einde toe begon men wat meer te dreigen: het volk zou ontwapenen en het leger zou zich tegen de onderdrukkers keren[146].

In beide kranten wees men soms op de lafheid van de bevolking die tot gevolg had dat de gewraakte militaire wet nog steeds bestond.

 

Mistoestanden in het leger

 

In de kranten werden tal van mistoestanden in het leger aangeklaagd. Zo klaagde men op zeven november 1884 in Vooruit erover dat socialisten niet mochten zingen wat ze wilden en men verwees ironisch naar de treurmars ‘Van Den Peereboom’.

Meer algemeen werd de verregaande discipline in het leger systematisch aangeklaagd. Vaak werd het leger in verband gebracht met prostitutie en onzedelijkheid. Ook de mentale gezondheid van de soldaten werd graag als pijnpunt aangehaald.

Naast deze meer algemene artikelen verschenen er in de partijkranten tevens klachtenbrieven over het leger. Tal van mistoestanden kwamen daar aan bod. Een enkele keer liet men ook positieve geluiden verschijnen.

De manoeuvres in de herfst zijn een element die vaak worden aangehaald in de socialistische pers, om de mistoestanden in het leger te beschrijven.

Mistoestanden door het leger: op één juni 1887 haalde ‘Vooruit’ aan dat dronken soldaten vernielingen aanrichtten in het volkspark Vooruit. Daarbij stelde men dat