| Oorlog aan de oorlog !? De houding van de Belgische Werkliedenpartij ten aanzien van het leger 1885 – 1914. (Jan Godderis) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Deel 2:
De houding van de Belgische Werkliedenpartij tegenover het militaire vraagstuk
Hoofdstuk 4: Evolutie naar een massaleger 1909- 1913

Afbeelding: ‘Vooruit’, 3 oktober 1910, pp. 1
Het kader [497]
De militiewet van 1909 had de plaatsvervanging afgeschaft en de klasse gevoelig doen stijgen. De klasse bedroeg, in 1910, 14 759 man, waarbij nog 2 322 vrijwilligers bijgeteld moesten worden. Men verwachtte dat de klasse verder zou oplopen tot 21 000 man of zelfs 30 000. In realiteit telde de klasse in 1911 toch 21 000 man. In tegenstelling tot vroeger begonnen de militairen zich aan de universitaire compagnieën[498] en de vele gunsten die daarmee gepaard gingen, te ergeren. Dat werd versterkt door het toenemende aantal gegadigden. Vooral degenen die les volgden aan hogere niet-universitaire instellingen werden beschreven als luiaards die het leger daarenboven een slechte faam bezorgden. In het bijzonder de studenten van de kunstacademies werden op de korrel genomen. Bevoordeliging van militaire studenten door menig kolonel waren schering en inslag.
Er onstond in het leger eveneens een tekort aan beroepsofficieren. Dat tekort werd in verband gebracht met de universitaire compagnies, aangezien velen die deze compagnieën bevolkten in aanmerking hadden kunnen komen voor een opleiding tot reserveofficier.
Bij de verkiezingen van 1910 konden de katholieken de schade beperken tot één zetel verlies. De roep van de socialistisch-liberale kartels, die in de meeste arrondissementen gevormd waren, om algemene dienstplicht speelde daar waarschijnlijk zijn rol in.
Op 1 juli 1911 begon een Tweede Marokkocrisis[499], wat de internationale spanning verhoogde. Dat was des te meer het geval voor de spanningen tussen de twee protagonisten; Frankrijk en Duitsland.
Op 21 juli 1911 sprak Lloyd George, kanselier van de Britse schatkist, een dreigende rede uit. De Belgische belangen in Afrika leken daardoor in het gedrang te komen. Frans verbalisme en parngermanistische uitingen zorgden ook in België voor een ware oorlogspsychose.
Op 28 september landden Italiaanse troepen in Tripolitanië[500]. De media hielden de spanning op de ketel. De klassen van 1908 en 1909 werden gemobiliseerd op 30 augustus, nog geen halve maand later werden ook die van 1906 en 1907 gemobiliseerd. De Brusselse liberale krant ‘Le Soir’ stelde vanaf 31 augustus zijn kolommen ter beschikking voor een ophefmakende artikelenreeks ten gunste van het leger. De weerslag ervan was bijzonder groot. De aandacht van het parlement werd op de zaak gevestigd en de minister was beschadigd.
Ryckel[501] had verschillende ontmoetingen met de vorst en de regeringsleider. Hij pleitte er voor de oprichting van een Conseil secret de la guerre. Die zou door de vorst geleid worden en de vorst raad verstrekken. Ook de regeringsleider, de chefstaf en de minister van oorlog zouden er deel van uitmaken. Voor zichzelf reserveerde hij de functie van secretaris.
Dit lekte uit op 24 september. De minister van oorlog voelde zich omzeild en probeerde zelf het initiatief weer in handen te nemen. Hij liet een Koninklijk Besluit opstellen dat hij rechtstreeks aan de Koning overmaakte. Dit leidde tot groot ongenoegen van De Broqueville en daardoor tot het ontslag van Hellebaut. Ondertussen nam De Broqueville de functie van minister van oorlog waar.
In zijn nieuwjaarswensen van 1 januari 1912 drukte de vorst zijn hoop uit voor de verbetering van de nationale defensie in 1912. Door de naderende verkiezingen kwam daar vooralsnog weinig van in huis. Wel werd V. Michel benoemd tot Minister van oorlog benoemd om met een voltallige ploeg naar de verkiezingen te gaan. Op 7 mei sprak Michel zich in de senaat op uit voor een sterk leger. Met het oog op de naderende verkiezingen hield hij zich echter op de vlakte.
Tijdens de verkiezingsstrijd werd de katholieke regering aangevallen door een liberaal-socialistisch kartel dat de algemene dienstplicht voorstond. De katholieken wezen er op dat zij slechts één zoon per gezin vroegen. Anarchisme en aanslagen van anarchistische origine, evenals de wandaden van een automobielfanaat en de andere gangster Garnier werden tegen de oppositie uitgespeeld (onder het motto: voor wie zouden zij stemmen?).
Het resultaat was dat na de verkiezingen de katholieke meerderheid, tegen alle verwachtingen in versterkt was. De socialisten spraken van het verraad van de liberalen. Waarschijnlijk hadden vele liberale kiezers tegen het kartel gestemd uit vrees voor het vooruitstrevende socialistische programma.
Aanloop
In Oktober 1912 brak de eerste Balkanoorlog[502] uit, die Europa in een diepe crisissfeer dompelde. Minister van oorlog Michel deed een aantal bescheiden voorstellen voor wijzigingen aan de militiewetgeving. Voor De Broqueville, die snel en doortastend wou optreden in deze zaak, volstond dit niet. Michel nam ‘om gezondheidsredenen’ ontslag. De Broqueville cumuleerde zijn functie van regeringsleider opnieuw met het ministerschap van het Departement van Oorlog. Op 8 november droeg hij, in aanwezigheid van de vorst, de algemene dienstplicht aan op de kabinetsraad.
Bij de opening van het parlementaire jaar (12/11/1912) verklaarde De Brocqueville dat de militiewet van 1909 niet langer voldeed, omwille van de totaal verschillende internationale situatie. Ondertussen werd de socialistische drang naar een grondwetswijziging ten gunste van algemeen stemrecht steeds groter. Eveneens op twaalf november diende de socialistische leider Emile Vandervelde een voorstel in tot grondwetswijziging ten gunste van het algemeen enkelvoudig stemrecht. Het voorstel werd kracht bijgezet door te dreigen met een algemene staking (zie hoger).
Meer en meer deden geruchten over een militaire hervorming de ronde. Op 4 december presenteerde de Broqueville zijn plan aan de ‘conseil supérieur de la défense nationale’. Het steunde op een veralgemeende dienstplicht met behoud van de dienstduur. Het voerde het vrijwilligersschap van één jaar in. Verder hield het wijzigingen in aan de militie- en herzieningsraden. De volgende dag kwam de rechterzijde bijeen.
Daarna belandde het voorstel in de afdelingen van de kamer. Daar haalde het 96 stemmen tegen 27 bij 21 onthoudingen. Daarna volgde de Centrale afdeling die samengesteld werd uit vier katholieken, een socialist (de gewezen sergeant-majoor van de grenadiers G. Hubin) en een doctrinair liberaal.
Na enige tegenstand van enkele liberale en socialistische parlementariërs werd aanvaard het debat in de kamer met een geheime zitting te openen. Daarin kwam de penibele internationale situatie, alsook het gevaar vaar de Belgische neutraliteit aan bod.
Op 14 april 1913 brak de socialistische algemene staking ten gunste van algemeen stemrecht uit, die op 24 april beëindigd werd (zie hoger).
Op 28 mei had de stemming in tweede lezing van het militieontwerp plaats. Een amendement van de Luikse socialist J. Dejardin[503], dat voor kinderrijke gezinnen de weglating van de beperking bij de vrijstellingen regelde, werd aanvaard. Dat zorgde voor enige opschudding. De beslissing werd volgens De Vos gehandhaafd omdat de herziening te veel tijd gevergd zou hebben[504]. De militiewet werd er gestemd.
De senaat begon de lezing op 10 juni. Tegenstanders werden tijdens het debat door rechts beschuldigd van lèse-patriotisme, misdaad tegen de vaderlandsliefde.
Op negentien juni werd de wet ook in de senaat gestemd met 58 stemmen tegen 27 en negen onthoudingen. Op 30 augustus werd de nieuwe wet van kracht; bij het begin van de Wereldoorlog zou het leger nog volop in reorganisatie zijn.
De congressen en de algemene raad
Het congres van 1910 bracht weinig informatie aan. [505]
Uit een niet-officieel verslag van het partijcongres van 1911 vernam ik dat ‘de Kazerne’ een oplage had van 35 000 exemplaren en de Franstalige tegenhanger ‘La Caserne’ 30 000 en 20000 voor een ‘Fransch-Vlaamsche’ uitgave. Het antimilitaristische blad ‘De militiaan’ haalde 20 000 exemplaren voor de Franstalige versie, 15 000 voor de Nederlandstalige en 15000 voor de tweetalige versie. Men haalde ook aan dat het parlementair exposé van Bertrand over de fichen in het leger het startpunt was voor een krachtige beweging door de jonge wacht.[506]
Het congres van 1912 bracht andermaal weinig informatie aan. Uit een niet-officieel verslag halen we evenwel volgende tekst:
‘DE INTERNATIONALE – TEGEN DE OORLOG
Onze verhoudingen met het Internationaal Socialistische Bureel zijn dit jaar bijzonder gevolgd geweest, tengevolge van den dreigenden oorlog tusschen duitsland en Frankrijk, voor de zaak van Marokko, en ook uit noodzaak van het konflikt tusschen Turkije en Italië.
In den nacht van 26 op 27 September, den zelfden dag als na de konferentie van het Internaionaal Socialistische Bureel, die te Zurich plaats had, zond het Italiaansch landsbestuur aan het Ottomaansche keizerrijk een brutaal ultimatum, en verklaarde het vier-en-twintig uren later den oorlog.
Het I.S.B. dat over de aan te wenden middelen om den oorlog te beletten, kwam te beraadslagen, nodigde alle aangesloten partijen uit, bij middel van betoogingen en manifestatiën tegen den oorlog verzet aan te tekenen en zich voor den Europeeschen vrede uit te spreken.
Als gevolg van deze uitnoodiging hebben wij op Zondag 5 november in het Volkshuis van Brussel eene groote protestmeeting ingericht met medewerking van gezellen:
Edouard Vaillant, volksvertegenwoordiger van Parijs, lid van het Internationaal Socialistische Bureel, Saul Nahum, afgevaardigde der werkliedenorganisatiën van Saloniki, Ph. Scheideman, lid van het Partijbestuur der Duitsche Sociaal-Demokatische Partij, en tegenwoordig ondervoorzitter van den “Reichstag”, Kamiel Huysmans en Léon Furnémont allebei volksvertegenwoordigers en leden van het Uitvoerend Komiteit van het I.S.B.
Deze indrukwekkende betooging die door verscheidene duizenden personen werd bijgewoond, welke alzoo de banden der ware Internationale solidariteit bevestigden en waarvan het verslag door het meerendeel der burgerbladen werd weergegeven en toegelicht, eindigde met de stemming der volgende dagorde:
« De meeting,
» protesteert op de meest krachtdadige wijze tegen de daden van plundering door het Italiaansch » landbestuur tegenover Turkije bedreven, met de medeplichtigheid der andere mogendheden, en » ten gevolge van gelijkaardigen, door deze laatste bedreven daden;
» Zij hoopt dat
Turkije geene weerwraak zal nemen ten opzichte van de in het Ottomaansche
» keizerrijk gebezigde werklieden, en begroet de hartelijke verstandhouding
tusschen het
» Turksche en Italiaansche proletariaat.
» Zij verwerpt
het militarisme onder al zijn vormen; het gedurige vermeerdering der
» bewapening, alsook de gedane pogingen om den haat tusschen de natiën aan te
vuren; ten
» slotte, aanhangster van de algemeene ontwapening, vraagt zij dat de
Internationale konflikten,
» zonder uitzondering aan een scheidsgerecht zouden onderworpen worden, en
rekent op het
» klassebewustzijn der werkersorganisatiën om het socialisme en de vrede te
doen zegevieren. »
Denzelfden dag grepen, in de meeste Europeesche hoofdplaatsen en groote steden, gelijkaardige betoogingen plaats.
Gezel Anseele voerde het woord op de te Amsterdam georganiseerde meeting, terwijl Vandervelde de te Parijs plaats hebbende meeting voorzat.
Den 12den der zelfde maand vertegenwoordigden de gezellen Huysmans en Vandervelde de Belgische Werkliedenpartij te Berlijn alwaar twaalf monstermeetingen waren ingericht met de medewerking van aan de socialistische partijen van verschillende landen toebehoorenden sprekers, om tegen de oorlogsgruwelen verzet aan te tekenen.
De gezellen Anseele, Furnémont en Vandervelde vertegenwoordigden de W.P. op de konferentie van het I.S.B. van 23 en 24 September te Zürich’ [507]
Over het buitengewoon congres van 1912 valt in dit kader weinig te melden. [508]
Op het jaarlijks congres van 1913 meldde Vandemeulebroucke dat er 32 000 examplaren van ‘La Caserne’ besteld werden in plaats van 20 000. Van een Nederlandstalige brochure ‘Soldaten schiet niet’ over het proces tegen ‘La Caserne’ werden er 10 000 exemplaren verkocht op twee dagen tijd. Weldra zou de Franstalige versie verschijnen (54 bladzijden, onder andere de pleidooien werden er in opgenomen). Bovendien redigeerde men een speciale editie van ‘La Caserne’ Er wordt ook een affiche verspreid over de gunstige afloop van het proces, die besteld werd op 1050 exemplaren.
Over de militaire kwestie, die uitgebreid aan bod kwam, leverde Chapelier de eerste bijdrage. Hij deed dat uit naam van de ‘ligue ouvrière’ van Sint-Gillis. Hij presenteerde reserves tegenover de vierde conclusie van een rapport van Furnémont en Hubin. Deze laatsten stelden dat men vanaf de kindertijd de plicht aangebracht kreeg om de nationale bodem te verdedigen én dat men er vanaf de adolescentie op voorbereid zou worden.
Hij haalde daarop aan dat wanneer hij het goed begreep men de kinderen moest voorbereiden voor de landsverdediging. Hij repliceerde dat de arbeiders geen vaderland hebben. Hij stelde dat die grond waarop je geboren werd eigendom was van de kapitalisten en dat dezen die maar zelf moesten verdedigen. Hij vroeg of men zich dan zou laten vermoorden voor de verdediging van … kloosterscholen, meervoudig stemrecht, electorale corruptie, de nationale onwetendheid, de langere arbeidsdagen en lagere lonen. Dat werd op applaus onthaald.
Hij verwierp het vaderslandsidee en het poëtisch aureaal waarmee Hubin en Furnémont dat wilden omheven.
Hij stelde dat de rijken het vaderland lief hadden omwille van de vele voordelen die het hen bood, maar tegelijk hebben ze hun zogenaamde vaderland, een pure administratieve omschrijving, zo weinig lief dat ze hun fortuin steeds onderbrengen in het land waar het hen het meest opbracht.
Hij stelde dat de prolo’s [proletariërs] van de andere landen nauwelijks gelukkiger zijn. Het is enkel voor de grote federatie van volkeren en niet voor het internationaal kapitalisme dat men moest vechten. Hij wou enkel de sociale oorlog vechten.
Hij stelde:
‘Je suppose qu’en France le socialisme soit réalisé que l’approbation collective du sol et des instruments de travail soit organisée, et qu’une guette éclate entre la France et la Russie, le devoir du prolétariat russe serait d’aller servir dans les rangs des Français contre le régime abominable qui pèse sur eux.! (applaudissements.)
Que nos capitalistes et nos gouvernants défendent le sol «national», dont ils sont seuls à tirer profit.
Et si l’étrangers venait chez nous
Nous, travailleurs, nous n’avons pas de chez nous! Qu’ils viennent, les Français ou les Allemands; il nous apporteront l’instruction obligatoire et ce Suffrage universel pour lequel nous allons faire une Grève générale ...’ [509]
Daarop repliceerde Hins ironisch: Het Pruissisch algemeen stemrecht!
Chapelier ging verder dat de arbeiders zich niet konden associeren met een werk des doods, het voorbereiden van een horribel bloedbad tussen broeders, dat men niet kon meewerken aan de collectieve moord. Dat leverde hem opnieuw applaus op.
Hins diende daarop een ordemotie in waarin hij vroeg om hier geen strategie te bespreken en het militaire debat in te korten. Hij stelde dat het militaire probleem zich voor de mandatarissen kon laten samenvatten tot de dienstduur zo veel mogelijk in te korten en tegen het regeringsontwerp te stemmen.
De voorzitter wou het militarie debat waarover er verschillende meningen waren niet ‘te sterk’ inkorten.
Jacquemotte vatte samen: de opstellers van het rapport vertrekken van de stelling dat men een vaderland had en een territorium dat verdedigd moest worden en wees er op datChapelier het teggnestelde verdedigd had.
Daarop redeneerde hij verder:
‘S’il est entendu que le prolétaires ont une patrie, vous avez tort de protester contre l’achat des nouveaux canons, contre la création d’une marine militaire, etc. S’il faut défendre la Belgique, il faut le nécessaire: des forts, des armements, des hommes.
Le charges militaires grandissent sans cesse. Et pèsent surtout sur les épaules de ceux qui n’ont rien à défendre. Les prolétaires n’ont dès lors rien à concéder au système militaire. (Applaudissements.)
Pour permettre aux congressistes de se compter je dépose un ordre du jour dans ce sens’[510]
Hubin antwoordde dat er daarnet spijtige kritieken te horen waren. Hij stelde dat de statuten van de partij duidelijk waren: afschaffing van de legers en voorlopig de gewapende natie. Welnu, dat is wat er in het rapport geparafraseerd werd, stelde hij. Alles was bovendien ook geïnspireerd op de internationale congressen, waaronder het recente congres van Basel.
Hij stelde dat voor hen [hijzelf en Furnémont] nationaliteit een levendig iets was en niet iets illusoirs. Was er iemand die kan beweren dat het de arbeiders onverschillig zou laten wanneer België zou verdwijnen, vroeg hij. Hij stelde dat dit zou neerkomen op het negeren van een fundamentele doctrine van alle arbeiderspartijen.
Hij stelde dat hypocrisie van het burgerlijk militarisme hetgeen was wat men bestrijden moest. Hij ging verder dat alle legers georganiseerd waren voor de aanval. Hij poneerde de stelling dat ontwapening op dit moment het provoceren van de oorlog zou zijn en een groot gevaar zou betekenen voor de arbeidersbeweging in een ontwapend land.
Hij stelde dat men moest werken richting de ontwikkeling van internationale banden, maar een aangevallen natie had het recht om zich te verdedigen.
De organisatie van milities, die door het programma van de BWP voorgestaan werd, is de enige nationale verdediging die het land toeliet zich te verdedigen zonder een gevaar te betekenen voor de andere landen. Dit systeem is dan ook het enige dat compatibel is met democratie.
Hij stelde Chapeliers’ ideaal te delen voor de verre toekomst, waarvan allen droomden. Maar men diende, volgens Hubin, rekening te houden met de huidige omstandigheden. Hij besloot dat men het programma van de BWP gerespecteerd had, in overeenstemming met de gehele socialistische internationale. Hierop volgde applaus.
De Mol stelde dat de militaire kwestie een complexe en technische materie was. Hij stelde dat hij wel uit ervaring wist dat een militaire opleiding van zes maanden voldoende was. De rest van de tijd moesten de miliciens toch maar corvées doen, die even goed door gesalarieerde werknemers konden gebeuren.
Hij stelde dat men met zes maanden hetzelfde effectief zou hebben, maar men dan wel de algemene dienst zou moeten decreteren. Maar … de regering wou dat niet, aldus De Mol, omdat dan de klerikale vrijstellingen onhoudbaar werden en men de klerikale kiezers niet meer zou kunnen bevoordeligen.
Ten slotte vroeg hij de afschaffing van de helse disciplinekorpsen en de correctie.
René Peereboom verdedigde uit naam van de jonge wachten van Brussel, Sint-Gillis, Molenbeek en Schaerbeeek hun negatieve stem over het rapport van Furnémot en Hubin. Hij schaarde zich achter Chapeliers en Jacquemottes woorden. Hij wees op de ironie van het inroepen van het gegeven ‘nationaliteit’: de Belgen bestaan uit Fransen en Vlamingen, stelde hij, en de Duitsers: dat is een echte hutsepot. Hij haalde tevens aan dat de kleine Belgische contingenten toch niet konden volstaan om zich tegen de grote legers van Frankrijk of Duitsland te verdedigen. Ook het militiesysteem kon België geen voldoende groot leger bezorgen.
Hij stelde dat men in België niets te verdedigen had. België was voor hem een land van onwetendheid en sterke uitbuiting. Men kon nooit vrijheden te verdedigen hebben die groter zijn dan die bij de invallers, stelde hij. De bezitters moesten hun bezit maar zelf verdedigen. De proletariërs hadden maar één iets te bestrijden: het kapitalisme!
Hij achtte het dan ook noodzakelijk dat de aanwezige vertegenwoordigers van de jonge wachten tegen het rapport-Hubin-Furnémont zouden stemmen. Hij haalde aan dat de jonge wachten in hun congres van negen maart tegen de creatie van cirkels voor militaire voorbereiding gestemd hadden. Daarom stelde hij dat hij – net zoals Chapelier bij het begin van discussie deed – niet konden instemmen met de vierde conclusie die opriep de jonge mensen vanaf hun kindertijd op hun rol als soldaat voor te bereiden.
Gryson bestreed het rapport eveneens. Hij stelde dat men de geest van jongelingen zou verwrong met vooroordelen zoals ‘vaderland’ en men er zo chauvinistische geesten van zou maken. Hij wees er op dat enkel de werkgevers profiteerden van verdeeldheid tussen arbeiders.
Hij stelde eveneens niet te begrijpen dat het militair regeringontwerp het proletariaat niet uit zijn normale kalmte gewekt had. Hij stelde dat men geen nood had aan een massaleger, men zou toch op voorhand verliezen, maar het leger was bovendien vooral tegen de ‘binnenlandse vijand’ gericht. Mogelijk zou men dat opnieuw ondervinden bij de algemene staking. Hij wees er op dat er het hetzelfde geld enorm veel hervormingen kondende gebeurd zijn.
Volgdende dagorden lagen ter stemming
De dagorde van Hubin en Furnémont:
‘Le congrès, fidèle au programme actuel et voulant persister dans les résoluitons antérieures du Parti, conformes à celles de tous les congrès internationaux, réclamant la suppression des armées permanenentes et, à titre transitoire, l’organisation des milices nationales, passe à l’ordre du jour.’ [511]
Ook De Man en Delsinne hadden samen een dagorde ingediend:
‘Le congrès, s’appuyant sur toutes les déclarations des congrès nationaux et internationaux, constate que les armées permanentes sont la conséquence du régime capitaliste;
Considérant qu’aussi longtemps que le capitalisme dominera, les armées permanentes ou les milices sont des instruments aux mains des classes dominantes;
Considérant que dans l’état actuel, la notion de patrie est détournée et explitée par la bourgeoisie pour dresser les uns contre les autres les prolétaires de tous les pays;
Déclare que si l’instituion des milices est un moindre mal, elle ne peut avoir pour conséquence, l’obligation des ouvriers à prendre les armes, dans tous les cas, sur l’ordre des gouvernements.’[512]
Ook Hins had een dagorde ingediend:
‘Le Congrès
Considérant que le Parti socialiste n’est pas en état de faire prévaloir au Parlement ses idées en ce qui concerne l’organisation militaire;
Engage ses représentants à discuter pied à pied chacun des articles du projet du Gouvernement, se ralliant chaque foi à la solution la moins défavorable, et à voter ensuite contre l’ensemble de la loi’[513]
Ook Maertens, een afgevaardigde uit Bierges (Waver) diende een dagorde in. Hij legde sterk de nadruk op de verstandhouding met de liberalen inzake de militaire kwestie en stelde dat er gestipuleerd diende te worden dat de militairen volledige vrijheid van geweten hebben.
Een vijfde en laatste resolutie kwam van Jacquemotte, Chapelier ‘en consoorten’.
‘Le congrès:
Considérant que le capitalisme a comme conséquence l’organisation des armées permanentes, chargées uniquement de défendre les intérêts de la classe bourgeoise;
Considérant que la classe ouvrière a affirmé dans ces congrès internationaux sa volonté de s’opposer irréductiblement à la folie des armements;
Considérant que le principe de la défense nationale entraîne logiquement et fatalement le militarisme avec toutes ses conséquences désastreuses;
Considérant que le dogme «patrie» ne peut qu’entraîner la haine entre les peuples;
Déclare:
Les travailleurs n’ont point de patrie en régime capitaliste;
Ils ont pour devoir de ne consentir aucun sacrifice pour le militarisme et s’opposeront à la guerre, par tous les moyens, y compris la Grève générale et l’insurrection.’[514]
De voorzitter wees er op dat sommigen in het Bureau deze laatste dagorde onontvankelijk vonden omdat ze inging tegen het partijprogramma en tegen de resoluties van de internationale congressen van Parijs, Londen, Stuttgart en Basel. De voorzitter stelde dat het zijn plicht was de congresgangers daarover in te lichten.
Destrée benadrukte dat het belangrijk was een overeenkomst te bereiken en stelde voor eerst te beslissen wat te doen ten opzichte van de militaire wet van de regering.
De motie Hins, stelde hij, wees op de plicht van de parlementairen om de minst slechte oplossingen te zoeken bij de stemming van de artikels en uiteindelijk de wet weg te stemmen. Destrée wees er verder op dat het algemeen stemrecht het belangrijkst was. Men kon immers op geen twee hazen tegelijk jagen. Wel mocht men niet laten geloven dat men bereid was tot eender welke marchandage inzake de militaire kwestie. Dit werd op applaus onthaald.
Hij wees er tevens op dat er een meerderheid was in de Kamer over dit ontwerp en dat men de discussies dus niet kon rekken. Hij stelde daarom dat obstructie (wat sommigen ’s morgens gevraagd hadden) onmogelijk was zodra men het ontwerp tot op de bodem bestreden had. Hij wees met een op het eerste zicht merkwaardige zinnen nogmaals op het prevaleren van de strijd voor het algemeen stemrecht:
‘C’est la question de la revision [grondwetsherziening ten voordele van algemeen stemrecht] qui réclame notre maximum d’efforts. S’il y a possibilité – ceci pour contenter Huysmans – de bonne volonté chez M. De Broqueville, je crois que le jour où le ministre fera passer son projet militaire, les liens qui aujourd’hui le paralysent seront brisés; ses bonnes dispositions se traduiront alors, selon moi, en actes.
Bornons-nous tout simplement à ratifier l’ordre du jour Hins’[515]
Daarna ging hij in op een aantal voorstellen die gedaan werden tegenover het rapport Hubin en Furnémont. Hij stelde wat deze opmerkingen alles in vraag stelden dat op internationale congressen beslist werd.
Hij stelde dat opstand tegen de oorlog bedoeld was tegen een aanvalsoorlog, waarvan er in het geval van België geen sprake kon zijn. Men moest zich in België enkel bezig houden met verdedigingsoorlogen. De verdedigingsoorlog noemde hij heilig voor allen. De graad van beschaving van een periode is immers een patrimonium waarvan de armsten genieten. Dat moeten ze beschermen tegen een barbaarse invaller.
Op het gegeven dat de jonge wachten stelden dat men geen vaderland had, antwoordde hij dat hij dat zou kunnen aanvaarden over een land waar men geen enkel politiek recht had. Maar de Belgen hadden een vaderland. Hij verzette zich er tegen dat men, omwille van het gegeven dat men nog niet alle rechten had, zou blootstellen aan de horreur van een invasie.
Hij stelde dat zij, in Brussel, niet wisten wat het zou betekenen als een leger het land zou doorkruisen, maar in het industriële Wallonië van Maas en Samber (applaus), had men op zijn minst zijn arbeid te verdedigen. Bij een invasie eist het leger immers alles op, in acht dagen tijd zou dat de honger betekenen.
Had de arbeider niet zijn vrouw en kinderen om te verdedigen?, En wat met de epidemiën, de pest, de stromen die na het leger volgen?, vroeg hij verder. Ewel, dat verschil aou men merken. Dat onderscheidt ons van de anarchie, stelde hij. Hij haalde aan dat hij het antimilitaristisch programma van de partij laatst uitgelegd had in het assissenhof, maar dat hij niet de verantwoordelijkheid wou nemen voor anarchistische verklaringen.
Vervolgens nam Chapelier terug het woord voor een verdediging. Hij opende volgens het verslag als volgt:
‘Vous voyez en moi un homme bien malheureux... Me voilà, moi, pygmée, placé entre Destrée et Vandervelde, deux géants de l’art oratoire, et mon verbe subversif donne l’impression que je suis un larron entre deux Jésus! (Rires.)
Dois-je désespérer? Non, car je suis ici en présence de travailleurs qui pensent et qui ne peuvent se laisser émouvoir que par les intérêts du prolétariat.
Destrée sourit en parlant de ce qu’il appelle ma phraséologie anarchisante. Ce n’est que d’habileté oratoire! Ne pourrais-je pas, moi, vous mettre en garde contre sa phrasologie trop éloquente et surtout trop libéralisante? (Mouvements. Applaudis.)
Quant à Hubin, cet homme si énergique, auquel j’ai entendu faire des conférences admirables, il a parlé parce qu’il devait le faire. Notre attaque a dérouté son esprit et troublé sa conscience. Son discours pâle, anémique, sans structure et sans vie démontre que j’ai raison, car quand un militant ainsi défend une bonne idée c’est un homme de valeur. Mais voilà! il a , dans son rapport et dans son discours, oublié qu’il n’est plus sergent-major. (Rires)
On a rappelé le respect dû aux nationalités. Les nationalités sont des faits consacrés par nos Congrès internationaux. C’est entendu, mais en quoi consacre-t-il, pour nous, le devoir de prendre part à une guerre quelle patriotique quelle soit?
Ah, je sais! vous voulez distinguer entre guerre offensive et défensive. Mais d’abord sur quoi vous baserez-vous? Voyons toutes les guerres contemporaines et citez m’en une où votre détermination de l’agresseur ne sera pas une simple appréciation [...] [516]
Hij ging verder met het gegeven dat hij tegenover alle tricolores de rode vlag plaats. Hij ging in op het congres van Bazel en haalde aan dat men enkel belang had bij een oorlog tegen het kapitalisme.
‘Nous refusons de défendre, même contre bandits, pour nos maîtres ce qu’ils ont eux conquis sur notre sueur, sur notre sang, sur notre vie! Le pays d’origine de l’exploiteur m’importe peu, quant à l’exploité quel que soit son langage ou la couleur de sa peau, il est mon frère!
N’est-ce pas le meilleur moyen d’empêcher la guerre?
Mais quelle est votre méthode, citoyens rapporteurs?
Elle n’est que la continuation de la devise bourgeoise: Si vous voulez la paix, préparez la guerre.
En effet, et mon ami Jacquemotte vous l’a merveilleusement démontré, si vous partez du principe que nous avons une patrie et que nous devons la défendre vous devez en admettre les conséquences logiques. Pour défendre un pays il faut une armée et des armes. Des pays voisins augmentent leurs effectifs et leurs armements, vous devez faire de même sous peine de courir à la défaite certaine. Vous manquez donc de logique en vous opposant aux que les sacrifices que le militarisme vous demande. A cela vous n’avez pas répondu et vous ne répondez pas.
Il n’y a entre Hins et nous qu’un désaccord apparant. J’admets que nous devons bien nous résigner aux moindre maux, nous devons vivre avec notre temps. Mais de la guerre, même avec l’armée la plus démocratique, nous n’en voulons pas! (Appl.)’ [517]
Vandervelde antwoordde dat Chapelle niemand moest onder hen moest benijden qua eloquente frasologie. Hij stelde dat deze discussie vooral een academisch karakter had, en hem daarom nauwelijks boeide. Hij stelde dat dit misschien kwam omdat hij noch een oud-officier was, noch een oud-anarchist. Nochtans schaarde hij zich wel achter Destrée.
Hij stelde dat men tegen het militair wetsontwerp zouden stemmen, tegen een regering die het volk zijn rechten ontzegd en de lasten verhoogde, omwille van de vele onrechtvaardigheden in die wet en als dat niet volstond, als protest tegen het gegeven dat het leger vooral georganiseerd is om de belangen van de kapitalisten te verdedigen tegen het proletariaat.
Vandervelde ging verder:
‘Supposons que le Parti ouvrier puisse faire lui-même la loi de défense nationale, conformément à son programme. Il faudrait pour cela une transformation complète de nos institutions actuelles. Eh! si nous étions assez forts pour établir une milice nationale qui vous dit qu’alors nous n’aurions pas quelque chose à défendre? ...’[518]
Chapelier antwoorde:
‘Je n’ai pas dit le contraire!’[519]
Vandervelde ging verder:
‘Mais alors ne sommes-nous pas d’accord?
Un peuple qui a quelque chose à défendre a le droit d’exercer son droit de légitime défense. Sommes nous d’accord? (applaudissements.)
Que demain la France républicaine soit attaquée par une des grandes monarchies militaires de l’Europe, le devoir des socialistes serait, en France, de défendre les institutions républicaines, et dans l’autre pays de résister par tous les moyens à une agression contre la démocratie (applaudissements.)
Que devraient faire nos amis de Russie, dans une guerre avec l’Allemagne, qui représenterait en cette occurence la civilisation? Sauter à la gorge du tsarisme, évidemment, parce qu’ils défendraient ainsi la cause de la civilisation et de l’humanité. (Auplissements.)
Les hommes de bon sens peuvent donc se comprendre et s’entendre.’[520]
Hij zette zijn discours verder met het gegeven dat hij de dagorde Furnémont-Hubin zou stemmen omdat die respect heeft voor het partijprogramma en de beslissingen van de internationale. Hij stelde de dagorde Jacquemotte en consoorten als een groot misverstand te zien. Hij erkende dat er in het communistisch manifest staat dat proletariërs geen vaderland hadden, maar stelde hij: dat dateert uit 1848, toen de situatie nog totaal verschillend was. Hij erkende dat het Russische proletariaat geen vaderland had. Hij stelde dat de notie vaderland een relatieve zaak is. Men is immers altijd patriot van iemand. De proletariërs dienden zich een vaderland te veroveren, dat ze met liefde konden verdedigen, zoals men zijn moeder kan verdedigen. Hij vergeleek de ‘elokwente’ discours van Jacquemotte en Chapelier met dat van Domela Nieuwenhuis. Hij stelt dat deze discours meer linken hebben met de libertaire these [anarchisme] dan met socialisme. Hij stemde daarom tegen hun dagorde omdat hij geen libertair is, noch een anarchist, maar een socialist.
Bij de stmeming werd de dagorde-De Man-en-Delsinne teruggetrokken. De Dagorde-Frunémont-en-Hubin en die van Hins werden met een grote meerderheid aangenomen. Die van Maertens werd zelfs unaniem aangenomen.[521]
De algemene raad had het op één februari 1911 over Bertrands stokpaardje: de biografische fiches in het leger[522].
Over 13 september van hetzelfde jaar valt er meer te zeggen. Toen had men het over de Marokkaanse kwestie. Vandervelde legde er de ernst van de kwestie uit. Men stelde dat de regering de kwestie wou aangrijpen om nieuwe militaire kredieten los te weken en de opmars van de socialisten te beëindigen. Maar daar is men niet in geslaagd. De Duitse socilaisten hebben immers opgestaan tegen de oorlog en de publieke opinie lijkt hen te zijn gevolgd, ‘zelfs’ in Duitsland.
Daarnaast waren er ernstige incidenten geweest, stelde hij. De Duitse financiële crisis, de pangermanisten van over de Rijn, die oorlog wensten. Vandervelde stelt dat de Marokkocrisis evenwel zichzelf lijkt op te lossen. Toch bleken er naar zijn zeggen, bourgeois- burgersyndicaten en financiers die onverzettelijkheid preekten, waardoor de politiek hemel troeel bleef. Hij noemde het tevens een verontrustend teken dat België en Nederland hun voorbereidingen namen. Gelukkig waren de socialisten op hun qui-vive’, ging hij verder. Het is immers de tegenmacht die de kansen op oorlog verkleint.
Vandervelde legde uit wat het internationaal socialistisch bureau gedaan had en wat het voorstelde nog te doen. De Algemene raad keurde deze houding goed.
Daarna legde Troclet de draagwijdte uit van zijn interpellatie over de Belgische militaire situatie. Hij wou daar de volgende keer [wel eerst] over discussiëren met de parlementaire groep.
Vandervelde beschouwde het gevaarlijk een interpellatie in die zin te doen omdat ze de militaristische conservatieven de kans zou geven nieuwe kredieten te vragen. Een dergelijke interpellatie zou enkel kunnen mits de toestemming van de groep, zoals dat altijd gebeurd. Hij vond het jammer dat Delporte niet op die manier gehandeld had.[523]
Op de zitting van het bureau op 27 september gaf men lezing van een brief die de samenroeping van de algemene raad vroeg om de internationale situatie te bespreken. Daar werd geen gehoor aan gegeven omdat men het verslag wou afwachten van de zitting van het internationaal socialistisch bureau van 23 en 24 september.[524]
Op 18 oktober kwam het bureau opnieuw samen om dat verslag te aanhoren. Men besloot een meeting te organiseren tegen de Italiaans-Turkse oorlog op zondag vijf november met Vandervelde, Anseele en Humans als sprekers. Met de officiële partijpers, ‘Le Peuple’, ‘Vooruit’, ‘Journal de Charleroi’ en ‘Avenir du Borinage’ zou men schriftelijk communiceren. Vandervelde werd gevraagd om alles samen te vatten in een brochure voor de algemene raad en aan de beroepsorganisaties van alle landen de verschillende theses voor te leggen om de beslissingen van het internationaaal congres van Kopenhagen uit te voeren.[525]
In het verslag van de zitting van het bureau van 25 oktober vernemen we wat petite histoire: omdat men voor de meeting tegen de Italiaans-Turkse oorlog de Madeleinemarkt niet mocht gebruiken zou men de meeting in het Brusselse volkshuis houden. De sprekers waren. Vaillant of Sembas voor Frankrijk, Sahum Saül voor Turkije, een Duitser en de Belgen Royer, Destrée en Vandervelde. De meeting zou uiteindelijk doorgaan op drie november. [526]
Op acht november vroeg men aan Lafontaine of De Brouckère om een brochure te maken over het socialisme en de oorlogsdreiging.[527]
Wanneer het ISB een volgende meeting vroeg over de internationale situatie bleek dat voor de BWP een stap te ver[528]. Desondanks bleek de secretaris toch een meeting te organiseren, maar men vond voorlopig nog maar één spreker, daarom besloot men deze meeting af te voeren.[529].
Op de zitting van het bureau van zeven december 1912 besliste men tot een grote agitatie tegen het ontwerp tot een nieuwe militaire wet via meetings en manifestaties. Men zou dat nauw verbinden met de strijd voor het algemeen stemrecht.
Ook besliste men op vraag van de federatie van socialistische gymnastiegroepen om te vergaderen over de mogelijkheid deel uit te maken van groepen voor de militaire verbereiding.
Men nam de tekst van een manifest, dat voorbereid werd door Vandervelde, tegen de nieuwe militaire lasten die de regering voorbereidde aan. Dat manifest zou gepubliceerd worden in de kranten en in het hele land op affiches verspreid worden.
Er zou een actieve antimilitaristische campagne volgen, die zou aanvangen met meetings in de grote centra. De parlementaire groep zou daarvoor gemobiliseerd worden. Alle federaties en groepen zouden uitgenodigd worden de maatregelen voor deze propaganda te nemen. [530]
Op de algemene raad van 26 februari 1913 kwam het militaire vraagstuk uitgebreid aan bod.
Anseele bracht verslag uit over de discussie in de Kamer en verzette zich energiek tegen de nieuwe lasten. De vergadering verklaarde zich akkoord met de regionale rekrutering (zie lager). Furnémont haalde aan dat er geen meerderheid was voor één jaar dienstplicht. Vandersmissen wees er op dat er al een rapport klaar moest zijn. Furnémont melde dat het klaar was, maar dat hij er enkel nog het element regionale rekrutering aan moest toevoegen.
Vandervelde stelde dat men na 6 maanden te hebben voorgesteld, een jaar moest voorstellen. Hij wees tevens op een gevaar van de regionale rekrutering. De regering zou Vlaamse soldaten naar Wallonië kunnen sturen en omgekeerd. Hij vond evenwel dat dit alles pas bediscussieerd kon worden wanneer de regering haar voorstellen gedaan had. Anseele was het daar niet mee eens: er kon wel over de regionale rekrutering gediscussieerd worden zonder het regeringontwerp te kennen.
Maroille wou een amendement over de dienstduur van negen maanden. De Brouckère wou dan weer dat de groep geen jaar voorstelde, maar dat overliet aan de liberalen.
Men besliste uiteindelijk zes maanden voor te stellen, vervolgens negen en uiteindelijk twaalf. Van de Meulebroucke vroeg of men zich zou verzetten tegen vrijstellingen en uitzonderingen. Anseele antwoordde positief.[531]
De socialistische houding in het Parlement
De discussies over het legercontingent en het oorlogsbudget
Het budget voor 1910 werd besprolken op 18 en 19 april 1910 in de Kamer en 13 mei in de Senaat[532]. Er werden vooral mistoestanden aangeklaagd (Terwagne, Debunne, Delporte, e.a.). Vooral verloning stond daarbij centraal. Demblon had het over de klerikalisering in de kazeren en het gebrek en hygiëne. De besprekening voor het budget voor 1911 dat in de Kamer besproken werd op zes en zeven juli 1911 en in de Senaat op 20, 25 en 28 juli lag in dezelfde lijn[533].
Bij de bespreking van het contingent voor 1912 (Kamer: 20 december; Senaat: 22 december 1911) bleven de socialisten al helemaal koest. Enkel Vandervelde kon het niet laten Woeste er bij te betrekken. Hij stelde het te betreuren dat deze er niet was, omdat die het er mee eens zou zijn dat het contingent onwettelijk is, want als het niet gestemd raakt voor 1 januari is het ongrondwettelijk. Niettemin rekten de socialisten de boel niet[534].
Het budget voor 1912 kreeg een uitgebreidere bespreking (Kamer 30 april en één en twee mei 1912, Senaat: zeven mei). Demblon klaagde er over dat de socialisten de voorzet gaven voor lagere militaire lasten, maar dat de regering er niets mee deed.
Wauters klaagde over de straffen in het leger en het gebrek aan goed gedrag. Delporte klaagde erover dat arbeiders ook een beroep moesten leren en toch geen gunstmaatregelen krijgen voor hun studies. Denis klaagde over een uitgeputte kaart, waardoor ‘arbeiders’ een duurdere kaart zouden moeten kopen.
Op één mei vroeg Delporte betere verloning voor civiele arbeiders in het leger, verandering van de militaire reglementen en had hij het over gevallen van zelfmoord. Ten slotte had hij het opnieuw over het gegeven dat universitaire studies gelijk moeten behandeld worden als het leren van een beroep. Ozeray had het over de soldij. Delporte had het over het regionaliseren van de garnizoenen zodat het contact met de ouders gemakkelijker zou worden. [535]
In de Senaat klaagde Dufrane erover dat de parlementaire controle bemoeilijkt werd.
Bij de bespreking van het contingent voor 1913 hielden de socialisten zich andermaal koest (Kamer: 24 en Senaat: 29 december 1912)[536]
De militiewet van 1913 in de Kamer
Dankzij de licentiaatsverhandeling vanTheatre kan ik hier ook de socialistische houding in de centrale sectie van de Kamer behandelen, want zelf heb ik me beperkt tot de plenaire debatten. Hierbij moet echter aangevuld worden dat Theatre zich daarbij enkel op Le Peuple baseerde.
Die centrale sectie is een commissie die samengesteld is uit zeven afgevaardigden en die tot taak heeft de wetsontwerpen en wetsvoorstellen te onderzoeken en er rapport over uit te brengen aan de kamer. Georges Hubin (vroeger onderofficier bij de Grenadiers) was er de socialistische vertegenwoordiger.
Op 31 december bestudeerde men er het wetsontwerp. Hubin verdedigde er de diensttijd van negen maanden, met twee heroproepingen per jaar; Hij verzette zich tegen de vele uitzonderingen. [537]
Het plenaire debat over de nieuwe militiewet werd geopend met een geheime Kamerzitting op 13 februari 1913 waarin de regering de moeilijke internationale situatie uiteen zette.
Onmiddellijk na het geheime luik van de zitting vond een incident plaats met Royer. Hij stelde, net zoals Vandervelde, te vinden dat het publiek ingelicht diende te worden over het incident dat in de geheime zitting plaatsvond. Hij klaagde erover dat men slechts laat ingelicht werd. Hij herhaalde gezegd te hebben dat hij vond dat hij als Kamerlid zelf de appreciatie moest kunnen maken, in overeenstemming met zijn geweten, of die discretie gewettigd was. Hij haalde aan dat Demblon daarna dezelfde afwegingen maakte. Hij verdacht de minister er van dergelijke verklaringen te uitten om het debat over de militaire wet te beïnvloeden en stelde dat het net de geheime diplomatie is [de manier waarop men die gegevens bekomen had] die het grootste gevaar voor oorlog opleverde. Hij beklaagde zich erover dat de regering niets wou zeggen, omdat de socialisten geen sluitende garantie wilde geven. [538]
Na een tijdje minderde de socialistische en liberale tegenstand tegen de geheime zitting. Die werd uiteindelijk gehouden op 14 februari. Nadien stelde Terwagne:
‘Vous imaginez que nous allons taire cela!
Voilà le ministre, de la politacaillerie!’[539]
Daarna volgden van vele socialistische sprekers korte zinsspelingen op het katholiek kiezersbedrog. Die hadden immers een kiescampagne waarin ze stelden dat socialisten en liberalen de militaire lasten zouden verhogen. [540]
Op 19 februari waren de socialisten aanvankelijk vooral actief in het verstoren van de zitting. Verschillende Waalse socialisten hielden korte tussenkomsten ten voordele van de regionale rekrutering.
Het eerste lange discours kwam van Furnémont. Hij stelde dat de gevolgen van de nieuwe wet, die men nu begon te bespreken, zich al lieten voelen. Hij stelde dat de regering en rechts dachten dat ze deel uit maakten van een natie die een grote rol moest spelen in de internationale politiek en dat ze al vreesden dat het minste van wat ze zeggen verkeerd zou kunnen geïnterpreteerd worden door de grote landen rondom België. Hij haalde een aantal voorbeelden aan.
Hij stelde dat hoewel de regeringsleider er op aandrong deze wet snel te stemmen, maar een grote wet zoals deze uitgebreid bediscussieerd diende te worden. Hij stelde dat België het militaristische pad begon te bewandelen. België zou een grote macht worden en het leger zou voorbereid zijn op een oorlog; De oorlog!
Hij stelde dat de socialisten in niets verantwoordelijk waren voor de moeilijke situaties die men zou moeten doormaken. Hij stelde dat de arbeidersklasse geen oorlog wou, vooral omdat zij er telkens het eerste slachtoffer van is. Ze wou het ook niet omdat de oorlog het meest funeste en onrechtvaardige logische gevolg is van het kapitalistisch regime. Hij stelde dat het internationaal socialisme dan ook de enige en de zekerste garantie was voor de vrede. Hij wees er op dat de socialisten de enigen waren die tegen de oorlogssymptomen streden.
Hij stelde wel niet de pretentie te hebben te zeggen dat het socialisme sterk genoeg georganiseerd is om het enige obstakel te zijn tegen alle oorlogen. Hij stelde dat men nu minder bevreesd was voor een oorlog dan een jaar geleden en dat het internationaal socialisme daar aan de basis van lag.
Hier ging Hymans (liberaal) op in om te stellen dat er nu niet minder gevaar was dan een jaar voordien. De socialisten betwistten dat en zagen een militaristisch complot.
Elke regering, zelfs de meest militaristische, uitte zich volgens Furnémont pro-vrede, maar hij beschouwde dat als een berekende hypocrisie. De beste mogelijkheid om de vrede te bewerkstelligen, was niet zoals de spreuk, ‘de oorlog voor te bereiden’, maar veeleer te ontwapenen, de wapens beperken tot een puur defensieve rol. Hij wees er op dat de militaire lasten vooral door het parlement gedragen zouden worden.
Hij stelde dat de arbeiders beseften dat economische conflicten aan de basis liggen van de internationale conflicten. Vervolgens verdedigde hij het programma van de ‘internationale socialistische partij’ [de internationale]: de vrede bewerkstelligen door het opheffen van het militarisme. Hij citeerde daarbij lange stukken tekst.
De volgende dag kon Furnémont zijn discours verderzetten. Nu haalde hij verschillende vredesmanifestaties aan. Daarna ging hij in op enkele internationale conflicten en de rol van niet-socialistische partijen. Over het ‘militarisme’ stelde hij:
‘Le militarisme est la corruption du sentiment militarie; il est la corruption du sentiment patriotique, qui est noble, grand et généreux quand il est dirigé vrs des fins louables, vers des fins progressives, vers des fins utiles non seulement au pays que l’on habite, mais à l’humanité toute entière. (vive approbation à l’extrème gauche).
Ce militarisme est l’allié de l’Eglise, ou plutôt est le résultat de l’esprit clérical, car c’est en cléricalisant l’armée qu’on est parvenu à créer, en France cet état d’esprit abominable qui a constitué l’affaire Dreyfus, au sujet de laquelle on a vu se lever, dans l’univers tout entier et pour la défense du Droit opprimé, les âmes les plus droites, les esprits les plus larges et les coeurs les plus généreux. (Nouvelle approbation.)
Et nous allons vers ce militarisme-là, vers ce militarisme compliqué de cléricalisme. Car, si l’on veut faire en Belgique une vaste caserne on veut en faire en même temps un vaste convent.’[541]
Hij stelde verder dat de socialisten het meest vaderlandslievend waren. Daarvoor citeerde hij Bebel en Jaurès. Hij wees er op dat dit de derde militaire wet was in 10 jaar en telkens zei men dat deze wet definintief zou zijn; ook nu weer.
Furnémont stelde dat men de wet niet enkel door de meerderheid wou doen stemmen, maar ook door een groot deel van de oppositie. Hij stelde dat deze nieuwe wet de algemene dienstplicht instelde, maar daar zou volgens hem geen nieuwe wet voor nodig zijn. Jaarlijks de effectieven verhogen zou volstaan. Hij herhaalde bovendien waarom de socialisten in 1909 de nieuwe wet gestemd hadden. Hij zei te vrezen voor algemene dienst met lange dienstduur. Hij wees op de houding van de liberalen in 1909 toen ze de dienstduur wilden verminderen en het effectief niet te hoog laten worden, en zei dat er geen reden was om dat ditmaal anders te doen. Hij zag een heuse militaristische partij:
‘Comme dans les autres pays le parti militariste existe en Belgique. On lui avait, jusqu’aujourd’hui, très énergiquement résisté. Il avait trois ennemis: les socialistes, les radicaux et le parti catholique. En ce jour les catholiques s’inclinent et se rendent à merci. Les libéraux conservateurs ont toujours été, par tempérament et par tendances, plutôt favorables au parti militariste. Delbarassé d’un de ses principaux adversaires, ce dernier se dresse et devient encore plus exigeant.
Leur presse critique déjà le projet actuel comme étant insufficant, et comme on ose pas se prévaloir des opinions d’écrivains militaires d’officiers belges, un journal qui dans toute cette campagne s’est montré un acharné défenseur du projet de M. De Broqueville, ‘l’Etoille Belge’ est allé chercher du renfort à l’étranger. Il est allé consulter les sommitel militaires en Allemagne et en France et , sous le couvert de ces interviews retentissants, ce journal nous indique le programme de demain.’[542]
De vriendelijkheid van weleer tegenover de liberalen leek ook meer algemeen verdwenen. Hij verwees naar uitlatingen die nog nieuwe militaire uitgaven deden vermoeden. In verband met de dienstduur verwierp hij de vergelijking met Frankrijk waar die verlengd werd, omdat dit voor Frankrijk de enige manier was om te blijven concurreren met Duitsland. Hij uitte zich als patriot:
‘Vous le sentez, messieurs! Je parle à cette heure non point en homme profondement attaché à son parti, non point en militant qui a conservé quelque ardeur, mais en homme aimant sincèrement son pays, sincèrement dévoué à sa patrie. Que va-t il arriver? La folie militariste d’aujourd’hui atteint les limites qu’on aurait jamais osé soupçonner. L’Allemagne sera-ce sa réponse à votre projet.’[543]
Furnémont verwierp hun stelling dat hun nieuwe houding door een nieuwe situatie [oorlogsdreiging] ingegeven werd. Hij stelde dat de nieuwe situatie net onstond door de nieuwe wet. Hij wees op de enorme militaire uitgaven in Europa. Hij wees op het mechanisme van de bewapeningswedloop tussen Frankrijk en Duitsland en stelde dat België daar toch niet in kon volgen.
Furnémont wees er verder op dat de kosten voor militaire werken in België stelselmatig onderschat werden en verwees daarvoor naar de Maasforten en de Antwerpse fortengordel. Hij wees er op dat de cijfergegevens onvoldoende waren. Hij schatte dat het leger jaarlijks 50 miljoen franken zou kosten en vroeg waar men dat geld zou halen.
Ook wees hij op de recente geschiedenis van de militiewetgeving en stelde dat de klerikalen steeds vanuit electorale motieven gehandeld hadden. Dat bracht hem tot het viseren van Woeste die na 1909 zijn wraak op Schollaert gekoeld zou hebben.
De broqueville zou diplomatischer geweest zijn dan Schollaert en Woeste aan boord gehesen hebben. Anders zou men zich opnieuw naar links gericht moeten hebben.
Daarna ging hij in op het kiezersbedrog. Voor de verkiezingen wilden de katholieken immers van geen militaire lasten weten en verweten ze de liberalen en socialisten die lasten te zullen verhogen:
‘Il [De Broqueville] ignorait le camp de concentration d’Elsenborn; il ne savait pas qu’il existait, tout le long de la frontière d’Allemagne, de vastes quais de débarquement; d’autre part, il n’avait pas le moindre idée des travaux effectués à Lille et à Maubeuge; il n’avait pas entendu parler du voyage de M. Millerand venant présider lui-même à toute une série d’opérations préparatoires à la guerre.
L’augmentation graduelle, méthodique et fantastique des budgets de la guerre dans tous les pays lui avaient échappé.’[544]
Zo ging hij nog een tijdje door, maar ik zal de moedigen die dit eindwerk lezen niet tergen door dit volledig te citeren. Wat verder herneem ik Furnémonts discours opnieuw waar het wat beeldrijker was:
‘Voici, messieurs, la reproduction d’une affiche apposée sur tous les murs du pays avant les élections du 2 juin. (L’orateur montre cette réproduction)
La première ligne présente six jeunes gens portant l’uniform de divers régiments, avec la légende: «Si les cartellistes [liberalen en socialisten] arrivaient au pouvoir, ils instaureraient le service général, ce que veut dire que tous les jeunes gens iraient au caserne: vous avez six garçons, ils marchent tous les six
En dessous, les mêmes jeunes gens, dont un seul a l’uniforme militaire, avec la légende: «Les catholiques, qui assurent la défense nationale avec le moins de charges possible, ont instauré ce régime sagement démocratique: un soldat par famille. Tout les autres peuvent continuer d’exercer leur métier»
Où en sommes nous? M. le président du conseil annonçait hier avec joie qu’il verrait partir ses trois fils pour l’armée. C’est la réponse la plus éclatante à ses attaques. Il est vrai qu’avec le miliciennat d’un an messieurs les fils de famille seront officiers de réserve au bout d’un an, tandis que les ouvriers et les paysans seront encasernés plus longtemps pour rester simples soldats.
L’affiche se continue en dyptique:
«Pour la famille. L’indemnité actuellement payée aux parents nécessiteux, durant le temps une le fils est à la caserne, serait supprimée si les cartellistes arrivaient au pouvoir. Plus d’indemnité de tous les fils soldats, ce serait la misère noir pour les vieux parents.»
Quelle admirable critique avant la lettre de votre attitude actuelle. Réellement, s’il est vrai que la crainte de l’électeur soit le commencement de la sagesse, je crois que vous êtes devenus, et subitement, terriblement fous. (Rires à gauche et à l’extrème gauche.) Vos électeurs ne comptent plus pour vous, et quant aux armes qui doivent vous abattre, elles ont été forgées par vous-même.
Voici l’autre coté du dyptique:
«sous le régime actuel, grâce aux catholiques, on n’est privé que des bras d’un seul, et tant que l’Etat réclame le service du fils, les parents reçoivent 50 centimes par jour.»
Pour compléter la démonstration, l’affiche représente alors du côté gauche un soldat retournant ses poches. En dessous on peut lire: «Si les cartellistes arrivaient au pouvoir, ils supprimeraient la rénumération des miliciens. Etre soldat sans un sous dans la poche, c’est bien malheureux»
On semble même insinuer que la solde serait à son tour supprimée en disant que le soldat n’aurait plus rien dans la poche.
Du côté droit on lit:
«Actuellement, sous le régime catholique, le soldat reçoit 50 centimes par jour, ce qui n’est pas à dédaigner.»
Et l’on voit un petit soldat qui s’en va fringant.
Enfin, pour terminer cette oeuvre de propagande perfide et malsaine, un nouveau dyptique.
Du coté gauche, un coffre-fort envahi par les rats: «Cette énorme quantité de jeunes gaillards à entretenir mettrait la caisse publique à sec»
Du coté droit, un coffre-fort rempli de sacs d’écus: «Avec le système des catholiques au contraire, les économies réalisées augmentent encore la prospérité nationale.» (Rires à l’estrème gauche.)
Et voilà les conséquences financières du projet de loi de M. De Broqueville, indiquées d’avance dans un pamphlet clérical! Voici la politique excellemment baptisée: C’ est la politique des rats dans le coffre-fort. (Nouveaus rires sur les mêmes bancs)’[545]
Furnémont wees er op dat de persoonlijke dienst [die er mede door de socialisten kwam] door niemand nog in vraag gesteld werd, en dat dit wees op de kwaliteit van die hervorming. Hij haalde tevens aan dat de Broqueville zich onthield bij die stemming, en nu … Hij veranderde van mening zoals van hemd, stelde hij. Furnémont haalde nog een aantal uitspraken van ministers aan. Hij stelde dat de visie van de regering, grote permanente legers, gedateerd was en stelde er de gewapende natie tegenover.
Furnémont verweet de katholieken nog de klerikalisering van het leger. Hij stelde bovendien dat hoe meer middelen men voor het leger vraagt, hoe meer kiezers er voor de socialisten stemmen. [546]
De rest van de zitting en op 21[547] en 26 februari[548] waren er enkel korte tussenkomsten over onder andere de eis tot algemeen stemrecht, meer uitleg over het oorlogsbudget, de taalkwestie (waarover lager meer), het gegeven dat de oorlogsdreiging er al langer was, kiezersbedrog, kostprijs, of soldaten volkshuizen mogen bezoeken en dergelijke meer en natuurlijk de gewapende natie. Cavrot wees er op dat rechts antimilitarisme in enkele jaren tijd rechts militarisme geworden was. [549]
Op dezelfde 26 februari bracht Mansart een uitgebreid discours. Hij benadrukt dat hoewel de socialisten net zoals de minister de algemene dienst wilden, hun programma totaal verschillend was: de socialisten wilden de algemene dienst met korte dienstduur. Hij wees op het kiezersbedrog inzake de militaire kwestie. Hij citeerde heel wat katholieken om dit met hun huidige houding te confronteren. Hij betwistte de besparingen die er zouden zijn en stelde dat de rekening van de hogere effectieven zou volgen. Hij vroeg waar men dat geld zou vinden. Hij confronteerde dit alles bovendien met de vredesinspanningen van de ‘internationale socialistische partij’
Daarna ging hij in op de militaire commissie en verweet die enkel de hoge pieten gehoord te hebben, zoals men vroeger inzake de werkomstandigheden van de arbeiders enkel de industriëlen hoorde.
Hij haalde aan zelf in het leger te zijn geweest en dat zijn zoon net zijn legerdienst had volbracht en stelde dat het-steeds-weer-dezelfde-oefeningen-moeten-doen de discipline aantastte en niet een te korte diensttijd. Hij vroeg wat het paraderen, het salueren, … te doen had met voorbereiding op de oorlog. Hij noemde de verveling vreselijk. Twee maanden opleiding zou voldoende zijn. Hij haalde aan dat men slechts weinig op manoeuvres ging en zo niet echt geschoold kon zijn. Hij haalde uitgebreid aan dat de soldaten onvoldoende leerden schieten. De brochure van kapitein Calonne werd uitgebreid aangehaald. Nadien volgden opnieuw een aantal kort tussenkomsten waarbij vooral de Waals-Vlaamse tegenstelling sterk naar boven kwam. [550]
Op 27 februari volgde opnieuw een lange tussenkomst met opnieuw veel te veel en veel te lange citaten, ditmaal door Donnay[551]. Hij stelde dat de klerikalen enkel militaire wetten maakte in het eigen voordeel. Hij had het over de grote kosten, het kiezersbedrog. Opnieuw werden er daartoe tal van citaten gepresenteerd. Hij ging in op wat hij als bevoordeling van Vlaanderen zag. Hij verweet hen de beperking van de verloning. Hij verweet rechts tevens een gebrek aan vertrouwen in de legerchefs.
Na enkele incidenten mocht Elbers verder spreken. Hij stelde dat oorlog voor hem moord bleef. Hij stelde de vraag of België zich in die mate moest bewapenen zoals de mogendheden. Hij stelde dat dat hun zaak was en dat België niets te vrezen had. Hij vroeg zich af of oorlog nog mogelijk was in het beschaafde Europa. Hij stelde dat men te vaak het arbeidersleger vergat dat zou strijden voor de mensheid, maar niet voor het kapitalisme of het militarisme.
Hij ging tevens in op het patriottisme. Hij stelde dat wie de wet niet stemt even patriottisch is als wie ze niet stemt, want de katholieken zijn klaar om weldra hetgeen te verloochenen waar ze nu voorstander van zijn.
Hij verdedigde dezelfde stellingen als de andere socialistische sprekers met nog meer citaten, waardoor de eigenlijke boodschap steeds verder ondergesneeuwd raakte: het filibusteren ging te koste van de inhoud
Ondertussen dienden Destrée en Royer samen met de liberalen Brunet en Neujean een militaire wet in die het leger onderverdeelde in Waalse en Vlaamse regimenten. . [552]
Op vijf maart hield Antoine Delporte zijn discours. Hij legde de band met het algemeen stemrecht:
‘ ... puisqu’il s’agit de l’accomplissement d’un devoir patriotique, nous entendons demander au gouvernement si, de son coté, il remplit son devoir vis-à-vis de nous, s’il fait ce qu’il doit pour satisfaire aux légitimes revendications du peuple. Entendez-vous lui faire justice?