Vrijen en trouwen te Deinze (1699-1893). Een historisch-demografische studie van het premaritaal gedrag in een kleine stad. (Eva De Wulf)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Hoofdstuk III: Beroepsstructuur

 

3.1 Inleiding

 

Het onderzoeksterrein van de sociale stratificatie is een discussieforum voor historici.  Ondanks deze moeilijke problematiek zijn de historici het wel eens over het nut van sociale stratificatie.  We haalden daarom volgend citaat uit het artikel van T. Lucassen en T.H. Van Thijn, betreffende de problematiek van de sociale stratificatie.  De studie van alle soorten sociale bewegingen met hun implicaties op ideologisch en politiek vlak dient te berusten op inzicht in de sociale stratificatie en in de verschuivingen die daarin in de tijd optreden.  Dit is een studieterrein vol voetangels en klemmen, zowel theoretisch als wat betreft de praktische moeilijkheden.  In de eerste plaats dient men te beschikken over criteria volgens welke men een bevolking in sociale geledingen opsplitst.  In de tweede plaats moet men beschikken over bronnen die zodanig kunnen bewerkt worden dat de theoretisch gepostuleerde sociale lagen praktisch ook gedetermineerd en gekwantificeerd kunnen worden.[57]

 

Het eerste euvel, met name het zoeken naar criteria, hebben we verholpen door de bevolking van Deinze, in samenspraak met professor Erik Vanhaute, op te delen in drie grote groepen.  De eerste groep omvat de zelfstandige arbeid, waaronder de zelfstandige landbouwers, ambachtslieden, handelaars en transportlui en tenslotte de vrije beroepen.  De tweede grote groep verzamelt de personen, die voor hun inkomen afhankelijk zijn van loonarbeid.  Deze groep werd dan nog eens opgesplitst in dienstpersoneel, dagloners en aanverwanten, gasten, werkmannen en fabrieksarbeiders, textielarbeiders en tenslotte de bedienden.  De laatste groep omhelst de niet-productieven zoals de renteniers, de personen zonder erkend beroep en de personen waarvan geen beroepsvermelding is teruggevonden.

 

Voor de studie van de sociale stratificatie van Deinze hebben we de akten van de Burgerlijke Stand gebruikt.  Deze registers zijn als meter van het algemeen maatschappelijke leven in de 19de en 20ste eeuw van onschatbare waarde.  De akten van de Burgerlijke Stand bieden veel meer informatie dan bijvoorbeeld de parochieregisters.  Zo worden de interne filiaties veel nauwkeuriger beschreven, terwijl ook de indicaties met betrekking tot de beroepsstructuur beter aangevuld zijn.  In de parochieregisters bleven deze aantekeningen tot het uiterste minimum beperkt en van socio-professionele vermeldingen was zelden sprake.[58]

 

Ondanks de onschatbare waarde van deze akten moeten we ons toch bewust zijn van enkele onnauwkeurigheden.  In de Franse Tijd werd slechts één beroep per persoon genoteerd, terwijl er verschillende beroepsactiviteiten achter die ene term schuilden.  Tijdens de eerste decennia van de negentiende eeuw komen heel wat lacunes naar voren.  Vooral de beroepsactiviteiten van de vrouwelijke bevolking werden niet altijd even nauwkeurig omschreven.  Er zijn maar liefst 41 akten teruggevonden van de 153 zonder een beroepsvermelding voor de vrouwen.  Ook in de beginjaren van België (1831-1832) komen 18 huwelijksakten voor zonder enige beroepsvermelding voor de echtgenotes.  De situatie verbeterde geleidelijk aan na 1844.  In de tweede helft van de negentiende eeuw kwamen slechts negen akten voor zonder beroepsvermeldingen voor de vrouwelijke bevolking, terwijl de huwelijksakten met de vermelding van vrouwen zonder beroep verdubbelden.

 

Een tweede onnauwkeurigheid waar we rekening mee moeten houden, is het tijdstip van de huwelijken.  De personen met een dubbelberoep gaven vaak het beroep op van het ogenblik.  In de winter, het dode seizoen voor de landbouw, kwamen meer textielarbeiders voor.  Terwijl in de zomermaanden de textielarbeiders onderschat werden door de vele vermeldingen van landbouwers.

 

Een derde belangrijke onnauwkeurigheid waarvan we ons moeten bewust zijn bij de studie van de akten van de Burgerlijke Stand, was de onderschatting van de kinderarbeid.  Kinderen hielpen vaak mee op de boerderij of in de huishoudindustrie.  De hulp van de andere leden van het huishouden was zo evident en alomtegenwoordig dat ook hun activiteit uitgedrukt werd in de beroepsbenaming van het gezinshoofd.

 

Een vierde probleem bij het interpreteren van de akten was het achterhalen van het juiste beroep.  De beroepsopgaven in de huwelijksakten hebben op zichzelf geen sociale betekenis.  Alleen controle en nadere precisering met informatie uit andere bronnen kan zekerheid geven[59].  Door de onnauwkeurige en vage beroepsvermelding door de ambtenaar van de Burgerlijke Stand is het niet eenvoudig om het juiste beroep te achterhalen.  De opeenvolging van verschillende ambtenaren werkt deze ambiguïteit verder in de hand.  Bijvoorbeeld de grote groep van de dagloners.  Men kan niet met zekerheid bepalen of ze al dan niet werden ingezet in de landbouw of in de ambachtelijke sector.  Deze groep was weinig gespecialiseerd zodoende dat ze in beide sectoren actief konden geweest zijn.  In Deinze waren er ook enorm veel spinsters; dit was een beroep dat zowel thuis als op partiële basis uitgeoefend kon worden.  Een ander beroep dat voor verwarring kan zorgen was het dienstpersoneel.  Het dienstpersoneel kon actief zijn op de boerderij ofwel in de ambachtssector of bij de personen met een vrij beroep.  In de laatste twee gevallen spreken we van huispersoneel.  Dit onderscheid werd ook niet duidelijk geëxpliciteerd in de akten van de Burgerlijke Stand.

 

Nadat we deze problemen hebben geëxpliceerd, houden we er rekening mee in onze besluitvorming.

 

 

3.2 Algemeen overzicht van Oost-Vlaanderen

 

Oost-Vlaanderen was één van de dichtstbevolkte regio’s van Vlaanderen in de 19de eeuw. Omstreeks 1806 waren er 158,1 inwoners per km² en in 1830 was dit aantal gegroeid tot 209,2 inwoners per km².  Het kleine boerenbedrijf kwam relatief frequent voor in Oost-Vlaanderen.  In 1846 liep het aantal keuterbedrijven op tot 78% van de totale uitbating in de provincie.  De meerderheid van de boeren weefden terwijl bijna alle wevers omgekeerd een stuk land bebouwden.  Zo kunnen we besluiten dat 70 tot 75% van de actieve bevolking in Oost-Vlaanderen in het levensonderhoud voorzag door diverse inkomens uit de landbouw en de huisnijverheid te combineren.

 

De enigste industrie die voorkwam tijdens het Ancien Régime was de proto-industrie: spinnen en weven werd een deeltijdse betrekking naast werkzaamheden in de landbouw.  Het voordeel van deze industrie waren de lage opstartkosten en de geringe specialisatie waardoor alle leden van het gezin deze activiteiten konden uitoefenen.  De landbouwers hadden zowel de productie als de verkoop in handen.  Er werd geproduceerd voor de extra-locale markt of afzet.  Soms werd er echter gewerkt met tussenhandelaars of kutsers.  Volgens Vandenbroeke zorgde deze proto-industrie tijdens de middenfase voor een relatieve welstand voor de Vlaamse landbouwers.  Enkel de begin-en eindperiode van de proto-industrie werd gekenmerkt door de verarming van de landelijke bevolking[60].  In het 18de eeuwse Vlaanderen waren de gebieden rond Gent, Oudenaarde, Aalst, Roeselare en Tielt het centrum van de huisnijverheid.  Deinze ligt dus in het epicentrum en de huisnijverheid was er zeer belangrijk. 

 

De provincie Oost-Vlaanderen was daarnaast ook één van de meest geïndustrialiseerde regio’s ter wereld op het einde van de 18de en begin van de 19de eeuw.  Omstreeks het jaar 1800 was zowat de helft van de bevolking, op zijn minst tijdelijk, bij de vlasindustrie betrokken[61].

Tijdens de Hollandse periode leefde 4/5 van Deinzenaars van de huisnijverheid.  In de Leiestreek was 10 % van de landbouwgrond in de Leiestreek met vlas bezaaid en leefden er in het kanton Deinze 6450 spinsters en 1400 wevers[62].

Wanneer we de ambachtelijke uitrusting van de plattelandsdorpen vergelijken met andere regio’s, dan was het verzorgingspatroon in Oost-Vlaanderen beter ontwikkeld dan bijvoorbeeld in het Pajottenland en de streek van Tielt.  In de kleine steden stelden de ambachten 1/5 van de totale actieve bevolking te werk.  In de regionale stedelijke verzorgingscentra bedroeg het aandeel van actieven in de handel en transport gemiddeld 12,1%.  Deinze had een nog sterkere uitgebouwde handels-en transportsector en zat boven het gemiddelde namelijk, 17,6 % in de 18de eeuw.  Streken met een meer marktgerichte functie hadden meer dagloners in dienst dan dienstpersoneel[63].

 

De streken in het zuidwesten van het arrondissement Gent, waaronder Deinze, kenden een geringer aandeel van de losse arbeid en een iets sterkere verspreiding van de huisnijverheid.  Er kwamen ook relatief weinig landbouwers voor, maar heel veel dagloners.

 

 

3.3 Sectoriële analyse van de beroepen

 

Zoals we reeds eerder hebben vermeld, deelden we de bevolking van Deinze op in drie grote categorieën volgens het principe zelfstandige arbeid versus loonarbeid versus niet-productieven.  Deze drie grote groepen hebben we nog eens opgesplitst in verschillende subgroepen.  We maakten daarnaast ook een onderscheid tussen de beide seksen aangezien de beroepsstructuur voor mannen en vrouwen opvallende verschillen kende.

 

De eerste vier subcategorieën waren terug te vinden onder de noemer zelfstandige arbeid; deze zijn voor mannen en vrouwen dezelfde.

 

De volgende vier subgroepen kunnen we plaatsen onder de categorie van de loonafhankelijken.  We lichten eerst de indeling van de mannen toe en pas daarna de vrouwelijke beroepsstratificatie.

Zoals als reeds is vermeld hebben we andere criteria gebruikt voor de indeling van de vrouwen.  In de derde subgroep van de categorie loonafhankelijken hebben de vrouwen slechts twee onderverdelingen.  De reden hiervoor is dat vrouwen geen rol speelden in administratie gedurende de 19de eeuw alsook was er geen enkele vermelding van vrouwelijke gasten van zelfstandige ambachtslieden.  De groep van niet-productieven was zeer groot en daarom maakten we twee subcategorieën  We maakten een onderscheid tussen enerzijds de renteniers en de vrouwen zonder beroep en anderzijds de vrouwen zonder beroepsvermelding. 

 

 

3.4 Deinze, de eigenlijke percentages

 

3.4.1  De beroepsstratificatie mannen in Deinze, 1807-1892

 

Tabel III 1: Absolute cijfers van de sectoriële verdeling van de mannenberoepen, 1807-1892

Jaar

I 1

I 2

I 3

I 4

II 1

II 2

II 3.1

II 3.2

II 3.3

II 3.4

III

Totaal HW

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1807

3

4

1

0

2

3

0

0

1

0

4

18

1808

3

6

0

1

1

2

0

0

2

2

1

18

1819

3

4

1

0

1

4

0

0

1

1

0

15

1820

3

9

0

0

0

6

0

0

0

1

1

20

1831

2

11

2

1

3

1

0

3

2

2

3

30

1832

1

4

2

0

0

0

0

3

1

3

1

15

1843

1

6

6

1

3

2

0

0

1

0

2

22

1844

2

3

1

1

4

3

0

0

0

0

1

15

1855

3

2

2

2

0

6

3

0

3

1

3

25

1856

1

7

0

1

3

5

1

2

2

0

0

22

1867

2

6

1

0

1

2

3

4

2

1

1

23

1868

2

3

2

0

0

4

2

2

1

1

0

17

1879

4

4

3

1

0

4

3

3

0

2

1

25

1880

1

6

2

0

2

3

3

9

1

1

0

28

1891

4

6

3