De Leeuw in de achteruitkijkspiegel. Het weekblad De Volksunie-Wij van 1955-1978 over het verleden en de historiografie van de Vlaams-nationale partijpolitiek. (Bart Seldeslachts)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Hoofdstuk III

Het ontstaan van het Vlaams-nationalisme en de Frontpartij.

 

Na de Eerste Wereldoorlog werd de Frontpartij geboren. Deze Vlaams-nationalistische partij behaalde verscheidene zertels in het nationale parlement. We gaan in dit hoofdstuk onderzoeken hoe De Volksunie-Wij stond tegenover deze Frontpartij. De periode van het VNV wordt in het volgende hoofdstuk besproken en we laten dit dan hier ook volledig buiten beschouwing. De IJzerbedevaart was een moment van herdenking van de Eerste Wereldoorlog én van de frontbeweging. We onderzoeken welk beeld De Volksunie-Wij hier van weergeeft met betrekking tot frontbeweging en Frontpartij. De Frontpartij onstond uit het activisme en de frontbeweging. We onderzoeken dus eerst deze twee 'voorlopers'.

 

 

1. Het activisme en de frontbeweging.

 

In de jaren 1950 verdedigde De Volksunie de activisten door uit het werk van Basse[334] te citeren: "De activisten hebben het activisme niet geschapen. Zulke schepping ligt niet in de macht van een kleine groep mensen. Zij gebeurt door de geheimzinnige wisselwerking der omstandigheden die de gelovige aan de voorzienigheid toeschrijft en de wetenschap evolutie noemt. Daarvan zijn alle geestesrichtingen factoren. Rijpt één dier richtingen tot voldoende macht om recht op één der hoofdrollen te hebben en wordt ze door de dragers van de heersende mening onderschat, dan wordt uit weerstand aan de ene en uit ongeduld aan de andere kant, het extremisme geboren. De Vlaamse Beweging had, kort voor de oorlog, die kritische toestand bereikt. De regering en de leidende standen bleven er blind voor. Hadden ze klaar gezien en met rechtmatige eisen wijselijk rekening gehouden, dan de nog onbeduidende radicale kiem in de oorlog niet kunnen ontwikkelen tot het activisme. In de evolutie van de Vlaamse Beweging verschijnt dus het activisme als een pijnlijk kenteken van rijpheid."[335]

Vooral in de jaren 1960 werd het activisme besproken in De Volksunie-Wij. In de loop van 1967 haalde Wij vier redenen aan voor het ontstaan van het activisme. Reeds in het begin van de oorlog voerde de Franstalige pers een hetze tegen de Vlamingen. Het verdwijnen van de Nederlandse taal werd hierin vooropgesteld. "De Franstalige journalisten, mijlenver veilig achter het front, richtten hun hatelijkste aanvallen, hun gemeenste leugens en vuilste laster tegen de Vlamingen, die nota bene het grootste contingent van het Belgische leger hadden geleverd."[336] Deze hetze werd volgens Wij officieel gesteund, want "zonder de toelating van de Belgische censuur zou dit niet mogelijk geweest zijn. België had met Vlaanderen niets meer of minder voor dan de morele uitroeiing van heel het volk".[337] Om deze bewering kracht bij te zetten maakte Wij een vergelijking met 1967: "Wie twijfelt aan het feit, of België dit gekund en gewild zou hebben hoeft slechts te zien naar Brussel: hoe daar met Belgisch goedvinden nu nog dag aan dag ons volk niet fysisch maar wel naar de geest vermoord wordt".[338] De tweede reden zag Wij in het antwoord van de koning op het 'Bussumer'-telegram. Dit was in 1915 door een aantal vooraanstaande Vlaamsgezinden aan de koning gezonden om hem geluk te wensen in de strijd. Het drukte het vertrouwen uit in zijn beleid, om het zelfstandige Vlaanderen in het onafhankelijke België te vrijwaren. Het antwoord van de koning vatte Wij samen als "vecht voort en zwijgt".[339] De Vlaamsgezinden namen de koning dit zeer kwalijk. Volgens Wij kwam de directe aanleiding er door de afzetting van een aantal Vlaamse ambtenaren en de "franskiljonse onwil der besturen dreef zelf de gematigde flamingant ertoe bij de bezettende macht aan te leunen."[340] De vierde en laatste factor was volgens Wij de berichtgeving over de behandeling van de Vlaamse soldaten aan het front. Deze berichtgeving kwam waarschijnlijk voornamelijk van de Duitse propaganda. Zo drukte bevoorbeeld De gazet van Brussel in de loop van 1915 zogenaamde soldatenbrieven af, waarin de slechte behandeling van de Vlaamse soldaten in de verf werd gezet.[341]

Elias drukte zich niet zo sterk uit over de Belgische regering tijdens de Eerste Wereldoorlog; hij concludeerde dat de regering de teksten uit de pers niet tegensprak.[342] Wils stelde dat de invloed van het activisme op de bevolking juist vrij klein was.[343] Volgens Wils kon het wel zijn dat deze ontslagen voor een paar radicale flaminganten de directe aanleiding zijn geweest om in het activisme te stappen, maar de gematigde flaminganten bleven België trouw.

 

In de jaren 1960 zag Wij het activisme "geenszins als een 'uitwas' of een aberratie der Vlaamse Beweging, zoals de Belgicisten, daarin nagepraat door sommige beschaamde flaminganten. Het activisme was het oorlogskind van de Vlaamse Beweging en was onder de omstandigheden een onvermijdelijk en noodzakelijk verschijnsel."[344]

Dit was in overeenstemming met de visie van Elias. Hij geloofde dat het activisme "het logische gevolg van het nationalisme was dat steeds in de beweging verscholen lag en juist op de vooravond van de oorlog zijn doorbraak zocht van het culturele naar het politieke".[345] De Volksunie noch Wij maakten gewag van de Flamenpolitik van de bezetter. Deze Flamenpolitik was er op gericht om "de Vlamingen voorzichtig los te weken van hun vaderlandse gevoelens."[346] Van Haegendoren geloofde dat het activisme en de Flamenpolitik onafhankelijk van elkaar zijn ontstaan.[347] Wils stelde dat het initiatief tot activisme overal, uitgenomen bij een kleine groep te Gent, was uitgegaan van de Duitsers. "Het activisme werd door de Duitsers op de Vlaamse Beweging geënt. Dit werd mogelijk gemaakt doordat de flaminganten vol ongeduld en wrevel zaten. De Belgische regering beschikte niet over het minimum aan staatszin die vereist was om de Flamenpolitik te bestrijden."[348]

 

Wij benadrukte de rol van de Jong-Vlamingen[349] die verder gingen samenwerking met de Duitsers. "Het is in dit kader dat het verzoek om een 'Vlaams vrijkorps' op te richten moet gezien worden."[350] Op het einde van de oorlog zag Wij "hun rol niet uitgespeeld bij de nederlaag van Duitsland. Ze wilden hun stem laten horen bij de vredesgesprekken met de Geallieerden. Duitsland stelde hiertegen echter zijn veto."[351]

De invloed van de Flamenpolitik liet zich gelden. De activisten wisten dat hun lot aan de zege van Duitsland was verbonden. In 1918 keurden de Duitser deze oprichting van een rijkswacht, van voorlopig 100 man, goed, samengesteld uit activistisch gezinde ex-krijgsgevangenen.[352] Na de wapenstilstand speelden de activisten geen enkele rol van betekenis meer.

 

Wij zag in de jaren 1960 de activisten als "rechtgeaarde Vlamingen, die onbaatzuchtig, het roer van Vlaanderen's schip in handen genomen hadden, om het in veilige haven te brengen."[353] De kritiek op de 'passieven' was niet mals omdat ze "de partij van de vijanden van Vlaanderen kozen en hierdoor België de wapens in handen gaven voor de latere anti Vlaamse repressie."[354] Deze repressie werd zwaar veroordeeld door Wij: "door de nooit gekende jacht na de Eerste Wereldoorlog van de belgicisten op de activisten werden de schoonste en bekwaamste Vlamingen aan banden gelegd. De belgicisten meenden dat de tijd gekomen was om de Vlaamse opgang te remmen en aldus Vlaanderen te knechten voor altijd. De schijnheilige belgicisten hebben die eerlijke Vlamingen voor verraders willen laten doorgaan, maar die vurige beschuldiging had geen vat op het gezonde Vlaamse volk."[355] "Het was een overwinningskreet van al wat in België aan anti-Vlaamse haat was samengebald."[356] Er werd een parallel getrokken met de repressie na de Tweede Wereldoorlog. "De eerste repressie was minder bloederig maar even schijnheilig als de tweede. Rosa de Guchtenaere werd tot 15 jaar veroordeeld, wat een zware staf was in vergelijking met de lichte straffen die uitgesproken waren tegen smokkelaars die zich in samenwerking met de Duitsers hadden rijk gewoekerd."[357] De Volksunie legde de schuld van de collaboratie van de activisten niet bij hen zelf, maar bij het onrecht dat de Vlamingen werd aangedaan voor de Eerste Wereldoorlog door de Belgische staat. "Indien de Belgische staat zijn plicht had gedaan tegenover het Vlaamse volk tussen de jaren 1830 en 1914, dan hadden we nooit een activisme gekend".[358]

 De strafrechtelijke repressie van het activisme was niet "een nooit gekende jacht op", maar wel uiterst mild.[359] Het was door de sterke richtlijnen van de minister van justitie dat de repressie in omvang sterk beperkt werd. Alleen de activisten die per verstek veroordeeld werden kregen een zware straf, die al snel werd teruggebracht.

 

De betekenis van het activisme zag Wij in de diepe invloed die de verwezenlijkingen van het activisme hebben nagelaten op de naoorlogse politiek. "Het bracht de Vlaamse Beweging op het actieterrein van de politiek en kon zijn vijanden nu met gelijke wapens bestrijden. Het was de eerste Dietse rebellie tegen de verdrukker sinds de Boerenkrijg en sprak door zijn revolutionaire aard de jongeren aan."[360]

Wils ging akkoord met de het feit dat het activisme een grote aantrekkingskracht heeft uitgeoefend op de intellectuele jeugd en Deckers benadrukte de bijdrage van het activisme op de radicalisering van de Vlaamse Beweging.[361] De invloed van het activisme op de Vlaamse Beweging kwam, volgens Wils, niet door de activisten zelf, maar door de weigering van de loyale flaminganten in de diaspora en aan het front om de activisten als verraders te veroordelen. Het gevolg van het activisme was een polarisering van de tegenstellingen voor en tegen de Vlaamse Beweging. Het ergste gevolg was volgens Wils dat er in de Tweede Wereldoorlog weer werd overgegaan tot collaboratie.[362] Volgens Deckers vindt een belangrijk deel van de collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog haar oorsprong in de repressie van het activisme.[363]

 

In de jaren 1960 zag Wij het activisme niet als een breuk en bleef de continuïteit van de Vlaamse Beweging benadruken: "Zoals Depla nooit de continuïteit der gedachten heeft gebroken, werd er ook in de Vlaamse Beweging nooit met de continuïteit gebroken. In de Vlaamse Beweging is geen enkele fase en geen enkele periode weg te cijferen of te verloochenen."[364] "Het verleden moet in ons leven, en hetgeen wij nu zijn, moet de toekomst verzekeren."[365] In haar verhandeling zag Baeyens het activisme als een bruuske onderbreking.[366]

De activisten, zoals de collaborateurs van de Tweede Wereldoorlog, werden in Wij tot helden van de Vlaamse Beweging gekroond, die alleen maar hun Vlaamse idealen naleefden. "Kameraden van de Volksunie, ge zult de activisten van '14-'18 niet vergeten. Die mensen hebben recht op ons aller eerbied."[367] "Mensen zoals Rosa de Guchtenaere en Irma Laplasse werden door dezelfde liefde voor hun volk gedreven en deze doden zijn voor ons levendiger dan ooit. Ze lieten ons de droom die sedert de Zwijger in ieder geslacht zijn belijders heeft gevonden."[368] De veroordeelden van het activisme werden vergeleken met internationale politieke figuren zoals Pandit Nehru, Soekarno en de latere vrijheidsstrijders Che Guevara en Camillo Torrès. Het zijn allemaal vrijheidsstrijders voor hun volk, die pas later erkenning kregen. De Volksunie-Wij benadrukte van 1955 tot 1971 dat het geen schande was om veroordeeld te zijn door België, maar een eer.[369] Na 1971 komen er geen artikels over het activisme meer voor. Ook de frontsoldaten waren voor De Volksunie-Wij helden van de Vlaamse Beweging. In verschillende artikels, vooral in de periode van de IJzerbedevaart, werd er in De Volksunie en Wij op gewezen dat hun offer nooit vergeten mocht worden. In verschillende artikels werd er opgeroepen zich te spiegelen aan 'grote figuren' en 'trouw' te blijven. Het activisme en de frontbeweging werd als bron gezien van de Volksunie: "de opstandige geest van de frontbeweging leeft voort: hij heeft een andere naam aangenomen en laat zich gelden op het thuisfront van de huidige politieke strijd."[370] "Met de visie van de activisten 'een Vlaamse staat' en met de daadkracht van de Volksunie-mannen in 1954 zijn wij bij de bron. Niet de tijd van de verdeeldheden tussen de beide wereldoorlogen…noch elders. Wel de strijdlust van de fronters: omver en erover."[371] In de jaren 1960 werd naar aanleiding van de discussies over Vlaamse frontvorming aan de hand van een historische figuur uit de Vlaamse Beweging opgeroepen tot eenheid in de partij. Dit zelfde recept werd herhaald in de Egmontperiode.

De Volksunie-Wij gebruikte de bekende personen van de Vlaamse Beweging om de doelstellingen van de Volksunie mee te onderschrijven. Deze utilitaristische benadering zorgde er voor dat deze historische personages uit de Vlaamse Beweging werden gerecupeerd. De verdediging van de activisten was er op gericht de rol van martelaar te spelen: de staat België had de helden van Vlaanderen gestraft. Zo erkenden de meeste veroordeelden de ten laste gelegde feiten, niet de strafbaarheid ervan.[372] De strijd van de activisten werd vergeleken met de strijd van de frontsoldaten: beiden vochten ze voor de Vlaamse zaak.

 

De frontbeweging ontstond als een geheime beweging na het verbod van de legerleiding in februari 1917 om nog samen te komen in studiekringen. Om de wantoestanden aan te kaarten werden verschillende open brieven geschreven aan de koning en aan de Geallieerden. De Volksunie besteede veel aandacht aan de oproep van koning Albert bij het uitbreken van de oorlog: "Vlamingen: gedenk de Guldensporenslag; Wallons, souvenez-vous des six cents Franchimontois."[373] Hiermee erkende de koning volgens De Volksunie het bestaan van verschillende bevolkingsgroepen in België. Verschillende mannen voelden zich door deze oproep aangesproken en melden zich als oorlogsvrijwilligers. De soldaten aan het front typeert De Volksunie als "brave gewone mensen die van Vlaamse grieven weinig of geen benul hadden."[374] Om dit te verduidelijken werd er verschillende malen geciteerd uit een brief van Staf De Clercq die hij schreef toen hij zich aanmeldde als oorlogsvrijwilliger: "Leve België".[375] Deze houding sloeg om in de loop van de oorlog en radicaliseerde onder andere onder invloed van Verschaeve, die een 'catechismus van de Vlaamse Beweging' opstelde. Hieruit werden in de eerste jaren De Volksunie verschillende citaten overgenomen, al dan niet in aangepaste vorm.[376] De fronters verspreidden hun ideeën via 'frontblaadjes'. De Volksunie benadrukte dat dit niet gebeurde zonder gevaar: "het doorgeven van de snippers betekende een revolutionaire daad en werd ook als dusdanig gesanctioneerd: strafkamp en tuchtcompagnie of de dood in een verloren peloton in de smerigste sectoren van het front."[377] "Ze gooiden de meest vooruitstrevende verdedigers van de Vlaamse rechten in concentratiekampen van die tijd."[378] Tijdens de oorlog voelden 'onze jongens' zich het "grootste onrecht" aangedaan "door hen te beroven van hun vrijheid, hun liefde, hun leven".[379] "De onderdrukking van Vlaanderen in de persoon van onze frontsoldaten bereikte daar een hoogtepunt. Aan het front werd een nieuwe generatie van Vlaamsgezinden gekweekt, de Vlaams-nationalisten, begrijpelijkerwijze de hardste flaminganten in de geschiedenis van de Vlaamse Beweging. Men kent onvoldoende het fanatisme, de herrenvolkmentaliteit en de rassenhaat bij de leidende kliek van onze franstalige tegenstanders. Wie het Frans fanatisme kent zal niet verwonderd zijn dat er in Algerië ergere moordpartijen plaats grijpen dan dit er ooit onder het 'Nazibeest' het geval was."[380] Volgens Wij overwogen de verschillende frontleiders desnoods een militaire staatsgreep.[381] Het feit dat de frontleiding nog vóór het einde van de oorlog contact met de activisten heeft gezocht, was voor Wij een bewijs dat de fronters en activisten voor dezelfde idealen vochten.[382]

De bedoeling van de frontbeweging was niet de destabilisatie van het Belgisch leger, maar ook in geen geval de versterking van de Duitse posities. Ze streefden naar een Belgische overwinning, waarna er een nieuw België met zelfstandigheid voor Vlaanderen uit de grond zou rijzen. Van de militaire staatsgreep werd afgezien omdat men niet zeker was wat de reactie van de Fransen en de Engelsen zouden zijn. Ook het feit dat een Duitse aanval zou kunnen lukken in de verwarring van de reorganisatie van het Belgisch leger maakte een machtsgreep te riskant.[383] De activiteiten van de frontbeweging waren riskant: de gevangenis van Fresnes werd berucht, samen met de strafkampen aan de Orne en op het eiland Cézembre, waar de Vlaamse gestraften zwaar houthakkerswerk moesten verrichten.[384]

 

 De Volksunie-Wij beklemtoonde de solidariteit tussen de activisten en de terugkerende frontsoldaten. "De terugkerende frontsoldaten trokken, desnoods gewapend, naar de huizen van de activisten om ze te beschermen".[385] Volgens Wij sprak de frontbeweging "ver het activisme in zeer voorzichtige termen omdat ze zich niet konden verdedigen."[386] In april 1919 bevestigde de Vlaamse Frontpartij, zowel passieven als activisten, in haar manifest dat "de handelwijzen, de daden der Vlamingen in bezet grondgebied in weerwil van het misbruik dat de vijand er van maakte… haar volle betekenis behouden.[387]

Dat frontsoldaten de activisten gingen beschermen kan sporadisch wel voorgevallen zijn, maar het zal toch eerder de uitzondering dan de regel geweest zijn. De meeste activisten waren België ontvlucht, en de meeste Vlaamse soldaten verkeerden in een overwinningsroes. De solidariteit tussen activisten en fronters kwam maar geleidelijk tot stand. In Ons Vaderland, dat de spreekbuis van de frontbeweging was, viel men na de wapenstilstand nog herhaaldelijk uit naar de activisten. De activisten hadden de vijand, waartegen men vier jaar in de loopgraven had gevochten, gesteund. De bewering dat "over het activisme in zeer voorzichtige termen werd gesproken omdat ze zich niet konden verdedigen" moet met een korrel zout genomen worden. Ook in het Nederlandse weekblad De Toorts, waar veel uitgeweken activisten aan het woord kwamen, verschenen negatieve geluiden over de frontbeweging. De activisten waren niet eensgezind positief tegenover de frontbeweging en bekeken deze beweging met argwaan. De aanvallen op de frontbeweging in De Toorts zouden pas stoppen na maart 1919.[388] In het parlement stelde de frontfractie zich tot 1921 duidelijk tegen het activisme op. Na 1921 evolueerde het eerder tot een positieve houding.[389] Het is duidelijk dat deze eerder vijandige houding door De Volksunie-Wij verzwegen werd, omdat het niet in het verhaal past dat De Volksunie-Wij wilt vertellen nl. de Frontpartij ontstond uit de samensmelting van de frontbeweging met het activisme.

 

De zelfbestuursidee was al voor de Eerste Wereldoorlog ontstaan maar zou pas doorbreken bij de activisten en de Fronters. De activisten voerden een bestuurlijke scheiding door en riepen de zelfstandigheid van Vlaanderen uit, tegen de wil van de Duitse bezettende overheid in. Aan de IJzer schreven de Frontsoldaten op 11 juli 1917 in hun open brief aan Koning Albert I: 'Wij willen een Vlaams bestuur in Vlaanderen omdat daar voor ons het enige redmiddel ligt. Wij willen geen gunst: onze beweging leeft van recht, maar dat recht moeten we hebben'. Het lied der Vlaamse frontsoldaten 'Wij eisen zelfbestuur en Vlaamse regimenten' en de leuze 'Vlaanderen's dageraad aan de IJzer, onverbloemd: zelfbestuur!' werden herhaaldelijk afgedrukt op vrije ruimte in De Volksunie. Dit zelfbestuur richtte zich tegen de eenheidsstaat België omdat " het Vlaamse Volk verdrukt wordt door de Belgische centralistische staatsinrichting die steunt op het Waalse en Franse imperialisme en het verraad van een minderheid uit het eigen volk."[390]

 

De Volksunie-Wij zag de stichting van de Frontpartij als een logisch gevolg van het activisme en de frontbeweging. "Na de wapenstilstand was de tijd rijp voor de stichting van een nieuwe partij. Tijdens de oorlog waren tienduizenden Vlaamse soldaten als gevolg van Franstalige tegenkanting zich bewust geworden van de Vlaamse zaak, zonder dat de andere partijen dit konden bestrijden of inschakelen in hun zaak. Na de oorlog was dit gevoel zo groot geworden dat het niet meer in gedrang kon worden gebracht door de beschouwingen en propaganda van de andere partijen. Ze waren de dragers geworden van een Vlaams gevoel in de bevolking en verspreiden dit ideaal tegelijk met de activisten. Er waren duizenden sympathisanten op de been gebracht, die een sterke Vlaamse stroming buiten de andere partijen had ontwikkeld."[391] "Het Laatste Nieuws schreef in 1919 dat de Vlaamse soldaten thans aan het woord waren. Het Belgisch regime wordt in zijn ongezonde anti-Vlaamse gedoe dagelijks door tenminste 80 000 advocaten generaal aangeklaagd die geen toga nodig hebben om indruk te maken."[392] Toch vond De Volksunie dat het einde van de oorlog te snel kwam om alle ideeën van de frontbeweging te verspreiden.[393]

De tienduizenden Vlaamse soldaten die bewust waren geworden van de Vlaamse zaak moeten we nuanceren. Zo had de frontbeweging in werkelijkheid nooit meer dan 5000 aanhangers. De leiders van de frontbeweging maakten zichzelf wijs dat ze op een tien keer grotere achterban van mobiliseerbare militanten konden rekenen.[394]

 

 

2. De Frontpartij.

 

Na de oorlog werden de Vlaamse eisen op een veel radicalere manier gesteld dan voor de oorlog. De fronters kozen hun eigen weg omdat ze door hadden dat ze bedrogen waren door de beloften van gelijkheid in rechte en feite, waarmee ze gepaaid waren. De meeste leiders en aanhangers van de frontbeweging waren ontgoocheld in Van Cauwelaert en reageerden bitter. De Volksunie-Wij omschreef het in de jaren 1950 als volgt: "De makke smekende flamingant van vroeger jaren was nu verbitterd door de smaad hem aan het front aangedaan, een keikoppige doordrijvende haatdragende en soms een negativistische extremist geworden. De kruimels die men de vroegere Vlaamsgezinde af en toe toewierp en hem gelukkig maakten, wilde hij niet meer aanraken."[395] De Frontpartij wilde niet meer in "de doolhof van schijntoegevingen verloren lopen, alleen nog alles of niets, niet meer van het essentiële laten afleiden door kleine toegevingen."[396] De Vlaams-nationalisten vertrouwden niet meer de bestaande partijen. "De grondstelling van het Vlaams-nationalisme was het Vlaamse volk uit het zog te trekken van de staatspartijen die steeds de Vlaamse volkswil hadden ontkend en uitgeschakeld. Het was de weg naar de Vlaamse heropstanding".[397]

 

 De Frontpartij kwam al snel tegenover de Vlaamsgezinden in de andere partijen te staan. Samenwerking bleek slechts een ijdele hoop te zijn geweest.[398] Volgens De Volksunie-Wij zou de Frontpartij zich inzetten voor de taalwetten maar keek ze verder dan de 'minimalisten'. "De taalwetten in de Belgische staat hebben alleen maar zin in zoverre ze door een eigen Vlaamse politieke macht kracht worden bijgezet, door zelfbestuur zal die er zijn."[399] Vooral Van Cauwelaert moest het ontgelden. Verscheidene flaminganten hadden hun hoop op hem gesteld, maar hij "faalde erbarmelijk als Vlaming en als mens."[400] Van Cauwelaert werd aanzien als een afvallige; na de oorlog nam hij afscheid van zijn vrienden in het activisme en van de frontbeweging. Ook zijn houding in de Tweede Wereldoorlog vermeldde De Volksunie er in een adem bij. "Hij was samen met Kamiel Huysmans een kampioen hardloper in tijden van gevaar, en een bezwadderaar van de eer van koning Leopold."[401] De drie kraaiende hanen werden in Wij in verband met de vernederlandsing van de Gentse hogeschool voorgesteld als meelopers."[402] Reeds voor de oorlog had hij de bisschoppen gesteund tegen de vernederlandsing van het onderwijs. De Vlaamse hogeschool van Gent kwam er volgens De Volksunie vooral dankzij het offer van Borms en niet van Van Cauwelaert.[403] De Volksunie betreurde dat hij zijn koele berekeningen liet primeren op zijn Vlaamsgezindheid. "Hij was bereid tot vele toegevingen om toch maar iets te halen, zo werd een feitelijke nederlaag in schijn een overwinning."[404] Het feit dat hij minister en kamervoorzitter werd stoorde Wij, omdat zijn Vlaamse motieven bijkomstig werden. "Wie heeft de Vlaamse belangen het best gediend, een Van Cauwelaert of Huysmans als kraaiende hanen voor 1914 of als voorzitter van de kamer en als eerste minister? Hoe hoger een Vlaamsgezinde opklimt, hoe minder dienstig hij wordt voor de Vlaamse zaak, en als hij eens de top nadert, wordt hij zelfs positief schadelijk voor de Vlaamse Beweging."[405] Volgens De Volksunie lag de schuld van het onopgeloste Vlaamse vraagstuk bij Van Cauwelaert omdat "hij de oplossing ervan heeft nagestreefd door ontoereikende maatregelen."[406] Wij ging zelfs zo ver door te stellen dat hij medeverantwoordelijk was voor de collaboratiepolitiek en de repressie, omdat die voortgevloeid zijn uit het onopgeloste Vlaamse vraagstuk. Wij besluit "dat hij toch niet de grote figuur, de grote leider geweest is in de Vlaamse beweging, voor zijn Vlaams volk, die hij had kunnen zijn."[407]

 Dit was zeker geen juist beeld van Van Cauwelaert. Wils stelt dat Van Cauwelaert de Vlaamse Beweging heeft gedomineerd van 1910 tot 1935. Hij heeft de taalstrijd verbonden met de sociale strijd van de christelijke standsorganisaties. Dit liet hem toe die taalstrijd tot een overwinning te voeren. Het was een sterke stimulans voor hem dat zovelen zo sterk op hem vertrouwden. De hoge verwachtingen leefde niet alleen in zijn bekende katholieke kring maar ook er buiten. Wils erkende wel dat Van Cauwelaert een scherpe berekenaar was die zich nooit liet meeslepen door zijn verontwaardiging.[408] Castermans benadrukte dat de parlementaire bijdrage van de Fronters niet hoog was door hun geringe activiteit en door het isolement waarin ze verkeerden. In dit isolement waren ze gekomen door hun onvaderlands programma, de Groot Nederlandse gedachte en hun ondiplomatisch optreden.[409] Hierdoor werd er voor 1925 weinig rekening gehouden met de Frontpartij in het parlement.[410] De andere partijen vonden de fronters maar een klein groepje rumoerige herriezoekers. De verkozen parlementsleden van het front speelden geen enkele rol van betekenis.[411] Volgens Willemsen is de Frontpartij eerder de motor geworden van de Vlaamse Beweging door het falen van de politiek van de minimalisten dan door hun eigen prestaties.[412]

De tegenstelling tussen Vlaams-nationalisme en minimalisme werd gebruikt in de discussies rond de Vlaamse frontvorming en het Egmontpact.[413] "Om tot zijn doel te komen moet het Vlaams-nationalisme het Vlaams belgicisme vernietigen. Franskiljons zijn vijanden buiten ons, terwijl het Vlaams belgicisme een schadelijke microbe is ons volkslichaam."[414] Het was in dit zelfde kader dat JD, waarschijnlijk dus Jos Vinks, "de hersenschim van Vlaamse frontvorming" in 1964 bestreed.[415] Van Overstraeten deelde de tegenstanders van het Egmontpact op in twee groepen. De eerste, vrij kleine, groep behoorde tot de Vlaams-nationalisten, de tweede groep, en ook de grootste, behoorde traditioneel tot het anti-nationalistische kamp. "Uitgesproken minimalisten, volgelingen van Van Cauwelaert, versjacheraars van de democratische Vlaamse meerderheid in 1970. Ze zijn verantwoordelijk voor een eindeloze reeks van Vlaamse nederlagen en kunnen thans niet aanvaarden dat de nationalisten gelijk zouden hebben: het gemeenschapspact dreigt de laatste nagel in hun politieke doodskist te worden."[416]

 

In de jaren 1950 en 1960 wou De Volksunie vooral het beeld van de Frontpartij als invloedrijke partij doen ingang vinden. De Frontpartij bracht volgens De Volksunie wat van een Vlaams Nationale partij kan verwacht worden, namelijk "snelle en belangrijke daadwerkelijke oplossingen voor de Vlaamse vraagstukken."[417] "De Vlaams Nationale partij kwam de eerste jaren van haar bestaan naar buiten als een gebrekkige organisatie met weinig gezaghebbende personen en met geringe financiële middelen. Ze scheen tot onmacht gedoemd tot aan de Bormsverkiezing, wanneer ze in volle kracht zou doorbreken. De staatspartijen werden door paniek gegrepen en toegevingen volgden."[418]

Om deze stellingen kracht bij te zetten citeerde De Volksunie-Wij uit het werk van Basse en Lamberty[419]: "Zoals, naar gezegd wordt, de vrees voor de kiezer het begin der politieke wijsheid is, zo was nu, bij de oude leiders der katholieke partij, de vrees voor het extremisme het begin van een beter begrip der Vlaamse Beweging" en " Tien jaren talentvol en geduldig beroep op de redelijkheid der leidende standen hadden niet kunnen bewerken wat nu in één dag geweld had volbracht; de bedreiging verkreeg van de schrik wat in vreedzame tijden aan de rechtvaardigheid geweigerd was"[420] "Tussen 1929-1939 blijft de kleine rumoerige minderheid bestaan, zij brengt agitatie teweeg en wekt onrust, zij houdt de aandacht gespannen te Brussel, in de regeringskringen en in het parlement houdt zij het verlangen wakker om een politiek van tegemoetkomingen tegenover de Vlaamse eisen te blijven volgen. Dat Is juist belangrijk. Dit legt ruimschoots uit waarom de politiek in 1929 na de Bormsverkiezing, ingeluid met zulke opvallende continuïteit wordt voortgezet door de verschillende achtereenvolgende regeringen."[421]

De andere partijen reageerden, volgens De Volksunie tegen de Frontpartij door te stellen dat ze geen oplossingen wilde zoeken en tegen alle voorstellen negatief stond. De oorzaak van het negativisme lag, volgens De Volksunie bij de verbitterde ervaringen aan het front en de halfslachtige houding van de andere partijen. "Het staatsregime steunde op sterk verworven posities, die op een zeer wettelijke wijze de onwettelijkheid hadden kunnen handhaven. Deze bestond er in ieder rechtsherstel, hoezeer rechtvaardig ook, op de lange baan te schuiven."[422] De Volksunie onderstreepte de positieve gevolgen van deze negatieve politiek: de Frontpartij gebruikte het als een politiek middel om tot zelfstandigheid te komen. "Met Vlaamse redelijkheid en geduld was er nog nooit iets verkregen. Alleen Vlaams machtsvertoon kan tot een oplossing leiden. Dit moet gebeuren door de tegenstrevers de stuipen op het lijf te jagen, met niet alleen woorden zoals de andere partijen doen, maar door hen metterdaad voor de bedreiging te zetten den Belgiek en daarmee ook hun traditionele bevoorrechte positie op te doeken."[423] De Volksunie beschouwde het negativisme als een positieve, tactische zet en stelde dat het de enige weg was die tot doorslaggevende resultaten kon leiden. "De strijd verliep tot aan de Tweede Wereldoorlog in een klimaat van beroering en opstandigheid als gevolg van negativisme, maar hoofdzaak was dat er nu duidelijke taal werd gesproken. Voor de eerste maal werden de zaken bij hun naam genoemd, de mistoestanden in hun waar daglicht gesteld en niet meer verkleind of verbloemd door de partijpolitiek."[424] "Het Vlaams-nationalisme bleef de vinger op de zieke plek leggen. Het wilde het land niet in beroering brengen, maar het kon niet anders of het wakker geschudde Vlaamse gemoed moest gespannen en onverzettelijk blijven zolang alle Vlaamse vraagstukken niet opgelost waren."[425] De Volksunie erkende dat sommige fronters in het heetst van de strijd het hoofddoel van zelfbestuur uit het oog verloren, en aan oppositie gingen doen om "den belgiek kapot te krijgen".[426] "Niet alle standpunten zijn te rechtvaardigen."[427] Anderzijds probeerde De Volksunie dit negativisme goed te praten door de schuld bij de andere partijen te leggen. "De bevolking in Vlaanderen zag nu duidelijk haar achteruitgesteldheid in. Wrok en beroering moesten nu wel losbreken. Wie was hier verantwoordelijk voor, diegene die gelijkberechtiging vroegen of diegene die de mistoestanden in het leven geroepen hadden en ze handhaafden."[428]

Toch volgden niet alle Vlaams-nationalisten een negativistische politiek. Herman Vos[429] wilde nauwe contacten met de minimalisten onderhouden en ze door een tactisch optreden voor bepaalde karretjes spannen.[430] Het voorstel van een federaal statuut is hier een voorbeeld van[431]. Het federale statuut beoogde een omvorming van de Belgische staat tot een bondsstaat van Vlaanderen en Wallonië. Deze deelgebieden zouden soeverein zijn behalve op enkele gebieden zoals Buitenlandse Zaken en Economie. De bedoeling was een dialoog met de minimalisten uit te lokken en het als een stok achter de deur te gebruiken bij een regeringscrisis.[432]

In 1958 zag De Volksunie het federaal statuut als het resultaat van de anti-Belgische campagne: "het heeft het officiële Vlaamshatende België niet ontwapend, maar het was nu meer geneigd om een oplossing te aanvaarden. In Vlaams Nationale kringen was de eensgezindheid niet volkomen rondom dit ontwerp, maar weldra zal de eenheid hersteld worden."[433]

Dat er eensgezindheid was rondom dit onderwerp is de waarheid geweld aandoen. De Groot-Nederlanders zagen in het statuut een reddingsboei voor België. Willemsen stelde dat het verzet tegen het federaal statuut ingegeven was door anti-belgicisme en er dus niet het resultaat van was.[434] Het federaal statuut van Vos kreeg zeer weinig aandacht in De Volksunie. Dit was zeer merkwaardig omdat dit historische feit een ondersteuning was van het federalisme dat de Volksunie verkondigde. Waarschijnlijk zweeg men hierover in De Volksunie omdat het wetsontwerp voor verdeeldheid had gezorgd onder de Vlaams-nationalisten. Vos liep in 1933 over naar de socialistische partij en werd later minister terwijl zijn oude medestanders in de gevangenis zaten voor de collaboratie in de Tweede Wereldoorlog. Hij was dus geen 'trouwe' Vlaams-nationalist, zo schreef De Volksunie in 1959: "Wie heeft de Vlaamse belangen het best gediend Vos als activist of als minister?".[435] Waarschijnlijk speelden deze feiten een rol in de beslissing van De Volksunie om over Vos geen artikel te schrijven.

 

Het programma van de Frontpartij was het best samen te vatten onder de noemer 'zelfbestuur'. De Volksunie definieerde zelfbestuur voor Vlaanderen als "het recht om te beschikken als ieder ander volk, buiten de inspraak van vreemden (=beginsel van zelfbestuur) om meester te zijn over hun eigen Vlaamse aangelegenheden en om in volle vrijheid te kunnen bepalen welke die eigen Vlaamse aangelegenheden op het Vlaams gebied zijn."[436] Zelfbestuur was het doel, maar ook het middel om het onrecht dat de Vlaams-nationalisten bestreden, weg te werken.

De strijd ging over zelfbeschikkingsrecht, voor de uitwerking ervan hadden de Vlaams-nationalisten echter minder belangstelling. Volgens De Volksunie bleek zelfbestuur voor Vlaanderen door federalisme met Wallonië in het begin van de jaren twintig de best geschikte vorm. "In oprecht positieve opbouwende geest, hoopten ze dat het nieuwe België een hecht gebouw zou worden, stevig en statisch oprijzend uit de granieten grondvesten van het federalistisch beginsel."[437] Andere oplossingen zoals een eenvoudige bestuurssplitsing van België, volledige zelfstandigheid voor Vlaanderen, of de Groot-Nederlandse staatsvorm bleken, volgens De Volksunie minder realiseerbaar in de Europese structuur. "Zelfbestuur was een kreet van het hart, federalisme een uitspraak van de rede. De meeste Vlaams-nationalisten van de Frontpartij wensten oprecht het behoud van België als een eenheid op internationaal en economisch gebied. Brussel bleef een zeer netelig vraagstuk door de gedeeltelijke vervreemding van zijn Vlaams volkskarakter."[438] Toch moest Brussel integraal deel uitmaken van het zelfstandige Vlaanderen.[439]

Iedereen in de Frontpartij wou zeker niet België als eenheid bewaren. Er was op het einde van de jaren 1920, onder de noemer van zelfbeschikkingsrecht en de GrootNederlandse gedachte een sterk anti-belgicisme aanwezig. De Volksunie besprak het zelfbeschikkingsrecht inhoudelijk alleen maar in de jaren 1950. De Volksunie wou het federalisme een historische achtergrond geven. Vanaf de jaren 1960 kreeg het idee van federalisme een ruimere verspreiding en onstond eerder de nood aan de inhoudelijke invulling van het federalisme. Het probleem Brussel kreeg aandacht omdat ook de Volksunie met hetzelfde probleem werd geconfronteerd. Door het spreken van een 'vervreemding van het Vlaams volkskarakter' kwam De Volksunie terecht in een fraseologie die haar eerder vreemd is. Dit taalgebruik kwam wel veelvuldig voor in het interbellum.[440]

Volgens De Volksunie veranderde de positieve geest van het federalisme in 1925 door "het opsteken van de eerste rukwinden van de revolutionaire storm in het Vlaams-nationalisme. Het is niet gemakkelijk om scherpe lijnen te trekken in de geestestoestand van het Vlaams-nationalisme in deze periode. Federalisme bleef de noodzakelijke oplossing, maar werd vertroebeld door de scherpe anti-Belgische houding."[441] Van Severen verklaarde in het Parlement dat hij van de Belgische regering slechts één ding verwachtte: de dood van België. De Clercq verklaarde in 1927: zeker België kapot, België staat Vlaanderen in de weg. Anderzijds sprak de Frontpartij er over om "het unitair, verfransend en Vlaamshatend België om te bouwen tot een positieve en sterke federale Belgische staat."[442] Volgens De Volksunie lag de oorzaak van een negatieve houding tegenover België niet bij de Frontpartij. Het was omdat "de leiders van officiële België de oplossing van het federalisme smalend verwierpen alsof ze niet bestond en in hun oude geplogendheden voortgingen met de Vlaamse eisen te negeren. De Belgische staat, in de Frans-Belgische geest die hem beheerste, zou nooit goedschiks aan zijn imperialisme verzaken. In deze strijd die de Vlaams-nationalisten niet hadden uitgelokt, zouden er zich weldra extreme voorstellen doen gelden, die zich keerden tegen ieder België onder welke vorm dan ook."[443] Na 1925 richtten de Vlaams-nationalisten hun streven op de verwezenlijking van een Groot-Nederlandse staat of Dietse rijk. De Volksunie citeerde een niet nader genoemde bron uit het interbellum dat de eis van het Dietse rijk moest staven. "De Dietse bevolking vormt een geestelijke en door het bloed een feitelijke eenheid, die slechts staatsrechtelijk gescheiden is. Tegenover het kunstmatige van de staatsvorm wordt het volkse geplaatst, waardoor het Nederlandse stambewustzijn een krachtige impuls krijgt."[444] De Volksunie sprak geen waardeoordeel uit over deze koersverandering en sprak alleen van de 'eerste rukwinden van de revolutionaire storm'. De Volksunie maakte de koppeling naar het heden: "Na omzwervingen is het Vlaams-nationalisme nu terug naar zijn eerste grondslag (zelfbestuur) teruggekomen."[445]

Volgens Wils was de Groot-Nederlandse gedachte tijdens de Eerste Wereldoorlog gegroeid onder impuls van de Duitse Flamenpolitik en werd verder gepromoot na de oorlog door verschillende Nederlanders.[446] Voor 1925 wijst niets op een politieke Groot-Nederlandse gedachte die gesteund wordt door een ruim midden.[447] Na 1925 groeide er twee verschillende visies. De eerste beoogde de onmiddellijke verwezenlijking van het Dietse rijk. Zo verkondigde Joris van Severen in 1929 de vestiging van het Dietse Rijk. De federalisten verkozen eerst de zelfstandigheid van Vlaanderen te verwerven om dan tot een Groot Nederland te komen in de toekomst. Elias stelt dat in deze jaren niet de frontbeweging de geest bepaalde van het Vlaams-nationalisme, maar wel die van het activisme.[448] Wils is het hier mee eens en stelt dat "de catastrofepolitiek was gericht op een nieuwe oorlog die door een revanchistisch Duitsland zou gewonnen worden".[449] Het anti-begicisme kwam tot uiting in het Groot Nederlands streven maar Dewever maakte duidelijk dat het eigenlijk doel de vernietiging van de democratie was. Vos probeerde met zijn federaal statuut in essentie het Vlaams-nationalisme binnen de grenzen van het democratisch overlegmodel te houden. De reactie tegen bewees dat hij tegen de stroom inroeide.[450]

De Frontpartij vertoonde anti-parlementaire neigingen, doordat er herhaaldelijk misprijzend over het partijleven en de volksvertegenwoordiging gesproken werd. De Volksunie gaf hier verschillende redenen voor. Door de wantoestanden tijdens de oorlog hadden verschillende fronters hun vertrouwen verloren in de machthebbers. Al in de open brieven van de frontsoldaten stond te lezen: 'In U alleen, O Koning, geloven wij nog…' "De regering, die tenslotte onze regering zou moeten zijn, die ons reeds 85 jaren lang als slaven knechtte om ons nog dieper de afgrond in te helpen en ons volk nog meer te verbasteren,…die regering laat dat alles toe."[451] In het midden van de jaren 1920 kwam er scherpe kritiek op het politieke systeem omdat de staatspartijen weigerden om amnestie te verlenen. De Volksunie citeerde uit 'Het kompas van den Vlaming' met zijn verachting voor zijn volksvertegenwoordiging: "Wij ontmoeten de vijanden van ons volk in de verschillende Belgische staatspartijen. Zij zijn de partijen van de volksvijandige staat, zij huldigen de huidige staat en ijveren boven alles voor zijn behoud en voortbestaan. Zij dienen trouw de vijand. Zij roepen België tot ons vaderland uit, belijden de Belgische natie, de Belgische volksziel, het Belgische beschavingsideaal. Al deze staatspartijen zijn de steunpilaren van het Belgische regime. Zij zijn het georganiseerde België."[452] De Volksunie gaf de schuld voor anti-parlementaire neigingen aan de volksvertegenwoordigers van grote politieke families. Het was niet de fout van de Frontpartij, de grote politieke partijen hadden haar er toe gedreven: "Wie was toen het meest ondemocratisch, het Vlaams-nationalisme of de volksvertegenwoordigers?"[453]

Het was niet toevallig dat hier diep wordt op ingegaan. De verkiezingen van 1958 staan voor de deur en stonden in het teken van de schoolstrijd. De Volksunie werd beschouwd als scheurmakers van de Katholieke partij. De Volksunie probeerde dit te weerleggen door voorbeelden uit het verleden aan te halen. De Volksunie benadrukte dat het Vlaams-nationalisme wortelde in de lange geschiedenis van het vrijheidsstreven van het Vlaamse volk. De Volksunie ging hierbij terug tot in de vroege Middeleeuwen, waar de Vlaamse steden verschillende vrijheidsrechten afdwongen van de hertogen en de graven. Hierbij werd niet vermeld dat dit een algemene evolutie was die zich niet alleen in Vlaanderen afspeelde. Deze evolutie naar meer vrijheid deed zich ook pas voor in de late Middeleeuwen.

De Volksunie citeerde uit De Ploeg van 1923: "het Vlaams-nationalisme zal democratisch zijn of het zal niet zijn".[454] "De Frontpartij stipt duidelijk de gebreken van de bestaande democratie aan, maar het Vlaams-nationalisme is in de democratische lijn blijven denken. Het Vlaamse volk moet reële medezeggenschap bezitten in het staatsbestuur dat er zelf moet zijn omwille van de belangen van het volk. Mits waarborgen voor een gezond en ordelijk gezag, moet de regering de uiting zijn van de Vlaamse volkswil."[455]

Hierbij vermelde De Volksunie niet dat diverse andere Vlaams Nationale weekbladen uit het interbellum, zoals Jong Dietschland, niet akkoord gingen met de democratische denkbeelden van De Ploeg. Voor 1929 was er al een grote strekking die voor de revolutionaire in plaats van voor de parlementaire methode waren. De Volksunie sprak alleen van een paar enkelingen die hun heil in het fascisme zagen en vermelde hierin geen evolutie. De Wever stelde dat er in de Frontpartij van 1928 als sociale invulling van de staat enerzijds de fascistische en anderzijds de democratische was. Niemand verzette zich op principiële gronden tegen het denkbeeld van een fascistische staatsinrichting.[456]

 

De Frontpartij huldigde het principe van de godsvrede. Alle filosofische twistpunten tussen medestrijders liet men varen en men streefde een eerlijke status quo na tot de Vlaamse strijd zou zijn beslist. Tegenover de Kerk werd een pluralistisch standpunt ingenomen. De eensgezindheid over de godsvrede was snel verdwenen. De Volksunie weet dit aan het feit dat men al snel tot de conclusie kwam dat de Vlaams Nationale strijd nog jaren kon duren. Hierdoor werd het principe van de godsvrede voor de Katholieke Vlaams-nationalisten onaanvaardbaar. Zo onstond er in Limburg in 1923 een katholieke Vlaams Nationale partij. In West-Vlaanderen zou men de godsvrede stilzwijgend laten varen zonder een officiële aankondiging. Naast het Vlaamse Front waren er nog andere Vlaamse Nationale groeperingen. De belangrijkste waren de Katholiek Christelijke Volkspartij voor Vlaanderen en Katholieke Vlaamse Volkspartij. De Frontpartij als alomvattende Vlaams Nationale partij op godsvredebasis was onderhevig aan een langzaam ontbindingsproces. Reeds in 1922 was gebleken dat er geen sterke leiding uitging van de partijraad en dat eenheid in de Vlaams-nationalistische rangen ver te zoeken was.[457] De Frontpartij ontwikkelde zich dan ook snel tot een los geheel van regionale groepen.[458] In 1925 werd het Vlaamse Front in West-Vlaanderen omgevormd tot het Katholiek Vlaams Nationaal Verbond. Deze partij stond voor een nieuwe orde die de verwezenlijking van de katholieke solidariteitsleer moest zijn. In 1928 probeerde men terug tot een overkoepeling te komen en stichtte men het Algemeen Vlaams Nationaal Verbond.[459] Hierna zullen nog pogingen ondernomen worden. Elias zag het als een rijpingsproces en Vos als een afwisseling van generaties.[460]

De Volksunie schreef hier maar weinig over. Het was pas in de jaren 1970 dat er over deze verdeeldheid iets terug te vinden was, zonder dat ze dit expliciet erkenden. Ze vermeldden wel dat verschillende figuren "hard begaan waren met de eenheid onder de Vlaams-nationalisten".[461] Wij kon zich niet van de onbehaaglijke indruk ontdoen dat de grote verwarring en de zeer moeizame gang naar eenheid inherent was geweest aan deze periode. [462] Wij kwam in 1973 terug op het principe van godsvrede. "De Volksunie heeft de lijn van de fronters doorgetrokken. Zij vindt het niet nodig dat christenen, niet-gelovigen en vrijzinnigen hun gevoelens verstoppen, maar deze zullen de partij niet verdelen."[463]

In de periode vóór de verkiezingen van 1958 kwam de tegenkanting van de hogere geestelijkheid tegen de Frontpartij uitgebreid aan bod in De Volksunie. De Volksunie wou door de geschiedenis te schetsen van verhouding tussen de Frontpartij en de Katholieke Kerk, bewijzen dat de hogere geestelijkheid zich vergistte door tegen het Vlaams-nationalisme te zijn. "Niemand heeft ooit het Belgische episcopaat van kwaadwillig opzet verdacht; het heeft eenvoudig nooit de nationale strijd van Vlaanderen terdege kunnen begrijpen."[464] De Volksunie zag de oorzaak bij de verfransingpolitiek van Napoleon. "Tot aan de Franse revolutie hadden de bisschoppen steeds in verbondenheid met het volk geleefd, daarna werden uitsluitend Franse of vreemde bisschoppen benoemd. In 1830 is het juist de katholieke hiërarchie die hiertegen in verzet kwam. In het nieuwe België van 1830 zal de Kerk tot een grote macht komen waardoor er een wisselwerking tussen Kerk en staat onstond en de Kerk zich volledig liet opslorpen in de Frans-Belgische opvatting van die staat."[465] Het argument van het episcopaat dat het Vlaams-nationalisme een revolutionaire beweging tegen het wettelijk gezag was, werd door De Volksunie van de hand gewezen door de stelling dat de Frontpartij "steeds het kerkelijk gezag heeft eerbiedigd en nooit het geestelijk gezag van de bisschoppen heeft verward met de politieke standpunten die ze innamen. Het nationale primeerde niet boven het godsdienstige."[466] De Volksunie citeerde verscheidene pausen die vonden dat de Vlaamse kwestie rechtvaardig moest opgelost worden. Inhoudelijk baseerden de Vlaams-nationalisten in het interbellum zich vooral op Thomas Van Aquino. Deze stelde dat het wettige gezag het algemeen welzijn bevordert. Omdat de Belgische regering dit niet deed, konden de Vlaams-nationalisten in opstand komen. De bisschoppen waren volgens de Vlaams-nationalisten fout door zich in de niet-geestelijke aangelegenheden te mengen, en ze stelden de vraag "dat men in onze meningen en in ons programma bepaalde punten aanwijst die in godsdienstige of zedelijk opzicht verkeerd zijn."[467]

Dat er veel aandacht aan de houding van de Kerk werd besteed, heeft natuurlijk alles te maken met de politieke situatie van 1958: de Brugse bisschop Mgr. De Smedt sprak zich tegen de Volksunie uit. De Volksunie probeerde zich zelf te rechtvaardigen met argumenten van de Vlaams-nationalisten uit 1925. "Het katholiek Vlaanderen is niet verwend van de zijde zijner hoogste geestelijke overheid in de strijd om redding, behoud en bloei van eigen volksaard en eigen cultuurroeping."[468] In hetzelfde artikel vonden we ook argumenten terug van De Volksunie tegen de CVP van 1958. Zo besprak De Volksunie uitvoerig de houding van de Frontpartij tegenover de Katholieke partij. De Volksunie kwam tot het besluit dat de Katholieke partij niet altijd de belangen van de Kerk had verdedigd. "Paus Gregorius XVI stuurde de encycliek 'Mirari Vos' de wereld in omdat de katholieke partijleden een deel van het liberaal programma onderschreven en hierdoor een ernstige deuk aan de katholieke leer hadden gegeven."[469] Om het standpunt van het Vlaams-nationalisme over het katholiek pluralisme kracht bij te zetten citeerde De Volksunie verscheidene pausen, die zich in dezelfde zin uitspraken. De Volksunie was ervan overtuigd dat, als de Kerk zich op verschillende opiniestromingen en gezindheden zou kunnen beroepen, haar gezag op die manier zou stijgen. Van het verleden schakelde De Volksunie over op de schoolstrijd van 1958. "Nu brengen de Staatskatholieken de Kerk ernstige schade toe. Zonder de Staatskatholieke partij, maar met een vrij, zelfstandig Vlaanderen, was er geen spraak van schooloorlog en overmacht van liberalen en socialisten."[470] De Volksunie wou bijdragen tot de katholieke eenheid, maar dan moest de Katholieke partij de rechtmatige belangen vertegenwoordigen. Omdat dit niet zo was, stelde De Volksunie zich de vraag of "de eenheid van België een katholiek dogma was".[471]

 

Naast zelfbestuur en godsvrede was het derde grondbeginsel van de Frontpartij de 'nooit meer oorlog'-leuze. Behalve de gewezen activisten en de leiders van de frontbeweging werden de 'dienstweigeraars' van het interbellum verscheidene malen herdacht als helden van de Vlaamse Beweging. De anti-militaristische geest was traditioneel al aanwezig in de Vlaamse Beweging. De Volksunie ging in de jaren 1950 de reden hiervoor in de diepere volksaard van het Vlaamse volk zoeken. Na 1958 vonden we van het volgende discours niets meer terug. "Deze diepere volksaard kwam door de bijzondere sfeer na de Eerste Wereldoorlog in de Vlaamse Beweging en in de Vlaams-nationalistische Beweging in haar ruimste ontplooiingsmogelijkheid. Het ontstaan van het anti-militarisme ligt in de wisselwerking tussen de natuurlijke uitingen van de Vlaamse Volksaard en het historisch gebeuren in Vlaanderen. De diep doorvoelde kerstening van het Vlaamse volk, zijn nuchtere werkelijkheidszin, zijn individualisme en zijn particularistische neigingen, zijn drang naar vrijheid, al deze factoren moesten het naar een vredelievende houding doen overhellen. De eeuwenlange strijd van Vlaanderen voor zijn vrijheden, de ruime blik op de wereld die het moest krijgen door zijn centrale geografische ligging in West-Europa, gedurende duizend jaren lang de bakermat van de wereld op het gebied van intellectuele en materiele vooruitgang, zijn positie als grensland en slagveld tussen de Engelse, Franse en Duitse grootmachten, het moest alles tot een sterke inslag op het volkskarakter leiden en hen nog sterker in de richting van het pacifisme stuwen."[472] Concreet verwees men naar de middeleeuwen. De gemeentelijke milities stonden voor de verdediging van de stedelijke belangen in en ze hadden geen imperialistische doeleinden. In latere eeuwen bestond er nooit een verplichte wapendracht, buiten door wie voor de verdediging instond. Tijdens de Franse revolutie werd de verplichte inlijving in het leger één van de voornaamste redenen van het uitbreken van de Boerenkrijg.

Na de Eerste Wereldoorlog werd het traditionele Vlaamse anti-militarisme verbreed met een pacifistische stroming. De Frontpartij was tegen elk militarisme, maar ze erkende wel dat verdediging van het vaderland tegen derden geoorloofd was. De veiligheid werd ook gezien als een "hinderpaal voor de wereldvrede omdat het in de moderne samenleving (=interbellum) een complex van problemen oproept zoals: verdediging, bewapening of ontwapening, pacten en verdragen".[473] De Frontpartij kantte zich tegen elk militarisme dat "zijn innerlijke noodzaak en betekenis vergeet en in zichzelf een eigen bestaansreden gaat vinden. De kans dat het militarisme dan een instrument voor een imperialistische politiek wordt is te groot."[474]

Lannoo wees er op dat het niet altijd duidelijk was of de Vlaams-nationalisten uit principe anti-militarist waren, of uit anti-belgicisme.[475] De Volksunie zweeg over deze tweede motivatie. Bij verschillende voorbeelden die De Volksunie aanhaalde spelen zeker de twee motieven. De Vlaams-nationalisten waren tegen het Frans-Belgisch militair akkoord van 1920. Hierdoor werd het lot van België aan dat van Frankrijk gekoppeld. De bezetting van het Ruhrgebied door Franse en Belgische troepen werd zwaar veroordeeld. Er bestond toen in België een imperialistische strekking die de aanhechting van Zeeuws-Vlaanderen en Nederlands-Limburg beoogde. Hiertegen reageerden de Vlaams-nationalisten sterk en plaatsten tegenover het Belgicistisch militarisme het principe van het verdedigingsmilitarisme en pacifisme door wereldwijde ontwapening. Het Vlaams-nationalisme stelde hiervoor zijn hoop op de Volkerenbond.

De Volksunie huldigde in de jaren 1950 het standpunt dat de Vlaamse Beweging nooit de macht heeft willen grijpen met militaire middelen.[476] "Alleen in de uitzonderlijke omstandigheden van de Eerste Wereldoorlog, in het activisme en de frontbeweging werd deze mogelijkheid overwogen. Het strookt niet met de democratische ingesteldheid en men moet een zekere machtspositie bezitten om een staatsgreep te laten lukken."[477] Van Severen wilde door een sterke kernbeweging, geleid door een militie en steunend op een krachtige invloed op het volk, een sterke druk uitoefenen op het staatsgezag, tot deze haar macht zou afstaan. Zo zou een Vlaamse politieke macht ontstaan, langs een soort kortsluiting om.[478] Wij zag in1974 echter wel een revolutionaire traditie. "Dat er in de Vlaams-nationale beweging echter een revolutionaire traditie bestaat, die geen andere loyauteit kende dan die tegenover de eigen natie, en geen andere vijand dan die welke die natievorming in de weg stond, mag dan voor de minder radicalen als een ecxes beschouwd worden: evenals Sinn Fein en IRA zijn het normale verschijnselen in iedere nationale beweging. De Vlaamse soldaten die hun kanonnen wilden richten naar het Belgisch hoofdkwartier, de Vlaamse soldaten die Borms gewapender hand wilden bevrijden, de Vlaamse soldaten uit de Tweede Wereldoorlog, behoren tot die traditie."[479]

De Volksunie ging voorbij aan de revolutionaire strekking die nog bestond in 1919 in de Frontpartij.[480] Ook in de vergaderingen voorafgaand aan de stichting van het AVNV lag duidelijk het idee van een eventuele gewelddadige greep naar de macht besloten. Deze moest uitgevoerd worden door een revolutionaire groep, die eventueel gesteund zou worden door het buitenland, en de verkozen mandatarissen zouden hier ondergeschikt aan zijn.[481] Ook in 1925 werd het idee geopperd om een meer wettelijke staatsgreep door te voeren.[482]

 

De Volksunie besteedde aandacht aan het sociaal-economisch programma van de Frontpartij. De steun aan verschillende stakingen werd in het kader van meer sociale rechtvaardigheid in de verf gezet. De Volksunie weerlegde de kritiek dat de Frontpartij een linkse partij zou zijn geweest. "De betekenis van haar sociaal streven lag geworteld in het diepere nationale. Het zag de sociale politiek in haar diepste wezensorde: als een noodzaak voor de stoffelijke, maar niet minder voor de geestelijke verheffing van het hele Vlaamse Volk. Het sociaal ideaal moet dienen om het Vlaamse volk hoger op te voeren, niet om een splijtzwam te worden in dat volk."[483] Het Vlaams-nationalisme kantte zich tegen de klassenstrijd, en zal "onverbiddelijke vijanden vinden in het socialisme en in sommige uitingen van de christen-democratie, die in de klassenstrijd hun ideaal zien".[484] Deze citaten moeten in het kader van de schoolstrijd gezien worden. De Volksunie kreeg het verwijt voor verdeeldheid te zorgen bij rechts (katholieken) en hierdoor de helpers te zijn van links. De Volksunie wou dit ontkrachten door op het sociale programma van de Frontpartij te wijzen.

Tot de jaren 1965 werd ook het economisch programma van de Frontpartij in de verf gezet. De achteruitstelling van Vlaanderen tegenover Wallonië en de concentratie van de financiële middelen in Brussel werden uitvoerig belicht en bestreden. De Vlaams-nationalisten steunden de uitbouw van de Vlaamse nijverheid en ontginning van het Kempisch kolenbekken.[485] Schiltz loofde in een artikel over de Schelde-Rijn verbinding de zeer grote verantwoordelijkheidszin van de Frontpartij. Hij reageerde scherp tegen de negatieve houding van sommige "extremisten die tegen alles waren dat ten goede zou komen van België".[486] In 1964 reageerde De Volksunie tegen de beweringen dat de Volksunie een nieuwe linkse koers insloeg, door te stellen dat deze koers al bij de Frontpartij aanwezig was.[487] Deze citaten moeten gezien worden tegen de achtergrond van de discussie over Vlaamse frontvorming in het midden van de jaren 1960.

In de jaren 1970 werd er op de invloed van de Daensisten gewezen. De Frontpartij kreeg een sterk uitgebouwde sociale organisatie in sommige gebieden waar verschillende Daensisten, al dan niet volledig, werden opgenomen in de partij.[488] De Volksuniejongeren beriepen zich op het zelfbestuur-ideaal van de fronters en op de sociale ontvoogdingsstrijd van deze Daensisten.[489] Ook de slogan van 'sociaal en federaal' werd aan de fronters en Daensisten gekoppeld. "Van Daens naar Borms en van Borms naar Daens reikt de eenheid van onze sociale en volksnationale opdracht".[490]

Willemsen vond dat de Frontpartij er nooit toe gekomen is om een sociaal economisch programma uit te werken. "Dit kwam doordat ze de eenheidsfictie bleef nastreven waardoor de maatschappelijke problemen op de laatste plaats kwamen en dat de tegenstellingen op dit vlak dus verwaarloosd konden worden. Er waren wel enkele gelegenheidsprogramma's".[491] Bij de Daensisten waren Vlaamsgezinde en sociale opvattingen harmonisch verbonden.[492] Wils stelde dat de Frontpartij alleen maar groeikansen had daar waar de partij bestond uit gewezen soldaten, activisten en Daensisten.[493] Een belangrijk element in de uiteindelijke fusie, in de jaren twintig, van het Daensisme en de Vlaams-nationalistische Frontpartij was, dat de verbittering bij de Daensisten tegen de Katholieke partij zo groot was, dat een aansluiting bij de christen-democraten binnen deze partij wel bijzonder moeilijk was, hoewel de christen-democraten in de Katholieke partij een zeer belangrijke positie in ging nemen en bovendien Vlaams gezind was.[494]

 

 

3. De IJzerbedevaarten; terug naar de bron?

 

Ter gelegenheid van de IJzerbedevaart[495] werd er altijd verwezen naar de frontbeweging en de Frontpartij. Ieder jaar bestede De Volksunie-Wij in de periode van de bedevaart, er verschillende artikels aan. Telkens werd er op een utilitaire wijze van het verleden gebruik gemaakt.

In de jaren 1950 was er veel kritiek te horen op de IJzerbedevaarten. De Volksunie was van mening dat de bedevaart in de handen van de CVP was terechtgekomen. De Volksunie eiste het onslag van de CVP-ers uit het bedevaartscomité.[496] In 1955 waren Karel Dillen en Toon Van Overstraeten in een open brief bijzonder hard voor het IJzerbedevaartcomité. Ze vonden dat het bedevaartcomité de echte geest van de bedevaart had vermoord. De echte geest van de fronters was er volgens Dillen en Van Overstraeten "één van opstandigheid en strijdbaarheid, wars van alle lafheid, wars van elk conformisme, wars van alle verknechting aan belangen die zich van Vlaanderen willen bedienen in plaats van het te dienen, CVP-heren en knechten".[497] Vooral de voorzitter van het IJzerbedevaart Fransen[498] was hier de fout van. "De seniele Fransen dient de narcose toe door er een slaapbedevaart van te maken. De voorzitter moet niet bedelen maar eisen, niet een beetje amnestie maar amnestie, niet meer zelfbestuur maar zelfbestuur. De IJzerjongens verdienen een andere, grotere en hardere testamentuitvoerder dan een brave sukkelaar. Professor Fransen ga nu heen."[499] Dillen en Van Overstraeten waren van mening dat de Vlaams-nationalisten niet mochten zwijgen, maar zelf moesten zorgen voor een nieuw extremisme en hun plicht moesten vervullen.[500]

 Uit verscheidene artikels bleek dat De Volksunie het eens was met deze vrije tribune. De Volksunie vroeg "onvoorwaardelijke trouw aan het zuivere ideaal en testament van de IJzerjongens. Er is nu een dubbele moord gepleegd op de IJzertoren, niet alleen werd de toren opgeblazen maar ook de geest werd gedood met de stilzwijgende of uitdrukkelijke goedkeuring van hooggeplaatste personaliteiten."[501] Er werd een andere voorzitter geëist, tot dat die er is vergeleken ze de 'makke Fransen' met 'vechtersbaas Daels'[502] van voor de oorlog. De aanwezigheid van de Belgische vlag en de aanvaarding van subsidies van de Belgische regering vond De Volksunie pijnlijk en vernederend voor de Vlamingen. Toch was de beoordeling van Fransen niet helemaal negatief, ze prezen hem voor zijn moed om het voorzittersschap te aanvaarden in zeer moeilijke omstandigheden.[503] Het gevaar dat de IJzerbedevaart bedreigde was het verloren gaan van de geestelijke band tussen de inrichters en de massa. Deze band kon verdwijnen doordat een groot deel van het publiek de IJzertragedie niet beleefd heeft en doordat het IJzerbedevaartcomité, door de aanwezigheid van CVP-politiekers, wantrouwen wekte.[504] De IJzerbedevaart moest herleven door de Vlaamse jeugd, "met Tijls bloed in de aderen, met Breughels moed, met een Rodenbachs hart, en die frisse liefdevolle Nele".[505] "De jeugd zal tegenover de huidige verpolitiekte Belgische bedevaart een Vlaamse bedevaart inrichten waar het 'Alles voor Vlaanderen' niet meer, zoals thans, vals zal klinken".[506]

Het was niet duidelijk hoe we dit moesten interpreteren. Bedoelde De Volksunie hiermee dat de jongeren een alternatieve bedevaart zullen organiseren en was deze tekst bedoeld als een dreigement voor het IJzerbedevaartcomité of wil De Volksunie aangeven dat de jongeren het anders zullen aanpakken als ze zelf in het bedevaartcomité zitten? Waarschijnlijk bedoelde De Volksunie dit laatste, want er was geen reden waarom de oudere radicale Vlamingen niet zouden meedoen met een alternatieve bedevaart.

De Volksunie laakte het IJzerbedevaartcomité omdat het niet meer aandrong op de bestraffing van de misdadigers die de eerste toren hadden opgeblazen omdat ze onder de partijtucht van de CVP leefden.[507] Om dit te illustreren citeerde De Volksunie verscheidene malen Lefèvre: 'Hij ligt er en ligt er goed.' De Volksunie kwam uitgebreid, met naam en toenaam, terug op het verhaal van de vernieling van de IJzertoren naar aanleiding van de militaire oefeningen die aan de IJzertoren gebeurden in 1965.[508]

Vanaf het begin van de jaren 1960 ebde de kritiek op het bedevaartcomité weg. De invloed en betrokkenheid van de Volksunie stegen op de bedevaarten, de eisen waren gelijklopend. "De traditie heeft de Vlaamse gebaldheid doen toenemen. Zo hoort het en zo moet het blijven. De Volksunie wil het zo."[509] Wij eigende zich de bedevaart toe, zonder te zeggen dat Wij dit beoogde. "Het succes van de IJzerbedevaart is telkens een succes voor de gedachte die de Volksunie bezielt. Een rode leeuw loopt er wellicht ook tussen, en een blauwe leeuw ook. Er zullen veel CVP-ers aanwezig zijn. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan."[510] De Volksunie-Wij mobiliseerden ieder jaar weer voor de bedevaart omdat ze zich zelf zagen als de moderne fronters. "De Volksuniemannen en vrouwen zullen talrijker dan ooit getuigen dat de geest van de Vlaamse frontbeweging de jongeren nog bezielt. De Volksunie zal de laatste zijn om aan die geest afbreuk te doen of schade te berokkenen".[511]

 

De uitvoering van het testament van de fronters werd in verband gebracht met de verschillende sociale economische eisen van de Volksunie zoals de verwezenlijking van de E3 en de Schelde-Rijnverbinding. De verschillende staatshervormingen werden besproken aan de hand van de eisen van de fronters. Zo beschouwde De Volksunie de bedevaart van 1964 als de bedevaart van het ongeduld. "Nog nooit waren we zo ver van de belofte van gelijkheid in rechte en in feite verwijderd als nu. De voorziene grondswetsherziening zal de ongelijkheid in België bestendigen."[512] In 1969 reageerde Wij tegen de 'grendelgrondwet'. "Na meer dan een halve eeuw na de koninklijke belofte van gelijkheid in recht en in feite, wordt de gevaarlijke poging tot bestendiging van de ongelijkheid ondernomen. De betekenis van de IJzerbedevaart mag niet verkeerd begrepen worden: Vlaanderen wil van geen grendels weten".[513]

In 1977 reageerde Wij opnieuw tegen het IJzerbedevaartcomité omdat het het Egmontpact niet steunden. Wij was het niet eens met de mening van voorzitter Coene dat de IJzerbedevaart het levend geweten van Vlaanderen zou zijn. "De IJzerbedevaart is eigendom van niemand. Niet van ons, niet van anderen. Niet van de politieke partijen, niet van de drukkingsgroepen. Ook niet van het IJzerbedevaartcomité. Het morele gezag gaat er uit van niemand anders dan van de doden, van niets anders dan het offer. De doden spreken niet: zij manen tot inkeer en bezinning. Wie hen woorden in de mond legt - andere woorden dan diegene die zijzelf hebben nagelaten- neemt een zware verantwoordelijkheid op."[514] De kritiek was niet zo hard als in de beginjaren maar nu omdat het comité radicaler was. Schiltz hoopte dat de meningsverschillen in de Vlaamse Beweging nog overbrugd konden worden en er nog ruimte was om samen te werken rond het Egmontpact.[515]

Als in 1977 de discussies rond het Egmontpact hoog oplaaien, zocht Wij een historische fundering. "Sedert de Eerste Wereldoorlog heeft de Vlaams Nationale vleugel van de Vlaamse Beweging zich de hervorming van de unitaire, gecentraliseerde Belgische staat tot doel gesteld. Aanvankelijk werd deze eis nogal simplistisch geformuleerd als 'zelfbestuur', later meer nauwkeurig als federalisme."[516] Van Overstraeten ging terug naar de activistische Raad van Vlaanderen. Hij wees terecht op het feit dat verschillende meningen bestonden over de betekenis van de door de Raad uitgeroepen zelfstandigheid. Hij concludeerde dat er in 1977 eensgezindheid was over het feit dat er zelfbestuur moest komen, zelfs over de grenzen van partijen en ideologieën heen. Alleen over de invulling was men het niet eens. "Het pact is een unieke kans, waaraan wel een schaduwkant zit, maar we hebben niet de tijd om weer zestig jaar te wachten."[517] Van Overstraeten meende dat het Egmontpact de Vlaamse Beweging dichter bij zijn einddoel van zelfbestuur zou brengen. "Op de volgende bedevaart zal het woord zelfbestuur niet meer als een eis vallen, maar als een verwezenlijking."[518] Schiltz zag in dit akkoord "de wens van de duizenden Vlaamse soldaten aan het IJzerfront. Zelfbestuur en Vlaamse regimenten heb ik willen verwezenlijken door deel te nemen aan de onderhandelingen, het pact te ondertekenen en de regering te steunen. De uitvoering van het IJzertestament is begonnen." "Ik heb een eervol vergelijk ondertekend. Om dat vergelijk te verwezenlijken zal ik de regering steunen zo lang zij de genomen opties trouw blijft."[519] De anti-Egmonters gebruikten hetzelfde argument tegen het pact. "De motivatie van de eis voor zelfbestuur heeft sinds de eerste eisen van de frontsoldaten duidelijk een wijziging ondergaan. Immers, Vlaanderen wordt nu toch reeds door de Vlamingen bestuurd. Zelfbestuur blijft nu vooral nog nodig om precies onze grenzen te beschermen tegen de francofone invloed. En, met het inschrijvingsrecht geven we uitgerekend op dat vlak prijs."[520]

 

 

4. Besluit

 

Het Vlaams-nationalisme is ontstaan uit de frontbeweging en het activisme. Deze twee bewegingen waren volgens De Volksunie-Wij ontstaan door de onopgeloste Vlaamse problemen voor de Eerste Wereldoorlog en de houding van de Belgische pers en regering tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het was vooral in de jaren 1960 dat we artikels terug vonden over het activisme, de frontbeweging kreeg aandacht van 1955 tot 1977. De Volksunie-Wij kende, in tegenstelling tot Wils, weinig belang toe aan de Flamenpolitik. "Het keizerlijke en het nationaal-socialistische Duitsland hebben hun stempel gedrukt op het Vlaams-nationalisme, dat zij in zekere zin geschapen hebben."[521] Hiermee benadrukte Wils de invloed van buitenaf, met vooral de Flamenpolitik, op het tot stand komen van het Vlaams-nationalisme.

De activisten werden samen met de fronters voorgesteld als rechtgeaarde Vlamingen, die zich ingezet hadden voor hun idealen. De repressie, die ten onrechte als zeer zwaar werd voorgesteld, werd streng veroordeeld. Het activisme werd niet als een breuklijn gezien; de continuïteit met de vorige en latere periodes werd benadrukt. De schuldvraag van het activisme lag volgens De Volksunie-Wij bij 'de anderen'. De betekenis van het activisme was het radicaal stellen van het Vlaams-nationalisme. Wils hierintegen stelde dat het activisme alleen maar invloed had op de Vlaamse Beweging omdat de andere Vlaamsgezinden het activisme niet wilden veroordelen. Wils vond dat het belang van het activisme lag in het introduceren van het anti-Belgicisme in de Vlaamse Beweging. De Volksunie-Wij besteedde hier weinig aandacht aan. De solidariteit tussen de frontbeweging en het activisme werd onderstreept. De positieve contacten tussen de frontbeweging en het activisme kwamen naar voor, de negatieve geluiden tegenover elkaar eerder verzwegen. De aanhang van de frontbeweging werd ruim overschat.

 

 De tegenstellingen tussen Frontpartij en de voorstanders van een minimumprogramma kwamen aan bod. Vinks zocht in deze tegenstellingen een argument om tegen Vlaamse Frontvorming te zijn in 1964. In 1970 werd de vergelijking gemaakt met de voor en tegenstanders van de grondwetsherziening. Ook in de discussies rond het Egmontpact werd er een pararel getrokken met de 'minimalisten' en 'maximalisten'. De vooruitgang in de Vlaamse Beweging kwam er volgens De Volksunie-Wij door het goede programma van de Frontpartij. Willemsen daarintegen stelde dat de Frontpartij alleen maar de motor kon worden van de Vlaamse strijd omdat de minimalisten faalden. De Wever stelde dat de Frontpartij geen rol van betekenis speelde in het parlement.

 De Volksunie-Wij vond het negativisme van de Fronters positief als tactische zet. De positieve houding van Vos kreeg weinig aandacht. Zijn voorstel tot federaal statuut werd niet besproken, maar wel een paar maal vermeld. Dit belangrijke voorstel om de problemen op te lossen in België was nochtans gelijklopend met de oplossing die de Volksunie voorstond. Waarschijnlijk kreeg dit zoweinig aandacht omdat het een twistpunt was in het vooroorlogse Vlaams-nationalisme. Ook in de beginjaren van de Volksunie was het niet duidelijk welke inhoud de Volksunie aan het federalisme wou geven. Het feit dat Vos in 1933 overliep naar de BWP, en later minister werd terwijl zijn vroegere partijgenoten gestraft waren voor hun aandeel in de collaboratie, maakte hem niet geliefd.

 Het democratisch element van de Vlaams-nationalisten werd benadrukt. Om dit te bewijzen ging men in de jaren 1950 terug tot in de Middeleeuwen. Later vonden we hier geen verwijzingen meer naar. Er werden ook verschillen passages uit het democratisch tijdschrift De Ploeg geciteerd. De niet democratische stellingnamen van bijvoorbeeld Jong Dietschland kwamen niet aan bod. Volgens De Volksunie-Wij was het Vlaams-nationalisme steeds in de democratische lijn blijven denken. De niet democratische uitingen zoals het fascisme waren volgens De Volksunie-Wij eerder uitzonderingen. Aan de revolutionaire anti democratische gedeelte van het Vlaams-nationalisme voor 1931 werd voorbijgegaan. De anti democratische indruk die het Vlaams-nationalisme gaf, was volgens De Volksunie-Wij de schuld van de niet democratische regering, koning en staatspartijen. Het Vlaams-nationalisme had hierin alle vertrouwen verloren omdat ze het onrecht in standhielden. Dewever maakte duidelijk dat het anti-belgicisme en het Groot-Nederlands streven eigenlijk de vernietiging van de democratie als doel had.

De Volksunie besprak het zelfbeschikkingsrecht inhoudelijk alleen maar in de jaren 1950. De Volksunie wou het federalisme een historische achtergrond geven. Vanaf de jaren 1960 kreeg het idee van federalisme een ruimere verspreiding en onstond eerder de nood aan de inhoudelijke invulling van het federalisme. De historische uitwerking hiervan kreeg weinig aandacht. De positieve geest om België om te bouwen tot een bondsstaat evolueerde naar anti-Belgicisme en naar een Groot Nederlandse geest. De Volksunie-Wij sprak hierover geen waardeoordeel uit. Het ontstaan van de Groot Nederlandse visie werd weinig belicht en De Volksunie-Wij gaf nooit een inhoudelijke beschrijving over wat ze juist verstond onder Groot-Nederland. De invloed van Nederland en de Flamenpolitik werd verzwegen. Na de jaren 1950 werd het 'zelfbestuur' van de Frontpartij bijna niet meer besproken.

Door het spreken van een 'vervreemding van het Vlaams volkskarakter', 'minimalisten', 'staatspartijen', 'kleurpartijen', 'smekende flaminganten', 'haatdragende keikoppige extremisten', … kwam De Volksunie terecht in een fraseologie die haar eerder vreemd is. Ze gebruikten deze kleurwoorden regelmatig in de jaren 1950, later nam dit snel af. Dit taalgebruik kwam wel veelvuldig voor in het interbellum.

In de jaren 1950 zocht De Volksunie-Wij een verklaring voor de anti-militaristische traditie in de diepere volksaard van de Vlamingen sinds de Middeleeuwen. Later werd er niet meer verwezen naar begrippen als volksaard. Het feit dat het anti-militarisme dikwijls ingegeven was door een anti-Belgicisme stond niet in de belangstelling. Het gebruik van geweld in de omvorming van de staat werd erkend in de periode van de Eerste Wereldoorlog. Dat later ook veel nationalisten de gewelddadige revolutie niet uitsloten kwam in 1974 aan bod.

 Voor 1960 werd er veel aandacht besteed aan de verhouding tussen de Kerk en het Vlaams-nationalisme. Dit had te maken met de schoolstrijd. De Volksunie-Wij huldigde het principe van de godsvrede en geen wederzijdse inmenging. De verdeeldheid in het Vlaams-nationalistische kamp tijdens de eerste helft van het interbellum over het principe van godsvrede, kreeg zeer weinig aandacht. De Volksunie-Wij stelde de Frontpartij liever voor als een groot machtsblok.

 De Volksunie-Wij verwees graag naar het sociaal-economisch programma van de Frontpartij. Willemsen daarintegen stelde dat de Frontbeweging nooit gekomen was tot een volwaardig sociaal-economisch programma omdat dit ondergeschikt was aan de godsvrede.

 

 Aan de hand van de IJzerbedevaart werd er dikwijls teruggegrepen naar de geschiedenis van de frontbeweging en de Frontpartij. Dillen, Van Overstraeten en De Bondt hadden in de jaren 1950 veel kritiek op het IJzerbedevaartcomité omdat er verschillende CVP-ers in zaten. Ze verweten deze mensen dat ze de ware geest van de Fronters misbruikten. In de jaren zestig ebde deze kritiek weg doordat de Volksunie meer invloed kreeg op de bedevaart. In 1977 werd er terug tegen het comité gereageerd omdat deze tegen het Egmontpact was. Dit akkoord probeerde men historisch te onderbouwen door naar het activisme en de frontbeweging te verwijzen. Ook de tegenstanders van het akkoord gebruikten dezelfde argumenten tegen.

 

 De Volksunie-Wij hing van de Frontpartij een beeld op van een sterke eendrachtige partij met een goed uitgebouwd programma. De Volksunie-Wij gebruikten dit positieve beeld in het politiek discours. Dit beeld heeft bijgedragen tot de algemene beeldvorming over deze partij. Door recent historisch onderzoek werden er nu correcties aangebracht. "Tot vandaag blijft het beeld van een pluralistisch vooruitstrevend Vlaams-nationalisme in de jaren twintig behouden. In werkelijkheid was de ideologie van het Vlaams-nationalisme onbestaande. Er moet eerder gesproken worden van een ideologisch amalgaam waarin zich twee vleugels zich duidelijk aftekenen: enerzijds een conservatieve revolutionaire anti-Belgische vleugel met een groeiende afkeer van het parlementaire overlegmodel, anderzijds een vooruitstrevend democratische vleugel die een federale hervorming van de staat voorstond".[522]

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[334] Maurits Basse (1868-1944) was doctor in de Germaanse filologie en was actief in flamingantische Gentse liberale kringen.  Zijn hoofdverdienste ligt in de publicatie van een geschiedenis van de Vlaamse Beweging over de jaren 1905-1930, die qua synthese echter tekort schiet.  Prevenier, "Basse, Maurits", N.E.V.B., 395.

[335] [Van Wateghem], 40 jaar Vlaams-nationalisme in De Volksunie van juli 1957 nummer 13.  Het bedoelde citaat komt uit: Basse, De Vlaamsche Beweging van 1905 tot 1930, Dl I, 270.

[336] JD[Vinks], 50 jaar activisme in Wij van september 1967 nummer 35.

[337] Ibidem.

[338] JD[Vinks], 50 jaar activisme in Wij van september 1967 nummer 35.

[339] Ibidem.

[340] Dierickx [Vinks], Roza de Guchtenaere in Wij van juli 1967 nummer 26.

[341] Wils, Flamenpolitik en activisme, 76.

[342] Elias, 25 jaar Vlaamse Beweging, dl I, 17.

[343] Wils, Flamenpolitik en activisme, 257.

[344] JD [Vinks], 50 jaar activisme in Wij van september 1967 nummer 35.

[345] Elias, 25 jaar Vlaamse Beweging, dl I, 101.

[346] Wils, Flamenpolitik en activisme, 31.

[347] Van Haegendoren, Het activisme op de kentering der tijden, 42-43.

[348] Wils, Flamenpolitik en activisme, 255-256.

[349] De Jong-Vlamingen waren de leden van Jong-Vlaanderen.  Deze actiegroep wilde tijdens de Eerste Wereldoorlog een radicaal Vlaams, tegen de Belgische staat gericht politiek programma verwezenlijken in nauwe samenwerking met de Duitse bezetter.  Ze namen in het activisme het radicaalste en meest anti-Belgische standpunt in.  Na de oorlog week een aanzienlijk deel van hen uit naar Nederland.  In latere jaren bleven ze vanuit Nederland hun onverzoenlijke anti-Belgische visies propageren.  Van Hees, "Jong-Vlaanderen", N.E.V.B., 1581-1583.

[350] Dierickx [Vinks], Reimond Kimpe in Wij van juli 1970 nummer 27.

[351] JD [Vinks], 50 jaar activisme in Wij van september 1967 nummer 35.

[352] Willemsen, Het Vlaams-nationalisme. De geschiedenis van de jaren 1914-1940, 69.

[353] Ibidem.

[354] Ibidem.

[355] Dixi, Waar is de tijd in De Volksunie van april 1961 nummer 15.

[356] JD [Vinks], 50 jaar activisme in Wij van september 1967 nummer 35.

[357] Dierickx [Vinks], Roza de Guchtenaere in Wij van juli 1967 nummer 26.  Roza de Guchtenaere kwam door Domela Nieuwenhuis Nyegaard in contact met het activisme en werd een vurige aanhangster van Jong-Vlaanderen.  Ze werd directrice van een normaalschool en een vurige propagandiste voor de vernederlandsing van het Vlaamse onderwijs.  Vandeweyer, "Guchtenaere, Rosa de", N.E.V.B., 1376-1377.

[358] Dixi, Waar is de tijd in De Volksunie van april 1961 nummer 15.

[359] Deckers, Van verraders tot martelaars.  De strafrechtelijke repressie van het activisme 1918-1921, 222.

[360] JD [Vinks], 50 jaar activisme in Wij van september 1967 nummer 35.

[361] Deckers, Van verraders tot martelaars.  De strafrechtelijke repressie van het activisme 1918-1921, 222.

[362] Wils, Flamenpolitik en activisme, 258, 260 en 262.

[363] Deckers, Van verraders tot martelaars.  De strafrechtelijke repressie van het activisme 1918-1921, 222.

[364] Dierickx [Vinks], Dr. Alfons Depla in Wij van augustus 1967 nummer 33.  Depla was voor de Eerste Wereldoorlog actief bij De Vlaamse Vlagge en zetelde in de provincieraad.  Hij koos als christen democraat voor het activisme.  Hij had zitting in de Raad van Vlaanderen en de commissie van zaakgelastigden.  Na de Eerste Wereldoorlog vestigde hij zich in Nederland, waar hij radicaliseerde.  In de latere Vlaamse Beweging werd hij als een idealistische activist gehuldigd, en werd hij een voorbeeld voor latere generaties.  Maes, "Depla, Alfons", N.E.V.B., 916-917.

[365] Dixi, Waar is de tijd in De Volksunie van april 1961 nummer 14.

[366] Baeyens, Het activisme te Antwerpen.  Gedachteninhoud van de Antwerpse activistische pers 1914-1918, 411.

[367] Dixi, Waar is de tijd in De Volksunie van april 1961 nummer 15.

[368] Dierickx [Vinks], Roza de Guchtenaere in Wij van juli 1967 nummer 26.  Irma Laplasse militeerde in het VNV en werd na de oorlog ter dood veroordeeld voor verraad en verklikking.  Seberechts, "Swertvaeger, Irma", N.E.V.B., 2928-2929.

[369] Jos van den Eynde, De prins student in De Volksunie van april 1955 nummer 4 en Luyten, Borms na 25 jaar in Wij van april 1971 nummer 16. 

[370] Elaut, Naar de IJzerbedevaart in Wij van augustus 1966 nummer 31.

[371] Van Haegendoren, De bron van ons Vlaams-nationalisme in Wij van november 1974 nummer 44.

[372] Deckers, Van verraders tot martelaars.  De strafrechtelijke repressie van het activisme 1918-1921, 225.

[373] Dixi, Waar is de tijd in De Volksunie van februari 1961 nummer 7.

[374] [Van Wateghem], 40 jaar Vlaams-nationalisme in De Volksunie van maart 1957 nummer 6.

[375] Kanttekeningen bij de IJzerbedevaart in De Volksunie van september 1955 nummer 16.

[376] Vooral de volgende geboden kwamen veelvuldig voor:

-4de: Laat alle Belgische partijpolitiek varen.

-6de: Beschouw al de belgicisten, de Vlaamse nog meer dan de Waalse, als vijanden van Vlaanderen.

-7de: Neem voor de bevrijding van Vlaanderen elke hulp aan, zelfs van den vreemde.

-10de in aangepaste vorm(!): met België als het moet, zonder België als het kan, in plaats van: Gij zult België verzaken.

[377] Van Overstraeten, Omver en er over in De Volksunie van augustus 1965 nummer 34.

[378] Heldenhulde in De Volksunie van augustus 1960 nummer 16.

[379] De Bondt, De betekenis van het IJzersymbool, een reuzenheldenhuldezerk in De Volksunie van augustus 1955 nummer 8.

[380] Bij de 15 de IJzerbedevaart in De Volksunie van augustus 1957 nummer 17.

[381] J.D. [Vinks], De frontbeweging in Wij van november 1968 nummer 45.

[382] J.D. [Vinks], De frontbeweging in Wij van november 1967 nummer 45 en Raskin in Wij van augustus 1967 nummer 32.

[383] Willemsen, Het Vlaams-nationalisme, 101.

[384] Didden, Houthakkers aan de Orne, 87-88.

[385] Dixi, Waar is de tijd in De Volksunie van april 1961 nummer 15.

[386] J.D. [Vinks], De frontbeweging in Wij van november 1968 nummer 45.

[387] [Van Wateghem], 40 jaar Vlaams-nationalisme in De Volksunie van maart 1957 nummer 6.

[388] Vandeweyer, Van activisme naar collaboratie.  Het weekblad Vlaanderen in de Vlaams Nationale politiek tussen de twee wereldoorlogen, 13-14, en Willemsen, Het Vlaams-nationalisme, 155.

[389] Castermans, De houding van de Fronters in het parlement tijdens de periode 1919-1925, 102.

[390] [Van Wateghem], Zo dacht het Vlaams-nationalisme in De Volksunie van februari 1958 nummer 3.

[391] H.B. [Van Wateghem], Lessen uit het verleden in De Volksunie van januari 1957 nummer 2.

[392] [Van Wateghem], 40 jaar Vlaams-nationalisme in De Volksunie van maart 1957 nummer 6.

[393] De boodschap van het front in De Volksunie van augustus 1964 nummer 32.

[394] Reynebeau, Het klauwen van de leeuw, 170-171.

[395] H.B. [Van Wateghem], Lessen uit het verleden in De Volksunie van januari 1957 nummer 2.

[396] [Van Wateghem], Zo dacht het Vlaams-nationalisme in De Volksunie van februari 1958 nummer 3.

[397] [Van Wateghem], De noodzaak van de Vlaams Nationale partij in De Volksunie van november 1959 nummer 22.

[398] [Van Wateghem], De noodzaak van de Vlaams Nationale partij in De Volksunie van augustus 1959 nummer 15.

[399] [Van Wateghem], Zo dacht het Vlaams-nationalisme in De Volksunie van februari 1958 nummer 3.

[400] J.D. [Vinks], De frontbeweging in Wij van november 1968 nummer 45.

[401] Onze Vlaamse hogeschool in De Volksunie van maart 1956 nummer 3.

[402] Dierickx [Vinks], Dr. Alfons Depla in Wij van augustus 1967 nummer 33.

[403] Onze Vlaamse hogeschool in De Volksunie van maart 1956 nummer 3.

[404] Wouters, De jongste der Kraaiende hanen wordt 80 jaar in De Volksunie van mei 1960 nummer 9.

[405] [Van Wateghem], De noodzaak van de Vlaams Nationale partij in De Volksunie van augustus 1959 nummer 15.

[406] Zijn verleden in De Volksunie van juni 1960 nummer 2.

[407] Van der Elst, Frans van Cauwelaert en de Vlaamse Beweging in Wij van februari 1971 nummer 6.

[408] Wils, De messias van Vlaanderen, Frans van Cauwelaert, 122, 167 en 175.

[409] Castermans, De houding van de Fronters in het parlement tijdens de periode 1919-1925, 100.

[410] Willemsen, Het Vlaams-nationalisme, 211.

[411] De Wever, Greep naar de macht, 44.

[412] Willemsen, Het Vlaams-nationalisme, 212.

[413] Zie hoofdstuk I.

[414] J.D. [Vinks], Aktuele Vlaamse standpunten in De Volksunie van juni 1964 nummer 23.

[415] Ibidem.

[416] Van Overstraeten, De oude onverzoenlijke in Wij van juni 1977 nummer 24.

[417] [Van Wateghem], Noodzaak van de Vlaams Nationale partij in De Volksunie van februari 1958 nummer 3.

[418] [Van Wateghem], Noodzaak van de Vlaams Nationale partij in De Volksunie van januari 1960 nummer 1.

[419] Max Lamberty (1893-1975) was doctor in de sociale wetenschappen en werkte voor de BWP.  Hij schreef verscheidene werken over de Vlaamse Beweging.  De Ridder en Van Hees, "Lamberty, Max",  N.E.V.B., 1772-1773.

[420] Jorissen, De strijd rond het nationalisme in De Volksunie van maart 1955 nummer 3, [Van der Elst], Antwoord aan Gerard van den Daele in De Volksunie van januari 1956 nummer 1, De liberaal Basse in De Volksunie van februari 1961 nummer 8 en Van der Elst, Het conflict tussen nationalisten en minimalisten in Wij van januari 1966 nummer 3.  Het bedoelde citaat komt uit: Basse, De Vlaamsche Beweging van 1905 tot 1930, Dl II, 61-62.

[421] H.B. [Van Wateghem], Lessen uit het verleden in De Volksunie van januari 1957 nummer 2, De socialist Lamberty in De Volksunie van februari 1961 nummer 8 en Van der Elst, Het conflict tussen nationalisten en minimalisten in Wij van januari 1966 nummer 3.  Het bedoelde citaat komt uit Lamberty, "De politieke geschiedenis en de Vlaamse Beweging", 251-252.

[422] [Van Wateghem], 40 jaar Vlaams-nationalisme in De Volksunie van maart 1957 nummer 6.

[423] Ibidem.

[424] H.B. [Van Wateghem], Lessen uit het verleden in De Volksunie van januari 1957 nummer 2.

[425] H.B. [Van Wateghem], Lessen uit het verleden in De Volksunie van januari 1957 nummer 2.

[426] [Van Wateghem], 40 jaar Vlaams-nationalisme in De Volksunie van maart 1957 nummer 6.

[427] Ibidem.

[428] H.B. [Van Wateghem], Lessen uit het verleden in De Volksunie van januari 1957 nummer 2.

[429] Herman Vos trad toe tot de Raad van Vlaanderen en behoorde tot de groep van de unionisten.  Na de oorlog werd hij veroordeeld voor zijn rol in het activisme.  In 1925 werd hij verkozen als volksvertegenwoordiger van de Frontpartij.  Hij genoot een groot aanzien dankzij zijn goede interpellaties in verband met het Belgisch Nederlands verdrag.  Na de oprichting van het VNV vervoegde hij de BWP, waarvoor hij volksvertegenwoordiger en minister werd.  Van Causenbroeck, "Vos, Herman", N.E.V.B., 3569-3571.

[430] Willemsen, Het Vlaams-nationalisme, 286.

[431] Zie ook hoofdstuk III.

[432] Van Causenbroeck, "Vos, Herman", N.E.V.B., 3569-3571.

[433] [Van Wateghem], Zo dacht het Vlaams-nationalisme in De Volksunie van februari 1958 nummer 3.

[434] Willemsen, Het Vlaams-nationalisme, 298-299.

[435] [Van Wateghem], Zo dacht het Vlaams-nationalisme, in De Volksunie van augustus 1959 nummer 15.

[436] [Van Wateghem], 40 jaar Vlaams-nationalisme in De Volksunie van maart 1957 nummer 6.

[437] [Van Wateghem], Noodzaak van de Vlaams Nationale partij in De Volksunie van februari 1958 nummer 3.

[438] [Van Wateghem], Noodzaak van de Vlaams Nationale partij in De Volksunie van februari 1958 nummer 3 en [Van Wateghem], Zo dacht het Vlaams-nationalisme in De Volksunie van februari 1958 nummer 3.

[439] [Van Wateghem], Zo dacht het Vlaams-nationalisme in De Volksunie van februari 1958 nummer 3.

[440] Zie hiervoor Beyen, Rasechte wetenschap, 173-203.

[441] [Van Wateghem], 40 jaar Vlaams-nationalisme in De Volksunie van maart 1957 nummer 6.

[442] Ibidem.

[443] [Van Wateghem], Zo dacht het Vlaams-nationalisme in De Volksunie van februari 1958 nummer 3.

[444] [Van Wateghem], Zo dacht het Vlaams-nationalisme in De Volksunie van maart 1958 nummer 5.

[445] [Van Wateghem], 40 jaar Vlaams-nationalisme in De Volksunie van maart 1957 nummer 6.

[446] Wils, De Groot-Nederlandse beweging 1914-1944: ontstaan, wezen en gevolgen, in Historica Lovaniensia 134, 442 en Wils, Vlaanderen, België, Groot-Nederland mythe en geschiedenis, 284-289 en Wils, Van Clovis tot Happart, 205-206.

[447] Elias, 25 jaar Vlaamse Beweging 1914-1939, dl II, 126.

[448] Ibidem, 119.

[449] Wils, Honderd jaar Vlaamse Beweging, dl II, 204.

[450] De Wever, Greep naar de macht, 91.

[451] [Van Wateghem], Zo dacht het Vlaams-nationalisme in De Volksunie van februari 1958 nummer 4.

[452] Ibidem.

[453] Ibidem.

[454] Ibidem.

[455] Ibidem.

[456] De Wever, Greep naar de macht, 55.

[457] Elias, 25 jaar Vlaamse Beweging.  1914-1939, dl. II, 121, 131, 133 en 141.

[458] De Wever, Greep naar de macht, 46.

[459] Willemsen, Het Vlaams-nationalisme, 216.

[460] Elias, 25 jaar Vlaamse Beweging1914-1939, dl III, 51 en Vos, "Van Vlaamse Leeuw tot rode vaan…en verder: de naoorlogse Leuvense studentenbeweging", 241-259.

[461] Zie onder andere De Bruyne, Dr. Hendrik Ballet ten grave gedragen, in Wij van augustus 1974 nummer 33 en Honderdste verjaardag dr. A. Borms in Wij van april 1978 nummer 16.

[462] Devroe, Jeroom Leuridan in Wij van juni 1974 nummer 25.

[463] Jorissen, Vlaanderen eerst in Wij van april 1973 nummer 14.

[464] [Van Wateghem], Zo dacht het Vlaams-nationalisme in De Volksunie van januari 1958 nummer 1 en [Van Wateghem], 40 jaar Vlaams-nationalisme in De Volksunie van april 1957 nummer 7.

[465] Ibidem.

[466] Ibidem.

[467] Ibidem.

[468] Ibidem.

[469] [Van Wateghem], Zo dacht het Vlaams-nationalisme in De Volksunie van januari 1958 nummer 2.

[470] [Van Wateghem], Zo dacht het Vlaams-nationalisme in De Volksunie van januari 1958 nummer 2.

[471] Ibidem.

[472] [Van Wateghem], Zo dacht het Vlaams-nationalisme in De Volksunie van juli 1958 nummer 13.

[473] Het IJzersymbool, in De Volksunie van augustus 1955 nummer 8.

[474] [Van Wateghem], Zo dacht het Vlaams-nationalisme in De Volksunie van juli 1958 nummer 13.

[475] Lannoo, Antimilitarisme en opkomend militarisme in de Frontpartij 1919-1927, 52.

[476] Voor de periode van het VNV en de collaboratie verwijzen we naar het volgende hoofdstuk.

[477] [Van Wateghem], Noodzaak van de Vlaams Nationale partij in De Volksunie van mei 1959 nummer 10.

[478] Ibidem.  Voor een juist begrip verwijzen we naar Lannoo, Antimilitarisme en opkomend militarisme in de Frontpartij 1919-1927, 79-86.

[479] JD [Vinks], Vlaanderen aan de IJzer: de tragedie 14-18 in Wij van juni 1974 nummer 26.

[480] Vandeweyer, Van activisme naar collaboratie.  Het weekblad Vlaanderen in de Vlaams Nationale politiek tussen de twee wereldoorlogen, 12-13.

[481] De Wever, Greep naar de macht, 57.

[482] Lannoo, Antimilitarisme en opkomend militarisme in de Frontpartij 1919-1927, 82.

[483] [Van Wateghem], Zo dacht het Vlaams-nationalisme in De Volksunie van maart 1958 nummer 6.

[484] Ibidem.

[485] [Van Wateghem], 40 jaar Vlaams-nationalisme in De Volksunie van maart 1957 nummer 6.

[486] Schiltz, Schelde-Rijnverbinding in De Volksunie van november 1964 nummer 44.

[487] De Volksunie van januari 1964 nummer 2.

[488] Cobbout, 20 jaar Volksunie, in Wij van september 1974 nummer 37.

[489] Coveliers, Het zelfbestuur van de frontbeweging en de sociale bewogenheid van het Daensisme blijven de pijlers van ons politiek denken en handelen in Wij van maart 1976 nummer 10.

[490] Van Overstraeten, Daens en Borms in Wij van maart 1978 nummer 12.

[491] Willemsen, Het Vlaams-nationalisme, 213.

[492] Ibidem, 167.

[493] Wils, Honderd jaar Vlaamse Beweging, dl II, 96.

[494] Willemsen, Bespreking van Het Daensisme in Vlaanderen, 118.

[495] We bespreken hier alleen de artikels over de IJzerbedevaarten die niet naar het VNV of de collaboratie verwijzen.  De artikels die dat wel doen bespreken we in het volgende hoofdstuk.

[496] Bij de XXX IJzerbedevaart in De Volksunie van augustus 1957 nummer 17 en Beck, De IJzerbedevaarten 1945-1965, 114-136 en 195-225.

[497] Dillen en Van Overstraeten, Moord onder narcose in De Volksunie van september 1955 nummer 9. 

[498] Jan Fransen werd doctor in de geneeskunde in1910 en gespecialiseerd in de psychologie.  In 1948 werd hij voorzitter van het IJzerbedevaartcomité en bleef dit tot 1968.  Hij zou zich vooral inzetten voor de bouw van de nieuwe toren.  Hij slaagde erin om de maar radicale gematigde tendensen in het comité in evenwicht te houden.  Hij speelde ook een rol in het binnenloodsen van gewezen collaborateurs op verkiesbare plaatsen op de lijsten van de CVP.  Vandeweyer, "Fransen, Jan F.", N.E.V.B., 1200.

[499] Dillen en Van Overstraeten, Moord onder narcose in De Volksunie van september 1955 nummer 9. 

[500] Ibidem. 

[501] Open brief aan het IJzerbedevaartcomité in De Volksunie van augustus 1956 nummer 15.

[502] Frans Daels had geneeskunde gestudeerd en werd vrijwillig militair arts in de Eerste Wereldoorlog.  Hij was de eerste voorzitter van het IJzerbedevaartcomité en zou dit blijven tot na de oorlog.  Hierdoor genoot hij een groot aanzien in de Vlaamse Beweging.  Hij steunde de Vlaamse nationale partijen en trad in 1940 toe tot een verruimde Raad van Leiding van het VNV.  Na de oorlog leefde hij in ballingsschap in Zwitserland tot hij in 1959 mocht terugkeren naar België.  De Wever, "Daels, Frans", N.E.V.B., 836-839.

[503] Een flauwe bedevaart in De Volksunie van september 1958 nummer 17. 

[504] Vlaamse Beweging en romantiek in De Volksunie van augustus 1958 nummer 16.

[505] De Bondt, Laat de doden hun doden begraven in De Volksunie van augustus 1956 nummer 15.

[506] De Bondt, Bij de jongste bedevaart in De Volksunie van september 1956 nummer 17.

[507] De Bondt, De greep van de politiekers naar de IJzerbedevaarten in De Volksunie van augustus 1955 nummer 8.

[508] Van Overstraeten, Het schandaal van Diksmuide in De Volksunie van oktober 1965 nummer 41.  Zie hiervoor ook De Lentdecker en Becuwe, Van IJzerfront tot zelfbestuur, 68-72.

[509] Elaut, Naar de IJzerbedevaart in Wij van augustus 1966 nummer 31.

[510] Elaut, Naar Dismuide op 4 juli in Wij van juni 1971 nummer 26.

[511] Elaut, Naar de IJzerbedevaart in Wij van augustus 1966 nummer 31.

[512] Hier ons Bloed!  Na 50 jaar: wanneer ons recht in De Volksunie van augustus 1964 nummer 32.

[513] Elaut, Naar Diksmuide op 29 juni in Wij van juni 1969 nummer 25 en Naar Diksmuide in Wij van juni 1969 nummer 26.

[514] IJzerbedevaarten gaan en komen.  De IJzerbedevaart blijft in Wij van juni 1978 nummer 26.

[515] Schiltz, De uitvoering van het IJzertestament is begonnen in Wij van juni 1977 nummer 26.

[516] De historische betekenis in Wij van juni 1977 nummer 23.

[517] Van Overstraeten, Bij een vergeten verjaardag in Wij van december 1977 nummer 51.

[518] Van Overstraeten, Zelfbestuur en Vlaamse regimenten in Wij van juni 1977 nummer 26.

[519] Schiltz, De laatste vredeskans in Wij van juni 1977 nummer 24, Schiltz, Van blauwdruk naar staat in Wij van juni 1977 nummer 25 en Schiltz, De uitvoering van het IJzertestament is begonnen in Wij van juni 1977 nummer 26.

[520] Maes, Bob, Ik ben anti-Egmonter maar geen Don Quichot in Wij van december 1977 nummer 50.

[521] Wils, Van Clovis tot Happart, 197.

[522] De Wever, Greep naar de macht, 89.