Een electorale en socio - professionele analyse van het vlaams–nationalisme in West–Vlaanderen, 1938–1976–2000. (Jeroen Adam)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

C) DE GEMEENTERAADSVERKIEZING VAN 1976

 

1) Historische inleiding

 

Het valt op dat we tot op heden beter geïnformeerd zijn over het tussenoorlogse dan over het naoorlogse Vlaams - nationalisme. Waar we voor de geschiedenis van het VNV onder meer een beroep kunnen doen op het standaardwerk van De Wever moet de geschiedenis van de Volksunie nog in grote mate geschreven worden. Typerend hierbij is b.v. dat Filip Boudrez zijn artikel over de Vlaamse Beweging in West – Vlaanderen moet afsluiten met de Tweede Wereldoorlog wegens een gebrek aan informatie voor de naoorlogse periode. De volgende korte inleiding op de geschiedenis van het partijpolitieke Vlaams – nationalisme na de Tweede Wereldoorlog is dan ook in hoofdzaak geschreven op basis van artikels uit de Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging die eens te meer een zegen blijkt te zijn voor wie over de Vlaamse Beweging werkt.

 

Bij dit overzicht beperken we ons chronologisch vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog tot de gemeenteraadsverkiezingen van 1976 omdat het deze laatste verkiezing is die we op electoraal en socio – professioneel gebied onder de loep nemen.

 

1.1) De moeilijke jaren na de Tweede Wereldoorlog

 

De Tweede Wereldoorlog waarin het VNV bewust de collaboratie instapte, zal een mokerslag betekenen voor de gehele Vlaamse Beweging. Door zowel interne strubbelingen tijdens de oorlog als door de nederlaag van het nationaal – socialisme verkeerde de Vlaamse Beweging na de oorlog in een diepe morele en politieke crisis. Intern was er geen cohesie meer te bespeuren en het aanleunen bij de fascistische ideologie tijdens de oorlog bracht het Vlaams – nationalisme in totaal diskrediet bij een groot deel van de publieke opinie.[143] Op die manier zullen de flaminganten in de eerste jaren na de oorlog grotendeels geïsoleerd staan in het politieke leven.

In de gemeenteraads – en parlementsverkiezingen van 1946 zal de Vlaamse Beweging dan ook geen enkele duidelijke partijpolitieke vertaling krijgen. Op het politieke niveau werden bepaalde Vlaamse eisen, in beperkte mate, verdedigd door vertegenwoordigers van andere partijen. Belangrijkste partij hierin was ongetwijfeld de CVP die op die manier een stuk van de Vlaamse Beweging wilde recupereren.[144] Enkel aan de rand van de maatschappij zullen enkele organisaties met een uitgesproken Vlaams karakter ontstaan zoals de jeugdbeweging ‘Zilvermeeuwtjes’.

 

Toch worden daarentegen in 1949 zowel de Volksunie en de Vlaamse Concentratie opgericht. De Volksunie verdwijnt snel van het politieke toneel maar de Vlaamse Concentratie neemt deel aan de parlements – en provincieraadsverkiezingen van 1949 en de gemeenteraadsverkiezingen van 1952. In 1949 werd geen enkele gekozene behaald. Voor de gemeenteraadsverkiezingen van 1952 kwam de Vlaams Concentratie in amper twaalf gemeenten op.[145] Enkel in Antwerpen worden enkele zeer beperkte electorale successen behaald waarna de partij in 1952 wordt opgedoekt.

In maart 1954 ontstond er een nieuwe poging tot Vlaams – nationalistische partijvorming onder de noemer van de Christelijke Vlaamse Volksunie (CVV). In de parlementsverkiezingen van 1954 slaagt deze partij er in één vertegenwoordiger te laten verkiezen. Vanwege dit slechte verkiezingsresultaat en de interne partijspanningen zal de CVV meteen na de verkiezingen van 1954 opgedoekt worden.[146]

 

Het partijpolitieke Vlaams – nationalisme zal pas een volwaardige start nemen met de oprichting van de Volksunie (VU) in november 1954 die zich vanaf 1957 zal beginnen profileren als een volwaardige politieke partij met de oprichting van een jongeren – en vrouwengroep. Toch zullen de beginjaren van de VU eerder moeizaam verlopen en in 1958 zal de VU enkel partijvoorzitter Van der Elst als vertegenwoordiger kunnen laten verkiezen. Toch zal de VU zich alsmaar sterker in de Vlaamse Beweging inplanten en in de jaren zestig zal de ene verkiezingsoverwinning na de andere in de wacht gesleept worden.

Deze heropleving van de Vlaamse Beweging in het algemeen en de partijpolitieke vertaling daarvan via de VU is onder meer te danken aan de vorming van een nieuwe en jonge volwaardige Vlaamse sociale elite vanaf de jaren vijftig die ontstaat op de golven van de sterke economische groei die Vlaanderen kenmerkte.[147] Ook de demografische expansie van Vlaanderen vormt een verklaringsfactor voor het terug op de voorgrond treden van verschillende Vlaamse eisen. Velen zullen namelijk het demografisch overwicht van Vlaanderen vertaald willen zien in een politiek overwicht.

 

1.2) De heropleving van het partijpolitieke Vlaams – nationalisme

 

In de jaren zestig zal de VU zich als een volwaardige partij in het politieke landschap kunnen handhaven. Tevens zal in de jaren zestig het ideologische profiel van de VU sterker afgelijnd worden. De partij verkiest een uitgesproken democratische optie en zal hierbij afstand nemen van de randmilities binnen de partij met een uitgesproken extreem – rechts karakter.[148] Hieraan gepaard wordt het enge federalistisch gedachtegoed uitgebreid met een toenemende belangstelling voor sociaal – economische thema’s waarin de partij vaak progressieve standpunten zal innemen. Dit betekent niet dat er volledig wordt gebroken met het vooroorlogse Vlaams – nationalisme. Verschillende figuren uit de vooroorlogse Vlaamse Beweging, die ook in de collaboratie verzeild raakten, zullen hun weg vinden naar functies binnen de VU. Ook vindt er in de jaren zestig een vlotte doorstroming plaats van de niet – partijpolitieke Vlaamse Beweging naar de VU.

 

De VU kent een eerste politieke doorbraak in 1961 wanneer 5 volksvertegenwoordigers en 2 senatoren verkozen worden. Vanaf dan zal, tot het einde van de jaren zeventig, iedere wetgevende verkiezing voor de VU op zijn minst een stagnatie maar meestal een vooruitgang betekenen. Begin jaren zestig spelen de maatschappelijke omstandigheden hierbij ongetwijfeld in het voordeel. De Marsen op Brussel en de ontgoocheling omtrent de taalgrenskwestie beroerden in hoge mate de publieke opinie en speelden in de kaart van de Volksunie.[149] In de wetgevende verkiezingen van 1965 zal de VU dan ook haar stemmenaantal tegenover 1961 verdubbelen en op die manier 12 gekozenen voor de kamer en 5 senatoren naar de Wetstraat sturen. Deze opmars wordt in de verkiezingen van 1968 en 1971 verder gezet. In 1968 verovert de VU 9,79% van de stemmen en behaalt hiermee 20 kamerleden en 9 senatoren. In 1971 doet de VU er nog een schepje bovenop door een score van 11,11% van de stemmen te behalen, hierdoor kunnen 21 kamerleden en 19 senatoren naar Brussel gestuurd worden. Naar het einde van de jaren zeventig zal deze opmars stagneren. In de wetgevende verkiezingen van 1974 wordt een zeer lichte achteruitgang geboekt en de verkiezing van 1977 kan het best omschreven worden als een status – quo. Dit belet de VU niet om via de onderhandelingen omtrent het Egmontpact in 1977 voor het eerst in de regering te zetelen wat als het culminatiepunt in een gestage electorale opmars kan beschouwd worden.

Een gelijklopende ontwikkeling valt waar te nemen voor de gemeenteraadsverkiezingen. Pas met de gemeenteraadsverkiezingen van 1964 nam de VU als een volwaardige politieke partij aan de verkiezingen deel. Toch werd in amper 100 gemeenten deelgenomen aan de verkiezingen en slechts in twintig gemeenten met een lijst onder de eigen naam.[150] Toch waren deze gemeenteraadsverkiezingen en vooral de verkiezingsresultaten in het Antwerpse zeer hoopgevend voor de VU – leiding.[151] Voor de gemeenteraadsverkiezingen van 1970 slaagde de partij er al in om 143 lijsten onder eigen naam in te dienen, 217 andere lijsten werden gesteund. Op die manier werden 613 Vlaams – nationalisten verkozen in diverse gemeentebesturen. In 12 gemeenten kwam een VU –burgemeester aan de macht.

In 1976 kwam de VU in 164 van de ondertussen tot 314 gefusioneerde Vlaamse gemeenten onder eigen naam op. Op deze manier werden 745 VU – mandatarissen verkozen. In het algemeen werden de resultaten van 1970 geëvenaard of overtroffen. In de gemeenteraadsverkiezing van 1982 zal deze opgang op gemeentelijk niveau nog verder gezet worden maar in de daaropvolgende gemeenteraadsverkiezing van 1988 werd er voor het eerst duidelijke achteruitgang geboekt.

 

De afvlakking van de electorale resultaten vanaf de jaren zeventig op nationaal niveau en de duidelijke regeringsbereidheid van de Volksunie zal koren op de molen zijn voor de rechts – conservatieve stroming binnen de VU die zich alsmaar meer in het nauw gedreven voelde. Vanaf de jaren zeventig komt de tweespalt tussen een rechts – conservatieve fractie en een eerder links – progressieve fractie nadrukkelijker aan de oppervlakte. Typische ankerpunten hierin zijn de discussies rond de abortuskwestie in 1973 en het aantreden van Hugo Schiltz als partijvoorzitter die zich liet onderscheiden door zijn progressieve denkbeelden.[152] Wanneer de VU naar het einde van de jaren zeventig electoraal begint te stagneren is dat het bewijs voor de rechtse vleugel dat de VU niet meer trouw is aan de originele uitgangspunten van het Vlaams – nationalisme en dit bijgevolg door de kiezer wordt afgestraft. Vooral de regeringsdeelname van de VU in 1977 en de daaropvolgende electorale afstraffing na de ‘mislukking’ van het Egmontpact zal de rechts – conservatieve vleugel binnen de VU in haar geloof sterken een eigen weg te kiezen.

Uiteindelijk zal deze rechtervleugel zich van de VU afscheiden en vanaf eind jaren zeventig onder de naam van het Vlaams Blok een eigen partij opstarten. Op deze en nog andere omwentelingen binnen het Vlaams – nationalisme komen we in het volgende hoofdstuk terug. Bedoeling nu is om voor de gemeenteraadsverkiezing van 1976, een moment waarop de VU duidelijk op het hoogtepunt van haar macht is en als partij nog altijd de exclusiviteit op het Vlaams – nationalisme kan claimen, een electorale en socio -professionele doorsnede van deze partij op te stellen.

 

 

2) Electoraale onderzoek

 

2.1) Methodologie: bronnen en werkwijze

 

In tegenstelling tot het hoofdstuk over het interbellum behoeft de electorale analyse van de gemeenteraadsverkiezing van 1976 heel wat minder methodologische uitleg. Eerst en vooral zijn alle resultaten terug te vinden via de nationale pers, wat betekent dat niet meer teruggegrepen moet worden naar de originele verkiezingsbronnen.[153] Voor deze verkiezing krijgen we dus alle resultaten op een schoteltje gepresenteerd, terwijl we voor het interbellum gemeente per gemeente alle resultaten zelf moesten samenstellen door verschillende bronnen samen te leggen. Dit betekent dat we voor deze analyse ook niet meer werden geconfronteerd met een vervelend probleem zoals onbekende lijsten waarvan de ideologische kleur onmogelijk achterhaald kon worden. Het fenomeen van de samengestelde lijsten en de kleurloze lijsten blijft daarentegen ook voor 1976 even sterk spelen als voor het interbellum.

Een ander voordeel tegenover de studie van de gemeenteraadsverkiezingen in het interbellum is het feit dat de gemeenteraadsverkiezingen van 1976 de eerste met gefusioneerde gemeenten zijn. Enige uitzondering hierop vormt het arrondissement Antwerpen dat in 1976 nog gemeenteverkiezingen hield met de niet – gefusioneerde gemeenten.[154] Om die reden werd dit arrondissement ook uit ons onderzoeksstaal geweerd. Ook het arrondissement Brussel werd, vanwege de specifieke tweetalige situatie, uit ons onderzoeksstaal geweerd.

Deze fusie heeft tot gevolg dat het aantal gemeenten drastisch gereduceerd werd tot 314 voor geheel Vlaanderen. Voordeel hiervan is dat een fenomeen zoals verkiezingen zonder strijd vanaf 1976 definitief tot het verleden behoren terwijl dit in het interbellum nog regelmatig voorkomt. De gemeenteraadsverkiezingen krijgen door de fusies met andere woorden een meer nationale gestalte. Dit betekent dat lokale factoren minder doorslaggevend worden en nationale politieke dimensies belangrijker worden in het al dan niet stemmen voor een partij.[155] Zo berekende Holvoet dat het aantal verkiezingen met een overwegend nationale verkiezingsgestalte in 1970 op 14,9% lag, terwijl dit aantal voor 1976 naar 28,1% stijgt. Het aandeel gemeenteraadsverkiezingen met een plaatselijke verkiezingsgestalte neemt bijgevolg gevoelig af.[156] Deze evolutie vormt voor ons ongetwijfeld een groot voordeel gezien wij ons onderzoek toch concentreren op nationale partijen en we met de vele stemmen op lokale partijtjes voor ons onderzoek eigenlijk heel weinig kunnen aanvangen.

Nadeel daarentegen is dat de electorale kaart die we zullen opstellen minder fijnmazig zal zijn dan wanneer de honderden verschillende gemeenten van voor de fusie in rekening worden gebracht. We kunnen met andere woorden niet meer afdalen tot op het lokale niveau van de zeer kleine gemeenten en kunnen enkel nog met grotere geografische omschrijvingen werken.

 

Het feit dat de verkiezingsresultaten rechtstreeks uit de nationale pers kunnen overgenomen worden en de sterke reductie van het aantal kiesomschrijvingen via de fusies van de gemeenten zorgt ervoor dat we voor deze electorale analyse meteen heel Vlaanderen in rekening hebben gebracht. Door de methodologische voordelen tegenover het interbellum zijn we nu in staat een groter onderzoeksstaal te verwerken en kunnen we onze resultaten meteen voor heel Vlaanderen laten gelden. Deze methodologische gemakken zorgen er anderzijds wel voor dat ons onderzoek voor 1976 (en 2000) wel minder nieuws zal brengen aan onderzoeksresultaten dan het onderzoek voor het interbellum. Waar onderzoek naar gemeenteraadsverkiezingen tijdens het interbellum nog zeer schaars is en daardoor nog vol zwarte gaten zit, is dit voor 1976 veel minder het geval. Onze hoofdbedoeling met deze electorale analyse is in de eerste plaats na te gaan welke partijen in welke socio – economische regio’s in Vlaanderen het sterkst penetreerden en hieraan gekoppeld stellen we ons vooral de vraag of de VU in de jaren zeventig al dan niet zijn sterkste voedingsbodem vond in verstedelijkte gebieden of in plattelandsgebieden.

 

Om dit te bereiken werd gebruik gemaakt van de ‘Lijst van de Belgische gemeenten en graad van urbanisatie[157] Hierop hebben we ons gebaseerd om de Vlaamse gemeenten in te delen volgens vier categorieën, nl.

 

I) Centrale gemeenten van de belangrijkste agglomeraties

II) Gemeenten met sterke morfologische verstedelijking

III) Gemeenten met matige morfologische verstedelijking

IV) Gemeenten met zwakke morfologische verstedelijking en rurale gemeenten

 

Ongetwijfeld vraagt het begrip morfologische verstedelijking wat nadere toelichting. De onderzoekers van het NIS definiëren morfologische verstedelijking op de volgende manier:

 

“Onder morfologische verstedelijking verstaat men het verschijnsel dat een ruimte fysisch ingenomen wordt door de mens en dat dit gematerialiseerd wordt door gebouwen, infrastructuren, e.a. door hem verwezenlijkt"[158]

 

Concreet komt dit er op neer dat er een classificatie van de Belgische gemeenten wordt opgesteld aan de hand van de twee variabelen bevolkingsdichtheid en het aandeel van de bebouwde oppervlakte. Dit is een iets andere invalshoek is dan de typologie die we gebruikten voor de gemeenteraadsverkiezing van 1938. Daar werden de gemeenten zuiver ingedeeld naar industrialisatiegraad en werd geen rekening gehouden met de bevolkingsgrootte van een gemeente. Dit betekent b.v. concreet dat voor 1938 alle kleine dorpjes rond het Kortijkse zoals Aalbeke, Desselgem of Dottenijs als geïndustrialiseerd geboekstaafd staan terwijl een middelgrote stad als Torhout onder de noemer van half - geïndustrialiseerd geplaatst wordt.

Voor 1976 en 2000 gebruiken we dus een classificatie die meer in rekening brengt dan de industrialiseringsgraad. Eerst en vooral wordt nu wel aandacht besteed aan het bevolkingscijfer van de verschillende gemeenten. Daarnaast wordt per gemeente het aandeel van de bebouwde oppervlakte in rekening gebracht. Dit gegeven slaat natuurlijk op meer dan pure industrialisering. Ook aspecten zoals de woonfuncties, de commerciële centrumfunctie… van een gemeente worden in deze classificatie verwerkt.

Deze verschillende methodologische invalshoeken tussen de classificatie van de gemeenten tijdens het interbellum en de gemeenteraadsverkiezingen van 1976 en 2000 hebben voor gevolg dat sterk moet opgelet worden met al te voor de hand liggende vergelijkingen tussen het interbellum en de gemeenteraadsverkiezingen van 1976 en 2000. In ons groot besluit komen we hier nog op terug.

 

2.2) Electorale onderzoeksresultaten

 

Zoals reeds gesteld hebben we met dit hoofdstuk in de eerste plaats de bedoeling te meten in welke socio – economische gebieden de VU haar sterkste voedingsbodem vond. Hiervoor werden de absolute verkiezingsresultaten van alle gemeenten uit de pers overgenomen en in een databank geplaatst. Vervolgens werden alle gemeenten in de voornoemde vier socio – economische categorieën ingedeeld en werden alle absolute resultaten per gemeente bij elkaar geteld. Op die manier bekom je op een zeer rudimentaire manier het resultaat van elke politieke partij per socio – economische regio.

In de eerste tabel hebben we er echter voor geopteerd om enkel die gemeenten in rekening te brengen waar de VU een zelfstandige lijst heeft ingediend. Vervolgens werd tussen deze gemeenten de opsplitsing gemaakt naar onze vier socio – economische categorieën. Bij deze werkwijze spreekt het vanzelf dat enkel nog de relatieve vergelijking tussen de vier socio – economische arrondissementen van tel is en dat de procentuele resultaten op zich dus niets zeggen over de sterkte van de VU in Vlaanderen gezien die gemeenten niet werden meegeteld waar de VU niet opkwam. Het gemiddelde bedraagt ook hier weer een gewogen gemiddelde waarbij het aandeel van de stedelijke lijsten groter is omdat daar het meeste stemmen geteld worden. Op die manier komen we voor de VU tot volgende resultaten.

 

A. I

16,5%

II

13,8%

III

11,3%

IV

9,7%

Gem.

13,5%

 

Uit bovenstaande tabel blijkt duidelijk dat de VU in 1976 haar sterkste electorale succes in de verstedelijkte gebieden kende en dat het succes alsmaar afneemt naarmate de gebieden landelijker worden. Een VU – lijst die in een gemeente met veel morfologische verstedelijking werd ingediend had gemiddeld dus meer kans een goed verkiezingsresultaat te boeken dan wanneer deze lijst werd ingediend in een gebied met een lage morfologische verstedelijking. De VU penetreert dus het best in verstedelijkte gebieden en kan volgens ons daarom ook in de eerste plaats een stadspartij genoemd worden.

 

Dit blijkt ook als we de vergelijking aangaan met andere partijen. In tegenstelling tot bovenstaande tabel waar enkel de gemeenten met zelfstandige VU – lijsten werden opgenomen, worden in onderstaande tabel alle Vlaamse gemeenten, met uitzondering van de kiesarrondissementen Antwerpen en Brussel, opgenomen. Bij deze werkwijze ontstaan echter problemen met de samengestelde lijsten die ook voor de verkiezing van 1976 werden ingediend. Het betreft hier allianties die tussen twee of meerdere politieke partijen worden aangegaan. Probleem hierbij is dat we het verkiezingresultaat niet kunnen koppelen aan één welbepaalde politieke partij waardoor dat verkiezingsresultaat eigenlijk onbruikbaar wordt. In 1976 werden, enkel door de nationale pers te raadplegen, in alle Vlaamse gemeenten zo’n 11 samengestelde lijsten ingediend waarvan de VU aan 8 deelnam.[159] Probleem is natuurlijk dat op die manier de electorale resultaten wat worden getroebleerd.

Daar de VU vaak participeerde in samengestelde lijsten zal het uiteindelijke resultaat van de VU waarschijnlijk lichtjes onderschat zijn, omdat de VU - raadsleden, verkozen via een samengestelde lijst niet bij het uiteindelijke resultaat van de VU kunnen geteld worden. Maar zoals we ook voor het interbellum schreven, is het ons niet om de cijfers achter de komma te doen maar willen we vooral de krachtlijnen die nadrukkelijk naar voor komen distilleren. Hierbij komen we tot volgende resultaten.

 

 

VU

PVV

CVP

BSP

KPB

AMADA

C.Dem.

ACW

Samen.

FDF

kleurl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

I

13,9%

15,7%

38,6%

24,5%

1,8%

0,8%

0%

0%

2,5%

0%

2,2%

II

8,8%

8,5%

39,4%

17,9%

0,2%

0,2%

0%

1,1%

0,8%

0,7%

22,4%

III

6,3%

10,5%

41,3%

13,9%

0%

0,1%

1,0%

0,2%

0,3%

0%

26,4%

IV

4,9%

5,6%

42,1%

11,4%

0%

0,1%

1,9%

0,4%

0,2%

0%

33,4%

Gem.

8,7%

10,7%

40,1%

17,4%

0,5%

0,3%

0,5%

0,4%

1%

0,2%

20,2%

 

Ook bij de vergelijking met andere partijen blijkt duidelijk dat de VU in de eerste plaats als een stadspartij kan beschouwd worden. Het resultaat dat de VU behaalt in de grote steden van Vlaanderen ligt gemiddeld zelfs bijna drie keer hoger dan het gemiddelde in de landelijke gebieden. Ook de liberale, de socialistische en de communistische partijen laten zich in de eerste plaats kenmerken als stedelijke partijen. Enkel de CVP en daaraan gelieerd de christen – democratische en de ACW-lijsten vinden een sterkere inplanting in de landelijke gebieden.[160] Ook kleurloze lijsten kennen een stijgend succes in meer rurale gebieden.

 

Pientere geesten zullen ondertussen al wel bemerkt hebben dat het aandeel van die kleurloze lijsten voor een serieuze vertekening van ons electoraal beeld zorgen. Wanneer in de landelijke gebieden het aandeel van de kleurloze lijsten alsmaar toeneemt, betekent dit dat alle andere nationale partijen in de landelijke gebieden vanzelfsprekend gemiddeld mindere resultaten halen. Bijgevolg is de kans veel groter dat alle nationaal georganiseerde partijen als typische stedelijke fenomenen worden bestempeld. De vraag die met andere woorden moet gesteld worden is of bovenstaande bevindingen nog altijd dezelfde blijven als we alle kleurloze lijsten uit ons onderzoeksstaal weren. Is het feit dat de VU, PVV en BSP betere electorale resultaten in verstedelijkte gebieden behalen enkel te wijten aan de toename van kleurloze lijsten in deze landelijke gebieden of aan het feit dat verstedelijkte gebieden inderdaad ontvankelijker zijn voor het gedachtegoed van de VU?[161]

Om dit te achterhalen hebben we bovenstaande oefening nog eens over gedaan maar werden hier alle stemmen op kleurloze lijsten uit ons onderzoeksstaal geweerd.

 

 

VU

PVV

CVP

BSP

KPB

AMADA

C.D.

ACW

Samen.

FDF

I

14,2%

16,0%

39,6%

25,1%

1,8%

0,8%

0%

0%

2,5%

0%

II

11,4%

10,9%

50,8%

23,1%

0,3%

0,2%

0%

1,4%

1%

0,9%

III

8,5%

14,2%

56,3%

18,8%

0%

0,1%

1,4%

0,2%

0,5%

0%

IV

7,3%

8,4%

63,3%

17,1%

0%

0,1%

2,9%

0,6%

0,3%

0%

Gem.

10,9%

13,4%

50,3%

21,7%

0,6%

0,3%

0,7%

0,5%

1,3%

0,3%

 

Ook hier blijkt hier nogmaals dat de sterkste voedingsbodem voor de VU, net als voor de PVV, BSP en de communistische partijen zich in de steden bevindt, hoewel de verschillen tussen de verschillende socio – economische streken iets minder nadrukkelijk zijn dan in vorige tabel. Opvallend is wel hoe de PVV het in steden met een matige morfologische verstedelijking merkelijk beter doet dan in steden met een sterke morfologische verstedelijking maar dan weer een stuk slechter dan in de centrale gemeenten van de belangrijkste agglomeraties. De CVP laat zich hier nog nadrukkelijker gelden als de plattelandspartij bij uitstek.

 

Hoe verhouden deze resultaten zich nu tot de bestaande inzichten omtrent de geografische inplanting van het Vlaams - nationalisme? Het is duidelijk dat er tot hier toe zeer weinig systematisch onderzoek naar dit vraagstuk werd gevoerd. Een interessant uitgangspunt vormt alleszins de these van Nielsen die beweert dat het naoorlogse Vlaams – nationalisme (bedoeld wordt de VU) vooral opgang maakte in gebieden die gekenmerkt worden door een hoge tewerkstelling in de tertiaire sector. Sterk geïndustrialiseerde gebieden daarentegen kenmerken zich door een lage steun voor de Volksunie. De socialistische partij heeft wel zijn sterkste basis in industriële gebieden met veel commerciële activiteit. De katholieke partij kent een sterke aanhang in de meer rurale streken maar kan ook bogen op steun vanuit industriële gebieden via de affiniteit met haar vakbond.[162]

De resultaten die wij behaalden zijn zeker niet in tegenspraak met wat Nielsen beweert maar kunnen zijn stellingen ook niet meteen bevestigen gezien wij met de variabele van de morfologische verstedelijkingsgraad werken en deze variabele geen onderscheid maakt tussen een hoge mate van activiteit in de industriële sector en een hoge mate van activiteit in de tertiaire sector.

Gebieden met een lage morfologische verstedelijking kenmerken zich volgens ons model net door een hoge mate van activiteiten in de primaire sector, typisch die gebieden waar de katholieke partij, die zich gesteund weet door een sterke rurale achterban, het best gedijt.

Als we de stelling dat de VU vooral succes kent in gebieden met tewerkstelling in de tertiaire sector willen toetsen aan de waarheid, moeten we ook een socio – professionele component aan ons onderzoek koppelen. Is het effectief zo dat als het Vlaams – nationalisme, aldus Nielsen, vooral gedijt in deze regio’s, de beroepen uit deze tertiaire sector ook oververtegenwoordigd zijn in de socio – professionele samenstelling van de Volksunie?

 

 

3) Socio – professioneel onderzoek

 

3.1) Inleiding

 

Waar we onze socio – professionele analyse voor de jaren dertig nog konden inleiden met algemene theoretische beschouwingen over onderzoek naar de sociologie van fascisme en fascistoïde bewegingen, zal dit voor dit hoofdstuk onmogelijk zijn. Blijkbaar hebben naoorlogse en meer gematigde nationalistische bewegingen minder tot de verbeelding van onderzoekers gesproken om te achterhalen welke volkslagen deze politieke bewegingen aanspraken. Dit geldt zeker voor de VU. Zoals ook al in onze historische inleiding aangetoond moet de geschiedenis van de VU nog in grote mate geschreven worden en het is daarbij vanzelfsprekend dat ook onderzoek naar de sociologische achtergrond van de VU nog in zijn kinderschoenen staat[163]. Het lijkt ons nochtans duidelijk dat onderzoek met een sociologische invalshoek ook hier een verhelderend licht kan werpen op het succes van een nationalistische maar gematigde politieke beweging als de VU.

 

Dit is dan ook de eerste bedoeling van dit hoofdstukje. Namelijk een aanzet geven tot het beter begrijpen van welke structurele sociale veranderingen het gestage naoorlogse succes van de Volksunie mogelijk hebben gemaakt. Welke sociale groepen in de samenleving waren het electorale draagvlak waar de Volksunie kon op steunen? Het spreekt vanzelf dat de oplossing van dergelijke probleemstelling een uitgebreider onderzoek vergt dan de beperkte socio – professionele analyse die wij hier voor de gemeenteraadsverkiezing van 1976 voor de provincie West – Vlaanderen uitvoerden. We hopen dan ook dat we met deze casus – analyse een aanzet kunnen geven tot een breedvoeriger onderzoek dat zich meer concentreert op de raaklijnen tussen sociale en politieke geschiedenis.

 

3.2) Methodologie: bronnen en werkwijzen

 

De methode die we voor deze socio – professionele analyse gebruikten, verschilt in vrij weinig van de methode die we voor het interbellum hanteerden. Vele methodologische problemen omtrent de waarde van een beroep, een adequate beroepsclassificatie…komen ook hier onder dezelfde gedaante terug. Het ligt echter niet in de lijn van onze bedoelingen om deze problemen nogmaals één voor één te bespreken. We hopen dit al op een adequate manier in ons onderzoek over het interbellum te hebben gedaan.

 

Liever zouden we ons in dit hoofdstuk op één niet te onderschatten methodologische moeilijkheid concentreren. Deze moeilijkheid komt hierop neer: een maatschappij is geen statisch gegeven maar transformeert zich doorheen de tijd. Politieke instellingen passen zich aan, productieverhoudingen veranderen, culturele identiteiten wisselen… Dit heeft voor gevolg dat een socio – professionele classificatie voor de jaren dertig nooit kritiekloos kan overgeplaatst worden naar een maatschappij van veertig jaar later. Wanneer in de jaren dertig een onderwijzer kan gerekend worden tot de ambtenaren van de hogere rang, kan dit dan nog in de jaren zeventig, laat staan in het jaar 2000? Het is duidelijk dat sociale verhoudingen via economische verschuivingen doorheen de jaren veranderen en dat een sociale classificatie zich aan deze wisselende omstandigheden moet aanpassen.

Toch betekent dit niet dat onze classificatie van het interbellum onbruikbaar is geworden. Een ongeschoolde arbeider blijft in 1976 (en 2000) een ongeschoolde arbeider, hetzelfde geldt voor pakweg een landbouwer en een ambtenaar. De grootste problemen stellen zich in feite enkel in de categorieën ambtenaren hogere rang en ambtenaren lagere rang. Zoals ons voorbeeld over de onderwijzer aantoonde zijn hier tussen 1938 en 1976 enkele ingrijpende veranderingen opgetreden die ervoor zorgen dat wat in 1938 als ambtenaren hogere rang bestempeld kon worden, niet meer kan voor 1976. Hierop hebben we op aanraden van prof. Vanhaute in eerste instantie geopteerd om één categorie ambtenaren samen te stellen waarin zowel de hogere als de lagere rang verwerkt zitten. Het is ook deze categorie die we telkens zullen gebruiken in onze hoofdtabellen. Daarnaast hebben we op eigen kracht een nieuwe indeling tussen lagere rang en hogere rang proberen op te stellen die we echter niet in de hoofdtabel opnemen maar apart weergeven.[164] Het leek ons gerechtvaardigd dit onderscheid te blijven maken, zeker als voor het jaar 2000 de categorie ambtenaren zeer grote proporties aanneemt en het ons voor de diepte van de interpretatie beter leek om toch een differentiatie aan te brengen in deze grote groep. Hoogst waarschijnlijk kan op deze indeling die we in bijlage 6 hebben uitgewerkt wat kritiek geleverd worden in die zin dat een beroep al dan niet tot de lagere of hogere categorie ambtenaren moet gerekend worden. Misschien zal deze kritiek wel terecht zijn maar we vragen de lezer ook hier terug zich niet blind te staren op de absolute getallen maar vooral de relatieve vergelijking tussen de verschillende partijen in rekening te brengen. Wanneer pakweg het aandeel ambtenaren lagere rang wat aan de te hoge kant ligt, zal dit voor alle partijen gelden en kunnen die partijen met het hoogste aandeel ambtenaren lagere rang nog altijd gedetecteerd worden.

 

Een ander belangrijk probleem dat met de veranderende sociale verhoudingen doorheen de geschiedenis gepaard gaat, betreft de interpretatie van de gegevens. Bij een lange – termijn aanpak van de socio – professionele analyse van het Vlaams – nationalisme mogen we enkel uitspraken doen op basis van vergelijkingen tussen de partijen op hetzelfde tijdstip en niet op basis van vergelijkingen tussen de partijen doorheen de verschillende tijdstippen. Zo zou je als lezer de fout kunnen maken dat tussen 1938 en 1976 het Vlaams – nationalisme erin geslaagd is een veel grotere aanhang onder ambtenaren te verwerven. Dit is echter niet meer dan normaal gezien tussen 1938 en 1976 het aantal ambtenaren in de maatschappij in het algemeen zeer sterk is toegenomen. De vraag die dus moet gesteld worden is de volgende: is het aantal ambtenaren voor de Vlaams – nationalistische partijen, in vergelijking met de andere partijen, al dan niet gestegen? Dit is zeer belangrijk om de gegevens over de lange termijn in het juiste licht te kunnen interpreteren.

 

Tenslotte vermelden we voor deze methodologische inleiding nog enkel dat we ook een nieuwe socio – professionele categorie hebben bijgemaakt. Het betreft hier een kolom met studenten. Deze categorie hebben we voor het interbellum nog niet ingebracht omdat het aantal studenten hier een verwaarloosbare restfractie bedroeg die we onder de categorie varia hebben geplaatst. Vanaf 1976 (en zeker voor 2000) maken studenten alsmaar meer deel uit van de kandidaten en daarom leek het ons gerechtvaardigd om voor deze socio – professionele groep een eigen categorie in het leven te roepen, temeer het heel int