| Een electorale en socio - professionele analyse van het vlaams–nationalisme in West–Vlaanderen, 1938–1976–2000. (Jeroen Adam) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Hoogst waarschijnlijk zal de lezer van deze thesis al in zekere mate op de hoogte zijn van de geschiedenis van het Vlaams – nationalisme en hoewel we er onszelf toe verbinden ons te concentreren op eigen, nieuwe onderzoeksresultaten, lijkt het ons toch essentieel een korte inleiding te geven op de geschiedenis van het Vlaams – nationalisme tijdens het interbellum. Bedoeling hiervan is bepaalde begrippen en gebeurtenissen waarnaar we verwijzen tijdens het verdere verloop van deze thesis niet telkens te moeten toelichten. In de mate van het mogelijke zullen we ons in deze inleiding concentreren op de eigenheden van het Vlaams- nationalistische verhaal in West – Vlaanderen.
Het grootste deel van wat volgt is gebaseerd op het doctoraat van Bruno De Wever: “Greep naar de macht, Vlaams-nationalisme en Nieuwe Orde, het VNV 1933-1945”[14]. Het artikel ‘West – Vlaanderen uit de Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging en enkele licentiaatverhandelingen toetsen de algemene lijnen van de geschiedenis van de Vlaamse Beweging tijdens het interbellum aan de West – Vlaamse casus.[15]’
Het echte startschot voor het partijpolitieke Vlaams – nationalisme wordt gegeven in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog.[16] Het is pas vanaf de Eerste Wereldoorlog dat de Vlaamse Beweging een duidelijke vertaling zal krijgen op het partijpolitieke vlak onder de vorm van het ‘Vlaamsch front’ of de Frontpartij. Dit vormt ook de reden waarom we dit overzicht pas beginnen vanaf de Eerste Wereldoorlog. Ook voor de Eerste Wereldoorlog waren duidelijke vormen van Vlaamsgezindheid waar te nemen maar deze Vlaamsgezindheid kreeg nog geen vertaling op het partijpolitieke vlak en manifesteerde zich meer in losse federaties of culturele verenigingen. Met de frontpartij komt deze partijpolitieke vertaling er wel.
1.1) De Frontbeweging en het activisme
De frontpartij werd geboren achter en aan het front van de IJzer uit Vlaamse ongenoegens die zich kanaliseerden in de frontbeweging waar veel West – Vlamingen overigens een groot aandeel in hadden. De eerste tekenen van Vlaamse ongenoegens treffen we aan begin 1915 wanneer de eerste taalklachten opdoken bij flamingantische intellectuelen die regelmatig contact hadden met frontsoldaten.[17] Het politieke establishment zal deze eisen echter negeren waardoor achter de IJzer onder een bepaalde groep soldaten de Vlaamsgezindheid alsmaar stijgt en de al dan niet vermeende francofone dominantie fel bekritiseerd wordt. Deze personen zoeken elkaar op waardoor een echte Frontbeweging ontstaat die een vrij dynamische activiteit aan de dag zal leggen. Zo wordt het in de loop van 1917 alsmaar duidelijker dat de Frontbeweging een reële macht vertegenwoordigt.[18] Naar het einde van 1917 zal de Frontbeweging ook alsmaar grotere spanningen binnen het leger veroorzaken wanneer blijkt dat zowel de legerleiding, de koning als de legerleiding geen duimbreed toegeven aan de Vlaamse eisen.
Naast deze Frontbeweging gaf de Eerste Wereldoorlog ook het startsein voor het activisme. Het betreft hier een beweging die, in samenwerking met de Duitse bezetter, een zo groot mogelijke zelfstandigheid voor Vlaanderen wilde bekomen. Dit activisme toonde zich opvallend radicaal in zijn afwijzing van het unitaire België.[19] Toch zullen de activisten met hun optreden de Vlaamse Beweging kort na de Eerste Wereldoorlog in een negatief daglicht stellen en een golf van Belgicistisch patriottisme oproepen.
De belangrijkste rol van zowel het activisme als de Frontbeweging ligt hierin dat de Vlaamse Beweging radicaler uit de oorlog komt en dat vanaf 1918 de Vlaamse problematiek veel zwaarder op de politieke agenda begint te wegen.[20] Deze radicalisering blijkt ook sterk in West – Vlaanderen waar na de Eerste Wereldoorlog het radicaal en reactionair - katholiek karakter van de Vlaamse Beweging nog sterker in de verf wordt gezet.[21] De symbiose tussen flamingantisme en christen – democratie wordt overigens in het algemeen na de Eerste Wereldoorlog nadrukkelijker.[22] Ook zullen West – Vlaamse vertegenwoordigers in de radicalisering van de Vlaamse Beweging tijdens het gehele interbellum vaak het voortouw nemen.
1.2) De Frontpartij
Wanneer de Duitsers zich in 1918 van het IJzerfront terugtrekken zal de frontbeweging zich, niettegenstaande enkele revolutionaire aspiraties aan de rand, vrij snel inschakelen in het parlementair – democratisch systeem onder de naam van het ‘Vlaamsch front’ of, beter bekend, de Frontpartij.
In de eerste nationale verkiezingen na de Eerste Wereldoorlog slaagde de Frontpartij er in West – Vlaanderen niet in één gekozene te behalen. De Frontpartij had in het jaar na de wapenstilstand nog nagenoeg geen organisatie opgebouwd en kon in West – Vlaanderen enkel in de arrondissementen Brugge en Oostende – Veurne – Diksmuide een eigen lijst indienen. In het arrondissement Ieper kwam een kartel met dissidente katholieken tot stand. Waar de Frontpartij er echter in slaagde een lijst in te dienen, behaalde ze vrij behoorlijke resultaten voor een jonge partij, temeer België op dat moment in een uitgesproken Belgisch – patriottisch klimaat leefde.[23] Volgens Witte, Gevers en Willemsen kende de Frontpartij kort na de oorlog vooral in achtergebleven plattelandsgebieden succes omdat ze de erfenis van buiten de katholieke partij gebleven christen – democratische groeperingen voor een belangrijk deel overnam.[24]
Met de parlementverkiezingen van 1921 zal de Frontpartij er in West – Vlaanderen in slagen twee gekozenen te behalen, met name Emile Butaye voor het arrondissement Ieper en Joris van Severen voor het arrondissement Roeselare – Tielt. Bij deze verkiezingen valt voor het eerst de sterkte van de Frontpartij in het arrondissement Ieper op met Emile Butaye aan het hoofd. Het gehele interbellum door zal dit arrondissement een sterkhouder worden voor het Vlaams – nationalisme in West – Vlaanderen en zelfs geheel Vlaanderen. De arrondissementen Brugge en Kortrijk zullen daarentegen altijd de zwakke broertjes blijven. In de gemeenteraadsverkiezingen van datzelfde jaar zal de Frontpartij slechts in 6 West – Vlaamse gemeenten een eigen lijst indienen. Via nog enkele kartels in andere gemeenten slaagt de Frontpartij erin om voor heel West – Vlaanderen een povere 27 gemeenteraadsleden te laten verkiezen.[25]
De Frontpartij zal door vele vooraanstaande Vlaams – nationalisten echter als te gematigd ervaren worden en daardoor zullen in de schoot van de Frontpartij initiatieven genomen worden die de radicaliteit van de Frontpartij moeten verzekeren. Aan dergelijke initiatieven zullen West – Vlamingen vaak een belangrijke bijdrage leveren. Typisch is ook dat in West – Vlaanderen meteen het Godsvrede – standpunt van de Frontpartij, dit betekent het opzijzetten van alle politieke geschillen om "Zelfbestuur" voor Vlaanderen te bekomen, wordt verlaten. Volgens vele vooraanstaande Vlaams – nationalisten stond de Vlaamse Beweging in West – Vlaanderen in een verder gevorderd stadium dan in andere provincies en was dergelijke Godsvrede in West – Vlaanderen bijgevolg niet meer nodig.[26]
Al deze lokale initiatieven zullen er onder meer toe leiden dat in 1923 de Frontpartij, die al niet meteen uitblonk door een gedisciplineerde organisatorische uitbouw, omgevormd wordt tot een federatie van autonome losse groepen. Op deze manier zal vanaf het midden van de jaren 1920 het partijpolitieke Vlaams – nationalisme zich uitsluitend op provinciale en arrondissementele basis ontwikkelen.[27]
1.3) De oprichting van het KVNV
Het wekt geen verwondering dat de inhoudelijke invulling die in West – Vlaanderen aan dat provinciale Vlaams – nationalisme wordt gegeven, getuigt van een uitgesproken katholieke overtuiging en een radicaal – autoritaire geest. In de aanloop naar nieuwe verkiezingen werd in 1925 het Katholiek Vlaamsch Nationaal Verbond (KVNV) opgericht dat ontstond uit een samensmelting van de Roomsch Katholieke Vlaamsch Nationale Vereeniging (RKVNV) onder leiding van Jeroom Leuridan en de Roomsch Katholieke Vlaamsch Nationale Groep (RKVNG) van Joris van Severen. Diezelfde van Severen werd hoofdman van het KVNV waardoor meteen iemand aan de leiding kwam met uitgesproken autoritaire opvattingen. Bij het KVNV speelde een duidelijke afkeer van parlementaire partijpolitiek, wat onder meer blijkt uit het feit dat het uitdrukkelijk om een verbond gaat en geen partij.[28] Ook het KVNV blonk overigens niet uit qua ideologisch en organisatorisch gestroomlijnde uitbouw. Wel kenmerkend was een ultrakatholieke ingesteldheid waarbij men zijn best deed katholieker te zijn dan de katholieke partij zelf. Toch leefde het Vlaams – nationalisme in West - Vlaanderen altijd op zeer gespannen voet met de katholieke kerk die vertrok vanuit een belgicistisch en unitair standpunt.[29] Bij de eerste verkiezingen van het KVNV in 1925 worden de twee gekozenen, van Severen en Butaye behouden. Terug valt de score van Butaye op in het arrondissement Ieper waar het KVNV 29% haalde. De slechtste resultaten worden weer geboekt in de arrondissementen Brugge en Kortrijk. Over het algemeen kan het electorale resultaat van de provincie West – Vlaanderen tot het betere in Vlaanderen bestempeld worden.[30]
Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1926 wordt duidelijk dat de Vlaams – nationalisten stilaan meer voet aan de grond krijgen, wat onder meer te wijten is aan de uitbouw van een kleine Vlaams – nationalistische zuil op lokaal niveau.[31] Op de concrete invulling van deze gemeenteraadsverkiezingen komen we verder uitgebreider terug. Deze alsmaar sterkere uitbouw blijkt ook uit de parlementsverkiezingen van 1929 waar de Vlaams – nationalisten erin slagen om naast Butaye ook Jeroom Leuridan en Marcel van den Bulcke naar het parlement te sturen. Dit betekent evenwel dat van Severen niet meer herkozen wordt.
Probleem is echter dat het tegen het einde van de jaren twintig alsmaar duidelijker werd dat het georganiseerde Vlaams – nationalisme niet meer was dan een conglomeraat van lokale partijtjes met verschillende benamingen.[32] Hierop worden verschillende pogingen tot eenheid ondernomen die echter allen op een sisser uitlopen. Zo werd in 1928 een poging ondernomen om alle Vlaams – nationalistische katholieke partijen onder de koepel van het Algemeen Vlaams – nationalistisch Verbond (AVNV) te herbergen. In het directorium hiervan zetelde onder andere van Severen die, samen met andere KVNV’ers, met zijn radicale en autoritaire denkbeelden het AVNV deed ontploffen alvorens het echt van start kon gaan.[33]
Ook maakt van Severen zich binnen het KVNV alsmaar onmogelijker en vergroot op die manier de kloof die altijd heeft bestaan tussen de groep van Severen en de groep Leuridan. Van Severen begint meer en meer een uitgesproken solidaristische, corporatieve staatsstructuur voor te staan en zweert het parlementaire systeem af. Zijn grote voorbeeld hierin was het Italiaans fascisme van Benito Mussolini.[34] De niet – herverkiezing van van Severen bij de parlementsverkiezingen van 1929 heeft daarenboven ongetwijfeld geholpen in de alsmaar onafhankelijker koers die van Severen begon te varen. In mei 1930 neemt hij uiteindelijk ontslag als hoofdman van het KVNV. In september 1931 wordt hij tenslotte uit de partij gezet waarop hij meteen het Verdinaso sticht.[35] Dit Verdinaso zal in hoofdzaak een West – Vlaamse organisatie blijven met als epicentrum het arrondissement Roeselare – Tielt. Dit heeft als gevolg dat deze breuk in het Vlaams – nationalisme vooral sterk zal aangevoeld worden in West – Vlaanderen waar verschillende lokale KVNV - afdelingen de overstap zullen maken naar het Verdinaso.
Hierdoor zal ook in de parlementsverkiezing van 1932 in West - Vlaanderen, hoewel de electorale invloed van de oprichting van het Verdinaso uiteindelijk zeer miniem bleef, een Vlaams – nationalistische gekozene verloren gaan. De twee gekozenen die de Vlaams – nationalisten nog naar het parlement kunnen sturen zijn Jeroom Leuridan en Emile Butaye. Verder kenmerken deze verkiezingen zich door een sterke winst in het arrondissement Brugge en verlies in het arrondissement Ieper. Niettemin blijft het arrondissement Ieper met 26,3% van de stemmen de sterkhouder van het Vlaams – nationalisme in West – Vlaanderen. Deze verkiezingen betekenden voor de Vlaams – nationalisten wel een duidelijke achteruitgang. Samen met de organisatorische verwarring en de ideologische radicalisering die vanaf ongeveer 1929 alsmaar nadrukkelijker naar voor komen zal dit ervoor zorgen dat de roep om een centraal geleide Vlaams – nationalistische partij groter wordt.
Ook het KVNV verkeerde vanaf 1929 in een duidelijke crisis die specifiek voor West – Vlaanderen werd versterkt door de oprichting van het Verdinaso, hoewel deze invloed ook niet mag overschat worden. Het Verdinaso blijft in het Vlaams – nationalistische landschap een randfenomeen dat er op zijn hoogtepunt in slaagt amper 2500 leden te tellen.[36]
1.4) De integratie van het KVNV in het VNV
Deze verschillende factoren zorgen ervoor dat het KVNV probleemloos opgaat in het VNV dat in oktober 1933 onder leiding van Staf de Clercq werd opgericht. Ook het feit dat de radicale en Groot-Nederlandse inslag van de stichtingsproclamatie van het VNV dicht aansloot bij de ideologie van het KVNV zal ongetwijfeld het integratieproces bevorderd hebben. Belangrijk hierbij is te noteren dat een aantal belangrijke KVNV’ers een grote inhoudelijke bijdrage hebben geleverd aan die stichtingsproclamatie. Het betreft hierbij vooral de Kortrijkse groep rond Herbert en Beeckman die het niet na lieten te hameren op de autoritaire en groot – Nederlandse inslag die de stichtingsproclamatie van het VNV moest hebben. In de stichtingsproclamatie van het VNV wordt grotendeels tegemoet gekomen aan de radicale en autoritaire wensen van deze Kortrijkse groep en zal in dit opzicht een verlies betekenen voor de gematigde vleugel binnen het Vlaams - nationalisme. Het VNV zal met compromis – figuur de Clercq overigens blijven schipperen tussen een autoritaire en een reformistische vleugel waarbij het duidelijk is dat de ex-KVNV’ers tot de autoritaire vleugel kunnen gerekend worden. Uiteindelijk zullen zij erin slagen de gematigde vleugel te verdringen binnen het VNV.
Concreet zal in West - Vlaanderen op 30 september 1933 het gouwbestuur beslissen het KVNV te ontbinden om aan te sluiten bij het VNV.[37] Leuridan wordt de officiële gouwleider van het VNV voor de provincie West – Vlaanderen. De uitbouw van het VNV in de provincie West – Vlaanderen gebeurt in vergelijking met andere provincies, enkele details daar gelaten, op een vlekkeloze manier.
De grote doorbraak forceert het VNV in 1936 wanneer het in de parlementsverkiezingen onder de naam van het ‘Vlaamsch Nationaal Blok’, samen met Rex, een opzienbarend electoraal succes boekt. In West – Vlaanderen behaalt het VNV 16% en gaat daarmee 3,7% vooruit ten opzichte van de verkiezingen in 1932. De winst is het grootst in het arrondissement Roeselare – Tielt waar 7,3 % winst wordt geboekt en waardoor het ‘Vlaamsch Nationaal Blok’ op 18,5% van de stemmen strandt. Hoogst waarschijnlijk kan deze forse vooruitgang grotendeels op het conto van propagandaleider Tollenaere en de populariteit van Léon De Lille geschreven worden.[38] Bij de provincieraadsverkiezingen die twee weken later werden gehouden boekte het VNV eveneens winst. Hierop sloot de katholieke partij die haar meerderheid in de provincieraad had verloren een bestuursakkoord af met het VNV waardoor twee VNV’ers in de bestendige deputatie terechtkwamen, namelijk Michiel Bulckaert en Benoni Vermeulen.
Deze samenwerking met de katholieke partij zal opnieuw in verschillende gemeenten tot stand komen bij de gemeenteraadsverkiezing van 1938. Deze gemeenteraadsverkiezing en de daaraan gepaarde concentratieonderhandelingen met het KVV en Rex, behandelen we uitvoeriger in het hoofdstuk ‘electorale analyse van het Vlaams – nationalisme in West – Vlaanderen tijdens het interbellum’. Daarom beperken we ons hier met te stellen dat het door de vele concentratielijsten zeer moeilijk is een juiste inschatting te maken van deze gemeenteraadsverkiezingen. Het is echter wel duidelijk dat de rechtse frontvorming voor de Vlaams – nationalisten niet meteen bracht wat ze ervan verwachtten. Voor West – Vlaanderen stelt De Wever dat er een status quo was met zowel winst en verlies in de verschillende arrondissementen.[39]
Ook in de parlementsverkiezingen van 1939 kon het VNV zijn electorale opmars niet verder zetten. Nationaal boekte het VNV wel 1,3% winst maar deze winst was bijna volledig toe te schrijven aan de vooruitgang in de provincie Antwerpen. In West – Vlaanderen daarentegen boekte het VNV verlies in de arrondissementen Brugge, Veurne – Oostende – Diksmuide en Ieper. Na deze verkiezingen stond het VNV geïsoleerder dan ooit. Rex was electoraal van de kaart geveegd en het KVV wilde van geen enkele samenwerking met het VNV meer weten. Ook raakte het VNV politiek alsmaar meer geïsoleerd door een pro - Duitse houding. Deze geïsoleerde situatie zal er onder meer voor zorgen dat het VNV tijdens de inval door Nazi – Duitsland een greep naar de macht zal plegen door een collaboratiepolitiek te volgen.
2) Electorale onderzoeksresulaten
Grosso modo kunnen we stellen dat ons onderzoek voor de drie tijdsperiodes telkens in twee hoofdcomponenten uiteen valt. Enerzijds hebben we een puur electorale analyse van het Vlaams – nationalisme in West – Vlaanderen waarbij we ons concentreren op de verkiezingsuitslagen in de verschillende gemeenten. Anderzijds werken we een socio – professionele analyse uit van die Vlaams – nationalistische West – Vlaamse partijmilitant. Vanzelfsprekend vullen deze invalshoeken elkaar aan. Om reden van overzichtelijkheid lijkt het ons echter opportuun om deze twee luiken uit elkaar te houden. Wel is het de bedoeling om in de besluiten bij de drie grote hoofdstukken deze twee componenten te integreren tot een algemeen beeld.
2.1) Methodologie bij een electorale analyse: bronnen en werkwijze
Het is ongetwijfeld van belang om de werkwijze die wij voor deze electorale analyse hebben gehanteerd te expliciteren. Wie vertrouwd is met verkiezingsonderzoek tijdens het interbellum op het niveau van de gemeenten, zal weten dat dit onderzoek veel verder reikt dan het overnemen van enkele electorale resultaten uit de bronnen. Overigens is het ook zo dat deze werkwijze zeer belangrijk is voor onze socio – professionele analyse want de identificatie van lijsten en partijen is vanzelfsprekend een noodzakelijke voorwaarde om de beroepen van de kandidaten te kunnen linken aan de juiste politieke partij.
Basisbron die we gebruikten voor onze socio – professionele en electorale analyse waren de Processen Verbaal van de gemeenteraadsverkiezingen van 1926, 1932 en 1938.[40]
Probleem met deze dossiers is echter dat de partijen niet bij naam genoteerd staan. Het enige dat we hier opgegeven kregen was Lijst 1, Lijst 2…met daaronder de resultaten en de kandidaten. Het eerste euvel dat dus moest opgelost worden was een identificatie van alle lijsten per gemeente voor alle drie de gemeenteraadsverkiezingen.
Om die reden hebben we om alle partijen te kunnen identificeren een andere bron moeten inschakelen. Het betreft hier de bron ‘benoemingsdossiers van burgemeesters en schepenen’[41]. In deze bron staan alle partijen per gemeente genoteerd met hun respectievelijke resultaat. Via deze bron konden we dus de verschillende naamloze lijsten identificeren uit de Processen - Verbaal en de resultaten van alle partijen voor de gemeenteraadsverkiezingen van 1926, 1932 en 1938 noteren.
Daarenboven hadden we het geluk dat voor de gemeenteraadsverkiezing van 1938 de gouverneur naar alle burgemeesters van West – Vlaanderen een brief had rondgestuurd met de vraag de specifieke kleur van iedere lijst door te geven. De meeste burgemeesters hebben op deze vraag van de gouverneur geantwoord. De bundel met die brieven wordt bewaard tussen de processen – verbaal van de gemeenteraadsverkiezingen van 1938.
Wie echter dacht dat hiermee meteen alle problemen qua identificatie van de lijsten van de baan waren en we rustig konden beginnen met het noteren van alle beroepen en resultaten houdt geen rekening met de complexiteit van gemeenteraadsverkiezingen tijdens het interbellum. Volgende problemen hadden we nog altijd, ook na het doorploegen van alle ‘benoemingsdossiers van burgemeesters en schepenen’ en de brieven van de verschillende burgmeesters.
1) Het gebeurde soms dat een bepaalde lijst met een zeer laag verkiezingsresultaat nooit vermeld werd in de ‘benoemingsdossiers van burgemeester en schepenen’ en het rondschrijven van de burgemeesters. Toch stonden deze lijsten met hun electorale score vermeld in de Processen Verbaal. Dit betekent dat deze kleine partijtjes nooit geïdentificeerd konden worden. In de algemene resultaten die in bijlage 1 en 2 zijn opgenomen staan deze partijtjes telkens in de laatste kolom vermeld als ‘onbekend’[42]. Let wel, het betreft hier een zeer klein aandeel van alle uitgebrachte stemmen die onder de noemer ‘onbekend’ werden geplaatst. Voor 1926 gaat het om 1,19%, voor 1932 om 0,93% van de uitgebrachte stemmen, voor 1938 om 0,18% van de uitgebrachte stemmen.
2) Een ander probleem vormden die gemeenten waar verkiezingen zonder strijd plaatsvonden. Dit betekent dat de inwoners niet konden gaan stemmen omdat het aantal kandidaten dat opkwam het aantal te begeven zetels voor de gemeenteraad niet overtrof. Het gaat hier meestal om zeer kleine gemeenten en het aantal is eveneens relatief klein. Deze gemeenten zonder strijd werden niet meegeteld in het algemeen totaal van de verkiezingsresultaten. Wel staan deze gemeenten altijd in de bijlagen vermeld, telkens met een z.(zonder) s(strijd) onder de naam van de partijen die wel een lijst hadden ingediend maar niet hoefden verkozen te worden. In 1926 betreft het 48 gemeenten, in 1932 gaat het om 30 van de 253 West – Vlaamse gemeenten, in 1938 om 38 gemeenten op een totaal van 253.
3) Een ander serieus probleem vormden de lijsten die onder de naam ‘gemeentebelangen’ geboekstaafd stonden en die aldus als kleurloos of niet – partijpolitiek moeten geïnterpreteerd worden. Wanneer we enkel de ‘benoemingsdossiers van burgemeesters en schepenen’ hadden doorgenomen betrof dit een relatief groot aandeel van de lijsten.
Wanneer we later ook de brieven van de verschillende burgemeesters voor 1938 terugvonden bleek dat die zogenaamd kleurloze lijsten soms een specifieke kleur bezaten. Ook bleek uit die brieven dat de op het eerste zicht kleurloze lijsten vaak een samenraapsel waren van verschillende politieke partijen. Zo blijkt b.v. dat voor de gemeenteraadsverkiezing van 1938 in het dorpje Vlissegem een, op het eerste zicht kleurloze lijst, uiteindelijk een samenraapsel was van Vlaams – nationalisten, Liberalen, Katholieken en Communisten. Zeer belangrijk is te noteren dat dit samengaan van verschillende partijen op zuiver pragmatische gronden gebeurde en dat ideologische bindingen hier geen enkele rol in speelden.[43] In 1926 kunnen 8,62% van de uitgebrachte stemmen als kleurloos bestempeld worden, voor 1932 valt 5,66 %van de resultaten onder de noemer gemeentebelangen of kleurloos, voor 1938 bedraagt dit 4,4 % van het totaal aantal uitgebrachte stemmen.
Het is duidelijk dat met de brieven van de burgemeesters uit 1938 niet alle ‘schijnbaar kleurloze’ lijsten ontmaskerd worden. Daarenboven waren voor 1926 en 1932 helemaal geen dergelijke brieven ter beschikking. Ongetwijfeld zou een micro-onderzoek of uitgebreid personderzoek per gemeente nog verschillende kleurloze lijsten kunnen identificeren als een duidelijk politiek gekleurde lijst of samengestelde lijst. De lezer zal echter begrijpen dat dit voor driemaal 253 gemeenten een onbegonnen werk is waarbij de kosten van het onderzoek ongetwijfeld niet opwegen tegenover de baten.
Daarom vermelden we nu al expliciet dat de lezer bij de interpretatie van de uitslagen van de verkiezingen een zekere foutenmarge in rekening moet brengen. Voor ons voelde dat aanvankelijk aan als een frustratie maar uiteindelijk denken we dat het niet de getallen achter de komma zijn die de waarde van het onderzoek bepalen maar wel de grote lijnen en, nog belangrijker, de interpretatie van die grote lijnen. We hopen dat de lezer hier begrip kan voor opbrengen en inziet dat dit in de eerste plaats veroorzaakt werd door het gebrekkige bronnenmateriaal.
4) Een specifiek probleem voor de gemeenteraadsverkiezingen van 1938 betrof de zogenaamde concentratielijsten. De partijleidingen van het VNV, Rex en de katholieke partij beslisten dat voor de gemeenteraadsverkiezingen van 1938 de lokale lijsten van deze drie partijen onder het motto van een rechtse frontvorming allianties konden aangaan met elkaar in alle mogelijke gedaantes. Inhoudelijk onderzoeken we deze concentratielijsten in het volgende hoofdstuk. Hier willen we enkel onze historisch – kritische invalshoek omtrent deze concentratielijsten expliciteren.
Na veel wikken en wegen hebben we beslist om enkel de bronnen te vertrouwen als daar een concentratielijsten in werd vermeld. In dit geval zijn dit de ‘benoemingsdossiers van burgemeesters en schepenen’ en, vooral, de reeds aangehaalde brieven van de burgemeesters naar de gouverneur. Deze beslissing lijkt misschien zeer evident maar vraagt volgens ons toch een rechtvaardiging. Zo werd ,weliswaar zeer uitzonderlijk, in de benoemingsdossiers expliciet vermeld dat mensen van de katholieke partij tijdens de oorlog als Vlaams – nationalisten actief participeerden aan de collaboratie. De kans is dus reëel dat deze mensen in 1938 al lid van het VNV waren en dat de uitsluitend katholieke lijst als een concentratielijst VNV – KVV moet gezien worden. Probleem is dat je als onderzoeker hieromtrent niets kan bewijzen, je bent met andere woorden volledig afhankelijk van de ‘goodwill’ van je bronnen.
Een bijna identiek probleem is het volgende. Bij een nadere bestudering van de verkiezingsresultaten viel het ons op hoe bepaalde Vlaams – nationalistische lijsten die in 1932 aanzienlijke resultaten behaalden in 1938 volledig van de aardbodem verdwenen waren. Dit leek ons een merkwaardig fenomeen en daarom hebben we een paar keer systematisch de proef op de som genomen. We noteerden de namen van alle Vlaams – nationalisten uit 1932 en keken of die namen terug kwamen op de katholieke lijst van 1938. In sommige gevallen bleek dit effectief het geval waardoor we weer in de patstelling komen dat het waarschijnlijk is dat die specifieke katholieke lijst een concentratielijst is. Je kan dit vermoeden weliswaar niet bewijzen, tenzij je terug ook hier voor die specifieke gemeenten uitgebreide micro - studies gaat uitvoeren.
Het leek ons het eenvoudigst enkel dat over te nemen wat in de bronnen expliciet vermeld staat als concentratielijst. Dit heeft het voordeel dat de concentratielijsten die in de bijlagen zijn opgenomen zonder enige twijfel als concentratielijsten bestempeld kunnen worden. Probleem is echter dat we met een bijna even grote zekerheid kunnen stellen dat het aantal concentratielijsten dat we terugvonden een minimum betreft en dat het aantal concentratielijsten in de praktijk waarschijnlijk iets hoger heeft gelegen. Ook hier vragen we dus de lezer met een zekere foutenmarge rekening te houden.
Feit is dat wij tot nu niet de enigen zijn die electoraal onderzoek hebben verricht voor het interbellum. Ook Bruno De Wever is in zijn doctoraat over het VNV actief op zoek gegaan naar de gemeenten waar de Vlaams – nationalisten tijdens het interbellum opkwamen.[44] De methode en de bronnen die hij hiervoor hanteerde waren echter anders dan de onze. Waar wij ons baseerden op de officiële verkiezingsdocumenten heeft De Wever voornamelijk via de Vlaams – nationalistische week – en dagbladpers gezocht in welke gemeenten Vlaams – nationalistische lijsten opkwamen. Hiernaast baseerde hij zich ook op enkele documenten van VNV – origine en thesissen. Op deze manier komt De Wever niet tot effectieve partijuitslagen zoals ons maar komt hij tot het aantal Vlaams – nationalisten die in de gemeenteraad van gemeente X zetelen. Aanvankelijk was het voor ons ontnuchterend toen bleek dat de resultaten uit de lijst van De Wever soms verschillen vertoonden met de resultaten die wij behaalden. Voor circa 80 procent zijn onze resultaten gelijklopend. Daartegenover vindt De Wever soms Vlaams – nationalisten in de gemeentebesturen terwijl wij helemaal geen Vlaams – nationalistische lijst konden identificeren. Soms gebeurde ook het omgekeerde.
Onder het motto ‘eendracht maakt macht’ hebben we de resultaten van de lijst van De Wever en onze lijst naast elkaar geplaatst.[45] Het is namelijk duidelijk dat wij in onze analyse uitgaan van een minimum aan Vlaams – nationalistische lijsten, hoewel we soms stevige vermoedens hadden dat een bepaalde lijst als Vlaams – nationalistisch of als een concentratielijst kan bestempeld worden. Daarnaast benadrukt De Wever dat in zijn onderzoek naar de gemeenten waar Vlaams – nationalisten opkwamen nog ongetwijfeld fouten en onvolledigheden zitten en dat verder onderzoek naar de electorale kaart van het Vlaams – nationalisme zeker aangewezen is.
Het leek ons daarom zeer nuttig om te kijken hoe de electorale kaart van het Vlaams – nationalisme er nu uitziet wanneer twee verschillende aanpakken en twee verschillende bronnen met elkaar geconfronteerd worden. Hoogst waarschijnlijk zorgt dit ervoor dat vele onvolmaaktheden in beide lijsten uitgefilterd worden en dat we daardoor tot een nieuwe lijst komen die veel volmaakter is en beter de realiteit benadert.
Het is dus duidelijk dat wat op het eerste zicht zeer eenvoudig leek, namelijk wat electorale resultaten uit de bronnen overnemen, voor een gemeenteraadsverkiezing tijdens het interbellum niet zo voor de hand liggend is. We hopen met dit hoofdstukje de lezer het belang te doen inzien van twee zaken. Eerst en vooral hopen we de lezer ervan overtuigd te hebben de juiste historisch – kritische keuzes gemaakt te hebben door ons in essentie tot de officiële verkiezingsdocumenten te beperken en deze aan te vullen met de electorale resultaten uit het doctoraatsonderzoek van Bruno De Wever. Daarenboven hopen we dat de lezer inziet dat bij een electorale studie van de gemeenteraadsverkiezingen tijdens het interbellum er, vanwege het gebrekkige bronnenmateriaal, noodzakelijkerwijs rekening moet gehouden worden met een zekere foutenmarge in de resultaten en dat de uitgesproken krachtlijnen die in de onderzoeksresultaten naar voor komen primeren op de correctheid van de cijfers na de komma.
2.2) Electorale onderzoeksresultaten
Zoals we al in vorig hoofdstuk aangaven is een electorale studie voor het interbellum minder eenvoudig dan op het eerste zicht lijkt. Zo rijzen er problemen met identificatie van kleurloze lijsten, verkiezingen zonder strijd, concentratielijsten en samengestelde lijsten… Daarenboven vormt West – Vlaanderen nog eens een extra moeilijke provincie omdat het Vlaams – nationalisme een uitgesproken katholiek profiel had. Hierdoor is er voor vele gemeenten in West – Vlaanderen vaak maar een zeer vaag onderscheid tussen Vlaams – nationalistische en katholieke lijsten.[46] De manier waarop we deze problemen trachten te omzeilen, hebben we in vorig hoofdstuk uitgelegd. Hoofdzakelijk kwam onze methode er op neer trouw te blijven aan de bronnen en daardoor misschien wel een te laag aantal Vlaams – nationalistische lijsten te bekomen maar toch op zijn minst zeker te zijn dat de lijsten die als Vlaams – nationalistisch geïdentificeerd zijn dat ook zeker zijn. Daarnaast hebben we onze resultaten aangevuld met de resultaten van het doctoraatsonderzoek van De Wever. Dit betekent dat we in onze volgende electorale analyse telkens uitgaan van de samenvoeging van beide onderzoeken.
2.2.1 De electorale kaart
Een eerste vraag waar kan op geantwoord worden is in hoeveel West – Vlaamse gemeenten de Vlaams – nationalisten, in gelijk welke gedaante, opkwamen. Dit antwoord geeft namelijk meteen een ruwe indicatie van de mate waarin Vlaams – nationalisten wisten te penetreren in West – Vlaanderen. Hiervoor komen we tot de volgende bevindingen:
Enkelvoudig Samengesteld Concentratie Totaal
|
1926 |
31 |
41 |
50 |
1 |
7 |
7 |
0 |
0 |
0 |
32 |
48 |
56 |
|
1932 |
63 |
57 |
78 |
7 |
0 |
7 |
0 |
0 |
0 |
70 |
57 |
85 |
|
1938 |
49 |
65 |
65 |
9 |
0 |
9 |
25 |
26 |
35 |
83 |
91 |
109 |
De eerste hoofdkolom van deze tabel betreft de gemeenten waarbij de Vlaams – nationalisten met een eigen enkelvoudige lijst opkwamen. De tweede kolom gaat over de samengestelde lijsten waar ook Vlaams – nationalisten aan deelnamen. De derde kolom betreft het aantal concentratielijsten. De laatste kolom geeft dan het totaal van al de gemeenten waar de Vlaams – nationalisten onder gelijk welke vorm zich kandidaat stelden. De naam concentratie hebben we exclusief gereserveerd voor de rechtse frontvorming die pas vanaf 1935 tussen katholieken, Vlaams – nationalisten en rexisten tot stand kwam. Alle allianties tussen katholieken en nationalisten van voor ’35 worden dus als samengestelde lijst geïnterpreteerd, evenals die lijsten uit 1938 waar Vlaams – nationalisten op kandideerden maar dan met andere partijen dan exclusief Rex of de katholieken.
In de vier hoofdkolommen staat in de eerste kolom telkens mijn resultaat in het cursief, in de tweede kolom staan de resultaten van De Wever. De laatste kolom in het vet geeft het resultaat bij het samen leggen van de twee lijsten. Om de resultaten op de juiste manier te kunnen interpreteren is het nog belangrijk te vermelden dat West – Vlaanderen voor de fusies van de jaren zeventig 253 gemeenten telde waar verkiezingen werden gehouden.
Hoe moeten we deze resultaten nu interpreteren? Eerst en vooral is duidelijk dat de Vlaams – nationalisten tijdens de gemeenteraadsverkiezingen in het interbellum in meer gemeenten opkwamen dan tot nu toe meestal werd aangenomen. Dit geldt in de eerste plaats voor de gemeenteraadsverkiezing van 1932 waar we maar liefst 85 Vlaams – nationalistische lijsten ontdekten in plaats van de 57 die tot nu werden aangenomen.
Wanneer we dit wat meer in detail bekijken blijkt dat voor de gemeenteraadsverkiezingen van 1932 de grootste verschillen zich in de arrondissementen Brugge en Roeselare – Tielt bevinden. Voor Brugge werd aangenomen dat in amper 2 gemeenten en voor het arrondissement Roeselare – Tielt maar in 5 gemeenten Vlaams – nationalistische lijsten werden ingediend. Uit onze lijst blijkt dat er in het arrondissement Roeselare – Tielt 12 lijsten en dat in het arrondissement Brugge 8 lijsten werden ingediend waaraan Vlaams – nationalisten op zijn minst participeerden.[47] Dit betekent eveneens dat de zogenaamde daling van het aantal Vlaams – nationalistische lijsten in het arrondissement Roeselare – Tielt tengevolge van het ontstaan van het Verdinaso sterk moet gerelativeerd worden.[48] Boudrez stelt dat in de gemeenteraadsverkiezingen van 1932 in Roeselare – Tielt amper 5 lijsten werden ingediend terwijl dit er in 1926 nog 15 waren. Deze zeer felle daling valt volgens hem te wijten aan de oprichting van het Verdinaso die vele lokale KVNV – afdelingen zou opgeslorpt hebben. Uit onze nieuwe lijst blijkt dat in 1926 16 lijsten werden ingediend, terwijl dat aantal in 1932 12 bedraagt. Opvallend hierin is wel dat in 4 gemeenten, namelijk Ledegem, Oekene, Pittem en Zwevezele een samengestelde lijst met Vlaams – nationalisten en katholieken werd ingediend Het lijkt er dus wel op dat enkele lokale KVNV - afdelingen in het arrondissement Roeselare – Tielt werden opgeslorpt door het Verdinaso, maar dit aantal is zeker niet zo spectaculair als tot nu toe werd aangenomen.
Door het samen leggen van de twee bronnen komt dus in het algemeen naar voor dat het aantal lijsten met Vlaams – nationalisten hoger ligt dan algemeen aangenomen is, hoewel dit niet altijd zo spectaculair is als in bovenstaand voorbeeld.
Zo konden we voor 1926 acht gemeenten detecteren waar Vlaams – nationalisten opkwamen en waar aan voorbij gegaan werd. Het betreft hier de gemeenten: Emelgem (arr. R. – T.), Houtem, Ichtegem, Zarren (arr. O. – V. – D.), Torhout, Uitkerke (arr. B.) en Hollebeke, Roesbrugge (arr. I.).
Zoals al vermeld werden er voor de gemeenteraadsverkiezing van vooral 1932 en in mindere mate voor 1938 heel wat meer gemeenten met Vlaams – nationalistische lijsten ontdekt dan werd aangenomen. Concreet gaat het om volgende West – Vlaamse gemeenten.
1932
|
Kortrijk |
Brugge |
Ieper |
Roes.-Tielt |
Oost.-Veurne-Diks. |
|
|
|
|
|
|
|
Hulste |
Assebroek |
Hollebeke |
Ardooie |
Booitshoeke |
|
Kuurne |
Heist |
Roesbrugge |
Hooglede |
Bredene |
|
Vichte |
Oostkamp |
Zandvoorde |
Ledegem |
Esen |
|
|
Ruddervoorde |
|
Oekene |
Houthulst |
|
|
Uitkerke |
|
Pittem |
Leke |
|
|
Zuienkerke |
|
Wingene |
Oostkerke |
|
|
|
|
Zwevezele |
Wilskerke |
|
|
|
|
|
Wulpen |
|
|
|
|
|
Wulveringem |
1938
|
Kortrijk |
Brugge |
Ieper |
Roes.-Tielt |
Oost.-Veurne-Diks. |
|
|
|
|
|
|
|
Deerlijk |
|
Boezinge |
Hooglede |
Booitshoeke |
|
Heule |
|
Brielen |
Meulebeke |
Bredene |
|
Kuurne |
|
Hollebeke |
|
Esen |
|
Waregem |
|
Mesen |
|
Houthulst |
|
|
|
Reningelst |
|
Koekelare |
|
|
|
Roesbrugge |
|
Vlissegem |
Het lijkt er dus op dat de inplanting van het Vlaams – nationalisme in vooral de landelijke gebieden toch wat sterker was dan algemeen aangenomen werd. Zo stelt De Wever, met veel voorbehoud, aan de hand van een intern VNV – document dat voor de gemeenteraadsverkiezingen van 1938 het VNV in bijna 1 op 5 van de Vlaamse gemeenten succesvol was gepenetreerd. [49] Staf De Clercq beweert daarentegen dat VNV – kandidaten opkwamen in 1 op 3 Vlaamse gemeenten.
Uit onze lijst blijkt dat voor West – Vlaanderen het aantal gemeenten waar VNV’ers zich in 1938 kandideerden maar liefst 43 % bedraagt! Dit is dus nog een hoger cijfer dan de schatting die Staf De Clercq hierover maakte voor geheel Vlaanderen. In 1932 gaat dit over 33% en voor 1926 bedraagt dit 23 % van de West – Vlaamse gemeenten.
Probleem is dat er een duidelijk onderscheid kan gemaakt worden tussen ‘succesvol penetreren’ in een gemeente en erin slagen op zijn minst één Vlaams – nationalist te laten kandideren in een gemeente. Het is met andere woorden voor interpretatie vatbaar wat we moeten verstaan onder ‘succesvol penetreren’, want het is duidelijk dat de Vlaams – nationalisten in de ene gemeente sterker stonden dan in de andere.
Om te kunnen achterhalen wanneer een bepaalde gemeente een volwaardige Vlaams – nationalistisch kern bezat die een zekere activiteit in die gemeente kon ontwikkelen, worden we geconfronteerd met heel wat methodologische problemen. Zo hebben wij met onze analyse niet het aantal gekozenen geteld maar wel de effectieve uitslag van de partijen, terwijl De Wever net het aantal gekozenen heeft geteld. De vermenging van deze twee aanpakken maakt het zeer moeilijk een duidelijk, algemeen beeld te krijgen op het algemene succes van de Vlaams – nationalisten in West – Vlaanderen. Het tellen van de effectieve partij – uitslag vormt daarenboven een problematisch gegeven wanneer we met concentratielijsten of samengestelde lijsten te maken krijgen omdat niet kan achterhaald worden hoe groot het aandeel van de nationalisten in die uitslag is. De bron die wij in eerste instantie gebruikten, namelijk de ‘benoemingsdossiers van burgemeester en schepenen’ gaven wel het bestaan van een concentratielijst aan maar niet wie van de lijst specifiek bij welke partij aangesloten is, zodanig dat we ook nooit konden achterhalen hoeveel gekozenen de Vlaams – nationalisten nu effectief behaalden op een concentratielijst.
Toch mogen deze methodologische problemen er ons niet van weerhouden te proberen een criterium op te stellen waarbij we kunnen analyseren of een Vlaams – nationalistische partij al dan niet succesvol kan penetreren in een bepaalde gemeente. Een valabel criterium hierbij lijkt ons de 15% - grens. Wanneer een Vlaams – nationalistische partij erin slaagt meer dan 15% van de stemmen weg te kapen in een gemeente, kunnen we volgens ons stellen dat deze partij al een zekere mate van representativiteit bij de bevolking kent. Wanneer we geen beroep kunnen doen op het procentueel aandeel van een enkelvoudige Vlaams – nationalistische partij, weerhouden we als criterium dat de Vlaams – nationa