Het Turkse verenigingsleven in Gent: een casestudy. (Wouter Vanparys)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Besluit

 

Op basis van de literatuurstudie en mijn veldwerk ben ik tot een aantal inzichten en conclusies gekomen.

 

Om te beginnen is er de enorme verscheidenheid binnen het allochtone verenigingsleven. Er is een grote diversiteit naar doelstellingen, ontstaansgeschiedenis, doelgroepen en werking. Deze heterogeniteit is ook terug te vinden in het Gentse veld.

 

Het allochtone verenigingsleven bloeit en groeit als nooit tevoren. Het is een levend en dynamisch gegeven dat nog volop in expansie is. De laatste vijf jaar was er een explosieve groei. Terwijl er in 1996 359 initiatieven geregistreerd waren bij het ICCM was dat aantal al opgelopen tot 1389 in 2001. Het is niet duidelijk hoeveel (levensvatbare) verenigingen er nog kunnen bijkomen. Het is wel opmerkelijk dat de meeste zelforganisaties op etnisch-culturele leest zijn geschoeid. Er is een verwaarloosbare stijging van het aantal multi-etnische zelforganisaties: van de 1039 nieuwe organisaties zijn er slechts drie (3) multi-etnisch.

 

Naast deze kwantitatieve zijn er ook kwalitatieve evoluties. Één van de belangrijkste veranderingen is de toenemende participatiegraad van de allochtone vrouwen in het verenigingsleven. Tot vijf jaar geleden waren de allochtone zmlforganisaties bijna exclusief het terrein van mannen. Nu zijn er steeds meer verenigingen die een vrouwenwerking opstarten. Het bestuur blijft (voorlopig) een mannenzaak. De vrouwenwerking is echter wel gescheiden van de mannenwerking, gezamenlijke activiteiten liggen moeilijk bij bepaalde verenigingen. Het is mogelijk dat de vrouwenwerking op termijn zal verzelfstandigen in plaats van te integreren in een algemene werking.

 

Waar weinig evolutie in zit zijn de knelpunten in de werking. De financiën blijven een probleem. De financiële draagkracht van de allochtone gemeenschappen zou te beperkt zijn en zo de uitbouw van de verenigingen belemmeren. De zelforganisaties kijken steeds vaker naar de overheid voor subsidiëring. Hierbij bestaat wel het gevaar dat de verenigingen teveel afhankelijk worden van deze inkomstenbron en hierdoor verplicht worden om volledig mee te gaan in de logica en wensen van de beleidsmakers.

 

Een tweede knelpunt dat veel vermeld wordt is het gebrek aan deskundigheid en organisatorische vaardigheden. Het allochtoon verenigingsleven is nog steeds zeer jong en men heeft nog niet voldoende knowhow in huis. Een aantal verenigingen draaien op een beperkt aantal (bekwame) vrijwilligers, de opvolging van deze stuwende krachten vormt soms een probleem. Er wordt leergeld betaald, zoveel is duidelijk. Niet alle verenigingen zullen deze fase overleven, maar de overblijvende organisaties zullen wel sterker staan.

 

De evoluties in het veld beantwoorden niet geheel aan de verwachtingen van de beleidsmakers. Men had het groeipotentieel van het allochtone verenigingsleven onderschat. Een aantal zelforganisaties overstijgen ook het kader waarbinnen men ze had gesitueerd. Deze verenigingen werken in het grensgebied tussen Welzijn en Cultuur, met nu eens nadruk op het ene, dan weer op het andere aspect. De werking wordt afgestemd op de noden van de doelgroep. De zelforganisaties vertonen hierin een zekere flexibiliteit.

 

Als men kijkt naar de visieontwikkeling binnen het allochtone veld, dan vallen twee zaken op. Ten eerste is het er over het algemeen pover mee gesteld. Ten tweede zijn er grosso modo twee types verenigingen: zij die opgericht zijn vanuit een bepaalde visie en zij die opgericht zijn zonder specifiek doel. De verenigingen van het eerste type vormen een minderheid. Beide types kunnen echter nuttig werk verrichten. Het al dan niet bijdragen tot de integratie in de multiculturele samenleving is onafhankelijk van de aanwezigheid van een visie.

 

De zelforganisaties hebben diverse samenwerkingsverbanden. Het merendeel van deze verbanden is met de (subsidiërende) overheid en met andere zelforganisaties (lokaal of bovenlokaal). Samenwerking met autochtone verenigingen komt bijna niet voor. De organisaties die op structurele basis samenwerken met het autochtonen verenigingsleven zijn uitzonderingen. De oorzaken hiervoor liggen zowel bij de allochtone als bij de autochtone gemeenschap.

koerswijziging.

Als een reden voor de niet-samenwerking binnen de allochtone gemeenschappen kan de ontwikkelingsfase van het verenigingsleven genoemd worden. De vaak jonge zelforganisaties worstelen nog met hun eigen identiteit en staan niet sterk genoeg om samenwerkings-verbanden aan te gaan met het goed ontwikkelde autochtone verenigingsleven.

 

Op basis van dit gegeven kan een nieuwe typologie opgesteld worden. Er zijn drie types verenigingen. Ten eerste zij die zich (deels) “naar buiten” richten. Deze kan men “open” verenigingen noemen. Zij zijn groot en sterk genoeg om structurele samenwerkingsverbanden aan te gaan. Ten tweede zij die hoofdzakelijk naar binnen gericht zijn. Deze zou ik omschrijven als “halfopen” verenigingen. Deze organisaties worstelen nog vaak met hun eigen identiteit en staan te zwak om structureel samen te werken. Het derde type zijn de verenigingen die zich bewust willen beperken tot activiteiten voor de eigen groep en geen verdere ambities hebben. Dit zijn dan “gesloten” organisaties. Enkel bij de “open” verenigingen is structurele samenwerking met het autochtone verenigingsleven mogelijk. Bij de twee andere types zal de samenwerking beperkt blijven tot concrete activiteiten. maar terwijl de “halfopen” verenigingen ook kunnen samenwerken met autochtone organisaties, zal bij het derde type de samenwerking meestal beperkt blijven tot andere zelforganisaties. Deze types zijn niet absoluut. Het verenigingsleven is een dynamisch gegeven, organisaties evolueren. Soms kan een voorzitterswissel voldoende zijn voor een koerswijziging, voor meer of minder openheid. De drie types zijn ook niet duidelijk afgebakend, het is eerder een continuüm.

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende