|
Wie was de Romeinse arts? Een interpretatie vanuit de iconografische en archeologische bronnen,geconfronteerd met de traditionele interpretatievanuit de literaire en epigrafische bronnen. (Marlin Janssens) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
HOOFDSTUK 2: Een interpretatie vanuit de iconografische en de archeologische bronnen
2.3. Archeologische bronnen
2.3.3. Analyse van de archeologische bronnen in hun context
2.3.3.1. Grafcontexten
De graven zijn zeer belangrijk aangezien zij, indien zij goed opgegraven zijn, een gesloten context vormen. De bijgaven geven een beeld van de sociale positie van de overledene. Iemand met het beroep van arts krijgt zijn instrumentarium mee. Men moet zich wel afvragen in hoeverre men een selectie ging doorvoeren op het moment van de begraving zelf. Geen enkel graf met een figuratieve grafsteen is geassocieerd met medische instrumenten als grafgiften[232]. Daarbij komt nog dat geen enkel artsengraf in duidelijke context staat tot een epigrafische bron[233] zodat men geen uitspraken kan doen over de juridische en sociale status van de begraven arts. Daardoor wordt het zeer moeilijk om de verschillende bronnen met elkaar te vergelijken en te combineren tot één interpretatie. De archeologische vondsten in de mediterrane provincies, uitgezonderd Pompeii dan, zijn opvallend schaars. Dit heeft waarschijnlijk te maken met onder andere de aard van de begraving van doden daar en met de stand van het archeologisch onderzoek[234].
2.3.3.1.1. Rome en Italië
a) Rome
Uit Rome zijn relatief weinig instrumenten gekend en deze zijn zelden gepubliceerd. Vanzelfsprekend moeten er meer geweest zijn, maar deze zullen in de vorige eeuwen gevonden zijn, zonder dat de herkomst correct is gedocumenteerd. In het British Museum bewaart men een ensemble, verworven in 1968 via de Londense kunsthandel[235], dat in de Oudheid waarschijnlijk een geheel vormde en dat mogelijk afkomstig is uit een graf in Rome. De instrumenten[236] vertonen een opvallende homogeniteit qua uitwerking en versiering. Dit wordt nog bevestigd door chemische analyses (cfr. supra) waaruit blijkt dat er maar één of twee instrumenten moeten uitgesloten worden.
Een tweede set, waarschijnlijk afkomstig van een graf te Rome, wordt bewaard in het Museum of Classical Archaeology te Cambridge. Het instrumentarium[237] is zeer luxueus afgewerkt, homogeen wat betreft de versiering en het omvat gespecialiseerde stukken zoals drie blaassteenhaken.
b) Brescia (zie fig. 23, ITA 1)
Op de Forcellonecropool, langs een grote uitvalsweg, werd in 1901 een urnegraf van een arts met instrumenten[238] gevonden. Mogelijk was de oorspronkelijke grafuitzet groter[239].

Fig. 23: Geografische spreiding van de grafcontexten
c) Luzzi (zie fig. 23, ITA 6)
Het inhumatiegraf nr. 17 met baksteenaflijning bevat instrumenten[240], glazen vaatwerk, een dupondius van Vespasianus en nagels[241] (zie fig. 24).

Fig. 24: Het graf van Luzzi
d) Morlungo (zie fig. 23, ITA 4)
De crematieresten van de arts zijn bijgezet in een askist in een kleine omheining in baksteen en afgesloten met een platte dakpan. Deze begravingswijze is vrij zeldzaam in het Romeinse Westen[242]. Naast medische instrumenten (zie fig. 25) en collyria, vindt men als bijgaven ook aardewerk, glazen vaatwerk, een strigilis, twee olielampjes van dezelfde fabrikant, namelijk Strobilus en een zonnewijzer. Het graf wordt gedateerd aan de hand van munten van Vespasianus.

Fig. 25: Het graf van Morlungo
e) Stabiae
In 1957 werd in de Via S. Maria delle Grazie te Gragnano een scalpel gevonden, nu bewaard in het Museo Archeologico Nazionale te Napels. De context van de vondst is gekend, namelijk een kistgraf uit een op het eerste gezicht vóór-Romeinse necropool op het grondgebied van Nicola d’Amora[243].
f) Verona (zie fig. 23, ITA 2)
Langs de Via Paradiso te Verona bevindt zich een dubbel crematiegraf van een echtpaar, een dubbele grafkamer met aan beide zijden twee loculi, afgelijnd door baksteenplaten en afgedekt met een kalksteenplaat. De resten van de overledenen zijn bijgezet in afzonderlijke urnen. Als grafuitzet heeft men het volgende gedocumenteerd: glazen vaatwerk, keramiek, een houten kistje, twee lampen, twee scharen, messen, heften, een met goud, brons en leer versierde houten plaat, twee pincetten, een haak, twee scalpelheften en een speculum. Het graf wordt gedateerd in de tweede eeuw na Chr.[244].
2.3.3.1.2. Gallia
a) Lyon
In het graf van een arts of apotheker uit de tweede-derde eeuw na Chr. vindt men een kistje met onderverdelingen en met een deksel met een uitholling dat een twintigtal collyria bevat. In een rond hulsje zitten een spatelsonde, een lepelsonde en een dunne oorsonde waardoor een eenduidig medische interpretatie niet kan ondersteund worden[245].
b) Parijs
Men kan niet met zekerheid zeggen of het hier om een graf gaat, aangezien het archeologisch ensemble in 1880 werd blootgelegd, zonder aandacht voor de context. Voor zover men weet maakt het graf geen deel uit van een necropool[246]. De instrumenten[247], gevonden in een bronzen ketel, samen met de munten (zie fig. 26) zijn alle van goede kwaliteit. Het gaat om het gewone basisinstrumentarium, zodat men niet kan beoordelen of deze persoon een specialist was. Er zijn enkele resten van medicamenten op basis van koperoxide bijvoorbeeld bewaard [248]. Het graf wordt gedateerd aan de hand van vijfenzeventig munten van Tetricus I en II[249]. De datering in het rampjaar 275, wanneer de Franken binnenvallen in dit gebied, zou beter te begrijpen zijn wanneer men deze vondst als een schat interpreteert[250].

Fig. 26: Het zogenaamde graf van Parijs
c) Reims (zie fig. 23, GAB 3)
In een houten koffer met metalen handvatten[251], waarschijnlijk afkomstig van een brandgraf[252], vindt men een groot aantal medische instrumenten[253]. Daarnaast zijn er ook een weegschaal en bronzen vaatwerk bijgezet[254]. In de moderne literatuur wordt de arts, hoogstwaarschijnlijk een medicus ocularius die zich uitsluitend kan bezig houden met zijn specialisatie, geïdentificeerd als Gaius Firminus Severus aan de hand van de oculistenstempel[255]. Het is echter niet zeker of de eigennaam op een dergelijke oculistenstempel op de bezitter slaat (cfr. infra). Op de eenentwintig fragmenten van collyria worden andere personen vermeld, onder andere een zekere Marcellinus[256]. Het graf wordt gedateerd aan de hand van twee bronzen munten van Antoninus Pius en Marcus Aurelius[257], terwijl de typologie van het bronzen vaatwerk eerder wijst op een datering in de late tweede eeuw-eerste helft derde eeuw na Chr.[258].
d) Saint-Privat d’Allier (zie fig. 23, GAA 3)
In dit urnegraf, ontdekt in 1864, werden kwaliteitsvolle instrumenten[259] (zie fig. 27) gevonden, onder andere twee scalpels met zilverinlegwerk dat geïnspireerd is op de derde Pompeiiaanse stijl (cfr. supra) en ook heel gewone basisinstrumenten bijvoorbeeld de twee ijzeren tangen. Het rond, glazen amulet en de drie neolithische bijlen hebben waarschijnlijk een functie als talisman. De oculistenstempel draagt de naam Sextus Pollenius Sollemnis. Het graf wordt gedateerd aan de hand van achttien zilveren en bronzen munten van Julia Augusta, de echtgenote van Domitianus, tot Gallienus[260].

Fig. 27: Het graf van Saint-Privat d’Allier
e) Strée (zie fig. 23, GAB 9)
In dit brandgraf vindt men als bijgaven medische instrumenten[261], twee fibulae met emailversiering, een tas (zie fig. 28), een bord in terra sigillata, een lamp en een kistje met beslag[262]. Het wordt toegeschreven aan een vrouwelijke arts omwille van de fibulae die in paar voorkomen en door de vrouw op de schouder gedragen worden[263]. Het graf wordt rond 100 na Chr. gedateerd[264].

Fig. 28: Het graf van Strée
f) Vermand (zie fig. 23, GAB 6)
Hier is een inhumatiegraf gevonden met als bijgaven twee glazen flessen, een geneesmiddelenkistje met nog resten van medicamenten en instrumenten. Het graf zou dateren van de derde eeuw na Chr.[265]. Het archeologisch ensemble is echter in de Tweede Wereldoorlog verloren gegaan, dus men baseert zich voor een identificatie, datering en interpretatie op tekeningen.
g) Wederath (zie fig. 23, GAB 10, 11)
Brandgraf nr. 14 bevat een ijzeren tang, een klein mesje, instrumenten[266], een pot in blauw glas, keramiek, een fibula met een vogelprotoom, resten van een handvat en twee nagels. Het graf wordt gedateerd aan de hand van een munt van Vespasianus[267].
Brandgraf nr. 1539 bevat slechts een ijzeren tang[268]. Op basis van de crematieresten zou het om een slank gebouwde persoon gaan, een vrouw (?). Het graf wordt gedateerd rond 100 na Chr.[269].
2.3.3.1.3. Hispania
a) Mérida (zie fig. 23, HIL 2-4)
Een graf van een arts bevat instrumenten[270], bronzen en ijzeren onderdelen, vier hulsjes, glazen vaatwerk en een as van Claudius wat een datering oplevert[271].
Een tweede graf bevat instrumenten[272], fragmenten van drie stuks glas, een kruikje en een bronzen munt van Antoninus Pius, zodat het geheel kan gedateerd worden[273].
Een derde graf tenslotte bevindt zich nabij de oostelijke stadsmuur en werd in 1918 ontdekt. Het bevat een weegschaal, een grote sonde en een vaginaal speculum[274]. Een datering van eerste eeuw-tweede eeuw na Chr. wordt voorgesteld[275].
b) Spanje (zie fig. 1)
Uit Spanje, maar waar precies is niet geweten, stamt de grafuitzet van een vrouwelijke arts. Deze omvat medische instrumenten[276], een houten kistje met slot en sleutel, een armring, een ronde spiegel, een glasparel en een boogfibula[277] (zie fig. 29). Het graf wordt gedateerd in de eerste helft van de eerste eeuw na Chr.[278].

Fig. 29: Het graf van een vrouwelijke arts uit Spanje
c) Toledo (zie fig. 23, HIT 1)
De dode is begraven in een loden sarcofaag in een kuil, afgezet met baksteen. Als bijzet vindt men twee scalpels, een lepelsonde, een wrijfplaatje, tweeënveertig schoennagels en delen van een halster. Het graf wordt gedateerd door een as van Marcus Aurelius[279].
2.3.3.1.4. Germania
a) Ascherleben (zie fig. 23, GEL 1)
Dit graf bevindt zich diep in het Germaanse kerngebied, het zogenaamde Germania libera. Het gaat om een urnengraf dat in oktober 1889 aangesneden werd bij het ploegen[280]. Vanzelfsprekend is de juiste context niet gekend. Het graf kan min of meer gedateerd worden aan de hand van geassocieerde laat-Romeinse scherven[281]. De arts die hier begraven is, is dus een Germaan, maar hij beschikt wel over een Romeins instrumentarium[282] (zie fig. 30); ook resten van een bronzen bekken zijn bewaard[283]. Waarschijnlijk is hij in de leer gegaan bij een Romeinse arts en is hij later teruggekeerd naar zijn thuisgebied, met meename van zijn instrumenten[284].
Fig. 30: Het graf van Ascherleben
b) Bingen
In 1924 wordt in Bingen aan de Rijn (zie fig. 31) een brandgraf van een arts ontdekt, te dateren in de eerste eeuw-midden tweede eeuw na Chr., met een ongelofelijk rijke grafuitzet. Naast de urne heeft men een bronzen bekken en een zestigtal instrumenten[285] (zie fig. 32) van een zeer hoge kwaliteit gevonden. Deze man kent zijn vak, vermits hij, naast instrumenten voor algemene ingrepen, ook een trepanatieset bezit. Gedurende zijn carrière moet hij tot een zekere welstand zijn opgeklommen. Dat blijkt uit het grote bronzen bekken (zie fig. 33), het Egyptiserende zalf- of parfumflesje (zie fig. 34) en de sierlijke laatkopstaander (zie fig. 35). Men kan zich de vraag stellen wat zo’n rijke arts in een onooglijk stadje als Bingen te zoeken heeft. Waarschijnlijk is Bingen een belangrijke tussenpost in de Rijnhandel, omdat de Rijn hier een gevaarlijke stroomversnelling ontmoet, waardoor de vracht van de schepen aan land moest gebracht worden en langs de Rijnoever getransporteerd[286]. Potentiële klanten genoeg dus, want bij dergelijke gevaarlijke manoeuvers vallen al eens gewonden. Dit verklaart ook waarom de arts beschikt over bijvoorbeeld beenhevels en beitels om gebroken botten te zetten.

Fig. 31: Het grafveld van Bingen

Fig. 32: Het instrumentarium

Fig. 33: Het bronzen bekken

Fig. 34: Het zalf- of parfumflesje

Fig. 35: De laatkopstaander
c) Ladenburg (zie fig. 23, GES 5)
In een brandgraf vindt men instrumenten[287], tweeëntwintig stuks keramiek, onder andere terra sigillata, fragmenten van twee bronzen potten, een ronde schijffibula met emailversiering, waarschijnlijk met inlegwerk in millefiori en verschillende bronzen en ijzeren onderdelen. Het geheel wordt aan de hand van de keramiek en de fibula gedateerd rond 200-vroege derde eeuw na Chr.[288].
d) Nijmegen (zie fig. 23, GEI 8)
Een sarcofaag in tufsteen bevat instrumenten[289], een geneesmiddelenkistje[290], een doosje, glazen vaatwerk en keramiek[291].
e) Wehringen (zie fig. 23, RAE 3)
In de Provincia Raetia, op het grafveld van een rijke familie van grootgrondbezitters (zie fig. 36) wordt een arts begraven. Het skelet is goed bewaard (zie fig. 37): hij ligt op zijn rug met zijn handen over zijn heupen in een massieve houten sarcofaag. Uit antropologisch onderzoek blijkt dat hij ongeveer zeventig jaar oud geworden is en dat hij aan osteoporose leed. Van de kledij is niets bewaard gebleven, uitgezonderd de nageltjes van de schoenzolen. Als bijgaven vindt men glazen vaatwerk en keramiek, naast de instrumenten[292] in een lederen etui en een geneesmiddelenkistje[293] met nog resten van medicamenten[294]. Het graf wordt gedateerd aan de hand van drie zilvermunten, waarvan de jongste door Gordianus III (238/239) geslagen werd[295].

Fig. 36: Het grafveld van Wehringen

Fig. 37: Het graf van de arts van Wehringen
f) Worms (zie fig. 23, GES 1)
In een inhumatiegraf is een kind begraven met naast zijn hand een scalpelheft[296] met zilverinlegwerk, geïnspireerd op de derde Pompeiiaanse stijl. Hoe men dit geheel moet interpreteren, is niet duidelijk[297].
2.3.3.1.5. Brittannia
Er is maar één graf gekend uit Brittannia, namelijk dit van een Britse arts of druïde te Stanway, nabij Colchester. Op het grafveld zijn vijf graven aangelegd, in de vorm van zogenaamde enclosures met binnenin de grafkamer zelf, voor leden van de plaatselijke aristocratie. Daarrond bevinden zich gewone graven; dit van de arts hoort bij enclosure 5, te dateren rond 50 na Chr. wanneer de Romeinen Brittannia nog maar pas veroverd hebben (zie fig. 38). In het graf zijn dertien, vooral ijzeren instrumenten[298] bijgezet, zeer sterk aangetast door corrosie, maar nog voldoende herkenbaar om een vormvergelijking uit te voeren, waaruit blijkt dat zij nauw aansluiten bij het typisch Romeins instrumentarium. Zij zijn echter van lokale makelij. De eigenaardige vorm van de scalpels kent geen parallellen. Daarnaast heeft men in het graf ook Romeinse producten gevonden, namelijk terra sigillata, een wijnamfoor en een damspel[299].

Fig. 38: Het grafveld te Stanway
Het artsengraf is het “game” grave in enclosure 5.
2.3.3.2. Limes
2.3.3.2.1. Rijngrens
a) Inleiding
De niedergermanische (zie fig. 39) en obergermanische limes (zie fig. 40) vormen letterlijk de grens tussen het Romeinse rijk en Germania libera. Aan deze grens is het merendeel van de troepen gelegerd, omdat het er zo onrustig is. Dit heeft tot gevolg dat de kampen er gedurende lange tijd gebruikt worden en daarom goed geconstrueerd zijn en verschillende verbouwingen gekend hebben. Het archeologisch onderzoek is, vooral in Duitsland, al vrij ver gevorderd, waardoor het voor sommige kampen mogelijk wordt om gefundeerde uitspraken te doen over het hospitaal en de legerartsen. Hier zullen enkel de kampen aan bod komen waar medische instrumenten gevonden zijn, aangezien er drie jaar geleden een licentiaatsverhandeling geschreven is over de valetudinaria[300].
Het basisplan van het valetudinarium wordt in de tijd van Augustus uitgedacht en is zeer karakteristiek. Rond een open binnenkoer liggen de afzonderlijke kamers, per twee via een korte dwarsgang verbonden met de centrale ommegang die als het ware de slagader is van het hele complex. Bij plaatsgebrek kunnen de gewonden in de grote gangen worden gelegd[301]. Via de poort komt men in een grote, rechthoekige kamer die als operatiezaal geïnterpreteerd wordt. De ingang ligt bijna altijd naar het oosten[302]. Naast de ziekenkamers en de operatiezaal vindt men een keuken, magazijnen, een aparte dokterspraktijk en een apotheek. Grote hospitalen kunnen hun eigen badcomplex hebben. Men schat dat in het valetudinarium in een legioenkamp ongeveer twaalf artsen, één apothekersassistent en twintig hospitaalsoldaten werken[303].

Fig. 39: De niedergermanische en obergermanische limes

Fig. 40: Langs de raetische limes
In Germania en Raetia kent men het grondplan van zeven legioenkampen, namelijk Bonn (Bonna), Neuss (Novaesium), Windisch (Vindonissa), Xanten (Vetera), Enns-Lorch (Lauriacum), Bad Deutsch-Altenburg (Carnuntum) en Svistov (Novae) en van vijf kampen van hulptroepen, namelijk Valkenburg, Wiesbaden (Aquae Mattiacorum), Ehingen-Ribtissen, Oberstimm en Künzing (Quintana)[304].
b) Bonn (Bonna)
De bouw van het valetudinarium in dit legioenkamp wordt mooi gedateerd dankzij een wij-inscriptie voor Hercules; het is opgericht in 180 na Chr. door een legatus van het eerste legioen[305] (zie fig. 41) en verder gebruikt tot in de derde eeuw[306]. Aangezien men in 1954 noodopgravingen diende uit te voeren, kent men de situatie maar heel algemeen, maar op het eerste gezicht treft men ook hier het canonieke plan aan[307].
Op het grafveld buiten het kamp heeft men welgeteld drie instrumenten[308] gevonden, waarvan, buiten de scalpel, géén enkel een eenduidig medisch gebruik heeft.

Fig. 41: Wij-inscriptie ter gelegenheid van de voltooiing van het valetudinarium van Bonn
c) Dangstetten
In het legioenkamp van Dangstetten, bezet tussen 15/12 en 9 voor Chr., heeft men enkele medisch-kosmetische instrumenten[309] gevonden. Voorlopig is enkel het eerste deel van vier van het opgravingsverslag gepubliceerd[310].
d) Haltern en Kalkriese
Haltern neemt een belangrijke positie in als toegangspoort naar de Lippe. Langs deze plaats werden voorraden aangevoerd voor de kampen verder in het binnenland. Het kamp en de hele regio worden verlaten in 9 na Chr[311]. Te Kalkriese is één beenhevel[312] gevonden, in de streek waar men sedert enige jaren de Varusslag van 9 na Chr. situeert. De site wordt sedert lang afgeschuimd door mensen met metaaldetectoren, dus over de samenstelling van het oorspronkelijk archeologisch ensemble en het aandeel van chirurgische instrumenten kan men geen uitspraken doen, maar de vondst van slechts één stuk doet vermoeden dat de legerartsen weinig konden uitrichten toen hun drie legioenen in de hinderlaag van Arminius vielen.
Binnen het dubbel legioenkamp op de Silverberg[313] ligt een groot valetudiniarium dat het canonieke grondplan volgt (zie fig. 42). In het kamp zelf vond men enkele instrumenten[314] en een deksel van een hulsje[315] met een opschrift dat naar de inhoud ervan verwijst.

Fig. 42: Plan van het legioenkamp van Haltern
A. Principia, B. Valetudinarium
Vlakbij Haltern ligt het castellum van Aliso, waar ook een valetudinarium (zie fig. 43) gevonden is, één van de oudste van Duitsland, want het moet opgetrokken zijn vóór 14 na Chr.[316]. Hoewel slechts een klein deel van het gebouw kon opgegraven worden, omdat de rest onder een moderne weg ligt, blijkt toch duidelijk dat ook hier het canonieke plan gevolgd wordt.

Fig. 43: Het valetudinarium van Haltern-Aliso
a) Neuss (Novaesium)
Het valetudinarium van het legioenkamp van Neuss (zie fig. 44 en fig. 45), opgericht rond 50 na Chr., verwoest rond 70 na Chr. en dan weer heropgebouwd[317], werd in 1897 opgegraven door Koenen. Hij legde een gebouw van negentig bij vijftig meter bloot (zie fig. 46). De fundamenten bestaan uit basalt en voor de bovenbouw gebruikt men tufsteen en kalksteen. Het plan volgt zeer goed het canonieke grondplan uit de tijd van Augustus[318]. In kamer 50 zijn op twee meter diepte glasscherven, dierenknoken, eierschalen, vaatwerk en chirurgische instrumenten[319] blootgelegd[320]. In het noordoosten vond men in 1962 maalstenen en verkoolde resten van geneeskrachtige kruiden[321], onder andere wegbree en Johanneskruid[322].
Klik op de kaart op ze
te vergroten.
Fig. 44:
Geografische situering van het legioenkamp van Neuss
V. Valetudinarium, B. Badgebouw, H. Heiligdom, ++. Urnengraven

Fig. 46: Reconstructietekening van het valetudinarium van Neuss

Fig. 45: Grondplan van het valetudinarium van Neuss
b) Oberhausen
Te Augsburg-Oberhausen heeft men een aantal instrumenten[323] gevonden, waaronder het oudst gedateerde scalpel met een afzonderlijk ijzeren lemmet[324], vermits het kamp verlaten is in 16/17 na Chr.
c) Oberstimm
Ook dit kamp voor de hulptroepen heeft enkele instrumenten[325] opgeleverd. Het is gebouwd onder Tiberius of Caligula als Romeins steunpunt bij de bovenloop van de Donau. In de tijd van Claudius en Nero is het het meest oostelijk gelegen Romeinse kamp. Deze geïsoleerde positie kan een verklaring zijn waarom het castellum in 69/70 na Chr., tijdens een periode van troebelen en schermutselingen, wordt verlaten. Onder Vespasianus wordt het kamp heringericht en onder Domitianus kent het zijn grote bloei, wanneer in de regio verschillende kampen worden opgericht en Oberstimm misschien de functie heeft van logistiek centrum. Minstens tot de regering van Hadrianus wordt het castellum onderhouden. Wanneer en waarom men het uiteindelijk verlaten heeft, is tot nu toe niet geweten[326].
d) Saalburg
In 135 na Chr. wordt dit cohortekamp opgetrokken in hout op een stenen fundering. De binneninrichting is slecht bewaard doordat in de tweede helft van de tweede eeuw het kamp in steen wordt uitgebouwd[327]. Uit dit kamp zijn twee ijzeren tangen[328] gekend.
e) Windisch (Vindonissa)
Met de bouw van het valetudinarium in hout wordt begonnen door het dertiende legioen in 12 na Chr. Daarna kent het nog verschillende bouwfasen om te resulteren in een gebouw in steen aan het begin van de tweede eeuw na Chr. Ook hier volgt men het basisplan, maar de schaal wordt zodanig vergroot dat er plaats is voor een kleine vijfhonderd zieken en gewonden. Aan de straatzijde heeft men een portiek met winkeltjes gebouwd[329] (zie fig. 47).
Binnen het kamp werd een aantal instrumenten[330] van zeer goede kwaliteit gevonden.

Fig. 47: Het legioenkamp van Windisch
f) Zugmantel
Te Wiesbaden, vlakbij Saalburg, ligt het castellum Zugmantel. Het kamp wordt rond 90 na Chr. opgetrokken op een strategisch en economisch gunstige plaats. Onder Hadrianus en in het midden van de tweede eeuw wordt het vergroot zodat het tenslotte in 223 na Chr. een oppervlakte van 2,1 hectare beslaat en volledig in steen is gebouwd. In 260 na Chr. wordt het, samen met de limes, verlaten[331]. Van de weinige instrumenten[332] die hier gevonden zijn, is de archeologische context niet gekend.
2.3.3.2.2. Muur van Hadrianus en Antoninus Pius
a) Inleiding
Na de dood van Trajanus bezoekt Hadrianus het noorden van Brittannia (zie fig. 48) en besluit een verdedigingsmuur op te richten op het smalste stuk van het eiland, over een lengte van zo’n zesenzeventig Romeinse mijl, ondersteund door de forten van York en Chester. Het werk wordt uitgevoerd door gouverneur Aulus Patorius Nepos, tussen 122 en 126 na Chr. Onder Hadrianus’ opvolger, Antoninus Pius, onderneemt Lollius Urbicus een succesvolle campagne om een deel van Schotland te veroveren. Over een lengte van veertig Romeinse mijl wordt een nieuwe muur gebouwd. Maar de Romeinen kunnen het gebied niet lang vasthouden en in 161 na Chr. wordt de muur definitief verlaten. De muur van Hadrianus vormt dan opnieuw de rijksgrens[333]. Rond 196, in een chaotische periode wanneer er verschillende troonpretendenten zijn, tot Septimius Severus de macht grijpt, wordt de muur grondig verwoest door de Maeatae. Pas in 205, onder leiding van gouverneur Alfenus Senecio, wordt begonnen met het herstel[334]. Tijdens de Severische periode kent het gebied een relatieve vrede. In 296 echter komen de stammen weer opzetten en verwoesten delen van de muur. Constantijn voert de nodige herstellingen uit. Een derde verwoesting vindt plaats in 367; herstellingen worden uitgevoerd door Theodosius[335]. Tot 383 na Chr. zijn er nog Romeinse garnizoenen aanwezig[336]. Hoe de muur dan definitief verlaten werd, is niet duidelijk.
Men kent in Groot-Brittannië het grondplan van het valetudinarium van twee legioenkampen, namelijk Inchtuthil en Caerleon (Isca Silurum) en van zes tot acht kampen van hulptroepen, namelijk Housesteads (Borcovicium), Benwell (Condercum), Wallsend (Segedunum), Fendoch, Corbridge (Corstopitum)(?), Hod Hill, Pen Llystyn en Strageath (?)[337].

Fig. 48: Romeins Noord-Engeland

Fig. 49: De kampen langs de muur van Hadrianus
b) Corbridge (Corstopitum) (zie fig. 49)
Het eerste fort is waarschijnlijk gebouwd onder gouverneur Julius Agricola. In 139 na Chr. wordt het herbouwd, waarschijnlijk reeds met een valetudinarium, omwille van de strategische ligging met het oog op de invasie in Schotland. Wanneer de muur van Hadrianus verlaten wordt ten voordele van de muur van Antoninus kent Corbridge zijn grootste bloei als logistiek centrum[338]. Het fort wordt goed onderhouden tijdens de derde en vierde eeuw en heeft een valetudinarium in hout.
Onder de vloer in een kamer van het oudste valetudinarium van Corbridge, heeft men bij opgravingen in 1964 een houten kist teruggevonden die daar opzettelijk was begraven, met erin een aantal buideltjes met plantaardige grondstoffen[339], waarschijnlijk om medicijnen te maken en enige versleten uitrustingsstukken in metaal die kunnen gebruikt worden voor medicijnen op basis van metalen. Daarnaast zijn er in het valetudinarium instrumenten van een zeer hoge kwaliteit gevonden, maar deze zijn nog nooit bestudeerd, omdat zij zeer verspreid geraakt zijn[340].
c) Cramond (zie fig. 50)

Fig. 50: De muur van Antoninus Pius
In 1919 verwierf het National Museum of Antiquities of Scotland te Edinburgh een set van acht instrumenten[341] (zie fig. 51) die zou gevonden zijn te Cramond, gelegen langs de muur van Antoninus. De vondstomstandigheden blijven zeer vaag, maar als deze stukken echt van Cramond afkomstig zijn, dan zouden zij de meest noordelijk gevonden Romeinse medische instrumenten zijn, wat de enigszins vreemde vorm van de brandijzers zou verklaren. Het scalpel daarentegen is versierd met hetzelfde rankenpatroon in zilverinlegwerk als men elders in het Romeinse rijk aantreft. Ook de twee pincetten zien er vrij gewoon uit, hoewel ze een rijke geprofileerde versiering hebben. Tenslotte is nog een oorlepeltje gevonden met aan het andere uiteinde een soort platte haak, die ook als een soort scheplepeltje zou kunnen fungeren[342]. Ze zijn waarschijnlijk afkomstig van het fort of de burgerlijke nederzetting van Cramond, geconstrueerd onder Antoninus Pius, nadien verlaten en onder Septimius Severus weer hersteld[343].

Fig. 51: De instrumenten van Cramond
d) Housesteads (Vercovicium) (zie fig. 49)
Gedurende lange tijd moet het leven in Housesteads heel voorspoedig geweest zijn. Door de gunstige ligging van het fort op een knooppunt van wegen, kent de civiele nederzetting een grote bloei in de derde en vierde eeuw. In 367 wordt de nederzetting verlaten en trekken de bewoners zich terug binnen de muren van het fort[344].
Dit is één van de weinige valetudinaria langs de muur van Hadrianus dat goed gekend is. Het werd opgegraven in 1898 en 1972 en geïdentificeerd als valetudinarium op basis van het karakteristieke grondplan (zie fig. 52), vermits er geen instrumenten gevonden werden. Het is in steen gebouwd, met een dak met pannen (zie fig. 53 en 54). Men heeft geen sporen van een verwarmingssysteem teruggevonden en ook geen keukens[345]. Qua grootte is het uitermate geschikt voor de cohorte die hier gelegerd was[346]. Te Housesteads, maar men weet niet precies waar, is een haak[347] en een lepel[348] gevonden.

Fig. 54: Reconstructietekening van de bovenbouw

Fig. 52: Grondplan van het Fig. 53: Reconstructie van het
valetudinarium van Housesteads valetudinarium
e) Inchtuthil (zie fig. 55)
Ten westen van het moderne Dundee ligt het legioenkamp van Inchtuthil (zie fig. 56). Het wordt opgetrokken in 84 onder Julius Agricola als uitvalsbasis voor verdere operaties[349], maar wordt vier jaar later ontmanteld en opgegeven wanneer Agricola Brittannia verlaat[350].

Fig. 55: Geografische situering van Inchtuthil
In het hart van het fort bevindt zich een groot hospitaal (zie fig. 57) van ongeveer honderd bij vijfenzeventig meter uit de late eerste eeuw na Chr[351]. Ook hier volgt men het canonieke grondplan. Waarschijnlijk zijn de hoofdgangen op een verhoogd niveau aangelegd om frisse lucht en licht binnen te laten in de ziekenkamers[352].

Fig. 56: Het plateau Fig. 57: Het legioenkamp van Inchtuthil
A. Principia, B. Valetudinarium
2.3.3.3. Tempels
a) Ponte di Nona
Tussen 1975 en 1976 werd in het antieke Ad Nonum, op negen Romeinse mijl van Rome langs de Via Praenestina (zie fig. 58), het Republikeins heiligdom (zie fig. 59) opgegraven, waarbij een stipe met meer dan achtduizend terracotta ex-voto’s in de vorm van te helen lichaamsdelen is gevonden, overwegend voeten en handen, wat mogelijk wijst op een zekere specialisatie. Er zijn echter geen instrumenten opgegraven, hoewel men vanuit epigrafische en archeologische bronnen weet dat in sommige tempelcomplexen, bijvoorbeeld te Epheze (cfr. supra 2.3.4.2.2.a), Korinthe en Senlis wel geneesheren actief waren[353]. Dit heiligdom is echter in eerste instantie bedoeld voor de rurale Italische bevolking die mogelijk meer belang hecht aan de therapeutische waarde van helende baden en aan goddelijke ingrepen. De tempel wordt tot in de late vijfde eeuw nog bezocht en dan definitief verlaten[354]. Aan welke godheid deze gewijd is, weet men niet, mogelijk Aesculapius of Minerva[355]. De stipe is tot stand gekomen in de laat-Romeinse periode, dus men weet ook niet precies wanneer de cultus hier begonnen is.

Fig. 58: Geografische situering van de site Ponte di Nona

Fig. 59: Grondplan van de site
Op andere sites in Italië blijkt echter dat ten vroegste vanaf de late vijfde-begin vierde eeuw anatomische ex-voto’s worden opgedragen, ofwel als vraag om genezing, ofwel als dank voor een succesvolle genezing. Dit gebeurt gelijktijdig met wat men in Griekenland doet, op een moment dat de Aesculapiuscultus nog niet ingevoerd is in Rome en Italië. Ponte di Nona zou in dit plaatje passen, aangezien men her en der scherven uit de vierde eeuw voor Chr. gevonden heeft[356]. In Italië zijn een zesennegentig sites gedocumenteerd met een stipe met anatomische ex-voto’s (zie fig. 60), de meeste in Centraal- en Zuid-Etrurië en Latium: de heiligdommen zijn gelegen aan bronnen die ontspringen in dit vulkanisch gebied[357].

Fig. 60: Sites met anatomische ex-voto’s in Italië
b) Pouillé
Het fanum, gewijd aan een genezende watergodheid werd einde jaren zeventig-begin jaren tachtig van de twintigste eeuw opgegraven. Naast drie bronzen ex-voto’s in de vorm van een oog (zie fig. 61), worden er drie wrijfplaatjes, vier sonden[358] en twee onidentificeerbare instrumenten gevonden. De godheid die hier zetelt,