Wie was de Romeinse arts? Een interpretatie vanuit de iconografische en archeologische bronnen,geconfronteerd met de traditionele interpretatievanuit de literaire en epigrafische bronnen. (Marlin Janssens)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

HOOFDSTUK 2: Een interpretatie vanuit de iconografische en de archeologische bronnen

 

2.3. Archeologische bronnen

 

2.3.4. Sociale structuur

 

2.3.4.1. Productie

 

Is de productie van medische instrumenten nu eigenlijk standaardwerk of gespecialiseerd werk voor particulieren? Beide systemen lijken bestaan te hebben. De fabrikantenstempels wijzen op het bestaan van een internationale handel. Jammer genoeg kan men alleen de verspreiding van de producten van Agathangelus in kaart brengen. Vreemd genoeg gaat het niet om topstukken, maar om heel gewone, vaak onversierde pincetten en dergelijke. Ook de gedecoreerde scalpelheften circuleren in dit systeem. De instrumenten, afkomstig uit heel het westelijk deel van het Romeinse rijk, hebben een gelijkaardige decoratie en zijn alle geïnspireerd op een onbekend proto-type. Andere decoratiemogelijkheden, de geprofileerde en gefacetteerde versiering, zijn zo heterogeen dat men kan stellen dat deze een eigen, individuele interpretatie zijn van de fabrikant. Meestal dragen de sonden, de pincetten en de haken een dergelijke versiering en wanneer men hun lengte gaat vergelijken, wordt dit beeld van individuele productie bevestigd. Voor het scalpel daarentegen bekomt men een mooie Gausscurve. Jammer genoeg is ander gespecialiseerd instrumentarium niet voldoende representatief om er een lengte-analyse op uit te voeren. Algemeen kan men stellen dat de vervaardiging van het medisch-kosmetisch instrumentarium behoort tot de capaciteiten van elke smid en dat voor meer gespecialiseerde instrumenten ook meer gespecialiseerde smeden instaan.

 

Heeft dit nu een betekenis voor de interpretatie van de sociale status van de arts? Wanneer men de inhoud van de graven bekijkt, blijkt wel dat de arts een groot belang hecht aan mooie instrumenten, aangezien hij zo indruk kan maken op potentiële klanten. Aangezien de mooie stukken van ver worden aangevoerd, kan de handelaar een aanzienlijke som vragen. Blijkbaar beschikt een groot deel van de artsen in het westelijk deel van het Romeinse rijk over de middelen hiervoor.

In het graf van Ascherleben treft men een set aan met eenzelfde versiering, maar dit is eerder de uitzondering dan de regel. Blijkbaar hebben bepaalde instrumenten een langere levensloop dan de bezitter ervan en worden zij waardevol genoeg geacht om doorgegeven te worden, waarschijnlijk van arts op leerling.

 

2.3.4.2. De arts

 

2.3.4.2.1. Grafcontexten

 

a) Datering

Hoewel men de graven ook dateert aan de hand van de typochronologie van bronzen en glazen vaatwerk en van fibulae, worden hier alleen criteria voor een absolute datering in acht genomen, in casu de munten. Deze datering zal verder een rol spelen, wanneer getracht wordt een evolutie van types (van bijvoorbeeld het scalpel) te onderzoeken. Ook voor de uiteindelijke interpretatie van de sociale positie van de arts zal een nauwkeurige datering belangrijk zijn om de historische gebeurtenissen van de periode waarin hij leefde goed in te schatten.

Een groot aantal rijke graven is gesitueerd in de tweede helft van de eerste eeuw na Chr. Zij vormen de oudste en meteen de rijkste voorbeelden van artsengraven. Dan valt er een soort hiaat met slechts enkele voorbeelden uit de tweede en derde eeuw. Het jongste graf dateert van het midden van de derde eeuw, vermits het ensemble van Parijs eerder als schat moet geïnterpreteerd worden, begraven bij de invallen van de Franken.

Wanneer men de geografische spreiding gaat onderzoeken, valt op dat de graven in Italië waarvan er sowieso al weinig bekend zijn, alle in de eerste eeuw moeten gesitueerd worden. Andere graven uit de eerste eeuw bevinden zich in Spanje en Duitsland; Gallië is niet vertegenwoordigd, maar dit kan toeval zijn.

 

Graven

Munten

Arch. Context

Trier (St.-Matthias. Graf 3)

Agrippa, Claudius

 

Mérida (typologie)

Claudius

 

Keulen (Bonner Str.)

Nero

 

Trier (St.-Matthias. Graf 119)

Nero

 

Luzzi

Vespasianus

 

Morlungo

Vespasianus

 

Wederath (nr. 14)

Vespasianus

 

Pompeii (lijkvondst palestra)

 

79 na Chr.

Mérida (munten)

Antoninus Pius

 

Reims

Antoninus Pius en Marcus Aurelius

 

Trier (Maarstr.)

Septimius Severus

 

Keulen (R. Wagnerstr.)

225 na Chr.

 

Wehringen

Gordianus III

 

Saint-Privat d'Allier

Domitianus tot Gallienus

 

Parijs (depot)

Tetricus I en II

 

Fig. 92: Datering van de graven

 

b) Aanleg van het graf

Men kent maar van een beperkt aantal artsengraven de juiste grafaanleg, maar het is toch opvallend dat het om relatief rijke graven gaat. De normale begravingswijze in de Romeinse periode is crematie. Dit proces is vrij duur omwille van het benodigde hout. De dode wordt volledig gekleed op de brandstapel opgebaard, vaak met zijn persoonlijke bezittingen. Afhankelijk van de kwaliteit van het hout en de duur van de verbranding, zal het lijk al dan niet beter verbrand zijn. Meestal echter is het lichaam onvolledig verbrand, zodat er op de gecalcineerde beenderresten nog antropologisch onderzoek kan uitgevoerd worden. Zo heeft men aan de hand van de crematieresten van een graf in Spanje de dode geïdentificeerd als een vrouw (cfr. supra 2.2.3.1.3.b). Soms zijn ook de kleine bijgaven nog min of meer te herkennen. De resten worden bijgezet in het graf in een urne, of in een askist, een bronzen pot of een loden kist voor rijkere graven, of gewoon in de kuil uitgestrooid. Uitzonderlijk wordt de brandstapel rechtstreeks boven de grafkuil opgericht. Dit fenomeen is te herkennen aan de hand van de rood verbrande wanden van de kuil.

Inhumatie komt in de Romeinse periode eerder uitzonderlijk voor, in geval van noodbegraving bijvoorbeeld. Een inhumatiegraf is goedkoper, tenzij men zich laat begraven in een sarcofaag, in hout, lood of steen (vijf van de elf inhumatiegraven). Een goedkopere oplossing is de grafkuil te laten aflijnen met bakstenen of dakpannen. Dit soort graven mag men niet automatisch toeschrijven aan artsen van een lagere sociale status. De arts van Wehringen, hoewel begraven in een heel gewoon inhumatiegraf, was werkzaam op een groot villadomein en moet een vooraanstaande positie hebben ingenomen.

 

Site

Inhumatie

Crematie

Ascherleben

 

urnengraf

Bingen

 

urnengraf

Brescia

 

urnengraf

Günzburg

 

urnengraf

Keulen (Aachener Str.)

sarcofaag

 

Keulen (Bonner Str.)

 

urnengraf

Keulen (Friezenplatz)

 

askist

Keulen (Telegraphenstr.)

sarcofaag

 

Keulen (R. Wagnerstr.)

 

askist

Ladenburg

 

brandgraf

Luzzi

baksteenaflijning

 

Mérida (munten)

baksteenaflijning

 

Mérida (typologie)

baksteenaflijning

 

Morlungo

 

askist

Nijmegen

sarcofaag

 

Reims

 

brandgraf

Saint-Privat d'Allier

 

urnengraf

Salzburg

inhumatiegraf

 

Stanway

inhumatiegraf

 

Strée

 

brandgraf

Toledo

sarcofaag

 

Vermand

inhumatiegraf

 

Verona

 

urnengraf

Wederath (nr. 14)

 

brandgraf

Wehringen

sarcofaag

 

Totaal

11

14

Fig. 93: Grafaanleg

 

a) Grafuitzet

Als secundaire bijgaven vindt men over het algemeen aardewerk, waarschijnlijk gevuld met spijs en drank, dus kruiken, kannen, borden, kommen en drinkbekers, een munt als overzetpenning naar het hiernamaals, persoonlijke bezittingen. Kostbaardere stukken zijn bronzen vaatwerk, glaswerk en juwelen. Het graf van de arts is uitsluitend te herkennen aan zijn instrumenten. Hierop wordt in een volgend punt ingegaan.

Jammer genoeg is de publicatie van de bijgaven van de artsengraven eerder vaag, vooral wat betreft het soort keramiek. De moderne auteur hecht blijkbaar nog wel belang aan terra sigillata, maar de Belgische waar of de gewone gebruikskeramiek wordt niet in detail beschreven. Ook op de verschillende vormen van glaswerk wordt nauwelijks ingegaan.

 

Site

Instrumenten

Aardewerk

Ascherleben

4 stuks

 

Bingen

46 stuks

urne

Keulen (Aachener Str.)

6 stuks

 

Keulen (Bonner Str.)

3 stuks

geverniste beker, keramiek, urne, lamp

Keulen (Friezenplatz)

4 stuks

terra sigillata

Keulen (R. Wagnerstr.)

6 stuks

3 kruikjes

Ladenburg

5 stuks

22 stuks

Luzzi

14 stuks

 

Mérida (munten)

17 stuks

kruikje

Mérida (typologie)

12 stuks

 

Morlungo

8 stuks

3 potten, 2 lampen

Nijmegen

7 stuks

keramiek

Reims

29 stuks

 

Saint-Privat d'Allier

8 stuks

 

Spanje

4 stuks

 

Stanway

12 stuks

terra sigillata, wijnamfoor

Strée

2 stuks

terra sigillatabord, kop, lamp

Trier (St.-Matthias. Graf 3)

1 stuk

kruikje, terra nigrabord, lamp

Trier (St.-Matthias. Graf 119)

1 stuk

vaatwerk, terra nigra, lamp

Trier (St.-Matthias. Graf 149)

1 stuk

vaatwerk, lamp

Trier (St.-Matthias. Graf 173)

1 stuk

vaatwerk, terra nigra

Vermand

7 stuks

 

Wederath (nr. 14)

3 stuks

pot in Belgische waar

Wehringen

7 stuks

pot

 

Glas

Brons

Andere

 

bekken

 

zalfflesje

bekken

 

vaatwerk

 

munten

zalfflesjes

 

 

vaatwerk

strigilis

kistje met ivoren bekleding

2 bekers

 

munten

 

2 potten, fibula

 

flesjes, 2 balsamaria

 

munt, 9 nagels

3 stuks

 

munt

8 stuks

 

munt

10 stuks

strigilis

zonnewijzer

vaatwerk

 

doosje

 

vaatwerk

munten, weegschaal

amulet

 

18 munten, 3 neolithische bijlen

glasparel

2 fibulae

kistje, armring, spiegel

 

 

damspel

 

fibulae

kistje

vaatwerk

 

munten

 

 

munten, kistje

vaatwerk

 

beeldje, metaalfragmenten

glaspasta

 

munten, 6 benen visjes met getallen, 2 dobbelstenen

2 flessen

 

 

pot in blauw glas

fibula

nagel, fragment van handvat

vaatwerk

 

munten, kledij-elementen

Fig. 94: Grafuitzet

 

De urne waarin de resten worden bijgezet en de kruiken en kannen worden uitgevoerd in eenvoudig aardewerk. In één graf heeft men een wijnamfoor gevonden.

 

Vanaf het midden van de eerste eeuw na Chr. verspreiden de productiecentra van terra sigillata zich meer naar midden-Gallië toe. In oost-Gallië trekt de aanwezigheid van troepen langs de Rijn nieuwe pottenbakkers aan. Vooral in de Argonne, de Elzas en het Moezelgebied worden vanaf het midden van de eerste eeuw na Chr. onversierde, later versierde sigillata geproduceerd. Het hoogtepunt van de productie valt rond 120-160 na Chr. en loopt door tot het midden van de derde eeuw. De kwaliteit daalt wel en de potten worden versierd met een rolstempelmotief. Terra sigillata, het mooie servies, is een gemakkelijk te verkrijgen luxeproduct op dat moment. In de graven treft men vooral borden en kommen aan.

 

Belgische waar is een inheemse interpretatie van de terra sigillata, ofwel in roodbruin (terra rubra), ofwel in grijszwart vaatwerk (terra nigra). De vroegste productiecentra zijn te situeren in Zuid-Gallië, in de streek van de Remi. Later verschuift de productie naar het noorden, onder andere naar de streek van Trier. Net in deze graven lijkt terra nigra een vast onderdeel van de grafuitzet te zijn.

 

Glaswerk is een echt luxeproduct. In de graven van artsen is het vrij zeldzaam, maar in sommige graven treft men tot tien stuks aan, vooral flesjes voor zalven en parfums, vanzelfsprekend in verband te brengen met hun beroep. Het meest luxueuze voorbeeld is het glazen flesje van Bingen in de vorm van een nijlpaard, bekroond met een slang. Daarnaast treft men ook een aantal bekers aan, met opgelegde glasdraden en noppen. Op het eerste gezicht is het glazen vaatwerk oververtegenwoordigd in Keulen, maar men dient rekening te houden met het feit dat het belangrijkste centrum van glasproductie van de midden-Keizertijd zich in Keulen bevindt. Het glas wordt kleurloos en dunwandig uitgevoerd.

 

Ook bronzen stukken behoren tot de luxe-uitzet en zijn zeldzaam in de gewone graven. Het gaat hier om smuk, zoals fibulae, onder andere de boog- en schijffibula, eventueel versierd met email en om vaatwerk, voornamelijk bekkens. In enkele graven treft men ook een strigilis aan, wat voornamelijk past in de kosmetische sfeer, waardoor bevestigd wordt dat sommige graven met medisch-kosmetisch instrumentarium, niet noodzakelijk als artsengraf mogen geïnterpreteerd worden.

 

Tot de persoonlijke uitzet behoren dobbelstenen, een damspel, de benen visjes (ook een spel?) (zie fig. 91), het terracottabeeldje van een haan uit een graf te Bonn (zie fig. 95) en natuurlijk de medische instrumenten.

 

 Fig. 95: Beeldje van een haan

 

a) Instrumenten

Aan de hand van de medische instrumenten kan men een graf identificeren als toebehorend aan een arts. In dit punt worden de graven onderling vergeleken wat betreft de meegegeven medische instrumenten en wordt gepoogd uitspraken te doen over de sociale hiërarchie van de graven, en dus van de overledenen die erin begraven zijn.

Men moet goed rekening houden met het feit dat in alle graven, met uitzondering van de lijkvondst van Pompeii, de nabestaanden een selectie in de instrumenten kunnen gemaakt hebben en dat in de tijd die volgt op de begraving, er nog een archeologische selectie heeft plaatsgegrepen. Dit heeft tot gevolg dat men, voorafgaand aan de eigenlijke interpretatie van de sociale positie van de arts, een methodologische interpretatie moet maken van de samenstelling van het instrumentarium.

Wat kan men zeggen over een graf met weinig instrumenten? Heeft men op het moment van begraving inderdaad zo weinig stukken meegegeven? Een klein aantal instrumenten hoeft niet noodzakelijk te wijzen op een geringe sociale status. “Less is more”, zeker wanneer het om gekoesterde erfstukken gaat bijvoorbeeld. Zijn na de begraving stukken verdwenen, door natuurlijke omstandigheden (roest, turbatie), door roof of door een slechte opgraving of documentatie? Aan de andere kant is het ook mogelijk dat instrumenten van de arts enerzijds voor zijn dood door hem zijn weggeschonken of anderzijds na zijn dood zijn weggenomen door familie of door leden van het collegium om ze bijvoorbeeld te geven aan de leerling.

Deze factoren kunnen beoordeeld worden aan de hand van de samenstelling van het instrumentarium in het graf. Deze kan zeer heterogeen zijn, waarbij sommige stukken over- of ondervertegenwoordigd zijn of wanneer er een bont allegaartje (wat betreft versiering bijvoorbeeld) aanwezig is. Hierbij dient men wel rekening te houden met de levensloop van medische instrumenten. Het is mogelijk dat de arts reeds tijdens zijn leven verantwoordelijk is geweest voor de decoratieve verschillen binnen zijn instrumentarium. Het zal moeilijker en dus duurder geweest zijn om aan een volledige set te geraken. Minder welgestelde artsen zullen nu eens hier, dan weer daar, afhankelijk van wanneer ze wat nodig hebben, een nieuw instrument gekocht hebben. In de onderstaande tabel (zie fig. 96) wordt een overzicht gegeven van de verschillende mogelijkheden en van de sociale implicaties.

 

Fig. 96: Relatie instrumenten-sociale status

 

Een optelsom van de meegegeven stukken per graf (zie fig. 97) laat toe een zekere indeling te maken. Een paar graven, namelijk het graf van Bingen en van Reims, springen meteen in het oog. Dan volgt er een zestal graven met tussen de tien en de zeventien instrumenten, dan een groep van negen graven met tussen de acht en de vijf instrumenten en tenslotte een verzameling van negen graven met minder dan vijf instrumenten. Niet alleen met kwantiteit moet er rekening gehouden worden. Zo zijn de vier stukken uit het graf van Ascherleben zeer mooi versierd met het acanthusmotief. Een uitzonderlijke plaats neemt de lijkvondst te Pompeii in. Hier is de arts gedood en ter plaatse blijven liggen bij de vulkaanuitbarsting. Zijn kistje komt daardoor overeen met (een deel van) zijn bezit in de realiteit, in tegenstelling tot de andere graven.

 

De meest voorkomende instrumenten zijn respectievelijk het scalpel, de haak, het pincet, de naald en de lepelsonde (zie fig. 97). De vier laatste zijn kosmetisch-medische instrumenten en het is dus niet verwonderlijk dat deze in grote hoeveelheden voorkomen. Wanneer men dergelijk materiaal alleen aantreft, niet geassocieerd met een eenduidig medisch-chirurgisch instrument, is het heel moeilijk om het graf te interpreteren als artsengraf (cfr. supra, de vier graven te Sint-Matthias in Trier, 2.2.3.7.4.). Het scalpel lijkt het basisinstrument van de arts te zijn. Ook het kistje, of het nu instrumenten of geneesmiddelen bevat, is goed vertegenwoordigd. Het kan vergeleken worden met onze dokterstas. De beenhevel komt ook veelvuldig voor en dit bewijst toch weer hoe smal de scheidingslijn tussen chirurg en algemene arts is.

Later zal deze rangschikking geconfronteerd worden met de hiërarchie van de instrumenten, zoals die afgeleid is van de iconografische bronnen.

 

Aantal instrumenten/graf

Scalpel

Haak

Pincet

Naald

Lepels.

Spatels.

Beenhevel

Oors.

Kist

Sonde

Bingen

11

7

3

2

0

1

4

0