| Sociaal-economische analyse van de levensomstandigheden in een plattelendsgemeenschap. Casus: het Ambacht Maldegem in de 18de eeuw. (Petra De Decker) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Deel III: Financiële structuren
In dit deel bekijken we de financiële toestand van de bevolking in het Ambacht Maldegem. Ook hier voerden we een onderscheid in tussen landbouwers en beoefenaars van beroepen in de secundaire en tertiaire sector. We merken hierbij op dat het beeld van de financiële toestand, zoals we die kunnen afleiden uit de staten van goed, geen volledige weergave bied van de financiële positie waarin de persoon in kwestie tijdens het leven verkeerde. Ondanks deze beperking kunnen we de financiële toestand van de bevolking van het Ambacht Maldegem vrij goed weergeven. Eerst zullen we de vermogensstructuur van de landbouwers en de secundaire en tertiaire sector onderzoeken, daarna komen de schulden en schuldvorderingen aan bod.
Hoofdstuk 1. De vermogensstructuur
Omdat we eerst een blik willen werpen op de solvabiliteit van de bevolking in het Ambacht Maldegem, worden de huishoudens zowel bij de landbouwers als bij de secundaire en tertiaire sector ingedeeld in vermogensklassen. We gebruiken hierbij de indeling van I. PISTERS omdat deze indeling reeds door verschillende auteurs werd gebruikt. Dit laat een vergelijking tussen verschillende studies toe[111].
De laagste vermogenscategorie beschikte over een vermogen van maximum 24000 groten Vlaams (= 100 ponden Vlaams). De middelste vermogenscategorie omvat een vermogen tussen 24000 en 72000 groten Vlaams (= 100 tot 300 ponden Vlaams) en de hoogste vermogenscategorie had een vermogen van meer dan 72000 groten Vlaams (= meer dan 300 ponden Vlaams). Eerst hebben we de vermogensstructuur van de landbouwers en de secundaire en tertiaire sector onderzocht aan de hand van de ‘baten’; de ‘baten omvatten het totaal van de onroerende en de roerende goederen. Daarna onderzochten we de saldovermogensstructuur. Het saldo omvat het volledige vermogen na aftrekking van de schulden. Wat de saldovermogensstructuur betreft, hebben we nog een categorie bijgevoegd, nl. de vermogenscategorie waar het totaal vermogen op een negatief saldo uitkwam.
1.1 De vermogensstructuur aan de hand van de ‘baten’.
1.1.1. De vermogensstructuur van de landbouwers (tabel III.1.1.1.)
De laagste vermogenscategorie omvat in het begin van de 18de eeuw zo’n 43,07 % van de huishoudens. Naar het einde van de 18de eeuw daalt het aandeel van de huishoudens in de laagste vermogenscategorie (van 43,07 % naar 25,64 %). Het aandeel van de huishoudens in de middelste vermogenscategorie kende een hoogtepunt in 1748-1750 (37,19 %). In die periode vormde het dan ook de belangrijkste categorie, terwijl dat in de eerste periode van de steekproef de laagste vermogenscategorie was. We zien trouwens dat de sterkst vertegenwoordigde vermogenscategorie in de loop van de 18de eeuw steeds opschuift. Op het einde van de 18de eeuw was dit de hoogste vermogenscategorie, die 46,15 % van de huishoudens vertegenwoordigde. Het aandeel van de hoogste vermogenscategorie steeg in de loop van de 18de eeuw (van 27,69 % naar 46,15 %).
1.1.2. De vermogensstructuur van de secundaire en tertiaire sector ( tabel III.1.1.2)
Bij de secundaire en tertiaire sector beschikte elk huishouden in het begin van de 18de eeuw over minimum 24000 groten. De hoogste vermogenscategorie vertegenwoordigde toen iets meer dan de helft van de huishoudens (55,56 %). In 1748-1750 vormde de hoogste vermogenscategorie, die de helft van de onderzochte van de huishoudens bevatte, de sterkst vertegenwoordigde categorie. Het aandeel van de huishoudens in de hoogste vermogenscategorie daalde naar het einde van de 18de eeuw (van 55,56 % naar 37,5 %). De middelste vermogenscategorie nam na het midden van de 18de eeuw toe (van 33,33 % naar 50 %). Bekijken we nu het gemiddeld vermogen, dan zien we dat de middelste vermogenscategorie het best scoort in 1708-1710. Ieder huishouden beschikte toen over gemiddeld 53811 groten Vlaams. Ook bij de hoogste vermogenscategorie lag het gemiddeld vermogen per huishouden hoger in de eerste periode van de steekproef (gemiddeld 219178 groten Vlaams). Dit bedrag lag na 1710 merkelijk lager (gemiddeld 113011 in 1748-1750 en gemiddeld 121430 in 1788-1790).
1.2 De saldovermogensstructuur
1.2.1. De saldovermogensstructuur van de landbouwers
In 1708-1710 werd er bij 23,07 % van de gezinnen een negatief saldo aangetroffen. Dit betekent niet noodzakelijk dat deze gezinnen tot de allerarmsten van de maatschappij behoorden. Vaak waren het de rijkere die meer schulden maakten. In de overige twee periodes van de steekproef lag het aantal huishoudens met een negatief saldo lager (14,87 % in 1748-1750 en 15,38 % in 1788-1790). In de eerste twee periodes van de steekproef behoorde de meerderheid van de gezinnen tot de laagste vermogenscategorie (49,23 % in 1708-1710 en 57,85 % in 1748-1750). Na 1750 daalde het aandeel van de huishoudens in de laagste vermogenscategorie tot 28,20 %. Bij de hoogste vermogenscategorie was er sinds 1710 een stijging op te merken (van 7,69 % in 1708-1710 naar 29,48 % in 1788-1790). Ook bij de middelste vermogenscategorie was er een stijging op te merken (van 20 % naar 29,48 %). Wat het gemiddeld vermogen betreft, merken we op dat het vermogen in de laagste bedrijfscategorie stabiel blijft. In de middelste vermogenscategorie daarentegen was er een daling te bespeuren ( van 47710 groten Vlaams in 1708-1710 naar 38782 groten Vlaams in 1788-1790). Bij de hoogste vermogenscategorie bereikte het gemiddeld vermogen rond het midden van de 18de eeuw een dieptepunt; toen bedroeg het gemiddeld vermogen 92947,3 groten Vlaams.
1.2.2. De saldovermogensstructuur van de secundaire en tertiaire sector
Naar het einde van de 18de eeuw steeg het aantal huishoudens met een negatief saldo (van 22,22 % naar 50 %). Op het einde van de van de 18de eeuw werd bij liefst de helft van de onderzochte huishoudens een negatief saldo aangetroffen. Deze categorie was in deze periode van de steekproef dan ook het sterkst vertegenwoordigd. Het aandeel van de huishoudens in de laagste vermogenscategorie kende een hoogtepunt in het midden van de 18de eeuw (41,67 %). Het aantal huishoudens in de middelste vermogenscategorie bleef gedurende de 18de eeuw constant. Bij de hoogste vermogenscategorie was er een flinke afname van het aantal huishoudens op te merken (van 44,44 % in 1708-1710 naar 12,5 % in 1788-1790). Wat het gemiddeld vermogen betreft, zien we dat er bij de laagste vermogenscategorie een dieptepunt wordt bereikt in het midden van de 18de eeuw (9064 groten Vlaams). Zowel bij de middelste als bij de hoogste vermogenscategorie was er een stijging waar te nemen ( bij de middelste vermogenscategorie van gemiddeld 46675 groten Vlaams naar 58407 groten Vlaams en bij de hoogste vermogenscategorie van gemiddeld 88089 groten Vlaams naar 130279 groten Vlaams).
Tabel III.1.1.1: vermogensstructuur van de landbouwers volgens de 'baten'
|
|
|
|
1708-1710 |
1748-1750 |
1788-1790 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Laagste ver- |
A |
13294,5 |
15329,3 |
13328,8 |
|
|
mogenscategorie |
B |
28 |
38 |
20 |
|
|
|
C |
43,07 |
32,23 |
25,64 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Middelste ver- |
A |
41496,9 |
38296,3 |
43669,1 |
|
|
mogenscategorie |
B |
18 |
43 |
24 |
|
|
|
C |
27,69 |
37,19 |
30,76 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Hoogste ver |
A |
136672 |
133153 |
155716 |
|
|
mogenscategorie |
B |
18 |
35 |
35 |
|
|
|
C |
27,69 |
28,92 |
46,15 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
A = gemiddeld vermogen per categorie |
|
|
||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
B = aantal bedrijven per categorie |
|
|
||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
C = % ten opzichte van het aantal bedrijven per periode |
||||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Aantal staten van goed van de landbouwers |
|
|||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
1708-1710 |
65 |
|
|
|
|
|
1748-1750 |
121 |
|
|
|
|
|
1788-1790 |
78 |
|
|
|

Tabel III.1.1.2: vermogensstructuur van de secundaire en tertiaire sectorvolgens de 'baten'
|
|
|||||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
1708-1710 |
1748-1750 |
1788-1790 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Laagste ver- |
A |
|
13579 |
23839 |
|
|
mogenscategorie |
B |
|
2 |
1 |
|
|
|
C |
|
16,67 |
12,5 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Middelste ver- |
A |
53811 |
41450 |
48433,5 |
|
|
mogenscategorie |
B |
4 |
4 |
4 |
|
|
|
C |
44,44 |
33,33 |
50 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Hoogste ver- |
A |
219178 |
120368 |
121,43 |
|
|
mogenscategorie |
B |
5 |
5 |
3 |
|
|
|
C |
55,56 |
50 |
37,5 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
1708-1710 |
9 |
|
|
|
|
|
1748-1750 |
12 |
|
|
|
|
|
1788-1790 |
8 |
|
|
|
|
|
A = gemiddeld vermogen per categorie |
| ||