Sociaal-economische analyse van de levensomstandigheden in een plattelendsgemeenschap. Casus: het Ambacht Maldegem in de 18de eeuw. (Petra De Decker)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Deel II: Landbouwstructuren

 

Hoofdstuk 1. Grondbezit

 

1.1. De bedrijfsoppervlakte

 

Aan de hand van het grondbezit kunnen we de levensstandaard van de bevolking van het Ambacht Maldegem bepalen.

Het grootgrondbezit van de kerkelijke instellingen wordt hier niet behandeld. In de eerste plaats zijn we geïnteresseerd in de bedrijfsoppervlakte van de landbouwers. De oppervlakte van de gronden die de landbouwers bewerkten, kan ons iets vertellen over de levensomstandigheden van die groep. Vlaanderen werd gekenmerkt door de overheersende positie van het kleinbedrijf. Toch lag de productie van deze bedrijven er hoog. Dit was mede toe te schrijven aan de intensieve grondbewerking[42]. Er dient wel te worden opgemerkt dat de bodemstructuur de productiviteit kan beïnvloeden. Een bedrijf met een omvang van 10 ha in de zandstreek brengt minder op dan een bedrijf van 10 ha groot met een zandlemige bodemstructuur. In Vlaanderen was een bedrijf pas leefbaar met een omvang van 5 ha[43]. De gronden die men in eigendom had, vond men terug onder het kapittel ‘gronden en erfen’. Meestal betrof het gronden die de echtgenoten samen tijdens het huwelijk hebben aangeschaft. Soms werden er ook gronden gekocht tijdens de ‘viduiteit’, dit is het weduw(naar)schap. Het was niet zo eenvoudig om de gepachte gronden samen te stellen. Bij de prijzij van de gewassen die werden geteeld, werd niet altijd de oppervlakte en de eigenaar genoteerd. Op het einde van de 18de eeuw troffen we in sommige gevallen de vermelding ‘generale akkerprijs ‘aan, waarbij de vruchten op het veld niet meer werden beschreven. De gepachte gronden werden samengesteld aan de hand van de pachtschulden. Een probleem dat hier werd gesteld was dat de oppervlakte van de gronden zelden werd vermeld bij de pachtschulden zodat een gemiddelde pachtprijs berekend op basis van de staten van goed geen betrouwbaar resultaat zou geven. Om de oppervlakte van de gepachte landen te achterhalen heb ik gebruik gemaakt van de pachtprijzen die prof. C. Vandenbroeke berekend heeft van twee middelgrote tot grote bedrijven in het Meetjesland. Het betreft hier weliswaar een tienjaarlijkse gemiddelde,maar dit vormt geen bezwaar tegen het gebruik ervan[44]. Zo kon ik de oppervlakte van de verpachte en gepachte gronden berekenen. Het onderscheid tussen pachtprijzen van het akkerland, bos en meersch was moeilijk te reconstrueren.

 

In de boedelbeschrijvingen werden er ook leen- en allodiale gronden aangetroffen. Zowel de allodiale gronden als de leengronden heb ik gerekend tot het eigendom. Iemand die een stuk grond in allodium had, bezat het volledige zeggenschap over het stuk grond. Die persoon was niet gebonden aan een heer maar moest wel nog het tiende en eventuele renten waarmee het stuk grond was bezwaard, betalen. Wanneer men leengronden in bezit had, dan was men wel gebonden aan de verplichtingen die de heer stelde.

 

Aan de hand van de staten van goed krijgen we geen beeld van het volledige grondbezit. Goederen die toebehoren aan de overlevende echtgeno(o)t(e) werden niet opgenomen in de staten van goed. Bij de optekening van het patrimonium van de erflaten, werden de gebouwen opgenomen in de totale oppervlakte van de uitbatingen. Als gevolg daarvan is er een lichte overschatting van de bedrijfsoppervlakte.

 

We mogen niet vergeten aan te geven welke soort gronden er in de bedrijfsoppervlakte werden opgenomen. In de staten van goed werd niet alleen akkerland maar ook ‘meersen’ en bossen aangetroffen. De productieve oppervlakte wordt in deze studie breed ingevuld. De bedrijfsoppervlakte omvat dus alle gronden die een minimum aan opbrengsten voortbrengen. Dit betekent dat de bedrijfsoppervlakte niet alleen bestaat uit cultuurland maar ook uit bossen. De oppervlakte bos dat men in bezit had of eventueel pachtte, maakte meestal een klein deel uit van de bedrijfsoppervlakte. In twee gevallen bezat men meer bos dan akkerland en/of meersen. Pieter Crul bezat in 1708 12,87 ha bos, terwijl het akkerland 10,85 ha bedroeg. Pieter Crul was werkzaam als brouwer en herbergier in de parochie Adegem. In totaal bezat hij 24,3 ha grond. Daarvan verpachtte hij maar liefst 18,7 ha. Het verschil tussen de oppervlakte van het land en de oppervlakte van het bos was bij Marie Catherine de Weirt veel kleiner. In 1788 bezat zij 0,6 ha bos en 0,33 ha land.

 

Wat ons ook is opgevallen, zowel bij de ‘ingesetene’ als de ‘vrijlaeten’ van het Ambacht Maldegem, dat de landbouwers gronden bezaten en/of bewerkten in verschillende parochies. Een landbouwer die afkomstig was van de parochie Maldegem bewerkte in 1709 een stuk grond in de polderstreek dat zich in het noorden van Oost-Vlaanderen bevind. Een landbouwer die alleen maar zandgronden in bezit had, kon zijn situatie verbeteren door polderland te pachten. Poldergronden hebben een grotere productiviteit dan zandgronden.

 

1.2. Indeling van de bedrijven naar grootte.

 

P. Deprez maakt gewag van drie soorten uitbatingen.

De eerste categorie omvat de dwergbedrijven. Dit zijn uitbatingen waarvan de bebouwbare oppervlakte zo klein is, dat ze aan de uitbaters ervan slechts toelaat zeer weinig voor eigen gebruik te verbouwen.

De tweede categorie bestaat uit kleine boerenbedrijven waarvan de opbrengst amper voldoende is om in de behoeften van het gezin voor een jaar te voorzien.

De derde categorie wordt uitgemaakt door grote uitbatingen die met hulp van een soms talrijk personeel worden uitgebaat en waar een deel van de opbrengst kan worden verkocht.[45]

 

De afbakeningen tussen deze drie soorten bedrijven zijn niet strikt; tussenstadia zijn mogelijk.

 

In het onderzoek naar de bedrijfsoppervlakte hebben we geopteerd voor een indeling in vier bedrijfscategorieën: de eerste bedrijfscategorie omvat bedrijven kleiner dan 1 ha, de tweede categorie bedrijven tussen 1 en 5 ha, de derde categorie tussen 5 en 10 ha en de laatste categorie bedrijven zijn groter dan 10 ha. Omdat deze indeling maar een vage indruk geeft, werden de bedrijven onderverdeeld in 12 verschillende bedrijfscategorieën naar analoog voorbeeld van de licentiaatverhandeling van Greet Van der Herten[46], wat een vergelijking tussen de studies toelaat. Groep 1 omvat de boedelbeschrijvingen waarvan er geen gronden werden vermeld en degene waar men een negatief saldo uitkwam. Soms trof men onder het kapittel “ Actien en credieten” nog verschuldigde landpachten aan, terwijl er geen gronden in eigendom werden aangetroffen die ze zouden kunnen verpachten. We moeten rekening houden met het feit dat niet alle gronden in de staten van goed werden opgetekend. Gronden die toekwamen aan de langstlevende echtgeno(o)t(e) werden niet opgenomen.

 

 

Nu we de indeling van de bedrijfsoppervlakte kennen, kunnen we nagaan welke bedrijven in het Ambacht Maldegem domineerden en of er zich een bepaalde evolutie aftekende in de loop van de 18de eeuw. De resultaten die werden bekomen uit de staten van goed werden gecontroleerd aan de hand van de gegevens van de ommestelling van het jaar 1790 voor de parochie Maldegem. Wat de andere twee parochies betreft, beschikten we over geen ommestellingen op het einde van de 18de eeuw. De ommestellingen geven alleen een beeld van de bedrijfsstructuur en niet de bezitstructuur. Men werd immers belast op basis van de hoeveelheid grond die men in gebruik had, niet op het bezit ervan. We hebben geen rekening gehouden met gronden die bestemd waren voor handelsactiviteiten en gronden die bezwaard werden met tiendes. Deze kohieren vermelden ook de namen van de “afdrijvers of afzetenen”, dit zijn de landbouwers die niet binnen de fiscale eenheid woonden. We hebben geen rekening gehouden met deze ‘afzetenen’.

 

Tabel II.1.2.: Indeling naar grootte van de bedrijven in groepen.

 

roeden

hectaren

groep 1

0

0

0

groep 2

< 68,42

< 999

 

groep 3

68,49 - 136,9

1000 - 1999

 

groep 4

136,9 - 342,3

2000 - 4999

< 0,5

groep 5

342,4 - 684,8

5000 - 9999

0,5 - 1

groep 6

684,9 -1369,7

10000 - 19999

1 - 2

groep 7

1369,8 - 2054,72

20000 - 29999

2 - 3

groep 8

2054,79 - 2739,6

30000 - 39999

3 - 4

groep 9

2739,7 - 3424,5

40000 - 49999

4 - 5

groep 10

3424,6 - 6849,2

50000 - 99999

5 - 10

groep 11

6849,3 - 13698,5

100000 - 199999

10 - 20

groep 12

> 13698,6

> 200000

>20

 

1.3. Evolutie van de bedrijfsgrootte.

 

In Vlaanderen was er de overheersende positie van het kleinbedrijf. Het kleinbedrijf was zeer uitgesproken in Zuid- en Binnen-Vlaanderen. Ongeveer de helft van de huishoudens moest zich tevreden stellen met een bedrijfje dat amper 1 ha groot was. Daarnaast moesten zich ongeveer 80 tot 90 % van de huishoudens zich tevreden stellen met minder dan 5 ha. Deze bedrijfsstructuur was veel minder uitgesproken in het noorden van West- en Oost-Vlaanderen[47]. Dit blijkt althans uit de resultaten van de indeling van de landbouwbedrijven naar grootte op basis van de staten van goed (tabel II.1.3.a en II.1.3.b).

Alvorens de evolutie van de bedrijfsgrootte te bespreken dient er te worden opgemerkt dat bedrijven met een negatieve bedrijfsoppervlakte niet werden opgenomen omdat ze een vertekend beeld zouden geven. Terwijl de bedrijven kleiner dan 1 ha gedurende de 18de eeuw toenamen, daalde het aantal bedrijven tussen 1 en 5 ha van 40 % naar 26,92 %. Tot het midden van de 18de eeuw bleef het aantal bedrijfjes kleiner dan 1 ha stabiel. Daarna was er een stijging waar te nemen( van 9,91 % naar 34,61 %). In deze bedrijfscategorie vertegenwoordigden groep 1 en 5 elk 10,25 %, gevolgd door groep 4 met 7,69 % op het einde van de 18de eeuw. De grootste toename deed zich voor bij groep 5 (van 3,07 % naar 10,25 %). Bij groep 1 werd er een dieptepunt bereikt in 1748-1750 (0,82 %). Dit was ook het geval bij groep 3.

Bij de tweede bedrijfscategorie (1 – 5 ha) waren groep 6 en 7 het best vertegenwoordigd in de eerste periode van de steekproef (respectievelijk 10,76 % en 15,38 %). Na 1710 nam het aantal bedrijven af, maar de sterkste daling deed zich voor in groep 6 (van 10,76 % naar 3,84 %). Ook bij groep 9 nam het aantal bedrijven naar het einde van de 18de eeuw af (van 6,15 % naar 3,84 %).

Sinds 1750 was er een daling te bespeuren bij bedrijven tussen 5 en 10 ha ( van 21,48 % naar 11,53 %) en bedrijven groter dan 10 ha (van 33,05 % naar 20,51 %). In Vlaanderen kan men reeds van grote bedrijven spreken van zodra de 20 ha overschreden zijn[48]. In de periode 1788-1790 waren er in het Ambacht Maldegem 16 boeren die meer dan 10 ha bebouwden, waarvan 8 meer dan 20 ha uitbaatten. Omstreeks het midden van de 18de eeuw lag het aantal bedrijven die meer dan 20 ha omvatten het hoogst: toen exploiteerden 20 bedrijven meer dan 20 ha.

De bedrijfsoppervlakte van personen uit de secundaire en tertiaire sector (tabel II.1.3.c) kende een andere evolutie dan de bedrijfsoppervlakte van de landbouwers. Het aantal uitbatingen kleiner dan 1 ha kende een hoogtepunt in de periode 1748-1750 (33,33 %). De bedrijven tussen 1 en 5 ha bleven gedurende de 18de eeuw stabiel. Bedrijven groter dan 10 ha waren goed vertegenwoordigd in de eerste periode. Op het einde van de 18de eeuw baatten slechts twee bedrijven meer dan 10 ha uit. De stijgende bevolkingsgroei zorgde ervoor dat steeds meer gronden werden opgedeeld. Dit was vooral een trend die de landbouwers trof. L De Kezel spreekt van de miniaturisering van het landbouwbedrijf[49]. Toch werden er geen hoge waarden bereikt zoals dat in Zuid- en Binnen-Vlaanderen het geval was. De meest aangewezen middelen om in de graanbehoefte van de bevolking te blijven voorzien, waren nieuwe ontginningen, opdelingen van ‘gemene’ gronden en uitbreiding van het cultuurland[50]. Uitgebreide ontginningen treffen we onder meer aan in het Bulskampveld, Het Maldegemveld en Papinglo[51]. In de tweede helft 18de eeuw is men inderdaad op grote schaal begonnen met de ontginning van het Maldegemveld. Zo werd Gillis Cabooter verplicht in een pachtbrief om ieder jaar 6 gemeten heide te ontginnen[52].

 

 

II.1.3.a: indeling naar grootte van de landbouwbedrijven op basis van de staten van goed.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1709 - 1710

1748 - 1750

1788 - 1790

 

 

aantal

%

aantal

%

aantal

%

 

groep 1

2

9,23

1

0,82

8

10,25

 

groep 2

 

 

2

1,65

2

2,56

 

groep 3

1

1,53

1

0,82

3

3,84

 

groep 4

1

1,53

6

4,95

6

7,69

 

groep 5

2

3,07

2

1,65

8

10,25

 

groep 6

7

10,76

12

9,91

3

3,84

 

groep 7

10

15,38

10

8,26

8

10,25

 

groep 8

5

7,69

2

1,65

7

8,97

 

groep 9

4

6,15

11

9,09

3

3,84

 

groep 10

8

12,3

26

21,48

9

11,53

 

groep 11

11

16,92

20

16,52

8

10,25

 

groep 12

9

13,84

20

16,52

8

10,25

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Aantal staten van goed van de landbouwers

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1708-1710 65

 

 

 

 

 

 

1748-1750 121

 

 

 

 

 

 

1788-1790 78

 

 

 

 

 

 

 

II.1.3.b: samenvattende tabel (op basis van de staten van goed)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1708 - 1710

1748 - 1750

1788 - 1790

 

 

aantal

%

aantal

%

aantal

%

 

< 1ha

6

9,23

12

9,91

27

34,61

 

1 - 5 ha

26

40

35

28,92

21

26,92

 

5 - 10 ha

8

12,3

26

21,48

9

11,53

 

> 10 ha