Sociaal-economische analyse van de levensomstandigheden in een plattelendsgemeenschap. Casus: het Ambacht Maldegem in de 18de eeuw. (Petra De Decker)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Deel IV: Materiële cultuur

 

Het idee van een geschiedenis van de materiële cultuur is vooral geïntroduceerd door de Franse historicus Braudel. Hij gebruikte de term ‘civilisation matérielle’ voor de dagelijkse omgang van mensen met de dingen.

Voor Vlaanderen bestaat er naast studies die enkele aspecten van materiële cultuur belichten, één belangrijke studie, meer bepaald de studie die over Nevele werd gemaakt[124]. Aan de hand van materiële cultuur kan man ook nagaan hoe de levensomstandigheden waren in het Ambacht Maldegem in de 18de eeuw. In Europa vonden er in het Ancien Régime belangrijke veranderingen plaats in de levensomstandigheden van de mensen[125]. De veranderingen die op het gebied van materiële cultuur plaatsvonden waren o.a. de toenemende betekenis van de privé-sfeer, individualisering, verfijning en grotere modegevoeligheid[126].

Wat wordt nu precies onderzocht? Omdat elk voorwerp een indicatie is voor armoede of rijkdom, hebben we gekozen om en selectie te maken in het materiaal waaruit het bestek en het serviesgoed bestond. Zo hebben we ‘geleijerd en aerdewerck’ opgenomen. Daarnaast werd bestek en serviesgoed gemaakt uit tin, koper en zilver opgenomen. Ook werd er aandacht besteed aan de aanwezigheid van porselein en glazen. De individualisering werd gemeten aan de hand van het aantal bedden per huishouden. Dit werd ook toegepast op het serviesgoed en het bestek.

 

 

Hoofdstuk 1 De bewoning

 

1.1 De woning

 

Huizen werden indien ze deel uitmaakten van het patrimonium, opgenomen in de staten van goed onder het kapittel ‘Gronden en Erven’. Soms werden ze ook aangetroffen na de prijzij van de onroerende goederen. Het probleem hierbij is dat we niet weten of de grond waarop het huis stond, ook eigendom was. Soms werd er vermeld dat het huis op bv. cijnsgrond stond. Bij enkele huishoudens hebben we meer dan één huis aangetroffen. Vaak hadden ze een erfdeel in het huis van hun ouders. We hebben besloten om enkel de huizen waarin ze woonden, te betrekken in het onderzoek.

Wanneer we tabel IV.1.1.a bekijken, dan zien we dat in de eerste periode van de steekproef 60,75 % van de huishoudens een woning in eigendom had. Naar het einde van de 18de eeuw daalde dit aantal tot 50,96 %. Wanneer we de tabel IV.1.1.b bekijken, dan zien we dat bij bedrijven kleiner dan 1 ha het aantal huishoudens dat een woning in bezit had in de loop van de 18de eeuw afneemt (van 83,33 % naar 73,91 %). Bij bedrijven tussen 1 en 5 ha blijft het aantal huishoudens dat over een woning beschikte stabiel. Er werd een toename vastgesteld in het aantal huishoudens dat een woning bezat bij bedrijven tussen 5 en 10 ha (van 55,56 % naar 87,5 %). Het aantal huishoudens bij bedrijven groter dan 10 ha dat een woning in eigendom had, nam in de loop van de 18de eeuw af (van 78,26 % naar 64,70 %).

 

De functie van de 18de eeuwse woonhuizen verschilde nogal met de huidige vanwege de nauwe verwevenheid van wonen en werken. In die tijd beoefenden veel meer mensen dan nu hun beroep thuis uit[127].

 

Waar we weinig informatie over hebben is het materiaal waaruit het huis bestond. Een indicatie hierover vinden we soms bij de schulden van de erflater, indien hij schulden had voor het timmeren of het metselen van een huis. Het was wel zo dat het bouwen van een huis in steen of baksteen pas in de 19de eeuw veelvuldig voorkwam[128].

 

Tabel IV.1.1.a: het bezit of het pachten van een woning in de staten van goed

 

 

eigendom

pacht

 

 

 

 

1708-1710

aantal bedr.

48

15

 

%

60,75

18,98

 

 

 

 

1748-1750

aantal bedr.

61

37

 

%

41,78

25,34

 

 

 

 

1788-1790

aantal bedr.

53

19

 

%

50,96

18,26

 

 

 

 

 

 

 

Tabel IV.1.1.b: het bezit van een woning per bedrijfscategorie

 

 

 

eigendom

pacht

aantal

 

 

 

 

 

 

bedrijven

 

 

aantal

%

aantal

%

 

 

 

 

 

 

 

 

1708-1710

< 1 ha

10

83,33

2

16,67

12

 

1 - 5 ha

15

75

5

25

20

 

5 - 10 ha

5

55,56

4

44,44

9

 

> 10 ha

18

81,81

4

18,18

22

 

 

 

 

 

 

 

1748-1750

< 1 ha

18

78,26

5

21,73

23

 

1 - 5 ha

15

62,5

9

37,5

24

 

5 - 10 ha

7

36,84

12

63,5

19

 

> 10 ha

21

65,62

11

34,37

32

 

 

 

 

 

 

 

1788-1790

< 1 ha

17

73,91

6

26,08

23

 

1 - 5 ha

18

75

6

25

24

 

5 - 10 ha

7

87,5

1

12,5

8

 

> 10 ha

11

64,7

6

35,29

17

 

 

 

 

 

 

 

 

1.2 De woonvertrekken

 

Hier bekijken we het aantal vertrekken per woning. We gaan ook na of er zich een evolutie voordeed in de loop van de 18de eeuw. Veranderingen in levenspatronen verliepen in een plattelandsgemeenschap niet zozeer anders dan in de stad. Verschillen waren niet zozeer geografisch, maar waren vooral te situeren op sociaal vlak[129]. Toen in de loop van de 18de eeuw het aantal kamers toenam, kregen bepaalde kamers een specifieke bestemming. Bij de gegoede klasse in Rapenburg werd er na het midden van de 18de eeuw in de boedelbeschrijvingen het woord slaapkamer vermeld. Daarvoor werden deze vertrekken aangeduid met een plaatsbepaling in het huis. Vroeger werd er immers in meer dan één kamer geslapen[130]. Dit was ook het geval in het Ambacht Maldegem. Vooral in kleine huizen vervullen de kamers meerdere functies tegelijk.

In het onderzoek naar de vertrekken hebben we kleine en grote kamers geplaatst onder de noemer kamer. In de staten van goed hebben we een keuken, een kamer, een kelder, een zolder, een achterhuis, een weefkamer, en schotelhuis, een hoogkamer, een ‘waschhuis’, een ‘achterplaetse’, een wijnkelder, een bierkelder, een achterkeuken, een ‘spende’, een voute en een bovenkamer aangetroffen.

 

Bekijken we nu het aantal vertrekken per woning bij de landbouwers (tabel IV.1.2.a) , dan stellen we vast dat in alle bedrijfscategorieën het aantal vertrekken in de loop van de 18de eeuw is toegenomen. In 1708-1710 tellen we bij bedrijven kleiner dan 1 ha gemiddeld 1,33 vertrekken. Naarmate de omvang van de bedrijven toeneemt, stijgt het aantal vertrekken. Bedrijven die meer dan 10 ha omvatten tellen in dezelfde periode gemiddeld 3,27 vertrekken. Tegen het midden van de 18de eeuw nam het aantal vertrekken toe, behalve voor de derde bedrijfscategorie (5 – 10 ha) waar het gemiddeld aantal kamers terugviel van 3 naar 2,6. Op het einde van de 18de eeuw werden bij de bedrijven kleiner dan 1 ha gemiddeld 4,05 vertrekken aangetroffen. Het meest aantal vertrekken werden nog steeds gevonden bij de grootste bedrijven. Zij telden gemiddeld 5,9 vertrekken per woning.

 

Het grootste aantal vertrekken werden bij de secundaire en tertiaire sector (tabel IV.1.2.b), in de eerste periode van de steekproef, gevonden bij bedrijven groter dan 10 ha. Voor de eerste bedrijfscategorie beschikken we over geen gegevens. Ook hier kunnen we zeggen dat het aantal vertrekken toeneemt in de loop van de 18de eeuw. Een uitzondering wordt gevormd door de tweede bedrijfscategorie. Na het midden van de 18de eeuw daalde het gemiddeld aantal vertrekken van 5 naar 4,33. Het verschil tussen de eerste en de laatste bedrijfscategorie qua aantal vertrekken was niet zo groot als bij de landbouwers (6,5 vertrekken bij bedrijven kleiner dan 1 ha en 7 vertrekken bij bedrijven groter dan 10 ha).

 

Vergelijken we deze gegevens nu met een andere plattelandsgemeente, meer bepaald Melsele, dan stellen we vast dat het aantal vertrekken voor bijna alle bedrijfscategorieën in het Ambacht Maldegem hoger lag[131]. Dit verschil kan niet onmiddellijk verklaard worden.

De woonfunctie die de verschillende kamers vervullen zijn in de eerste plaats afhankelijk van het aantal kamers in een woning. Wanneer een gezin in één kamer huist, zal daar geslapen, gekookt en gegeten worden[132]. Vroeger werd er niet alleen gewoond, maar ook gewerkt in de woning. In een aantal staten van goed kwamen we een weefkamer tegen. Van deze kamers mag men aannemen dat ze een specifieke functie bezaten.

 

Tabel IV.1.2.a: het aantal vertrekken per woning bij de landbouwers

 

 

 

< 1 ha

1 - 5 ha

5 - 10 ha

> 10 ha

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

A

B

A

B

A

B

A

B

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1708-1710

1,33

6

2

11

3

3

3,27

11

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1748-1750

3,81

11

2,87

24

2,6

19

4

32

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1788-1790

4,05

19