| Pastoors tussen conservatisme en moderniteit. Een prosopografische studie naar de houding van de seculiere clerus van het Waasland tegenover de kerkhervormingspolitiek van de centrale overheid (1780-1830). (Ophelia Ongena) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
DEEL II: PROSOPOGRAFIE
Laten we nu teruggrijpen naar de centrale probleemstelling van dit onderzoek: de vraag hoe de lage seculiere geestelijkheid van het Waasland zich in de periode 1780-1830 verhield tot de opeenvolgende politieke regimes. De noodzaak van zowel een prosopografisch als een biografisch onderzoek werd reeds aangetoond. Toen werd ook duidelijk dat elk prosopografisch onderzoek valt of staat met het afbakenen van de onderzoeksgroep. Deze eerste fase van keuze en selectie is dan ook van cruciaal belang. Zowel chronologisch, geografisch als thematisch moeten grenzen worden uitgestippeld om het onderzoek in juiste banen te leiden. De selectiecriteria die aan de basis liggen van deze studie werden in het vorige deel al uitgebreid besproken. Aan de hand van deze criteria werd een onderzoeksgroep van 136 personen weerhouden. In deze onderzoeksfase wordt de volledige groep onderworpen aan een kwantitatieve, prosopografische analyse. Dit deel zal bestaan uit twee hoofdstukken, die het spanningsveld weerspiegelen tussen de protagonisten van deze studie: de politieke overheid, de hoge clerus aan bod en de lage clerus, meer bepaald de 136 geselecteerde priesters.
In het eerste hoofdstuk wordt een raster opgebouwd. Hierin wordt de politiek- historische context geschetst, waarbinnen heel deze studie zich afspeelt, dus vanaf de Oostenrijkse periode tot en met de Belgische Onafhankelijkheid. De grote politieke lijnen van de verschillende regimes, met nadruk op deze die invloed hebben gehad op de situatie van de clerus, zullen hierin worden belicht. Ook de reactie hierop van hogere clerici, zoals de paus en het episcopaat van Gent worden hier geschetst[21]. Deze combinatie van het overheidsoptreden met de reacties hierop van het establishment binnen de Kerk vormt de achtergrond waartegen later de houding van de lage clerus zal worden geïnterpreteerd.
In het tweede hoofdstuk wordt afgedaald naar het niveau van de lage clerus en wordt definitief de prosopografische weg gekozen. Dit hoofdstuk bestaat uit twee onderdelen. Eerst wordt gezocht naar cruciale achtergrondinformatie, informatie die nuttig zou kunnen zijn bij de reconstructie van een politiek profiel, maar waarbij de priesters in kwestie geen actieve rol hebben gespeeld. Wegens de beperkte beschikbaarheid van seriële bronnen blijft dit beperkt tot een viertal aspecten, namelijk afkomst, studies, wijdingen en het loopbaanprofiel. Vervolgens wordt dieper ingegaan op de actieve rol van de priesters op het politieke toneel. Dit gebeurt aan de hand van acht scharniermomenten of ankerpunten uit de periode 1780-1830. Dit zijn gebeurtenissen die een zodanige impact hebben gehad op het maatschappelijk leven, dat de priesters werden verplicht tot het bekennen van politieke kleur. Het gaat hier om de oprichting van het Algemeen Seminarie (1789), de eed van 1798, de Boerenkrijg (1799), de eed van 1802, de situatie in het bisschoppelijke seminarie van Gent in 1813, de eed op de grondwet van 1815 en tenslotte de petitiebewegingen van 1828-1829.
Deze ankerpunten werden geselecteerd uit de ruimere historische schets in het eerste hoofdstuk. Criteria voor deze selectie waren de beschikbaarheid van bronnen en de mogelijke raadpleegbaarheid ervan in een vrij korte tijdspanne.
I. Het beleid van de politieke overheid ten opzichte van de Kerk
1. De Oostenrijkse periode
1.1 Jozef II’s verlichte godsdienstpolitiek aan de vooravond van de ‘Kleine Brabantse Omwenteling’ (1780-1787)
a) Algemeen
Met de dood van keizerin Maria Theresia van Oostenrijk kwam er voor de Zuidelijke Nederlanden een einde aan een periode van relatieve rust en stabiliteit. Haar zoon en opvolger, Jozef II, voerde een hele reeks hervormingen door, waardoor de greep van de katholieke Kerk op alle mogelijke niveaus van het maatschappelijk leven een flinke deuk kreeg. Het streefdoel van het jozefinisme was de volledige onafhankelijkheid van de wereldlijke macht tegenover de Paus en de katholieke Kerk[22]. Hoe vijandig Maria-Theresia stond tegenover de nieuwe verlichte ideeën, zo gefascineerd was haar zoon door de theorieën van het Vernunftrecht, gekenmerkt door absolute gewetensvrijheid en een allesomvattend belang van de rede. Het verschil tussen moeder en zoon blijkt duidelijk uit de volgende tekst die Maria-Theresia op het einde van de jaren zeventig schreef aan haar zoon:
“Ik kan je mijn verdriet niet verbergen omdat ik onmogelijk kan instemmen met dergelijke losse principes op het stuk van godsdienst en zeden. Je geeft blijk van te veel afkeer van de oude orde, meer bepaald van de clerus en je loopt te koop met buitenissige vrijheidsprincipes inzake moraal en gedrag [23].”
Jozef II streefde naar een scheiding tussen Kerk en Staat, maar wou tegelijkertijd zijn invloed in de kerkelijke aangelegenheden behouden. De eerste grote mijlpaal in Jozef II’s beleid was het befaamde Tolerantie-Edict van 13 oktober 1781, waarin werd gestreefd naar religieuze verdraagzaamheid. Toen dit edict op 12 november ook in onze streken van kracht werd, betekende dit voor de katholieke Kerk het einde van haar monopoliepositie in de Zuidelijke Nederlanden[24]. Dergelijke verstrengeling van tolerantie en antikerkelijkheid was typisch voor de godsdienstpolitiek van verlichte despoten, zoals Jozef II. Enerzijds werden discriminerende maatregelen tegenover andere godsdiensten, zoals het protestantisme en het jodendom, opgeheven. Anderzijds werd gestreefd naar suprematie van de Staat op de Kerk.
Allereerst wou Jozef II de misbruiken bij de reguliere geestelijkheid aan banden leggen. Door het edict van 17 maart 1783 moesten alle religieuze instellingen die niet rechtstreeks bijdroegen tot het onderwijs of de ziekenzorg verdwijnen. In totaal werden 163 kloosters afgeschaft. Daarna werd de seculiere geestelijkheid aangepakt. Volgens Jozef II moest de zielzorg primeren in het takenpakket van de seculiere clerus. Zo bepaalde het decreet van 15 mei 1786 dat de functies in de kathedrale kapittels voortaan enkel toegankelijk waren voor clerici die tenminste tien jaar actief waren geweest in de zielzorg[25]. In tegenstelling tot vroeger, toen de hoogste prebenden werden gereserveerd voor het kruim van de theologanten, werd het uitoefenen van een pastoraatfunctie een noodzakelijke voorwaarde voor promotie naar hogere klerikale functies. Vervolgens werd het huwelijk gelaïciseerd en werd ook besloten dat begravingen voortaan buiten de Kerk en zelfs buiten de parochie moesten plaatsvinden. Verder werden pastoors verplicht tot het voorlezen van nieuwe decreten en ordonnanties tijdens de wekelijkse preek, werden processies ingeperkt en de parochies heringedeeld[26].
Het sluitstuk van al deze hervormingen was echter het edict van 16 oktober 1786. Volgens deze wet moesten alle bisschoppelijke seminaries, volgens Jozef II broeihaarden van het ultramontanisme, worden gesloten. De opleiding van de seculiere en reguliere geestelijkheid van de Oostenrijkse Nederlanden zou voortaan gebeuren in een centraal Algemeen Seminarie in het voormalige Pauscollege te Leuven, aangevuld met een filiaal in Luxemburg. Het doel was het vormen van een nieuwe generatie geestelijken, die niet langer in ultramontaanse, maar wel in verlichte termen dachten. Onmiddellijk na de opening braken te Leuven relletjes uit onder de seminaristen en ontstond er een ware pamflettenstrijd[27].
De katholieke reactie bleef dus niet lang uit. Tot voor de oprichting van het Algemeen Seminarie bleef de kritiek beperkt, maar toen in oktober 1786 definitief werd beslist tot inrichting van een dergelijke priesteropleiding werd de opstand onhoudbaar. Kardinaal de Franckenberg, aartsbisschop van Mechelen (1759-1801), was onthutst, net als vele bisschoppen en professoren van de universiteit van Leuven.[28]
b) Reactie van het Gentse episcopaat
De houding van Mgr. Ferdinand Maria de Lobkowitz, toenmalig bisschop van Gent, was vrij dubbelzinnig. Het is bekend dat zijn medewerkers veel invloed hadden op zijn officiële reacties op de Kerkelijke hervormingen van Jozef II[29]. In de praktijk werd de lijn van het bisdom Gent uitgestippeld door de secretaris van de Lobkowitz, J.B. Maes (1780-1787, cf. Biografieën), die sterk gekant was tegen het Algemeen Seminarie. Het ontslag van J.B. Maes in 1787 ging dan ook gepaard met een opvallende koersverandering. Vlak na de opening van het Seminarie in 1786 schreef de Lobkowitz nog aan de aartsbisschop, kardinaal de Franckenberg, dat een gemeenschappelijk protest van alle bisschoppen meer indruk zou kunnen maken op Jozef II dan particuliere initiatieven[30]. Ook in een brief van 21 oktober 1787 aan de minister van eredienst drukte de Lobkowitz nog zijn afkeer uit tegenover het Algemeen Seminarie[31]. Deze instelling druiste volgens hem in tegen het recht van de bisschoppen, verleend door het Concilie van Trente, om priesteronderricht te organiseren. Hij wilde naar eigen zeggen dan ook niets te maken hebben met een instituut dat de verwoesting van zijn seminarie op het geweten had. Nauwelijks drie maanden later klonk hij al heel wat minder radicaal. Op 14 januari 1788 schreef hij weer een brief aan de minister van eredienst. Na een korte verwijzing naar zijn vorig schrijven, waarin hij fulmineerde tegen het pas opgerichte Algemeen Seminarie, ging hij als volgt verder:
“(…) sur les moyens de calmer les consciences delicates et timorees (je dois) inspirer a mes jeunes clercs cette pleine et entiere confiance qui est si necessaire en ce moment (…). Votre excellence sentoit, comme moi, la situation critique dans laquelle les evêques se trouvent à l’egard de la nation. Elles ne pourroient certainement pas desapprouver les menagements que j’etois dans le cas de prendre pour ramener les esprits. Mais quoique je n’y ai pas encore reussi, cependant pas un effet de la pleine confiance que je mets dans la piete et la sagesse de sa Majeste ainsi que dans les lumieres et le zele de votre excellence, que cet etablissement ne fournira jamais au préjudice de notre Ste Religion. Je viens d’ordonner aujourd’hui à tous mes seminaristes de se rendre incessamment a Louvain (…)[32]”
Hieruit blijkt duidelijk hoe de Lobkowitz probeerde te schipperen tussen alle betrokken partijen en wegens de verhitte gemoederen opteerde voor een toegeeflijker houding. Enerzijds probeerde hij de bisschoppen te sussen door te wijzen op de kritieke situatie waarin ze zich bevonden en door erop te drukken dat het Algemeen Seminarie niet zijn volledige goedkeuring wegdroeg. Anderzijds wilde hij Jozef II niet te veel bruuskeren en legde hij de nadruk op diens godsvrucht, wijsheid en verlichte ideeën. Kortom, hij wilde naar eigen zeggen voor iedereen het beste door de Kerk in het midden te houden. Hij besliste dan ook zijn seminaristen onmiddellijk naar het Leuvense seminarie te sturen. Hierbij stootte hij echter op tegenstand van het Sint-Baafskapittel, dat hem de raad gaf eerst de mening van de aartsbisschop te vragen om zonodig de verantwoordelijkheid te kunnen doorschuiven. Op 22 januari 1788 legde hij volgende verantwoording af aan het Sint-Baafskapittel:
“ Craignant que faute de connaître mes veritables intentions vous ne vous portiez a quelques demarches precipitees qui pourroient avoir des tres mauvaises suites tant pour vous que pour l’etat ecclesiastique. Je vous declare par celle-ci qu’en conseillant a mon partie de mes jeunes Theologiens de se rendre a Louvain. Je n’ai jamais eu l’intention de renoncer, soit a l’autorite, soit a quelques autres droits inherents a l’episcopat, tant sur la doctrine que sur la discipline ou de consentir a l’aneantissement de mon seminaire episcopal; mais seulement de ne me pas opposer aux vœux de sa Majeste quant au progres que pourroient faire les jeunes eleves de mon diocese dans une universite qu’on avait considere comme tres orthodoxe et de quoi S.M. veut faire dependre le repos de toutes les provinces belgiques[33].”
Blijkbaar zag hij dan toch de voordelen in van een opleiding aan het Algemeen Seminarie. Deze toegeving deed volgens hem echter niets af aan zijn blijvende inzet voor de katholieke zaak. Hij stond er dan ook op dat het kapittel zijn mening zou delen.
1.2 De ‘Kleine Brabantse Omwenteling’ (1787)
De hervormingen van Jozef II, zowel op godsdienstig, bestuurlijk als op juridisch vlak hadden de maatschappelijke verhoudingen grondig door elkaar geschud. De aloude standenmaatschappij kwam op losse schroeven te staan. Ook de Kerk kreeg het hierdoor zwaar te verduren. Vooral in de Zuidelijke Nederlanden, waar het ultramontanisme een grote aanhang kende, geraakten de gemoederen stilaan oververhit. Zoals we reeds zagen werd de situatie pas echt onhoudbaar toen in 1786 het Algemeen Seminarie werd opgericht. Het feit dat de Staat zich nu ook ging bemoeien met de priesteropleiding was een brug te ver. Tussen april en september 1787 kwam er een reële toenadering tot stand tussen de antikeizerlijke burgerij en de clerus[34].
Deze samensmelting van kerkelijke en politieke oppositie vormde de zogenaamde ‘Kleine Brabantse Omwenteling’. Het land werd overspoeld met pamfletten waarin de hervormingen van Jozef II werden gehekeld. De toenmalige landvoogden van de Oostenrijkse Nederlanden, Albert Casimir van Saksen Teschen en Maria Christina van Habsburg zwichtten onder de druk en schortten in juni 1787 het seminariedecreet op[35]. Jozef II was hier echter niet mee opgezet. Hij was woedend en eiste de onverminderde uitvoering van de kerkelijke hervormingen en vooral van het seminariedecreet. Op het einde van de maand oktober benoemde hij graaf Ferdinand von Trauttmansdorff tot gevolmachtigd minister van de Zuidelijke Nederlanden. Deze probeerde de clerus te sussen door op 12 november 1787 af te kondigen dat de theologiestudenten recht hadden op uitstel van hun opleiding in Leuven[36]. Dit bleek echter algauw een schijntoegeving, want op 1 december werd het Algemeen Seminarie weer volledig heropend. Ter compensatie van de lage opkomst werden zelfs zware militaire middelen aangewend. In augustus 1788 werden de seminaries van Mechelen en Antwerpen met veel machtsvertoon ontruimd. De bisschop van Gent besloot de onenigheden niet op de spits te drijven en stuurde zijn seminaristen naar Leuven.
1.3 De Brabantse Omwenteling (1789)
De gemoederen met betrekking tot het Algemeen Seminarie geraakten in de loop van 1789 oververhit. Jozef II vond het dan ook aangewezen dat aartsbisschop de Franckenberg in hoogsteigen persoon de kwaliteit van het seminarieonderwijs zou inspecteren. De aartsbisschop, bijgestaan door onder andere de ontslagen ultramontaanse professor J.F. Van de Velde, onderwierp de leerboeken en de professoren aan een uitgebreid onderzoek. Op 16 juni 1789 kwam hij tot de conclusie dat het onderwijs aan deze instelling niet door de beugel kon. Tien dagen later werden zijn bevindingen gepubliceerd in een uiterst gemotiveerde ‘Verklaring’[37].
Ook op politiek vlak bereikte de onrust een hoogtepunt. In Brussel ontstonden twee oppositiegroepen met tegengestelde doelstellingen. De ene groep, de zogenaamde ‘statisten’, onder leiding van Henri Van der Noot, bestond uit behoudsgezinden die de situatie van het Ancien Régime wilden herstellen. Hiertoe behoorden de toenmalige bevoorrechte standen: adel, clerus en de ambachten. Abbé Ghesquière, lid van de Academie van Zeeland, M.J. De Bast, pastoor van de Gentse Sint-Niklaasparochie, C. de Nelis, bisschop van Antwerpen, kardinaal von Franckenberg en kanunnik van Eupen zijn enkele van de meest bekende Staatse clerici[38]. De andere groep, onder leiding van Jan Frans Vonck, verenigde de progressisten. Dit waren vooral de nieuw opkomende klassen zoals de burgerij en de industriëlen, die ook inspraak in het bestuur eisten. Door hun gedeelde ongenoegen werkten ze echter samen tegen hun gezamenlijke vijand, Jozef II.
Op 20 juni 1789 beging Jozef II een cruciale misstap. Toen de Staten van Brabant weigerden hun belastingbijdrage te betalen schafte Jozef II de privileges en de Blijde Inkomst af. Deze regelde al sinds eeuwen de verhouding tussen de vorst en de Brabantse Staten. Dit machtsvertoon lokte hevige weerstand uit en de Brusselse regering deed vruchteloze pogingen om de rust te herstellen. Ze nam onder andere de beslissing om het Algemeen Seminarie enkel voor leerlingen van reguliere orden verplicht te maken en vanaf 24 augustus mochten de bisschoppelijke seminaries de deuren heropenen[39]. Dit was slechts een druppel op een hete plaat. De patriottische oppositiebeweging, gevormd door het samenwerkingsverbond tussen de groepen rond Van der Noot en Vonck, had ondertussen reeds een kleine legertroep verzameld in de Verenigde Provinciën. Op 24 oktober 1789 besloten ze in actie te schieten en trokken ze, onder leiding van generaal Van der Mersch, de grens over[40]. Na een paar dagen slaagden ze erin Turnhout te veroveren op het Oostenrijkse leger. Een ander Brabants patriottisch leger trok op vier november naar het Waasland, waar het enkele dagen later Sint-Niklaas innam[41]. Daarna trokken ze verder naar Gent, waar ze op 13 november arriveerden. Enkele dagen nadien, op 17 november werd Gent als eerste grote stad heroverd op Oostenrijk. Tien dagen later was de provincie ‘Vlaanderen’ als eerste volledig in handen van de patriotten.
Ten einde raad en teleurgesteld in de hulp van de keizer besloot de gevolmachtigd minister Trauttmansdorff een ultieme toegeving te doen. Eind november schafte hij het Algemeen Seminarie af, herstelde hij de Staten van Brabant en Henegouwen, voerde hij de Blijde Inkomst terug in en beloofde hij amnestie aan de opstandelingen. Jozef II was verbolgen over deze toegevingen en verving Trauttmansdorff door Philip von Cobenzl, maar het kwaad was reeds geschied. Er was te veel gebeurd om de gemoederen nog te kunnen bedaren. Begin december kwam Brussel in opstand en werden de Oostenrijkers verplicht zich terug te trekken tot in de provincie Luxemburg. De Brabantse Omwenteling was een feit.
Het Waasland speelde in de Brabantse Omwenteling geen grote rol[42]. Uitzonderingen waren enkele overtuigde Vonckisten in Kemzeke, Sint-Pauwels, Temse en Beveren, waar vooral de familie de la Kethulle bekend stond om haar patriottische ideeën. In de grotere steden Lokeren en Sint-Niklaas, waar toen meer aandacht ging naar de textielcrisis, bleef de opstand beperkt. Hoewel er sprake was van paters die rondtrokken om Jozef II’s kerkpolitiek te hekelen, had de Wase bevolking niet meteen sympathie voor de patriotten. Toen begin november het patriottenleger door het Waasland trok, werd de bevolking wakker geschud. In Lokeren kon men 150 werklozen mobiliseren voor de verovering van Gent, weliswaar vergoed door eten, drank en een klein dagloon. Eens bevrijd, reageerden de Wase dorpen positief op de onafhankelijkheidsverklaring van de Staten van Vlaanderen. Op gemeentelijk bestuursniveau was er weinig eensgezindheid tussen de schepenbanken. Na de vlucht van Vonck in het voorjaar van 1790 schaarden alle Wase schepenen zich achter Van der Noot.
1.4 De ‘Verenigde Belgische Staten’ (1790)
In januari 1790 kwamen de Staten van de provincies Brabant, Doornik, het Doornikse Gelderland, Henegouwen, Limburg, Mechelen, Namen, Vlaanderen en West-Vlaanderen samen. Ze sloten een verdrag waarbij de ‘Verenigde Belgische Staten’, een soort confederale republiek, in het leven werd geroepen. Luxemburg bleef in handen van de Oostenrijkers. Alleen buitenlandse politiek, muntwezen en landsverdediging werden centrale bevoegdheden, toegewezen aan een wetgevende en uitvoerende macht. De wetgevende macht werd gevormd door de Staten-Generaal en de uitvoerende macht door het zogenaamde Congres. De conservatieve notabelen, de Staten en de anti-Jozefinistische hoge clerus werden door dit systeem in hun macht hersteld. Deze terugkeer naar het Ancien Régime stuitte echter op heel wat weerstand van de opkomende burgerij, die een democratischer staatsstructuur wilde. De conservatieve statisten organiseerden een grootschalige petitie. De clerus werd hierbij ingeschakeld om zoveel mogelijk handtekeningen te verzamelen[43].
De Brabantse revolutie betekende de overwinning van particularisme en conservatisme op democratie en liberalisme. De belangrijkste vertegenwoordigers van de hoge clerus, de Mechelse aartsbisschop de Franckenberg en de Antwerpse bisschop Nelis, waren tevreden met deze regeling. Op 1 maart werd het Algemeen Seminarie officieel opgedoekt en heropende kardinaal de Franckenberg de universiteit van Leuven[44]. Ook de bisschop van Gent, de Lobkowitz, was de Verenigde Belgische Staten welgezind. Op 11 juni 1790 stuurde het Congres een rondzendbrief de wereld in, ondertekend door president De Graeve en Staatssecretaris Van Eupen, de werkelijke regeringsleider[45]. Daarin werd de Oost-Vlaamse pastoors met klem gevraagd om in hun preken propaganda te voeren voor de revolutie. Het was volgens hen immers vooral de religieuze zaak die de inwoners van de Staten had overgehaald om het Oostenrijkse juk af te werpen. De Lobkowitz antwoordde enthousiast en stemde op 21 juni in met dit verzoek van het Congres[46].
Ondertussen begon de oorspronkelijke samenwerking tussen de aanhangers van Van der Noot en Vonck deuken te vertonen. De conservatieve Van der Noot werd minister in de nieuw opgerichte Staat, terwijl Vonck diplomatisch werd opzij geschoven. Vonck werd de spreekbuis van al wie ontevreden was en vertegenwoordigde op die manier een breed maatschappelijk spectrum, dat niet beperkt bleef tot zijn oorspronkelijke progressieve aanhang[47]. Naarmate de onenigheden tussen beide strekkingen toenamen, schaarde de clerus zich steeds radicaler achter Van der Noot. De conservatieve ultramontaanse strekking binnen de Kerk vierde hoogtij. Aartsbisschop de Franckenberg bestempelde de Vonckisten zelfs als vijanden van Kerk en Staat. Deze anti-Vonckistische houding mondde bij de clerus uit in een ware kruisvaardermentaliteit[48]. Hierdoor kreeg de politieke strijd meteen ook een niet te onderschatten religieuze legitimatie. Scheiding tussen Kerk en Staat lag nog veraf. De Vonckisten moesten uiteindelijk de duimen leggen, maar ook Van der Noot en zijn aanhangers zouden het niet lang meer volhouden.
De Verenigde Belgische Staten kregen te kampen met zware financiële moeilijkheden en hadden daarenboven af te rekenen met een ontevreden Derde Stand. Ook de steun van hun Pruisische, Hollandse en Engelse bondgenoten begon stilaan af te nemen door onderhandelingen met de Oostenrijkers. Uiteindelijk werd ingestemd met een herstel van het Oostenrijks bewind in de Zuidelijke Nederlanden. Het zwakke, slecht georganiseerde patriottische leger kon onmogelijk weerstand bieden tegen deze versterkte vijandige troepenmacht. Op 3 december wisten de Oostenrijkers Brussel terug in te nemen en vier dagen later kon de Oostenrijkse keizer zich weer vorst noemen van heel zijn voormalig Zuid- Nederlands grondgebied. De onafhankelijkheid heeft uiteindelijk slechts tien maanden geduurd, maar zou niettegenstaande een belangrijke episode blijken voor de 19de-eeuwse partijvorming[49].
1.5 Restauratie en invasie (1790-1794)
Op 20 februari 1790 was Jozef II overleden en opgevolgd door Leopold II. Deze sloot op 10 december Het Verdrag van Den Haag met de geallieerde mogendheden. Hierin werd bepaald dat de Jozefijnse hervormingen werden opgeheven en dat de situatie van het Ancien Régime zoveel mogelijk werd hersteld. Hoewel de oude instellingen werden heropgericht in de hoop de rust in de Zuidelijke provincies te doen terugkeren, bleven de Staten van Brabant de regering vijandig gezind. In de loop van 1792 kreeg de Oostenrijkse regering te kampen met zware financiële moeilijkheden. Na de dood van Leopold II kon diens opvolger Frans II met moeite het hoofd boven water houden. Daarenboven verklaarde Frankrijk in april de oorlog aan Oostenrijk. Ook in het bisdom Gent was de Franse dreiging al voelbaar. In juli ontving bisschop de Lobkowitz een brief van de overheid. Hij werd hierin op de hoogte gebracht van het feit dat gevluchte revolutionairen met Franse hulp de lage clerus proberen op hun hand te krijgen. De bisschop bracht onmiddellijk de dekens van zijn bisdom op de hoogte en schreef hen het volgende:
“(…)Diversis plurimis que modis galli clerum huius regionis conabantur tam promittando avitum cultum divinum conservare, quam declarando sese concessuros omnia eaque potissimum allicere possunt. (…) Verum, quid hominis qui tot inhumanitatis et irreligionis specimina in patria sua dederunt, in aliena ditione expectari poteste (…)[50]”
Hij waarschuwde de dekens dat de clerus op de proef werd gesteld door Franse pogingen tot beïnvloeding. Volgens de Lobkowitz was dit een schande en moest de clerus worden aangemaand om deze praktijken te doorzien en om “de oorlog te bestrijden”.
Op 20 september behaalde het Franse leger een overwinning te Valmy. Ook in klerikale kringen steeg de spanning. Alsmaar meer geestelijken ontvluchtten Frankrijk en zochten hier onderdak voor de revolutionaire, antiklerikale vervolgers. Op 14 september stuurde de Gentse bisschop een rondzendbrief aan alle pastoors van het bisdom, met de oproep om onderdak te bieden aan de uit Frankrijk gevluchte geestelijken[51]. Het Franse leger, onder leiding van generaal Dumouriez viel uiteindelijk in oktober de Zuidelijke Nederlanden binnen en behaalde op 6 november de overwinning te Jemappes. Hiermee werd een eerste periode van Franse overheersing ingeluid. Op 15 december besliste de Franse Nationale Conventie om in onze gewesten de privileges af te schaffen en de goederen van de clerus in beslag te nemen. Het antiklerkalisme, de eindeloze opeisingen en de gewelddadige plunderingen maakten de Franse bezetter allesbehalve geliefd.
Op 18 maart 1793 behaalde het Oostenrijkse leger op zijn beurt de overwinning te Neerwinden en kwam er een voorlopig einde aan de Franse bezetting. Meer nog dan tijdens de eerste Oostenrijkse restauratie (1791-1792) werd er gestreefd naar een herstel van het Ancien Régime. Adel en clerus, nog in shock door de Franse bezetting, onderwierpen zich volledig aan het gerestaureerde Oostenrijkse gezag. De financiële toestand was echter uiterst slecht. Omdat de Provinciale Staten slechts met mondjesmaat geld in de overheidskas stortten moest de keizer meermaals een beroep doen op vrijwillige giften[52]. Op 7 november 1793 vaardigde de Gentse bisschop een ordonnantie uit, waarin hij de geestelijken van zijn bisdom aanspoorde om hun zilverwerk, inclusief dat van de Kerk, tegen een rentebewijs in te leveren bij de schatkist. Met de volgende woorden probeerde hij hen te overtuigen:
“De noodzaekelykheyd van groote legers op de voet te houden om te wederstaen aen de woede ende quaedaerdigheyd onzer vyanden, die niet alleenelyk den staet in het algemeyn, maer ook een ieder in het bezonder bedrygen, ’t zij ten opzigte van hunnen persoon, ’t zij ten opzigte van hunne goederen, moet ieder een genoegzaem doen oordeelen hoe moeyelyk het is van gedueriglyk in tijds te voorzien in de zwaere kosten die deze legers medebrengen. Het is dan redelyk dat een ieder alles aenwend om de kasse van den soevereyn bij te springen. (…)[53]”
Deze tweede Oostenrijkse restauratie duurde ongeveer anderhalf jaar. In het voorjaar van 1794 werd een Franse dreiging weer reëel. Bisschop de Lobkowitz vroeg aan alle pastoors dat zij hun parochianen tijdens de wekelijkse preek zouden oproepen om zich te verzamelen[54]. Op die manier zouden ze hun bezittingen kunnen beschermen tegen de Franse invaller. Op 26 juni 1794, in de slag te Fleurus, moesten de Oostenrijkers definitief het onderspit delven.
2. De Franse periode
2.1 Het Directoire (oktober 1795 – november 1799)
a) Bestuurlijke hervormingen
De facto bestuurde Frankrijk de Zuidelijke Nederlanden sinds 26 juni 1794 (overwinning te Fleurus) en de iure sinds 1 oktober 1795 (officiële aanhechting). Het was echter pas met het verdrag van Campo Formio (oktober 1797), de concrete uitvoering van de besprekingen van Leoben (april 1797), dat de Oostenrijkse Habsburgers definitief afstand deden van de Oostenrijkse Nederlanden[55]. Tussen de Franse overwinning te Fleurus en de uiteindelijke annexatie van de Zuidelijke Nederlanden bij Frankrijk verliepen vijftien onrustige maanden. De veroverende legers lieten een spoor van vernieling achter. Militaire opeisingen, plunderingen en rooftochten waren schering en inslag. De bezette gebieden werden beschouwd als wingewest voor geld en grondstoffen. Vanaf maart 1795 kwam er een minder hard bezettingsregime. De idee van inlijving bij de Franse Republiek kreeg immers meer bijval. Op 1 oktober besliste de Conventie te Parijs om de Zuidelijke Nederlanden in te lijven. Volledig volgens deze nieuwe koers werd het bestuurlijke systeem grondig hervormd. Waar er tijdens de eerste Franse bezettingsperiode (1791-1792) nog gezagscontinuïteit was, vond nu een volledige wissel van het politieke personeel en een ingrijpende hervorming van de bestuurlijke en gerechtelijke instellingen plaats. Het Ancien Régime was voorgoed verleden tijd.
Volgens het besluit van het Comité du Salut Public van 14 fructidor III (30 juli 1795) moesten de Oostenrijkse Nederlanden worden verdeeld in acht departementen[56]. Het Waasland werd ingedeeld bij het departement van de Schelde of het ‘Département de l’Escaut’. Dit departement omvatte het voormalige bisdom Gent, aangevuld met vier decanaten van het oude aartsbisdom Mechelen (Aalst, Geraardsbergen, Oordegem en Ronse)[57].
Elk departement werd vervolgens opgedeeld in kantons. Gemeenten of communes met minder dan 5000 inwoners werden gegroepeerd en vormden samen één kanton, gemeenten met meer dan 5000 inwoners werden een apart kanton. Na de definitieve kantonindeling op 13 februari 1796 telde het Waasland zeven kantons[58]. Het centrale bestuursorgaan van zo een kanton was de administration municipale du canton. Hierin zetelden de bestuurders van elke gemeente, de agent municipal en zijn adjoint, die vaak werden gerekruteerd uit het oude bestuur. De steden met meer dan 5000 inwoners kregen een eigen municipale administratie, naargelang het bevolkingscijfer bestaande uit vijf, zeven of negen officiers municipales[59]. De municipale administratie vergaderde één à tweemaal per week in de hoofdplaats van het kanton, onder leiding van een voorzitter. Om zeker te zijn dat een revolutionaire koers werd gevaren en dat de wetten nauwgezet werden uitgevoerd, plaatste het Directoire aan het hoofd van elk kanton een kantoncommissaris of een commissaire du directoire exécutif. Deze commissarissen waren Franse burgers van minstens 25 jaar oud, die minimum één jaar waren gedomicilieerd in het departement[60].
b) Kerkelijke hervormingen
De immense rijkdom van de clerus was vele revolutionairen een doorn in het oog. In de 18de eeuw zou de clerus tot de helft van alle beschikbare gronden in haar bezit hebben gehad[61]. Reeds in de loop van 1790 waren de goederen van de Franse clerus genationaliseerd, wat leidde tot een massale emigratie naar onze gewesten. Toen in 1795 de Zuidelijke Nederlanden administratief bij de Franse Republiek werden geannexeerd werd ook hier de Franse wetgeving en de grondwet van het jaar III van kracht en moesten de clerici zich onderwerpen aan de nieuwe regels. Zo werd vanaf 17 juni 1796 de burgerlijke stand ingevoerd[62]. Tot dan toe was de optekening van geboortes, huwelijken en overlijdens de taak van de pastoor, die dit bijhield in parochieregisters. Sommige pastoors weigerden de onmiddellijke stopzetting van hun registers en zetten deze ondergronds verder. Zo beschikken we voor enkele parochies over een parallelle optekening van geboorten, huwelijken en overlijdens, zowel burgerlijk als kerkelijk
Door een staatsgreep op 18 fructidor IV (4 september 1797), de zogenaamde fructidoriaanse staatsgreep, kwam het tweede Directoire aan de macht. Deze handhaafde zijn macht door manipulatie van de verkiezingen en voerde een veel sterkere antiklerikale koers dan zijn voorganger. De pastoors werden op het einde van 1797 dan ook verplicht hun parochieregisters definitief stop te zetten. Ook klokkengelui, processies, het dragen van religieuze kledij, het vieren van kerkelijke feesten, kortom alle uiterlijke tekenen en handelingen van godsdienst moesten uit het straatbeeld worden geweerd. In datzelfde jaar werden alle kloosters afgeschaft, werd de Leuvense universiteit gesloten en moesten alle seminaries worden opgedoekt. Ondertussen werden kerkelijke bezittingen geconfisqueerd en openbaar verkocht. Zowel onroerende als roerende goederen werden eigendom van de Franse Republiek. Dit Directoire zou er uiteindelijk in slagen de clerus al zijn voorrechten en rijkdom te ontnemen en wist zo een belangrijke pijler van het Ancien Régime de mond te snoeren.
De eedkwestie barstte vanaf 1797 in alle hevigheid los. Volgens de wet van 7 vendémiaire IV (29 september 1795) moesten alle geestelijken een verklaring van gehoorzaamheid aan de Republiek afleggen. In de geannexeerde gebieden werd die wet pas vanaf augustus 1797 van kracht. Na de fructidoriaanse staatsgreep van september 1797 werden de clerici daarenboven verplicht een eed van haat aan het koningschap af te leggen (Wet van 19 fructidor V)[63]. Niet alleen weigerden vele clerici dit, maar daarenboven groeiden binnen de clerus de spanningen tussen beëdigden en onbeëdigden, met een waar schisma tot gevolg. De scheuring verliep vrijwel parallel met de vroegere scheidslijn tussen conservatieve ultramontanen en gallicanen. De onzekere houding van de hoge clerus maakte de verwarring compleet. De bisschoppen twijfelden aan de echtheid van de afkeuring door Pius VI en gingen elk hun eigen weg. De Mechelse aartsbisschop de Franckenberg stelde zelfs een alternatieve formulering van de eed voor. Dit leek tijdens het eerste Directoire de ideale gulden middenweg, maar de radicalere houding van het tweede Directoire liet geen ruimte voor enig compromis. Enkel de beëdigden hadden nog recht op een eigen Kerk, terwijl de onbeëdigden hun Kerk moesten sluiten en door de overheid werden vervolgd. Bij decreet van 5 brumaire VI (26 oktober 1797) besliste het Directoire alle bezittingen van kerken en pastorijen waarvan de geestelijken weigerden de eed van haat af te leggen, te confisqueren[64].
Vele priesters konden onderduiken en ondergronds hun priesterfunctie voortzetten. Anderen werden gearresteerd, opgesloten en misschien zelfs gedeporteerd naar Guyana, Ré of Oléron. Naar aanleiding van de Boerenkrijg (1798) werd een ware klopjacht op zowel onbeëdigde als beëdigde priesters ingezet en werd het algemeen deportatiedecreet (4 november 1798) van kracht. Na de Staatsgreep van Napoleon werd in november 1799 de eed van haat vervangen door een eed van trouw aan de nieuwe grondwet. Vanaf 28 december werd dit een eenvoudige belofte van trouw[65]. De gehele wetgeving, inclusief de wetgeving op de deportatie, werd uiteindelijk opgeheven op 20 oktober 1800[66].
c) Reacties van het Gentse episcopaat
De situatie aan het hoofd van het bisdom Gent was vanaf de tweede Franse inval op 26 juni 1794 allesbehalve stabiel[67]. Net zoals in de bisdommen Antwerpen, Brugge en Doornik was de voltallige hoge clerus gevlucht naar het buitenland. Reeds op 23 juni had de Lobkowitz het dagelijks bestuur overgedragen aan twee pastoors van Gentse parochies en aan de subregent van het seminarie, Van Hemme en dit ‘pro tempore invasionis hostis’, dus zolang de invasie door de vijand zou duren[68]. De Franse bezetter legde zware oorlogsschattingen op, waaraan ook het Gentse seminarie haar steentje moest bijdragen. Die bijdrage gebeurde echter niet op tijd, waardoor Van Hemme op 2 januari 1795 werd gearresteerd en opgesloten in Noord-Frankrijk[69]. Daarenboven overleed op 29 januari de Lobkowitz. Om het machtsvacuüm op te vullen stelden de enkele nog aanwezige kapittelheren een voorlopig vicariaat samen, dat uiteindelijk vijf maanden zou besturen. In juni 1795 ging men over tot de verkiezing van een definitief vicariaat. Het zou onder het bestuur van dit vicariaat zijn dat de eedkwestie in alle hevigheid losbarstte. Op 28 maart 1797 stuurden de vicarissen een brief aan de vertegenwoordigers van het Scheldedepartement, waarin ze met klem vroegen om de afschaffing van de wet van 7 vendémiaire IV te bepleiten[70]. Ze vroegen ook de mening van de Gentse pastoors, die de eed eensgezind afkeurden[71]. Tegelijkertijd speelden de vicarissen op veilig en verschaften ze de onbeëdigde priesters reeds bijzondere volmachten om hun priesterfunctie ondergronds te kunnen voortzetten. Zo mochten ze in privé huizen onder andere het doopsel toedienen, de mis opdragen en huwelijken voltrekken en kregen zelfs de bevoegdheid huwelijksbannen af te kondigen[72].
Reeds in 1797 werd duidelijk dat de leden van het vicariaat het niet met elkaar eens waren. Vicaris E. De Grave had zich reeds openlijk uitgesproken voor de eed. In mei 1797 legde hij de eed van 4 vendémiaire IV af en op 8 november zwoer hij ook de eed van haat[73]. In de loop van 1798 werd het vicariaat dan ook definitief verscheurd door de eedkwestie. In februari moesten bijna alle leden van het vicariaat, inclusief De Grave, onderduiken uit vrees voor deportatie. Enkel secretaris Goethals en vicaris Van der Beken bleven op post. Toen Van der Beken beëdigde clerici als vicarissen aanduidde, ging Goethals in het verweer. In samenwerking met de in Rupelmonde ondergedoken vicaris De Waepenaert benoemde hij een eigen ‘onbeëdigd’ vicariaat[74]. Het schisma binnen het Gentse vicariaat was een feit. Beide kampen functioneerden naast elkaar, wat ook blijkt uit de twee aparte ‘Acta vicariatus’ die tijdens de periode 1798-1802 werden opgesteld[75].
d) De Boerenkrijg (1798)
Over het al dan niet georganiseerde karakter van de Boerenkrijg bestaat nog heel wat discussie. Wel is zeker dat er in verschillende regio’s plannen bestonden voor een opstand. Zo werden er brieven en aanplakbrieven verspreid in West-Vlaanderen, het Waasland, de Kempen, Klein-Brabant, de streek rond Aalst en Haspengouw, waarin werd opgeroepen tot actie rond 24 oktober 1798 (de verjaardag van de slag te Turnhout in 1789)[76]. Dat de Boerenkrijg veertien dagen eerder losbrak had te maken met onlusten in Overmere, die in de nacht van 19 op 20 vendémiaire VII (10 op 11 oktober 1798) een hoogtepunt bereikten. De gemoederen raakten oververhit tijdens het opstellen van de conscriptielijsten, in uitvoer van de Wet van 19 fructidor VI (5 september 1798). Vele boerengezinnen zagen hun beste werkkrachten verplicht ingelijfd worden bij het leger en de dood tegemoet trekken. Het was vooral de felheid waarmee de overheid de conscrits opriep die op veel weerstand stootte. De onlusten in Overmere breidden zich algauw uit over het hele departement. Eén van de vijf grote actieterreinen binnen het Scheldedepartement situeerde zich in het noordoosten en omvatte ruwweg het Waasland en het Zeeuws-Vlaamse kanton Hulst. De centra van die opstand lagen in de kantons Belsele en Haasdonk[77].
De Boerenkrijg is doorheen de geschiedschrijving vaak onterecht als strijd ‘voor outer en heerd’ bestempeld. Niet zozeer religieuze en nationalistische motieven lagen aan de basis, maar eerder socio-economische onlusten[78]. Toch werd de clerus door de Fransen beschouwd als belangrijkste aanvoerder van de opstand. Ook de Franse tijdgenoot was overtuigd van de cruciale rol van de fanatieke priesters. In hun rapporten schrijven de kantoncommissarissen voortdurend dat de priesters de aanstokers van de opstand zijn. Er waren natuurlijk pastoors die sympathie hadden voor de brigands, maar evengoed waren er clerici die de opstand afkeurden[79]. Dit kon de Fransen er echter niet van weerhouden de priestervervolgingen eind 1798 op te drijven.
2.2 Het Consulaat en het Keizerrijk (november 1799 – april 1814)
a) Het Concordaat
Op 19 brumaire VIII (10 november 1799) kwam er een einde aan het repressieve beleid van het Directoire door een Staatsgreep van generaal Napoleon Bonaparte. Aanvankelijk installeerde hij een consulaat, waarin hij respectievelijk eerste consul en consul voor het leven was (1802). Algauw evolueerde dit consulaat naar een keizerrijk (1804), waarbij hij zichzelf uitriep tot keizer. Op bestuurlijk vlak voerde hij enkele aanpassingen door. De departementsindeling bleef behouden met deze keer een prefect aan het hoofd van de departementale administratie en een onderprefect op het niveau van de arrondissementen. De kantons bleven enkel van belang voor de omschrijving van de vredegerechten, waardoor de communes hun autonomie herwonnen. De communes werden daarenboven terug bestuurd door een ‘maire’. Veel machthebbers van voor 1789 keerden terug en hervatten hun oude functie in het lokale bestuur[80].
Hoewel de reputatie en de Directoiregezinde entourage van Napoleon niet veel goeds voor de clerus deed vermoeden, kwam er in de praktijk een toenadering tussen Kerk en Staat tot stand. Napoleon was zich wel degelijk bewust van het feit dat de overgrote meerderheid van de bevolking de traditionele Kerk bleef steunen en besefte dat hij hierop moest inspelen. Op 25 brumaire VIII (16 november 1799) werd de eed van haat tegenover het Koningschap omgevormd tot een eed van trouw aan de Republiek. Enkele weken later, op 8 frimaire (28 november) werd besloten dat alle priesters die sinds de Wet van 7 vendémiaire IV hun ambt hadden neergelegd, mochten terugkeren en in ere werden hersteld. Ondanks het feit dat de drie nog in leven zijnde bisschoppen van de Nederlanden zich volledig tegen deze nieuwe wetten kantten, grepen vele priesters deze kans met beide handen om uit de clandestiniteit te geraken. Napoleon zag in deze gematigde godsdienstpolitiek een middel om het volk op zijn hand te krijgen. In oktober 1800 begonnen de onderhandelingen voor het Concordaat. Op 15 juli 1801 werd deze overeenkomst bekrachtigd door de pas verkozen paus Pius VII. Door dit Concordaat werd de Republiek voortaan officieel erkend door de Kerk, erkende de paus de verkoop van de Kerkelijke goederen en kregen de clerici een vast Staatsloon uitgekeerd. Bij de bisschops- en pastoorsbenoemingen kreeg de overheid daarenboven heel wat inspraak. Om geschillen op te lossen werd een pauselijke gezant in Parijs geïnstalleerd, kardinaal Caprara. Caprara werd naar voor geschoven door Napoleon, maar kon op weinig steun rekenen van de paus. Hij had zich namelijk heel welwillend opgesteld tegenover de Kerkpolitiek van Jozef II en zou ook nu een zwak figuur blijken[81]. Binnen het ministerie van binnenlandse zaken richtte men ook een ‘Direction générale des Cultes’ op, in 1804 omgevormd tot ‘Ministère des Cultes’. De kersverse minister voor godsdienstzaken werd Portalis, centrale figuur in de concrete uitwerking van het Concordaat[82].
In december 1801 stuurde Caprara aan op een verzoening tussen het beëdigde en onbeëdigde kamp binnen de clerus. Naar aanleiding van het concordaat, waarna een nieuwe eed werd verplicht, laaide de eedkwestie weer op. De opstand was echter niet zo algemeen als in 1798 en bleef beperkt tot een groep rond de vicaris-generaal van Namen, Stevens. Deze bleef hardnekkig weigeren de eed te aanvaarden en verwachtte van de paus hetzelfde. Aanhangers van deze vicaris werden dan ook Stevenisten genoemd. Op 18 germinal X (8 april 1802) werd de nieuwe wet op de erediensten definitief gestemd. Hierbij werden, naast het Concordaat, ook nog 77 organieke artikelen goedgekeurd. Dit waren een soort uitvoeringsbesluiten met betrekking tot de invloed van de Staat in katholieke aangelegenheden, die zonder overleg met het Vaticaan waren opgesteld. Niet zozeer het Concordaat op zich, dan wel de Organieke Artikelen zouden op veel weerstand stuiten. Daarnaast was ook een hele discussie ontstaan over de nieuwe indeling van de bisdommen. Napoleon wou de nieuwe bisschoppelijke omschrijvingen laten samenvallen met de burgerlijk- administratieve omschrijvingen om zijn greep erop te verstevigen. Daarenboven had het Directoire een lege schatkist nagelaten, waardoor het aantal te onderhouden bisschoppen en dus ook het aantal bisdommen drastisch moest worden teruggeschroefd. De Zuidelijke Nederlanden werden één Kerkelijke provincie, onder leiding van het aartsbisdom Mechelen met daarnaast nog vier bisdommen, die elk uit twee departementen bestonden[83]. Het bisdom Gent omvatte vanaf nu, naast het departement van de Schelde, ook dat van de Leie. Tot en met 1834 vormden de oude bisdommen Gent, Brugge en Ieper dus één geheel. In 1834 werd het nieuwe bisdom Brugge opgericht[84].
In het najaar van 1801 waren de bisschoppen ingegaan op de uitnodiging van de paus om af te treden en plaats te ruimen voor door Napoleon aangeduide bisschoppen[85]. In de Zuidelijke Nederlanden ging het hier om drie bisschoppen. De overige bisschopszetels waren immers al een tijd vacant. Als nieuwe aartsbisschop van Mechelen werd de 81- jarige Mgr. de Bessuéjouls de Roquelaure aangeduid (wordt in 1808 opgevolgd door Mgr. de Pradt) en in Gent nam Mgr. Fallot de Beaumont plaats op de reeds zeven jaar vacante bisschopszetel.
b) Het Concordataire bisdom Gent
b.1 Mgr. Fallot de Beaumont (1802 – 1807)
In december 1801 stuurde kardinaal Caprara een brief met het pauselijk decreet betreffende de eed van haat naar het Gentse bisdom. Paus Pius VII pleitte resoluut voor verzoening. Zowel het beëdigde als het onbeëdigde kamp van het Gentse vicariaat besloot de strijd op te geven, zodat het oorspronkelijke vicariaat dat in juni 1795 was verkozen zijn bevoegdheden weer kon opnemen. Op 19 december ondertekenden de vicarissen-generaal een mandement met volgende woorden:
“(…) dat er alzoo een eynde gemaekt worde aen alle onze twisteryen. Dat dan t’eenemael alomme en voor altyd zwyge alle kibbelagtigheyd en laet ons alle gelijk gehoorzaemen aen onzen Opper-Herder (…)[86]”.
Deze situatie zou maar vier maanden duren, want op 9 april 1802 legde Mgr. Fallot de Beaumont als eerste concordataire bisschop van het nieuwe bisdom Gent de eed van trouw aan de regering af. Op 5 juli werd zijn benoeming ook bekrachtigd door paus Pius VII. Vermits hij afkomstig was uit de Pauselijke Staten en geen aanhanger was van het gallicanisme werd hij door de Gentse clerus hoopvol ontvangen. Er wachtte hem echter een zware taak. Het bisdom Gent was immers jarenlang verdeeld geweest tussen beëdigden en onbeëdigden, zowel op hoog als op laag niveau. Hij slaagde er echter in de eendracht binnen het bisdom te herstellen. Hij zag nauwgezet toe op de naleving van het pauselijk decreet van 2 december 1801 en op het bisschoppelijk mandaat van 28 juli 1802. In dit mandaat werd elke controversiële boodschap in private gesprekken en publieke preken, zowel voor als tegen de eed, verboden. Daarenboven moest elke priester de volgende formule van gehoorzaamheid en naastenliefde afleggen:
“Ego, (nomen), iuratus vel non iuratus, secundum legem de 19 fructidor V, Pontifici decreto ab Ementissimo legato de 2 Xbris 1801, emanato ea, quo filium ecclesia decet, observantia et perfecte ad mentem et placitum sanctissimi assentior pareo, submissum me profiteor in omni puncto quod me attingit[87].”
De Beaumont nam echter ook enkele omstreden standpunten in, waardoor zijn populariteit een flinke deuk kreeg. Onder andere zijn goedkeuring van de keizerlijke catechismus, waarin de nadruk werd gelegd op de plichten tegenover de keizer, bleek een misrekening. Hij keurde deze catechismus in 1806 goed en drukte in een brief aan Portalis zijn ongenoegen uit over de vele pamfletten tegen deze catechismus, die in zijn bisdom circuleerden. Hij wou een strenger optreden hiertegen door de politie[88]. Toen vanaf 1 januari 1807 de keizerlijke catechismus werd verplicht door de Mechelse aartsbisschop, ontstond er een soort anticoncordatair schisma. Enkele bisschoppen die de catechismus hadden goedgekeurd werd het algauw te heet onder de voeten. Ook de Beaumont moest zijn conclusies trekken. Daarenboven was hij volgens sommigen te ambitieus en hierdoor ook te dweperig tegenover Napoleon. In de loop van 1807 werd hij dan ook overgeplaatst naar Piacenza in Italië[89].
b.2 Mgr. Maurice de Broglie (1807 – 1821)
Toen Maurice de Broglie in 1807 de bisschopszetel overnam van de Beaumont getuigde hij nog van een blinde gehoorzaamheid aan Napoleon. Napoleon beschouwde de Broglie dan ook als een sleutelfiguur in de strijd tegen het ultramontanisme. De Broglie koos echter resoluut de zijde van de ultramontaanse theologen, waardoor Napoleons plannen onverwacht werden gedwarsboomd. De Leuvense professor Van de Velde en de seminarieprofessor Rijckewaert werden de belangrijkste raadgevers van deze bisschop, die zich enkele jaren later als een groot tegenstander van Napoleon zou ontpoppen.
Op 16 mei 1809 annexeerde Napoleon de Pauselijke Staten. Pius VII, die Napoleon in 1804 tot keizer had gekroond, excommuniceerde hem op 10 juni. De definitieve breuk tussen Rome en Parijs was een feit[90]. Ook in de Zuidelijke Nederlanden kwamen vele pastoors in opstand door te weigeren het ‘Salvum fac Imperatorem’ of het ‘gebed voor de keizer’ te zingen tijdens de eredienst. De paus zelf werd ondertussen gevangen gehouden te Savona en weigerde zijn functie verder uit te oefenen. Hierdoor kwam Napoleon in moeilijkheden. Zonder canonieke bevestiging van de door hem aangestelde bisschoppen waren deze benoemingen immers niet geldig. In juni 1811 organiseerde Napoleon een Nationaal Concilie te Parijs, in de hoop de bisschoppen te overtuigen van zijn benoemingsrecht. De Broglie, vergezeld door zijn raadsheer Van de Velde, en de bisschoppen van Bordeaux, Doornik, Saint Brieuc en Troyes gingen echter resoluut dwarsliggen. Ze werden op 12 juli gearresteerd en opgesloten te Vincennes. Op 23 november nam de Broglie onder regeringsdruk ontslag.
Ondertussen waren er opnieuw tegenstellingen ontstaan binnen het kapittel van het bisdom Gent. Bij zijn vertrek naar Parijs had de Broglie het bestuur overgelaten aan vier grootvicarissen: Vermeersch, Buydens (enkel zij waren door de burgerlijke overheid erkend), de Meulenaere en Goethals. Deze werden bijgestaan door kanunnik Martens en de pastoors Fruyt en Verhaegen[91]. Een dag na de arrestatie van de Broglie, op 13 juli, voerde de politie huiszoekingen in het bisschoppelijk paleis. De lokalen van de bisschop en de grootvicarissen werden doorzocht en verschillende documenten werden meegenomen voor verder onderzoek[92]. In november ontving het kapittel een brief van de minister van eredienst, Portalis. Daarin werd het officiële ontslag van de Broglie bekend gemaakt en werden de kanunniken verplicht nieuwe kapittelvicarissen te kiezen[93]. De kanunniken weigerden hierop in te gaan zolang de paus het ontslag van de Broglie niet had bekrachtigd. Hierop werd Vermeersch door de regering tot ontslag gedwongen en doken Goethals, Buydens en Martens onder. De resterende kanunniken kozen de Meulenaere en de Loen tot nieuwe kapittelvicarissen. Goethals en Martens legden zich hierbij niet neer en zetten vanuit hun schuilplaats, in geheim overleg met de Broglie, het verzet verder. Toen Napoleon op 16 april 1813 Jacques Louis de la Brue tot nieuwe bisschop van Gent benoemde geraakten de gemoederen oververhit. Ook de Meulenaere was zich bewust van de kritieke situatie en stuurde op 28 april een brief aan Portalis. Hierin zei hij onmogelijk de benoeming van de la Brue te kunnen aanvaarden zonder dat deze door de paus was aanvaard en dit uit vrees voor een nieuw schisma binnen de clerus[94]. Toch stemde hij later in met de benoeming van de la Brue tot kapittelvicaris. Ondertussen deden Goethals en Martens het verzet escaleren. Een overgrote meerderheid van de clerus schaarde zich achter Goethals, die het bestuur overnam en resoluut weigerde de la Brue te aanvaarden. De overheid liet het hier niet bij en trad hardhandig op. De grootste slachtoffers zouden echter de seminaristen zijn. Na de sluiting van het seminarie op 25 juli 1813 werden ze verplicht ingelijfd bij het Franse leger en naar Wezel of Parijs gestuurd[95].
Pius VII besefte dat hij moest ingrijpen. Na de Broglie te hebben erkend als officiële bisschop van Gent bevestigde hij Goethals in zijn functie van grootvicaris. In januari 1814 moest de la Brue voor de oprukkende geallieerde legers vluchten naar Frankrijk en in februari moest het Franse leger definitief de aftocht blazen. In de Acta Episcopatus werd op 2 februari in grote letters volgende zin neergeschreven: “MARIA PURIFICANTE CESSIT GANDA GALLUS”[96]. de Meulenaere en de Loen moesten, net als de priesters die zich hadden onderworpen aan dit ‘pseudo-vicariaat’, een eed van gehoorzaamheid afleggen[97]. Op 26 mei 1814 keerde de Broglie uiteindelijk terug naar zijn bisdom en nam zijn functie als bisschop van Gent weer op.
3. De Nederlandse periode (1814 – 1830)
3.1 De overgangsperiode 1814-1815
Het keizerrijk van Napoleon begon in de loop van 1813 onomkeerbaar te tanen, met als dieptepunt de nederlaag van de napoleontische legers te Leipzig. De perifere noordelijke provincies, die pas in 1810 waren geannexeerd, wisten zich met de steun van de geallieerden af te scheuren van het Franse keizerrijk. Hierdoor was de onafhankelijkheid van het Noorden en de terugkeer van Oranje in de persoon van Willem I een feit. De toekomst van de Zuidelijke Nederlanden was echter nog onzeker. Na de val van Napoleon en diens verbanning naar het eiland Elba werd in Frankrijk de macht van de Bourbons in ere hersteld. Het Franse grondgebied werd vastgelegd binnen de oude landsgrenzen van 1792, dus zonder de Zuidelijke Nederlanden[98]. Het lot van de Zuidelijke provincies kwam in handen van de geallieerden te liggen en werd een centraal discussiepunt in de herschikking van de Europese machtsverhoudingen. De grootmogendheden, Groot-Brittannië en het Habsburgse Rijk en de opkomende mogendheden, Pruisen en Rusland, namen in 1814 plaats aan de onderhandelingstafel. Van in het begin pleitte de Britse regering, met op kop de minister van buitenlandse zaken Castlereagh, voor een vereniging van de beide Nederlanden. Het ultieme doel was een soort bufferstaat tegen Frankrijk creëren. Ondertussen werd in de Zuidelijke Nederlanden een voorlopige nationale regering geïnstalleerd. De hertog van Saksen-Weimar, de Beaufort, werd van 8 februari tot 1 augustus 1814 als gouverneur- generaal van de Zuidelijke Nederlanden aangesteld[99].
De Beaufort wist van meet af aan de sympathie van de clerus voor zich te winnen door een systematische restauratiepolitiek. Hij riep alle religieuze hoogwaardigheids-bekleders bij zich en drukte hen op het hart dat hij voorstander was van een eerherstel van alle jonge theologanten. Zij die onder Napoleon verplicht militair waren ingelijfd of ontsnapt waren aan de vervolgingen zouden binnenkort kunnen terugkeren naar de bisschoppelijke seminaries. De clerus voelde zich gesteund door de voorlopige regering, maar dit enthousiasme zou echter niet blijven duren. Zijn streven, een terugkeer naar de situatie van het Ancien Régime, bleek immers ijdele hoop. Niet enkel de sociale onderbouw was te drastisch veranderd voor een terugkeer naar de situatie van voor de Franse annexatie, ook de geallieerden beslisten er anders over. Ondanks de rondzendbrief van 7 maart 1814 van de gouverneur- generaal aan de kerkelijke autoriteiten, waarin officieus de Ancien Régime status van de Kerk werd gewaarborgd, waren de mogendheden al op 1 maart tot een vergelijk gekomen met het Verdrag van Chaumont. De eenmaking van de Nederlanden was een feit. De voorwaarden voor deze eenmaking werden op 30 mei vastgelegd in de Acht Artikelen, die op 21 juni te Londen door de mogendheden werden geratificeerd[100]. Willem I nam op 1 augustus het ambt van gouverneur- generaal op zich. Vanaf september hoopte men op het Congres van Wenen het Europese machtsevenwicht te herstellen door een definitief vergelijk over de grenzen van Europa en over de koloniale bezittingen.
Ook de clerus liet zich op dit Congres niet onbetuigd en greep de kans om haar eisen bekend te maken. Op 8 oktober 1814 stuurden de vicarissen-generaal van het Bisdom Gent een brief naar de Staatshoofden op het Congres om het behoud van de katholieke godsdienst in de Zuidelijke Nederlanden te vragen[101]. De clerici eisten onder andere het herstel van de oude universiteit van Leuven en van de nuntiatuur te Brussel. Na de definitieve regeling van de grenzen van het nieuwe ‘Verenigd Koninkrijk der Nederlanden’ werd Willem I op 16 maart 1815 officieel benoemd tot koning der Nederlanden. Hij zou het katholicisme en zijn hiërarchie nooit volledig begrijpen. Religieuze strubbelingen en wederzijds onbegrip zouden dan ook een diepe stempel drukken op de regeerperiode van Willem I.
Tijdens het Congres van Wenen, in maart 1815, was Napoleon teruggekeerd uit ballingschap en had opnieuw een leger rond zich weten te scharen. De geallieerde legers van Pruisen en Engeland konden hem echter verslagen te Waterlo. Met deze veldslag kwam voor de Zuidelijke Nederlanden definitief een einde aan twintig jaren Franse overheersing. Het Nederlandse tijdperk was aangebroken.
3.2 De Grondwet van 1815
Op 22 april 1815 riep Willem I een grondwetgevende commissie bijeen. In plaats van een volledig nieuwe grondwet op te stellen was het eerder de bedoeling de oude grondwet van 29 maart 1814 te herzien en aan te passen aan de nieuwe situatie[102]. Reeds bij de samenstelling van deze commissie kwamen heel wat onenigheden aan de oppervlakte. De commissie bestond uit 11 vertegenwoordigers uit het Noorden en 11 uit het Zuiden, maar met een bevolkingsverhouding van 2 miljoen Nederlanders tegenover 3,5 miljoen ‘Belgen’ was dit geen evenredige vertegenwoordiging. Daarenboven waren sommige leden van de commissie notoire tegenstanders van de Kerk en waren de vertegenwoordigers uit het Zuiden vooral leden van de adel en de burgerij. Het vertrouwen van de katholieken was ver te zoeken en de vrees voor een ‘dekatholisering’ van het Zuiden steeg zienderogen.
Ook de Kerk was er niet gerust op. De clerus werd volledig geweerd uit de wetgevende vergaderingen en had bijgevolg geen inspraak bij het opstellen van de grondwet. Hij vreesde dan ook een liberale grondwet, waardoor zijn macht aan banden zou worden gelegd. Vooral het artikel dat de gelijkheid van alle religies in de grondwet inschreef lokte heel wat protest uit. De katholieke Kerk wou haar positie als staatsgodsdienst in de zuidelijke provincies immers hersteld zien. Daarenboven eiste ze herstel van het Kerkelijke patrimonium, een nieuwe rol in de politieke lichamen en een bevestiging van haar greep op het onderwijs[103]. Op 28 juli 1815 stuurden de bisschoppen van Gent, Namen en Doornik en de vicarissen-generaal van Mechelen en Luik hun grieven naar de koning. Deze legde de opmerkingen en wensen van het ‘Belgische’ episcopaat naast zich neer. Ze waren immers onverenigbaar met het amalgaamidee en met de eisen die de geallieerden hadden gesteld in het Verdrag van Londen[104].
Toen de clerus besefte dat hij niet de minste inspraak had in het regeringsbeleid probeerde hij het via een andere weg. Hij riep alle notabelen op om tegen het grondwetsvoorstel te stemmen. Reeds in juli 1815 publiceerde kanunnik Lesurre, vicaris-generaal van het bisdom Gent, een anonieme brief aan de notabelen uit het Zuiden. Hij zei hierin dat geen enkele rechtgeaarde katholiek zonder gewetenswroeging een grondwet kon goedkeuren die vrijheid en gelijkheid van godsdienst voorstond. Ook de bisschop van Gent, de Broglie, liet zich niet onbetuigd en stuurde een pastorale instructie rond, waarin hij godsdienstvrijheid gelijkstelde aan religieuze onverschilligheid. Willem I besefte dat de ontevredenheid in het Zuiden wel eens een negatieve invloed zou kunnen hebben op het grondwetproject. Hij wou die tegenstand koste wat het kost onderdrukken en gaf het startsein voor een ware censuurpolitiek. Het eerste slachtoffer was de West-Vlaamse priester de Foere, die in zijn krant ‘Le spectateur belge’ het grondwetproject hevig had bekritiseerd. Hij werd op 10 augustus 1815 gearresteerd en opgesloten in Brugge. Het mocht echter niet baten. De grondwet werd er in het Zuiden allesbehalve populairder door en de propaganda tegen de grondwet bleef floreren. Op 18 augustus moesten de commissieleden voor of tegen de grondwet stemmen. Het resultaat sprak boekdelen. Van de 1603 notabelen die zich hadden ingeschreven stemden 796 tegen de grondwet en 527 voor. De overige 280 onthielden zich. Amper 1/3 van de notabelen uit het zuiden had de grondwet goedgekeurd. Willem I bevond zich nu in een uiterst penibele situatie. Hij kon immers de basis van de grondwet, de voorwaarden voor het amalgaam zoals door de geallieerden vastgelegd in Londen, onmogelijk naast zich neerleggen. Daarenboven kon hij niet tegemoetkomen aan de meerderheid omdat hij dan de Staten Generaal van het Noorden, die unaniem de grondwet hadden goedgekeurd, buiten spel zette. Hij besloot op 24 augustus, op basis van de zogenaamde ‘Hollandse Rekenkunde’, de grondwet toch te aanvaarden en te bekrachtigen[105].
3.3 De eed op de grondwet
De bekrachtiging van de grondwet werd gevolgd door het opleggen van een verplichte eed. Aan katholieke zijde wekte dit heel wat onrust op. Kon men trouw zweren aan een grondwet die was verworpen door het episcopaat? De oude prins- bisschop van Luik, François-Antoine de Méan, was in een minder starre theologische traditie gevormd dan de clerus van de voormalige Oostenrijkse Nederlanden. Hij stelde dan ook voor tot een vergelijk te komen door middel van een aangepaste versie van de eed[106]. De overige bisschoppen en kapittelvicarissen van het Zuiden, beïnvloed door hun Ultramontaanse omgeving, waren echter niet te spreken over dit voorstel. Om de verwarring rond de eed uit de wereld te helpen publiceerden ze het ‘Jugement Doctrinal’. Dit document veroordeelde het indifferentisme van de nieuwe grondwet en spoorde aan de eed niet af te leggen. Willem I besloot de grote bezieler achter dit initiatief, de Gentse bisschop de Broglie, te vervolgen. De pastorale instructie van deze bisschop was volgens de vorst ook de directe aanleiding voor de tegendraadse houding van de notabelen uit het Zuiden tijdens de grondwetstemming. De katholieke weerstand werd echter niet gebroken, integendeel. Veel katholieken weigerden de eed op de grondwet af te leggen. Toen Willem I zich op 21 september 1815 in Brussel liet inhuldigen werd duidelijk dat hij nog een lange weg moest afleggen om de sympathie van het katholieke Zuiden helemaal voor zich te winnen.
Om de gemoederen wat te bedaren riep Willem I bij koninklijk besluit een commissie in het leven, belast met de leiding over de Rooms-Katholieke aangelegenheden. De ongerustheid van de clerus kon hierdoor echter niet worden getemperd. Vooral de directeur-generaal van de commissie, François Ghislain baron Goubau d’Hovorst, baarde de clerus heel wat kopzorgen[107]. Hij was immers het prototype van de josephistische magistraat. De problemen rond de eed op de grondwet bereikten in 1816 een hoogtepunt. De reorganisatie van de Provinciale Staten drong zich immers op. Veel kandidaten weigerden de eed af te leggen. Ook de parochiale clerus bleef niet lijdzaam toekijken en wou zijn steun betuigen aan het ‘Jugement Doctrinal’ van de bisschoppen. Rond Pasen 1816 weigerden vele geestelijken de absolutie te verlenen aan beëdigde ambtenaren. Vooral in het Waasland was deze problematiek reëel, waardoor heel wat ambtenaren verplicht werden absolutie te vragen aan de Antwerpse clerus[108].
Reeds sinds de publicatie van het Jugement Doctrinal speelde Willem I met de idee de clerus intern te verdelen en een soort onafhankelijke ‘Belgische’ Kerk te installeren, die slechts losse banden met de Heilige Stoel onderhield. Om dit doel te bereiken moest de leider van de religieuze opstand, de Gentse bisschop de Broglie, de mond worden gesnoerd. Toen de zetel van aartsbisschop van Mechelen vacant kwam te staan greep Willem I zijn kans. Hij droeg Antoine-François de Méan, voormalig prinsbisschop van Luik, naar voor als kandidaat en hoopte hierdoor een tegengewicht te creëren voor de Gentse bisschop en diens ultramontaanse aanhang. De Méan legde de eed op de grondwet af en positioneerde zich zo lijnrecht tegenover de auteurs van het Jugement Doctrinal. Hiermee was de zaak echter nog lang niet rond. Op 28 juni 1816 besloot de pauselijke congregatie dat de grondwet niet door de beugel kon en dat dus ook de eed erop niet kon worden goedgekeurd. Wat betreft de benoeming van de Méan was de paus echter bereid tot toegevingen, in ruil voor de installatie van een nuntius voor de Nederlanden en een aangepaste eedformule. Willem I stemde toe en op 22 september 1816 nam de Méan uiteindelijk toch zijn functie op als aartsbisschop van Mechelen[109]. Een jaar later, op 25 september 1817, werd de Broglie door het Hof van Assisen te Brussel veroordeeld tot deportatie. Hierdoor laaiden de onenigheden rond de eed weer hoog op en was een nieuwe interventie door de paus nodig. In een pauselijke brief van oktober 1820 werd de eed op de grondwet aanvaard, indien hij enkel in burgerlijke zin werd afgelegd. De integrale eed, dus ook op de artikels met betrekking tot de religie, werd resoluut afgewezen. Vanaf de ballingschap van de Broglie tot diens dood werd het bisdom Gent bestuurd door de twee vicarissen-generaal Goethals en De Volder. De dood van de Broglie op 20 juli 1821 bracht de harde kern van de oppositie een zware klap toe. Het klimaat werd milder en de eis tot erkenning als staatsgodsdienst werd door de katholieke Kerk opgegeven. De overheid stemde uiteindelijk toe met de aangepaste versie van de eed.
3.4 Het Concordaat (1827)
Aanvankelijk hield Willem I de boot voor een nieuw concordaatproject af, maar algauw bleek dat hij zijn doel, het installeren van een nationale Kerk in het Zuiden, niet kon bereiken zonder medewerking van de paus. Zonder pauselijke benoemingsbrieven konden er immers geen bisschoppen worden benoemd en zonder bisschoppen was er geen nationale Kerk mogelijk. Baron Goubau, directeur-generaal van de commissie voor Kerkelijke aangelegenheden stelde een volledige onderwerping van de Kerk aan de Staat voor. De paus steigerde en besloot een gezant naar de Nederlanden te sturen om tot een aanvaardbaar vergelijk te komen. Mgr. Nasalli werd, onder toezicht van kardinaal Consalvi, in 1823 voor deze aartsmoeilijke missie aangeduid. Willem I stuurde op zijn beurt minister Reinhold als afgevaardigde naar Rome.
Het resultaat van de onderhandelingen was voor de katholieken maar mager. Slechts op enkele punten, waaronder het voorstel tot een burgerlijke versie van de eed, werd aan hun eisen tegemoet gekomen. Het punt waarop elke overeenkomst stukliep, bleef echter het recht op benoeming van de bisschoppen. Eind 1824 werd duidelijk dat de missie van Nasalli op een sisser zou uitlopen. De komende twee jaren lagen de onderhandelingen dan ook stil. Ondertussen steeg de katholieke ontevredenheid zienderogen ten gevolge van de onderwijskwestie (cf. infra). Vooral de inrichting van een verplichte filosofische opleiding in het Collegium Philosophicum gooide heel wat kolen op het vuur.
In 1826 besloot de Minister van binnenlandse zaken, van Gobbelschroy, de Nederlandse gezant in Rome, Reinhold, te vervangen door de graaf de Celles, invloedrijk lid van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal. Deze was voorstander van een politiek van toegevingen en botste hierdoor met zijn voorganger Reinhold en met de Minister van Justitie van Maanen. Op 9 november 1826 arriveerde de Celles in Rome. Na een grondige analyse van de situatie wist hij Willem I te overtuigen van het nut van nieuwe onderhandelingen en werd hij op 2 september officieel benoemd tot onderhandelaar. Daar waar Goubau, van Maanen en Reinhold twee jaar eerder hadden gefaald door een tactiek van dreigementen gooide de Celles, gesteund door van Gobbelschroy, het over een heel andere boeg. Overtuigingskracht werd deze keer het geheime wapen bij uitstek. Aan pauselijke zijde werd Nasalli vervangen door kardinaal Capellari, bijgestaan door Mgr. Capaccini. Op 2 januari 1827 vatten de onderhandelaars de tweede ronde van de concordaatbesprekingen aan.
In juli werd een voorlopig rapport voorgesteld met onder andere volgende kernpunten: Het concordaat van 1801 werd ook in het Noorden van kracht; de clerus kreeg een vast inkomen toegewezen; de koning kreeg vetorecht bij de bisschopsbenoemingen, het Collegium Philosophicum werd facultatief verklaard en zowel de bisschoppelijke als de kleinseminaries konden hun deuren heropenen. Op 25 juli gaf Willem I officieel zijn goedkeuring en was het nieuwe concordaat tussen de vorst en de Heilige Stoel een feit. Een correcte uitvoering ervan liet echter op zich wachten. De afspraken met betrekking tot het Collegium Philosophicum werden niet nageleefd en de vervolgingen van opstandige geestelijken werden terug opgenomen. Op 5 oktober stuurde de minister van binnenlandse zaken Van Gobbelschroy een rondzendbrief de wereld in, waarin hij de uitvoering van het concordaat op de lange baan schoof. De clerus steigerde. De paus besloot in te grijpen en zond in oktober 1828 Mgr. Capaccini als nuntius naar de Nederlanden om clerus en overheid te verzoenen. Vooral de onderwijskwestie speelde in deze verzoeningspoging een cruciale rol[110]. Ook het probleem van de vacante bisschopszetels werd aangepakt. Zo werd Jan Frans Van de Velde in 1829 de eerste bisschop van Gent sinds de verbanning van de Broglie in 1817.
Volgens Capaccini lag er een fundamentele tegenstelling aan de basis van de problemen tussen de overheid en de clerus uit het zuiden, namelijk de tegenstelling gallicanisme-ultramontanisme[111]. De op gallicaanse leest geschoeide overheid was onverzoenbaar met de ultramontaanse zuidelijke clerus, bij wie de herinnering aan de Franse onderdrukking sterk bleef leven. De tussenkomst van Capaccini wierp zijn vruchten af. Op 20 juni 1829 werd het langverwachte koninklijk besluit gepubliceerd, waardoor de afspraken van het concordaat werden uitgevoerd, het Collegium Philosophicum dus officieel facultatief werd verklaard en de kleinseminaries bijgevolg hun deuren mochten heropenen[112].
3.5 Het onderwijsvraagstuk en het monsterverbond
Reeds in 1817 kwamen, naar aanleiding van de oprichting van de Gentse Rijksuniversiteit, het Gentse bisdom en de overheid lijnrecht tegenover elkaar te staan. Vooral de vestiging van een atheneum in de stad veroorzaakte heel wat tumult en leidde zelfs tot een boycot. De overheid liet het hier niet bij en sloot het kleinseminarie Sint-Barbara. Daarenboven verloor de clerus zijn greep op het lager onderwijs[113]. Door de junibesluiten van 1825 brak zelfs een heuse schoolstrijd los. In deze besluiten werd overgegaan tot een algemene reglementering van het middelbaar onderwijs, de afschaffing van de kleinseminaries en de centralisatie van het filosofieonderricht in het Collegium Philosophicum te Leuven[114]. Deze instelling, door de Staat gecontroleerd, richtte een verplichte filosofische opleiding in voor seminaristen. Willem I wou op deze manier een tolerante en verlichte clerus vormen, vrij van alle Franse invloeden. Het Algemeen Seminarie van Jozef II lag bij de Zuid-Nederlandse clerus echter nog vers in het geheugen[115]. Dit keer nam de Mechelse aartsbisschop de Méan, voordien fel aanhanger van WillemI (cf. de eed op de grondwet), de leiding van het katholieke verzet op zich en stuurde aan op een ware boycot van het Leuvens filosofisch instituut. Er werden geen leerlingen van het Filosofisch College toegelaten in de bisschoppelijke seminaries. Dit leidde echter tot een nijpend tekort aan priesters. Waar de bisschoppelijke seminaries begin 1825 nog 1.300 tot 1.400 leerlingen telden, waren dit er in 1828 nog amper 350[116].
Hoewel het verzet tegen de grondwet het hevigst was geweest in het bisdom Gent kon Willem I hier toch rekenen op de steun van een regeringsgezinde fractie binnen de clerus. Deze stond onder leiding van kanunnik Maximilien de Meulenaere. Toch was een meerderheid van vooral jonge clerici sterk ultramontaans gezind. Zij schaarden zich achter kanunnik Ambroise Goethals. Toen de Gentse bisschop de Broglie op 20 juli 1821 stierf, kwam het bestuur van het bisdom Gent in handen van deze twee clerici. Ze werden benoemd tot kapittelvicarissen met gelijke bevoegdheden. Net zoals ten tijde van de Franse bezetting weerspiegelde dit bestuur de dualiteit binnen de Zuid-Nederlandse clerus[117].
Toch liet ook binnen het bisdom Gent de fractie rond de regeringsgezinde de Meulenaere, vanaf 1825 haar toegeeflijke houding varen. Men vreesde een herhaling van de problemen onder Jozef II. De onderwijspolitiek van Willem I heeft de twee fracties binnen het bisdom weer dichter bij elkaar gebracht. Op 2 augustus 1825 stuurde het vicariaat een hevige protestbrief naar de koning, waarin werd gewezen op de mislukking van het Algemeen Seminarie op het einde van de vorige eeuw. Deze brief werd ondertekend door Goethals en de Meulenaere samen:
“(…) Indien men, gelijk het schijnt, in de voorstellen aen uwe Majesteyt, tot voorbeelde heeft willen nemen de stigtingen van zeker tijdstip, voorloopende die ongelukkige omwentelingen van het eynde der laetste eeuwe. Het valt ons pijnlijk aen uwe Majesteyt te moeten doen erinneren dat den uytval in zelve genoegzaem bewezen heeft de onmogelijkheyd van haer bestaen den welke waerheyd den Keyzer Leopoldus hulde heeft gedaen bij zijne edicten van den 16den en 19den Maerte 1791, herroepende de edicten van den 16den October 1786 en den 14den Augustus 1789, die deze nieuwigheden hadden willen inbrengen in de bisschoppelijke regten nopens de opvoeding der jonge geestelijkheyd krenken (…)[118].”
Toen in juli 1827 eindelijk een concordaat werd gesloten tussen Willem I en Leo XII, waarin het Collegium Philosophicum facultatief werd verklaard, leefde de clerus weer op hoop. De uitvoering hiervan liet echter op zich wachten. Daarenboven werden de vervolgingen van opstandige clerici opgedreven. Door tussenkomst van Capaccini werd het Collegium Philosophicum in 1829 uiteindelijk definitief facultatief verklaard en konden de kleinseminaries hun deuren heropenen.
De onderwijspolitiek van Willem I had de relatie tussen Kerk en Staat vertroebeld als nooit tevoren en speelde een cruciale rol in de opinievorming. Daarenboven kenden de theorieën van Lamennais steeds meer succes bij de ultramontaans opgeleide jonge Vlaamse priesters. Deze nieuwe generatie clerici werd zich bewust van de reeds 20 jaar durende onderdrukking van de Kerk in de Zuidelijke Nederlanden, zowel onder Frans als onder Nederlands bestuur. Lamennais’ leer over de scheiding tussen Kerk en Staat kwam tegemoet aan deze anti-autoritaire tendens binnen de clerus en rechtvaardigde het verzet tegen het gezag van Willem I. In het bisdom Gent vonden Lamennais’ ideeën ingang bij een actieve minderheid van de lage clerici en bij bisschop Jan Frans Van de Velde (1829-1838) en zijn secretaris Richard Raepsaet[119]. De paus hield zich aanvankelijk eerder op de achtergrond en zou de theorieën van Lamennais pas veroordelen na de Belgische omwenteling, in zijn encycliek Mirari vos van 1832[120].
Deze nieuwe radicaal-ultramontaanse generatie jonge clerici was zelfs gewonnen voor het ‘unionisme’ of de samenwerking met de liberalen op basis van een gemeenschappelijk vrijheidsstreven. Het feit dat beide partijen dit vrijheidsstreven verschillend invulden vormde op dat moment geen obstakel voor verdere samenwerking in het zogenaamde Monsterverbond. Ook de hoge clerus, met op kop de Mechelse aartsbisschop de Méan, sloot zich hierbij aan. Deze samenwerking vormde de basis voor een fundamentele breuk binnen de Vlaamse clerus tussen de eerste generatie ultramontanen en de radicaal-ultramontanen, vanaf dan ook wel liberaal-katholieken genoemd[121]. Voor wat betreft het verzet tegen de schoolpolitiek van Willem I trokken ze echter aan hetzelfde zeel. De overheid pakte de opstandige clerici hardhandig aan. Huiszoekingen en arrestaties waren schering en inslag[122].
Capaccini begreep de houding van de Vlaamse clerus niet en kon naar eigen zeggen onmogelijk instemmen met een dergelijk Monsterverbond. Tijdens de periode 1815-1821 had de clerus zich fel verzet tegen de grondwet, maar na de dood van de Broglie groeide de erkenning ervan. Vanaf 1825 nam de oppositie weer toe, maar deze keer in samenwerking met de liberalen en gebaseerd op die ooit zo verguisde grondwet. Om hun grieven kenbaar te maken deden ze immers een beroep op artikel 161 van de grondwet[123]. Dit artikel gaf de bevolking petitierecht, waardoor constitutionele oppositie mogelijk werd. Het startschot voor de zogenaamde ‘Petitiebeweging’ was gegeven.
3.6 De Petitiebeweging (1828-1829)
Door de grondwet te erkennen kwam de clerus sterker in zijn schoenen te staan. Hij kon zich nu immers beroepen op de ‘ongrondwettelijkheid’ van de regeringspolitiek en gebruik maken van het petitierecht. De onmiddellijke aanleiding voor de eerste golf petities in het najaar van 1828 was een hetze rond de persvrijheid. Het wetsvoorstel van Charles de Brouckère om de onderdrukkende perswetten van 1815 en 1818 op te heffen werd door de Noordelijke Provincies verworpen. In de loop van december werden daarenboven een aantal journalisten, onder wie Louis de Potter, gearresteerd[124]. Deze eerste golf petities was dan ook vooral van liberale aard. Omdat de katholieke zijde van de oppositie zich op de achtergrond hield, beperkten de petities van december 1828 zich hoofdzakelijk tot de stedelijke centra. Vanuit Oost-Vlaanderen vertrok geen enkele petitie. Roeselare was zelfs de enige Vlaamse stad die petitioneerde. Op het einde van die eerste petitiegolf deed Willem I enkele serieuze toegevingen. Voor de Kerk waren vooral de facultatiefverklaring van het Collegium Philosophicum en de uitvoering van het concordaat van 1827 van belang. Op deze manier konden de bisschoppelijke seminaries eindelijk hun deuren heropenen en werden de vacante bisschopszetels weer ingevuld.
Voor wat betreft het vacante bisdom Gent slaagde Capaccini er in 1829 in een nieuwe bisschop te installeren. Hiermee kwam een einde aan bijna acht jaar bestuur door het vicariaat. Zowel Goethals als De Meulenaere werden als kandidaat naar voren geschoven, maar afgewezen door hun respectievelijk te ultramontaanse en te regeringsgezinde overtuigingen. Uiteindelijk wees Capaccini op 6 februari 1829 Mgr. Jan Frans Van de Velde aan. Deze ging echter sterk aanleunen bij de ultramontaanse groep rond Goethals en werd er zelfs van verdacht de drijvende kracht te zijn achter de petitiebeweging in het bisdom. Deze veronderstelling wordt tegenwoordig genuanceerd. Men gaat er nu vanuit dat Van de Velde het petitioneren weliswaar niet afkeurde, maar er ook niet actief opriep tot ondertekening of zogenaamde colportage[125].
Het zwaartepunt van de petitiebeweging viel enkele maanden later, in het najaar van 1829. Toen nam de katholieke zijde de voortrekkersrol over[126]. De Brusselse oppositiekrant ‘le Courrier des Pays-Bas’ lanceerde als eerste de nieuwe oproep tot petitioneren. In Oost-Vlaanderen coördineerde de katholieke oppositiekrant ‘le Catholique des Pays-Bas’ de petitiestroom. Later werd de Nederlandstalige ‘Den vaderlander’ opgericht om ook het gewone volk te bereiken. De lage geestelijkheid speelde een belangrijke aanvullende rol. Deze clerici waren als het ware lokale propagandisten, die daarenboven een enorme invloed hadden op de bevolking. Op 8 oktober 1829 vertrok de tweede petitiegolf vanuit Moorslede, waar pastoor D. de Haerne de vrijheid van onderwijs bovenaan het eisenpakket plaatste[127]. Vanaf dat moment stonden de namen van de lokale geestelijken vaak als eersten onder de opsomming van de grieven. Louis Reyphins, vanaf 1827 voorzitter van de Tweede Kamer, was ervan overtuigd dat de priesters van de plattelandsparochies ook reeds aan het hoofd stonden van de eerste petitiebeweging. Om buiten schot te blijven zetten ze volgens hem echter zelf nog geen handtekening[128].
Capaccini kon de hoge clerus overtuigen zich te distantiëren. Zij streefden nog steeds naar een terugkeer van het Ancien Régime. Een democratische tendens als petitioneren paste dan ook niet in dit plaatje. De eerste petitiegolf was gematigd en kon nog rekenen op de steun van enkele bisschoppen, zoals de Luikse bisschop Van Bommel. Na de toegevingen van Willem I trok de hoge clerus zich echter volledig terug. De deelname van de lage geestelijkheid daarentegen was een feit. Vanaf de kansel werd de petitiebeweging aa