| De moeilijke jaren 1840 in Oudenaarde. Sociaal-economisch en politiek beeld van een stad tussen 1840 - 1850. Een historisch onderzoek naar het verloop van de crisis van 1845 - 1849 binnen de sociaal-economische context van Oudenaarde en de behandeling van die crisis binnen de politieke context van Oudenaarde. (Wouter Ronsijn) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
G Bijstand en repressie
In dit laatste deel ga ik op zoek naar de manier waarop men de hierboven beschreven moeilijkheden trachtte tegen te gaan.
Een eerste indeling die we kunnen maken is die tussen een verhelpende en een repressieve houding ten opzichte van de armen. De eerste is erop gericht te verhinderen dat mensen de crisis niet overleven zonder zich over te leveren aan criminaliteit. Het ligt voor de hand dat iemand die zijn brood niet kan kopen het vraagt of desnoods steelt. Dat wou men zoveel mogelijk tegengaan. De tweede houding is bedoeld voor de mensen bij wie het eerste niet is geslaagd. De criminaliteit zou, zoals hoger gezien, sterk toenemen met de crisis. Welke middelen had men om dit tegen te gaan en te onderdrukken?
De eerste houding kunnen we verder onderverdelen in de activiteiten die behoren tot de verplichtingen van de gemeente of wat er van de gemeente werd verwacht, en maatregelen die onmiddellijk werden genomen onder druk van de crisis, ad hoc-maatregelen dus. Wat van de gemeente werd verwacht was armenzorg, ziekenzorg, onderwijs en openbare hygiëne. Daarom is het nuttig een overzicht te geven van de verschillende instellingen waarover de stad Oudenaarde beschikte om zijn armen op te vangen.
De instellingen voor armenzorg waren bestuurlijk ondergebracht bij het Armbestuur (Bureau de Bienfaisance) en de Commissie voor Burgerlijke Godshuizen (Hospices Civils). Vooral deze laatste beschikte over een waaier van instellingen waarvan vooralsnog geen overzicht van bestaat. Hoe weerspiegelde zich de crisis binnen deze instellingen? Welke maatregelen werden genomen om aan de nood van armen tegemoet te komen? Ook zal ik in dit deel aandacht hebben voor private liefdadigheid. Omdat ik echter geen kerkelijke of private archieven geraadpleegd heb, zal dit hoofdzakelijk bestaan uit een onderzoek naar de verhouding tussen private en openbare armenzorg. Zorgde de crisis ervoor dat beide vormen naar elkaar toekwamen of was er integendeel een scherpere verdeeldheid?
Daarna volgt onderwijs. Ik wil te weten komen of onderwijs dienst deed als een toevlucht voor de armen: gingen er meer kinderen naar de scholen dan gewoonlijk? Ook het omgekeerde is echter mogelijk: liepen de scholen leeg omdat men elders moest werken voor een inkomen? Daarvoor is het nodig te achterhalen hoe het onderwijs werd georganiseerd in Oudenaarde. Welke andere scholen waren er nog, naast het lager onderwijs?
De ad hoc-maatregelen zijn dan maatregelen die door de gemeente werden genomen, buiten enige instelling of wettelijke verplichting. Vaak bestond dit uit de organisatie van openbare werken om de werklozen een inkomen te geven. Deze maatregelen worden na onderwijs behandeld.
Vervolgens ga ik op zoek naar hygiëne. Welke maatregelen bestonden er reeds in de stad om voor openbare hygiëne en volksgezondheid te zorgen? Hoe werd dit georganiseerd? Welke maatregelen werden er naar aanleiding van de cholera-epidemie genomen? En nam men daarnaast nog andere initiatieven ten behoeve van de volksgezondheid?
In een laatste deel tenslotte wordt de repressie van criminaliteit besproken. Welke maatregelen werden genomen om de behoeftigen af te schrikken zich aan criminaliteit over te leveren, en hoe trad men op tegen de personen op wie dit geen effect had?
Wat ik met al deze vragen wil te weten komen is, of Oudenaarde zich bijzonder inspande tijdens de crisis, of integendeel veeleer rekende op overheidsinitiatief en toelagen.
De openbare armenzorg kende twee organisatievormen. Enerzijds was er bijstand aan huis, anderzijds bijstand in instellingen. De eerste werd geleverd door de burelen van weldadigheid (armbesturen). Zij gaven de armen die over een onderdak beschikten het nodige geld, voedsel of medische zorg. Residentiële bijstand gebeurde in hospitalen, in weeshuizen, ouderlingentehuizen, enz. Oudenaarde had aan het Ancien Regime verschillende van deze opvangtehuizen overgehouden, en tegelijk werden in de negentiende eeuw nieuwe instellingen gecreëerd. Om de manier waarop men de crisis trachtte aan te pakken te kunnen bepalen en in te schatten, is het noodzakelijk een overzicht van deze instellingen te geven. Voor Oudenaarde is een dergelijk overzicht niet voorhanden, noch is er onderzoek uitgevoerd naar de herkomst en de institutionele ontwikkeling van deze vormen van bijstand. Dit waren nochtans belangrijke instellingen en zéér uitvoerige informatie is in het stads- en OCMW-archief voorradig. Om die reden neem ik het op mezelf om een dergelijk overzicht weer te geven.
Een onderzoek naar de institutionele veranderingen die de bijstandsorganisaties sinds de Franse Revolutie ondergingen is noodzakelijk om een ander aspect van armenzorg te onderzoeken, dat van private armenzorg. Nagenoeg alle bijstandsinstellingen waren vóór de revolutie in private – kerkelijke – handen; na de revolutie werden deze in burgerlijke handen geplaatst. Onder Napoleon werd de oude situatie voor een deel hersteld, in die zin dat sommige religieuze orden, in samenspraak met de openbare instellingen, opnieuw het beheer van de armenzorg op zich mochten nemen. Deze situatie zou in de loop van de negentiende eeuw voor verschillende conflicten zorgen tussen openbaar en privaat beheer van deze instellingen. Het kan daarom nuttig zijn na te gaan welke de verhouding is tussen openbare en private armenzorg, en of het onder druk van de crisis tot een toenadering komt tussen beide, of eerder een verscherpte concurrentie.
1.1 Het Armbestuur (Bureau de Bienfaisance)
Twee vragen wil ik in dit deel beantwoorden: ten eerste, hoe was het bureel van weldadigheid georganiseerd; en ten tweede, op welke manier werd via deze instelling het hoofd geboden aan de crisis. Dit laatste omvat ook de vraag naar de maatregelen die door het stadsbestuur via deze instelling werden genomen om de nood te lenigen.
(1) Werking van de Burelen van Weldadigheid
Het Franse decreet van 27 november 1796 voorzag in de oprichting van weldadigheidsbureaus. Zij zouden worden bestuurd door vijf leden die door de gemeenteraad waren aangesteld, en waren verantwoordelijk voor de bijstand aan huis[1161]. Op de leden van het armbestuur wordt niet verder ingegaan. Aangezien deze werden aangesteld door het gemeentebestuur veronderstel ik dat de politieke samenstelling van deze laatste instelling ook in de administratie van het bureel terug te vinden is. Deze leden vergaderden dagelijks van 11 tot 12 uur in het lokaal van de “armen-disch” in de grote kerk[1162].
De inkomsten van deze instellingen kwamen voornamelijk voort uit de goederen die door deze instellingen werden beheerd. De huisbijstand die deze instellingen toekenden bestond voor een stuk uit het verdelen van “Rumfort soepen”[1163]. De verdeling van geld, brood en kolen gebeurde in Oudenaarde gewoonlijk op maandag- en vrijdagochtend[1164]. Daarnaast kwam het voor dat sommige armen werden uitbesteed: ouderlingen en gebrekkigen, die aan de minstbiedende werden verpacht, een praktijk die aanleiding gaf tot talloze misbruiken[1165]. Deze praktijk bestond erin dat behoeftigen, die zelfs mits bijstand niet in staat waren in hun onderhoud te voorzien, werden toevertrouwd aan derden die in ruil voor een vergoeding voor het onderhoud zorgden. In Oudenaarde schijnt deze praktijk ook nog een tijd te hebben bestaan. In de loop van de jaren 1840 ging men er in Oudenaarde toe over deze uitbesteding niet meer publiek te laten gebeuren, maar in het geheim en met instemming van de bestedeling. Daarnaast waren er echter nog “ondeugende menschen, die door hun slecht gedrag, door hun boos karakter, van niemand worden gezocht.” Hun uitbesteding gebeurde nog in het openbaar[1166]. Ook in andere armbesturen werden armen uitbesteed, en het waren deze armen die volgens de Gazette van Audenaerde in 1842 kwamen bedelen in de stad. Dit laat dus ernstige twijfel over de goede bedoelingen van degenen die een arme onder hun hoede namen. Het was volgens de krant de plicht van de armbesturen de personen bij wie de bedelaars verpacht waren erop te wijzen dat indien zij de armen nog zouden laten bedelen, hun onderstandsgeld niet zou worden betaald[1167].
(2) Inkomsten van het armbestuur
Tabel 86 geeft een overzicht van de inkomsten en uitgaven van het bureel, tussen 1840 en 1850. In tabel 87 wordt dit verloop nagegaan voor een aantal specifieke posten. Uit tabel 86 blijkt dat de inkomsten van het armbestuur aanzienlijk groter waren tijdens de crisisjaren, terwijl de uitgaven minder sterk stegen. Als gevolg daarvan had deze instelling in Oudenaarde tijdens het hoogtepunt van de crisis paradoxaal genoeg grote overschotten. Dit staat in scherpe tegenstelling met de bevindingen van Van de Walle uit 1854, die vaststelde dat de burelen schulden maakten en aanzienlijke steun nodig hadden van de gemeentebesturen[1168].
Tabel 86. Armbestuur: inkomsten en uitgaven (in fr.), 1840-1850[1169]
|
Dienstjaar |
Inkomsten |
Uitgaven |
Verschil |
|
1840 |
32.320,64 |
27.124,41 |
5.196,23 |
|
1841 |
41.355,19 |
40.520,56 |
834,63 |
|
1842 |
|
|
1.088,62 |
|
1843 |
27.461,11 |
23.490,64 |
3.970,47 |
|
1844 |
36.038,18 |
35.080,89 |
957,29 |
|
1845 |
53.600,23 |
42.160,95 |
11.439,28 |
|
1846 |
53.191,07 |
33.534,93 |
19.656,14 |
|
1847 |
68.116,51 |
43.526,24 |
24.590,27 |
|
1848 |
50.358,15 |
33.005,70 |
17.352,45 |
|
1849 |
64.037,21 |
46.328,69 |
17.708,52 |
|
1850 |
40.475,11 |
29.682,18 |
10.792,93 |
De inkomsten uit roerende en onroerende goederen van het armbestuur moeten eerder gering geweest zijn. De roerende goederen bestonden in 1846 uit 149 renten, obligaties en schuldvorderingen (goed voor 325.377,56 fr.) en 59 grondrenten die slechts jaarlijks 350,77 fr. opbrachten. De onroerende goederen bestonden een aantal huizen, aandelen in watermolens en 36,58 ha grond[1170]. Daarnaast ontving ook het armbestuur van Oudenaarde subsidies van de gemeente, die tijdens de crisisjaren eveneens sterk de hoogte ingingen, zo blijkt uit tabel 87. Van 1840 tot 1842 kreeg het armbestuur 3.000 fr. van de gemeente. Deze som diende onder andere voor de soep die tijdens de winter werd verdeeld[1171]. Omwille van de duurte in 1842 vroeg de instelling om extra middelen. Een eerste verzoek hiertoe werd in augustus verworpen door de gemeente, een tweede verzoek eind september werd doorverwezen naar de commissie die zich over het budget van 1843 zou buigen[1172]. Men besloot de subsidie met 1.500 fr. te verhogen, om het armbestuur in staat te stellen een voorraad aardappelen te kopen[1173]. De volgende twee jaren werd de subsidie opnieuw verlaagd, tot de som van 4.000 fr[1174]. Het moet wel worden gezegd dat deze som niet geheel in de kas van het bureel werd gestort. In deze som waren de kosten inbegrepen voor het uitdelen van de soep (1.700 à 1.800 fr.), en tevens de onderhoudskosten voor bedelaars die in verschillende depots waren ondergebracht. De kosten voor deze posten werden van de subsidie van het armbestuur afgetrokken, en door de gemeente zelf betaald[1175]. Om die reden bedroeg de subsidie voor het armbestuur voor 1843 wel 4.500 fr. op de begroting, maar daarvan werd slechts 2.700 fr. effectief overgemaakt. Daarvóór kreeg de instelling slechts 1.200 fr. effectief[1176]. Al bij al bleven deze subsidies relatief beperkt ten opzichte van de totale inkomsten van het bureel (maximum zo’n 15 %). Ook al werd regelmatig gezegd dat de inkomsten van het armbestuur ontoereikend waren, – het stadsbestuur haalde dit aan als reden om deze instelling niet te doen bijdragen in de kosten voor lager onderwijs – subsidies vormden duidelijk niet de essentie van de inkomsten van het bureel.
De uitzonderlijke omstandigheden waarin men zich vanaf eind 1845 bevond vroegen echter om extra financiële inspanningen. Op het budget voor 1846 werd de toelage voor het armbestuur verhoogd tot 8.000 fr. Bovendien waren de onderhoudskosten voor geïnterneerde bedelaars hierin niet meer inbegrepen. Deze vielen voortaan ten koste van de stad en werden op een andere post in de begroting gebracht. Op het budget van 1846 werden de kosten hiervoor voorzien op 1.200 fr[1177]. De volledige 8.000 fr. werden overgemaakt aan het armbestuur, dat daarmee vanaf nu wel moest instaan voor de verdeling van soep. Volgens Jacquemyns waren de geldmiddelen van de armbesturen in veel gevallen al na enkele weken na het doorbreken van de duurte eind 1845 opgeraakt[1178]. Hetzelfde schijnt in Oudenaarde gebeurd te zijn, omdat het armbestuur reeds eind november 1845 naar een mandaat vroeg voor de subsidie van 8.000 fr. Omdat het budget van 1846 evenwel nog niet was goedgekeurd kon deze som nog niet worden overgemaakt[1179].
De stad had geenszins de intentie de jaarlijkse subsidie aan deze instelling te verhogen. Deze maatregel was slechts uitzonderlijk, “commandé impérieusement par les circonstances actuelles.” Indien de prijzen van levensmiddelen zoals men hoopte op het einde van het volgende jaar opnieuw hun normale niveau zouden bereiken, zou ook de subsidie aan het armbestuur terug op het gewone niveau worden gebracht[1180]. Dit gebeurde slechts ten dele. Voor 1847 werd de subsidie teruggebracht tot 6.000 fr., omdat de aardappeloogst van dat jaar veel beter was dan het vorige[1181]. Over een eventuele prijsstijging van graan wordt niet gesproken, en vermoedelijk had men dit niet voorzien. De graanprijzen zouden dan ook pas echt beginnen stijgen in de loop van 1847, zoals we hoger zagen. De prijzen namen pas hun normale niveau opnieuw aan op het einde van 1847, en wellicht werd daarom de subsidie van het armbestuur voor 1848 opnieuw op 4.000 fr. gebracht[1182]. Maar in de jaren nadien zou de toelage nog verder dalen, tot 3.000 fr. voor 1849 en 1850, en zelfs helemaal niets meer voor 1851[1183]. Misschien heeft dit te maken met de verminderde belastingsopbrengsten (octrooi en inkomsten uit lijnwaadverkoop op de markt, cfr. supra).
Het armbestuur had naast subsidies van de gemeente ook nog andere inkomensbronnen. In de stadsbegroting voor 1846 en 1848 zitten eveneens stukken met het budget van het armbestuur voor die jaren[1184]. Dit is opgenomen in bijlage. Hieruit blijkt dat het beheer van kapitalen een andere belangrijke inkomensbron voor de instelling was. Voor 1846 werd naast de toelage van de stad beroep gedaan op twee extra middelen om de inkomsten van het armbestuur aan te zwengelen. Ten eerste, er zou een buitengewone verkoop van hout plaatsvinden, waarvan men de opbrengst op 6.000 fr. begrootte. Ten tweede, de achterstallige tegoeden van de instelling werden dat jaar ook als inkomsten voorzien. Ondanks die extra inkomsten vertoonde het budget van 1846 slechts een klein overschot, dat misschien zou uitkomen op een tekort, omdat men vermoedde dat men niet alle achterstallige gelden dat jaar terugbetaald zou zien. Het is om die reden dat het stadsbestuur de extra toelage van 8.000 fr. onmisbaar voor de armenzorg vond[1185].
Nadat de stad eind 1850 besloot de subsidie voor het armbestuur helemaal te schrappen, deed het bureel een beroep op de commissie der burgerlijke godshuizen om een subsidie te krijgen. Deze commissie zag dit als een vervelend precedent, en het werd een moeilijk beslissing[1186]. Het verslag van deze zitting is volledig opgenomen in bijlage. Het armbestuur speelde het spel slim. Één van de belangrijkste functies van de toelage van de stad was het bekostigen van de soepbedelingen. Dit zou volgens het armbestuur oplopen tot 3.000 à 4.000 fr., terwijl men in werkelijkheid in de jaren vóór de crisis 1.700 à 1.800 fr. voor de soep betaalde[1187]. Het armbestuur oefende overigens duidelijk druk uit op de commissie om deze subsidie te verkrijgen. Rond de tijd dat deze subsidie werd aangevraagd had het bureel besloten dat het hospitaal in alle noden van de zieken moest voorzien, wat volgens de dokters van het ziekenhuis voor een overrompeling zorgde[1188]. Twee leden, Jacques Grau en François Van der Meeren-Deschamps waren tegen, en wensten dat hun motivatie werd opgenomen. Die bestond er voornamelijk in dat beide administraties binnen strikt gescheiden sferen opereerden. Elke vermenging zou bijgevolg tegen de wet indruisen. Twee anderen, Henri Raepsaet en Xavier Wolfcarius, wilden de subsidie wel toestaan, en lieten ook hun motieven opnemen. Volgens hen was de subsidie wel legaal, en vooral, deze was duidelijk noodzakelijk. De financiële toestand van de gemeente was voor 1851 uitzonderlijk, zo schreven ze, en het ontberen van een subsidie aan het armbestuur zou ernstige gevolgen hebben voor de voedselbedeling, wat tot gevolg zou hebben dat door ondervoeding het aantal zieken zou toenemen. Om die laatste reden zou dit dan ook op het hospitaal wegen, omdat gebrekkige of slechte voeding aanleiding zou vormen voor een groot aantal zieken. De legaliteit van de subsidie werd kracht bijgezet door Felix, die hiervoor verweest naar een Koninklijk Besluit van 2 juni 1825. Uiteindelijk besloot men met 3 stemmen tegen 2 om uitzonderlijk (eenmalig) 2.000 fr. toe te staan. Naast bovenvermelde redenen verwees men ook naar de intentie van de oprichters van liefdadigheidsinstellingen: de primaire bezorgdheid was het verzachten van het lot van de armen. De burelen van weldadigheid en de commissies van burgerlijke godshuizen waren misschien strikt gescheiden administraties, maar beiden werkten volgens dezelfde principes.
Tabel 87. Armbestuur: inkomsten en uitgaven (in fr.): specifieke posten, 1844-1850[1189]
|
Jaar |
Inkomsten (onder andere) |
Uitgaven (onder andere) |
||||
|
Subsidie gemeente [1] |
Subsidie gemeente [2] |
Voorschotten terugbetaald door onderhouds- gemeente |
Steun in geld |
Steun in voedsel |
Steun in brandstoffen |
|
|
1844 |
4.000,00 |
2.000,00 |
|
8.290,16 |
1.693,98 |
1003,54 |
|
1845 |
4.000,00 |
2.000,00 |
200,14 |
8.312,51 |
3.428,84 |
919,66 |
|
1846 |
8.000,00 |
9.137,00 |
353,12 |
8.070,50 |
7.989,25 |
980,49 |
|
1847 |
6.000,00 |
2.000,00 |
132,31 |
8.670,95 |
3.979,39 |
925,17 |
|
1848 |
4.000,00 |
6.000,00 |
3,99 |
7.697,11 |
4.255,55 |
1053,63 |
|
1849 |
3.000,00 |
3.500,00 |
|
7.417,30 |
2.922,98 |
764,82 |
|
1850 |
3.000,00 |
3.000,00 |
|
7.999,22 |
1.895,61 |
1363,41 |
[1] Volgens begrotingen van de stad (voor begrotingsjaar)
[2] Volgens overzicht opgesteld in 1858, a.d.h.v. rekeningen
(3) Uitgaven van het armbestuur
Waaraan het bureel deze inkomsten spendeerde wordt deels nagegaan in tabel 87. Daarnaast beschikken we ook nog over de begrootte uitgaven voor 1846, 1847 en 1848, waarvan een overzicht wordt gegeven in bijlage[1190]. Uit de budgetten blijkt dat de onderhoudskosten voor de armen ongeveer tot twee derde van de totale uitgaven beliepen, en deze schommelden tussen 25.000 en 30.000 fr. Dit omvatte de uitbestedingskosten en kosten voor brandstoffen, kledij, slaapgerief, medicijnen en begrafenissen, evenals de kosten voor de werkschool die door het armbestuur werd onderhouden. De belangrijkste uitgavenpost voor het onderhoud van de armen bestond in de bedelingen in geld, brood en andere levensmiddelen. Bijna de helft van het totale budget van het bureel ging hiernaartoe. Voor 1846 kennen we de verdere onderverdeling van deze post, hieruit blijkt dat vooral steun werd gegeven in de vorm van geld, op de voet gevolgd door bedelingen van soep. Daarnaast werden er nog beperkte uitgaven gedaan voor aardappelen en brood.
De cijfers van tabel 87 laten ons toe deze gegevens verder te verduidelijken. Vóór de crisis werd vooral financiële steun gegeven. De uitgaven voor voedsel bleven sterk achter, maar dat is deels te wijten aan het feit dat de soepdelingen toen nog door de gemeente werden betaald. Tijdens de crisis ligt de nadruk meer op voedsel. Reeds in 1845 nemen de kosten voor voedsel sterk toe, en in 1846 bedroegen de kosten hiervoor evenveel als die van financiële steun. Niet dat de hoeveelheid bedeeld voedsel hiermee recht evenredig toenam: ten eerste stegen de prijzen samen met de uitgaven, en ten tweede werden hierin nu ook de uitgaven voor soep begrepen. De kosten van financiële bijstand wijzigen met de crisis nagenoeg niet, maar bleven niettemin een belangrijke vorm van onderstand. Deze situatie in Oudenaarde, waarbij duidelijk vooral geldelijke steun van belang was, staat in contrast met de algemene aanpak die zich vooral richtte op bedelingen in natura[1191]. Omgekeerd was het bij personen die steun kregen maar hun onderstandswoning buiten Oudenaarde hadden. Zij kregen vooral bijstand door middel van voedsel. Indien hun geld werd voorgeschoten – wat nadien moest worden verhaald op hun onderstandsgemeente – dan ging het steeds om vrij kleine bedragen, maar waarmee ze het toch enkele dagen konden rooien[1192].
In de volgende stukken wordt dieper ingegaan op een aantal manieren waarop het bureel zijn middelen gebruikte.
(4) Kantschool van het armbestuur
In juni 1843 werd door het Bureau de Bienfaisance een kantschool opgericht. 35 meisjes konden er de ganse dag werken, met uitzondering van de één à twee uren in de namiddag wanneer zij les kregen in de lagere school van De Smet[1193]. In deze werkschool werden slechts kinderen van behoeftigen ontvangen, die door het Bureau werden ondersteund[1194]. De kosten van deze school werden volledig door het bureel zelf gedragen[1195]. Tussen 1846 en 1848 werden deze op 500 fr. begroot[1196]. In 1851 werd er 916,21 fr. voor uitgegeven[1197]. Dat de inkomsten van de arbeid in de kantschool niet bij de inkomsten van het Bureau worden gerekend (indien er inkomsten waren), laat ons veronderstellen dat deze naar de werksters gingen[1198]. In tabel 88 wordt een overzicht gegeven van het aantal kinderen dat deze school bezocht. Hun aantal bedroeg doorgaans ongeveer 40, met uitzondering van 1847. In dat jaar lag het aantal leerlingen hoger, wat misschien in verband te brengen was met de uitzonderlijke duurte van dat jaar, waardoor het voor vele ouders erg interessant werd om over een extra inkomen te kunnen beschikken.
Een rondschrijven van de gouverneur uit 1850 met vragen in verband met werkscholen laat ons toe meer informatie over deze instelling te geven[1199]. Deze brief, gericht aan het stadsbestuur, werd door hetzelfde overgemaakt aan het bureel van weldadigheid[1200]. Enkel kantwerk werd in deze school beoefend, men maakte er uitsluitend Valencijnse kant. Deze producten werden rechtstreeks verkocht voor rekening van de kinderen, en de opbrengst werd volledig overgemaakt aan hun ouders. Wellicht uit bezorgdheid om de particuliere industrie niet te schaden was de prijs van hun producten even hoog als de andere. Er werd niet onder de marktprijs verkocht. Eind 1850 was het aantal leerlingen verder opgelopen tot ongeveer 60, allen ouder dan zeven jaar, die tussen 0,18 en 0,54 fr. per dag verdienden (gemiddeld 0,36 fr.). Zij kregen in 1850 onderwijs in de kantschool zelf. Hun lokaal bevond zich op het bovenverdiep van een gebouw van het armbestuur in het Zaksken, en was in staat om tot 80 speldewerksters te ontvangen. Dit gebouw stond echter niet toe nog andere nijverheden te beoefenen, omdat het daarvoor te klein was[1201].
Tabel 88. Aantal kinderen in werkateliers, 1838-1848[1202]
|
Jaar (31.12) |
Bureel van Weldadigheid |
Burgerlijke Godshuizen |
Dames de la doctrine chrétienne |
||
|
Jaarverslag |
Exposé |
Jaarverslag |
Exposé |
||
|
1838 |
|
|
|
74 |
73 |
|
1839 |
|
|
|
74 |
63 |
|
1840 |
|
|
|
70 |
85 |
|
1841 |
|
|
|
70 |
80 |
|
1842 |
|
|
|
76 |
80 |
|
1843 |
|
|
|
71 |
80 |
|
1844 |
35 |
|
70 |
70 |
80 |
|
1845 |
40 |
43 |
77 |
70 |
|
|
1846 |
40 |
40 |
102 |
||