De moeilijke jaren 1840 in Oudenaarde. Sociaal-economisch en politiek beeld van een stad tussen 1840 - 1850. Een historisch onderzoek naar het verloop van de crisis van 1845 - 1849 binnen de sociaal-economische context van Oudenaarde en de behandeling van die crisis binnen de politieke context van Oudenaarde. (Wouter Ronsijn)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

G Bijstand en repressie

 

In dit laatste deel ga ik op zoek naar de manier waarop men de hierboven beschreven moeilijkheden trachtte tegen te gaan.

Een eerste indeling die we kunnen maken is die tussen een verhelpende en een repressieve houding ten opzichte van de armen. De eerste is erop gericht te verhinderen dat mensen de crisis niet overleven zonder zich over te leveren aan criminaliteit. Het ligt voor de hand dat iemand die zijn brood niet kan kopen het vraagt of desnoods steelt. Dat wou men zoveel mogelijk tegengaan. De tweede houding is bedoeld voor de mensen bij wie het eerste niet is geslaagd. De criminaliteit zou, zoals hoger gezien, sterk toenemen met de crisis. Welke middelen had men om dit tegen te gaan en te onderdrukken?

De eerste houding kunnen we verder onderverdelen in de activiteiten die behoren tot de verplichtingen van de gemeente of wat er van de gemeente werd verwacht, en maatregelen die onmiddellijk werden genomen onder druk van de crisis, ad hoc-maatregelen dus. Wat van de gemeente werd verwacht was armenzorg, ziekenzorg, onderwijs en openbare hygiëne. Daarom is het nuttig een overzicht te geven van de verschillende instellingen waarover de stad Oudenaarde beschikte om zijn armen op te vangen.

 

De instellingen voor armenzorg waren bestuurlijk ondergebracht bij het Armbestuur (Bureau de Bienfaisance) en de Commissie voor Burgerlijke Godshuizen (Hospices Civils). Vooral deze laatste beschikte over een waaier van instellingen waarvan vooralsnog geen overzicht van bestaat. Hoe weerspiegelde zich de crisis binnen deze instellingen? Welke maatregelen werden genomen om aan de nood van armen tegemoet te komen? Ook zal ik in dit deel aandacht hebben voor private liefdadigheid. Omdat ik echter geen kerkelijke of private archieven geraadpleegd heb, zal dit hoofdzakelijk bestaan uit een onderzoek naar de verhouding tussen private en openbare armenzorg. Zorgde de crisis ervoor dat beide vormen naar elkaar toekwamen of was er integendeel een scherpere verdeeldheid?

Daarna volgt onderwijs. Ik wil te weten komen of onderwijs dienst deed als een toevlucht voor de armen: gingen er meer kinderen naar de scholen dan gewoonlijk? Ook het omgekeerde is echter mogelijk: liepen de scholen leeg omdat men elders moest werken voor een inkomen? Daarvoor is het nodig te achterhalen hoe het onderwijs werd georganiseerd in Oudenaarde. Welke andere scholen waren er nog, naast het lager onderwijs?

De ad hoc-maatregelen zijn dan maatregelen die door de gemeente werden genomen, buiten enige instelling of wettelijke verplichting. Vaak bestond dit uit de organisatie van openbare werken om de werklozen een inkomen te geven. Deze maatregelen worden na onderwijs behandeld.

Vervolgens ga ik op zoek naar hygiëne. Welke maatregelen bestonden er reeds in de stad om voor openbare hygiëne en volksgezondheid te zorgen? Hoe werd dit georganiseerd? Welke maatregelen werden er naar aanleiding van de cholera-epidemie genomen? En nam men daarnaast nog andere initiatieven ten behoeve van de volksgezondheid?

In een laatste deel tenslotte wordt de repressie van criminaliteit besproken. Welke maatregelen werden genomen om de behoeftigen af te schrikken zich aan criminaliteit over te leveren, en hoe trad men op tegen de personen op wie dit geen effect had?

 

Wat ik met al deze vragen wil te weten komen is, of Oudenaarde zich bijzonder inspande tijdens de crisis, of integendeel veeleer rekende op overheidsinitiatief en toelagen.

 

 

1. Bijstand en liefdadigheid

 

De openbare armenzorg kende twee organisatievormen. Enerzijds was er bijstand aan huis, anderzijds bijstand in instellingen. De eerste werd geleverd door de burelen van weldadigheid (armbesturen). Zij gaven de armen die over een onderdak beschikten het nodige geld, voedsel of medische zorg. Residentiële bijstand gebeurde in hospitalen, in weeshuizen, ouderlingentehuizen, enz. Oudenaarde had aan het Ancien Regime verschillende van deze opvangtehuizen overgehouden, en tegelijk werden in de negentiende eeuw nieuwe instellingen gecreëerd. Om de manier waarop men de crisis trachtte aan te pakken te kunnen bepalen en in te schatten, is het noodzakelijk een overzicht van deze instellingen te geven. Voor Oudenaarde is een dergelijk overzicht niet voorhanden, noch is er onderzoek uitgevoerd naar de herkomst en de institutionele ontwikkeling van deze vormen van bijstand. Dit waren nochtans belangrijke instellingen en zéér uitvoerige informatie is in het stads- en OCMW-archief voorradig. Om die reden neem ik het op mezelf om een dergelijk overzicht weer te geven.

Een onderzoek naar de institutionele veranderingen die de bijstandsorganisaties sinds de Franse Revolutie ondergingen is noodzakelijk om een ander aspect van armenzorg te onderzoeken, dat van private armenzorg. Nagenoeg alle bijstandsinstellingen waren vóór de revolutie in private – kerkelijke – handen; na de revolutie werden deze in burgerlijke handen geplaatst. Onder Napoleon werd de oude situatie voor een deel hersteld, in die zin dat sommige religieuze orden, in samenspraak met de openbare instellingen, opnieuw het beheer van de armenzorg op zich mochten nemen. Deze situatie zou in de loop van de negentiende eeuw voor verschillende conflicten zorgen tussen openbaar en privaat beheer van deze instellingen. Het kan daarom nuttig zijn na te gaan welke de verhouding is tussen openbare en private armenzorg, en of het onder druk van de crisis tot een toenadering komt tussen beide, of eerder een verscherpte concurrentie.

 

1.1 Het Armbestuur (Bureau de Bienfaisance)

 

Twee vragen wil ik in dit deel beantwoorden: ten eerste, hoe was het bureel van weldadigheid georganiseerd; en ten tweede, op welke manier werd via deze instelling het hoofd geboden aan de crisis. Dit laatste omvat ook de vraag naar de maatregelen die door het stadsbestuur via deze instelling werden genomen om de nood te lenigen.

 

(1) Werking van de Burelen van Weldadigheid

Het Franse decreet van 27 november 1796 voorzag in de oprichting van weldadigheidsbureaus. Zij zouden worden bestuurd door vijf leden die door de gemeenteraad waren aangesteld, en waren verantwoordelijk voor de bijstand aan huis[1161]. Op de leden van het armbestuur wordt niet verder ingegaan. Aangezien deze werden aangesteld door het gemeentebestuur veronderstel ik dat de politieke samenstelling van deze laatste instelling ook in de administratie van het bureel terug te vinden is. Deze leden vergaderden dagelijks van 11 tot 12 uur in het lokaal van de “armen-disch” in de grote kerk[1162].

De inkomsten van deze instellingen kwamen voornamelijk voort uit de goederen die door deze instellingen werden beheerd. De huisbijstand die deze instellingen toekenden bestond voor een stuk uit het verdelen van “Rumfort soepen”[1163]. De verdeling van geld, brood en kolen gebeurde in Oudenaarde gewoonlijk op maandag- en vrijdagochtend[1164]. Daarnaast kwam het voor dat sommige armen werden uitbesteed: ouderlingen en gebrekkigen, die aan de minstbiedende werden verpacht, een praktijk die aanleiding gaf tot talloze misbruiken[1165]. Deze praktijk bestond erin dat behoeftigen, die zelfs mits bijstand niet in staat waren in hun onderhoud te voorzien, werden toevertrouwd aan derden die in ruil voor een vergoeding voor het onderhoud zorgden. In Oudenaarde schijnt deze praktijk ook nog een tijd te hebben bestaan. In de loop van de jaren 1840 ging men er in Oudenaarde toe over deze uitbesteding niet meer publiek te laten gebeuren, maar in het geheim en met instemming van de bestedeling. Daarnaast waren er echter nog “ondeugende menschen, die door hun slecht gedrag, door hun boos karakter, van niemand worden gezocht.” Hun uitbesteding gebeurde nog in het openbaar[1166]. Ook in andere armbesturen werden armen uitbesteed, en het waren deze armen die volgens de Gazette van Audenaerde in 1842 kwamen bedelen in de stad. Dit laat dus ernstige twijfel over de goede bedoelingen van degenen die een arme onder hun hoede namen. Het was volgens de krant de plicht van de armbesturen de personen bij wie de bedelaars verpacht waren erop te wijzen dat indien zij de armen nog zouden laten bedelen, hun onderstandsgeld niet zou worden betaald[1167].

 

(2) Inkomsten van het armbestuur

Tabel 86 geeft een overzicht van de inkomsten en uitgaven van het bureel, tussen 1840 en 1850. In tabel 87 wordt dit verloop nagegaan voor een aantal specifieke posten. Uit tabel 86 blijkt dat de inkomsten van het armbestuur aanzienlijk groter waren tijdens de crisisjaren, terwijl de uitgaven minder sterk stegen. Als gevolg daarvan had deze instelling in Oudenaarde tijdens het hoogtepunt van de crisis paradoxaal genoeg grote overschotten. Dit staat in scherpe tegenstelling met de bevindingen van Van de Walle uit 1854, die vaststelde dat de burelen schulden maakten en aanzienlijke steun nodig hadden van de gemeentebesturen[1168].

 

Tabel 86. Armbestuur: inkomsten en uitgaven (in fr.), 1840-1850[1169]

Dienstjaar

Inkomsten

Uitgaven

Verschil

1840

32.320,64

27.124,41

5.196,23

1841

41.355,19

40.520,56

834,63

1842

 

 

1.088,62

1843

27.461,11

23.490,64

3.970,47

1844

36.038,18

35.080,89

957,29

1845

53.600,23

42.160,95

11.439,28

1846

53.191,07

33.534,93

19.656,14

1847

68.116,51

43.526,24

24.590,27

1848

50.358,15

33.005,70

17.352,45

1849

64.037,21

46.328,69

17.708,52

1850

40.475,11

29.682,18

10.792,93

 

De inkomsten uit roerende en onroerende goederen van het armbestuur moeten eerder gering geweest zijn. De roerende goederen bestonden in 1846 uit 149 renten, obligaties en schuldvorderingen (goed voor 325.377,56 fr.) en 59 grondrenten die slechts jaarlijks 350,77 fr. opbrachten. De onroerende goederen bestonden een aantal huizen, aandelen in watermolens en 36,58 ha grond[1170]. Daarnaast ontving ook het armbestuur van Oudenaarde subsidies van de gemeente, die tijdens de crisisjaren eveneens sterk de hoogte ingingen, zo blijkt uit tabel 87. Van 1840 tot 1842 kreeg het armbestuur 3.000 fr. van de gemeente. Deze som diende onder andere voor de soep die tijdens de winter werd verdeeld[1171]. Omwille van de duurte in 1842 vroeg de instelling om extra middelen. Een eerste verzoek hiertoe werd in augustus verworpen door de gemeente, een tweede verzoek eind september werd doorverwezen naar de commissie die zich over het budget van 1843 zou buigen[1172]. Men besloot de subsidie met 1.500 fr. te verhogen, om het armbestuur in staat te stellen een voorraad aardappelen te kopen[1173]. De volgende twee jaren werd de subsidie opnieuw verlaagd, tot de som van 4.000 fr[1174]. Het moet wel worden gezegd dat deze som niet geheel in de kas van het bureel werd gestort. In deze som waren de kosten inbegrepen voor het uitdelen van de soep (1.700 à 1.800 fr.), en tevens de onderhoudskosten voor bedelaars die in verschillende depots waren ondergebracht. De kosten voor deze posten werden van de subsidie van het armbestuur afgetrokken, en door de gemeente zelf betaald[1175]. Om die reden bedroeg de subsidie voor het armbestuur voor 1843 wel 4.500 fr. op de begroting, maar daarvan werd slechts 2.700 fr. effectief overgemaakt. Daarvóór kreeg de instelling slechts 1.200 fr. effectief[1176]. Al bij al bleven deze subsidies relatief beperkt ten opzichte van de totale inkomsten van het bureel (maximum zo’n 15 %). Ook al werd regelmatig gezegd dat de inkomsten van het armbestuur ontoereikend waren, – het stadsbestuur haalde dit aan als reden om deze instelling niet te doen bijdragen in de kosten voor lager onderwijs – subsidies vormden duidelijk niet de essentie van de inkomsten van het bureel.

De uitzonderlijke omstandigheden waarin men zich vanaf eind 1845 bevond vroegen echter om extra financiële inspanningen. Op het budget voor 1846 werd de toelage voor het armbestuur verhoogd tot 8.000 fr. Bovendien waren de onderhoudskosten voor geïnterneerde bedelaars hierin niet meer inbegrepen. Deze vielen voortaan ten koste van de stad en werden op een andere post in de begroting gebracht. Op het budget van 1846 werden de kosten hiervoor voorzien op 1.200 fr[1177]. De volledige 8.000 fr. werden overgemaakt aan het armbestuur, dat daarmee vanaf nu wel moest instaan voor de verdeling van soep. Volgens Jacquemyns waren de geldmiddelen van de armbesturen in veel gevallen al na enkele weken na het doorbreken van de duurte eind 1845 opgeraakt[1178]. Hetzelfde schijnt in Oudenaarde gebeurd te zijn, omdat het armbestuur reeds eind november 1845 naar een mandaat vroeg voor de subsidie van 8.000 fr. Omdat het budget van 1846 evenwel nog niet was goedgekeurd kon deze som nog niet worden overgemaakt[1179].

De stad had geenszins de intentie de jaarlijkse subsidie aan deze instelling te verhogen. Deze maatregel was slechts uitzonderlijk, “commandé impérieusement par les circonstances actuelles.” Indien de prijzen van levensmiddelen zoals men hoopte op het einde van het volgende jaar opnieuw hun normale niveau zouden bereiken, zou ook de subsidie aan het armbestuur terug op het gewone niveau worden gebracht[1180]. Dit gebeurde slechts ten dele. Voor 1847 werd de subsidie teruggebracht tot 6.000 fr., omdat de aardappeloogst van dat jaar veel beter was dan het vorige[1181]. Over een eventuele prijsstijging van graan wordt niet gesproken, en vermoedelijk had men dit niet voorzien. De graanprijzen zouden dan ook pas echt beginnen stijgen in de loop van 1847, zoals we hoger zagen. De prijzen namen pas hun normale niveau opnieuw aan op het einde van 1847, en wellicht werd daarom de subsidie van het armbestuur voor 1848 opnieuw op 4.000 fr. gebracht[1182]. Maar in de jaren nadien zou de toelage nog verder dalen, tot 3.000 fr. voor 1849 en 1850, en zelfs helemaal niets meer voor 1851[1183]. Misschien heeft dit te maken met de verminderde belastingsopbrengsten (octrooi en inkomsten uit lijnwaadverkoop op de markt, cfr. supra).

Het armbestuur had naast subsidies van de gemeente ook nog andere inkomensbronnen. In de stadsbegroting voor 1846 en 1848 zitten eveneens stukken met het budget van het armbestuur voor die jaren[1184]. Dit is opgenomen in bijlage. Hieruit blijkt dat het beheer van kapitalen een andere belangrijke inkomensbron voor de instelling was. Voor 1846 werd naast de toelage van de stad beroep gedaan op twee extra middelen om de inkomsten van het armbestuur aan te zwengelen. Ten eerste, er zou een buitengewone verkoop van hout plaatsvinden, waarvan men de opbrengst op 6.000 fr. begrootte. Ten tweede, de achterstallige tegoeden van de instelling werden dat jaar ook als inkomsten voorzien. Ondanks die extra inkomsten vertoonde het budget van 1846 slechts een klein overschot, dat misschien zou uitkomen op een tekort, omdat men vermoedde dat men niet alle achterstallige gelden dat jaar terugbetaald zou zien. Het is om die reden dat het stadsbestuur de extra toelage van 8.000 fr. onmisbaar voor de armenzorg vond[1185].

Nadat de stad eind 1850 besloot de subsidie voor het armbestuur helemaal te schrappen, deed het bureel een beroep op de commissie der burgerlijke godshuizen om een subsidie te krijgen. Deze commissie zag dit als een vervelend precedent, en het werd een moeilijk beslissing[1186]. Het verslag van deze zitting is volledig opgenomen in bijlage. Het armbestuur speelde het spel slim. Één van de belangrijkste functies van de toelage van de stad was het bekostigen van de soepbedelingen. Dit zou volgens het armbestuur oplopen tot 3.000 à 4.000 fr., terwijl men in werkelijkheid in de jaren vóór de crisis 1.700 à 1.800 fr. voor de soep betaalde[1187]. Het armbestuur oefende overigens duidelijk druk uit op de commissie om deze subsidie te verkrijgen. Rond de tijd dat deze subsidie werd aangevraagd had het bureel besloten dat het hospitaal in alle noden van de zieken moest voorzien, wat volgens de dokters van het ziekenhuis voor een overrompeling zorgde[1188]. Twee leden, Jacques Grau en François Van der Meeren-Deschamps waren tegen, en wensten dat hun motivatie werd opgenomen. Die bestond er voornamelijk in dat beide administraties binnen strikt gescheiden sferen opereerden. Elke vermenging zou bijgevolg tegen de wet indruisen. Twee anderen, Henri Raepsaet en Xavier Wolfcarius, wilden de subsidie wel toestaan, en lieten ook hun motieven opnemen. Volgens hen was de subsidie wel legaal, en vooral, deze was duidelijk noodzakelijk. De financiële toestand van de gemeente was voor 1851 uitzonderlijk, zo schreven ze, en het ontberen van een subsidie aan het armbestuur zou ernstige gevolgen hebben voor de voedselbedeling, wat tot gevolg zou hebben dat door ondervoeding het aantal zieken zou toenemen. Om die laatste reden zou dit dan ook op het hospitaal wegen, omdat gebrekkige of slechte voeding aanleiding zou vormen voor een groot aantal zieken. De legaliteit van de subsidie werd kracht bijgezet door Felix, die hiervoor verweest naar een Koninklijk Besluit van 2 juni 1825. Uiteindelijk besloot men met 3 stemmen tegen 2 om uitzonderlijk (eenmalig) 2.000 fr. toe te staan. Naast bovenvermelde redenen verwees men ook naar de intentie van de oprichters van liefdadigheidsinstellingen: de primaire bezorgdheid was het verzachten van het lot van de armen. De burelen van weldadigheid en de commissies van burgerlijke godshuizen waren misschien strikt gescheiden administraties, maar beiden werkten volgens dezelfde principes.

 

Tabel 87. Armbestuur: inkomsten en uitgaven (in fr.): specifieke posten, 1844-1850[1189]

Jaar

Inkomsten (onder andere)

Uitgaven (onder andere)

Subsidie gemeente [1]

Subsidie gemeente [2]

Voorschotten terugbetaald door onderhouds- gemeente

Steun in geld

Steun in voedsel

Steun in brandstoffen

1844

4.000,00

2.000,00

 

8.290,16

1.693,98

1003,54

1845

4.000,00

2.000,00

200,14

8.312,51

3.428,84

919,66

1846

8.000,00

9.137,00

353,12

8.070,50

7.989,25

980,49

1847

6.000,00

2.000,00

132,31

8.670,95

3.979,39

925,17

1848

4.000,00

6.000,00

3,99

7.697,11

4.255,55

1053,63

1849

3.000,00

 3.500,00

 

7.417,30

2.922,98

764,82

1850

3.000,00

3.000,00

 

7.999,22

1.895,61

1363,41

[1] Volgens begrotingen van de stad (voor begrotingsjaar)

[2] Volgens overzicht opgesteld in 1858, a.d.h.v. rekeningen

 

(3) Uitgaven van het armbestuur

Waaraan het bureel deze inkomsten spendeerde wordt deels nagegaan in tabel 87. Daarnaast beschikken we ook nog over de begrootte uitgaven voor 1846, 1847 en 1848, waarvan een overzicht wordt gegeven in bijlage[1190]. Uit de budgetten blijkt dat de onderhoudskosten voor de armen ongeveer tot twee derde van de totale uitgaven beliepen, en deze schommelden tussen 25.000 en 30.000 fr. Dit omvatte de uitbestedingskosten en kosten voor brandstoffen, kledij, slaapgerief, medicijnen en begrafenissen, evenals de kosten voor de werkschool die door het armbestuur werd onderhouden. De belangrijkste uitgavenpost voor het onderhoud van de armen bestond in de bedelingen in geld, brood en andere levensmiddelen. Bijna de helft van het totale budget van het bureel ging hiernaartoe. Voor 1846 kennen we de verdere onderverdeling van deze post, hieruit blijkt dat vooral steun werd gegeven in de vorm van geld, op de voet gevolgd door bedelingen van soep. Daarnaast werden er nog beperkte uitgaven gedaan voor aardappelen en brood.

De cijfers van tabel 87 laten ons toe deze gegevens verder te verduidelijken. Vóór de crisis werd vooral financiële steun gegeven. De uitgaven voor voedsel bleven sterk achter, maar dat is deels te wijten aan het feit dat de soepdelingen toen nog door de gemeente werden betaald. Tijdens de crisis ligt de nadruk meer op voedsel. Reeds in 1845 nemen de kosten voor voedsel sterk toe, en in 1846 bedroegen de kosten hiervoor evenveel als die van financiële steun. Niet dat de hoeveelheid bedeeld voedsel hiermee recht evenredig toenam: ten eerste stegen de prijzen samen met de uitgaven, en ten tweede werden hierin nu ook de uitgaven voor soep begrepen. De kosten van financiële bijstand wijzigen met de crisis nagenoeg niet, maar bleven niettemin een belangrijke vorm van onderstand. Deze situatie in Oudenaarde, waarbij duidelijk vooral geldelijke steun van belang was, staat in contrast met de algemene aanpak die zich vooral richtte op bedelingen in natura[1191]. Omgekeerd was het bij personen die steun kregen maar hun onderstandswoning buiten Oudenaarde hadden. Zij kregen vooral bijstand door middel van voedsel. Indien hun geld werd voorgeschoten – wat nadien moest worden verhaald op hun onderstandsgemeente – dan ging het steeds om vrij kleine bedragen, maar waarmee ze het toch enkele dagen konden rooien[1192].

In de volgende stukken wordt dieper ingegaan op een aantal manieren waarop het bureel zijn middelen gebruikte.

 

(4) Kantschool van het armbestuur

In juni 1843 werd door het Bureau de Bienfaisance een kantschool opgericht. 35 meisjes konden er de ganse dag werken, met uitzondering van de één à twee uren in de namiddag wanneer zij les kregen in de lagere school van De Smet[1193]. In deze werkschool werden slechts kinderen van behoeftigen ontvangen, die door het Bureau werden ondersteund[1194]. De kosten van deze school werden volledig door het bureel zelf gedragen[1195]. Tussen 1846 en 1848 werden deze op 500 fr. begroot[1196]. In 1851 werd er 916,21 fr. voor uitgegeven[1197]. Dat de inkomsten van de arbeid in de kantschool niet bij de inkomsten van het Bureau worden gerekend (indien er inkomsten waren), laat ons veronderstellen dat deze naar de werksters gingen[1198]. In tabel 88 wordt een overzicht gegeven van het aantal kinderen dat deze school bezocht. Hun aantal bedroeg doorgaans ongeveer 40, met uitzondering van 1847. In dat jaar lag het aantal leerlingen hoger, wat misschien in verband te brengen was met de uitzonderlijke duurte van dat jaar, waardoor het voor vele ouders erg interessant werd om over een extra inkomen te kunnen beschikken.

Een rondschrijven van de gouverneur uit 1850 met vragen in verband met werkscholen laat ons toe meer informatie over deze instelling te geven[1199]. Deze brief, gericht aan het stadsbestuur, werd door hetzelfde overgemaakt aan het bureel van weldadigheid[1200]. Enkel kantwerk werd in deze school beoefend, men maakte er uitsluitend Valencijnse kant. Deze producten werden rechtstreeks verkocht voor rekening van de kinderen, en de opbrengst werd volledig overgemaakt aan hun ouders. Wellicht uit bezorgdheid om de particuliere industrie niet te schaden was de prijs van hun producten even hoog als de andere. Er werd niet onder de marktprijs verkocht. Eind 1850 was het aantal leerlingen verder opgelopen tot ongeveer 60, allen ouder dan zeven jaar, die tussen 0,18 en 0,54 fr. per dag verdienden (gemiddeld 0,36 fr.). Zij kregen in 1850 onderwijs in de kantschool zelf. Hun lokaal bevond zich op het bovenverdiep van een gebouw van het armbestuur in het Zaksken, en was in staat om tot 80 speldewerksters te ontvangen. Dit gebouw stond echter niet toe nog andere nijverheden te beoefenen, omdat het daarvoor te klein was[1201].

 

Tabel 88. Aantal kinderen in werkateliers, 1838-1848[1202]

Jaar (31.12)

Bureel van Weldadigheid

Burgerlijke Godshuizen

Dames de la doctrine chrétienne

Jaarverslag

Exposé

Jaarverslag

Exposé

1838

 

 

 

74

73

1839

 

 

 

74

63

1840

 

 

 

70

85

1841

 

 

 

70

80

1842

 

 

 

76

80

1843

 

 

 

71

80

1844

35

 

70

70

80

1845

40

43

77

70

 

1846

40

40

102

102

 

1847

51

39

94

94

 

1848

42

 

78

 

 

Opmerking: De verschillende bronnen (jaarverslagen en exposé van de provincie) lopen soms uit elkaar. Daarom werden deze hier naast elkaar gezet.

 

Tabel 89. Soepbedeling: periode, kosten, aantal bedeelden, 1839-1847[1203]

Winter van

Periode

Kosten (fr.)

Bedeelden

Ondersteunden

1839-1840

Vanaf 22.12.1839 tot 01.05.1840

1.768,15 fr.

 

725

1840-1841

Vanaf 13.12.1840 tot 26.04.1841

1.686,03 fr.

 

748

1841-1842

Vanaf 19.12.1841 tot 26.04.1842

1.726,38 fr.

 

729

1842-1843

Vanaf 18.12.1842 tot eind april

 

 

762

1843-1844

Vanaf 25.12.1843 tot 20.04.1844

1.683,33 fr.

740

740

1844-1845

 

 

696

733

1845-1846

Vanaf 13.11.1845 tot 03.05.1846

± 7.000,00 fr.

± 1050 (280 gezinnen)

1082

1846-1847

Vanaf november 1846 tot juni 1847

 

 

1080

 

(5) Uitdelen van gratis soep

Een belangrijke vorm van steun bestond in de verdeling van gratis soepen, zo bleek hoger al. Deze bedeling was ongeveer dertig jaar eerder begonnen, naast de secours abondants in brood, aardappelen en ander voedsel. Het was ook hiermee dat de stad begonnen was een subsidie te geven aan het armbestuur[1204]. tabel 89 licht ons in over de periode waarbinnen de bedelingen plaatsvonden, de kosten ervoor en het aantal bedeelden.

De verdeling ging uitsluitend door tijdens de winter (alhoewel soms ook in de zomer bedelingen gebeurden[1205]), en gewoonlijk van eind december tot eind april of begin mei. Tijdens de zwaarste winters van de crisis week men hiervan af, duidelijk in functie van de prijsstijgingen die zich voordeden. In 1845 begon de verdeling een maand vroeger, midden november, maar deze werd stopgezet op het normale tijdstip. Op dat moment waren de aardappelprijzen weliswaar nog steeds hoger dan gewoonlijk, maar niet meer zo hoog als in november. De ergste duurte was voorlopig achter de rug. Het volgende jaar werd opnieuw vroeger begonnen, terug in november, maar deze keer hielden de bedelingen aan tot juni 1847. De verdelingen hadden in normale jaren driemaal per week plaats, op dinsdag, donderdag en zondag[1206]. Tijdens de crisis werd de totale periode van de verdelingen niet alleen langer, de verdelingen werden ook geïntensifieerd: in plaats van driemaal per week vonden ze tijdens de winter van 1845-1846 dagelijks plaats[1207]. In de volgende winter werd driemaal zoveel liter verdeeld als gewoonlijk[1208]. Eerder had de soep ook al dienst gedaan als ad hoc-oplossing. In 1840 was de soep namelijk iets duurder omdat er meer van werd verdeeld, wegens de duurte van aardappelen en vlees van dat jaar. Omdat het armbestuur over onvoldoende aardappelen beschikte die gewoonlijk tijdens de Heilige Week werden verdeeld, werd tijdens die week elke dag een botersoep gegeven[1209].

De kosten hiervoor bedroegen in normale jaren ongeveer 1.700 fr., zo blijkt uit de tabel. Vóór 1845 staan deze kosten los van de uitgaven van het armbestuur voor bijstand in voedsel, weergegeven in tabel 87. Vanaf de winter van 1845-1846 is dat wel het geval, en hieruit blijkt dat de sterke toename van voedingskosten grotendeels te maken hadden met de grote som geld die werd uitgegeven voor soep. Volgens het jaarverslag van 1845 werd ongeveer 7.000 fr. van de subsidie van 8.000 fr. voor soep gebruikt[1210]. De kosten voor de verdeling van soep tijdens de volgende winter zijn niet bekend, maar vermoedelijk werd opnieuw een groot deel van de subsidie hieraan gespendeerd.

Voor zover er informatie over beschikbaar is, toont de tabel aan dat nagenoeg alle personen die een beroep deden op het bijstand van het armbestuur, deel hadden aan de soep. In principe was deze steun voorbehouden aan personen die in Oudenaarde hun onderstandswoning hadden. Eind 1841 waren er echter klachten dat ook anderen er deel aan zouden hebben. Ook leerlingen van de werkschool (niet de kantschool onder leiding van het armbestuur, cfr. infra) kregen hun deel van de soep, en sommigen van deze leerlingen hielden zich bezig met het schillen van aardappelen ervoor. Om misbruiken tegen te gaan vroeg het stadsbestuur jaarlijks om een lijst van personen aan wie de soep zou worden verdeeld en werd het armbestuur ertoe uitgenodigd erover te waken dat geen misbruiken zouden plaatsvinden[1211].

 

(6) Andere instellingen en maatregelen

Naast soep werd ook brood, aardappelen en ander voedsel bedeeld, evenals kledij en geld. “Des secours abondants de toute nature ont été fournis et continuent l’être, aux nécessiteux de la ville[1212]”, lezen we in het jaarverslag van 1846. Voor kledij werd jaarlijks een omhaling gehouden. Voor deze “jaarlijksche collecte van lijn en wolle[1213]” of “quête pour l’habillement des indigents[1214]” kon het armbestuur steeds rekenen op de hulp van de schepenen of een gemeenteraadslid van de stad[1215]. Telkens vond de omhaling plaats begin november. Voorts was er nog een “fondations des pauvres veuves”, waarvan de administratie aan het bureel was toevertrouwd[1216].

Sinds de koude van de winter van 1846-1847 zich had laten voelen werd door het Armbestuur ook een warmzaal geopend in de kerk van de gewezen abdij van het ‘rijke-gasthuis’. Vier à vijfhonderd behoeftigen werden er dagelijks van het nodige voedsel voorzien[1217].

In de zitting van 17 maart 1847 besloot de gemeenteraad om een deel van hun aanwezigheidsgeld,  de som van 400 fr., te gebruiken voor de aankoop van 4000 bons van 0,10 fr. Deze broodkaarten zouden via het armbestuur aan de armen worden verdeeld[1218]. Zeker op 3 en 24 april werden er hiervan telkens 1000 aan het bureel overgemaakt, maar dit waren niet de eerste[1219]. Deze maatregelen hadden blijkbaar het beoogde succes, want op 8 mei besloot men een som van 1.500 fr. te reserveren voor de aankoop van dergelijke bons. Die zou men tot de volgende oogst of tot het verlagen van de graanprijzen wekelijks verdelen onder de armen, zodoende ze in staat te stellen zich brood tegen een lagere prijs te verschaffen. Men erkende dat de uitzonderlijke duurte van voedsel en vooral van brood en aardappelen de noden van de armen dagelijks vergrootte. De middelen van het armbestuur zouden volgens de raad niet volstaan om in deze nood te voorzien[1220]. Minstens vier pakketten van 1000 bons werden nog overgemaakt aan het armbestuur, met het verzoek deze samen met de verdeling van de soep aan de armen te verdelen. Dit gebeurde op 18 en 28 mei en op 5 en 10 juni 1847[1221]. Dit initiatief is duidelijk een compensatie voor de lagere subsidie die het bureel voor 1847 van de gemeente had gekregen. Deze subsidie was gestemd op een moment dat de situatie voor de aankomende winter er beter uitzag dan de vorige – de aardappeloogst was slechts gedeeltelijk mislukt, de graanoogst leek in de buurt van Oudenaarde minder getroffen, en de prijzen waren wel hoger maar nog niet zo hoog als op hetzelfde moment een jaar eerder. Toen echter duidelijk werd dat de winter van begin 1847 nog erger zou zijn dan die van een jaar eerder bleek dat de toelage van 6.000 fr. onvoldoende was. Om dit te compenseren had men in maart 1847 graan tegen verlaagde prijs aangeboden, maar dit gebeurde slechts twee weken na elkaar (cfr. supra). Nadien maakte men gebruik van bons om de armen in staat te stellen zich het nodige voedsel te verschaffen.

Verder verleende het armbestuur ook nog medische diensten aan armen. Deze worden echter verder behandeld, omdat ze moeilijk te onderscheiden zijn van de werking van het hospitaal zelf.

 

1.2 De Burgerlijke Godshuizen (Hospices Civils)

 

(1) Werking van de Burgerlijke Godshuizen

Met het decreet van 6 oktober 1796 werden de Burgerlijke Godshuizen in voege gesteld. Zij kregen leiding over alle weldadigheidinstellingen en hospitalen[1222]. Hun taak was het verlenen van bijstand in instellingen: behoeftigen en vondelingen een gratis onderdak bieden. Hospitalen kregen daartoe hun eerder geannexeerde goederen terug indien ze nog niet verkocht waren. Deze instellingen werden onder toezicht van de gemeente geplaatst, die hiertoe een commissie moest aanstellen. Deze commissie bestond uit vijf leden en was belast met het intern beheer van de instellingen en het personeelsbeleid[1223]. Een dergelijke commissie moest uiteraard slechts worden opgericht waar er instellingen voorhanden waren die onderdak konden bieden. Indien deze instellingen in een bepaalde gemeente afwezig waren, dan werd de opname van deze of gene behoeftige in een instellingen in een andere gemeente door het bureel van weldadigheid vergoed[1224].

In Oudenaarde vergaderde deze commissie elke woensdag om 14 uur. Deze bijeenkomsten hadden plaats in de zaal van het hospitaal achter de Walburgakerk[1225]. Zij namen in Oudenaarde de leiding waar van de verschillende tehuizen die de stad erfde uit het Ancien Regime. Tegelijk werd één nieuwe instelling in het leven geroepen, het ouderlingentehuis. In het ganse arrondissement Oudenaarde waren Oudenaarde en Ronse de enige gemeenten die over godshuizen of hospitalen beschikten[1226]. Deze verschillende instellingen en diensten in Oudenaarde zal ik nu trachten te overlopen.

 

Tabel 90. Burgerlijke Godshuizen: inkomsten en uitgaven, 1840-1848[1227]

Dienstjaar

Inkomsten

Uitgaven

Verschil

1840

123.484,66

85.144,08

38.340,58

1841

128.528,46

97.679,60

30.848,86

1842

115.392,26

94.608,66

20.783,60

1843

135.418,65

103.702,43

31.716,22

1844

129.175,71

62.552,30

66.623,41

1845

175.969,85

158.402,94

17.566,91

1846

109.335,97

86.307,58

23.028,39

1847

125.727,48

96.549,36

29.178,12

1848

142.469,69

93.129,64

49.340,05

1849

156.223,33

124.406,51

31.816,82

 

De inkomsten en uitgaven van de burgerlijke godshuizen worden weergegeven in tabel 90. Uit deze financiële gegevens kunnen we moeilijk conclusies trekken over de aanpak van de crisis. De inkomsten en uitgaven lijken weinig veranderingen te ondergaan. Uitschieters, zoals bijvoorbeeld in 1845, van inkomsten en uitgaven moeten eerder te maken hebben met het beheer van de goederen dan met speciale inspanningen voor zieken- of armenzorg. Wel mogen we hieruit de conclusie trekken dat de commissie van burgerlijke godshuizen geen arme instelling was. Men had immers het grote patrimonium van het hospitaal geërfd. In 1846 bestond het patrimonium van de burgerlijke godshuizen uit 6 huizen, 7 boerderijen, een watermolen, en maar liefst bijna 756 ha landbouwgrond[1228]. Een deel van de gronden werd niet verpacht maar voor rekening van de godshuizen zelf in cultuur gebracht. Dit was verlieslatend, en werd daarom in 1848 opgegeven[1229].

 

(2) Het Onze-Lieve-Vrouwhospitaal

Tot een wetenschappelijke studie van de geschiedenis van het hospitaal te Oudenaarde vanaf het einde van het Ancien Regime is het voorlopig nog niet gekomen – en van de periode daarvóór ook niet. Dit is vreemd, want aan de hand van één enkel dossier in het OCMW-archief kan al een gedetailleerd overzicht worden gemaakt[1230]. Het enige overzichtswerk dat er totnogtoe over verscheen is dat van Marcel Hoebeke, die bijwijlen echter heel subjectief is en voor de negentiende eeuw eerder het verhaal van de hospitaalzusters dan dat van het hospitaal weergeeft. Aan de hand van deze beperkte informatie zal ik toch een zo duidelijk mogelijk, zij het door plaatsgebrek beknopt, overzicht geven van de geschiedenis van deze instelling vanaf ongeveer de Franse Revolutie. Meer over de verhouding tussen de commissie en de hospitaalzusters volgt verder.

Wanneer het klooster van de hospitaalzuster in 1788 in financiële moeilijkheden kwam, dan vonden ook hier hervormingen plaats van Jozef II. Als gevolg hiervan verlieten de meeste zusters de instelling, op twee na, waaronder Françoise Long[1231]. Op 9 maart 1789 wordt de orde definitief door Jozef afgeschaft, en krijgt het hospitaal een nieuwe organisatie. De congregatie van de Zwarte Zusters werd nu verantwoordelijk gesteld voor het verzorgen van de zieken, en de instelling werd voor wat de wereldse aspecten betrof onder seculiere controle gebracht. Het hospitaal zou worden geleid door een commissie bestaande uit een vertegenwoordiger van de keizer en twee van het magistraat van de stad. Indien hij wenste kon ook de bisschop van Gent een vertegenwoordiger in deze commissie hebben. Men verwachtte van deze commissie een goed beheer van de goederen van de instelling, waardoor de opbrengsten zouden vergroten, wat dan zou toelaten de instelling de nodige luister te geven[1232]. De opheffing van deze religieuze orde te Oudenaarde kaderde in de geest van de Verlichting en de godsdienstpolitiek van de keizer-koster, waarbij geestelijke orden die geen nut hadden voor de maatschappij werden opgeheven. Maar een kloosterorde had toch een duidelijke functie in de maatschappij? Waarom nam Jozef deze beslissing?

Het wordt door Hoebeke nergens zo uitgedrukt, maar het is min of meer duidelijk dat de kloosterorde zich geleidelijk aan had ontwikkeld tot een genootschap van adellijke vrouwen die zich met ziekenzorg nog weinig inlieten. Reeds rond 1575 zou de orde zich meer en meer opsluiten in adellijke kringen en het werk in het hospitaal overlaten aan betaald personeel. In de loop van de achttiende eeuw wordt het hospitaal zelfs bekend als “l’hôpital noble d’Audenarde”, en uit Frankrijk en Engeland meldden zich adellijke dames aan voor opname in de orde. “Voor de zorg door kranken en armen vereist hebben de juffrouwen haast geen tijd meer beschikbaar”, erkent Hoebeke zelf, en het ‘vuile werk’ werd overgelaten aan de inzet van een andere religieuze orde van de stad, de Zwarte Zusters[1233]. Vandaar paste het ook logisch in de politiek van Jozef om de hospitaalzusters die zich toch niet meer met de zieken bezig hielden aan de deur te zetten en het hospitaal in handen geven van de congregatie die in feite al jaren dit werk uitoefende, de Zwarte Zusters.

Datzelfde jaar volgde echter de Brabantse Omwenteling en werden deze hervormingen ongedaan gemaakt, maar de tendens die in de komende jaren zou volgen is reeds in gang gezet. Tijdens het kortstondig herstel van het Oostenrijkse bestuur blijft de situatie gelijk, maar dan volgt de inlijving bij Frankrijk en op 7 oktober 1796 werd het hospitaal onder controle van de commissie voor burgerlijke godshuizen geplaatst[1234]. Op 2 juli 1798 (14 messidor jaar VI) werd door de commissie een reglement opgesteld, en was er aan het hospitaal geen religieuze orde meer verbonden[1235]. Long, de enige overblijvende zuster van de oude orde, kon uiteindelijk opnieuw worden aangesteld als econome van het hospitaal[1236]. Op 14 december 1810 werd de orde van hospitaalzusters opnieuw in voege gesteld door Napoleon. Met zijn decreet werden de zusters onder de autoriteit van de bisschop geplaatst voor wat het geestelijke betrof, voor de zorg van de zieken waren ze onderworpen aan de commissie van burgerlijke godshuizen[1237]. Wel was het zo dat in uitvoering van de beslissing van 11 juli 1794 de goederen van het hospitaal te Oudenaarde ook werden geconfisqueerd, maar enige tijd later, bij de organisatie van de burgerlijke godshuizen, werden die goederen teruggegeven of gecompenseerd[1238]. Deze goederen kwamen nu wel toe aan de commissie, waardoor de zusterorde straatarm was[1239].

Veel veranderingen in de organisatie van het hospitaal zouden er na de Franse tijd niet meer plaatsvinden. Wel kwamen er nog verschillende reglementen tot stand die de werking van de instelling regelden, waarvan dat van 14 juni 1824 voorlopig het laatste was[1240]. Maar ook het eerste reglement van 1798 moet nog enige gelding gehad hebben: wanneer de gouverneur in 1832 vroeg naar reglementen op de hospitalen, werd naast dat van 1824 ook dat van 1798 opgestuurd. Andere reglementen bestonden er volgens de burgemeester niet[1241]. De hele eerste helft van de negentiende eeuw zou de relatie tussen de commissie en de hospitaalzusters moeilijk blijven[1242].

 

Tabel 91. Hospitaal: gemiddeld aantal aanwezigen, prijs onderhoud, 1838-1842[1243]

Jaar

Gemiddeld aantal aanwezigen per dag

Prijs voor een dag onderhoud (in fr.)

1838

117

1,00 10/117

1839

116

0,96 18/126

1840

130

0,97 70/130

1841

118

1,00 29/118

1842

123

1,02 71/123

 

In 1844 bestond het hospitaal uit een zaal waar mannelijke zieken werden behandeld, en een zaal waar zieken van het vrouwelijke geslacht lagen. In die laatste zaal waren ook enkele vrouwelijke ouderlingen opgenomen, alhoewel er voor ouderlingen en gebrekkigen een aparte zaal bestond voor elk van beide geslachten. Verder was er nog een zaal voor chirurgische operaties, een aparte badzaal, een warmkamer en ruimte voor geestesgestoorden. De commissie had een gebouw laten oprichten dat speciaal zou bestemd zijn voor de opvang van ouderlingen, om zodoende een volledige scheiding tussen ouderlingen en zieken tot stand te kunnen brengen. Dit zou hen toelaten de vrijgekomen zalen te gebruiken voor besmettelijke ziektes en de behandeling van zieke kinderen[1244].

tabel 91 geeft een overzicht van de gemiddelde bevolking van het hospitaal, met aanduiding van de onderhoudskosten voor hun opname. Hieruit blijkt dat gemiddeld zo’n 120 personen in de instelling werden behandeld. Dit cijfer ligt veel lager dan het totaal aantal personen dat op een jaar werd behandeld, gegeven in tabel 61. De groep van 126 personen die vermoedelijk eind 1844 was opgenomen, was samengesteld als volgt. De meeste waren zieken met onderstandswoning in Oudenaarde (71), het aantal zieken van buiten de stad of gevangenen was eerder klein (resp. 6 en 1). Daarnaast was er een klein aantal gebrekkigen dat niet levenslang was opgenomen (8), en nog een aanzienlijke groep ouderlingen die wel levenslang in het hospitaal konden blijven (40). In totaal waren 142 bedden beschikbaar[1245].

Omdat er een groot verschil bleek te zijn tussen de onkosten van het ouderlingentehuis en die van het ziekenhuis werd in september 1846 besloten een beheerder voor het hospitaal aan te stellen. Het ziekenhuis had disproportioneel veel uitgegeven voor brood, aardappelen, melk en boter. Een econoom moest zich daarom bezighouden met de aankoop van voedsel, drank, e.d., en de bereiding en verdeling ervan moest hij controleren[1246]. Niemand diende zich aan voor deze functie, maar sinds 15 oktober werd deze vrijwillig uitgeoefend door Louis Charles Van Huffel, die erin was geslaagd de uitgaven voor brood, aardappelen, boter en melk sterk te doen dalen, en ook op andere gebieden vertoonde hij zich zeer spaarzaam. Daarom werd hij aangesteld in die functie[1247]. De mislukking van de graanoogst en de duurte van graan zou ook hem parten spelen. In juni 1847 werd hem 500 fr. toegestaan bovenop de 1.500 fr. die hij in januari had gekregen voor de onkosten van het hospitaal. De instelling maakte blijkbaar gebruik van de graanopbrengst van haar eigen gronden (men had ook een eigen bakker[1248]), die in juni 1847 echter uitgeput was. Daardoor was Van Huffel verplicht naast boter het dure graan op de markt te kopen. Om die reden kreeg hij de 500 fr[1249].

De voorwaarden om te kunnen worden opgenomen in het hospitaal waren verschillend voor twee categorieën: levenslange opname van gezonde personen en tijdelijk opname van zieken. Voor zieken was het zo dat ze arm moesten zijn en hun onderstandswoning in Oudenaarde moesten hebben. Het zou slechts zelden voorkomen dat zieken van de stad werden opgenomen die zelf voor hun onderhoud betaalden. Zieken van buiten Oudenaarde waren voor rekening van de gemeente waar ze hun onderstandswoning hadden. Levenslange opname kon enkel voor gebrekkigen en ouderlingen. Op gebrekkigen stond geen leeftijd, en in principe zouden ze niet worden aanvaard in het hospitaal was het niet omwille van hun ‘ongelukkige’ toestand. Het ging om verlamden, epileptici, gestoorden, personen met rachitis, e.d. Ouderlingen moesten 70 jaar of ouder zijn eer ze konden worden opgenomen (in het ouderlingentehuis). Zowel ouderlingen als gebrekkigen moesten arm zijn en hun onderstandswoning in de stad hebben[1250].

In 1851 werden deze toelatingsvoorwaarden strenger gemaakt. Waarschijnlijk onder druk van de crisis zouden behoeftigen met geslachtsziekten of ongeneeslijke kwalen en zwangere vrouwen nu ook tot het hospitaal worden toegelaten, terwijl zij in principe geen toegang hadden wegens het gevaar dat hun contact met andere zieken kon opleveren. Daarom werden in februari 1851 verschillende groepen expliciet de toegang tot de instelling ontzegd: personen met ongeneeslijke ziekten, geslachtsziekten, razernij, bezetenheid, verlamming, epilepsie, en vrouwen in gevorderde staat van zwangerschap. De patiënten met dergelijke ziektes die op dat moment waren opgenomen hadden 18 dagen de tijd de instelling te verlaten, ze zouden er niet meer worden aanvaard en moesten zich laten behandelen bij hun thuis of bij familie, op kosten van wie daar rechtelijk toe verplicht was. Wel kon de commissie de zuster die de geneesmiddelen verdeelde toelaten in uitzonderlijke gevallen de voorgeschreven geneesmiddelen te verdelen aan personen met een geslachtsziekte[1251].

Ook het bezoekrecht werd onder druk van de crisis beperkt. In maart 1851 vond de commissie dat de openbare gezondheid in het gevaar werd gebracht door bezoekers die zich rond de zieken kwamen scharen in de zalen van het hospitaal die nauwelijks groot genoeg waren om de zieken te bevatten en waar tyfuskoortsen en andere besmettelijke ziekten frequent voorkwamen. Het verbod om het publiek de toegang tot het hospitaal te ontzeggen was echter in onbruik geraakt, en werd daarom vernieuwd. Enkel op woensdag tussen twee en drie uur in de namiddag kon men de zieken nog bezoeken, en dan enkel één of twee ouders of vrienden van de zieke. Zonder toestemming van de priorin kon men het ziekenhuis niet meer binnenkomen, tenzij voor personen die op sterven lagen of indien men het personeel van het ziekenhuis kwam opzoeken. Daarnaast werd bepaald dat het verboden was de zieken eten mee te brengen dat hun gezondheid zou schaden, of het eten dat aan de zieken werd gegeven mee te nemen[1252].

Eerder, midden in de crisis, had men al maatregelen genomen om de hygiëne te verzekeren. In januari 1847 bepaalde men dat de keuken niet meer kon dienstdoen als de plaats waar operaties plaatsvonden en waar verbanden werden aangelegd. De linnenkamer zou voortaan hiervoor gebruikt worden, tussen 9 en 11 uur in de voormiddag[1253].

In 1848 diende men de hygiëne door de toegang tot de kapel van het hospitaal voor te behouden voor de zieken of ouderlingen. In 1824 was het gebruik van de kapel door het bisdom toegestaan voor zieken en ouderlingen, op expliciete voorwaarde dat anderen er niet zouden worden toegelaten. In 1848 ondervond men dat de openbare gezondheid in gevaar werd gebracht door personen die zich tijdens de dienst bij de zieken schaarden, terwijl in de kapel nauwelijks genoeg ruimte was voor de zieken alleen, “où les fièvres typhoïdes, la galle et autres maladies contagieuses sont très fréquentes principalement dans les circonstances calamiteuses qui occasionnent toujours un grand encombrement de malades[1254].” Dit werd enkele dagen later goedgekeurd door de gemeenteraad: enkel personen opgenomen of werkzaam in het hospitaal konden de diensten in de kapel bijwonen. Een uitzondering werd wel gemaakt indien er in de kapel een uitvaartplechtigheid zou plaatsvinden voor ouders en vrienden van de overledene[1255]. Ook de opname van gevangenen zou voor problemen zorgen: het contact van sommige zieke gevangenen en andere patiënten was verderfelijk (pernicieux), niet alleen voor wat hygiëne betrof, maar ook op gebied van moraliteit. Daarom zouden zieke gevangenen vanaf midden oktober 1848 in een afgescheiden ruimte worden ondergebracht, waardoor ze zich niet onder de andere zieken konden begeven of er contact mee krijgen[1256].

Het volgende jaar werden geen nieuwe maatregelen genomen wanneer het hospitaal te maken had met de vele choleraslachtoffers. Wel werd door dr. Vandermeersch een verbetering gesuggereerd die voor meer luchtverversing zou moeten zorgen[1257]. Daarnaast droeg hij Joseph Vossaert, bediende in het hospitaal, op in verschillende huizen en kelders waar cholera slachtoffers had gemaakt ‘berokingen’ te doen (“des fumigations Guytonienes”). Dat middel had volgens Vandermeersch veel opgebracht tijdens de epidemie van 1832-1833. Ook bracht hij de burgemeester op de hoogte van de slechte hygiënische toestand van verschillende plaatsen in de stad en stelde hij maatregelen voor ter verbetering. Ten slotte vond hij dat er naast hygiënische maatregelen ook meer voedsel moest worden verdeeld. Verschillende gevallen van cholera leden ook aan wormen, waarvan de oorzaak volgens hem lag bij het ‘zwarte brood’ (roggebrood) waarvan de armen gebruik maakten[1258]. Gevolg gevend aan deze laatste raad van Vandermeersch, vroeg het stadsbestuur dezelfde dag nog aan het armbestuur meer voedsel te verdelen[1259].

Het is vreemd dat tijdens het hoogtepunt van de crisis, wanneer het aantal opgenomen zieken per jaar ongeveer verdubbelde, er geen klachten werden geuit over plaatsgebrek. De risico’s die dit met zich meebracht op gebied van hygiëne loste men enkel op door een strikte scheiding tussen de patiënten in voege te brengen. Over infrastructurele veranderingen werd niet gesproken, ongetwijfeld omdat men de toename van het aantal zieken zag als een gevolg van de crisis, wat na verloop van tijd zichzelf wel zou oplossen. Dit bleek evenwel niet het geval te zijn, want in februari 1849 worden er voor het eerst plannen gemaakt om het ziekenhuis uit te breiden, door het bouwen van een nieuwe ziekenzaal voor vrouwen. Daartoe ging een som van 15.000 fr. op een speciale rekening van de Société Générale plaatsen tegen een gunstige intrest. Die som zou men aanspreken wanneer de aangekondigde werken noodzakelijk werden[1260]. Het zou echter nog een jaar duren eer tot de uitvoering van deze plannen werd overgegaan. In februari 1850 besloot men twee nieuwe zalen te bouwen voor zieke vrouwen, omdat in de oude zaal door gebrek aan ruimte en verse lucht ‘miasmen’ werden gevormd die men schadelijk achtte voor de zieken. Verder zou ook het ganse hospitaal worden verlicht met gas[1261]. Dit project werd goedgekeurd door de gemeenteraad en naar de permanente deputatie opgestuurd, maar mogelijks werd het daar afgekeurd[1262]. In juni 1850 kreeg men althans een brief van de gouverneur in die zin[1263]. Zeker is dat de werken niet werden uitgevoerd, omdat in januari 1852 dezelfde plannen worden herhaald. De situatie was toen problematisch, omdat men zieke of pas genezen mensen al moest naar huis sturen om plaats te maken voor andere. Er was ook nood aan ruimtes voor aparte ziektes. Daarom wou men op het eerste verdiep van de twee nieuwe zalen voor vrouwen drie aparte kamers inrichten voor speciale ziektes[1264].

 

(3) Openbare medische diensten

Het is zinloos een onderscheid te maken tussen de medische diensten gegeven door het Armbestuur en door de Commissie van Burgerlijke Godshuizen, omdat beide dezelfde personen hiervoor betaalden. De geneesheren van het Armbestuur waren in 1851 D. D. Vandermeersch en P. J. Gosse, en de heelmeesters T. Tyman-Liedts en A. Cavenaille. Vandermeersch en Tyman-Liedts hadden dezelfde functie bij de openbare godshuizen[1265]. Bovendien is het ook moeilijk hun inspanningen te scheiden van die van het hospitaal, aangezien ze hun functie in of bij het hospitaal uitoefenden.

De voornoemde medici waren de armendokters- en chirurgen van de stad en werden daarvoor door de gemeente betaald, 100 fr. per jaar. Joseph Gosse was de oudste in dienst, zijn loon werd betaald sinds 1822. Dat van Vandermeersch en Tyman-Liedts was begonnen in 1828, terwijl A. Cavenaille pas in augustus 1844 begon[1266]. Daarvóór stond Vital Herrebaut op die plaats[1267]. Naast dokters had het hospitaal ook nog een apotheker. In augustus 1846 werd Nazaire Cavenaille op deze plaats benoemd, in vervanging van de overleden Jean Baptiste Lambrecht. Voor die functie kreeg hij 600 fr. per jaar[1268]. Naast dit loon kregen Vandermeersch en Tyman-Liedts, als medici verbonden aan het hospitaal ook nog een loon van de godshuizen, dat 105,82 fr. bedroeg. In 1841 waren zij echter bereid van dit loon af te zien, waardoor de uitbetaling ook effectief stopte[1269].

Rond 1850 bestond er reeds lang een consultatiebureau (dispensaire) aan het hospitaal, waar armen die niet door het armbestuur werden ondersteund en die een ongesteldheid hadden, maar niet ziek genoeg waren voor opname, op vastgestelde uren gratis geneesmiddelen konden krijgen. Indien deze armen wel door het armbestuur ondersteund werden, konden ze zich wenden tot de geneesheren of heelmeesters van het armbestuur. Hun voorschriften werden bereid door de apotheker van het armbestuur. Wanneer deze armen nog zieker werden, konden ze zich richten tot de dokters van het hospitaal, die hen meestal zonder veel problemen lieten opnemen. Ook aan behoeftigen die hun onderstandswoning buiten Oudenaarde hadden, werden geneesmiddelen verdeeld, maar deze werden in een apart register bijgehouden om de kosten nadien te verhalen op de betreffende gemeente [1270]. Deze medicijnen werden gekocht bij drogisten in de stad en geïnspecteerd door de dokters van het hospitaal. Het uitdelen van geneesmiddelen aan armen zonder die op te nemen in de instelling zag men als een besparende maatregel: zo moest men onder andere geen voedsel bereiden voor deze zieken[1271]. Consultaties gebeurden door Tyman-Liedts sinds 1829 dagelijks in het hospitaal vanaf ongeveer kwart voor negen. Meestal duurde dit tot 10 uur, of naargelang de omstandigheden tot 11 uur[1272]. De gratis consultaties van Vandermeersch hadden ongeveer op hetzelfde uur plaats[1273].

Deze dienst werd waarschijnlijk onder druk van de crisis gebruikt door sommige armen om het hospitaal binnen te sluipen. Het is alleszins zo dat op 20 december 1845 de commissie hierop beperkingen stelde. Dan werd bepaald dat het aanleggen van verbanden nog zou doorgaan op verschillende plaatsen, alle dagen tussen 9 en 10 uur, geneesmiddelen aan armen van buiten het hospitaal zouden worden verdeeld tussen 1 en 2 uur in de namiddag. De portier moest erop toezien dat geen van deze personen in het hospitaal raakte of enige andere zalen dan degene waar verbanden werden gelegd of geneesmiddelen werden verdeeld[1274]. De portier mocht niemand buiten deze vastgestelde uren nog binnenlaten, maar vermoedelijk werd de uurregeling na verloop van tijd minder strikt. In januari 1847 werd herhaald dat het reglement van 20 januari van kracht bleef, en ook de bepaling dat operaties of het aanleggen van verbanden niet meer kon gebeuren in de keuken, gold voor deze dienst[1275]. In maart 1851 bepaalde men dat het aanleggen van verbanden zou blijven doorgaan tussen halfnegen en halftien, en de verdeling van geneesmiddelen tussen halfeen en twee uur[1276].

Daarnaast waren er ook vroedvrouwen voor de armen in dienst van de stad. De belangrijkste vroedvrouw was Rosalie de Saedeleer, in dienst sinds 1838. Zij was meen ik de belangrijkste, omdat ze van alle medici door de stad betaald het hoogste loon kreeg (172,97 fr.)[1277]. Zij vaccineerde ook[1278]. Naast haar werden in 1842 twee andere vroedvrouwen in dienst gesteld, Mathilde Claus en Marie Baert[1279]. De kosten voor hun examen werden door de stad gedragen (ongeveer 60 fr.), met de bedoeling hen in de stad en de omliggende gemeenten te kunnen laten werken[1280]. Waarschijnlijk werden zij ook in de omliggende gemeenten ingeschakeld om daarmee te verhinderen dat zwangere vrouwen het hospitaal zouden komen opzoeken.

De aanstelling van een dokter, die ten behoeve van de medische statistiek de doodsoorzaken zou vaststellen werd tweemaal verzocht, door dr. Tyman-Liedts en door de gouverneur. Beide verzoeken werden echter door de stad geweigerd, omdat Oudenaarde hiervoor een te kleine stad zou geweest zijn[1281].

Over dr. Vandermeersch moet nog wat worden gezegd. Hij was in de negentiende eeuw een vrij belangrijke Oudenaardse figuur, niet alleen als medicus, maar ook als medewerker van de Vlaamse Beweging. Als archivaris van de stad werd hem door Gentse intelligentsia regelmatig gevraagd iets in het stadsarchief van Oudenaarde op te zoeken. Hij had contact met Jan Frans Willems, was gematigd flamingant en lid van het Willemsfonds. In 1818 kreeg hij het diploma van dokter aan de Universiteit van Leiden, en dat jaar vestigde hij zich als arts in Oudenaarde en werd er benoemd tot geneesheer van het hospitaal, waar hij voor de rest van zijn leven zou blijven. Hij was ook lid van het “Comité de Salubrité” dat tijdens de cholera-epidemie van 1849 werd opgericht en dat in 1852 meewerkte aan een reglement op de arbeiderswoningen (cfr. infra). Tevens was hij dokter van de gevangenis[1282]. Volgens Marcel Hoebeke kreeg hij regelmatig tegenkantingen van de commissie, vooral wat het toelaten van zieken betrof: “we kunnen zeggen dat Désiré Vander Meersch zich steeds liet leiden door humanitaire, de commissie door budgetaire motieven[1283].” Zo maakte de commissie in 1834 klachten over van het gemeentebestuur van Eine dat haar zieken te gemakkelijk in het hospitaal werden aanvaard. Het antwoord van Vandermeersch werd hoger al besproken: Eine trachtte al jaren zoveel mogelijk van zijn armlastige bevolking over te hevelen naar Oudenaarde, waar ze in slechte omstandigheden woonden. Vandermeersch was verplicht deze in het hospitaal op te nemen, omdat ze anders het risico liepen nog zieker te worden of hun eveneens verzwakte familieleden of buren ook te besmetten[1284]. In 1847 schreven Vandermeersch en Tyman-Liedts dat soms armen werden opgenomen, om te voorkomen dat ze een ziekte zouden ontwikkelen. Meer over beide brieven staat in bijlage.

 

(4) Ouderlingentehuis

Het ouderlingtehuis werd volgens Marcel Hoebeke door het stadsbestuur opgericht in 1838, alhoewel er aanduidingen zijn dat er reeds in 1812 een Hôpital pour les veillards was in Oudenaarde[1285]. Door de creatie in 1838 van een aparte instelling voor ouderen, los van het ziekenhuis, trachtte men volgens Hoebeke het overbevolkingsargument van de priorin te ontkrachten, waarmee zij haar herhaaldelijke verzoeken tot een verhoging van het aantal religieuzen wou rechtvaardigen[1286].

In 1842 ging men over tot de constructie van een apart gebouw voor ouderlingen, die tot dan in hetzelfde gebouw als de zieken verbleven. Plannen hiervoor bestonden reeds in 1839, kort na de oprichting van de aparte instelling in 1838[1287]. Aanvankelijk voorzag men de ouderlingen onder te brengen in de gebouwen van het oud begijnhof, maar in 1839 werd daar anders over besloten[1288]. Hun verblijf in het hospitaal zorgde voor contact met de zieken. Hierdoor werden de bejaarden regelmatig besmet, wat niet zelden hun dood betekende. Daarom zou het terrein van de tuin van het hospitaal gedeeltelijk worden gebruikt voor het opzetten van een nieuw gebouw, waardoor tegelijk de ouderen over een aparte tuin zouden beschikken waar ze lucht konden scheppen en wandelen. De kosten voor de bouw, beraamd op ongeveer 60.000 fr., konden in de woorden van de commissie ‘gemakkelijk’ worden opgebracht door de verkoop van hout en de overschotten van vorige jaren[1289]. Na openbare uitbesteding werden de kosten bepaald op 53.000 fr[1290]. De ingebruikname van het gebouw liet nog op zich wachten. In principe was overeengekomen het gebouw af te hebben op 1 augustus 1843, maar het duurde nog tot 15 augustus van het volgende jaar eer de ondernemers dit zelf meldden. Bovendien waren de kelders niet waterdicht gemaakt, waardoor het tot een rechtszaak kwam tussen de commissie en de ondernemers[1291]. Het gebouw werd pas in gebruik genomen in juli 1845[1292].

Hoger werd reeds gezegd dat ouderlingen minstens de leeftijd van 70 jaar moesten hebben om levenslang te kunnen worden opgenomen in het ouderlingentehuis, en verder dat ze hun onderstandswoning in Oudenaarde moesten hebben. Dit werd zo bepaald in augustus 1842. Voordien konden ouderlingen van alle leeftijden zich laten inschrijven op een register om dan wanneer het noodzakelijk werd opgenomen te worden. Het gebruik om de personen eerst toe te laten die bovenaan de lijst stonden had er volgens de commissie toe geleid dat de meest haastige en minst noodlijdende personen voordeel hadden op de ouderen die hier eigenlijk meer behoefte aan hadden. Daarom bepaalde men in augustus 1842 dat ouderen zich enkel konden laten inschrijven indien ze 70 jaar oud waren, wat ze moesten kunnen bewijzen middels hun geboorteakte. Van de mensen die op deze lijst stonden zou voorrang voor toelating worden verleend aan de oudste, mits een uitzondering voor bijzondere of dringende gevallen[1293]. Dat er meer vraag was om een bed in het ouderlingentehuis dan er plaatsen beschikbaar waren, blijkt duidelijk uit tabel .. Het aantal ouderlingen opgenomen in 1846 ligt een stuk hoger, niet door de crisis, maar doordat er meer plaatsen beschikbaar waren. Het nieuwe gebouw was immers in gebruik genomen.

Op 1 februari 1845 werd Emanuel De Vos aangesteld als beheerder van het hospitaal. In januari 1846 werd hem 1.500 fr. toegekend om in de kosten van het tehuis te voorzien (voor één jaar of voor onbepaalde termijn?)[1294]. Zijn loon bedroeg 400 fr., wat in december 1846 werd verhoogd tot 500 fr. Wegens een toename van het aantal ouderlingen en het tewerk gestelde personeel kreeg hij vanaf 1852 600 fr[1295].

 

Tabel 92. Aantal personen opgenomen in het ouderlingentehuis, 1844-1851[1296]

01.01 van het jaar

Opgenomen

Mannen

Vrouwen

Totaal

1844

24

21

45

1845

 

 

38

1846

32

29

61

1847

36

29

65

1848

39

32

71

1849

39

32

71

1850

37

34

71

1851

40

36

76

 

(5) Weeshuis voor jongens en meisjes (Fondatie Staelins)

De grens tussen openbare en private liefdadigheidsinstellingen kan soms moeilijk te trekken zijn. De weeshuizen van Oudenaarde zijn hiervan een schitterend voorbeeld. Als gevolg van een hevige twist over een legaat die zich begin jaren 1840 afspeelde zijn we zeer goed ingelicht over deze instellingen. De gespannen relatie tussen openbaar en kerkelijk beheer komt verder uitgebreid aan bod, bij private liefdadigheid. In dit stuk wil ik enkel een overzicht geven van het ontstaan en de werking van deze instellingen.

Het gaat hier om twee instellingen, genaamd école pour pauvres filles en école pour pauvres garçons, gesticht op respectievelijk 21 oktober 1648 en 24 september 1662[1297]. Om onduidelijkheden te vermijden met andere scholen zal ik steeds spreken van weeshuizen voor meisjes en jongens. De eerste werd gesticht door George Staelins, en had de bedoeling arme meisjes op te voeden tot ze volwassen waren[1298]. Dit deed hij in uitvoering van het testament van zijn gelijknamige vader uit 1646, die kanunnik was in de kapittelschool van Doornik. Het etablissement kreeg met dit testament een huis en enkele renten en persoonlijke obligaties[1299]. Het tweede werd gesticht door Jean Staelins, particulier uit Oudenaarde, en beoogde hetzelfde met jongens[1300].

 

Vooral over de institutionele positie van het weeshuis voor meisjes zijn we meer geïnformeerd. Vóór de Franse Revolutie stond deze instelling onder een commissie samengesteld uit het magistraat van de stad, samen met beide pastoors (Walburga en Pamele) en een familielid van de stichter (Staelins), in overeenstemming met de bepalingen van de stichtingsakte. Bij gebrek aan nazaten werd deze laatsten vervangen door één van de meest notabele bewoners van de parochie Pamele. Daarnaast maakten nog twee andere notabelen uit de parochies van Oudenaarde en Pamele er deel van uit. Deze commissie werd om de drie jaar vernieuwd[1301]. Na de aanhechting van de Zuidelijke Nederlanden aan Frankrijk, werd de leiding van dit tehuis aan de openbare instellingen toevertrouwd[1302]. De Administratieve Commissie van de Burgerlijke Godshuizen nam de administratie van het etablissement over in uitvoering van de wetten van 23 brumaire jaar V en 26 plûviose jaar VI (13.11.1796 en 14.02.1798). De meisjes, op dat moment gekleed in grijs laken met muts en schort in dezelfde kleur, woonden tot november 1802 in het oorspronkelijke huis, dat intussen de commissie toebehoorde. Daarna werden ze regelmatig verplaatst, tot ze uiteindelijk in januari 1843 terugkeerden naar het huis dat ze vanouds bewoonden, aan de oude linnenmarkt. Op dat moment waren ze gekleed in blauw laken, met witte muts, schort en hoofddoek[1303]. In 1844 kwam dit etablissement opnieuw gedeeltelijk onder leiding van de geestelijkheid van de stad, maar ook het college van burgemeester en schepenen kreeg er inspraak in. De leiding kwam niet meer toe aan de commissie van burgerlijke godshuizen, maar het weeshuis voor meisjes was waarschijnlijk wel nog rekenplichtig aan de commissie (zie verder).

In bijlage wordt een overzicht gegeven van het aantal kinderen dat in beide instellingen, voor jongens en voor meisjes, was ondergebracht. Eveneens is voor een aantal jaar de onderhoudskosten per dag per leerling weergegeven. Uit deze gegevens blijkt dat de bevolking van beide gestichten stabiel bleef op 10 leerlingen. Tijdens 1849 werd het toegelaten aantal kinderen in het meisjesweeshuis verhoogd tot 15, terwijl de jongens hiervoor moesten wachten tot 1858. De kinderen waren ongeveer 13 à 14 jaar in de instelling. Ze kwamen binnen op de leeftijd van 8 à 9 jaar, en bleven er tot ze ongeveer volwassen waren. De onderhoudskosten per dag per jongen bedroegen ongeveer 0,75 fr., voor meisjes was dit een stuk lager, ongeveer 0,44 fr. per dag. Hoe dit te verklaren is wordt dadelijk uiteengezet. Deze wezen volgden ook nog les in de gemeenteschool[1304]. Het geld dat de kinderen spaarden konden ze op een spaarrekening zetten bij de Société Générale. Bij hun eventueel overlijden of indien ze werden weggestuurd wegens slechts gedrag kwam dit geld toe aan de instelling, als vergoeding voor hun onderhoud. Verschillende kinderen wisten zo meer dan 100 fr. bij elkaar te brengen[1305].

Op 14 januari 1842 overleed Eugenius Bygodt, die de leiding had over het weeshuis voor jongens. De commissie van openbare godshuizen maakte bij het aanstellen van een opvolger gebruik van de gelegenheid om de onkosten voor dit tehuis aan een vaste prijs te onderwerpen. Daniel Haegenbeke (vrijgezel, 56 jaar oud) werd aangesteld als nieuwe meester. Hij mocht per jaar 226,30 fr. per ‘kweekeling’ spenderen, of 0,62 fr. per dag. Dit geld zou dienen voor voedsel (eten en drinken), onderhoud van kledij en beddengoed, nachtbewaking, het knippen van het haar, het vegen van kamers en andere kosten voor onderhoud en beheer. Enkel voor de aankoop van nieuwe kleren en het herstel ervan mochten extra kosten worden gemaakt. Het menu van de jongens zou bestaan uit twee ‘tamelijke’ boterhammen met koffie of thee voor ’s morgens, ’s middags een kroes bier, een boterham om vier uur en ’s avonds nog aardappelen met saus van boter en azijn. Op vleesdagen kregen ze daarbovenop ’s middags een groentensoep en 1,1 kg rundsvlees met aardappelen en groenten, naargelang het seizoen. Op visdagen at men enkel een karnemelksoep met aardappelen met saus van azijn en boter of gesmolten vet. De meester moest elke drie maand een overzicht geven van wat de jongens met de uitoefening van hun werk verdienden, met de namen van de meesters waar ze gewerkt hadden[1306].

Zoals gezegd kwamen de bewoners van het weeshuis voor meisjes in januari 1843 terug in het huis dat vanouds voor deze instelling werd gebruikt. De bestuurster van dit weeshuis, Cathérine Malfait, kon het bestuur van de instelling niet in dit gebouw aanvaarden, waardoor ook voor deze instelling een nieuwe bestuurster moest worden aangesteld. De commissie van de godshuizen stelde Marie de Blon (43 jaar oud) aan, en legde haar dezelfde verplichtingen op als Haegenbeke. Zij mocht per jaar 200,75 fr. per kind besteden, ofwel 0,55 fr. per dag. Dit was minder dan aan de jongens werd gespendeerd, omdat de Blon gebruik kon maken van het werk van de meisjes voor het stoppen en naaien van kousen, het maken van nieuwe hemden en slaaplakens, het herstellen en indien mogelijk maken van kleren, en tenslotte het wassen en schuren. Hun menu was identiek aan dat van de jongens. Het handwerk van deze kweekelingen zou volledig aan het gesticht toekomen, en zou hen door de bestuurster worden aangeleerd. Wel zouden de kinderen wekelijks ‘pijlgeld’ krijgen. Van dit werk moest de bestuurster elke drie maand een staat opmaken[1307]. Het budget dat per dag aan de meisjes mocht worden gespendeerd was echter ontoereikend. De klachten die de Blon hierover in januari 1844 uitte vond de commissie gegrond. Daarom werd haar een schadevergoeding van 175 fr. gegeven voor de extra kosten tijdens 1843, en mocht ze vanaf 1 januari 1844 0,60 fr. per dag per kind besteden (of 219 fr. per jaar), voor het onderhoud en het voedsel van de kinderen[1308]. Dit was echter nog niet voldoende, zodat de commissie in februari 1848 toestond dat de dagelijkse onderhoudskosten op 0,62 fr. werden gebracht, evenveel als voor de jongens werd toegestaan. De ondervinding had namelijk aangetoond dat de meisjes evenveel voedsel verbruikten als de jongens. Bovendien was de bestuurster de ganse dag bezig met de meisjes aan het werk te houden, terwijl de jongens bij ambachtslui in de stad werkten wat de bestuurder van de jongens toeliet intussen voor eigen rekening te werken[1309].

De meisjes keerden in januari 1843 terug naar het oorspronkelijke gebouw van hun instelling om gezondheidsredenen. De oorspronkelijke beslissing hiertoe in opgenomen in bijlage. Vóór deze verhuis verbleven de kinderen in een gebouw van het weeshuis voor jongens. Het is niet duidelijk dat de jongens in datzelfde gebouw verbleven, maar wel werd het tegelijk ook gebruikt voor de werkschool door Cathérine Malfait (zie verder). De commissie had het gebouw verschillende keren bezocht en trachtte er verbeteringen in aan te brengen, maar deze pogingen bleven vruchteloos. Het gebouw was niet ruim genoeg en te slecht verlucht voor de tien weesmeisjes. Alle kinderen waren het huis gezond binnengegaan, maar steeds meer werden er ziek of zelfs misvormd. Dit zorgde voor een gerucht onder de bevolking, waardoor ouders hun kinderen kwamen terugvragen om ze te vrijwaren voor besmetting met rachitis[1310]. Daarom besloot men de meisjes onder te brengen in een apart gebouw, het oorspronkelijke gebouw dat in het Ancien Regime steeds voor deze instelling was gebruikt. Tevens zouden ze een aparte bestuurster krijgen, en zou er later nog een reglement opgesteld worden[1311].

Dit reglement werd aanvaard op 17 december 1842 en wordt eveneens volledig weergegeven in bijlage. De nadruk hierin lag op drie zaken: arbeid, onderwijs en christelijke opvoeding[1312]. Ik onthoud mij van een verdere bespreking van dit reglement.

 

(6) Werkschool voor arme meisjes

De werkschool voor arme meisjes werd opgericht tijdens de deliberatie van de gemeenteraad van 4 oktober 1823, en dit werd goedgekeurd door de gedeputeerde staten van Oost-Vlaanderen op 20 november van dat jaar. Vier dagen later besloot het college van burgemeester en schepenen de leiding van deze school toe te vertrouwen aan Cathérine Malfait, en de administratie van het etablissement werd in handen gegeven van een commissie samengesteld uit de burgemeester, de pastoors van beide parochies, de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en een familielid van de stichter van het weeshuis voor arme meisjes[1313]. De samenstelling van deze commissie lijkt dus sterk op die van de hoger besproken weeshuizen vóór de overname ervan door de burgerlijke godshuizen. Alhoewel deze instelling toevertrouwd was aan een aparte instelling vond het stadsbestuur dat men ze kon zien als een deel van de openbare godshuizen, omdat bepaald was dat indien deze werkschool ooit ophield te bestaan, haar bezittingen zouden worden overgemaakt aan het weeshuis voor meisjes[1314]. Ten gevolge van een twist over een legaat, waarover verder meer, werd deze instelling nadien onder formele controle van de commissie van burgerlijke godshuizen geplaatst.

Sinds de oprichting van deze werkschool kon Cathérine Malfait gratis gebruik maken van een gebouw dat toebehoorde aan het weeshuis voor jongens. Tijdelijk verbleven daar ook de weesmeisjes, maar om gezondheidsreden werd eind 1842 besloten deze te verplaatsen. Tegelijk besloot men dat Malfait niet langer het gebouw gratis kon gebruiken[1315]. Malfait bood aan het huis te huren voor 350 fr. per jaar, wat door de commissie werd toegestaan[1316].

Het aantal leerlingen dat in dit etablissement een opleiding volgde wordt weergegeven in tabel 88. 70 leerlingen ongeveer gingen er gewoonlijk naartoe. Met de crisisjaren zou dit aantal duidelijk de hoogte ingaan, tot 102 in 1846. Nadien viel het echter opnieuw terug. Arme meisjes waren er het grootste deel van de dag actief met het spinnen van vlas, breien, naaien, borduren, festonneren en kantklossen. Ze stonden voortdurend onder toezicht van de directrice en haar helpers, en kregen op vastgestelde uren les in de school van De Smet (zie verder, bij onderwijs). Daarnaast bezochten ze ook de zondagsscholen. In het gebouw van de werkschool zelf werden 12 meisjes onderhouden (gevoed en gelogeerd), op kosten van dit etablissement[1317]. Aan deze werkschool was namelijk een weeshuis verbonden, dat eveneens onder leiding van deze commissie stond[1318].

Een overzicht van de inkomsten en uitgaven van dit etablissement is weergegeven in bijlage. Hieruit blijkt duidelijk dat het louter om een liefdadigheidsinstelling gaat en niet om een leeratelier dat een nieuwe nijverheid ingang trachtte te doen vinden. Men beschikte over een aanzienlijk patrimonium dat voor de voornaamste inkomsten zorgde. De opbrengst van het werk van de meisjes was verwaarloosbaar ten opzichte van de totale inkomsten van het etablissement, en het was dus geenszins de bedoeling de onderneming rendabel te maken op basis van dit inkomen. De opbrengst van de verkoop van hun werk volstond nog niet om het jaarloon van de meesteressen te betalen. Een analyse van de rekeningen leert onder andere dat deze meesteressen niet het ganse jaar door werden ingeschakeld. Vooral naaien moet de voornaamste activiteit geweest zijn, omdat de meesteres van het naaien steeds voor een gans jaar werd betaald. Een meesteres voor spinnen kwam na 1840 niet meer voor, terwijl die voor het kantwerk vaak slechts zes à negen maanden per jaar aan het werk werd gehouden[1319].

 

(7) Opvang van vondelingen en verlaten kinderen

De administratieve commissies van de burgerlijke godshuizen waren tenslotte ook verantwoordelijk voor de opvang van vondelingen en verlaten kinderen. Althans vanaf 1805, daarvóór werden de kinderen toevertrouwd aan de president van de stedelijke administratie. Volgens een reglement van 1797 moesten deze kinderen worden opgevangen in een speciaal voor hen bestemde instelling, een tijdelijke verblijfplaats waar ze een onderkomen hadden tot ze ergens werden geplaatst, en waar ze terugkeerden in geval van ziekte[1320]. Dankzij een enquête uitgevoerd in 1839 zijn we goed ingelicht over de manier waarop deze opvang in Oudenaarde was georganiseerd[1321]. Ook herbergt het OCMW-archief heel wat statistische gegevens die voor de bestudeerde periode in bijlage zijn opgenomen. De duidelijkheid van deze gegevens is evenwel soms vaag. Betrouwbaarder cijfers worden gegeven door eerder onderzoek van Catherine Scheerlinck aan de hand van de registers waarin de kinderen na opname werden ingeschreven[1322].

Bij besluit van de prefect van het Scheldedepartement op 1 april 1812 werd het ouderlingentehuis van Oudenaarde aangeduid als depot waar de gevonden en verlaten van het ganse arrondissement moesten worden opgevangen. Hoe ging men te werk indien er kinderen werden gevonden of verlaten? Gevonden kinderen werden toegelaten mits een proces verbaal van de gemeentelijke overheid, en men registreerde de kledij en andere zaken, het tijdstip en de plaats waar ze werden gevonden, eventuele natuurlijke kenmerken, hun geschatte leeftijd, hun geslacht en eventueel naam. Met verlaten kinderen gebeurde hetzelfde, en men noteerde ook nog hun namen, leeftijd, geboorteplaats, de reden waarom men ze had verlaten en de namen en woonplaats van hun ouders. Bij vondelingen trachtten politiecommissaris of burgemeester nog te achterhalen vanwaar deze kinderen kwamen, maar dit onderzoek was meestal vruchteloos. De oorzaak daarentegen was wel bekend: men meende dat het de ellende was die ouders ertoe bracht hun kind te verlaten. De meeste vondelingen vond men terug op de openbare weg.

Een opgevangen kind kreeg de nodige zorgen: voedsel, kledij en een onderzoek door een dokter. Indien het kind ziek was, bleef het enige tijd in het hospitaal, indien niet werd het kind na drie of vier dagen in het opvangtehuis bij een voedster op het platteland geplaatst. In de stad Oudenaarde zelf waren geen voedsters. Voedsters waren bij voorkeur getrouwde personen of weduwen, wiens moreel, goed gedrag en netheid voldoende garantie boden voor het onderhoud van de kinderen. De kosten voor hun onderhoud werden tot hun twaalfde verjaardag betaald door de commissie, tenzij in geval van gehandicapte kinderen, voor wie men vaak tot op een langere leeftijd moest betalen. Na de leeftijd van twaalf jaar zorgde de commissie voor hun onderhoud door ze te plaatsen bij ambachtslui of landarbeiders. Vreemd genoeg vond de commissie dat het beter zou zijn wettelijk te bepalen dat men tot de leeftijd van vijftien jaar zou moeten betalen voor het onderhoud en de kledij van de kinderen, omdat de meeste kinderen op de leeftijd van twaalf nog niet in staat waren zelf aan de kost te komen. Dit toont nogmaals aan dat de burgerlijke godshuizen van Oudenaarde geen armetierige instelling was. Tweemaal per jaar werden de kinderen bezocht door een dokter, en indien de voedster dit nuttig achtte konden de kinderen steeds worden opgenomen in het ziekenhuis bij ziekte. Indien bij het doktersbezoek bleek dat de kinderen slecht onderhouden waren, werden ze er weggehaald en elders geplaatst[1323].

Controle op de kinderen was nodig. Vaak werden kinderen door voedsters aanvaard als een vorm van extra inkomen door de toelage die men hiermee kreeg, en om financiële reden wilden ze zelfs meerdere kinderen aanvaarden. Welstellende gezinnen boden zich zelden aan als pleeggezin. Volgens Scheerlinck werden deze kinderen zelden beschouwd als lid van de familie, maar eerder als een knecht. Talrijke overplaatsingen van de kinderen zijn hiervan getuige[1324]. De secretaris van de commissie, Henry Désiré van Huffel, was verantwoordelijk voor deze kinderen, waarvoor hij jaarlijks 317,26 fr. ontving. Hij hield zich met deze kinderen bezig als secretaris, en stond daarnaast ook nog in voor de inspectie van deze kinderen[1325]. Mogelijks werd deze vergoeding door de staat uitbetaald. Dat was althans het geval bij Florent Van Huffel, die hem na zijn dood op 12 augustus 1849 opvolgde. Hij werd betaald door de commissie als secretaris en zou voor zijn inspanningen voor de verlaten en gevonden kinderen apart door de staat worden vergoed. Ook de ontvanger van de instelling werd door de staat vergoed voor zijn diensten voor de vondelingen en verlaten kinderen[1326].

De cijfers die ik heb verzameld over vondelingen en verlaten kinderen gaan tot 1850, en hieruit blijkt geen toename van het aantal kinderen dat door hun ouders aan de openbare instellingen werd overgelaten. Integendeel, gedurende heel de overlopen periode verminderde dit zelfs, inzonderheid tussen 1834 - 1838. Werden er in de jaren 1820 nog bijna honderd dergelijke kinderen door de commissie onderhouden, dan was dit in 1850 nog slechts een dozijn. Ook tijdens de crisis van de jaren 1840 neemt dit aantal niet toe[1327]. De daling in de jaren dertig moet het gevolg geweest zijn van de wet van 30 juli 1834, die bepaalde dat de kosten voor verlaten kinderen moesten worden verhaald op de gemeente waar ze hun onderstandswoning hadden. Volgens de commissie van burgerlijke godshuizen had dit voor een daling gezorgd van het aantal verlaten kinderen door de stad onderhouden, omdat verschillende gemeenten als gevolg van deze wet de kinderen waarvoor ze verantwoordelijk waren hadden opgevraagd[1328]. De dalende tendens wordt bevestigd door het onderzoek van Scheerlinck (zie tabel 93). Wel is er op een nagenoeg voortdurend dalende lijn één duidelijke uitzondering, die er op het eerste gezicht op wijst dat de crisis niet zonder gevolgen was. De dalende lijn hield tijdens de jaren 1840 aan, maar vertraagde wel, en zou in het volgende decennium opnieuw even de hoogte ingaan. Daardoor ligt het aantal verlaten kinderen in de jaren 1850 dubbel zo hoog als dat van de vorige tien jaar. Het is wel zo dat de meeste verlaten kinderen na 1850 ofwel uit Oudenaarde zelf kwamen, ofwel uit andere steden (Gent, Brussel, Kortrijk, Antwerpen, Luik, Roubaix, Rijsel en zelfs één uit Parijs). Voordien kwamen er meer kinderen uit het platteland voor, inzonderheid uit de rechteroever van de Schelde[1329]. Deze stijging heeft dus niet zozeer te maken met de gevolgen van de crisis, maar lijkt er eerder op te wijzen dat Oudenaarde een opvangcentrum werd voor kinderen uit andere steden. Het gaat hier enkel om verlaten kinderen. Kinderen die te vondeling werden gelegd werden volgens Scheerlinck steeds zeldzamer[1330].

 

Tabel 93. Aantal opgenomen verlaten kinderen, 1816-1899[1331]

Periode

Aantal kinderen opgenomen

1816 - 1819

83

1820 - 1829

52

1830 - 1839

27

1840 - 1849

22

1850 - 1859

44

1860 - 1869

11

1870 - 1879

4

1880 - 1889

3

1890 - 1899

7

 

Geen verlaten kinderen werden onderhouden door het armbestuur. Althans, dat is wat in verschillende brieven aan de gouverneur werd gezegd[1332]. Toch kon de instelling in 1846, wanneer blijkbaar een onderzoek naar de opvang van vondelingen, verlaten kinderen en wezen werd uitgevoerd, een overzicht produceren van de kinderen die werden onderhouden. Mogelijks onderhield de instelling daarnaast wel wezen, in 1849 werden hierover namelijk door de stad statistieken opgevraagd[1333].

Dit overzicht van 1846 is opgenomen in bijlage voor de verschillende instellingen van Oudenaarde. Wat het armbestuur betreft, geen enkel door hen onderhouden kind werd in een instelling geplaatst, allemaal zaten ze bij particulieren. Vermoedelijk bleven ze allemaal ook binnen de stad Oudenaarde, want geen enkel van deze wezen of verlaten kinderen was actief in landbouw. Allemaal leerden ze een immers ambacht. Degenen die nog geen onderwijs hadden genoten werden liepen school. Ook de kinderen onderhouden door de commissie waren zo goed als allemaal bij particulieren geplaatst en volgden indien nog nodig onderwijs. Onder hen waren er nu echter wel verschillende die actief waren in landbouw. De kinderen uit de weeshuizen (Fondatie Staelins), die eerder werden besproken en die ook in dit overzicht zijn opgenomen, waren nagenoeg de enige die in instellingen verbleven. Zonder uitzondering volgden ze allemaal school en eveneens leerden ze een ambacht. Zoals we hoger zagen, volgden jongens een opleiding bij ambachtslui in de stad, meisjes daarentegen werden in de instelling zelf onderwezen.

In tabel 94 staat een vergelijking tussen de verschillende instellingen met de kosten voor het onderhoud van de kinderen. Hieruit blijkt duidelijk dat de uitbesteding die door het armbestuur en de commissie gebeurde een stuk goedkoper was dan onderdak bieden in een instelling. Voor de kinderen in de beide weeshuizen werd zelfs vrij veel geld uitgegeven, in vergelijking met bijvoorbeeld een dagloon. De kosten per kind per dag bij de andere instellingen zijn een stuk lager. Wel dient te worden genoteerd dat het hier slechts om gemiddelden gaat. Gewoonlijk werd meer geld uitgegeven voor jongere kinderen. Eens ze in staat waren zelf hun brood te verdienen verminderden de toelagen. Dat blijkt uit de onderverdeling per leeftijd zoals weergegeven in de bijlage. Aan de efficiëntie van deze zorg kan ernstig getwijfeld worden. Slechts iets meer dan de helft van de verlaten kinderen die in de negentiende eeuw werden opgenomen werd meerderjarig[1334].

 

Tabel 94. Onderhoudskosten voor wezen, vondelingen en verlaten kinderen, 1846[1335]

Instelling en soort kinderen

Aantal kinderen

Totale kosten (fr.)

Kosten per kind per jaar (fr.)

Kosten per kind per dag (fr.)

Armbestuur: wezen

7

600,91

85,84

0,24

Armbestuur: verlaten kinderen

4

211,51

52,88

0,14

Burgerlijke Godshuizen: vondelingen

3

223,82

74,61

0,20

Burgerlijke Godshuizen: verlaten kinderen

20

1285,20

64,26

0,18

Weeshuis voor jongens en meisjes (Fondatie Staelins)

20

6219,70

310,99

0,85

 

1.3 Private liefdadigheid

 

In de veronderstelling dat de pas georganiseerde openbare bijstand goed werkte werden alle private liefdadigheidinstellingen verboden op 8 april 1795. Toch bleef deze vorm van bijstand in de rest van de negentiende eeuw vrij belangrijk, en ondanks het illegitiem karakter ervan werd deze vaak door de vingers gezien. Deze instellingen hadden wel geen rechtspersoonlijkheid, en konden slechts omhalingen doen mits toestemming van het gemeentebestuur. Tot 1850 kunnen beide structuren vreedzaam naast elkaar bestaan.

Tegengestelde ideologische opvattingen van liberalen en katholieken zouden er echter voor zorgen dat deze houding t.o.v. private liefdadigheid veranderde. Liberalen wilden de macht van de Kerk zoveel mogelijk indijken, wat voor hen betekende dat enkel de regering openbare diensten kon oprichten en beheren. Dit had twee gevolgen: enkel de staat kon voor instellingen zorgen die ten goede kwamen aan het openbaar belang, en hierdoor konden particulieren enkel schenkingen doen door deze aan de openbare instellingen over te dragen. Katholieken zagen de zaken anders. Volgens hen was het geven van aalmoezen een essentiële burgerlijke vrijheid, en het stond hen eveneens vrij deze schenkingen een permanent karakter te geven. Dit liet de oprichting van instellingen toe, waarmee de Kerk – die door de revolutie haar monopolie op liefdadigheid verloren was – haar centrale plaats in de maatschappij opnieuw trachtte in te nemen[1336].

 

(1) Financiële private liefdadigheid buiten instellingen

Financiële steun voor de armen moest door weldoeners aan de openbare instellingen worden afgegeven, die erop zouden toezien dat de middelen rechtvaardig werden gebruikt.

De meest courante vorm van financiële liefdadigheid was het rechtstreeks geven van aalmoezen aan wie erom vroeg. De gegoede inwoners van Oudenaarde reserveerden hun aalmoezen voor de donderdag, wanneer de markt in Oudenaarde doorging[1337].

Andere vormen van financiële hulp konden bestaan in het ondersteunen van de openbare instellingen. De werkschool voor arme meisjes, onderhouden door Cathérine Malfait, dankte een klein deel van zijn inkomens aan vrijwillige inschrijvingen. Maar tijdens de crisis zou er geen toename hiervan plaatsvinden, integendeel. Ontving men in 1840 nog voor 162 fr. aan financiële steun van gegoeden uit de stad, dan was dit in 1850 verminderd tot 46 fr[1338]. In juli 1844 stelde de “Société de la gaité” van Ath voor een concert te geven ten voordele van het Armbestuur van Oudenaarde. Dit zou doorgaan in de grote zaal van het stadhuis. Wel wenste de maatschappij dat de officieren en onderofficieren geen inkomprijs zouden moeten betalen[1339].

Een belangrijke vorm van financiële steun aan de openbare instellingen bestond uit legaten en schenkingen. Het is niet de bedoeling hier een overzicht te geven van alle giften die tijdens de onderzochte periode aan openbare liefdadigheidsinstellingen werden geschonken, alhoewel dit in principe makkelijk te doen zou zijn. Dit moest immers steeds de goedkeuring van de gemeenteraad en de permanente deputatie wegdragen. Legaten konden zowel klein als aanzienlijk zijn, naargelang het vermogen van de gever. Een anonieme persoon bijvoorbeeld verzocht het armbestuur een lijfrente van 7.000 fr. aan te nemen, op voorwaarde voor de rest van haar leven jaarlijks 420 fr. uitbetaald te krijgen, en dat na haar dood de Zwarte Zusters jaarlijks 10 fr. zouden krijgen. Hiervoor moesten minstens vijf van hen aanwezig zijn bij twee namissen voor haar zielerust. Ook de commissarissen van het armbestuur moesten jaarlijks 2 fr. krijgen voor hun aanwezigheid bij die diensten[1340]. Legaten moesten in de liberale visie net als aanzienlijke giften (niet aalmoezen) aan de armen ten goede komen, uitsluitend door ze af te geven aan de openbare instellingen. Dat private liefdadigheid moest geschonken worden aan de publieke overheid werd reeds in de zestiende eeuw bepaald, en leidde volgens Lis en Soly tot wrevel bij de weldoeners. Immers, op die manier was er geen direct contact meer tussen de schenker en de ontvanger en werd het gebaar van liefdadigheid minder zichtbaar[1341]. Om toch in de gebeden van de armen voor te komen stipuleerde bijvoorbeeld Albertine Hamelynck (gestorven 27.02.1841) in haar testament onder andere dat het armbestuur jaarlijks 60 fr. zou krijgen. De voorwaarde was dat deze instelling aan de armen een steeds bepaalde hoeveelheid brood zou uitdelen op de dag van haar jaargetijde in elk van de parochies Pamele en Walburga, én op voorwaarde aan haar erfgenamen een certificaat af te leveren dat deze verdeling wel degelijk gebeurde.

Begin 1845 werd een inschrijving gehouden ten voordele van de arbeiders die onder de strenge winter van 1844-1845 te lijden hadden. Het is niet duidelijk of het initiatief hiervan uitging van het gemeentebestuur of van enkele inwoners van de stad. Evenmin is het duidelijk of dit de eerste keer was dat een dergelijke vorm van steun doorging. Het is de enige keer dat ik de vermelding ervan tegenkwam in de gemeenteraadsverslagen, maar volgens een lezer die een brief schreef over de spoorweg, die hij publiceerde op het moment van deze inschrijving (cfr. algemeen gedeelte), gebeurde dit jaarlijks[1342]. Voor de verdeling van de opbrengst vroeg de burgemeester in april 1845 aan de dekens van de gebuurten van de stad een lijst met arbeiders die het meest onder de winter hadden geleden. Van de opbrengst waren wel degenen die regelmatig door het armbestuur werden onderhouden uitgesloten, evenals degenen die vóór de nieuwe wet op de onderstandswoning van 1845 nog geen vier jaar in Oudenaarde woonden[1343]. De totale opbrengst bedroeg 1.136 fr., waarvan 1.030 fr. werd verdeeld. De overige 106 fr. werd door het college gebruikt voor degenen die niet op de lijsten voorkwamen. Enige overschotten zouden worden overgemaakt aan het armbestuur[1344].

Naar aanleiding van de crisis werden verschillende voorstellen gedaan om extra maatregelen te nemen om de moeilijkheden van de armen te verzachten. In de Gazette van Audenaerde werd de oprichting van een commissie voorgesteld die zich zou bezighouden met het beheren van openbare giften die verzameld werden door beurzen, geplaatst in de belangrijkste kroegen en vergaderplaatsen van de stad. Dit bleef aanvankelijk zonder gevolg, tot er zich midden december 1845 een jongen aanbood in verschillende kroegen en die om een aalmoes vroeg voor de werklieden die zonder werk zaten. De krant wist echter niet door wie hij gezonden was of voor wiens rekening hij geld ophaalde. Men wist niet of er een dergelijke commissie was opgericht, en ook later werd er in de krant niet meer van gesproken. De Gazette vond wel dat dit geld moest worden gebruikt om de armen werk te verschaffen. Indien men het zou gebruiken om “de luiheid te onderhouden”, dan kon er maar weinig goeds van komen, aldus de krant[1345].

Er werden ook grootschaliger voorstellen gedaan. Adolphe Bartels bijvoorbeeld bracht een aantal ideeën ten berde om de bedelarij uit te roeien. Zo zou de overheid niet alleen wegen moeten aanleggen om de armen bezig te houden, maar ook andere concessies voor openbare werken moeten toestaan om voor werk te zorgen. Daarnaast kon men de heidegronden ontginnen en de moerassen droogleggen. Om de kosten van dit alles te dekken zou tenslotte een nieuw belastingsstelsel in voege moeten worden gebracht, naast de verplichte verzekering bij de staat tegen brand en andere rampen[1346]. Ook de Gazette van Audenaerde pleitte regelmatig voor de ontginning van heidegronden in de Kempen[1347]. Eind 1846 ontwierp Auguste Houyet, administrator bij de maatschappij voor stoommachines te Brussel, een ander filantropisch project. Hij bracht het stadsbestuur hiervan per brief op de hoogte, dat het project toejuichte, maar evenwel beleefd weigerde[1348]. Zijn project bestond erin geld te verzamelen voor de armen door inschrijvingen, en werd ook door de Gazette van Audenaerde overgenomen[1349]. Een week later werd dit project door de krant wat aangepast[1350].

Rond dezelfde periode, eind 1846, meldde de Gazette van Audenaerde dat de armen die door het Armbestuur werden ondersteund een voedzame soep kregen, naast wekelijkse verdelingen van geld, brood, aardappelen, kolen, e.d. Daarom richtte de krant de aandacht van milddadigen op personen die niet door deze instelling werden ondersteund[1351].

 

(2) Materiële private liefdadigheid buiten instellingen

Deze vorm van private liefdadigheid is zeer moeilijk na te gaan, en nog moeilijker is het om het belang ervan te bepalen. Wegens gebrek aan een institutioneel kader kan deze slechts een occasioneel karakter hebben. Het enige wat ik er erover kan zeggen is dat ook deze vorm van steun in Oudenaarde voorkwam, aan de hand van twee voorbeelden.

Maandag 16 mei 1842 werd om elf uur een mis gedaan ter nagedachtenis van het 21ste jaargetijde van de dood van Napoleon. Dit eerbetoon werd gehouden door de “Maetschappy der oude Wapenbroeders van den Keizer.” Nadien werden op kosten van deze maatschappij 200 broden uitgedeeld[1352]. Eind december 1846 liet mevr. Liedts, de vrouw van Charles Liedts (lid van de Kamer), verschillende dekens, hemden en slaapmutsen in Oudenaarde toekomen om aan de armen te worden verdeeld[1353].

 

(3) Private liefdadigheidsinstellingen

Wegens hun de iure illegitiem karakter schommelden verschillende private liefdadigheids-instellingen op de rand tussen openbaar en privaat. In principe resideerden alle instellingen die niet ‘aan huis leverden’ onder de commissie van burgerlijke godshuizen. Dat was het geval met de werkschool voor arme meisjes, de weeshuizen voor jongens en meisjes, en de congregatie van hospitaalzusters.

Voor zover ik heb kunnen nagaan waren er slechts twee liefdadigheidsinstellingen volledig in private handen, in casu in handen van de geestelijkheid. Het gaat om de werkschool van de Dames de la doctrine chrétienne en het weeshuis geannexeerd aan de werkschool voor arme meisjes. Dit laatste weeshuis stond onder leiding van dezelfde commissie van de werkschool, en was dus grotendeels samengesteld uit geestelijken, notabelen van Pamele en de burgemeester. Hoger zagen we reeds dat hier twaalf meisjes waren opgevangen.

Wat de andere werkschool betreft, deze van de Dames de la doctrine chrétienne, mogelijks werkte die samen met een school voor lager onderwijs die eveneens door deze Dames werd onderhouden, door de Gazette van Audenaerde het “Gesticht der Jufvrouwen van de Kristelyke leering” genoemd[1354]. Enkel meisjes werden in deze lager school ontvangen, in waarschijnlijk gold dit eveneens voor de werkschool[1355]. Tabel 88 toont aan dat ongeveer tussen 70 en 80 kinderen hier aan het werk werd gesteld. Na 1844 komt deze school niet meer voor in het Exposé van de provincie, en komt de werkschool van het Armbestuur in de plaats. Daarom vermoed ik dat de werkschool rond die tijd werd opgeheven. Of deze werd overgenomen door de werkschool van het Armbestuur valt moeilijk te zeggen, want er is een duidelijk verschil in het aantal leerlingen.

Drie casussen zijn boeiend om te volgen, omdat ze ons duidelijk inlichten over de moeilijke relaties tussen privaat en openbaar beheer van liefdadige instellingen. De eerste is die van de verhouding tussen de commissie van burgerlijke godshuizen en de hospitaalzusters. De tweede en derde casus zijn sterk met elkaar verbonden, zijn beide het gevolg van een legaat van Colette Bauwens en hebben betrekking op het beheer van de werkschool voor arme meisjes en het weeshuis voor arme meisjes (fondatie Staelins). Terwijl de eerste uit private handen genomen werd en formeel aan de commissie werd toevertrouwd, gebeurde met de tweede het omgekeerde. Deze twee casussen worden verder behandeld. Eerst volgt de moeizame verhouding tussen de commissie en de hospitaalzusters in de eerste helft van de negentiende eeuw.

 

(4) De Commissie van Burgerlijke Godshuizen en de Hospitaalzusters

De gehele eerste helft van de negentiende eeuw verliep de relatie tussen de hospitaalzusters en de commissie moeilijk volgens Marcel Hoebeke. Door een gebrek aan objectiviteit – hij kiest manifest partij voor de zusters – is het echter moeilijk deze relatie aan de hand van zijn werk precies in te schatten[1356]. Ik doe een poging aan de hand van wat ik zelf heb onderzocht.

Tijdens de Nederlandse periode werd de commissie in haar ‘strengheid’ tegenover de orde duidelijk geruggensteund door de overheid. Dame Long, de enige overgebleven zusters uit de tijd vóór Jozef II, die intussen priorin was geworden van de opnieuw opgerichte orde, werd bijvoorbeeld in 1818 terug afgezet als econome[1357]. Er waren klachten over haar. In een brief van de gouverneur aan de burgemeester van Oudenaarde uit 1819 schreef hij met tevredenheid dat de Zwarte Zusters zich richtten naar de beschikkingen van het decreet van 18 februari 1809 omtrent deze congregaties, dat bepaalde dat hun inspanningen die ze in het hospitaal leverden moesten worden ingeschreven in een register. Deze tevredenheid kon hij niet opbrengen voor de hospitaalzusters. Zij verwaarloosden hun verplichtingen, en hadden zelfs in een brief aan de bisschop gevraagd de gouverneur hen daarvan te laten ontslaan. Het was echter niet aan hem om daarover te beschikken, en bovendien zou de brief blijk gegeven hebben van een “mépris coupable” van de autoriteit, waaraan het bisdom overigens was onderworpen. De activiteiten van de kloosterlingen konden enkel worden erkend als ze werden ingeschreven in het register[1358]. Wanneer Dame Long op 15 juni van dat jaar overleed, vroeg de gouverneur de burgemeester erop toe te zien dat de ongemakken die bij Long werden gesignaleerd zich niet meer zouden voordoen onder de nieuwe priorin[1359].

De commissie werd misschien wel gesteund door de provincie, maar een koninklijk besluit van 1819 was meer in het voordeel van de zusterorde. In zijn besluit van 9 juli 1819 kwam Willem tussenbeide in een laatste verzoek van Long met klachten over de administratie van de commissie. In dit verzoek werd onder andere gevraagd dat de commissie de rekeningen van het hospitaal zou willen bekijken en haar bevindingen overmaken, dat de hospitaalzusters opnieuw het beheer van de instelling konden waarnemen en dat het aantal zusters met twee zou worden vermeerderd. Omdat Long intussen was overleden bestonden volgens de koning de belemmeringen niet meer die de gedeputeerde staten naar voor haalden om de eendracht van het etablissement te herstellen. Daarom zouden de gedeputeerde staten moeten bemiddelen met het plaatselijk bestuur om maatregelen te nemen die het gesticht zoveel mogelijk in overeenstemming zouden brengen met de oorspronkelijke organisatie ervan, en daarbij moest het belang van de zusters zoveel mogelijk voor ogen worden gehouden[1360]. Kort na dit besluit, in augustus, kwam een nieuw reglement tot stand, dat stand hield tot het definitieve reglement van 1824 (cfr. supra).

De ‘strijd’ tussen beide belangengroepen zou zich nadien vooral afspelen om het aantal zusters waaruit de orde mocht bestaan. Volgens Hoebeke trachtte de commissie het aantal zusters zoveel mogelijk in te perken, waardoor de gemeenschap niet in staat zou zijn een degelijke zorg aan de armen te verlenen. Volgens hem beoogde men niet de verwijdering van deze gemeenschap, maar koesterde men wel heimelijke hoop dat de congregatie ontmoedigd de taak zou opgeven[1361]. Bij de aanstelling van een opvolgster voor Long in 1822, Thérèse Wauters, weigerde het stadsbestuur of de commissie bijvoorbeeld haar benoeming goed te keuren. Verzoeken daartoe bleven onbeantwoord. Ook een verhoging van het aantal zusters was moeilijk voor de commissie. Wanneer Willem het aantal toegelaten zusters in januari 1827 op zeven vastlegde, bekrachtigde hij een reeds drie jaar bestaande toestand. Dat jaar werd Maria-Josephé Torné priorin[1362].

Liberalen en katholieken sloegen kort daarna de handen in elkaar om Willem te verdrijven. Door dit monsterverbond en het unionisme bleven ernstige ideologische conflicten lange tijd onderhuids, tot ongeveer de oprichting van de liberale partij in 1846 en de liberale verkiezingsoverwinning van 1847. Toch ontstond in Oudenaarde reeds eind 1831 een twist over de aanstelling van een novice bij de hospitaalzusters. Op 26 november 1831 schreef de administratieve commissie van de godshuizen een brief naar het stadsbestuur, waarin stond dat Petronella Sidonie Torné door de zusters aanvaard was als novice, en dat zij het habijt had aangenomen. Dit was echter in strijd met art. zes van het reglement uit 1824 van deze instelling, dat stipuleerde dat een dergelijke aanstelling eerst door de gedeputeerde staten moest worden goedgekeurd. Dat was in dit geval niet gebeurd, en de commissie vroeg hoe ze moest optreden[1363]. Deze brief bracht de bal aan het rollen.

Twee dagen later bracht de burgemeester de gouverneur op de hoogte[1364]. Volgens de bisschop van Gent ging het slechts over een formaliteit die de priorin van Oudenaarde over het hoofd had gezien, een formaliteit die door geen enkele wet was vereist maar enkel door dit reglement uit 1824. Dit voorzag in een procedure waarbij een postulante slechts werd aanvaard nadat de commissie van de godshuizen en de gemeenteraad (en via die weg dan waarschijnlijk door de gedeputeerde staten) hun ‘zegen’ hadden gegeven. Enkel in Oudenaarde was een dergelijke goedkeuring noodzakelijk[1365]. Dit reglement kwam overigens tot stand op een moment dat de zetel van de bisschop vacant was. Het betreffende artikel gaf volgens de bisschop gevolg aan het keizerlijk decreet van 1810 dat de orde van de hospitaalzusters opnieuw erkende (cfr. supra), en dat inhield dat de hospitaalzusters onderworpen waren aan de godshuizen voor wat de zieken betreft, en aan het bisdom voor wat het spirituele betreft. De bisschop beriep zich echter op art. 14 van de grondwet – dat alle Belgen de vrijheid van cultus garandeerde (godsdienstvrijheid) – om aan te tonen dat gemelde bepalingen in het reglement nietig waren.

“[…] depuis de concile de Trente on ne peut contester à un Évêque le droit d’examen d’une postulante, ni le droit de délier une religieuse de ses engagements spirituels: et voilà cependant ce que ces deux articles [art. 6 & 14] ravissent ou méconnaissent dans l’Évêque de Gand. Je ne connais dans tout mon diocèse que l’hôpital d’Audenarde, ou on a jamais tenté d’enlever ce droit à l’évêque de Gant. Partout les hospices se contentent de connaître le nombre de religieuses, et de savoir qu’elles ne passent pas le nombre autorisé[1366].”

In de gemeenteraadszitting van 25 februari 1832 werd echter beslist dat er geen redenen waren om het reglement aan te passen[1367]. Het Comité de Conservation (in vervanging van de gedeputeerde staten) drong hierop aan[1368]. De minister van Binnenlandse Zaken was intussen ook al tussenbeide gekomen. Naar aanleiding van zijn schrijven werd eind 1832 een commissie door de gemeenteraad samengesteld die zijn brief zou onderzoeken. Op basis hiervan besliste de gemeenteraad een maand later echter opnieuw dat men geen redenen zag om het reglement aan te passen, met 8 stemmen tegen 2. Bovendien werd van de commissie van burgerlijke godshuizen een strikte uitvoering van het reglement gevraagd[1369].

Begin 1834 kwam de minister van binnenlandse zaken naar voor met specifieke voorstellen tot verandering van de artikels van het reglement. Deze voorstellen kwamen overeen met wat de gemeenteraad steeds had verdedigd, waardoor de redenen tot de beslissing die de gemeenteraad eerder nam om het reglement te behouden kwamen te vervallen. De gewraakte artikels zes en veertien zouden worden aangepast. Vanaf dan zouden nieuwe zusters pas worden aanvaard tot het verzorgen van de zieken, op voordracht van de reeds aangenomen juffrouwen, na goedkeuring van de commissie van burgerlijke godshuizen en de gemeenteraad. Indien een zuster haar taken niet nakwam, kon haar tijdelijk de toegang tot de ziekenzaal worden ontzegd. Indien ze daarna opnieuw aan haar verplichtingen zou verzaken, kon de commissie voorstellen haar te laten wegzenden, wat de gemeenteraad kon goedkeuren na met de priorin en de betrokken zuster gesproken te hebben. Zij kon tegen deze beslissing in beroep gaan bij de gedeputeerde staten[1370].

Door deze beslissing verminderde de controle van de commissie op de kloosterorde slechts gedeeltelijk. Wat voor de commissie wellicht vervelend was, was dat de priorin regelmatig om een verhoging van het toegelaten aantal zusters vroeg. Zoals hoger gezien werd het aantal zusters in 1827 van vijf op zeven gebracht[1371]. Drie jaar later werd dit verhoogd tot negen, door een koninklijk besluit van Willem op 24 januari 1830[1372]. In 1835, slechts een jaar nadat het vorige conflict door een beslissing van de minister van binnenlandse zaken was opgelost, kwam het nog maar eens tot een confrontatie. In dat jaar had werd in het hospitaal een groot aantal soldaten opgenomen, en tevens waren er cholera- en tyfusslachtoffers. Op 15 oktober 1835 delibereerde de commissie op het verzoek van de priorin om omwille van het groot aantal patiënten het aantal zusters te kunnen verhogen[1373]. De commissie kon geen beslissing nemen (3 stemmen tegen 3), waarna het verzoek door de gemeenteraad werd verworpen. De zaak werd voorgelegd aan de minister van justitie, die zich echter onbevoegd verklaarde. Volgens hem moesten de zusters worden beschouwd als het andere personeel, waardoor het enkel aan de bevoegde instellingen toekwam het aantal zusters te bepalen. Dit werd doorgeschoven naar het Comité de conservation (dat de gedeputeerde staten opvolgde), en deze instelling erkende de nood om het aantal zusters te verhogen. Dit comité legde op 9 april 1836 het aantal zusters vast op elf.

Maar, zoals hoger gezegd richtte de commissie in 1838 een ouderlingentehuis op, om het aantal personen in het hospitaal te verminderen. Tot een apart gebouw voor de ouderlingen kwam het echter pas later. Maar datzelfde jaar werd voor de soldaten een eigen ziekenhuis gebouwd, en de commissie meende dat hierdoor het aantal zusters kon worden gereduceerd tot negen. Deze vermindering werd door de gemeenteraad goedgekeurd in mei 1838. De bisschop verzette zich echter tegen deze beslissing, die klachten uitte bij de permanente deputatie. Deze haalde er opnieuw de minister van binnen- en buitenlandse zaken bij[1374]. Deze vond opnieuw dat de overheid slechts bemiddelend kon optreden, maar vond een vermindering van het aantal zusters wel vreemd: “Il me semble que si l’on pouvait faire disparaître les causes de la division qui existe entre les religieuses et la commission, il ne devrait être pas difficile de faire comprendre à cette dernière que le nombre de onze religeuses n’est pas exagéré pour un hôpital comme celui d’Audenarde[1375].” Toch bleef het aantal religieuzen op negen[1376].

Nadien komen voor zover ik heb kunnen nagaan geen ernstige conflicten meer voor. Toch bleef de verhouding tussen de commissie en de congregatie moeilijk. In 1839 werd Thienpont door de gemeenteraad niet meer verkozen tot lid van de commissie, en hij zou volgens Hoebeke steeds de zaak van de zusters verdedigd hebben[1377]. Op één februari 1845 schreef de priorin, Torné, dat ze graag als econome zou worden aangesteld van het ouderlingentehuis[1378]. Diezelfde dag nog werd echter Emanuel De Vos door de commissie op deze post gezet[1379]. In oktober 1848 schreef de priorin zelfs in een brief dat er zou worden gedelibereerd over de opheffing van de kloosterorde. Hiervan is echter niets terug te vinden in de gemeenteraadsverslagen of de deliberaties van de commissie[1380].

Rond 1850 zou de positie van de commissie aanzienlijk veranderen volgens Hoebeke. Volgens hem had men tijdens de besmettelijke ziekten de religieuzen leren waarderen, en zou de verstandhouding tussen beide verbeteren[1381]. Het is inderdaad zo dat wanneer de priorin op 1 april 1852 verzocht de ruimte te vergroten waar de mis werd opgedragen voor zieken en ouderen, de commissie hierin toestemde op 7 april[1382]. Misschien had burgemeester Henri Liefmans (burgemeester van 1844 tot 1850) hier enige invloed op gehad. Alhoewel liberaal, had hij volgens een familielid van de priorin een “caractère doux et conciliant[1383].”

 

(5) Het legaat van Colette Bauwens en de nasleep ervan

In 1848 kondigde de minister van justitie aan dat hij de wet strikt zou toepassen, wat inhield dat het enkel aan de door de wet aangestelde ambtenaren toekwam om te beschikken over een patrimonium van de armen, en dit te verzamelen, beheren en verdelen. Vanaf dat moment nam het aantal twisten over het uitvoeren van testamentaire schenkingen sterk toe. Schenkingen en legaten aan pastoors of kerkfabrieken werden hierdoor immers illegaal[1384]. Misschien was het in dit kader dat de burgemeester in augustus 1848 een lijst naar de gouverneur stuurde met alle hospitalen, godshuizen, e.d. van de stad die niet door de commissie van burgerlijke godshuizen werden bestuurd. Deze lijst was evenwel leeg[1385]. In Oudenaarde speelde zich reeds begin jaren 1840 een aanslepende strijd af om de verdeling van een nalatenschap van Colette Bauwens, met verregaande gevolgen. Van deze strijd tracht ik nu een overzicht te geven.

Colette Bauwens, overleden op 7 april 1840, liet in haar testament van 18 oktober 1831 onder andere 1.814,05 fr. na aan het armbestuur, evenveel aan de kerkfabriek van Pamele, en nog eens 1.269,84 fr. aan de Arme meyskens school[1386]. Het is dit laatste dat voor problemen zorgde: wat bedoelde Bauwens met de ‘arme meyskens school’? Het was de werkschool voor arme meisjes die aanvankelijk toestemming vroeg om het legaat te mogen aanvaarden, en het kreeg die ook van de permanente deputatie[1387]. Maar algauw kwam de commissie van burgerlijke godshuizen deze schenking op het spoor, in de veronderstelling dat het nalatenschap bedoeld was voor de École des pauvres filles onder haar bestuur[1388]. Het stadsbestuur trachtte te bemiddelen en vroeg om een kopie van het testament[1389]. In een eerste zitting van de gemeenteraad over deze kwestie kon er geen beslissing genomen worden, omdat Van de Walle administrator was van de werkschool en De Brabandere lid was van de burgerlijke godshuizen. Deze raadsleden zouden niet aan de deliberatie deelnemen, waardoor de raad met onvoldoende leden was[1390]. In een volgende zitting van 16 januari 1841 besloot men beide etablissementen met elkaar in gesprek te brengen alvorens een definitief oordeel te vellen. Het college van burgemeester en schepenen zou hierin optreden als bemiddelaar[1391]. Omdat beide instellingen wat geld konden gebruiken, en omdat de proceskosten wellicht hoger zouden oplopen dan de opbrengst van het legaat, besloot de commissie van burgerlijke godshuizen aan tafel te gaan zitten. Men kwam overeen het geld eerlijk te verdelen, waardoor beide instellingen 634,92 fr. kregen[1392]. Deze verdeling gebeurde omdat er tussen beide een ‘intieme overeenkomst’ zou bestaan[1393]. De gemeenteraad zag hier geen graten in en zou de permanente deputatie om goedkeuring vragen[1394]. Eind april 1841 werden verschillende stukken in verband met het legaat hiertoe overgemaakt aan de hogere overheid[1395]. Nu pas kwam de bal definitief aan het rollen.

De permanente deputatie zou de verdeling niet zomaar goedkeuren, zoals bij andere legaten vaak leek te gebeuren, en vroeg om uitvoerige informatie in verband met deze instellingen. Deze had voornamelijk te maken met de juridische basis van de werkschool. Aanvankelijk volstonden enkele inlichtingen van de gemeenteraad, maar ongeveer een maand later had de gouverneur de oorspronkelijke deliberatie van de gemeenteraad uit 1823 nodig over de oprichting van de werkschool, een reglement van de werking van die school, en informatie over de plaatsing van meisjes uit het weeshuis van de commissie in de werkschool[1396]. Op basis van deze gegevens besliste de permanente deputatie begin augustus 1841 dat de werkschool geen rechtspersoonlijkheid had, en dus niet in staat was legaten te ontvangen, ondanks het feit dat dit in het verleden wel al was gebeurd[1397]. De werkschool was slechts een afhankelijkheid van de burgerlijke godshuizen[1398]. Door deze afhankelijkheid zou het volledige legaat toekomen aan de commissie van burgerlijke godshuizen, maar aangezien de werkschool één van de instellingen onder haar bestuur was, was de commissie vrij de helft van het legaat alsnog aan de werkschool te laten[1399]. Deze verdeling zou uiteindelijk ook plaatsvinden, maar het duurde nog meer dan een jaar, tot oktober 1842, eer deze beslissing door de commissie werd genomen[1400]. De werkschool zou dus formeel onder hoede van de commissie komen, alhoewel deze de facto in 1848 nog steeds werd geleid door een “commission administrative spéciale reconnué par l’autorité communale[1401].” Of het weeshuis dat aan deze werkschool was verbonden daarmee ook onder de commissie terechtkwam weet ik niet.

In oktober 1842 was er echter al een ander probleem. De kwestie over het legaat was wel opgelost, maar de nederlaag die de commissie van de werkschool hiermee leed, bracht een nieuwe bal aan het rollen. In oktober 1841, niet toevallig enkele maanden na de beslissing van de permanente deputatie dat de werkschool slechts een afhankelijkheid van de burgerlijke godshuizen was, vroegen de pastoors van beide parochies van Oudenaarde samen met Van de Walle, niet toevallig drie van de vier bestuursleden van de werkschool, aan de koning dat de administratie van het weeshuis (école des pauvres filles, fondatie Staelins) opnieuw in hun handen zou worden gelegd, in overeenstemming met de stichtingsakte van 1646[1402]. De rollen lijken nu omgekeerd: de beslissing over het legaat had er eerder voor gezorgd dat de voorheen relatief onafhankelijke werkschool nu onder het bestuur van de godshuizen kwam te staan, het verzoek dat nu aan de koning werd gedaan zou ervoor zorgen dat één van de weeshuizen uit handen zou worden genomen van de godshuizen. Sinds de Franse Revolutie was de administratie van het weeshuis in handen van de commissie van burgerlijke godshuizen geweest.

Er bestaat een uitgesproken verschil tussen de opinie van het stadsbestuur en die van de burgerlijke godshuizen. De burgerlijke godshuizen ijverden er uiteraard voor dat het weeshuis onder hun leiding zou blijven, maar de stad daarentegen pleitte er duidelijk voor dat de administratie van het weeshuis opnieuw in handen van de personen aangeduid in de stichtingsakte zou komen. Dit is vreemd, gezien het feit dat de gemeenteraad overwegend uit liberalen was samengesteld.

In een brief van november 1841 gaf de stad een juridische visie op de zaak aan de gouverneur. Zoals hoger reeds vermeld was deze stichting vóór de revolutie in handen van een commissie, die was samengesteld volgens de wil van Staelins in zijn testament. Na de revolutie, “la direction de la dite école a dû passer forcément sous l’administration des hospices civils.” Dit was echter niet onwettig volgens de stad, maar het resultaat van de omstandigheden waarin het Franse regime zich toen bevond. In zijn decreet van 31 juli 1806 respecteerde Napoleon opnieuw de oorspronkelijke stichtingsakte, door te bepalen dat “les fondateurs” recht hadden deel te nemen aan de leiding van het etablissement, en een stem hadden in de deliberaties in de administratieve commissie van die instellingen. Twijfels over de legaliteit van dit decreet werden opgeheven door art. 68 van het reglement op de administratie van de steden van Oost-Vlaanderen van 6 januari 1824. Volgens nr. 78 van dit artikel was de leiding van dergelijke instellingen in handen van commissies aangesteld door de stad, “voor zoo verre daer omtrent bij de fondatie-brieven niet anders mogt zijn bepaald.” Deze bepaling had volgens de stad dus de expliciete bedoeling de inhoud van de stichtingsakten te respecteren, door gemeenteraden erop te wijzen dat zij de bepalingen over het bestuur uit de oorspronkelijke akten moesten respecteren. Hetzelfde kon worden afgeleid uit de laatste paragraaf van nr. 2 van art. 84 van de gemeentewet (1836). Deze paragraaf stelde dat de beschikkingen in stichtingsakten voorrang hadden op de wettelijke bepalingen. Maar daarna volgde een interpretatieprobleem. Volgens de burgerlijke godshuizen hadden deze bepalingen enkel nog betrekking op instellingen die nog werden beheerd door commissies buiten die van de openbare godshuizen. Instellingen die na de revolutie in handen van openbare besturen waren gekomen konden volgens de burgerlijke godshuizen niet meer worden teruggegeven. Het stadsbestuur dacht daar anders over, en meende dat deze wettelijke bepalingen betrekking hadden op alle commissies, of ze nu intussen onder leiding waren gekomen van openbare instellingen of niet. Daarom vond het stadsbestuur dat er reden was om het verzoek van de pastoors en van Van de Walle positief te onthalen, op voorwaarde echter dat het weeshuis samen met het college van burgemeester en schepenen zou worden bestuurd (zoals bepaald in de stichtingsakte, aangeduid als het ‘magistraat’). Tevens zou het weeshuis nog steeds rekenschap moeten afleggen aan de burgerlijke godshuizen[1403].

In 1843 was deze kwestie nog niet van de baan, en werden opnieuw inlichtingen verschaft. Het gaat om twee stukken, een overzicht van de schenkingen en legaten aan het weeshuis voor meisjes, en een overzicht van de veranderingen die deze instelling onderging sinds de Franse Revolutie (dit laatste werd hoger reeds besproken)[1404]. Deze stukken werden door de stad overgemaakt aan de gouverneur. De stad behield zijn standpunt, en in een begeleidende brief werden alle argumenten die de godshuizen opperden voor het behoud van de school systematisch weerlegd[1405]. De commissie van burgerlijke godshuizen beweerde onder andere dat sinds het weeshuis onder haar bevoegdheid kwam, deze verschillende schenkingen had gekregen die niet aan één specifieke commissie werden toegewezen, maar dat die aan de godshuizen als geheel toekwamen. Door de stad werd dit ontkend, en men zei dat geld wel specifiek aan de school werden geschonken. Toen de kinderen uit hun oorspronkelijk huis werden verwijderd bleef de groep soms op bepaalde momenten een tijd in het hospitaal. Ook werden meisjes in geval van ziekte in het hospitaal opgenomen, zonder daarvoor een vergoeding te moeten betalen. Dit waren voor de stad geen goede argumenten: ten eerste, het verblijf van de school als geheel in het hospitaal gebeurde met goedkeuring van de commissie, en ten tweede, het verblijf in geval van ziekte kon ook niet als extra kost voor het hospitaal worden beschouwd, omdat de meisjes recht hadden op een gratis opname, net als alle andere armen. Een ander argument, dat het hospitaal in het begin aanzienlijke sommen geld zou geschonken hebben aan de weeshuizen voor zowel jongens als meisjes, werd weerlegd door het feit dat de rekeningen apart werden bijgehouden, wat het mogelijk moest maken dit terug te storten. Het feit tenslotte dat de deliberaties van deze instellingen in hetzelfde registers werden neergeschreven, kon ook geen belet zijn. Een mogelijk argument dat door niemand in deze discussie werd aangehaald, was dat vanaf de oprichting van de werkschool in 1823 tot 1842 de fondatie Staelins gebruik kon maken van een gebouw dat toebehoorde aan het weeshuis voor jongens (cfr. supra), wat eigendom was van de commissie.

Uiteindelijk viel de beslissing in mei 1844, en deze keer haalde de katholieke strekking zijn slag thuis. De minister van justitie besliste dat de school wel degelijk in handen moest worden gegeven van de personen die werden vermeld in de stichtingsakte[1406]. Of deze overdracht werkelijk gebeurde weet ik niet, maar er zijn redenen om aan te nemen dat dit niet gebeurde. Zoals hoger vermeld waren er in 1848 immers geen hospitalen of godshuizen in de stad die niet door de commissie voor burgerlijke godshuizen werden bestuurd. Volgens de Audenaerdschen Wegwyzer van 1851 was het weeshuis voor meisjes evenzeer als dat voor jongens onder leiding van de commissie[1407].

 

Uit dit overzicht mag blijken dat de verstandhouding tussen openbare en privatie (religieuze) armenzorg niet vlekkeloos verliep. Maar als een hevig vijandschap mogen we dit niet beschouwen. Veel was afhankelijk van de samenstelling van het gemeentebestuur en de commissie van burgerlijke godshuizen[1408]. Bovendien lijkt er in onderhavige periode een duidelijk verschuiving van de houding tegenover de religieuze liefdadigheid. Hoebeke schreef al dat de commissie de kloosterorde had leren appreciëren in de strijd tegen de besmettelijke ziekten op het einde van de jaren 1840. Van Crombrugge trekt dit door en zegt dat het de crisis van 1848 was die ervoor zorgde dat er een betere verstandhouding tot stand kwam tussen beide[1409]. Misschien, maar ik hoop dat ik kon aantonen dat er reeds vóór de crisis een verschuiving aan de gang was. In de Nederlandse periode werd het openbaar bestuur steeds gesteund in zijn strikte houding door de hogere overheid, op enkele uitzonderingen van Willem I persoonlijk na. Na de Belgische Revolutie nam de overheid een meer gematigde, zelfs afstandelijke en bemiddelende houding aan. Dit liet zich ook aftekenen in de gemeenteraad, die in 1832 consequent weigerde de voorgestelde wijzigingen omtrent de aanstelling van kloosterzusters maar in 1834 deze wijzigingen wel toestond, mits toegevingen van de andere zijde evenwel. Ook de commissie zelf was niet onverdeeld in haar houding ten opzichte van de congregatie, beslissingen moesten soms worden doorverwezen naar de gemeenteraad (die wel vaak in het voordeel van het openbaar bestuur besliste).

De koerswijziging komt er duidelijk in het begin van de jaren 1840. Bij de twist om het legaat van Colette Bauwens neemt de gemeenteraad geen standpunt in, maar tracht gewoon te bemiddelen en te verzoenen. Wanneer als gevolg van dit legaat een nieuwe twist ontstaat over het weeshuis voor meisjes (Fondatie Staelins), kiest de raad echter resoluut de kant van de pastoors van de stad en Vandewalle, katholiek raadslid en lid van de besturende commissie van de werkschool die onder de burgerlijke godshuizen werd ondergebracht. Dit is een vreemde bocht voor een overwegend liberaal bestuur, maar eerder werd er al op gewezen dat scherpe ideologische tegenstellingen in Oudenaarde weinig bestonden. Zich tot een bepaalde partij of overtuiging rekenen had eerder te maken met ambitie dan met idealisme.

Na 1850 zal de commissie zelf ook een gematigder houding aannemen[1410]. Dit is mogelijks het gevolg van de crisis, maar het is eveneens duidelijk dat deze koerswijziging zich al eerder aan het voorbereiden was in de stad, en niet uit de lucht kwam vallen.

 

1.4 Besluit: bijstand in Oudenaarde

 

Omdat het niet geheel ondenkbaar is dat men intussen door het bos de bomen niet meer ziet, acht ik het raadzaam eerst een kort institutioneel overzicht van de bijstandsinstellingen in Oudenaarde te geven, alvorens ik deze bijstand tracht te evalueren.

Op gebied van openbare weldadigheid was er in de eerste plaats het armbestuur. Deze instelling leverde armenzorg aan huis, leidde een kantschool en een stichting voor arme weduwen. Daarnaast stond de commissie van burgerlijke godshuizen. Onder haar vleugels resideerde het hospitaal, het ouderlingentehuis, twee weeshuizen, de opvang van vondelingen en verlaten kinderen en na 1842 een werkschool.

Wat private weldadigheid betreft waren er drie belangrijke groepen: de hospitaalzusters, de dames de la doctrine chrétienne en tenslotte de pastoors van de stad en de notabelen van Pamele. Naast deze drie groepen stonden er wellicht nog een aantal kleinere organisaties wiens bedoeling niet in de eerste plaats armenzorg was, maar die zich er bij gelegenheid wel mee bezighielden. De “Maetschappy der oude Wapenbroeders van den Keizer” bijvoorbeeld. De hospitaalzusters hadden voor een deel leiding over het hospitaal. In 1848 richtten zij ook een school op[1411]. Deze groep zou moeilijkheden krijgen met de commissie. De dames de la doctrine chrétienne hadden een werkschool tot ongeveer 1844, en tevens ook een school in Oudenaarde. Zij kregen voor zover ik weet geen moeilijkheden met de commissie. De pastoors van de stad en de notabelen van Pamele hadden een werkschool en een daaraan verbonden weeshuis tot 1842. De werkschool werd hen in 1842 uit handen genomen. In 1844 werd het weeshuis voor meisjes (fondatie Staelins) daarentegen uit handen van commissie genomen, en aan hun leiding toevertrouwd. Ook zij kregen het dus aan de stok met de commissie. Of de verschillende wijzigingen in de toewijzing van liefdadigheids-instellingen ook de facto plaatsvonden is moeilijker te zeggen.

 

Het armbestuur, dat het financieel niet breed had maar in normale omstandigheden toch nog kon rondkomen, kreeg naar aanleiding van de crisis een sterke uitbreiding van de subsidies. Mede door deze subsidies kon deze instelling tijdens de crisis grote overschotten op de rekening tot stand brengen. De extra middelen gingen grotendeels naar een langere en intensivere verdeling van soep en ander voedsel, althans in 1846. Het jaar daarop werd de subsidies voor het armbestuur verlaagd omdat men de omstandigheden van de winter van 1847 nog niet kon inschatten. Als compensatie hiervoor verdeelde de stad op het moment dat de prijzen zeer hoog lagen voedselbons, waardoor zoals vóór de crisis de nadruk opnieuw kwam te liggen op financiële steun. Er werd ook een warmzaal opengesteld waar voedsel verdeeld werd. Daarnaast beschikte het bureel ook nog over een kantschool die tijdens de crisis drukker werd bezocht, en werd een jaarlijks een omhaling van kledij gehouden voor de armen van de stad.

De burgerlijke godshuizen hadden het op financieel vlak veel ruimer, en hadden geen enkele nood aan subsidies. Integendeel, ze waren zelfs in staat subsidies aan het armbestuur te geven wanneer de gemeente deze had stopgezet. De commissie van de burgerlijke godshuizen had de leiding over verschillende instellingen – het hospitaal, het ouderlingentehuis, de weeshuizen, een werkschool – en stond daarnaast ook in voor de opvang van vondelingen en verlaten kinderen. In tegenstelling tot het bureel neemt de commissie geen bijzondere maatregelen naar aanleiding van de crisis, er blijkt eerder een afwachtende houding. Men liet de zieken en armen toestromen en men trachtte dit alles in goede banen te leiden, vooral om de hygiëne in stand te houden of om de toestroom te beperken. De commissie zorgde later wel duidelijk voor structurele veranderingen: er werd een ouderlingentehuis gebouwd en er waren plannen voor een nieuwe vleugel aan het ziekenhuis voor vrouwen en speciale ziektes.

Wat private liefdadigheid naar aanleiding van de crisis betreft, dit was moeilijker na te gaan. Het is wel duidelijk dat deze bestond, en waarschijnlijk werd deze gedurende de moeilijke jaren van de crisis nog uitgebreider. Er bestonden nog verschillende private liefdadigheidsinstellingen. Tijdens de onderzochte periode komt er een toenadering tussen voorstanders van kerkelijk of openbaar beheer van liefdadigheidsinstellingen. De moeilijke jaren 1840 gaven echter niet de aanleiding, maar speelden vermoedelijk wel een katalyserende rol.

 

Deze genomen maatregelen werden door de stad zelf voldoende geacht. “Les mesures actuellement adoptées pour le soulagement de la classe pauvre sont reconnues suffisantes[1412]”, schreef men in april 1846. Bij een bezoek aan het ziekenhuis en ouderlingentehuis in 1850 toonde ook de gouverneur zijn tevredenheid[1413].

 

 

2. Onderwijs

 

Onderwijs had en heeft een belangrijke emancipatorische kracht. Volgens Ducpétiaux was het een ideaal middel om kinderen uit het pauperisme te bevrijden. Een literaire opleiding zou volgens hem van jongelingen ‘demi-savants’ maken, die hun landelijke gewoonten achter zich lieten om klerk of loopjongen te worden. Omdat school lopen op het platteland echter niet geliefd was voorzag hij een combinatie van studie en arbeid[1414].

In het nu volgende hoofdstuk wil ik onderzoeken op welke manier onderwijs door stadsbestuur van Oudenaarde werd gebruikt als een instrument om het lot van de armen te verzachten, en hen in staat te stellen te ontsnappen aan de nood aan bijstand. De nadruk ligt hier uiteraard op de manier waarop het lager onderwijs werd georganiseerd. “Van alle betrekkingen in de samenleving, is het lager onderwys eene der byzonderste takken”, zo stelde de Gazette van Audenaerde. Het vormde volgens deze krant de basis om een stiel uit te oefenen of om door te gaan naar hogere vormen van onderwijs[1415]. Maar ook middelbaar onderwijs en andere instituten die als ‘scholen’ in strikte zin kunnen worden beschouwd zullen in dit onderdeel worden behandeld. Leerateliers werden hoger reeds besproken.

 

2.1 Lager onderwijs

 

(1) Vóór de wet op onderwijs (tot 1842)

Vóór de reorganisatie van het onderwijs die plaatsvond als gevolg van de wet op lager onderwijs van 1842, was er in Oudenaarde één gemeenteschool voor lager onderwijs. Deze stond onder leiding van Charles Louis De Smet[1416]. De Smet (° 1796, Oudenaarde), woonde tot 1832 in Petegem-bij-Oudenaarde[1417]. Hij had op 21 april 1830 een certificaat gekregen om les te geven. Daarmee gaf hij vóór hij zich in 1832 Oudenaarde kwam vestigen in Petegem al ongeveer 13 jaar les[1418]. Hij werd op 26 december 1832 door de gemeenteraad als onderwijzer van de lagere school benoemd[1419].

Welke de criteria waren om in deze school toegelaten te worden, heb ik niet kunnen achterhalen. De leerlingen die hier school liepen werden er kosteloos aanvaard. De Smet kreeg hiervoor een vergoeding van zowel de staat als de stad. In tabel 95 wordt een overzicht gegeven van zowel het aantal leerlingen als de subsidie die deze school genoot. Tussen 1840 en 1842 telde deze school ongeveer 560 leerlingen, waarvan een meerderheid jongens waren.

De jaarlijkse subsidie viel grotendeels ten koste van de stad. Tot 1840 kreeg De Smet 1.700 fr. In 1840 werd dit met 300 fr. verhoogd, wegens het toenemend aantal leerlingen. Van de stedelijke toelage voor 1840 diende 1.300 fr. voor zijn eigen onderhoud en dat van een sous-maître. De overige 400 fr. diende voor vuur, licht, papier, pennen, inkt, krijt, enz[1420]. De volgende jaren werd zijn vergoeding verhoogd tot 1.850 fr., wellicht inclusief de kosten voor vuur, licht, schoolgerief, e.d. Daarnaast kreeg hij 150 fr. voor verdeling van prijzen[1421]. De subsidie die hij kreeg van de staat werd jaarlijks bij koninklijk besluit verlengd, nadat de gemeenteraad de gouverneur had geadviseerd over het nut van deze subsidie[1422]. De Smet was dankbaar voor deze middelen, maar vroeg in augustus 1840 nog om een extra inspanning van de stad. Hij vroeg toen om de oprichting van een avondschool voor leerlingen die door hun ouderdom of werk niet op andere uren onderwijs konden genieten. Daarnaast wou hij ook nog een namiddagschool voor minderjarige jongens[1423]. Dit verzoek werd overgemaakt aan de commissie belast met het onderzoek van het budget van 1841[1424]. Zijn vraag haalde het blijkbaar niet, want in het gemelde budget vind ik het niet terug[1425].

 

Tabel 95. Onderwijs: leerlingen toegelaten tot gemeenteschool en subsidie, 1840-1842[1426]

Toestand op 01.01 (schooljaar)

Leerlingen

Subsidie

Jongens

Meisjes

Totaal

Stad

Staat

1840 (1839-1840)

355

209

564

2.000 fr.

180 fr.

1841 (1840-1841)

351

209

560

2.000 fr.

200 fr.

1842 (1841-1842)

360

200

560

2.000 fr.

200 fr.

 

(2) Na de wet op onderwijs (1842 - 1844)

De wet op het lager onderwijs van 23 september 1842 bepaalde onder andere dat de benoeming van leerkrachten aan de regering moest worden voorgesteld. Aangezien De Smet die functie in Oudenaarde reeds acht jaar met vlijt uitoefende, legde de gemeenteraad zijn benoeming voor aan de regering in zitting van eind november 1842[1427]. Alhoewel de gouverneur hiervan dezelfde dag op de hoogte werd gebracht, was de benoeming van De Smet in 1844 nog steeds niet goedgekeurd[1428]. Daarnaast moest jaarlijks door de gemeenteraad het aantal leerlingen worden vastgesteld dat gratis onderwijs zou genieten[1429]. In gemeenteraadszitting van 4 februari 1843 werd dit aantal leerlingen vastgelegd op 350[1430].

Toch had men enkele maanden eerder, midden december 1842, de gouverneur al op de hoogte gebracht dat het aantal toegelaten arme leerlingen beperkt was tot 350. Dit getal had enkel betrekking op kinderen wiens ouders door het Armbestuur werden ondersteund, daarnaast werd de school nog bezocht door andere kinderen van minder gegoede ouders[1431]. In gemeenteraadszitting van eind maart 1843 werden de leerlingen van de gemeenteschool verdeeld in drie categorieën. De eerste categorie (A) bestond uit de leerlingen die toegelaten werden, indien ze zelf voor inkt, pennen en papieren zouden zorgen. De tweede categorie (B) bestond uit kinderen die volledig insolvabel waren en de school volledig gratis konden bezoeken. De derde categorie (C) tenslotte, was financieel in staat om voor eigen gerei (pennen, papier en inkt) te zorgen, evenals een maandelijkse vergoeding van 0,50 fr[1432]. Waarschijnlijk bestond deze indeling de facto reeds verschillende jaren.

In tabel 96 wordt het aantal leerlingen van deze school weergegeven voor de jaren 1842 - 1844. Onmiddellijk valt het verschil tussen beide schooljaren op. In januari 1843 vroeg men De Smet een lijst op te maken met kinderen die zijn school bezochten, met daarop aanduiding van de kinderen wiens ouders door het Armbestuur werden onderhouden[1433]. Dat bleken er nadien 239 te zijn[1434]. Op basis van deze lijst maakte de gemeenteraad dan eind maart de indeling in categorieën.

Volgens het koninklijk besluit van 26 mei 1843 dat op de wet op het lager onderwijs volgde, waren de gemeenten verplicht de gehele maand juli een register te openen, waarop de ouders hun kinderen konden laten inschrijven voor hun gratis onderwijs. De aankondigingen hiervan in Oudenaarde zijn voor 1843 en 1844 opgenomen in bijlagen. In navolging van de wet, bleef deze mogelijkheid beperkt tot ouders die niet in staat waren hun kinderen op een andere manier onderwijs te bezorgen, omdat ze op openbare onderstand waren toegewezen of enkel een dagloon als inkomen verkregen. Dit gold voor kinderen tussen zeven en veertien jaar oud, die ingeënt waren of kinderpokken al overleefd hadden[1435].

De gegevens in tabel 96 voor schooljaar 1842-1843 dateren van vóór deze lijst, en vertonen daarom meer continuïteit met de cijfers uit tabel 95. Voor het volgende schooljaar hadden de ouders hun kinderen moeten inschrijven op het register voor onderwijs. In totaal gebeurden in juli 1843 er 419 inschrijvingen (278 jongens, 141 meisjes). Deze kinderen werden nadien door de gemeenteraad in de bestaande categorieën ingedeeld[1436]. In november 1843 werden opnieuw lijsten naar De Smet gestuurd waarin hij de leerlingen moest inschrijven, wellicht voor de volgende inschrijving in juli 1844. Men vroeg hier De Smet een onderscheid te maken tussen leerlingen die in staat waren een kleine vergoeding konden maken (cat. A), en degenen die dit niet konden (cat. B). Het aantal leerlingen dat gratis onderwijs kon volgen was beperkt tot 350[1437]. Allicht vroeg men een jaar eerder hetzelfde, en is dat de reden waarom het aantal leerlingen daalde. De indeling in categorieën werd hierdoor gemaakt door De Smet, die waarschijnlijk gemakkelijker mensen als totaal insolvabel aanvaardde, waardoor categorie B sneller vulde. Wettelijk was De Smet daar ook toe verplicht: het ging niet meer zoals het jaar ervoor enkel om mensen die door het Armbestuur werden ondersteund, maar ook om arme dagloners e.a. Het aantal leerlingen in deze categorie werd echter door de gemeenteraad beperkt tot 350, waardoor ook het totaal aantal leerlingen lager bleef. De wet op kosteloos lager onderwijs had dus in Oudenaarde het paradoxale effect het aantal leerlingen te verminderen: de groep die recht had op gratis onderwijs werd door de wet ruimer omschreven, maar door de gemeente numeriek ingeperkt.

Deze daling was daarnaast ook enigszins wenselijk voor De Smet. In januari 1843 schreef hij aan het gemeentebestuur dat het zeer moeilijk was geworden aan meer dan 500 leerlingen les te geven. Een aantal belangrijke leerkrachten van de school was gestopt, waardoor een medeonderwijzer noodzakelijk werd. Zijn vergoeding stond hem echter niet toe een tweede leerkracht te betalen. Bovendien moest De Smet daarmee ook jaarlijks schoolgerief aankopen, terwijl het aantal leerlingen dagelijks zou toenemen. Daarom verzocht hij ofwel zijn vergoeding te doen verhogen, ofwel ervoor te zorgen dat een aantal leerlingen van de “welstellenden burgerstand” voor hun eigen schoolgerief zou zorgen[1438]. Ongeveer twee weken later werd het aantal arme kinderen dat kosteloos onderwijs genoot op 350 vastgesteld[1439].

 

Tabel 96. Onderwijs: leerlingen toegelaten tot gemeenteschool, 1842-1844[1440]

Schooljaar

Categorie A

Categorie B

Categorie C

Totaal

1842-1843

199

239

85

523

1843-1844

51

311

57

419

 

De subsidie die De Smet genoot van de stad onderging tijdens deze periode geen verandering, en bleef op 1.850 fr., naast 150 fr. voor prijzen[1441]. Van die 1.850 fr. waren er nu slechts nog 1.200 fr. voor hem bestemd, maar er wordt geen vermelding meer gemaakt van een sous-maître. Hiervan was 900 fr. bestemd als zijn persoonlijk loon, 100 fr. vergoeding van gegoede leerlingen en 200 fr. voor andere kosten, waaronder het gebruik van een gebouw als woning[1442]. Zijn subsidie van de staat behield hij waarschijnlijk en bleef tijdens deze periode dezelfde. In november 1842 gaf de gemeenteraad hierover althans positief advies[1443]. Het is wel mogelijk dat deze subsidie niet meer door de schatkist, maar door de provincie werd uitbetaald. Omdat de uitbetaling door de provincie echter uitbleef, werd vond men in oktober 1843 dat er nog steeds reden was om de uitbetaling van 200 fr. via de schatkist te laten doorgaan[1444].

 

(3) Na de herorganisatie in 1844

In de gemeenteraadszitting van 12 oktober 1844 werd besloten dat in de gemeenteschool voortaan enkel nog arme kinderen zouden worden aanvaard[1445]. Het gevolg is dat het lager onderwijs alweer op een nieuwe voet werd georganiseerd, waar we deze keer meer over zijn geïnformeerd. De bestaande school werd gesplitst in een armenschool, en in een school voor betalende jongens. De reglementen van deze beide scholen zijn opgenomen in bijlage.

Eind oktober 1844 werd een voorstel tot reglement op de armenschool overgemaakt aan de bevoegde sectie voor onderwijs[1446]. Het reglement werd aangenomen in zitting van de gemeenteraad van 16 november 1844, maar werd pas op 30 november neergeschreven[1447]. In tegenstelling tot vroeger werden leerlingen nu slechts in twee categorieën ingedeeld: betalende leerlingen en niet-betalende leerlingen. Enkel de laatste groep werd nog toegelaten tot de school van De Smet. Zij werden toegelaten na inschrijving op het register. Indien er nog plaatsen vrij waren, kon het college nog andere armen toelaten naargelang er beschikbare plaatsen waren. Er werden min of meer afwisselend lessen gegeven voor jongens en meisjes. De lessen begonnen vrij vroeg (’s zomers om zes uur ’s morgens voor jongens), en die gingen met uitzondering van vakantie of verlofdagen het ganse jaar door. Lessen werden enkel gestaakt op zaterdagmiddag, zondagen en kerkelijke, nationale of gemeentelijke feestdagen. Vakantie was er enkel rond Pasen (van witte donderdag tot paasmaandag) en de eerste twee weken van september. In tegenstelling tot wat traditionele beeldvorming suggereert, waren lichaamsstraffen uit den boze, evenals andere straffen die de leerlingen zouden ontmoedigen de school te bezoeken (zie hiervoor ook de brief van leerkracht Robert aan de burgemeester in bijlage). De enige toegelaten straffen waren vermaningen, ontzeggen van recreatie, en tijdelijke of definitieve uitsluiting. Dit laatste kon enkel na toelating van de bevoegde overheden (college, onderwijsinspectie, betrokken leerkracht). Na de openbare examens kwamen verdienstelijke leerlingen in aanmerking voor een prijs[1448]. Prijzen bestonden uit een broek, een vest, een stuk doek (lijnwaad of katoen) of een boek[1449].

Tabel 97 geeft een overzicht van het aantal leerlingen dat gratis tot de armenschool werd toegelaten. In gemeenteraadszitting van 23 augustus 1845 werd het aantal toegelaten leerlingen van 350 verhoogd tot 400[1450]. Daarvan waren er 220 plaatsen voorbehouden voor jongens en 180 voor meisjes[1451]. Jaarlijks haalde het aantal inschrijvingen dit cijfer niet, en werden er nog een aantal andere leerlingen aangeduid. Uit deze cijfers blijkt dat het aantal leerlingen tijdens de crisis vrij stabiel bleef: er trad noch een daling (door nood aan andere inkomsten), noch een stijging (plaatsvervangende armenzorg) op.

Arme ouders hadden nochtans heel wat reden om hun kinderen naar school te sturen. Op de school zelf werd geen voedsel bedeeld, maar de kinderen kregen op een indirecte manier voedsel. Het was immers zo dat ouders enkel steun van het Armbestuur kregen als ze hun kinderen (indien ze die hadden) naar de kosteloze school stuurden[1452]. Kledingsstukken werden evenmin op de school zelf verdeeld[1453]. Jaarlijks aanvaardde De Smet ook leerlingen die nog niet de wettelijk vereiste leeftijd van zeven jaar hadden bereikt. Deze werden echter door hem ingeschreven “om hen van het straetloopen af te wenden, en hen van jongs af den leerlust in te boezemen[1454].”

Uit het reglement blijkt dat De Smet negen uur per dag zou lesgeven. De provinciale inspecteur die het reglement controleerde, vond dit teveel. De Smet had deze regeling echter zelf voorgesteld, en deed dit trouwens al jaren. Een aantal hulponderwijzers stonden hem daarvoor bij. Deze regeling werd zo uitgewerkt omdat men het noodzakelijk vond beide geslachten gescheiden te houden, en tegelijk leerlingen toe te laten in de loop van de dag een beroep te leren[1455]. In de jaren 1840 werd De Smet bijgestaan door R. Robert, die daarvoor in 1849 een eervolle vermelding kreeg[1456]. Vermoedelijk trad hij buiten dienst rond 1850, omdat in 1851 de zoon van De Smet (eveneens Charles Louis) en Charles Wackens hun aanstelling als hulponderwijzer aanvroegen[1457]. Zij werden aangesteld in maart 1852, ook al oefenden ze die functie reeds beide de facto al uit[1458]. Wackens verdiende daarvoor 120 fr. per jaar, dat wegens de levensduurte en de vermindering van 200 fr. op het loon van De Smet senior in 1853 verlaagd werd tot 80 fr. per jaar[1459].

Een andere manier om de druk op de schouders van De Smet wat te verminderen, was naast hulponderwijzers de oprichting van een aparte school voor meisjes. De minister van Binnenlandse Zaken drong daar in 1845 reeds op aan, “aux fins d’opérér une séparation absolue des deux sexes.” Dit paste in de visie van de gemeenteraad, maar wegens een gebrek aan financiële middelen en een degelijk lokaal werd dit uitgesteld[1460]. Regelmatig vroeg de stad om een subsidie voor het onderwijs[1461]. In 1849 werd hen hiervoor een subsidie van 825 fr. toegekend[1462]. In 1851 was de splitsing echter nog steeds niet doorgevoerd, maar men meende er in 1852 in te kunnen voorzien[1463].

 

Tabel 97. Onderwijs: leerlingen gratis toegelaten tot gemeenteschool, 1845-1850[1464]

Schooljaar

Gratis onderwijs (o.l.v. De Smet)

Betalend onderwijs

(o.l.v. Clepkens, enkel jongens)

Jongens

Meisjes

Totaal

inge-schreven

aan-geduid

totaal

inge-schreven

aan-geduid

totaal

1844-1845

177

13

190

101

34

135

326

42

1845-1846

208

18

226

141

33

174

400

57

1846-1847

184

23

207

147

31

178

385

75

1847-1848

212

13

225

160

7

167

392

 

1848-1849

221

13

234

150

9

159

393

68

1849-1850

239

18

257

118

14

132

389

80

 

Naast deze armenschool werd in zitting van 12 oktober 1844 besloten een tweede gemeenteschool op te richten, onder leiding van François Charles Clepkens. Over hem volgt verder meer. Deze school was uitsluitend bestemd voor het onderwijs van betalende leerlingen, alhoewel de stad toch tien kinderen kon aanduiden die de leerkracht gratis zou onderwijzen, gekozen onder de minder gegoede burgers. Enkel jongens werden in deze school toegelaten. Clepkens kon zoveel leerlingen toelaten als hij aankon, en kon ook zelf zijn vergoeding bepalen, voor zover deze niet hoger was dan 30 fr. per jaar. Boeken en andere benodigdheden vielen ten koste van de ouders. Omdat de lokalen niet afwisselend voor jongens en meisjes moesten worden gebruikt, was aanvang van de lessen pas om half negen. De overige bepalingen – vakantie, straffen, beloning – waren dezelfde als die van de armenschool[1465].

De subsidie die de stad aan beide scholen toekende werd in 1845 flink verhoogd, maar bleef nadien nagenoeg ongewijzigd[1466]. De subsidie aan De Smet werd met 350 fr. opgetrokken tot 2.200 fr. Daarvan diende 1.500 fr. voor zijn persoonlijk loon, waaronder 200 fr. voor de huur van zijn woning en 100 fr. voor verlichting en verwarming. Met de resterende 1.200 fr. moest hij waarschijnlijk ook een collega-lesgever betalen. 700 fr. diende voor kosten in de school[1467]. Dit was soms ontoereikend, want in 1845 en 1847 vroeg hij een deel van het prijsgeld te mogen gebruiken voor schoolgerief of verwarming e.d.[1468]. Dit prijsgeld bleef stabiel op 150 fr. Van een subsidie van de staat of de provincie heb ik niets meer teruggevonden. Daarnaast maakte de stad vanaf 1845 nog eens 800 fr. vrij voor de tweede gemeenteschool van Clepkens. Daarbovenop werd jaarlijks 75 fr. betaald voor prijzen.

 

2.2 Middelbaar onderwijs

 

(1) Pleidooi voor het heroprichting van het Onze-Lieve-Vrouwcollege

Onder het Nederlands bestuur werd het college te Oudenaarde geleid door mr. Speyers. Het college was de enige instelling voor middelbaar onderwijs in de stad, in handen van de geestelijkheid. Speyers, die een Nederlander was, hield het college open tot 1830. In oktober 1831 werd de school opnieuw geopend onder leiding van Nuytten, aangesteld door de bisschop. Nuytten gaf les tot hij op 5 juli 1834 ontslag gaf. Op de vraag of de bisschop een nieuwe directeur zou aanstellen werd ontwijkend geantwoord, waardoor de gemeenteraad het initiatief nam zelf het middelbaar onderwijs vanaf januari 1835 in te richten. In oktober 1834 werd echter een bataljon van het vijfde regiment naar Oudenaarde gebracht, dat gekazerneerd werd in het gebouw van het college. De minister van oorlog besliste, ondanks negatief advies van de gemeenteraad, dat de troepen in dat gebouw zouden blijven. De organisatie van het middelbaar onderwijs door de gemeente werd daardoor pas uitgevoerd in oktober 1836, onder de naam van “École municipale d’instruction moyenne[1469].” Deze school kwam onder leiding van François Charles Clepkens. Clepkens had eerder al Latijn gegeven in het vijfde en zesde jaar van het college, van oktober 1825 tot oktober 1831. Nadien gaf hij tot oktober 1834 privé onderwijs. Nadat de gemeente zelf het middelbaar onderwijs in handen had genomen kwam de leiding van de middelbare school van Oudenaarde onder zijn leiding[1470].

Deze school liet echter veel te wensen over, wat de gemeenteraad erkende. Daarom werd in november 1839 een petitie afgegeven van de inwoners van de stad waarin de noodzaak werd uitgedrukt om het college opnieuw op te richten. In mei 1840 had de commissie die dit verzoek moest onderzoeken haar rapport klaar. Het probleem was dat het gebouw dat vroeger dienst deed als school nog steeds werd bezet door een deel van het garnizoen. De gemeenteraad was ervan overtuigd dat het grootste deel van de inwoners van de stad geen college wou oprichten ten koste van het verdwijnen van een deel van het garnizoen[1471].

De inwoners van de stad bleven echter aandringen op een bisschoppelijk college. Begin december ontving de stad een nieuwe petitie daartoe, via Edmond Vandewalle[1472]. Edmond Vandewalle was familie van katholiek raadslid Antoine Anselme Vandewalle, en zou in de jaren 1860 zelf ook als katholiek in de raad zetelen[1473]. Edmond was tevens lid van het Armbestuur[1474]. Edmond Vandewalle had om zijn verzoek kracht bij te stellen een brief gestuurd naar de bisschop en de minister van Binnenlandse Zaken[1475]. Omwille van deze nieuwe petitie werd opnieuw een commissie in het leven geroepen om deze kwestie te onderzoeken, die onder andere werd samengesteld uit drie van de petitionarissen[1476]. Deze commissie moest antwoord bieden op drie vragen: kon het middelbaar onderwijs georganiseerd worden zonder schade toe te brengen aan de middelen van het garnizoen (door het gebouw); indien dit zo was, waren de voorwaarden van de bisschop aanvaardbaar of was het niet beter middelbaar onderwijs in te richten onder leiding van de gemeenteraad, die directeur en leerkrachten zou aanstellen; en tenslotte, indien de eerste vraag negatief werd beantwoord, kon het in het belang van de stad zijn het garnizoen te verminderen om plaats te maken voor het college of was het beter om middelbaar onderwijs in te richting in het gebouw dat Clepkens op dat moment gebruikte[1477]?

Eind januari 1841 was dit rapport klaar. Het was onmogelijk een lokaal te vinden zonder het aantal troepen in de stad te verminderen. Bovendien waren de voorwaarde van de bisschop onaanvaardbaar: de gemeenteraad kon geen financiële steun geven zonder inspraak in het college. De gemeenteraad besliste daarom dat er geen bisschoppelijk college kon worden ingericht, maar dat er een nieuwe commissie in het leven werd geroepen die verbeteringen moest aanbrengen in de huidige middelbare school van Clepkens. Deze commissie bestond uit Lievin Van Cauwenberghe, Camille De Smet en  Louis Gequière[1478].

 

(2) Organisatie van de École industrielle préparatoire

Pas een jaar later wierp deze commissie vruchten af. Op 29 januari 1842 werd het ontwerp tot reglement op de gemeentelijke middelbare school aanvaard. Deze werd gedoopt tot “École industrielle préparatoire[1479].” Men verzocht voor de oprichting van deze school een subsidie van de staat, waarvoor men de voorwaarden van de minister van Binnenlandse Zaken in april 1842 aanvaardde[1480]. Mits deze subsidie was men bereid 4.150 fr. vrij te maken voor deze school, indien ze niet werd toegekend zou slechts 2.250 fr. worden vrijgemaakt[1481]. Midden augustus 1842 was de school klaar om bezocht te worden door de inspecteurs[1482]. Deze inspectie werd in oktober afgerond, en overtuigde de minister van Binnenlandse Zaken ervan dat dit etablissement in staat zou zijn goede diensten aan Oudenaarde te leveren, indien het goed werd georganiseerd. Om aan alle voorwaarden te voldoen geformuleerd in het reglement van januari 1842 was de subsidie van de staat, die 2.000 fr. bedroeg, echter ontoereikend. Daarom werd de koning een uitzonderlijke subsidie van 500 fr. gevraagd, die de stad op 12 oktober 1842 werd toegestaan. Daarmee werd een nieuwe commissie samengesteld, die de school moest organiseren in de zin van dit reglement[1483]. Deze commissie bestond uit Lieven van Cauwenberghe, Antoine Anselme Van de Walle en Richard Liedts[1484]. Van hen was enkel Van Cauwenberge liberaal raadslid[1485]. De oprichting van deze school werd in november 1842 bekendgemaakt in verschillende ‘onafhankelijke’ dagbladen[1486].

Uiteindelijk kon men over 6.650 fr. beschikken (4.150 fr. van de gemeente, 2.000 fr. van de staat en 500 fr. van de koning)[1487]. Daarnaast werd nog 800 fr. door de gemeente vrijgemaakt voor onderhoudswerken aan het gebouw[1488]. Een jaar later werd de subsidie nog verhoogd tot 6.700 fr., waarvan 4.700 fr. voor de stad (de rest, 2.000 fr., kwam van de overheid)[1489]. Er werd namelijk 50 fr. meer gegeven om prijzen aan leerlingen te verdelen[1490]. De leerkrachten werden aangesteld in gemeenteraadszitting van 10 december 1842. Tegelijk werd opnieuw een commissie samengesteld die leiding moest geven en toezicht moest uitoefenen over de school. Deze was samengesteld uit dezelfde leden van de laatste commissie, samen met de burgemeester en de geestelijke die godsdienst zou geven. De lessen zouden beginnen op 2 januari 1843[1491]. Het uiteindelijke reglement van deze school werd aangenomen in gemeenteraadszitting van 2 oktober 1843[1492]. Op dit reglement zal ik niet verder ingaan. Het volstaat te zeggen dat volgens art. 5 van dit reglement de vakken die in deze school werden gegeven de volgende waren: de talen Grieks, Latijn, Frans, Vlaams, Duits; geschiedenis; geografie; mythologie; wiskunde; fysica; plant- en dierkunde; boekhouding; handelscorrespondentie; lectuur; voordracht; lineair tekenen; kalligrafie en godsdienst[1493]. De school noemde men dus waarschijnlijk een ‘nijverheidsschool’ omdat er naast vakken van de klassieke humaniora ook boekhouding en handelscorrespondentie werd gegeven.

 

(3) Heroprichting van het College

Het mocht allemaal niet baten. In oktober 1844 besliste men dat de gemeentelijke middelbare school zou worden gesloten in januari 1845. Het Onze-Lieve-Vrouwcollege was intussen toch nog opgericht, en veel leerlingen had de gemeentelijke school nooit gehad[1494]. In 1843 werd de school nog bezocht door 51 leerlingen, maar in 1844 waren dit er nog slechts 13. Daarvan hadden er slechts drie deelgenomen aan de examens van juli van dat jaar[1495]. De middelbare school werd opgeheven, en in de plaats daarvan kwam er de tweede lagere gemeenteschool waarin enkel betalende leerlingen werden aanvaard[1496]. Clepkens, die nog steeds de leiding had over het openbaar middelbaar onderwijs in de stad, en die het bijgevolg moeilijk had, kreeg de leiding over deze nieuwe lagere school, waarvoor hij de gemeenteraad dankbaar was[1497]. Verschillende andere leerkrachten van de middelbare school kregen een ontslagvergoeding[1498].

Een jaar later vroeg het college om een subsidie van de stad. Dit werd een moeilijke beslissing voor de gemeenteraad. Het eerste voorstel was om 2.000 fr. jaarlijks aan het college toe te kennen, wat met 6 stemmen tegen 4 werd verworpen. Het voorstel om 1.800 fr. te geven werd aanvaard, maar nog steeds waren er vier stemmen tegen[1499]. Dit laatste was het voorstel van liberaal gemeenteraadslid Louis Gequière. De vier die tegen stemden waren de burgemeester Liefmans, De Keyser-Grau, De Contreras en Van Cauwenberghe, allen liberalen met uitzondering van De Keyser-Grau[1500]. De motieven van de eerste drie waren eenvoudig: 1.800 fr. vond men teveel. Van Cauwenberghe had echter nog meer motieven, en hij verzocht dat die werden opgetekend bij de opmerkingen over het budget voor 1846. Hij vond dat de school die zichzelf college noemde, tijdens schooljaar 1844-1845 weinig meer dan een lagere school was. Tijdens schooljaar 1845-1846 was hier enkel het vak Latijnse retoriek aan toegevoegd. Zijn voornaamste reden was dat, in tegenstelling tot wat de wet bij subsidies vereiste, elke inspraak van de gemeentelijke administratie in het college werd geweigerd[1501]. De permanente deputatie stelde daarom dat deze subsidie enkel zou worden goedgekeurd indien het gemeentebestuur over het college kon waken. In januari 1846 aanvaardde de directeur van het college deze voorwaarden, en het is daarom dat de volgende jaren deze subsidie opnieuw werd toegekend[1502]. De school ontving daarnaast geen subsidies van de staat, en werd dus ook niet door de staat geïnspecteerd[1503].

De school werd bezocht door ongeveer 100 leerlingen. Dit waren allemaal externen, er was geen internaat aan verbonden[1504].

 

2.3 Andere scholen

 

(1) Openbare scholen

Oudenaarde had in de jaren 1840 ook nog een Academie voor tekenen en architectuur en een Conservatorium voor muziek. De lessen in deze scholen waren gratis[1505]. Jaarlijks besteedde de stad 1.200 fr. aan de tekenacademie[1506]. Het aantal leerlingen van deze school schommelde tussen de 120 en 140[1507]. Naaste deze tekenacademie werd op 26 oktober 1839 een muziekconservatorium opgericht in Oudenaarde, met het volgende doel voor ogen:

“Considérant qu’aujourd’hui l’étude de la musique forme une partie essentielle de l’éducation, que l’expérience prouve qu’une bonne application à cet art adoucit les mœurs et développe l’esprit de société ; qu’ainsi procurer à la classe médiocre et même indigente de la ville le moyen d’apprendre gratuitement et d’exercer la musique, c’est lui ouvrir une nouvelle source d’utilité et de civilisation[1508].”

Met deze instellingen beoogde de gemeentelijke administratie het onderwijsstelsel van de stad te vervolmaken. Men was ervan overtuigd de toestand van de armen te kunnen verzachten door hen liefde voor muziek bij te brengen. Deze school zou bovendien als ook oefenlokaal kunnen dienen voor de twee muziekgenootschappen, evenals voor de koristen en zangers van beide parochiekerken, die volgens het stadsbestuur veel te wensen overlieten. Jaarlijks zou het conservatorium 1.200 fr. toegestaan worden[1509]. Een jaar later werd deze subsidie nog verhoogd met 200 fr., en werd ook nog eens eenmalig 100 fr. toegestaan voor prijzen[1510]. Nog een jaar later werd deze subsidie verder opgetrokken tot 2.200 fr. De subsidie die het muziekgenootschap St. Cecilia eerder genoot ging (800 fr.) vanaf nu naar het conservatorium, op voorwaarde dat leerkrachten en leerlingen bij bepaalde gelegenheden op verzoek van de administratie hun kunsten zouden tonen[1511]. Het aantal leerlingen van deze muziekschool schommelde tussen 60 en 70[1512].

Volgens de wet op onderwijs van 1842 moest in elk arrondissement ook een hogere school worden opgericht. Omdat Oudenaarde de hoofdplaats was van het gelijknamige arrondissement, nam de stad het op zich om die school op te richten. Men wou dit doen in combinatie met de gemeentelijke middelbare school die ongeveer op hetzelfde moment tot stand kwam[1513]. Dit was echter niet meer nodig: los hiervan richtte de overheid in Ronse een dergelijke school op, tegen de zin van Oudenaarde[1514].

 

(2) Privé-onderwijs

Verschillende scholen balanceerden op de rand tussen privé en openbaar. Het waren privé-scholen, maar ze kregen een subsidie, waardoor ze de door de gemeente aangewezen leerlingen moesten aanvaarden. Enkel van deze privé-scholen zal ik nog een korte bespreking geven. Een volledig overzicht van privé-scholen is, voor zovel de jaarverslagen hierover spraakzaam zijn, opgenomen in bijlage, met aanduiding van het aantal leerlingen.

Aanvankelijk werd er slechts één privé-school door de gemeente ondersteund, en dat was die van mevr. Rasson, “pour jeunes Demoiselles[1515]”. Zij kreeg jaarlijks 475 fr., in ruil voor het aanvaarden van een aantal door de gemeente aangeduide leerlingen[1516]. Vanaf eind 1840 werden zes meisjes gratis toegelaten, waardoor haar subsidie voor 1842 op 500 fr. werd gebracht[1517]. Rasson gaf zowel vakken uit basisonderwijs als middelbaar onderwijs[1518]. Vooral Frans werd er aangeleerd[1519].

Vanaf 1850 werd een tweede privé-school door de gemeente financieel geholpen, die van Francq-Van Cauwenberghe. Als gevolg hiervan werd de subsidie aan Rasson teruggebracht tot 300 fr., waardoor er 200 fr. vrijkwam voor Francq-Van Cauwenberghe[1520]. Deze laatste vroeg al om een subsidie sinds april 1847, maar dit verzoek werd tweemaal verworpen[1521].

Ook andere privé leerkrachten verzochten regelmatig om subsidies. Eliaert vroeg in 1840 een subsidie, maar dit werd afgewezen[1522]. In augustus 1840 verzocht hij opnieuw een subsidie te krijgen, van 500 fr., deze keer van de staat. Ook al waren er naast de gemeentelijke nog twee andere lagere scholen, achtte de gemeenteraad het nuttig van er nog een derde op te richten. Daarom zou men de minister van Binnenlandse Zaken mededelen dat er reden was om zijn verzoek te aanvaarden[1523]. De overheid stelde waarschijnlijk voor Eliaert te benoemen tot gemeenteonderwijzer, maar dat kon de stad niet zomaar[1524]. Een laatste poging van Eliaert om nog iets van de stad los te krijgen leverde niets op[1525]. Een andere privé-onderwijzer, Emmanuel De Smet, had het moeilijk met het succes van de gemeenteschool. Begin 1841 vroeg hij via de gemeenteraad een subsidie van de koning, maar zonder succes[1526]. Daarom vroeg hij daarna aan de gemeenteraad hem te steunen, door bijvoorbeeld een deel van de leerlingen van de gemeenteschool aan hem toe te kennen[1527]. Ook deze keer zonder succes.

 

(3) Zondagsscholen

De zondagsscholen werden elke zondag en feestdag bezocht om vijf uur ’s avonds, door 400 à 600 leerlingen[1528]. Indien de cijfers enigszins betrouwbaar zijn (het zijn duidelijk slechts schattingen), dan trad er een merkelijke daling op in de jaren 1840, van 665 naar 400 leerlingen[1529]. In het jaarverslag over 1843 vinden we de volgende uitspraak over de geestelijken van de stad:

“Nous avons ici une dette de reconnaissance à payer à Messieurs les Ecclésiastiques, pour tous leurs soins et pour le zèle constant avec lequel ils dirigent l’instruction des élèves des écoles dominicales.

Hommage et gratitude ![1530]

 

2.4 Onderwijsbeleid

 

Onderwijs was in de negentiende eeuw een heikele materie, en onderwerp van een hevige twist tussen katholieken en liberalen. De wet op onderwijs die in september 1842 tot stand kwam was een moeilijke overeenkomst tussen beide groepen, die voordelig was voor de katholieken[1531]. Ook in Oudenaarde kwam dit debat voor, zoals reeds in het algemeen gedeelte werd besproken. Niet alleen in de krant maar, zo blijkt nu, ook in de gemeenteraad, bij het toekennen van een subsidie aan het college, waartegen vooral de liberaal Van Cauwenberghe zich verzette. Henri Ronsse, ook liberaal, zou zich in 1840 evenzeer verzet hebben tegen de voorwaarden van de bisschop om het college opnieuw op te richten[1532]. Alhoewel slechts een minderheid in de gemeenteraad, hadden ook katholieken een aantal zetels. Twee gemeenteraadsleden, wellicht katholieken, ondernamen pogingen om de jezuïeten van Aalst te overhalen in Oudenaarde leiding te geven aan het college, zonder succes. Het was pas daarna dat de gemeente besloot het middelbaar onderwijs zelf te organiseren[1533].

Subsidies voor onderwijs waren onontbeerlijk. In 1842 werd in Luxemburg een spaarkas opgericht, waar onderwijzers wegens ouderdom of gebrekkigheid buiten dienst gesteld een beroep op konden doen. De oprichting van een dergelijke kas werd ook voor andere delen van België aangemoedigd, maar de Gazette van Audenaerde had weinig hoop dat dit in Oost-Vlaanderen zou gebeuren. In Luxemburg was het de leerkrachten volgens deze krant nog mogelijk iets opzij te leggen, omdat de meeste naast subsidies voor hun leerlingen ook nog een jaarwedde van 200 à 300 fr. kregen en het gebruik van een woning, betaald door de regering of het plaatselijk bestuur. In Oost-Vlaanderen konden de lesgevers daarentegen niets opzij leggen, omdat zij – op enkele plaatsen na – teveel aan zichzelf waren overgelaten. Dit was niet door nalatigheid van de gemeenten, maar volgens de krant rechtstreeks het gevolg van de situatie in de linnennijverheid: deze zorgde voor steeds meer bedelaars, waardoor het voor de plaatselijke besturen steeds moeilijker was om voor onderstand te zorgen voor hun ingezetenen. Deze toestand zorgde er ook voor dat steeds minder kinderen naar school gingen: “Thans mag een wever aen geen onderwys voor zyne kinderen meer denken; gelukkig indien hy nog zonder bedelen – hetgeen niet wel mogelyk is – voor zich en zyne kinderen het noodige voedsel bezorgen kan.” Toch bleef het onderwijs belangrijk, en in tegenstelling tot sommigen vond de Gazette dat de zondagsscholen voor de armen ontoereikend en onbetrouwbaar waren. Het was daarom dringend nodig dat onderwijs meer steun kreeg van de regering[1534].

Bij koninklijk besluit van 22 juni 1848 een centrale voorzienigheidskas opgericht voor stedelijke onderwijzers[1535]. In Oudenaarde zouden er zich slechts vijf leerkrachten bij aansluiten. De Smet, Clepkens, Rasson, Gerard en Vanderstraeten. De laatste twee waren beide leerkrachten van de academie[1536]. Daarna zou het aantal leden echter verminderen.

Oudenaarde deed heel wat inspanningen om een degelijk onderwijsnet uit te bouwen. Daarover kan nog weinig twijfel bestaan. Sterke ideologische tegenstellingen tussen katholieken bestonden er niet, gezien de loftuitingen over de zondagsscholen. Ongeveer 8 à 13 % van het budget ging naar opvoeding, en indien de stedelijke middelbare school behouden werd, zou dit nog hoger oplopen[1537]. In het jaarverslag over 1843 wordt het aantal leerlingen van de verschillende lagere scholen samengeteld (inclusief privé-scholen voor kleuteropvang, die hier nog niet werden vermeld), en men komt aan een totaal van 1061 leerlingen. Dat stad vermeldt met trots dat dit betekent dat er op 100 inwoners 18,5 leerlingen zijn, dit tegenover een provinciaal gemiddelde van 8 per 100[1538]. Men trachtte zoveel mogelijk hinderpalen weg te nemen die kinderen ervan zouden weerhouden naar school te gaan. Zo was De Smet bereid om met medewerking van collega’s negen uur per dag les te geven, niet alleen om beide geslachten te scheiden, maar ook om de kinderen in staat te stellen tegelijkertijd een beroep te leren. Lijfstraffen werden afgekeurd uit vrees leerlingen te verliezen. Toch zou het aantal leerlingen dalen. Dit was niet het gevolg van een dalende interesse bij de bevolking of van een toenemende noodzaak kinderen voor een extra inkomen te laten werken, maar louter van de onderwijswet van 1842. Vóór deze wet werden enkel kinderen wiens ouders op openbare onderstand aangewezen waren volledig gratis toegelaten. Andere armen moesten enkel voor eigen spullen zorgen. Met de wet op onderwijs werd de categorie die recht had op volledig kosteloos onderwijs uitgebreid buiten de ondersteunden, maar tegelijk werd hier een numerieke drempel opgezet. Op die manier zorgde de wet die kosteloos onderwijs verzekerde aan de bevolking aan de ene kant voor een stijging van het aantal leerlingen dat niets hoefde te betalen, maar aan de andere kant paradoxaal genoeg voor een daling van het totaal aantal leerlingen in de armenschool.

Tijdens de crisis speelde het onderwijsnet geen belangrijke rol als plaatsvervangend opvanginstituut. Er was blijkbaar weinig vraag naar of hoop op extra maatregelen via onderwijs bij de bevolking, want na de hervorming van 1844 bleef het aantal leerlingen nagenoeg stabiel. Aan de andere kant ontplooide het stadsbestuur ook geen bijzondere maatregelen om de zwaarste nood te lenigen via de scholen.

 

Tabel 98. Totale begrote uitgaven voor onderwijs, 1840-1850[1539]

Begrotings-jaar

Lager onderwijs

Middelbaar onderwijs

Academie en conservatorium

Privé-onderwijs

Totaal

1840

1.700 fr.

2.550 fr.

2.700 fr.

475 fr.

7.425 fr.

1841

2.000 fr.

2.550 fr.

3.000 fr.

475 fr.

8.425 fr.

1842

2.000 fr.

2.550 fr.

3.700 fr.

500 fr.

8.750 fr.

1843

2.000 fr.

4.150 fr.

3.700 fr.

500 fr.

10.350 fr.

1844

2.000 fr.

6.700 fr.

3.900 fr.

500 fr.

13.100 fr.

1845

[1] 3.225 fr.

0 fr.

3.900 fr.

500 fr.

7.625 fr.

1846

3.225 fr.

1.800 fr.

3.900 fr.

500 fr.

9.425 fr.

1847

3.225 fr.

1.800 fr.

3.900 fr.

500 fr.

9.425 fr.

1848

3.225 fr.

1.800 fr.

3.900 fr.

500 fr.

9.425 fr.

1849

3.225 fr.

1.800 fr.

3.900 fr.

500 fr.

9.425 fr.

1850

3.250 fr.

1.800 fr.

3.900 fr.

500 fr.

9.450 fr.

Naast deze uitgaven komen er soms occasionele uitgaven bij (bv. meubelen herstellen, niet opgenomen)

[1] Inclusief 75 fr. voor prijzen, gebracht in begroting van 1846

 

 

3. Uitzonderlijke steunmaatregelen

 

Met uitzonderlijke maatregelen verwijs ik naar ad hoc-maatregelen die onder onmiddellijke druk van de crisis werden genomen, zoals de oprichting van nieuwe, eventueel tijdelijke, instellingen of commissies, of bijzondere maatregelen om de armen te onderhouden. De meest frequente en belangrijke van deze maatregelen was de organisatie van openbare werken.

Wanneer naar aanleiding van de crisis de prijzen tot ongekende hoogten stijgen, werd de noodzaak aan een regelmatig inkomen zeer belangrijk. Het aanbod aan goedkope arbeid nam sterk toe[1540]. Naast bezorgen van levensmiddelen was het bezorgen van werk daarom één van de belangrijkste middelen om de crisis het hoofd te bieden: niet alleen door verdeling van de nodige grondstoffen voor spinners en wevers, maar ook door een politiek van openbare werken voor andere arbeiders. Een deel van het uitzonderlijk budget van twee miljoen frank dat de overheid werd toegestaan werd gebruikt voor het uitvoeren van dergelijke werken. Een ander deel werd gebruikt om buurtwegen te verbeteren. De regering poogde tenslotte ook voor tewerkstelling te zorgen door andere openbare werken ten algemenen nutte aan te moedigen (waterwerken, spoorwegen, e.d.). Ook in 1846 en 1847 trachtte men zoveel mogelijk handen aan het werk te zetten door openbare werken[1541].

“Een werkloos mensch is een onnoodig schepsel”, zo schreef een lezer in de Gazette van Audenaerde in december 1845. Het had daarom volgens hem weinig zin bedelaars op te sluiten, zolang men ze in de gevangenis niet aan het werk zette[1542]. In de gevangenis hielden meerdere personen zich inderdaad bezig met het spinnen van vlas, en daarvoor zouden ze een correct loon gekregen hebben (in 1841 was dit althans het geval)[1543]. Ook de krant zelf schreef al in oktober van dat jaar dat het niet zo belangrijk was de armen soep te geven, maar vooral hen werk te bezorgen, waardoor ze in staat waren zelf in hun levensonderhoud te voorzien[1544]. Vooral in Oudenaarde zou dit nuttig kunnen zijn, aangezien de helft van de ondersteunden dagloners waren. Midden augustus 1848 bijvoorbeeld verging het de arbeiders van de stad beter dan enkele weken eerder, omdat er nivelleringswerken (travaux de dérasement) werden uitgevoerd aan één van de armen van de Schelde (Bourgschelde), omdat houtwerkers werk bezorgden aan timmerlui, schrijnwerkers en metselwerkers, en omdat de aankomende kermis in september goed was voor kleermakers, tapijtmakers en schoenmakers. Daardoor kwamen de arbeiders op dat moment zelfs niets te kort[1545].

In november 1845 verscheen een lezersbrief in de krant, waarbij de auteur pleitte voor het oprichten van een maatschappij om werk te bezorgen aan de armen. Uit deze interessante brief (die volledig is opgenomen in bijlage) blijkt duidelijk een utopisch socialistische inslag. De auteur beweerde een arme arbeider te zijn, maar indien hij het nodige geld had zou hij er alles aan doen de naam ‘weldoener’ te krijgen. Daartoe zou hij een maatschappij oprichten, “Toevlucht der Armen”. In deze brief werkte hij een plan uit om 200 mensen te onderhouden, enkel met behulp van 12.000 fr. Hij veronderstelde de aanwezigheid van 50 mannen in deze groep die aardewerken zouden kunnen uitvoeren aan het Kerzelarefort, 100 andere die zich bezig zouden houden met naaien, spinnen, breien en kantwerken, en tenslotte 50 ouderlingen en kinderen die niet konden werken. De ouderlingen konden wel de aardappelen schillen, groenten, pap en soep bereiden en voor de kinderen konden zorgen. De kinderen zouden naar school gaan en een ambacht leren. Met de winst die dit werk opleverde, samen met de inbreng van 12.000 fr., werkte hij een groots plan uit: zowel menu’s als de kledij van de arbeiders werd voorzien, evenals kosten voor verlichting, verwarming (waarop wel enorm werd bespaard) en potten en pannen. Er zou zelfs nog een overschot zijn die wekelijks aan de armen werd verdeeld. Op die manier was hij in staat 200 mensen een jaar lang te onderhouden[1546]. Het is echter duidelijk dat de “Toevlucht der Armen” een utopisch project was. De auteur bouwt voort op een ideaaltypisch contingent armen. Zijn project is helemaal niet op een concrete analyse gebaseerd. Het wetenschappelijk socialisme lijkt nog veraf.

Zoals ik in het algemeen gedeelte reeds uiteenzette zag de Gazette van Audenaerde vooral redding in de ‘organisatie van het werk’. Hoofdredacteur C. Ronsse werkte daartoe een reeks artikelen uit die zich vooral beperkten tot de linnennijverheid, maar hij voorzag dat deze vorm van organisatie zich dra zou verspreiden over alle nijverheidstakken[1547]. De krant vond het bij de uitvoering van openbare werken strikt noodzakelijk dat deze in regie (onder directe leiding van de overheid) zouden worden uitgevoerd, en niet in openbare aanbesteding. Ten eerste, openbare aanbesteding zou teveel formaliteiten met zich meebrengen. Daardoor zou de nood aan werk al voorbij zijn eer de werken effectief konden beginnen[1548]. De belangrijkste reden was echter de volgende. Indien het werk in openbare aanbesteding gebeurde, dan werd het loon van de arbeiders door “hebzuchtige ondernemers verslonden”. Om de kosten van de aanbesteding zo laag mogelijk te houden trachtten de ondernemers zoveel mogelijk te besparen op de lonen van arbeiders[1549]. Indien op deze manier het geld “aen den strykstok blyft hangen[1550]”, dan kwam het zelfs voor dat de arbeiders op het einde van het werk armer waren dan voorheen. Indien er bij aanbesteding niet op het loon van de arbeiders werd gelet, had het geen zin openbare werken uit te voeren om de armoede te bestrijden, aldus de krant[1551].

 

3.1 Maatregelen van de stad

 

(1) Oprichten van een speciale commissie voor levensmiddelen en openbare werken in 1845

Begin oktober 1845 ging er een voorstel uit van raadslid Lievin Van Cauwenberghe met de bedoeling de armen te ondersteunen tijdens de aankomende winter. In de zitting van de 8 oktober werd dit voorstel doorgestuurd naar de sectie financiën. Samen met Van Cauwenberghe en De Keyser-Grau (leden van de sectie openbare werken) moest hierover worden gedelibereerd[1552]. Iets langer dan een week later werden een aantal maatregelen uitgewerkt. Het besluit hiervan is volledig in bijlage opgenomen. Naast de buitengewone subsidie van 8.000 fr. aan het Armbestuur, zou men toestemming vragen om 12.000 fr. te lenen om in de nood van de armen te voorzien. Deze som diende om voor werk te zorgen, om voedsel tegen verlaagde prijs te verkopen, of om gewoon de nodige levensmiddelen gratis te verdelen. Daarnaast ging men een commissie samenstellen die indien nodig maatregelen zou treffen in het belang van de armen. De zevenkoppige commissie zou worden samengesteld uit de burgemeester (als voorzitter), twee gemeenteraadsleden, één lid van de Burgerlijke Godshuizen, één lid van het Armbestuur, en twee notabelen van de stad[1553]. De beslissing deze maatregelen te nemen viel wel op 18 oktober 1845, maar het duurde tot eind november eer men aan de uitvoering van dit project begon. Pas op 27 november verzocht met de Burgerlijke Godshuizen en het Armbestuur een lid voor te stellen voor de samenstelling van de commissie[1554]. Een dag later vroeg men de permanente deputatie om advies, en de koning om toestemming, om de lening van 12.000 fr. te mogen maken[1555]. Ook de gouverneur werd die dag op de hoogte gebracht van de vooropgestelde maatregelen, die men voldoende achtte om tijdens de winter in de noden van de arbeiders te voorzien[1556].

Op 6 december was de commissie samengesteld. Naast de burgemeester namen Jacques Ferdinand Verhoost en Richard Liedts deel als leden van de gemeenteraad, verder Paul de Smet (wijnhandelaar, als lid van de Burgerlijke Godshuizen), J. De Keyser-Grau (handelaar, als lid van het Armbestuur), en tenslotte Benoit Vande Walle-Bauwens en Lievin Van Cauwenberghe als notabelen[1557]. Deze twee laatste waren beide proprietaires. Deze commissie zou pas in werking treden wanneer de omstandigheden het vereisten[1558]. Ze was verantwoordelijk voor het gebruik van de toegestane lening. Aangezien de gouverneur echter naar het einde van december toe nog niet had laten weten of de lening goedgekeurd was of niet kon deze commissie nog niet in werking treden[1559].

Om bepaalde redenen werd het verzoek rond de jaarwisseling echter van de hand gewezen door de bestendige deputatie[1560]. De reden hiervoor bleef onbekend en onvoorstelbaar voor de Gazette van Audenaerde. De krant twijfelde er niet aan dat deze aanvraag gebeurd was omdat de stad ervan was overtuigd dat het noodzakelijk was. De commissie was van plan de 12.000 fr. te besteden aan graan en aardappelen. Het graan zou door de commissie zelf gemalen en gebakken worden, en aan de inkoopprijs of met verlies aan de armen worden verkocht. Voor de aardappelen gold hetzelfde. Op die manier beoogde men een evenwicht te bereiken tussen het aantal gezinsleden dat steun nodig had en de inkomsten die de gezinnen konden verkrijgen via werk. Door deze maatregelen zou het mogelijk geweest zijn verschillende armere stedelingen, die op dat moment hard werkten om nog eerlijk rond te kunnen komen, te verhinderen te moeten bedelen. Nu de permanente deputatie echter de lening had geweigerd zou het onvermijdelijk zijn dat ze moetsen gaan bedelen.

 

(2) Project voor openbare werken in 1846 en 1847

Het volgende jaar vroeg de gouverneur in een brief van 13 november 1846 of de stad overwoog openbare werken uit te voeren ten behoeve van de armen. Intra muros zouden er geen werken uitgevoerd worden. De wegen op de Eindries echter, het plattelandsgedeelte van de stad, bevonden zich vooral tijdens de winter maar soms ook in de zomer vaak in een slechte staat, vooral na zware regenval, waardoor ze meestal onbruikbaar waren. Om die wegen in goede staat te brengen was het nodig ze te verhogen en ze te bedekken met een stevige laag zand. Het zou niet goed zijn dergelijke werken in de winter uit te voeren, maar de arbeiders konden wel aan het werk worden gezet door het zand reeds te vervoeren, wat kon gebeuren met handkarren of kruiwagens. Aangezien het zand zich op vijf kilometer afstand bevond vanwaar de werken werden uitgevoerd zou het goedkoper zijn dit met paard en kar te laten gebeuren, maar, “s’associant à l’esprit de la lettre de Monsieur le Gouverneur”, het ging hier niet om de gemeentekas maar om het welzijn van de arbeiders. Daarom was het een onmiddellijke noodzaak hen werk te bezorgen, niet in het belang van de spaarzaamheid, maar “dans l’intérêt du repos public comme dans celui de l’humanité”. De kosten werden beraamd op 5.000 fr., waarvan de stad bereid was 2.000 fr. op zich te nemen. De overheid kon de overige 3.000 fr. niet weigeren, omdat Oudenaarde nog steeds niet had mogen delen in de subsidies die de staat had vrijgemaakt om de toestand van de behoeftigen te verzachten[1561]. Ook hier zou echter niets van komen

Wanneer de gouverneur een jaar later, in november 1847, opnieuw een rondschrijven stuurde in verband met maatregelen voor de armen, herbekeek de gemeenteraad de zitting van 1846 waarin de maatregelen voor werken aan de buurtwegen op de Eindries werden voorgesteld. Men zou erover nadenken[1562]. Uiteindelijk verwees de raad naar dezelfde zitting in haar antwoord op het schrijven van de gouverneur. Een bijdrage van de staat was noodzakelijk, omdat de financiële middelen van het Armbestuur ontoereikend waren. Wel kon deze instelling leiding geven aan de werken of de uitvoering ervan controleren. Men zag geen andere mogelijkheden om de armen aan het werk te houden[1563]. Wanneer men eind december 1847 de gouverneur opnieuw over deze werken inlichtte, schreef men dat deze werken weliswaar niet noodzakelijk waren, maar wel zeer nuttig zouden zijn. De kosten zouden nu 6.000 fr. bedragen, waarvoor de gemeente bereid was 2 à 3.000 fr. bij te dragen. Van het Armbestuur, noch van de gegoede ingezetenen van de stad was enige financiële hulp te verwachten. Daarom bleef het noodzakelijk dat ook de overheid een bijdrage maakte van 2 à 3.000 fr[1564]. Opnieuw blijven de resultaten van dit verzoek onbekend. Daarnaast was er in november een wetsvoorstel tot openbare werken, medegedeeld via de gouverneur, waardoor de waarde van de omliggende gebieden zou stijgen. De gemeenteraad van Oudenaarde gaf hierover echter een negatief advies[1565]. Eind december van dat jaar waren er tenslotte plannen voor werken aan de weg tussen de waterovergang op de Eindries naar de geplaveide weg van Ename naar Leupegem. Wat het oordeel van de gemeenteraad hierover was, is niet gekend[1566].

 

(3) Oprichten van een spaarkas voor arbeiders

In februari 1847 was er al een aanzet door een brief van de minister van Binnenlandse Zaken en de gouverneur om in industriesteden voorzieningskassen op te richten tijdens economisch gunstige omstandigheden. De stad meende zelf geen industriestad te zijn, maar erkende wel het nut van een dergelijke onderneming. Daarom besloot men een voorzieningskas op te richten wanneer de omstandigheden het zouden toelaten[1567]. Een dergelijke organisatie kwam tot stand in juli 1848. Naar aanleiding van een nieuw schrijven van de gouverneur werd toen geen voorzieningskas maar wel een spaarkas opgericht met de bedoeling in geval van duurte voedsel aan te kopen voor de armen. Daartoe moesten de leden in gunstige omstandigheden (wanneer ze werk hadden) trachten wekelijks 0,50 fr. over te maken aan deze instelling. Ereleden zouden minstens drie frank per jaar moeten betalen. Met deze financiële middelen zou tijdens duurte voedsel worden gekocht aan groothandelsprijzen, en dit zou aan de leden worden verdeeld[1568]. In september 1848 was men bezig met de inrichting van deze spaarkas, er ging een inschrijvingslijst rond voor personen die erelid wensten te worden en in het jaarverslag van 1847 kon men al melden dat al meer dan honderd inwoners dit hadden gedaan[1569]. Daar bleef het echter grotendeels bij. In het volgende jaarverslag luidde het dat door omstandigheden buiten de wil van de gemeente deze instelling nog niet kon beginnen[1570]. Men hoopte dat dit vlug zou kunnen gebeuren, maar in de daaropvolgende jaarverslagen staat hiervoor niet meer dan “Néant.”

 

(4) Andere initiatieven

In april 1846 kreeg de stad een brief van de gouverneur met het initiatief om een instituut op te richten dat levensmiddelen zou verdelen onder de armen. De stad zag echter geen redenen om dit te doen, de reeds genomen maatregelen – de extra subsidie aan het armbestuur voor soep – vond men afdoende[1571].

In het budget voor 1848 stelde men voor 50 fr. vrij te maken die niet noodzakelijk zou worden uitgegeven. Het gebeurde vaak dat arme arbeiders of gebrekkigen van de stad zich lieten opmerken door een moedige daad, of een daad van toewijding en mensenliefde. Die waren echter vaak niet van die aard om in aanmerking te komen voor een beloning van de staat. Met deze 50 fr. wou de stad een fonds aanleggen, dat kon worden aangesproken om een kleine gemeentelijke vergoeding te geven, aan degenen die dergelijke daden doen[1572].

 

3.2 Uitvoeren van openbare werken door de staat

 

Een deel van het buitengewoon krediet van twee miljoen werd gebruikt om voor openbare werken te zorgen[1573]. In Oudenaarde en omgeving werden verschillende werken uitgevoerd door de staat, waaraan ook de arbeidersbevolking van Oudenaarde voordeel had. Aan de hand van de vermeldingen in de Gazette van Audenaerde tracht ik hier een zo volledig mogelijk overzicht weer te geven, met eventuele aanduiding van de resultaten.

 

(1) De weg Nederbrakel-Ronse

Plannen voor het aanleggen van de weg van Nederbrakel naar Ronse waren er al begin oktober 1845. Bovendien zouden deze werken in regie worden uitgevoerd, wat zeer naar de zin van de krant was[1574]. Vermoedelijk is de uitvoering van deze werken het resultaat van een pleidooi van Markies de Rodes, een vertegenwoordiger voor het arrondissement Oudenaarde in het parlement[1575]. In maart 1846 was er een gerucht dat de arbeiders die aarde met een kruiwagen vervoerden vanaf april zouden worden vervangen door trekpaarden. Mits bemiddeling van de markies bekwam men van de minister van openbare werken de verzekering dat hij het aantal arbeiders liever zag vermeerderen dan verminderen[1576]. Toch werd in mei 1846 het grootste deel van de arbeiders naar huis gestuurd, ook al was de weg nog niet af. De Villegas (een andere vertegenwoordiger), die dit aanklaagde in het parlement, pleitte tegelijk voor het aanleggen van een zijtak van Opbrakel naar deze weg, die slechts twee à driehonderd meter lang moest zijn[1577]. De werken aan deze weg bleven dat jaar beperkt tot aardewerken en ophogingen. De totale kosten voor de overheid liepen op tot 120.000 fr. Ongeveer 500 arbeiders werden er aan het werk gezet[1578].

De bestrating van deze weg vond het volgende jaar plaats. Dit keer werden deze werken openbaar aanbesteed[1579].

 

(2) De weg Hundelgem-Elst

Eind 1846 werd er door vertegenwoordigers Liedts en De Villegas voorgesteld werken uit te voeren op de baan van Elst naar Hundelgem[1580]. Het opmaken van plannen voor deze werken werden in maart 1847 toegewezen aan Garnier, conducteur der bruggen en wegen. Hij zou tevens al begonnen zijn met het ‘nivellement’[1581]. Deze werken werden echter uitgevoerd in aanbesteding. De aanbestedingen waren wel zo snel mogelijk gebeurd, om arbeiders en armen van de omgeving een inkomen en brood te verschaffen. Maar nauwelijks was men begonnen, of het werk werd door de arbeiders achtergelaten: in plaats van voor een inkomen te zorgen, werden ze armer van deze werken. De aardevoerders waren 15 uur per dag op het werk aanwezig, en waren er 13 uur per dag actief. Ze verdienden er gemiddeld slechts 0,85 fr. per dag[1582].

 

(3) Werken aan het fort op de Kerzelaereberg

In de winter van 1845 - 1846 werden werken uitgevoerd aan het fort op de Kerzelaereberg. Omdat er eind januari echter een deel van de walmuur instortte, werden de werken stilgelegd. De instorting was waarschijnlijk het gevolg van druk van onderaards water. Men had de Nederlandse architecten van het fort al herhaaldelijk op het gevaar hiervan gewezen, die echter alle raad van de hand sloegen. Het gevolg was dat 150 arbeiders zonder werk kwamen te zitten. Er werd zelfs gezegd dat het hele fort zou worden opgegeven[1583].

 

(4) Werken op de vestingsgronden van Oudenaarde

In zitting van 12 februari 1846 stond de Kamer de minister van oorlog een som van 85.000 fr. toe voor het uitvoeren van versterkingswerken rond Oudenaarde, inzonderheid het opmaken van versterkingen buiten de Einepoort. De Gazette van Audenaerde stond vrij negatief tegenover deze werken, net als tegenover de werken aan het Kerzelaerefort, en vond dat het geld op een nuttiger manier kon worden besteed. Maar omdat men hiermee werk verschafte aan de bevolking gaf de krant haar steun, althans indien de werken in regie zouden worden uitgevoerd[1584]. Op 21 februari werd deze toegestane som door de senaat aanvaard[1585]. De werken zouden echter in aanbesteding worden uitgevoerd. Deze aanbesteding zou plaatsvinden op 21 maart in het hotel van de Kasteleny te Oudenaarde[1586]. De werken bestonden uit drie onderdelen. Het gewone onderhoud van de vesting werd toegewezen aan Ch. Van der Straeten voor 8.500 fr. Daarnaast moest aan de Leupegemse poort een stenen brug worden gebouwd, in vervanging van de oude houten brug[1587]. Dit werd voor 28.600 fr. toegewezen aan J. De Keyser. De aardewerken die nog nodig waren voor de versterking van de stad tenslotte werden aan Ch. Van der Straeten toegewezen, voor 46.500 fr. De werken werden waarschijnlijk reeds in de loop van de week na de aanbesteding begonnen[1588].

Het zijn deze laatste werken die het meeste handen aan het werk zetten. Eind maart waren de werken begonnen, en reeds 150 tot 180 arbeiders vonden er werk. Men vermoedde dat dit aantal nog zou vergroten[1589]. Aan arbeidskrachten was alleszins geen gebrek. Sinds de werken waren begonnen stroomden van alle kanten mensen naar Oudenaarde toe om hun diensten aan te bieden. Het aanbod overtrof echter de vraag, waardoor velen met tranen in de ogen naar huis moesten gaan. Sommige meedogende mensen verschaften aan de werkzoekenden soms nutteloos werk, om hen iets te laten verdienen en niet moedeloos naar huis te laten gaan[1590]. Het hoge water van de eerste zes maanden van 1846 zou echter roet in het eten gooien. Reeds eind april werd erop gewezen dat indien het water niet snel zou zakken, maar verplicht zou zijn de helft van de arbeiders naar huis te sturen[1591]. In mei was het zover. Drie vierde van de arbeiders zou naar huis gestuurd geweest zijn, omdat het hoge water hen belette verder te werken[1592].

Eind oktober 1846 waren de werken aan de Leupegemse poort bijna gedaan, en ook aan de werken buiten de Einepoort was men al ver gevorderd[1593]. Als gevolg van nieuwe regenval moesten eind oktober opnieuw 100 arbeiders naar huis worden gestuurd[1594]. De weg doorheen de vestingsgronden, tussen de Einepoort en de Eindries, werd op dat moment nog opgebroken en opnieuw aangelegd[1595]. Over dit laatste toonde de Gazette van Audenaerde zich zeer ontevreden. Nadat de werken waren opgehouden wist de krant niet zeker of de weg wel al afgewerkt was of niet[1596]. Omdat deze weg zich daardoor in een zeer gebrekkelijke staat bevond, ondervonden de herbergiers op de Eindries daarvan veel schade. Eind november waren ook de werken aan de Leupegemse poort voltooid[1597].

Of deze werken de toestand van de arbeiders werkelijk verbeterd heeft kan betwijfeld worden. Midden 1847 verscheen een artikel waarin de krant opnieuw pleitte openbare werken in regie uit te voeren. Men haalde daarbij aan dat een groot deel van de aardewerkers die in 1846 aan de vestingsgronden van de stad actief waren, het werk verlieten omdat ze een onvoldoende loon kregen. Degene die bleven werden hoe langer ze werkten, hoe armer. Dit gebeurde volgens de krant echter bij de werken onder leiding van aannemer Carlier[1598]. Over Van der Straeten wordt in dit artikel niet gesproken, en mogelijk betaalde hij wel degelijk een ‘rechtvaardiger’ loon aan zijn werknemers. In november 1845 publiceerde Van der Straeten namelijk een artikel waarin hij de uitbesteding aanklaagde van de aardewerken aan het Kerzelaerefort (deze werken werden die winter ten gevolge van een instorting stilgezet, cfr. supra). Mogelijks handelde hij met de publicatie van deze bijdrage in zijn eigen voordeel, als aannemer van openbare werken. Hij hekelde de situatie dat indien de werken in handen vielen van een baatzuchtige aannemer, de arbeiders geenszins in staat zouden zijn voldoende te verdienen. Hun loon zou volgens hem dan slechts 0,54 à 0,63 fr. (6 à 7 stuivers) bedragen. Het is vreemd, in zijn situatie, dat hij ervoor pleitte dat de werken in regie zouden plaatsvinden of dat de overheid op zijn minst erop zou toezien dat er geen misbruiken bestonden op het loon van de werknemers[1599]. Beoogde hij door deze humane brief (dat zijn naam droeg, in tegenstelling tot vele andere lezersbrieven die vaak enkel initialen dragen) enig voordeel bij de toewijzing, die enkele dagen later zou plaatsvinden?

 

(5) Andere voorstellen die het niet haalden

In januari 1846 werd een petitie naar de koning gezonden met het verzoek werken te laten uitvoeren op de weg van Oudenaarde naar Geraardsbergen[1600]. Zonder resultaat, want in maart bleek dat dit geweigerd werd. Voor de Gazette van Audenaerde was het daarmee duidelijk dat de koning even ongevoelig was voor de ellende van het volk als de ministers. Daarom besloot men een nummer van de krant naar de minister van openbare werken toe te sturen, zodat hij kon kennisnemen met de ellende van de bevolking[1601]. In december van het volgende jaar stelde de krant voor werken uit te voeren op de baan van Oudenaarde naar Nederbrakel. Dat zou volgens hen 2 tot 3.000 mensen brood kunnen verschaffen[1602].

 

 

4. Maatregelen ter bevordering van de hygiëne

 

4.1 Algemene zorg voor hygiëne en netheid

 

(1) ‘Ordediensten’

Steden produceerden heel wat afval. Een groot deel daarvan werd gerecupereerd en aan landbouwers uit het omliggende verkocht als mest. In Oudenaarde werd dit niet uit hoofde van de stad uitgevoerd.

Het recht om straatvuil en slib op te halen werd om de één of meerdere jaren uitbesteed aan een private ondernemer. Gedurende de jaren 1840 gebeurde dat steeds aan Ferdinand Waelkens. Het moet een vrij winstgevende activiteit geweest zijn. In 1840 stelde Waelkens voor het ophalen van straatvuil en slib te huren voor 220 fr. voor drie jaar (of ongeveer 73 fr. per jaar)[1603]. Alhoewel Waelkens in 1841 het gemeentebestuur verzocht de pachtprijs te verlagen en het transport op kosten van de stad te laten gebeuren[1604], werd de verpachting hiervan eind 1843 tegen 60 fr. per jaar niet aanvaard door de gemeenteraad[1605]. Twee weken later werd de huurprijs op 100 fr. per jaar vastgesteld, geldig voor drie jaar[1606]. Bij de volgende verpachting, in 1847, werd dit verder verhoogd tot 200 fr. voor één jaar[1607]. Volgens de overeenkomst van 1843 was Waelkens ook verplicht het gras dat op de straten in de stad groeide te verwijderen op verzoek van het bestuur. Ook kon hem worden gevraagd de ‘Wateringe’ schoon te maken[1608]. Hier stond een molen op één van de armen van de Schelde (Bourgschelde).

Blijkbaar was drek (fecaliën) hierin niet inbegrepen. Enkel straatafval en slib werd door de ondernemer opgehaald, en door hem verwerkt tot mest. Drek en ander afval werd opgehaald door boeren uit de voorsteden en omgeving. De openbare gebouwen in de stad, waaronder de kazerne, de gevangenis, het burgerlijk hospitaal, de militaire kliniek e.d. hadden speciale reservaten waarin afval en drek werd opgevangen. Deze waardevolle goederen werden door de betreffende instelling regelmatig met winst verkocht aan ondernemers of aan boeren van naburige gemeenten. “Bref, toutes les matières infectantes sont dans cette ville utilisées comme engrais[1609].”

De inwoners van Oudenaarde hadden de gewoonte de Schelde en de vestingsgronden als vuilnisbelt te gebruiken[1610]. Daarom bepaalde de stad in mei 1849 (tussen twee golven van de cholera-epidemie) dat het verboden was op de vestingswerken van de stad steengruis, vuil of mest te voeren en er wagens, karren e.d. te plaatsen. Tevens verbood men de inwoners zich op deze gronden te begeven en er bomen, sluippoorten en -deuren te beschadigen. Het steengruis en het vuil uit de stad mocht gestort worden in de kom van de sluis die het Nederlands bestuur wou maken[1611]. In december 1848 had het bestuur al bepaald dat Waelkens ook de weg buiten de Einepoort doorheen de versterking, tussen de stad en de Eindries, schoon moest houden[1612].

Soms reageerde het gemeentebestuur op klachten van inwoners. In augustus 1840 vroegen verschillende inwoners van de Vrijheidsstraat om de greppel schoon te maken. De gemeenteraad ging echter over tot de orde van de dag, met de opmerking dat zij dit zelf moesten doen[1613]. Toen soldaten uit de kazerne op het Jezuïetenplein na het schoonmaken van de koer het vuil water en afval op straat in een greppel achterlieten, waardoor de loop van het water werd verstoord, reageerde men wel. De majoor werd gevraagd ervoor te zorgen dat dit zou ophouden[1614].

Het is omwille van deze verschillende activiteiten dat het gemeentebestuur het in april 1848 nog niet nodig achtte verdere maatregelen te nemen om de hygiëne te verzekeren. Zoals we eerder gezien hebben, noemde men Oudenaarde toen één van het properste steden van het rijk[1615]. Ook in de jaarverslagen van 1846 tot 1849 vinden we steeds terug dat de algemene hygiënische situatie bevredigend is, en dat de straten voortdurend proper worden gehouden[1616]. In het jaarverslag van 1850 volgt hierop voor het eerst een nuancering op het beeld van de gezondheid in de stad. Toen stelde men dat de straten wel proper waren, maar dat de netheid van de trottoirs veel te wensen overliet[1617].

 

(2) Reglementen op de verkoop van vis, vlees en andere voedingswaren

In februari 1840 werden er verschillende klachten geuit tegen Ferdinand Vanderstraeten, keurder van zeevis die op de markt te koop werd aangeboden. Aanvankelijk beperkte de stad zich tot een aanmaning strenger te zijn[1618]. Hiermee was het probleem echter niet van de baan. Tot dan toe waren er slechts twee experts om de vis te keuren, waardoor er een probleem ontstond als beide er een verschillende mening op nahielden. Daarom besloot men eind maart een derde keurder aan te stellen[1619]. Het duurde evenwel tot januari van het volgende jaar eer dit in een reglement werd omgezet, dat opgenomen is in bijlage. Dit gebeurde naar aanleiding van nieuwe klachten aan het adres van Ferdinand Vanderstraeten[1620]. Het kort reglement dat hierop volgde was uitsluitend het gevolg van dit geschil, en bevat daardoor weinig andere bepalingen dan dat het aantal keurders werd verhoogd tot drie. Deze keurders zouden bij meerderheid van stemmen beslissen[1621]. Ongeveer een maand later werd de derde keurder aangesteld[1622]. De controle van oesters behoorde echter niet tot hun prerogatieven, omdat toen in 1844 klachten werden geuit over de oesters op de markt, niet de keurders maar wel de politiecommissaris gevraagd werd een strenge controle uit te oefenen op weekdieren[1623].

In februari 1844 drong de gouverneur erop aan dat de stad de wet van 19 juli 1791 op de controle van voedingswaren zou uitvoeren[1624]. Zonder onmiddellijk resultaat, want op 3 februari moest een rappel gestuurd worden[1625]. Dezelfde dag nog begon men aan de voorbereiding van een reglement, door naar de beschikkingen op de verkoop van vlees in Gent te vragen[1626]. De stad had eerder al, in 1825, een politiereglement in die zin opgesteld, dat de verkoop van bedorven vlees of vlees afkomstig van zieke dieren verbood[1627]. Dit reglement vond men in Oudenaarde zelf echter ontoereikend[1628]. Daarom kwam eind april 1844 een nieuw reglement tot stand op de verkoop van vlees. Dit reglement is volledig opgenomen in bijlage. Dit reglement beoogde in de eerste plaats een sterke beperking op de invoer van vlees in de stad (of de voorsteden, waar het reglement eveneens gold) en op de verkoop ervan, en ten tweede een sterke controle op de kwaliteit van het vlees. De beperking op de invoer van vlees gebeurde door het enkel op bepaalde uren toe te laten en door de introductie van bedorven vlees of vlees van zieke dieren te verbieden tout court. Wie onzeker was over de kwaliteit van het vlees dat hij of zij dat in de stad bracht kon een keuring van het vlees aanvragen. Ook werd de verkoop ervan enkel toegelaten in winkels of op de markt. Leuren met vlees, ook al was het gezond, werd verboden. Elk aangetroffen stuk vlees dat niet geschikt was voor de consumptie zou worden geconfisqueerd. Daarnaast werd dit vlees gekeurd door een expert. Er werd gecontroleerd op ziektes zowel vóór als na het slachten. Daarnaast was de expert ook verantwoordelijk voor de controle op de netheid in slagerijen, diende hij als expert op gebied van alles wat met de verkoop van vlees te maken had en moest hij zorgen voor de algemene uitvoering van het reglement[1629]. Het zou duren tot eind juli eer het reglement werd bekendgemaakt en de expert werd aangesteld[1630]. De expert werd Romain De Bruyne. Voor die functie kreeg hij vanaf 1 augustus 300 fr. per jaar[1631].

Over de efficiëntie van deze maatregel kan getwijfeld worden, want regelmatig duiken in de Gazette van Audenaerde artikels op waarin wordt gepleit voor het oprichten van een slachthuis, waar het slachten steeds onder strenge controle kon gebeuren. Wanneer De Bruyne in juni 1845 een aanzienlijke hoeveelheid bedorven vlees zou hebben aangetroffen bij een beenhouwer, vormde dit de aanleiding voor een dergelijk artikel. Men verwees hier naar de redenen die dr. Decaisne gaf om een slachthuis op te zetten: het slachten van dieren onder controle van een veearts, om ziektes zoals tyfus tegen te gaan. Volgens de auteur was het niet toevallig dat op dat moment tyfus met een buitengewone hevigheid zou heersen (waarover hoger al werd gesproken). De beenhouwers zouden zich echter verzetten tegen een dergelijk slachthuis, omdat het voor hen makkelijker was de dieren thuis te doden. Volgens de auteur mocht de openbare gezondheid echter niet het slachtoffer zijn van de beenhouwers[1632]. Enkele weken later volgt een reactie van een lezer, die er zelfs een gebouw voor voorstelde. Daardoor zou er volgens hem geen slechte “uitwazeming” meer zijn[1633]. In januari 1847 werd er opnieuw geklaagd over vuil en stank, en vond men dat er meer toezicht op zou moeten komen, onder andere door het opzetten van een slachthuis[1634]. De gezondheidssituatie van de stad was misschien wel beter dan verschillende andere steden, maar toch minder rooskleurig dan het stadsbestuur ze voorstelde.

Op 3 juli 1850 werd het tenslotte verboden blikken maten te gebruiken voor de verkoop van “natte waeren”, met uitzondering van melk en olie. Dit verbod gold voor siroop, azijn, honing, mosterd, “en andere meer of min inetende stoffen”. De maten hiervoor moesten worden vervangen door ander materiaal[1635].

 

(3) Controle op het vegen van schouwen

Jaarlijks controleerde de stad ook of de inwoners hun schouwen, ovens en andere plaatsen waar vuur werd gemaakt afdoende veegden. Meestal gebeurde dit rond juli[1636]. Vanaf maart 1847 controleerde de stad ook woningen op het platteland die op minder dan 170 meter van andere huizen waren verwijderd[1637]. Daartoe werden twee artikels van een besluit van de gedeputeerde staten uit 1819 herhaald, opgenomen in bijlage. De bedoeling hiervan was brandgevaar indijken. Indien er werd vastgesteld dat de schoorstenen onvoldoende waren schoongemaakt, dan kon de politiecommissaris op kosten van de eigenaar de betreffende gebouwen laten schoonmaken, herstellen, of afbreken.

Andere maatregelen om brandgevaar te beperken bleven eerder beperkt. Wanneer de stad werd gevraagd politiemaatregelen te nemen op de opslagplaatsen van brandbaren stoffen bij bakkers e.d., dan werd dit geweigerd, omdat men het niet uitvoerbaar achtte[1638].

 

4.2 Bijzondere maatregelen naar aanleiding van tyfus en cholera

 

(1) Onmiddellijke maatregelen om tyfus en cholera in te dijken

Ondanks het feit dat de mortaliteit vanaf het einde van de achttiende eeuw steeds verder bleef dalen, werden dodelijke epidemieën steeds belangrijker als doodsoorzaak. Dit was het gevolg van de achteruitgang van de leefomstandigheden die in de negentiende-eeuwse steden plaatsgreep, samen met de industriële revolutie. Het platteland was er op dat gebied veel beter aan toe[1639].

Reeds de tyfusepidemie, die rond 1847 - 1848 een hoogtepunt kende, zorgde voor bezorgdheid bij de overheden. Op 8 april 1848 stuurde de minister van Binnenlandse Zaken Rogier een rondschrijven naar de gouverneur van Oost-Vlaanderen, vooral in verband met het achterblijven van mest in de steden. Hierin werd erop aangedrongen dat landbouwers met die mest hun opbrengst konden doen stijgen, terwijl die mest vaak zou blijven liggen in de steden en er een bron van ziektes vormden. Het ene probleem leek het andere op te lossen: door de steden proper te maken konden de landbouwer zich beter indekken tegen oogstmislukkingen. Daarom drong de minister erop aan deze mest in de steden te verzamelen[1640]. Het antwoord van de stad Oudenaarde hierop is al bekend. Drek en ander vuil werden al door verschillende instanties opgehaald. De voorschriften uit de brief van de minister werden in Oudenaarde reeds lang spontaan uitgevoerd. Daarom waren in de stad geen bijzondere maatregelen nodig, noch in het belang van de openbare hygiëne, noch in dat van de landbouw. Het is in deze brief dat het stadsbestuur Oudenaarde één van de gezondste en properste steden van het rijk noemde[1641]. Allicht zag men dit bevestigd in het feit dat de tyfusepidemie aan de stad voorbijging.

Op 15 oktober 1848 ging er opnieuw een oproep uit naar de gemeenten om maatregelen te nemen in het belang van de hygiëne[1642]. Vooral werd erop aangedrongen één of meerdere comités op te richten, bij voorkeur samengesteld uit dokters, een apotheker, een architect, een lid van de Burgerlijke Godshuizen of het Armbestuur of andere personen die in staat waren de doelstelling te vervullen, die bestond in het verbeteren van de fysieke toestand van de bevolking. Het zou echter nog twee maand duren eer men in Oudenaarde hieraan gevolg gaf. Een bijzonder comité voor openbare hygiëne werd opgericht in de zitting van het college op 23 december 1848. Leden waren Louis Gequière, schepen, Désiré Vandermeersch en Pierre Joseph Gosse, geneesheren, Modeste Cavenaile, apotheker, en Jacques De Keyser-Grau, architect en lid van het Armbestuur. Deze beslissing is opgenomen in bijlage, en bevat ook het schrijven van de gouverneur[1643].

Dit comité werd opgericht op dezelfde dag dat het eerste slachtoffer van de cholera werd vastgesteld. Het ligt voor het hand dat de oprichting van het comité hiervan het gevolg is, en in een verslag eind 1850 lijkt dit verband te bevestigen[1644]. Ook leek de cholera in de stad nog niet problematisch, het is pas in maart 1849 dat een epidemie uitbrak. Het is ook pas dan dat de commissie echt aan het werk sloeg.

Op 5 en 6 maart kregen de leden van de commissie allerlei richtlijnen en informatie toegestuurd, zowel van de gouverneur als de minister van Binnenlandse Zaken, met daarnaast ook wettelijke beschikkingen[1645]. Op 10 maart vond de eerste zitting van deze commissie plaats, nadat al enkele dagen duidelijk was dat de slachtoffers van cholera geen geïsoleerde gevallen meer waren. Men was overtuigd van de dringende nood maatregelen te nemen. In deze zitting werd besloten de beenhouwers te waarschuwen geen afgestroopte huiden en slachtafval langer te bewaren dan nodig was. Vishandelaars mochten het water waarin ze de vis weekten niet langer op de straat of in greppen gooien, maar moesten dit in de Schelde doen[1646]. Het college maakte deze maatregelen op 12 maart bekend[1647]. Verder besloot men in de eerste zitting van de commissie huiseigenaars die verhuurden aan armen te waarschuwen dat de kamers moesten worden gebleekt met kalk en dat de rioleringen moesten worden schoongemaakt. Ook zouden inwoners die een mesthoop op de openbare weg hadden liggen die binnen een bepaald aantal dagen moeten laten verwijderen. Tenslotte besloot men een inspectie te houden van de rioleringen van de stad, inzonderheid die van de Wijngaardstraat (waar al verschillende slachtoffers waren gevallen)[1648].

Daags na deze zitting werd de gouverneur over deze maatregelen ingelicht. De nodige zorgen aan de armen werden verleend door het Armbestuur, en de commissie voor de openbare gezondheid voerde zijn taak naar behoren uit. Maar over een maison d’observation beschikte de stad niet, noch over een bureau de secours of een speciaal tijdelijk hospitaal. De choleraslachtoffers werden wel behandeld in een apart gebouw, geïsoleerd van de andere zieken[1649]. Een week na de eerste zitting besloot de commissie een bezoek te brengen aan de kwartieren van de stad, gekend voor hun ongezondheid. Verder volgt hierover meer. In deze tweede zitting werd aan de leden ook medegedeeld dat de burgermeester de voorgestelde maatregelen in verband met de beenhouwers en vishandelaars had laten uitvoeren, en ook maatregelen had genomen in verband met de openbare rioleringen, de ondernemer van het vuil in de stad en het witten met kalk van de huizen van armen[1650].

Niet alleen deze commissie nam initiatief om maatregelen uit te voeren. Ook dr. Vandermeersch droeg veel bij tot het gezondheid van de stad en de woningen. Zo vond hij in maart dat de bewoners van kelders en huizen zonder latrines moesten aanbevolen worden hun uitwerpselen dagelijks in de Schelde te gooien, of toch minstens gevraagd worden hun urine of stinkend water niet meer in de greppels langsheen de huizen te gooien, waar dat water vaak enkele uren bleef stilstaan[1651]. In september maakte hij opnieuw opmerkingen over deze greppels. Hij merkte op dat deze soms zonder water stonden, wat aanleiding gaf tot het oprijzen van een miasmatische lucht. In het belang van de volksgezondheid was het nodig dat de greppels steeds van voldoende water waren voorzien[1652]. Naast van Vandermeersch ging ook initiatief uit van de stad. Zoals we eerder zagen bepaalde de stad in mei 1849 (tussen twee golven van de cholera-epidemie) dat het verboden was op de vestingswerken van de stad steengruis, vuil of mest te voeren. Dit mocht wel gestort worden in de kom van de sluis die het Nederlands bestuur eerder wou maken[1653]. Veel inspanningen lijkt de commissie na de golf van maart niet meer gedaan te hebben.

Vaak kregen personen die zich hadden laten opmerken tijdens het bestrijden van een epidemische ziekte nadien een beloning, iets wat in de medische beroepspers vaak op hoongelach werd onthaald (men vond dat de regering de geneeskunde beter kon steunen door strenger op te treden tegen kwakzalverij[1654]). Toen de gouverneur in december 1849 vroeg naar de personen die in aanmerking zouden komen voor een onderscheiding omwille van hun inzet en toewijding, noemt men vier personen of instanties[1655]. Désiré Vandermeersch was de enige die op deze lijst voorkwam die ook zetelde in de gezondheidscommissie. Maar de verdiensten die men opsomt hadden meer te maken met zijn functie als dokter van het hospitaal dan als lid van die commissie. Men vermeldt dat van de 127 choleraslachtoffers er 120 door hem in het hospitaal werden behandeld, dat hij alle bulletins opstelde die nadien naar de gouverneur werden gestuurd en dat hij de gemeentelijke administratie vaak wees op hygiënische maatregelen die konden genomen worden. Verder werd ook Jean Baptiste Vandenbossche, vicaris van de Walburgakerk, genoemd. Dag en nacht stond hij naar verluidt bij de zieken, zowel thuis als in het hospitaal, aan wie hij zijn religieuze diensten toediende. Ook de congregatie van de hospitaalzusters werd genoemd. Één van deze zusters werd zelfs slachtoffer van cholera en overleed bijna aan haar eigen toewijding[1656]. Joseph Vossaert tenslotte, verpleegkundige in het hospitaal, ging de patiënten vaak thuis opzoeken om hen over te halen naar het hospitaal te gaan, wanneer de schrik van familieleden dat transport moeilijk maakten. Ook voerde hij op verzoek van dr. Vandermeersch ‘berokingen’ uit (“des fumigations guytonniennes”)[1657].

De meeste maatregelen die dus werden genomen om de hygiëne onmiddellijk te verbeteren waren vaak ad hoc-maatregelen, en er kan worden getwijfeld aan de mate waarin deze echt de opgang van cholera hebben tegengehouden. Immers, tot de ontdekking van de cholerabacterie in 1883 door Koch wist men weinig over deze ziekte[1658]. Het belangrijkste initiatief was het onderzoeken van de woonsituatie van de arbeiders. Daarover volgt nu meer.

 

(2) Schoonmaken van arbeiderswoningen

Volgens Velle waren de gevolgen van cholera-epidemie misschien relatief beperkt op demografisch vlak, maar op maatschappelijk vlak waren ze des te groter. Het zorgde voor een gevoel van onmacht in de medische wetenschap, voor een striktere geloofsbelijdenis, het zorgde ervoor dat religieuze feesten en kermissen in mineur werden gevierd, en vooral voor een afkeer van persoonlijk contact met ‘het volk’ bij de burgerij[1659]. In Oudenaarde schreef dr. Vandermeersch dat omwonenden uit de buurt bleven van een bepaald ongezond huis[1660]. In zijn vele rapporten heeft deze dokter het vaak over de slechte woonomstandigheden van de slachtoffers.

Door de steeds terugkerende choleraplagen in de negentiende eeuw in België werd de burgerij geconfronteerd met de werkelijkheid: slechte hygiëne en huisvesting, slechte kwaliteit van de voeding en drinkwater. In Gent ondernam het stadsbestuur in 1849 voor het eerst een onderzoek naar de woonomstandigheden, net als in Oudenaarde. Vanaf het midden van de eeuw werden in verschillende steden reglementen voor huisvesting uitgevaardigd. Vuilnis, mesthopen en stilstaand water trachtte men te verwijderen, waterlopen en straten werden schoongemaakt, arbeiderswoningen werden ‘gelucht’, enz[1661].

Reeds in de eerste zitting van de commissie op 10 maart werd besloten huiseigenaars te vragen de kamers die ze verhuurden aan arme families, arbeiders, dagloners, e.d. te laten bleken met (ongebluste) kalk[1662]. Hieraan gevolg gevend werden echter slechts twee brieven verstuurd, aan Devos-Herrebaut (eigenaar van huizen in de Wijngaarstraat) en aan weduwe van Geert[1663]. In de volgende zitting van de commissie op 19 maart, besloot men met de hele groep die dag zelf de kwartieren van de stad te bezoeken die gekend waren om hun ongezondheid, voor een inspectie van de huizen “construites sous l’influence d’une sordide cupidité”. Dit zou gebeuren zowel op gebied van het samenhokken van armen, als wat betreft ruimte en verluchting in verhouding tot het aantal inwoners[1664]. Als gevolg hiervan werden op 24 maart nog vier brieven verstuurd naar huiseigenaars, Emmanuel Noterman, Emmanuel Verheyden (koopman), Cyprien Dehier (kolenhandelaar) en nogmaals aan weduwe van Geert[1665]. Zij werden gevraagd de kamers te doen witten met kalk, riolen schoon te maken, de bewoners te verbieden vuil op hun koer te leggen, eventueel het aantal inwoners te verminderen, de afloop van greppels de doen versnellen, enz. De meeste van de betreffende huizen waren in handen van weduwe van Geert. Zij had op 24 maart nog niet voldaan aan het verzoek dat haar per brief van 12 maart werd gedaan, omdat ze vond dat de inwoners van die huizen daar zelf voor moesten zorgen[1666]. De bezoeken van huizen duurden nog enkele dagen na de eerste zitting voort, en werden naar eigen zeggen met vlijt uitgevoerd. Het resultaat was dat verschillende huisjes, logementen, rioleringen en ‘haarden van rottende uitvloeiingen’ (“foyers d’emanation putride”) werden gesignaleerd, met aanduiding van wat er gedaan moest worden om deze schoon te maken, te herstellen of te vernietigen. Uiteindelijk werd slechts één gebouw als onbewoonbaar aangeduid. Deze maatregelen hadden, zoals reeds bleek, niet altijd het nodige effect. De schuld hiervoor kon echter niet liggen bij de commissie, omdat zij niet de bevoegdheid had te controleren of hun raad werd opgevolgd[1667]. Alhoewel ik nadien geen sporen meer heb gevonden van verdere bezoeken aan huizen, werd eind september wel nog een brief aan Joseph Platteau, huiseigenaar, verstuurd. Verschillende inwoners van zijn huizen gesitueerd aan de vesting achter de Doornikstraat waren door de cholera getroffen, en men vroeg hem de nodige maatregelen te nemen voor het schoonmaken en desinfecteren van die huizen[1668].

De ervaring met de cholera in 1849 vormde de basis voor een reglement op het schoonmaken van arbeidershuizen, niet alleen in Oudenaarde, maar ook in verschillende andere steden.

 

 

(3) Reglement op het schoonmaken van arbeiderswoningen

“Aussi longtemps que l’administration communale n’a pas le pouvoir en main de prévenir et d’empêcher l’encombrement d’individus pauvres dans des logements trop étroits et mal aérés ; aussi longtemps que des familles indigentes des communes voisines peuvent venir s’installer, en toute liberté, dans les bouges, et accroître le nombre de nos mendiants journaliers déjà si accablant, je dois reculer devant la tâche, que j’avais trop légèrement entreprise, de formuler un projêt de rapport sur l’état hygiénique général de notre ville, et sur les quelques moyens de l’ameliorer[1669].”

Dit citaat van dr. Vandermeersch uit juni 1849 lijkt de stelling die ik eerder naar voor bracht, dat armen uit Oudenaarde werden geweerd door de dure grondprijzen, op het eerste zicht tegen te spreken. Maar het gaat hier niet over het bouwen van goedkope huizen, wel over het verhuren van kamers of kelders, en ten tweede gaat het hier alleen om het aangeven van een fenomeen, zonder verdere informatie over de omvang ervan. Waar deze tekst vooral op wijst, is het begin van een bezorgdheid om en een soort toezicht op de gezondheidstoestand van de woningen, een fenomeen dat ook in andere steden opkwam, als rechtstreeks gevolg van de cholera-epidemie.

Cholera was misschien wel zoals Velle stelt, geen hefboom om tot een effectieve gezondheidszorg te komen, maar het kan niet worden ontkend dat er toch op z’n minst een poging werd gedaan, zowel door de overheid als door verschillende steden[1670]. Van de overheid kwamen er reeds in 1848 en vooral in 1849 verschillende voorstellen tot maatregelen, waarvan sommige al hoger werden aangehaald. In april bijvoorbeeld schreef de gouverneur dat inspanningen om de gezondheid van arbeiders te verbeteren ervoor zorgde dat ze meer konden werken, waardoor die inspanningen rendabel waren. Men mocht niet aarzelen hiertoe financiële middelen te gebruiken[1671]. Verder ontving Oudenaarde in augustus 1849 zeven brochures in verband met openbare gezondheid en het schoonmaken van ongezonde woningen van de provincie[1672]. In 1850 tenslotte kreeg Oudenaarde een voorbeeldreglement van de gouverneur op de wegen en bouwwerken in steden, met betrekking tot de openbare gezondheid[1673]. Ook na de crisis kwamen initiatieven van de overheid. Zo vroeg de gouverneur in oktober 1853 naar inlichtingen over het drinkwater[1674]. Het belangrijkste initiatief was waarschijnlijk het congres dat in september 1851 plaatsvond over hygiëne[1675]. Dr. Vandermeersch en misschien ook dr. Gosse, beide leden van de gezondheidscommissie, gingen daarbij aanwezig zijn[1676]. In oktober werd het verslag hiervan naar Oudenaarde gestuurd, met een aantal voorstellen van maatregelen[1677].

Ook plaatselijke overheden lieten zich niet onbetuigd, zoals Aalst bijvoorbeeld. Reeds in oktober 1848 was de stad Aalst blijkbaar met een reglement op het onderhouden en schoonmaken van huizen van armen, want de stad vroeg naar de beschikkingen die Oudenaarde hiervoor had[1678]. Oudenaarde kon enkel antwoorden dat een dergelijk reglement nog niet bestond[1679]. Vanaf het jaarverslag van 1848 (opgesteld in 1849) werd er in Oudenaarde gesproken van een project tot politiereglement op het schoonmaken van arbeidershuizen, tot minstens het jaarverslag van 1850. Pas in februari 1852 werd er werk van gemaakt[1680]. Niet het reglement zelf, maar wel een project ervan, werd opgenomen in bijlage, samen met opmerkingen van de gezondheidscommissie[1681].

Eerder zagen we dat in de periode 1846 - 1856 het drukst werd gebouwd van de hele eeuw. Dat in 1852 een reglement op arbeiderswoningen tot stand kwam loopt hiermee wellicht samen. Het reglement voorzag in een strenge controle van de stad op de woningen waar arbeiders of armen woonden. Dit gold voor nieuwbouw evenals voor reeds bestaande huizen. Indien een bepaalde woning ongezond werd bevonden, was het college van burgemeester en schepenen gemachtigd het bewonen ervan te verbieden. De opmerkingen die de gezondheidscommissie hieraan toevoegde kunnen zowel afzwakkend als strikter geïnterpreteerd worden. De gezondheidscommissie wou de woonbaarheid van woningen laten evalueren in relatie tot het aantal bewoners. Afzwakkend, omdat hiermee een ongezonde woning als gezond kan worden beschouwd voor een beperkt aantal inwoners, strikter, omdat een gezondere woning als ongezond kan worden beschouwd voor een groot aantal inwoners. Het comité bepaalde verder ook dat de bestaande arbeiderswoningen die als ongezond zouden worden beschouwd, verder mochten dienen tot de bewoning, tot de bewoners vrijwillig verhuisden. Men ging er dan wat naïef van uit dat op die manier het aantal bewoners in verhouding zou komen te staan met de oppervlakte.

 

Velle noemt het beleid dat men in België voerde om de cholera in te dijken een kortzichtige en inefficiënte politiek, voornamelijk door gierigheid ingegeven. Het was immers minder kostelijk de armen een immorele levenswijze en gebrek aan spaarzaamheid toe te schrijven, waarbij ziekte en invaliditeit het gevolg zouden zijn gebrekkige hygiëne, drankmisbruik, enz. Waarden als burgerzin, netheid en zorgzaamheid moesten de arme worden ingeprent, zo vond men. Dat waren de beste (en goedkoopste) middelen om armoede en ziekte tegen te gaan. Velle vindt vooral dat men blind was voor de bestaande sociale wantoestanden en dat men koos voor de gemakkelijkste weg: sociale apartheid en versterkte sociale en morele controle[1682].

In Oudenaarde lijkt men echter niet zo blind geweest te zijn voor de sociale wantoestanden die er bestonden. Het reglement dat men in 1852 ontwierp legde de verantwoordelijkheid volledig bij de huiseigenaar. De commissie vond dat mogelijke straffen volledig op de eigenaar moesten komen te liggen, omdat bij de vaststelling van een ongezonde woning de inwoners al genoeg gestraft werden door hun uitwijzing. De ideologische overtuiging van de commissie laat zelf weinig twijfel. Zoals hoger reeds aangehaald noemde men de ongezonde arbeiderswoningen bij de inspectie ervan in 1849 ‘gebouwd onder invloed van een schandelijke hebzucht’ (“construites sous l’influence d’une sordide cupidité”) [1683]. Dr. Vandermeersch, lid van deze commissie, gaf in 1834 een beschrijving van een woning waar hij personen in een zeer miserabele toestand aantrof. Deze woning was eigendom van de “grand exploiteur van Gert”, waarmee Vandermeersch allicht verwijst naar de in 1849 intussen overleden man van weduwe van Geert (die nota bene meende dat de inwoners van haar ongezond bevonden huizen zelf voor het witten met kalk moesten zorgen, cfr. supra) [1684]. Kan deze verontwaardiging over ongezonde woningen het gevolg zijn van de lage sociale ongelijkheid op gebied van huizenbezit in Oudenaarde en de relatief hoge waarde van het gemiddelde huis? Hierdoor immers leken ongezonde woningen in de stad eerder uitzonderingen, en was het niet een alledaagse realiteit waaraan de burgerij was gewend geraakt zoals in sommige anderen steden.

Tot besluit kan worden gezegd dat het gezondheidsbeleid in Oudenaarde naar behoren werd uitgevoerd. De stad deed wat van hen verwacht werd, maar kwam ook niet met verassende initiatieven naar voor. Op de meeste gebieden bleef de stad zelfs enigszins achter: de maatregelen voor het ophalen van mest in 1848 vond men niet nodig, men wachtte tot het eerste geval van cholera opdook om een gezondheidscommissie op te richten, en het duurde tot 1852 eer een reglement op het gezondmaken van arbeiderswoningen tot stand kwam. Ook de activiteiten van de gezondheidscommissie bleven relatief beperkt tijdens de cholera-epidemie. Een en ander heeft vermoedelijk te maken met de vaststelling van hoger dat de woonsituatie in Oudenaarde over het algemeen niet zoveel te wensen overliet. De gezondheidscommissie bleef wel in voege, en hielp na de crisis mee aan het reglement op de woonsituatie. Daarnaast werd ze geraadpleegd wanneer in 1854 opnieuw een geval van cholera opdook en wanneer in 1856 kinderpokken de ronde deden in de stad[1685].

 

 

5. Repressie

 

Alle maatregelen die hiervoor werden besproken waren preventief of curatief. Preventieve maatregelen waren erop gericht ervoor te zorgen dat zo weinig mogelijk mensen al te zeer onder de crisis zouden lijden. Maar de gevolgen bleven niet uit. Deze hadden een passief en een actief luik. Met passief wordt bedoeld de algemene verarming, het opmerkelijke gegeven dat het grootste deel van de getroffen bevolking stierf zonder veel amok te maken. Voor hen waren er curatieve maatregelen, met de bedoeling degenen die getroffen werden uit de nood te helpen. Maar zoals we zagen, legden sommigen zich niet zonder slag of stoot bij hun schrijnende situatie neer, en vervielen dezen in de criminaliteit. Hoe dit gevolg van de crisis werd aangepakt wordt in dit laatste stuk over het beleid behandeld.

Over de bestraffing van voedseldiefstal en gelijkaardige delicten kan ik weinig zeggen. Ik heb geen gerechtelijke archieven geraadpleegd en ben dus niet te weten gekomen of men hier harder of zachter tegen optrad. Omdat de gevangenissen vol zaten met bedelaars was het echter moeilijk nog repressiever op te treden: internering was technisch haast onmogelijk geworden, en boetes konden wellicht toch niet geïnd worden. Toch is er reden om aan te nemen dat bepaalde ernstige gevallen streng werden aangepakt, al was het slechts om een voorbeeld te stellen en de bevolking aan te manen niets te ondernemen dat de openbare orde of het establishment in gevaar kon brengen. Zo werden in april 1846 vijf veroordeelden op de markt ter dood gebracht, en werden tegelijk vijf schelmen tentoongesteld. Geen van deze personen kwamen echter uit Oudenaarde zelf, hun misdrijven werden gepleegd in Ronse of Zottegem. De Gazette van Audenaerde leverde hevige kritiek op de terdoodveroordeling[1686]. Dat men niet milder werd in deze periode blijkt uit het feit dat het hoogste aantal terdoodveroordelingen in Oost-Vlaanderen in de negentiende eeuw tussen 1843 en 1850 ligt[1687].

Waar ik wel meer over te weten ben gekomen, is welke middelen men had om te zorgen voor openbare orde en welke maatregelen er werden genomen om die tijdens de crisis te handhaven, en hoe men optrad tegen bedelarij. Dit wordt nu behandeld.

 

5.1 Openbare orde

 

(1) Openbare ordehandhaving

Als hoofd van de politie was de burgemeester verantwoordelijk voor openbare orde. Indien die ernstig dreigde verstoord te worden, dan kon hij de gewapende macht vorderen[1688]. In 1846 bestond het politiekorps van Oudenaarde uit één commissaris, één brigadier en drie agenten[1689]. Drie agenten werden aangesteld in juli 1844[1690]. De commissaris, Jean Guillaume Joseph Heidemann, gaf begin 1849 zijn ontslag, waardoor er tijdelijk geen commissaris was. In dit geval kwam die functie normaal toe aan de burgemeester, maar wegens tijdgebrek werd schepen Florent De Bleeckere hiertoe gemachtigd[1691]. Ondanks deze vervanging werd het gemis aan een commissaris duidelijk gevoeld door de bevolking[1692]. Een jaar zou het duren, tot januari 1850, eer Charles Buysse als opvolger werd aangesteld[1693].

Ook het college speelde als uitvoerend orgaan een rol in de handhaving en regulering van de openbare orde. Jaarlijks kondigde dit orgaan bijvoorbeeld af dat er op de dag van St. Pieter geen vuur mocht worden gemaakt in openbare plaatsen, of dat er niet mocht worden gezwommen in het water rond de stad[1694]. Ook het programma van de kermis maakte dit orgaan aan het publiek bekend, met mededeling dat de stadspoorten op bepaalde dagen niet zouden worden gesloten[1695]. Wie ‘openbare vermakelijkheden’ wou organiseren, moest dit voorleggen aan de politiecommissaris, waarna de burgemeester met zijn advies een beslissing zou nemen[1696]. In mei 1841 maakte het college bekend dat er bevel was gegeven om elke vorm van “straetschenderij” te beletten, omdat men vernomen had dat verschillende jongens op straat achter anderen riepen, stenen of ander vuil naar hen gooiden, of hen op één of andere manier beledigden[1697].

Op de aanwezigheid van mogelijks gevaarlijke vreemdelingen werd steeds controle uitgevoerd. Het decreet van juli 1791 op de politie bepaalde onder andere dat hoteleigenaars registers moesten bijhouden en deze voorleggen aan de gemeentelijke mandatarissen[1698]. Toch bestond begin jaren 1840 in Oudenaarde geen reglement op de verklaringen af te leggen door personen die onderdak boden aan personen van buiten de stad[1699]. Pas in augustus 1842 kwam een specifiek reglement tot stand, dat opgenomen is in bijlage[1700]. Hierin werd niet alleen bepaald dat personen die de gewoonte hadden onderdak te bieden aan reizigers verplicht waren een dergelijk register bij te houden. Ook reizigers die voor een langere periode (vanaf drie dagen) in de stad zouden blijven moesten dit binnen de 48 uur gaan melden aan het politiebureau. Ze moesten er tevens hun paspoort en andere papieren afgeven.

Ook de controle op prostitutie nam de stad ter harte. In oktober 1838 kwam een reglement tot stand op het houden van ontuchtshuizen in de stad[1701]. Zoals hoger gezien was er op dat moment slechts één in Oudenaarde. De bestrijding van prostitutie had in de negentiende eeuw vooral te maken met de angst voor venerische ziekten en voor verstoring van de openbare orde, en dit werd aangepakt door reglementering en toezicht[1702]. Ook het reglement van Oudenaarde past in deze lijn. Het hele opzet ervan werd volledig verwoord in het eerste artikel:

“Art. 1er : Les femmes publiques, les maisons qu’elles habitent ou qu’elles fréquentent habituellement, et les maisons dites de passe ou de rendez vous, sont soumise à la surveillance de la police municipale.

Cette surveillance a pour objet d’empêcher, autant qu’il est possible, la propagation des maladies qui sont les suites du libertinage, de prévenir et de reprimer les excès qui troublent la tranquillité des citoyens, et le scandale des provocations publiques à la débauche[1703].”

Het openhouden van een bordeel kon slechts mits toestemming van het college, en wekelijks zouden de vrouwen worden bezocht door een geneeskundige, om na te kijken of ze geen ziektes hadden. Elke maand zou de commissaris ook de huizen en vrouwen gaan opzoeken, en controleren of er geen tegen hun wil aan het werk werden gesteld.

Veel bijzondere maatregelen lijken er onmiddellijk na de crisis niet te zijn genomen, maar wel is er reden om aan te nemen dat de waakzaamheid van de politie groter was. De stadspoorten, die gedurende de kermis normaal vier of vijf dagen lang de gehele nacht openbleven, werden in 1846 slechts op twee nachten geopend[1704]. In tabel 85 konden we eerder vaststellen dat het aantal overtredingen op het sluitingsuur van cabarets sterk toenam vanaf 1845, volgens mij niet omdat er meer overtredingen waren, maar omdat er meer werden vastgesteld (cfr. supra). In februari 1846 gaf de Gazette van Audenaerde het bericht dat reeds vijf weken geen bijzondere misdaden meer werden gepleegd in het ganse arrondissement, als gevolg van de vlijt waarmee de zaken werden vervolgd[1705]. In het jaarverslag van 1846 schreef men dat men erin was geslaagd ongeregeldheden als gevolg van de duurte te voorkomen, door het optreden van de politie (desondanks vonden er in 1847 – na opstelling van dit jaarverslag – verschillende ongeregeldheden plaats, cfr. supra). Dit was evenwel niet alleen te danken aan de politie, “nous aimons à reconnaître que le bon esprit qui anime toutes les classes de nos habitants, y a eu une grande part. Que nos habitants recoivent ici l’expression de notre vive reconnaissance et de notre entière satisfaction[1706].”

De enige uitzonderlijke maatregel die men nam was de inrichting van een nachtwacht in 1846. In de meeste Vlaamse gemeenten werd een nachtwacht georganiseerd, op het platteland vooral om de plundering van de te velde staande vruchten tegen te gaan[1707]. Een nachtwacht bestond in Oudenaarde al lang, en de wakers werden betaald door vrijwillige bijdragen van de ingezetenen. Sinds 30 of 40 jaar daalden deze bijdragen echter voortdurend, zodanig zelfs dat deze in 1846 bijna verwaarloosbaar waren geworden. Als gevolg daarvan deed de nachtwacht slechts één maal per week een ronde, slechts één uur lang, door de stad. Tegelijk waren er op dat moment ook klachten over de verlichting van de stad, die openbaar werd uitbesteed: de olie was van slechte kwaliteit, de lampen werden niet op tijd aangestoken enz. De stad besloot daarom twee vliegen in één klap te slaan: de verlichting van de stad zou voortaan in regie gebeuren, en degenen die de lampen aanstaken zouden tegelijk dienst doen als nachtwakers[1708].

 

(2) De troebelen van 1848

Verregaande maatregelen om de openbare orde te verzekeren leek men dus niet te nemen. Wanneer echter in Frankrijk de Februarirevolutie van 1848 uitbrak, en de verstoring van de openbare orde in een groot deel van Europa werkelijkheid werd, werden wel uitgebreide voorzorgen genomen.

Reeds op 28 februari 1848 schreef de plaatscommandant van Oudenaarde dat de stadspoorten vanaf die dag om zeven uur ’s avonds zouden worden gesloten en weer geopend om vijf uur ’s ochtends. Dit was echter de gewone gang van zaken (zie bijlagen: openingsuren van de stadspoorten), maar toch werd het speciaal door het college dezelfde dag nog afgekondigd. Misschien was het wel ongewoon dat de valbruggen om tien uur ’s avonds zouden opgehaald worden (waardoor niemand ’s nachts de stad nog binnenkon) en de sleutels van de stadspoorten bij de officier in commando van de hoofdwacht, onder het stadhuis, zouden rusten[1709]. Iets meer dan een maand later, op 8 april, gaf de plaatscommandant aan het garnizoen bevel alle personen die zich op de gronden van de vesting bevonden te arresteren, zowel overdag als ’s nachts. Indien ze niet antwoordden op de kreet ‘qui vive’ zou men het vuur openen[1710]. Dezelfde dag nog werd dit door het college bekendgemaakt[1711]. Op 15 mei werd besloten de ophaalbruggen aan stadspoorten om elf uur ’s avond op te halen en om halfvier ’s morgens weer neer te laten[1712]. De waakzaamheid bleef. In juni 1848 bevond de stad zich “in staet van observatie” en op verschillende plaatsten was buskruit opgeslaan waardoor het verboden was op de veldborstwering enig schot te lossen[1713]. Gewoonlijk werden naar aanleiding van de kermis de poorten de eerste en tweede dag een ganse nacht opengelaten. Deze keer vroeg de burgemeester aan de plaatscommandant of dit wel veilig zou zijn[1714]. De poorten zouden toch tijdens de kermis op twee nachten geopend blijven, zonder dat er poortgeld moest betaald worden[1715].

Verder werd er een strikt toezicht uitgeoefend op de bevolking, inzonderheid de arbeiders. Op 11 april werd een gedrukte circulaire verspreid waarin de gouverneur de burgemeesters uitnodigde met de grootste zorg te waken over de Belgen, vooral de arbeiders, die terugkeerden na de revolutie in Frankrijk van 24 februari. Alle mogelijke inlichtingen over hen moesten worden overgemaakt aan de procureur des konings van het arrondissement[1716]. Regelmatig stuurde de burgemeester aan de gouverneur lijsten met arbeiders die uit Frankrijk waren gejaagd of teruggekeerd, waarvan de tweede volgde op 8 april 1848[1717]. Deze lijst bevatte geen namen, maar de eerste waarschijnlijk wel. Op 4 april schreef de burgemeester namelijk over Valentin De Bruyne, een arbeider die terugkwam uit Frankrijk. Hij had zijn arbeidersboekje opgevraagd en gekregen van de burgemeester. Ook vroeg hij zijn paspoort, maar dat was via de politiecommissaris en de substituut van de procureur des konings intussen in handen gekomen van de procureur generaal, bij het Hof van Beroep in Gent[1718]. Enkel in de loop van april zouden er nog arbeiders binnengekomen zijn, alle andere lijsten waren leeg[1719]. Toch waren er in juni verschillende arbeiders, teruggekomen uit Frankrijk, die de burgemeester om een gratis paspoort vroegen. De burgemeester had echter raad nodig van de gouverneur, of hij in de huidige omstandigheden wel paspoorten naar het buitenland zou geven[1720].

Ook de arbeidersklasse ter plaatse werd gecontroleerd op ontevredenheid. Vanaf eind juli zou de burgemeester om de twee weken een rapport sturen aan de gouverneur over de toestand van de arbeiders in Oudenaarde. Het initiatief hiervan kwam van de gouverneur, en duurde tot begin september[1721]. Tot dan werk ook regelmatig een overzicht gestuurd van de personen die cris séditieux hadden geuit[1722]. Op 19 oktober 1848 schreef de gouverneur dat het niet meer nodig was deze laatste overzichten te sturen, maar de burgemeester moest hem wel meteen van op de hoogte brengen van elke anti-nationale gebeurtenis die in Oudenaarde zou plaatsvinden[1723].

Tenslotte werd er ook op vreemdelingen strikt toezicht uitgeoefend. Van april tot augustus werd ongeveer elke tien dagen een lijst gestuurd met buitenlandse arbeiders zonder werk. Al deze lijsten waren evenwel leeg[1724]. Op 7 juni kwam er wel een Fransman aan in de stad, en verbleef er op aanraden van een handelaar uit Kortrijk bij een bepaalde handelaar in Oudenaarde. De politie kwam zijn verblijf slechts te weten op 14 juni. De burgemeester ging met hem spreken, en kwam te weten dat commerciële moeilijkheden hem Frankrijk hadden doen verlaten. Hij verbleef in Oudenaarde zonder paspoort, en de burgemeester vroeg hoe hij in deze moest handelen[1725]. Wellicht in de nasleep van de moeilijkheden in 1848 werd in 1849 gekeken hoe de reglementen op het verblijf van vreemdelingen in België konden worden verbeterd. In mei 1849 werd daartoe een omzendbrief van de gouverneur rondgestuurd. De gemeenteraad oordeelde echter dat het bestaande reglement van augustus 1842 (cfr. supra) afdoende was. Indien de gouverneur het echter nodig zou vinden een strenger reglement op te stellen, dan was men daartoe bereid[1726]. In maart 1850 werd aan de procureur des konings te Oudenaarde geschreven dat geen enkele buitenlander die sinds 1830 toestemming had gekregen om in België te wonen, in Oudenaarde woonde of gewoond had. Wel herbergde de stad buitenlanders die nog geen toestemming gekregen hadden rechtelijk in België te komen wonen[1727].

 

(3) Reorganisatie van de burgerwacht

Één van de belangrijkste maatregelen die in 1848 genomen werden om de orde te bewaren, was de organisatie van burgerwachten. Oudenaarde had reeds een burgerwacht, een overblijfsel uit de Belgische revolutie. Elk jaar werden in november alle jongeren van 21 jaar oud verzocht zich te laten inschrijven, en elk jaar had in januari de eerste vergadering plaats van de kantonale raad van de burgerwacht. In de eerste twee vergaderingen van deze raad werd telkens onderzocht of iedereen zich had laten inschrijven, en of degenen die dit hadden nagelaten een geldige reden daarvoor hadden. Tegelijk werden de mannen die door ouderdom geen deel meer konden uitmaken in deze vergadering van de lijsten geschrapt[1728]. Deze burgerwacht was geen effectieve macht meer, maar enkel nog een institutioneel overblijfsel. In het jaarverslag van 1845 schreef men dat de inschrijvingen nog jaarlijks gebeurden, en budgetten en rekeningen nog werden opgesteld, maar daar hielden de werkzaamheden van de burgerwacht op. “L’institution de la garde civique, quant à ses effets, est tombée dans un état complet de nullité[1729].”

Door de onrust van 1848 werd deze nieuw leven in geblazen. Dit gebeurde door een koninklijk besluit van 24 mei en een rondschrijven van de gouverneur op 26 mei. Als gevolg van deze instructies werd op 29 mei in Oudenaarde het inschrijvingsregister opnieuw geopend voor de burgerwacht, wat normaal in november of december gebeurde. Alle Belgen tussen 21 en 50 jaar moesten zich voor de burgerwacht aandienen, en dat vóór 8 juni 1848. Geen andere reden dan actieve militaire dienst kon hen van die plicht onttrekken, of straffe van een boete die tussen 5 en 15 fr. lag[1730]. Op 3 juni werd bepaald dat raadsleden Felix Massez en Florent De Bleeckere deel zouden uitmaken van de “conseil de recensement”, die de inschrijvingslijst moest controleren[1731]. Op 9 juni begon deze raad met zijn controle, ook van degenen die om gezondheidsredenen of omwille van lichaamsgebreken klachten hadden geuit[1732]. In de gemeenteraadszitting van 4 juli werden de controlelijsten – de lijsten met de personen die effectief dienst moesten doen en de lijst met reserves – goedgekeurd[1733]. In totaal hadden zich 891 personen ingeschreven, waarvan er 771 werden aanvaard voor de controlelijst. Daarvan maakten 363 personen deel uit van de gewone dienst, de overige 408 vormden de reserve[1734]. Hiermee werden uiteindelijk zes compagnieën gevormd met minstens 60 leden, onder leiding van commandant A. De Contreras. Het zou echter moeilijk blijken te zijn de compagnieën op een voldoende aantal te houden, getuige de vele verzoeken van de commandant om mensen van de reservelijst op de andere lijst te brengen[1735]. Voor sommigen was het ook moeilijk in hun eigen kledij te voorzien. Zij zouden van de gemeente een uniform krijgen[1736]. Vanaf juni 1849 zou op oefendagen een vlag met de nationale driekleur gehesen worden op de toren van St. Walburga, een half uur voor de bijeenkomst[1737].

In januari 1849 vroeg de majoor-commandant de gemeenteraad een lijst op te stellen met gegoede families van de stad die onder hen geen man hadden die actief deel uit maakte van de burgerwacht. Deze gegoede families moesten immers een bijdrage betalen[1738]. De gemeenteraad besliste pas in juni 1849 dat deze families zouden worden onderverdeeld in vier verschillende categorieën die elk een verschillend bedrag moesten betalen, gaande van 8 tot 36 fr. Deze gezinnen moesten in totaal 2.676 fr. opbrengen[1739]. Door sommige personen werd hierover klachten geuit, waarop aanvankelijk niet werd ingegaan. Het volgende jaar werden de bijdragen echter aanzienlijk verlaagd: deze schommelden nu maar tussen 4 en 25 fr., en in totaal moest slechts 1.623 fr. opgebracht worden[1740].

Enkel over de organisatie en werking van de burgerwacht ben ik ingelicht. Over het effectieve optreden of ingrijpen ervan heb ik niets teruggevonden, wat laat twijfelen over het nut ervan.

 

5.2 Bedelarij

 

Per decreet van 5 juli 1808 werd bedelarij op het ganse Franse territorium – dat ook het hedendaagse België omvatte – verboden. Tegelijk moest in elk departement een bedelaarsdepot worden opgericht. Na opening van deze instellingen hadden bedelaars twee weken de tijd zich in een dergelijke instelling aan te bieden, wie na drie weken nog zouden worden betrapt op bedelen werd aangehouden en in de gevangenis opgesloten. Een “dépôt de mendicité” diende om bedelaars onderdak en werk te geven. Men wou er bedelaars veranderen in nuttige burgers, maar tegelijk ook andere afschrikken eer ze zich aan bedelarij zouden overgeven. In 1810 werd bedelen formeel omschreven als een misdrijf en werd het politioneel optreden tegen bedelaars wettelijk geregeld. Hun delict was luiheid, het miskennen van de wet op arbeid[1741].

De idee dat men middels deze instellingen bedelarij kon uitroeien of minimaliseren was tegen het midden van de negentiende eeuw opgegeven, maar de criminalisering ervan bleef. De stad Oudenaarde had zoals hoger gezien in 1842 reeds met bedelarij te kampen, maar door het optreden van de politie kon dit worden onderdrukt[1742]. De politie zag toe op bedelarij, en al wie werd betrapt tijdens het bedelen werd gearresteerd of naar het bedelaarsdepot van Brugge gebracht[1743]. In december 1841 ging een circulaire van de gouverneur rond waarin stond dat iedereen die zich zonder binnenlands paspoort buiten de grenzen van het arrondissement begaf, zou worden opgesloten tot zijn identiteit was vastgesteld[1744].

 

Tabel 99. Vervoer van bedelaars en gebrekkigen, onderhoud in depots, 1840-1859[1745]

Begrotingsjaar

Vervoerskosten (in fr.) van

Onderhoudskosten (in fr.) voor bedelaars in depots

Bedelaars

Gebrekkigen

1840

 

[15,00]

 

1841

 

15,00

 

1842

 

30,00

 

1843

 

50,00

 

1844

 

50,00

 

1845

50,00

[50,00]

 

1846

200,00

50,00

1.200,00

1847

600,00

120,00

1.200,00

1848

1.400,00

(minstens) 100,00

1.200,00

1849

800,00

 

800,00

Vervoer van bedelaars: door de gemeente van herkomst terug te betalen aan de stad

Vervoer van gebrekkigen: door de provincie terug te betalen

Vóór 1845 waren de onderhoudskosten voor bedelaars in depots inbegrepen in de subsidie voor het armbestuur

 

(1) Internering van bedelaars

Zoals hoger gezien had de oproep van de regering om de wetten op bedelarij stipt uit te voeren voor gevolg dat de gevangenis die dag nog vol zat. Alle dagen werden nog bedelaars gearresteerd, maar dit had geen afschrikkingseffect meer, mensen pleegden misdrijven om gewoon maar opgesloten te kunnen worden waar men zeker was voor enkele dagen voedsel te krijgen[1746]. Het werd steeds moeilijker bedelaars op te sluiten, de gevangenis was meer dan overbevolkt.

De bedelaars die uit Oudenaarde zelf afkomstig waren werden door de stad onderhouden in het bedelaarsdepot van Brugge of Mons[1747]. Omdat de kosten hiervoor voor sommige gemeenten te hoog opliepen ijverden deze er vaak voor de bedelaars vrij te laten uit de instelling, zodat de betreffende gemeente zelf in het onderhoud kon voorzien. Wanneer het depot in Brugge aan de stad Oudenaarde in 1840 en 1845 vroeg of een aantal bedelaars kon vrijgelaten worden, antwoordde de stad telkens of men ze niet nog enkele maanden daar kon houden, op kosten van de stad[1748]. Blijkbaar kon de stad dit dus financieel aan. Vanaf het budget van 1846 werden de kosten hiervoor niet meer afgehouden van de toelage aan het armbestuur, en werd hiervoor door de stad 1.200 fr. voorbehouden. Dit was meer dan op andere jaren, want voor 1849 werd dit verlaagd tot 800 fr. (zie tabel 99).

Het voornaamste probleem was dat het aanbod aan bedelaars door de crisis een stuk groter was dan de voorziene plaatsen. De bedelaarsdepots werden volgepropt en in de gevangenissen, opvangtehuizen ad interim, was evenmin nog veel ruimte. Extra opvangtehuizen waren nodig. Reeds begin december 1845 circuleerde er in Oudenaarde een gerucht dat de oude gebouwen van het jezuïetencollege, op dat moment gebruikt als kazerne, zouden worden veranderd in een bedelaarstehuis. Dit gerucht leek te worden bevestigd door het feit dat men onderzocht had of alle troepen konden worden ondergebracht in de kazerne van abdij Maagdendale[1749]. En inderdaad, eind december werd de kazerne op het jezuïetenplein ontruimd en voegden de daar gelegerde soldaten zich bij die in de kazerne van Maagdendale. Brusselse en Gentse kranten meenden dat het gebouw op het jezuïetenplein ging dienst doen als hulpdepot van Brugge, terwijl het stadsbestuur hierover niets beweerde te weten. Deze oprichting was duidelijk tegen de zin van de inwoners, zeker in het gemelde gebouw. Men vond het beter om dit in te richten in het Kerzelaerefort (buiten de stad) of in de abdij Maagdendale (op de rechteroever, op het kleinere gedeelte van de binnenstad). Men geloofde geenszins dat het enig effect zou hebben in Oudenaarde een hulpdepot op te richten: indien het gebouw 800 personen kon bevatten, dan zouden volgens de krant de 8 kantons van het arrondissement op 8 dagen tijd de nodige 800 personen leveren[1750].

Wegens het verzet van enkele invloedrijke inwoners van de stad, zo schreef de krant in februari 1846, werd dit project alras weer verlaten. Maar op dat moment keerde de mening van de krant om. Eerder had C. Ronsse ervoor gepleit een bedelaarsdepot op te richten buiten de stad in het Kerzelaerefort, maar door de instorting van een deel ervan (cfr. supra) was dit gebouw niet meer bruikbaar. Toch voelde de krant de noodzaak van een bedelaarsdepot: men wou de stem van de bevolking vertolken, en de bevolking wou bevrijd zijn van de bedelarij. De kazerne van Maagdendale zou de beste plaats zijn om een dergelijk opvangtehuis in te richten, omdat dit toeliet mannen van vrouwen te scheiden. En indien er teveel verzet was tegen de oprichting van een depot in de stad, dan toch moest er zeker één worden ingericht in het arrondissement, de noodzakelijkheid vereiste dit volgens de krant op de meest gebiedende wijze[1751].

Waarschijnlijk is er van dit alles niets gekomen, ik heb er alleszins verder niets meer over gehoord. De noodzaak om voor extra opvang te zorgen bleef wel duidelijk bestaan. Eind augustus 1846 berichtte de burgemeester aan de gouverneur dat de stad een stuk grond had verkregen om de gevangenis te vergroten[1752]. Twee maanden later echter schreef de stad aan dezelfde dat er geen geschikte lokalen waren om gebruikt te worden als voorlopige gevangenis[1753]. Plannen bestonden er dus nog steeds, maar de infrastructuur en het verzet van de bevolking lieten blijkbaar niet toe voor extra opvang te zorgen.

 

(2) Toegang weigeren aan de stadspoorten, terugvoeren van bedelaars

Aangezien bedelaars algauw niet meer konden worden op-gevangen, besloot men maar ze niet meer te vervolgen ook. Op marktdagen werden wachters voor de stadspoorten geplaatst die bedelaars of slecht geklede personen moesten weerhouden. Bedelaars die de stad konden binnenkomen werden teruggestuurd naar de gemeente van herkomst.

Dat bedelaars buiten de stad gehouden werden werd sterk aangeklaagd door een lezer van de Gazette van Audenaerde, wiens brief in bijlage is opgenomen. Hij vond het verschrikkelijk dat er een agent was geplaatst tussen de hongerigen en de gulle rijken. Met Rousseau in de hand betoogde hij dat het noodzakelijk was de armen werk te bezorgen: iemand die werkt, dacht er niet aan kwaad te doen. Ook de krant zelf was hiertegen gekant, en schreef dat de regering, “in den volzin des woords, het regt van leven wil vernietigen[1754].” De volgende winter, van 1846-1847, werd dit opnieuw toegepast. Dit gaf volgens de krant misschien overdag wel de nodige rust, maar men vroeg zich af of dat ook zo zou zijn op koude, donkere nachten. Toen een dagblad uit Brussel meldde dat sinds er agenten aan de stadspoorten van Brussel werden geplaatst, er geen bedelaars meer kwamen uit de streken van Oudenaarde, Ronse, Tielt, Roesselare, e.d., vroeg de Gazette zich af welke wetten het bestuur machtigden hun medebroeders op een dergelijke ‘onmenselijke’ manier te behandelen[1755]. Dagelijks werden door de politie gehele ‘kudden’ bedelaars uit de stad gedreven[1756]. Dezelfde bedelaars werden soms tot viermaal per dag de stad uitgedreven. Volgens de krant gebeurde dit evenwel met veel zachtmoedigheid, in tegenstelling tot wat het Annoncenblad berichtte over de “barbaarsche” handelswijze van de politie[1757].

In november en december 1846 stuurde de gouverneur twee brieven op de beteugeling van de bedelarij, en de stad Oudenaarde besloot deze te laten opnemen in het Annoncenblad. Deze brieven zijn opgenomen in bijlage. Volgens dit schrijven vormde de toestroom van bedelaars uit Oost-Vlaanderen naar Brussel een zware last voor die stad, en de gouverneur wou dat de gemeenten er zoveel mogelijk op toezagen dat bedelaars binnen hun eigen gemeente bleven. Geenszins mochten zij armen ertoe aanzetten zich elders te begeven, en de gemeenten moesten hun armen de nodige onderstand geven. Als alle armen ter plekke zouden blijven, moesten de gemeenten slechts de last van hun eigen armen betalen en was het gemakkelijker hen bijstand en werk te geven. Vreemde bedelaars moesten onmiddellijk worden aangehouden en teruggestuurd. De ordediensten hadden bevel gekregen de wettelijke bepalingen stipt na te leven[1758].

De nadruk in deze brieven lag dus op het terugsturen van bedelaars, en niet zozeer op het opsluiten ervan. Niet alleen de internering werd problematisch, – gevangenissen en depots zaten vol – ook het ‘repatriëren’ van de bedelaars en zwervers zou ernstige financiële inspanningen vragen van de stadsbesturen. Voor Oudenaarde blijkt dat uit duidelijk tabel 99.

Gebrekkigen, voorzien van de juiste papieren hadden recht om gratis vervoerd te worden. Dit kreeg de gemeente terugbetaald door de provincie. Reeds in het begin van de jaren 1840 deden steeds meer mensen hier een beroep op, waardoor het noodzakelijk was daar meer geld voor te voorzien[1759]. De 50 fr. die hiervoor was voorzien voor 1846 was ontoereikend. Bij het opstellen van het budget voorzag men dat de kosten hiervoor op 90 fr. zouden belopen. Voor 1847 begrootte men deze kost op 120 fr[1760]. Onvoldoende, want in oktober 1847 kreeg men toestemming om een extra som van 100 fr. hiervoor te gebruiken[1761].

Vooral het vervoeren van vreemde zieke en invalide bedelaars zou problematisch worden tijdens de crisis. Dit moest worden terugbetaald door de gemeente vanwaar de bedelaars afkomstig waren, maar moest door de stad worden voorgeschoten en dus kwam het voor in de begroting. Voor 1845 werden de kosten hiervoor op 50 fr. voorzien, wat reeds een verhoging was tegenover eerdere jaren omdat hun aantal almaar steeg[1762]. Wanneer het budget voor 1846 werd opgesteld voorzag men dat de kosten voor vervoer van bedelaars sterk zouden oplopen, maar men voorzag duidelijk niet wat zich werkelijk ging afspelen. Bedroegen de kosten vóór 1845 nog minder dan 50 fr., tijdens de crisis werd dit vele keren overschreden. In 1846 werd 200 fr. voorzien, maar dit was verre van toereikend. Bij het opstellen van het budget voor 1847 waren de transportkosten voor de eerste drie trimesters van 1846 als opgelopen tot 524,95 fr. In 1847 plaatste men daarom 600 fr. op deze post, en men zou een krediet aanvragen op de beschikbare fondsen van de stad om het tekort van 1846 te vereffenen[1763]. Dit krediet vroeg men pas aan in oktober 1847. De vervoerskosten voor zieke en invalide bedelaars waren op dat moment opnieuw opgelopen tot 311,87 fr. Een extra som van 600 fr. was nodig om de tekorten van 1846 te vereffenen en om in de onkosten die tijdens 1847 nog zouden volgen te voorzien[1764]. Deze som werd op het budget van 1848 gebracht, en naast deze 600 fr. werd nog eens 800 fr. voor vervoerskosten tijdens 1848 geplaatst[1765]. De toestroom aan bedelaars verminderde niet met het dalen van de prijzen, en voor 1849 werd nogmaals 800 fr. voorzien[1766].

 

5.3 Besluit: repressie

 

De maatregelen die men nam in het kader van openbare ordeverstoring waren dus grotendeels preventief. Er zijn aanwijzingen dat de politie strenger controleerde, en er werd een nachtwacht georganiseerd die het plunderen van levensmiddelen op de velden moest voorkomen. In 1848 werden deze maatregelen uitgebreid, en men voerde de controle op mogelijke gevaarlijke elementen sterk op. Om indien nodig tussenbeide te komen richtte men dat jaar een burgerwacht op. Of nachtwacht en burgerwacht ook effectief moesten optreden, werd niet teruggevonden.

Bedelaars trachtte men aanvankelijk zoveel mogelijk op te sluiten, maar dit bleek dweilen met de kraan open. De gevangenis zat gauw vol, en men kon de bedelaars enkel nog verhinderen van de stad binnen te komen. De kosten voor zowel de internering in de gevangenis als voor het vervoer van de bedelaars namen sterk toe.

 

 

6. Besluit: bijstand en repressie

 

Uit het bovenstaande overzicht blijkt dat Oudenaarde over een uitgebreid instrumentarium beschikte om de noden van zijn armen te lenigen.

De meeste armbesturen waren verlieslatende ondernemingen en konden zonder subsidies van de gemeente niet rondkomen. In Oudenaarde was dit eveneens het geval, alhoewel de subsidies van de gemeente eerder beperkt bleven en men tijdens de crisis zelfs over grote overschotten beschikte. In normale jaren bestond de steun grotendeels uit steun in geld. In 1846 werden echter uitzonderlijke inspanningen gedaan om voedsel en vooral soep te bedelen. Omdat men de omstandigheden van 1847 niet had voorzien verminderde de soepbedeling, en via voedselbons kreeg geldelijke steun eigenlijk opnieuw de overhand. Als we de rekeningen bekijken, deed het armbestuur van Oudenaarde het tijdens de crisis opvallend goed.

De burgerlijke godshuizen deden het op financieel gebied nog beter, omdat ze over het immense patrimonium van het hospitaal beschikten. De commissie van de godshuizen telde weeshuizen, opvang van vondelingen en verlaten kinderen, een ouderlingentehuis en als belangrijkste het ziekenhuis van Oudenaarde. In dit ziekenhuis nam men echter weinig bijzondere maatregelen om de gevolgen van de crisis op te vangen. Men nam eerder een afwachtende houding aan en trachtte de toevloed van zieken in goede banen te leiden. Het ziekenhuis werd immers niet alleen bezocht door inwoners van Oudenaarde, maar ook door plattelanders. Dat de stijging van het aantal patiënten voor een deel te verklaren is door mensen uit de omliggende gemeenten ligt voor de hand[1767].

Daarnaast bestonden er nog drie verschillende werkscholen (maar slechts twee gelijktijdig), en ook de wezen van de Fondatie Staelins werden aan het werk gezet. Het was vooral de bedoeling de armenzorg zo spaarzaam mogelijk te organiseren en de armen zoveel mogelijk zelfbedruipend te maken. Vooral kantwerk was hierbij belangrijk.

Tijdens de jaren 1840 zou de spanning die voordien bestond tussen de geestelijkheid en de openbare armenzorg enigszins luwen. Toch zouden er in deze periode nog hevige conflicten voorkomen, vooral met de verdeling van het legaat van Colette Bauwens en de gevolgen ervan. Dit zou zelfs gevoelige institutionele veranderingen met zich meebrengen, ook al bleven deze verandering waarschijnlijk slechts formeel. Maar we kunnen de toenadering niet uitsluitend aan de crisis toeschrijven. Het is duidelijk dat de toenadering reeds daarvoor op gang was gekomen, maar het is wel mogelijk dat de crisis hierbij voor een catalyserend effect heeft gezorgd.

Ook het onderwijs zou in de onderzocht periode grondig gewijzigd worden, voornamelijk als gevolg van de wet op lager onderwijs van 1842. In Oudenaarde had deze wet echter het paradoxale effect het aantal leerlingen dat gratis onderwijs volgde te verminderen: de categorie die op volledig gratis onderwijs beroep kon doen werd uitgebreid, de tussengroep (enkel voor eigen spullen zorgen) werd afgeschaft, en de eerste categorie werd door de gemeente numeriek beperkt. Door deze institutionele veranderingen kunnen we de daling van het aantal leerlingen niet verklaren door de crisis. Integendeel, want ouders hadden heel wat redenen om hun kinderen naar school te sturen. Indien ze dat niet deden konden ze immers geen beroep doen op de steun van het armbestuur.

Bovenop deze instutionele middelen om de crisis aan te pakken toonde de stad zich in 1845 bereid om naast de 8.000 fr. subsidie voor het armbestuur en de 1.200 fr. voor het onderhoud van bedelaars in depots ook nog 12.000 fr. vrij te maken voor een commissie die levensmiddelen zou verdelen en voor openbare werken zou zorgen. Zonder enige financiële steun van de staat. Dit project werd echter niet toegestaan door de provincie, en projecten voor openbare werken die in de jaren daarop volgden werden allemaal geweigerd. Wel werden in de omgeving al verschillende openbare werken uitgevoerd door de staat, en in Oudenaarde zelf vonden waarschijnlijk veel werklozen een inkomen door de werken die op de vestingsgronden werden uitgevoerd.

Op gebied van hygiëne was de stad minder haastig om maatregelen te nemen, omdat men meende dat Oudenaarde een vrij propere stad was. Wanneer echter eind 1848 het eerste geval van cholera opdook werd dezelfde dag nog de gezondheidscommissie in het leven geroepen. In plaats van preventieve maatregelen te nemen, bleef deze commissie echter werkloos tot in maart de gevallen van cholera duidelijk een epidemisch karakter kregen. Algauw werden verschillende richtlijnen gegeven die de hygiëne moesten waarborgen en werd een bezoek gebracht aan de stadswijken die er het ergst aan toe waren. Op langere termijn zorgde de epidemie ervoor dat er een reglement tot stand kwam op de constructie van huizen.

Ondanks al deze maatregelen kon men niet verhinderen dat ook de criminaliteit zou toenemen. Er was wel meer waakzaamheid maar veel maatregelen om de openbare orde te verzekeren werden aanvankelijk niet genomen. Tot in februari 1848 de omverwerping van de bestaande orde zeer reëel leek. Het gevolg was een zeer streng toezicht op mogelijke ontevredenheid of gevaarlijke elementen in de bevolking – inzonderheid buitenlanders of arbeiders die uit Frankrijk waren gejaagd. Ook bedelarij zou de stad parten spelen, vooral dan bedelaars die toestroomden uit het platteland. De gevangenis bleek algauw te klein om ze allemaal op te vangen, en vanaf 1846 trachtte men ze gewoon buiten de stad te houden of te drijven.

 

Wanneer in 1842 reeds de bedelarij een voelbaar probleem werd, vroeg de provincie de stad welke maatregelen men had genomen. Als antwoord werd in oktober 1842 de volgende lijst opgestuurd, die werd herhaald in het jaarverslag van dat jaar[1768]. Dit waren zowel de maatregelen die in gewone jaren doorgingen als de uitzonderlijke initiatieven die dat jaar werden genomen.

1) De subsidie voor het armbestuur werd verhoogd

2) Onafhankelijk van de zorgen die men van het armbestuur ontving, werd tijdens de winter een soep verdeeld aan de armen

3) Kinderen van de armen waren verplicht het gratis gemeenteonderwijs te volgen

4) 130 meisjes hielden zich bezig met handwerk in de werkschool van de Dames de l’instruction Chrétienne en de werkschool voor arme meisjes

5) Toezicht van de politie, en alle gezonde personen die aangetroffen werden tijdens het bedelen werden gearresteerd

6) Onverbeterlijke bedelaars werden opgesloten in het depot van Brugge

Die maatregelen achtte men voldoende om de stad vrij te houden van bedelaars, en die maatregelen waren dat wellicht ook. Hoger zagen we reeds dat de meeste gearresteerde bedelaars van buiten de stad kwamen. Sommige burgers meenden zelfs dat Oudenaarde zelf geen bedelaars kon opleveren, omdat iedereen die er nood aan had door het armbestuur werd ondersteund. Wat echter wel problematisch was, was dat de omliggende plattelandsgemeenten niet de middelen hadden om gelijkaardige maatregelen te treffen:

“Ces mesures nous avaient paru suffisantes pour remédier au scandale de la mendicité; et certes elle l’auraient été si les administrations de toutes les communes circonvoisines avaient également pourvu aux moyens de secourir efficacement leurs nécessiteux, dont un grand nombre viennent exercer ici leur industrie vagabonde et qui, tout en donnant le mauvais exemple, réclament constamment l’action de la police[1769].” (1843)

De stad deed dus verschillende inspanningen maar werd desondanks toch met de problemen van armoede geconfronteerd.

 

Het zou intussen ook duidelijk moeten zijn dat Oudenaarde over aanzienlijk kapitaal beschikte dat men bereid was aan armenzorg te besteden. “La situation financière de notre ville, sans être brillante, est néanmoins bonne[1770]”, schreef men in december 1847. Datzelfde jaar zei men eerder al: “les budgets de notre ville et de nos institutions de bienfaisance sont réglés de manière à promettre, à moins d’évènements extraordinaire de satisfaire aux besoins légitimes de sa population nécessiteuse et de soulager les ouvriers qui, pendant l’hiver, se trouveraient sans moyens suffisants d’existance[1771]

Niet in der minst gold dit voor de burgerlijke godshuizen die over een aanzienlijk patrimonium beschikten en daardoor het nodige geld kon opbrengen voor de bouw van een ouderlingentehuis en een extra vleugel aan het hospitaal. Toch deed men moeilijk over een subsidie aan het armbestuur. Het armbestuur had het namelijk financieel veel minder breed, maar de rekeningen van deze instelling waren toch niet deficitair, in tegenstelling tot op vele andere plaatsen. Bovendien kon men rekenen op de nodige financiële steun van de stad.

Maar wat eveneens duidelijk is, is dat deze middelen door de crisis begonnen te slinken. De kwijnende linnenhandel had eerder al voor een gestage daling van de inkomsten gezorgd door verminderde plaats-, meet- en stempelrechten. Dit werd problematisch in 1848, wanneer de pachters een vergoeding vroegen voor de uitbesteding die hen verlies had opgeleverd. Hetzelfde gebeurde met de octrooien: de dalende consumptie had ook hier voor dalende inkomsten gezorgd. In 1845 wou men nog 12.000 fr. lenen voor onder andere openbare werken, de volgende jaren was dit bedrag veel kleiner en wou men dit enkel uitvoeren mits een bijdrage van de overheid. De subsidie aan het armbestuur werd geleidelijk aan kleiner en werd eind 1850 zelfs helemaal geschrapt. De daling van de inkomsten blijkt duidelijk uit tabel 100. Tegelijk vond er tussen 1840 - 1850 een gestagen daling van de uitgaven plaats. Als conclusie kunnen we stellen dat Oudenaarde wel degelijk maatregelen nam om de crisis in te dijken, en daarbij niet schuw was zijn financiën aan te spreken. Maar de inkomsten van de stad zouden ten gevolge van de crisis achteruitgaan, en de stad moest hier wel rekening mee houden.

 

Tabel 100. Inkomsten en uitgaven van de stad (in fr.), 1840-1848[1772]

Dienstjaar

Inkomsten

Uitgaven

Verschil

Gewoon

Buiten-gewoon

Totaal

Gewoon

Buiten-gewoon

Totaal

1840

61.932,91

21.975,64

83.908,55

48.544,49

31.921,07

80.465,56

3.442,99

1841

63.035,51

28.992,32

92.027,83

41.456,49

45.106,63

86.563,12

5.464,71

1842

59.785,55

43.397,21

103.182,76

39.901,67

43.154,76

83.056,43

20.126,33

1843

60.979,42

31.821,72

92.801,14

48.681,40

37.378,05

86.059,45

6.741,69

1844

60.624,71

15.256,63

75.881,34

49.663,24

19.572,35

69.235,59

6.645,75

1845

62.040,23

14.823,33

76.863,56

49.676,45

17.851,99

67.528,44

9.335,12

1846

59.252,04

18.640,73

77.892,77

50.102,61

18.337,92

68.440,53

9.452,24

1847

50.318,47

21.631,30

71.949,77

45.316,46

22.321,63

67.638,09

4.311,68

1848

59.822,48

11.473,45

71.295,93

46.271,08

19.000,25

65.271,33

6.024,60

1849

60.842,79

14.020,42

74.863,21

46.618,77

20.377,03

66.995,80

 7.867,41

1850

52.817,85

14.520,88

67.338,73

47.379,08

18.635,46

66.014,54

1.324,19

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[1161] DEPREEUW, p. 258-259

[1162] Armmeesters in 1851 waren: V. Bouchel, Hiloné Liefmans (brouwer), Ch. Ragé (koopman), Ed. Van Cauwenberghe (koopman), Ch. Vanderstraeten (bouwmeester), -, Audenaerdschen wegwyzer (1851), p. 146-147

[1163] DEPREEUW, p. 259

[1164] -, Audenaerdschen wegwyzer (1851), p. 146

[1165] DEPREEUW, p. 389

[1166] Deze praktijk werd door de Gazette van Audenaerde aangeklaagd, waarop E. Van Cauwenberghe, armmeester, repliceerde. Zijn volledige brief, met opmerkingen van de krant, is opgenomen in bijlage. RAR, Microfilm B80, Gazette van Audenaerde, 13.05.1849, N° 19, 15e jaargang, p. 1, 2e - 3e kolom, p. 2, 1e kolom

[1167] RAR, Microfilm B79, Gazette van Audenaerde, 08.05.1842, N° 19, 8ste jaargang, p. 3, 1ste kolom

[1168] DEPREEUW, p. 389

[1169] Gegevens voor 1840 - 1843: SAO, MGA, Verslagen van de gemeenteraadszittingen, Boek 7: Zitting van 29.05.1841; Boek 9: Zitting van 23.07.1842; Zitting van 22.07.1843; Zitting van 28.09.1844; Vanaf 1844: OCMW-AO, Modern Archief, 0339: Diverse stukken i.v.m. 1) inkomsten, uitgaven en onderhoudskosten door het Bureel en 2) antwoordlijsten van het Bureel op enquetes: Bundel: “Enquête sur la bienfaisance. États statistiques - annexes au cahier des réponses du Bureau de Bienfaisance d’Audenarde, Province de la Flandre Orientale.” (Gedrukt, 1859, ingevuld), p. 7-8

[1170] Jaarverslag (gepubliceerd) van 1846 (p. 31)

[1171] RAG, PAOV, 537B: Budget voor 1840 (n° 73); 543: Budget voor 1841 (n° 75); 548: Budget voor 1842 (n° 72)

[1172] SAO, MGA, Verslagen van de gemeenteraadszittingen, Boek 8: Zitting van 01.08.1842; Zitting van 28.09.1842

[1173] Daarnaast kwamen ook de belastingsinkomsten van de vismijn niet meer ten goed aan het armbestuur, omdat het voortaan in regie door de gemeente werd gehouden. SAO, MGA, OUD 205.1-74, Uitgaande briefwisseling: Brief (19.10.1842, Reg. A/13 N° 11.612): Aan het armbestuur; RAG, PAOV, 553: Budget voor 1843 (n° 78)

[1174] RAG, PAOV, 558: Budget voor 1844 (n° 76); 565: Budget voor 1845 (n° 76)

[1175] RAG, PAOV, 572: Budget voor 1846 (n° 74)

[1176] SAO, MGA, OUD 205.1-74, Uitgaande briefwisseling: Brief (19.10.1842, Reg. A/13 N° 11.612): Aan het armbestuur

[1177] Jaarverslag (gepubliceerd) van 1845 (p. 12); RAG, PAOV, 572: Budget voor 1846 (n° 74 en 77)

[1178] JACQUEMYNS, p. 306

[1179] SAO, MGA, OUD 205.1-78, Uitgaande briefwisseling: Brief (01.12.1845, Reg. A/15 N° 14.320) : Aan het armbestuur

[1180] SAO, MGA, OUD 205.1-78, Uitgaande briefwisseling: Brief (18.12.1845, Reg. A/15 N° 14.370): Aan de gouverneur

[1181] RAG, PAOV, 579B: Budget voor 1847 (n° 71)

[1182] RAG, PAOV, 586: Budget voor 1848 (n° 61)

[1183] RAG, PAOV, 593: Budget voor 1849 (n° 73), 600: Budget voor 1850 (n° 74); OCMW-AO, Modern Archief, 0481: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 01.11.1850

[1184] RAG, PAOV, 572: Budget voor 1846 (bevat budget van het Bureau de Bienfaisance voor 1846); 586: Budget voor 1848 (bevat budget van het Bureau de Bienfaisance voor 1848, met vergelijkingen met budget van 1847)

[1185] SAO, MGA, OUD 205.1-78, Uitgaande briefwisseling: Brief (18.12.1845, Reg. A/15 N° 14.370): Aan de gouverneur

[1186] OCMW-AO, Modern Archief, 0481, Notulen van de bestuursvergaderingen “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 01.11.1850

[1187] Jaarverslag (gepubliceerd) van 1844 (p. 13)

[1188] OCMW-AO, Modern Archief, 0817, Ingekomen briefwisseling tussen dokters, apothekers: Brief (Oudenaarde, 05.11.1850) Van Dr. Vandermeersch en Tijman-Liedts aan leden van Burgerlijke Godshuizen

[1189] Subsidie gemeente volgens budgetten: RAG, PAOV, 558: Budget voor 1844 (n° 76); 565: Budget voor 1845 (n° 76); 572: Budget voor 1846 (n° 74); 579B: Budget voor 1847 (n° 71); 586: Budget voor 1848 (n° 61); 593: Budget voor 1849 (n°73); 600: Budget voor 1850 (n° 74); Overige gegevens: OCMW-AO, Modern Archief, 0339: Diverse stukken i.v.m. 1) inkomsten, uitgaven en onderhoudskosten door het Bureel en 2) antwoordlijsten van het Bureel op enquetes: Bundel: “Enquête sur la bienfaisance. États statistiques - annexes au cahier des réponses du Bureau de Bienfaisance d’Audenarde, Province de la Flandre Orientale.” (Gedrukt, 1859, ingevuld), p. 7-8

[1190] RAG, PAOV, 572: Budget voor 1846 (bevat budget van het Bureau de Bienfaisance voor 1846); 586: Budget voor 1848 (bevat budget van het Bureau de Bienfaisance voor 1848, met vergelijkingen met budget van 1847)

[1191] DEPREEUW, p. 389

[1192] Zie bijlagen voor overzicht voor 1845. OCMW-AO, Modern Archief, 0234, Inkomende briefwisseling, hoofdzakelijk van het gemeentebestuur van de stad: Tabel (11.06.1846): overzicht van personen die gedurende 1845 onderstand hebben gekregen van het armbestuur, maar die hun onderstandswoning in een andere gemeente hebben

[1193] Jaarverslag 1844, p. 16-17

[1194] SAO, MGA, OUD 554-7, Kantschool: Brief (Oudenaarde, 15.12.1851) van de leden van het armbestuur aan burgemeester en schepenen van Oudenaarde

[1195] Jaarverslag 1846, p. 45

[1196] RAG, PAOV, 572: Budget van de steden in de provincie voor 1846 (bevat voor Oudenaarde ook budget van het Bureau de Bienfaisance); RAG, PAOV, 586: Budget van de steden in de provincie voor 1848 (bevat voor Oudenaarde ook budget van het Bureau de Bienfaisance)

[1197] SAO, MGA, OUD 554-7, Kantschool: Brief (Oudenaarde, 15.12.1851) (ut supra)

[1198] RAG, PAOV, 572: budget Bureau de Bienfaisance; 586: budget Bureau de Bienfaisance (ut supra)

[1199] SAO, MGA, OUD 70-1, Algemeenheden in verband met de economische activiteiten: Brief (06.12.1850, Reg. A/24 N° 3789): van Gouverneur aan B&S

[1200] SAO, MGA, OUD 205.1-89, Uitgaande briefwisseling: Brief (10.12.1850 (Reg. A/20 N° 19.108): Aan het armbestuur

[1201] SAO, MGA, OUD 70-1, Algemeenheden in verband met de economische activiteiten: Brief (Oudenaarde, 19.12.1850) van de leden van het Armbestuur aan B&S van Oudenaarde

[1202] -, Exposé de la situation de la province de la Flandre Orientale, 1839 (p. 27), 1840 (p. 33), 1841 (p. 36), 1842 (p. 43), 1843 (p. 41), 1844 (p. 41), 1845 (p. 41), 1846 (p. 73), 1847 (p. 87), 1848 (p. 106) ; Jaarverslagen (gepubliceerd) van 1844 (p. 16-17), 1845 (p. 16-17), 1846 (p. 45-46), 1847 (p. 35-36), 1848 (p. 36-37)

[1203] RAG, PAOV, 401/1: Jaarverslag 1840 (over 1839); 402/1: Jaarverslag 1841 (over 1840); 404/1: Jaarverslag 1843 (over 1842); 405/1: Jaarverslag 1844 (over 1843), p. 10-11; RAR, Microfilm B147, Nieuws- en Annoncen-blad van Audenaerde: 02.10.1842, N° 1362, 26ste jaargang, p. 5 - 8: “Verslag van het Kollegie van Burgemeester en Schepenen der Stad Audenaerde [over 1841]”; Jaarverslagen (gepubliceerd) van 1844 (p. 16); 1845 (p. 16); 1846 (p. 36-37); SAO, MGA, OUD 205.1-74, Uitgaande briefwisseling: Brief (10.12.1842, Reg. A/13 N° 11.749): Aan het armbestuur

[1204] SAO, MGA, OUD 205.1-83, Uitgaande briefwisseling: Brief (14.01.1848, Reg. A/17 N° 16.260): Aan de gouverneur

[1205] SAO, MGA, OUD 205.1-83, Uitgaande briefwisseling: Brief (14.01.1848, Reg. A/17 N° 16.260): Aan de gouverneur

[1206] SAO, MGA, OUD 205.1-72, Uitgaande briefwisseling: Brief (09.12.1840, Reg. A/11 N° 9.977): Aan het armbestuur

[1207] Jaarverslag (gepubliceerd) van 1845 (p. 16)

[1208] Jaarverslag (gepubliceerd) van 1846 (p. 36-37)

[1209] RAG, PAOV, 404/1: Jaarverslag van 1840 (over 1839)

[1210] Jaarverslag (gepubliceerd) van 1845 (p. 16)

[1211] SAO, MGA, OUD 205.1-73, Uitgaande briefwisseling: Brief (20.10.1841, Reg. A/12 N° 10.752): Aan het armbestuur

[1212] Jaarverslag (gepubliceerd) van 1846 (p. 36-37)

[1213] SAO, MGA, OUD 205.1-85, Uitgaande briefwisseling: Brief (25.10.1848, Reg. A/18 N° 16.963): Aan het armbestuur

[1214] SAO, MGA, OUD 205.1-74, Uitgaande briefwisseling: Brief (28.10.1842, Reg. A/13 N° 11.636): Aan het armbestuur

[1215] OCMW-AO, Modern Archief, 0234, Inkomende briefwisseling, hoofdzakelijk van het gemeentebestuur van de stad: Brief (Oudenaarde, 28.10.1845, Reg. A/15 N° 14.242): Van B&S aan armbestuur

[1216] SAO, MGA, OUD 205.1-73, Uitgaande briefwisseling: Brief (16.06.1841, Reg. A/11 N° 10.455): Aan de permanente deputatie; Brief (11.08.1841, Reg. A/12 N° 10.589): Aan het armbestuur

[1217] RAR, Microfilm B80, Gazette van Audenaerde, 27.12.1846, N° 52, 12de jaargang, p. 3, 1e kolom

[1218] SAO, MGA, Verslagen van de gemeenteraadszittingen, Boek 9: Zitting van 17.03.1847; RAR, Microfilm B80, Gazette van Audenaerde: 11.04.1847, N° 15, 13de jaargang, p. 2, 1e - 2e kolom

[1219] In de brief van 3 april die deze bons vergezelde staat “nous avons l’honneur de vous faire parvenir encore mille bons de dix centimes, pour être distribués aux nécessiteux de cette ville [eigen nadruk]” SAO, MGA, OUD 205.1-81, Uitgaande briefwisseling: Brief (03.04.1847, Reg. A/17 N° 15.534): aan het armbestuur ; Brief (24.04.1847, Reg. A/17 N° 15.582): aan het armbestuur

[1220] SAO, MGA, Verslagen van de gemeenteraadszittingen, Boek 9: Zitting van 08.05.1847

[1221] Ik heb althans naast de twee reeds genoemde (zie voetnoot 1219) nog vier andere brieven aangetroffen die deze bons begeleidden. SAO, MGA, OUD 205.1-81, Uitgaande briefwisseling: Brieven (18.05.1847, Reg. A/17 N° 15.691; 28.05.1847, Reg. A.17 N° 15.685; 05.06.1847, Reg. A/17 N° 15.716) aan het armbestuur; OCMW-AO, Modern Archief, 0234, Inkomende briefwisseling, hoofdzakelijk van het gemeentebestuur van de stad: Brief (Oudenaarde, 10.07.1847, Reg. A/17 N° 15.796)

[1222] LIS and SOLY, p. 206

[1223] DEPREEUW, p. 258

[1224] DEPREEUW, p. 378

[1225] De leden van de administratieve commissie waren in 1851: Ch. Felix (advokaat), H. Raepsaet (advokaat), J. Grau (avoué), X. Wolfcarius (notaris), J. Van der Meeren (handelaar), Audenaerdschen wegwyzer (1851), p. 145

[1226] RAG, PAOV, 2880/1, Reglementen van godshuizen, hospitalen, rusthuizen, enz: Brief (Oudenaarde, 09.07.1832): van de Districtscommissaris de aan gouverneur

[1227] Boek 8: Zitting van 30.04.1842; Zitting van 11.03.1843; Zitting van 21.06.1844; Zitting van 01.03.1845; Boek 9: Zitting van 28.02.1846; Zitting van 20.02.1847; Zitting van 12.02.1848; Zitting van 25.11.1848; Zitting van 02.02.1850; Jaarverslag (gepubliceerd) van 1850 (p. 34)

[1228] 755,9023 ha om precies te zijn. Jaarverslag (gepubliceerd) van 1846 (p. 38)

[1229] OCMW-AO, Modern Archief, 0481: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 01.07.1848

[1230] Wegens tijdsgebrek heb ik dit dossier zelf niet meer volledig kunnen doornemen. Het overzicht dit volgt is aan de hand van de voornaamste stukken in dit dossier. OCMW-AO, Modern Archief: dossier nr. 0726

[1231] HOEBEKE (Marcel), 1953, p. 31

[1232] OCMW-AO, Modern Archief, 0726, Diverse stukken i.v.m. het reglement van inwendige orde van het hospitaal e.d.: Beslissing van keizer Jozef, 09.03.1789

[1233] HOEBEKE (Marcel), 1953, p. 30-31

[1234] HOEBEKE (Marcel), 1953, p. 35-39

[1235] RAG, PAOV, 2880/1, Reglementen van godshuizen, hospitalen, rusthuizen, enz.: Brief (Oudenaarde, 14.07.1832): van B&S aan Gouverneur

[1236] HOEBEKE (Marcel), 1953, p. 35-39

[1237] OCMW-AO, Modern Archief, 0726, Diverse stukken i.v.m. het reglement van inwendige orde van het hospitaal e.d.: Statuts des Dames Hospitalières de l’hôpital d’Audenarde [s.d.] Dit stuk is niet gedateerd, maar men kan eruit opmaken dat het tussen 18.02.1809 en mei 1811 moet gemaakt zijn. In een brief van de permanente deputatie situeert men het op 14.12.1810. RAG, PAOV, 2880/2, Dossier betreffende een geschil tussen de zusters van het O.L.V. Hospitaal te Oudenaarde en het plaatselijke stadsbestuur (met retroakten): Brief (Gent, 06.10.1838, C/12 N° 6313): Van Permanente Deputatie aan minister van binnenlandse zaken

[1238] DEPREEUW, p. 257-258

[1239] HOEBEKE (Marcel), 1953, p. 44

[1240] OCMW-AO, Modern Archief, 0726, Diverse stukken i.v.m. het reglement van inwendige orde van het hospitaal e.d.: Reglement van 09.11.1818 (op inwendige orde van het hospitaal); Reglement van 19.08.1819 (règlement organique pour l’administration intérieure de l’hôpital des pauvres); Reglement van 06.03.1824 (toegang van de zieken en ouderlingen tot het hospitaal, bezoekrecht); Reglement van 14.06.1824 (voor het inwendig bestuur van het burgerlijk godshuis voor zieken en kranke te Oudenaarde)

[1241] RAG, PAOV, 2880/1, Reglementen van godshuizen, hospitalen, rusthuizen, enz.: Brief (Oudenaarde, 14.07.1832): van B&S aan Gouverneur

[1242] HOEBEKE (Marcel), 1953, p. 44

[1243] RAG, PAOV, 401/1: Jaarverslag 1840 (over 1839); 402/1: Jaarverslag 1841 (over 1840); 404/1: Jaarverslag 1843 (over 1842); 405/1: Jaarverslag 1844 (over 1843), p. 9-10; RAR, Microfilm B147, Nieuws- en Annoncen-blad van Audenaerde: 02.10.1842, N° 1362, 26ste jaargang, p. 5 - 8: “Verslag van het Kollegie van Burgemeester en Schepenen der Stad Audenaerde [over 1841]”; SAO, MGA, Verslagen van de gemeenteraadszittingen, Boek 8: Zitting van 11.03.1843

[1244] OCMW-AO, Modern Archief, 0787, Briefwisseling, modellen en enquêtes...: Rapport (07.06.1845) i.v.m. ziekten geobserveerd in het hospitaal gedurende 1844 

[1245] OCMW-AO, Modern Archief, 0787, Briefwisseling, modellen en enquêtes...: Rapport (07.06.1845) i.v.m. ziekten geobserveerd in het hospitaal gedurende 1844 

[1246] OCMW-AO, Modern Archief, 0481: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 05.09.1846

[1247] OCMW-AO, Modern Archief, 0481: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 19.12.1846

[1248] Tot februari 1846 was Joannes Maroy bakker in het hospitaal. Hij werd op 28.02 eervol ontslagen en zou nog een pensioen van 50 fr. krijgen, tenzij hij ermee instemde in het ouderlingentehuis te worden opgenomen. Dezelfde dag werd Adoplhe De Bruyne aangesteld, die echter reeds op 13.03.1847 ontslag gaf. Joannes de Bruyne werd als zijn opvolger aangesteld. OCMW-AO, Modern Archief, 0481: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 28.02.1846; Zitting van 13.03.1847

[1249] OCMW-AO, Modern Archief, 0481: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 02.01.1847; Zitting van 19.06.1847

[1250] OCMW-AO, Modern Archief, 0787, Briefwisseling, modellen en enquêtes...: Rapport (07.06.1845) i.v.m. ziekten geobserveerd in het hospitaal gedurende 1844 

[1251] OCMW-AO, Modern Archief, 0481: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 12.02.1851

[1252] OCMW-AO, Modern Archief, 0480: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 26.03.1851

[1253] OCMW-AO, Modern Archief, 0480: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 30.01.1847

[1254] OCMW-AO, Modern Archief, 0480: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 29.01.1848

[1255] SAO, MGA, Verslagen van de gemeenteraadszittingen, Boek 9: Zitting van 12.02.1848

[1256] OCMW-AO, Modern Archief, 0480: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 07.10.1848

[1257] OCMW-AO, Modern Archief, 0817, Ingekomen briefwisseling tussen dokters, apothekers: Brief (Oudenaarde, 23.05.1849): van Dr. Vandermeersch aan leden van de Burgerlijke Godshuizen

[1258] SAO, MGA, OUD 633.1/2-3, Cholera: doktersrapporten: 3e bulletin (13.03.1849); 4e bulletin (14.03.1849); 5e bulletin (19.03.1849)

[1259] Letterlijk stond in het rapport: : “Aux mesures hygiéniques, il sera nécassaire de joindre une distribution plus répétée de nourriture” SAO, MGA, OUD 633.1/2-4, Cholera: Brief (13.03.1849, Reg. A/18 N° 17.343): Aan het armbestuur

[1260] OCMW-AO, Modern Archief, 0480: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 16.02.1849

[1261] OCMW-AO, Modern Archief, 0480: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 06.02.1850

[1262] SAO, MGA, Verslagen van de gemeenteraadszittingen, Boek 9: Zitting van 02.03.1850; SAO, MGA, OUD 205.1-88, Uitgaande briefwisseling: Brief (07.03.1850, Reg. A/19 N° 18.383): Aan permanente deputatie

[1263] SAO, MGA, OUD 205.1-88, Uitgaande briefwisseling: Brief (07.06.1850, Reg. A/20 N° 18.655): Aan leden van de Burgerlijke Godshuizen

[1264] OCMW-AO, Modern Archief, 0481: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 21.01.1852

[1265] -, Audenaerdschen wegwyzer (1851), p. 145, 147

[1266] RAG, PAOV, 600, Budget voor 1850 (n° 75; uit overzicht met personen met een loon van de gemeente)

[1267] RAG, PAOV, 565, Budget voor 1845 (n° 77; uit overzicht met personen met een loon van de gemeente)

[1268] Het is toch niet helemaal duidelijk wanneer Nazaire Cavenaille op die plaats werd gezet. Hij werd aangesteld door de commissie op 01.08.1846, maar dit werd door de gemeenteraad pas goedgekeurd op 13.03.1847. In een brief na zijn dood, staat dat ene Nazarin Cavenaile tot apotheker werd benoemd op 12.11.1795 en een andere, Modest Nazaire Cavenaile benoemd werd te Gent als apotheker op 09.10.1824. Nazarin Cavenaille overleed op 13.03.1849, Modest Nazaire Cavenaile op 31.07.1849. In mei 1849 (vóór de dood van Modest Nazaire Cavenaile dus), werd een nieuwe apotheker aangesteld in vervanging van de ‘overleden Nazaire’, Louis Joseph Walraevens. Deze aanstelling gebeurde door de commissie op 23.03.1849, volgens deze bron zou Nazaire Cavenaille overleden zijn op 19.03.1849. OCMW-AO, Modern Archief, 0481: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 01.08.1846; Zitting van 23.03.1849; SAO, MGA, Verslagen van de gemeenteraadszittingen, Boek 9: Zitting van 13.03.1847; SAO, MGA, OUD 205.1-87, Uitgaande briefwisseling: Brief (14.05.1849, Reg. A/19 N° 17.543): Aan de leden van de Burgerlijke Godshuizen; SAO, MGA, OUD 205.1-87, Uitgaande briefwisseling: Brief (24.12.1849, Reg. A/19 N° 18.165): Aan gouverneur

[1269] OCMW-AO, Modern Archief, 0480: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/4”: Zitting van 03.11.1841

[1270] OCMW-AO, Modern Archief, 0817, Ingekomen briefwisseling tussen dokters, apothekers: Brief (Oudenaarde, 05.11.1850) Van Dr. Vandermeersch en Tijman-Liedts aan leden van de Burgerlijke Godshuizen

[1271] RAG, PAOV, 2880/3, Diverse instructies betreffende godshuizen: Brief (Oudenaarde 13.10.1846, Reg. A/3 N° 1493): Van leden van de Burgerlijke Godshuizen aan B&S van Oudenaarde

[1272] OCMW-AO, Modern Archief, 0817, Ingekomen briefwisseling tussen dokters, apothekers: Brief (Oudenaarde, 18.07.1854) : Van Tijman-Liedts aan leden van de Burgerlijke Godshuizen

[1273] OCMW-AO, Modern Archief, 0817, Ingekomen briefwisseling tussen dokters, apothekers: Brief (Oudenaarde, 18.07.1854): Van Vandermeersch aan leden van de Burgerlijke Godshuizen

[1274] OCMW-AO, Modern Archief, 0481: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 20.12.1845

[1275] OCMW-AO, Modern Archief, 0481: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 30.01.1847

[1276] OCMW-AO, Modern Archief, 0481: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 26.03.1851

[1277] RAG, PAOV, 565, Budget voor 1845 (n° 77; uit overzicht met personen met een loon van de gemeente)

[1278] Brieven met een overzicht van personen door Rosalie de Saedeleer gevaccineerd zijn legio (althans begeleidende brieven, het overzicht zelf ontbreekt telkens), bijvoorbeeld SAO, MGA, OUD 205.1-72, Uitgaande briefwisseling: Brief (13.07.1840, Reg. A/11 N° 9.644): Aan gouverneur

[1279] RAG, PAOV, 565, Budget voor 1845 (n° 77; uit overzicht met personen met een loon van de gemeente)

[1280] SAO, MGA, Verslagen van de gemeenteraadszittingen, Boek 7: Zitting van 09.05.1840 en Zitting van 20.06.1840 SAO, MGA, OUD 205.1-72, Uitgaande briefwisseling: Brief (12.09.1840, Reg. A/11 N° 9.770): Aan Mr. Kluyskens, voorzitter van de provinciale commissie voor medische examens

[1281] SAO, MGA, Verslagen van de gemeenteraadszittingen, Boek 8: Zitting van 30.05.1842 en Zitting van 24.04.1844

[1282] HOEBEKE (Marcel), 1973, p. 9, 13, 16, 21, 26, 34-35

[1283] Ook in dit werk kan men evenwel enige partijdigheid van Marcel Hoebeke t.v.v. Vandermeersch vermoeden. HOEBEKE (Marcel), 1973, p. 34, 36

[1284] OCMW-AO, Modern Archief, 0817, Ingekomen briefwisseling tussen dokters, apothekers: Brief (Oudenaarde, 03.05.1834) van Dr. Vandermeersch aan leden van de Burgerlijke Godshuizen

[1285] OCMW-AO, Modern Archief, 0885(1) Statistieken, richtlijnen en enquêtes betreffende de vondelingen en verlaten kinderen: Vragenlijst van gouverneur met antwoorden van de Burgerlijke Godshuizen (05.01.1839)

[1286] HOEBEKE (Marcel), 1953, p. 51

[1287] SAO, MGA, OUD 205.1-73, Uitgaande briefwisseling: Brief (03.07.1841, Reg. A/12 N° 10.495): Aan leden van de Burgerlijke Godshuizen

[1288] RAG, PAOV, 401/1: Jaarverslag van 1840 (over 1839)

[1289] OCMW-AO, Modern Archief, 0480: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/4”: Zitting van 31.01.1842

[1290] OCMW-AO, Modern Archief, 0481: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 25.02.1843

[1291] Toestemming om in rechte te treden tegen de ondernemers werd toegestaan door de gemeenteraad op 11.01.1845, omdat het gebouw niet op tijd af was en de kelders niet waterdicht waren. In januari 1846 vroeg de commissie om een tweede rechtszaak te kunnen aanspannen. De commissie had namelijk eerder besloten de werken niet volledig te vergoeden omdat ze onvolledig waren uitgevoerd. Wanneer de aannemers in december 1845 om de betaling van 5000 fr. vroegen, stapte de commissie voor de tweede keer naar de rechtbank, ook al had men het gebouw al aanvaard op 31.10.1845. De commissie kreeg hiervoor toelating van de gemeenteraad op 28.02.1846. De bouwondernemers waren De Keyser-Grau, Vandermeersch en Maxilien Paquet. OCMW-AO, Modern Archief, 0481: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 26.10.1844 en Zitting van 20.12.1845; SAO, MGA, Verslagen van de gemeenteraadszittingen, Boek 8: Zitting van 11.01.1845 en Zitting van 28.02.1846

[1292] OCMW-AO, Modern Archief, 0481: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 16.01.1846

[1293] OCMW-AO, Modern Archief, 0481: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 08.08.1842

[1294] OCMW-AO, Modern Archief, 0481: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 16.01.1846

[1295] OCMW-AO, Modern Archief, 0481: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 19.12.1846 en Zitting van 23.07.1851

[1296] Jaarverslagen (gepubliceerd), 1845 (p. 11), 1846 (p. 42), 1847 (p. 33), 1848 (p. 33), 1849 (p. 34), 1850 (p. 35)

[1297] SAO, MGA, OUD 205.1-75, Uitgaande briefwisseling: Brief (09.03.1843, Reg. A/13 N° 11.976): Aan leden van de Burgerlijke Godshuizen; Meer over de stichting van deze weeshuizen staat waarschijnlijk in: E. van der Straeten, Notice sur G. et J. Stalins, fondateurs des écoles des pauvres à Audenarde, – A, 1855 uit BAA, ann. jg. 12, 1855, blz. 56 – (vermeld in: DE WACHTER, pp. 523-536)

[1298] OCMW-AO, Modern Archief, 0790, Briefwisseling, staten en enquêtes: Brief (Oudenaarde, 22.04.1858, Reg. A/26 N° 26.201): van B&S aan leden van de Burgerlijke Godshuizen (gegevens verschaft op 12.05.1858)

[1299] OCMW-AO, Modern Archief, 0725, Testamenten en legaten, Notice historique: Notice historique sur l’école des filles pauvres (sous le rapport de ses donations) (niet gedateerd)

[1300] OCMW-AO, Modern Archief, 0790, Briefwisseling, staten en enquêtes: Brief (Oudenaarde, 22.04.1858, Reg. A/26 N° 26.201): van B&S aan leden van de Burgerlijke Godshuizen (gegevens verschaft op 12.05.1858)

[1301] OCMW-AO, Modern Archief, 0790, Briefwisseling, staten en enquêtes: Brief (Oudenaarde, 22.04.1858, Reg. A/26 N° 26.201): van B&S aan leden van de Burgerlijke Godshuizen (gegevens verschaft op 12.05.1858)

[1302] SAO, MGA, OUD 205.1-73, Uitgaande briefwisseling: Brief (17.11.1841, Reg. A/12 N° 10.805): Aan gouverneur

[1303] Volledig overzicht van de verschillende verhuizen staat in bijlage. OCMW-AO, Modern Archief, 0725, Testamenten en legaten, Notice historique: Notice historique sur l’école de filles pauvres de la ville d’Audenarde, par rapport aux changements que cet établissement a subis depuis le révolution française (niet gedateerd)

[1304] Jaarverslag (gepubliceerd) van 1845 (p. 11)

[1305] In het verslag van de zittingen van 02.02.1849 en 17.10.1849 zit een lijst met kinderen die overleden of weggestuurd waren, en die geld hadden op een spaarrekening. Een overzicht daarvan in opgenomen in bijlage. OCMW-AO, Modern Archief, 0480: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 02.02.1849 en Zitting van 17.10.1849

[1306] Ik veronderstel dat 1,1 kg rundsvlees voor het hele groep was (10 leerlingen). OCMW-AO, Modern Archief, 0480: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 31.01.1842

[1307] OCMW-AO, Modern Archief, 0480: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 31.01.1842

[1308] OCMW-AO, Modern Archief, 0480: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 27.01.1844

[1309] OCMW-AO, Modern Archief, 0480: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 26.02.1848

[1310] Het gaat hier wellicht niet om de ouders van de wezen (in dat geval waren het geen wezen), maar om de ouders van de kinderen die in de werkschool werkzaam waren.

[1311] OCMW-AO, Modern Archief, 0480: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 29.10.1842

[1312] OCMW-AO, Modern Archief, 0480: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 17.12.1842

[1313] SAO, MGA, OUD 205.1-73, Uitgaande briefwisseling: Brief (11.05.1841, Reg. A/11 N° 10.372): Aan gouverneur

[1314] SAO, MGA, OUD 205.1-73, Uitgaande briefwisseling: Brief (11.05.1841, Reg. A/11 N° 10.372): Aan gouverneur

[1315] OCMW-AO, Modern Archief, 0481: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 29.10.1842

[1316] Op 14.01.1843 werd dit door de gemeenteraad goedgekeurd, en nadien door de permanente deputatie. OCMW-AO, Modern Archief, 0481: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 07.01.1843; SAO, MGA, Verslagen van de gemeenteraadszittingen, Boek 9: Zitting van 14.01.1843; SAO, MGA, OUD 205.1-73: Uitgaande briefwisseling: Brief (18.02.1843, Reg. A/13 N° 11.929): Aan de leden van de Burgerlijke Godshuizen

[1317] Jaarverslagen (gepubliceerd) van 1844 (p. 16), 1845 (p. 16-17)

[1318] SAO, MGA, OUD 205.1-75: Uitgaande briefwisseling: Brief (05.04.1843, Reg. A/13 N° 12.043): Aan gouverneur

[1319] SAO, MGA, OUD 551.2-6, Rekeningen van de werkschool voor arme meisjes: Rekeningen (1840 - 1850)

[1320] SCHEERLINCK, p. 155

[1321] OCMW-AO, Modern Archief, 0885(1) Statistieken, richtlijnen en enquêtes betreffende de vondelingen en verlaten kinderen: Vragenlijst van gouverneur met antwoorden van de Burgerlijke Godshuizen (05.01.1839)

[1322] SCHEERLINCK (Catherine), ‘Vondelingen en verlaten kinderen te Oudenaarde in de 19de eeuw’, in: Handelingen van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Oudenaarde, XXV, Oudenaarde, 1988, pp. 153-172

[1323] OCMW-AO, Modern Archief, 0885(1) Statistieken, richtlijnen en enquêtes betreffende de vondelingen en verlaten kinderen: Vragenlijst van gouverneur met antwoorden van de Burgerlijke Godshuizen (05.01.1839)

[1324] SCHEERLINCK, p. 166

[1325] OCMW-AO, Modern Archief, 0480: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/4”: Zitting van 03.11.1841; OCMW-AO, Modern Archief, 0481: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 11.04.1842

[1326] Laurent Liedts was ontvanger bij de godshuizen tot zijn dood (22.06.1849). Hij werd opgevolgd door Richard Liedts. OCMW-AO, Modern Archief, 0481: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 14.08.1849

[1327] Zie bijlagen voor deze cijfers en bronvermelding

[1328] OCMW-AO, Modern Archief, 0480: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/4”: Zitting van 03.11.1841

[1329] SCHEERLINCK, p. 162

[1330] SCHEERLINCK, p. 159

[1331] SCHEERLINCK, p. 161

[1332] SAO, MGA, OUD 205.1-75, Uitgaande briefwisseling: Brief (23.05.1843, Reg. A/13 N° 12.162): Aan gouverneur; OUD 205.1-77, Uitgaande briefwisseling: Brief (14.03.1844, Reg. A/14 N° 12.861): Aan gouverneur; OUD 205.1-86, Uitgaande briefwisseling: Brief (11.01.1849, Reg. A/18 N° 17.138): Aan gouverneur; OUD 205.1-88, Uitgaande briefwisseling: Brief (03.01.1850, Reg. A/19 N° 18.199): Aan gouverneur

[1333] SAO, MGA, OUD 205.1-87, Uitgaande briefwisseling: Brief (14.09.1849, Reg. A/19 N° 17.888): Aan het armbestuur

[1334] SCHEERLINCK, p. 165-166

[1335] Op basis van overzicht uit 1846, zie bijlage voor bronvermelding. In 1847 werden door de burgerlijke godshuizen opnieuw 20 kinderen onderhouden, voor wie de onderhoudskosten nu slechts 1036,64 fr. bedroegen. SAO, MGA, OUD 205.1-83, Uitgaande briefwisseling: Brief (18.01.1848, Reg. A/17 N° 16.266): Aan gouverneur

[1336] DEPREEUW, p. 257-258, 379-380

[1337] RAR, Microfilm B79, Gazette van Audenaerde, 21.12.1845, N° 51, 11de jaargang, p. 1, 1e - 3e kolom

[1338] SAO, MGA, OUD 551.2-6, Rekeningen van de werkschool voor arme meisjes: Rekeningen van 1840 tot 1850. De intekeningen in 1840 kwamen van Mevr. De Bleeckere-Gruloos (50,00 fr.), Mevr. Weduwe Van Verren (40,00 fr.), Mr. Liefmans-Bonné (burgemeester, 20,00 fr.), Mr. Thienpont (voorzitter rechtbank, 20,00 fr.), Mr. Van de Walle (rechter, 10,00 fr.), Mr. De Mulder (notaris, 12,00 fr.), Mr. Velghe (10,00 fr.). Gedurende de volgende 10 jaar verminderd dit voortdurend. In 1850 blijven enkel nog Thienpont, Van de Walle, Velghe en De Mulder over, allen met dezelfde bedragen met uitzonderling van De Mulder (6,00 fr.). Dit is niet uitsluitend te verklaren is door onverschilligheid. Bv. burgemeester Liefmans-Bonné was intussen overleden.

[1339] SAO, MGA, OUD 205.1-77, Uitgaande briefwisseling: Brief (05.07.1844, Reg. A/14 N° 13.139): Aan het armbestuur

[1340] SAO, MGA, Verslagen van de gemeenteraadszittingen, Boek 8: Zitting van 28.03.1844

[1341] LIS and SOLY, p. 92

[1342] RAR, Microfilm B79, Gazette van Audenaerde, 22.06.1845, N° 25, 11de jaargang, p. 1, 3e kolom

[1343] SAO, MGA, Verslagen van de gemeenteraadszittingen, Boek 8: Zitting van 05.04.1845

[1344] SAO, MGA, Verslagen van de gemeenteraadszittingen, Boek 8: Zitting van 12.04.1845

[1345] RAR, Microfilm B79, Gazette van Audenaerde, 14.12.1845, N° 50, 11de jaargang, p. 1, 2e - 3e kolom

[1346] RAR, Microfilm B80, Gazette van Audenaerde, 11.10.1846, N° 41, 12de jaargang, p. 1, 1e - 3e kolom

[1347] RAR, Microfilm B80, Gazette van Audenaerde, onder andere 01.11.1846, N° 44, 12de jaargang, p. 1, 1e - 3e kolom en 01.11.1846, N° 45, 12de jaargang, p. 1, 1e - 2e kolom

[1348] SAO, MGA, OUD 205.1-81, Uitgaande briefwisseling: Brief (07.01.1847, Reg. A/16 N° 15.296): Aan Aug. Houyet, administrateur de la société des moulins à vapeur à Bruxelles

[1349] RAR, Microfilm B80, Gazette van Audenaerde, 27.12.1846, N° 52, 12de jaargang, p. 2, 1e - 3 e kolom

[1350] RAR, Microfilm B80, Gazette van Audenaerde, 03.01.1847, N° 1, 13de jaargang, p. 1, 1e - 3e kolom

[1351] RAR, Microfilm B80, Gazette van Audenaerde, 27.12.1846, N° 52, 12de jaargang, p. 3, 1e kolom

[1352] RAR, Microfilm B79, Gazette van Audenaerde, 22.05.1842, N° 21, 8ste jaargang, p. 2, 3e kolom

[1353] RAR, Microfilm B80, Gazette van Audenaerde, 27.12.1846, N° 52, 12de jaargang, p. 2, 3e kolom

[1354] RAR, Microfilm B147, Nieuws- en Annoncen-blad van Audenaerde: 02.10.1842, N° 1362, 26ste jaargang, p. 5 - 8: “Verslag van het Kollegie van Burgemeester en Schepenen der Stad Audenaerde [over 1841]”

[1355] Privé-scholen worden verder besproken. Zie bijlagen voor het aantal leerlingen van deze lagere school.

[1356] Wanneer tegen het einde van de jaren 1850 de relatie tussen de zusters en de commissie verbeterde, schrijft hij: “In weerwil van de bekrompen politiek die ze aanvankelijk tegenover de religieuzen van het Onze-Lieve-Vrouwenhospitaal heeft gevoerd, vindt de Commissie van Burgerlijke Godshuizen langzamerhand haar juiste gedragslijn.” (eigen nadruk). HOEBEKE (Marcel), 1953, p. 59

[1357] HOEBEKE (Marcel), 1953, p. 42

[1358] De gouverneur schreef ook nog: “et je partage votre opinion à leur égard d’autant plus que les vœux perpétuels qu’elles déclarent avoir émis, sont proscrits par les lois, qui en même tems ont prononcé la dissolution de tous les établissemens religieux où on se liait par de semblables vœux.” OCMW-AO, Modern Archief, 0726, Diverse stukken i.v.m. het reglement van inwendige orde van het hospitaal e.d.: Brief (Gent, 06.05.1819) van Baron de Keverberg de Kessel aan B&S van Oudenaarde

[1359] OCMW-AO, Modern Archief, 0726, Diverse stukken i.v.m. het reglement van inwendige orde van het hospitaal e.d.: Brief (Gent, 29.06.1819, 1ere division, N° 738/9) Van gouverneur aan B&S van Oudenaarde

[1360] OCMW-AO, Modern Archief, 0726, Diverse stukken i.v.m. het reglement van inwendige orde van het hospitaal e.d.: Koninklijk Besluit (Amsterdam, 09.07.1819) van Willem I

[1361] HOEBEKE (Marcel), 1953, p. 48-49

[1362] HOEBEKE (Marcel), 1953, p. 45-48

[1363] RAG, PAOV, 2880/2, Dossier betreffende een geschil tussen de zusters van het O.L.V. Hospitaal te Oudenaarde en het plaatselijke stadsbestuur (met retroakten): Brief (Oudenaarde, 26.11.1831) Van Burgerlijke Godshuizen aan B&S van Oudenaarde

[1364] RAG, PAOV, 2880/2, Dossier betreffende een geschil ... (ut supra): Brief (Oudenaarde, 28.11.1831, Reg. A N°702): Van B&S aan gouverneur

[1365] RAG, PAOV, 2880/2, Dossier betreffende een geschil ... (ut supra): Brief (Gent, 01.12.1831) Van bisschop van Gent aan gouverneur van Oost-Vlaanderen

[1366] RAG, PAOV, 2880/2, Dossier betreffende een geschil ... (ut supra): Brief (Gent, 15.12.1831) Van bisschop van Gent aan gouverneur

[1367] RAG, PAOV, 2880/2, Dossier betreffende een geschil ... (ut supra): Brief (Oudenaarde, 01.03.1832, Reg. A/2 N° 967): Van B&S aan gouverneur

[1368] RAG, PAOV, 2880/2, Dossier betreffende een geschil ... (ut supra): Brief (Gent, 02.10.1832, Reg. C/6 N° 7083): Van Comité de Conservation aan B&S van Oudenaarde; Brief (Oudenaarde, 27.08.1836, Reg. A/7 N° 5849): Van B&S aan gouverneur

[1369] RAG, PAOV, 2880/2, Dossier betreffende een geschil ... (ut supra): Brief (Oudenaarde, 01.12.1832, Reg. A/3 N° 1705): Van B&S aan Gouverneur. Uit pv’s op het einde van dit dossier blijkt: aanstelling commissie in zitting van 31.10.1832; beslissing het reglement te behouden in zitting van 28.11.1832

[1370] RAG, PAOV, 2880/2, Dossier betreffende een geschil ... (ut supra): Proces verbaal (Oudenaarde, 18.01.1834) van de zitting van de régence

[1371] RAG, PAOV, 2880/2, Dossier betreffende een geschil ... (ut supra): Brief (Gent, 06.10.1838, C/12 N° 6313) : Van permanente deputatie aan minister van binnenlandse zaken

[1372] HOEBEKE (Marcel), 1953, p. 50

[1373] HOEBEKE (Marcel), 1953, p. 50-51

[1374] RAG, PAOV, 2880/2, Dossier betreffende een geschil ... (ut supra): Brief (Gent, 06.10.1838, C/12 N° 6313) : Van permanente deputatie aan minister van binnenlandse zaken

[1375] RAG, PAOV, 2880/2, Dossier betreffende een geschil ... (ut supra): Brief (Brussel, 08.11.1838, 2e dir., N° 19.826): Van Minister van Binnen- en Buitenlandse Zaken aan Gouverneur

[1376] HOEBEKE (Marcel), 1953, p. 51-52

[1377] HOEBEKE (Marcel), 1953, p. 52

[1378] OCMW-AO, Modern Archief, 0818, Ingekomen briefwisseling vnl tussen priorin van het convent en de commissie: Brief (01.02.1845): van priorin J. Corné aan leden van de Burgerlijke Godshuizen

[1379] OCMW-AO, Modern Archief, 0481: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 01.02.1845

[1380] HOEBEKE (Marcel), 1953, p. 54-56

[1381] HOEBEKE (Marcel), 1953, p. 58-59

[1382] OCMW-AO, Modern Archief, 0818, Ingekomen briefwisseling vnl tussen priorin van het convent en de commissie: Brief (01.04.1852): van priorin J. Corné aan leden van de Burgerlijke Godshuizen; OCMW-AO, Modern Archief, 0481: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 07.04.1852

[1383] HOEBEKE (Marcel), 1953, p. 55 (in voetnoot)

[1384] DEPREEUW, p. 380

[1385] SAO, MGA, OUD 205.1-84, Uitgaande briefwisseling: Brief (12.08.1848, Reg. A/18 N° 16.780): Aan gouverneur

[1386] SAO, MGA, Verslagen van de gemeenteraadszittingen, Boek 7: Zitting van 29.08.1840; RAG, PAOV, 402/1: Jaarverslag van 1841 (over 1840); OCMW-AO, Modern Archief, 0725, Testamenten en legaten, Notice historique: Notice historique sur l’école des filles pauvres (sous le rapport de ses donations) (niet gedateerd)

[1387] SAO, MGA, OUD 205.1-72, Uitgaande briefwisseling: Brief (09.11.1840, Reg. A/11 N° 9.912): Aan leden van commissie van de école de travail pour pauvres filles

[1388] RAG, PAOV, 402/1: Jaarverslag van 1841 (over 1840)

[1389] SAO, MGA, OUD 205.1-72, Uitgaande briefwisseling: Brief (16.12.1840, Reg. A/11 N° 9.982): Aan leden van commissie van de école de travail pour pauvres filles

[1390] SAO, MGA, Verslagen van de gemeenteraadszittingen, Boek 7: Zitting van 07.01.1841

[1391] SAO, MGA, Verslagen van de gemeenteraadszittingen, Boek 7: Zitting van 16.01.1841

[1392] In deze gesprekken werden de burgerlijke godshuizen vertegenwoordigd door Jacques de Bleeckere (voorzitter), Jean Baptiste Giet, Jacques Vander Meeren en Theodore Felix; de werkschool werd vertegenwoordigd door zijn besturende commissie, bestaande uit François Joseph van de Cruyssen (doyen curé de l’église de Ste Walburge), Jean Baptiste de Clootere (curé de Pamele), Jean Ignace Thienpont en Anselme Antoine Van de Walle. OCMW-AO, Modern Archief, 0480: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 22.03.1841

[1393] RAG, PAOV, 402/1: Jaarverslag van 1841 (over 1840)

[1394] SAO, MGA, Verslagen van de gemeenteraadszittingen, Boek 7: Zitting van 10.04.1841

[1395] SAO, MGA, OUD 205.1-73, Uitgaande briefwisseling: Brief (29.04.1841, Reg. A/11 N° 10.321): Aan de permanente deputatie

[1396] SAO, MGA, OUD 205.1-73, Uitgaande briefwisseling: Brief (11.05.1841, Reg. A/11 N° 10.372): Aan gouverneur; Brief (07.06.1841, Reg. A/11 N° 10.431): Aan gouverneur; Brief (19.06.1841, Reg. A/11 N° 10.459): Aan leden van de commissie van de école de travail des pauvres filles ; Brief (19.06.1841, Reg. A/11 N° 10.460): Aan leden van de Burgerlijke Godshuizen

[1397] SAO, MGA, OUD 205.1-73, Uitgaande briefwisseling: Brief (11.05.1841, Reg. A/11 N° 10.372): Aan gouverneur

[1398] SAO, MGA, OUD 205.1-73, Uitgaande briefwisseling: Brief (04.08.1841, Reg. A/12 N° 10.571): Aan leden van de commissie van de école de travail des pauvres filles 

[1399] RAG, PAOV, 402/1: Jaarverslag van 1841 (over 1840)

[1400] OCMW-AO, Modern Archief, 0481: Notulen van de bestuursvergaderingen (Godshuizen) “Arrêtés et délibérations. Reg. C/5”: Zitting van 15.10.1842

[1401] SAO, MGA, OUD 205.1-73, Uitgaande briefwisseling: Brief (01.02.1848, Reg. A/17 N° 16.313): Aan de gouverneur

[1402] SAO, MGA, OUD 205.1-73, Uitgaande briefwisseling: Brief (16.10.1841, Reg. A/12 N° 10.743): Aan leden van de Burgerlijke Godshuizen

[1403] SAO, MGA, OUD 205.1-73, Uitgaande briefwisseling: Brief (17.11.1841 (Reg. A/12 N° 10.805): Aan gouverneur

[1404]