| De moeilijke jaren 1840 in Oudenaarde. Sociaal-economisch en politiek beeld van een stad tussen 1840 - 1850. Een historisch onderzoek naar het verloop van de crisis van 1845 - 1849 binnen de sociaal-economische context van Oudenaarde en de behandeling van die crisis binnen de politieke context van Oudenaarde. (Wouter Ronsijn) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
F Sociale impact
In dit deel wil ik te weten komen wat de impact was van het gegeven dat voedsel door duurte haast onbereikbaar werd, terwijl de inkomens van bepaalde bevolkingsgroepen – landbouwers en linnenarbeiders – al jaren achteruitgingen. Ook al waren deze groepen in Oudenaarde zoals hoger gezien relatief beperkt, toch kon de crisis niet onopgemerkt voorbijgaan. Dit tracht ik op verschillende manieren na te gaan.
Het meest duidelijke gevolg van de crisis was dat steeds meer mensen een beroep moesten doen op de openbare onderstand. Hoeveel mensen waren dit in Oudenaarde? En waaruit bestond deze groep? Ook wil ik te weten komen of deze groep in Oudenaarde relatief groter of kleiner was dan in andere steden? Met andere woorden, deed Oudenaarde het beter of slechter dan andere steden?
De duurte van het voedsel zou ook leiden tot een daling van de consumptie van voedsel. Ook dit zal ik trachten vast te stellen. Het gevolg hiervan was een algemene verzwakking van de bevolking, wat zich vertaalde in een stijgend aantal zieken. Daarnaast konden vele armen zich niet langer weerbaar opstellen tegen allerlei epidemieën, die zich door de crisis gemakkelijk konden verspreiden. Daarom ga ik eveneens op zoek naar de epidemieën die zich in Oudenaarde voordeden. Enerzijds heeft dit met de verzwakking van de bevolking te maken, maar anderzijds speelde in de steden ook de slechte hygiënische omstandigheden een belangrijke rol. Daarom wil ik ook weten hoe Oudenaarde het op dit gebied deed.
De verzwakking zou zich ook op demografisch vlak laten gelden. Hoe groot was de daling van de nataliteit en de stijging van de mortaliteit? Liep de stad leeg als gevolg van de crisis of werd ze integendeel overrompeld door plattelanders die totaal berooid naar de stad gedreven werden? En hoe weerspiegelde de crisis zich tenslotte in het aantal huwelijken dat werd gesloten?
De crisis had echter niet alleen passieve gevolgen. Ook de criminaliteit zou een sterke toename kennen. In het laatste deel van dit hoofdstuk ga ik op zoek naar welke misdrijven er werden gepleegd en hoezeer deze op de Oudenaardse bevolking wogen. Waren er voedselrellen in de stad? Hoe zat het met bedelarij? En tenslotte, waren er ten gevolge van de crisis steeds meer mensen toe verplicht zich te prostitueren?
1.1 Arm Vlaanderen
De verarming die Vlaanderen en België te beurt viel met het mislukken van de oogsten vanaf 1845 was geen nieuw fenomeen. De achteruitgang van de linnennijverheid zorgde er al verschillende jaren lang voor dat een steeds groter deel van de bevolking op steun was aangewezen. In de achttiende eeuw zou slechts zo’n 10 % van de bevolking steun nodig gehad hebben, waarvan 5 à 10 % structurele armen (bejaarden, zieken, gehandicapten). De rest bestond uit conjuncturele armen (de actieve bevolking die een te klein inkomen had). Dit zijn vrij gunstige cijfers. In de loop van de negentiende eeuw zou hun aantal echter geleidelijk toenemen[956]. “Men mag niet uit het oog verliezen dat het hedendaagsche België, het België niet is gelijk vóór eeuwen[957]”, schreef de Gazette van Audenaerde reeds in september 1845. De krant maakte de vergelijking met 1816, wanneer de graanprijzen ook zeer duur waren, maar toch kon iedereen zich voedsel verschaffen. De reden hiervoor was dat de linnennijverheid en de koophandel toen nog bloeiend waren, en volgens hen aan iedereen een bestendige bezigheid en rijkelijk loon gaven.
In de loop van de negentiende eeuw zou het aantal behoeftigen dus gaan stijgen. Aanvankelijk was hun aantal in de steden relatief groter dan dat op het platteland, maar naarmate de rurale overlevingsstructuren steeds verder ondermijnd werden, vervaagden de verschillen tussen beide. Steden kennen doorgaans meer armen omdat zij het aangewezen toevluchtsoord waren voor weduwen, bejaarden en gebrekkigen uit het platteland. Het opnemen van deze gebrekkigen in de steden was volgens Vandenbroeke een soort compensatie voor de exploitatie van de plattelandsbevolking door de stedelijke bezitters. Toen de crisis in 1845 plots in alle hevigheid losbarste, werd het aantal armen op het platteland te groot om nog in de steden te kunnen worden opgenomen. Op het platteland werd bijna een derde afhankelijk van openbare onderstand. In gebieden waar de vlasnijverheid traditioneel zeer belangrijk was kon dit zelfs oplopen tot de helft[958]. Ook op het platteland van arrondissement Oudenaarde nam de armoede zienderogen toe. In verschillende gemeenten bereikte het aantal ondersteunden al in november 1845 bijna 40 % van de bevolking, in Schorisse was dit zelfs 55 %[959]. Het bericht in de Gazette van Audenaerde dat men in februari 1846 in Viane, een dorp bij Geraardsbergen, een paard dat van ziekte was gestorven en begraven was, opnieuw had opgegraven op opgegeten, is slechts één van vele verhalen die we in de krant aantreffen[960]. In Nederbrakel, Elst, Zegelsem en Petegem zou er geen dag voorbijgaan zonder dat er iemand van honger of ongezond voedsel omkwam[961].
Toch kon Deschamps, minister van Binnenlandse Zaken, in augustus 1846 nog een aangroeiende voorspoed ontwaren[962]. Dat schoot bij de Vlaamse pers in het verkeerde keelgat. Regelmatig wanneer er berichten worden weergegeven over de toenemende ellende, spreekt de Gazette van Audenaerde integendeel spottend van “aangroeijende voorspoed[963]”. Ook in de Aalsterse krant Den Dender-Bode lijkt dit gebeurd te zijn[964].
1.2 Omvang van de behoeftigheid
In tabel 55 wordt het verloop van de behoeftigheid in Oudenaarde voor 1839 - 1850 weergegeven. Dit is het aantal behoeftigen, wat niet noodzakelijk overeenstemt met het aantal armen. Een hoog aantal ondersteunden treft men eerder aan daar waar het armbestuur over meer financiële middelen beschikt dan daar waar er meer armoede is. Indien de openbare instellingen over minder financiële slagkracht beschikten, is ook het aantal ondersteunden lager. Doorgaans was die slagkracht in de steden beter dan op het platteland[965]. Zoals we verder zullen zien waren de financiële middelen van het Bureau de Bienfaisance in Oudenaarde beperkt. Maar om die reden kreeg het wel de nodige subsidies van het stadsbestuur. Alhoewel het moeilijk blijft te bepalen in welke mate de financiën het aantal ondersteunden heeft beïnvloed, ga ik er omwille van deze subsidies van uit dat het armbestuur van Oudenaarde indien nodig over voldoende middelen kon beschikken. Met deze assumptie zijn de cijfers van Oudenaarde vergelijkbaar met die van andere steden.
Uit deze cijfers blijkt dat de behoeftigheid in Oudenaarde merkelijk lager was dan elders, zowel voor als tijdens de crisis. In de gemiddelde Oost-Vlaamse stad bedroeg de armlastige bevolking zo’n 17 %, terwijl dat in Oudenaarde beperkt bleef tot 13 %. Oudenaarde kwam daarmee in de buurt van de cijfers voor de gemiddelde Oost-Vlaamse stad van het begin van de eeuw, wat ook 13 % bedroeg[966]. Tijdens de crisis ging het armencijfer van Oudenaarde slechts weinig over dat van de gemiddelde stad vóór de crisis. Dit komt neer op iets meer dan 18 % voor Oudenaarde. Andere steden hadden gemiddeld 24 % van hun bevolking ten laste. De toename van het aantal behoeftigen is in de Oudenaarde wel even groot als elders (een stijging van ongeveer 5 %). Tenslotte lijkt de crisis in Oudenaarde ook sneller afgelopen. In 1848 was het aantal ondersteunden al merkelijk teruggelopen, terwijl andere steden net dan hun hoogtepunt kennen. Aan de hand van deze cijfers lijkt de crisis dus minder hard te hebben toegeslagen.
Tabel 56 laat ons toe een kleine nuance in deze cijfers aan te brengen. Aan de hand van deze tabel krijgen we een duidelijker beeld van de ‘hoeveelheid’ armoede, omdat er staat aangeduid hoe groot de verdeelde steun was. Het aantal behoeftigen dat op permanente steun kon rekenen – die veel duurder is voor het armbestuur – bereikte een veelvoud. Het hoogtepunt hierin was 1847, wanneer vijf keer meer mensen permanent werden ondersteund. Daarvan bleef het aantal mensen dat volledig op steun was aangewezen vrij stabiel, maar het aantal mensen dat voor meer dan de helft aangewezen was op onderstand, vertienvoudigde wel. Na het hoogtepunt van de crisis in 1847 vielen deze cijfers wel enigszins terug, maar het permanent aantal ondersteunden bleef wel een stuk hoger dan vóór de crisis.
Samenvattend kan ik zeggen dat de crisis in Oudenaarde net als in de andere steden van de provincie voor een merkelijke toename van de behoeftigheid heeft gezorgd. Omdat de stad doorgaans echter een relatief kleine armlastige bevolking had, bleef de omvang van de armoede er beperkt. Indien we naar de verhoudingen binnen deze cijfers kijken, blijkt evenwel dat de crisis ervoor gezorgd had dat de armen er sterk op achteruit waren gegaan. Die achteruitgang zouden de meeste onder hen niet meer te boven komen.
Tabel 55. Behoeftigheid: aantal ondersteunden, 1839-1850[967]

Tabel 56. Behoeftigheid: hoeveelheid ondersteuning, 1839-1850; 1844-1858[968]

1.3 Oorzaken van de behoeftigheid
De volgende tabellen laten ons toe een profiel op te stellen van de behoeftige. Aan de hand daarvan is het mogelijk te achterhalen waarom men op de openbare instellingen was aangewezen.
In tabel 57 zijn de ‘oorzaken’ van behoeftigheid aangegeven. Dit zijn de redenen waarom men er niet in slaagde om voor voldoende inkomens te zorgen om in het onderhoud van zichzelf en het gezin te voorzien. Uit deze cijfers blijkt dat structurele armoede (ouderdom en invaliditeit) relatief beperkt bleef, tot zo’n 10 % van de ondersteunden. In gewone jaren was vooral de kinderlast een probleem, goed voor de helft van alle armen. Tot de crisisjaren blijkt gebrek aan werk voor weinig problemen gezorgd te hebben. De toename van het aantal armen tijdens de crisis is duidelijk het gevolg van werkloosheid. Hoe is dit te verklaren? In de eerste plaats ligt het voor de hand dat er minder werkgelegenheid is, omdat door de prijsstijgingen werkgevers niet meer in staat waren aangepaste lonen uit de betalen. Maar daarnaast is het ook mogelijk dat de bevolking die vóór de crisis nog kon rondkomen met een karig loon, dat met het mislukken van de oogsten niet meer kon. Daarom was er een groter arbeidsaanbod, terwijl de vraag naar arbeid beperkt bleef of misschien zelfs daalde. De nood aan extra inkomens en dus de werkloosheid werd daardoor groter.
In tabel 58 worden de armen opgedeeld volgens leeftijdscategorieën. Het merendeel van de armen was tussen 12 en 60 jaar oud. Dit ligt voor de hand, aangezien het de breedste categorie is. Maar ook het aantal kinderen was vrij groot: ongeveer één op drie behoeftigen was jonger dan 12 jaar. Het is in de groepen tot 60 jaar dat de belangrijkste stijging van het aantal armen plaatsvond. De bejaarden lijken niet zozeer door de crisis te zijn aangeroerd.
De belangrijkste verklaring voor de toename van het aantal armen wordt ons gegeven door tabel 59. Hier zijn de armen ingedeeld volgens de beroepen die ze uitoefenden, of minstens plachten uit te oefenen. Tevens wordt de vergelijking gemaakt met de gemiddelde Oost-Vlaamse stad. Vanzelfsprekend is deze indeling in beroepen niet sluitend en enigszins arbitrair. Zo worden er in 1846 drie categorieën ‘gecreëerd’ die voordien niet aanwezig waren. Daarnaast zijn ook kinderen in de cijfers opgenomen volgens het beroep van de ouders. Tenslotte vormt ook beroepencombinatie een probleem. Ik ga ervan uit dat de hoofdberoepen zijn aangeduid.
Uit deze gegevens blijkt een duidelijk verschil tussen Oudenaarde en de andere steden van de provincie. De belangrijkste groep armen waren dagloners. Zij vormen bijna de helft van alle ondersteunden. Andere belangrijke groepen waren er niet. Vóór de crisis vormden actieven in de linnennijverheid nog een significante minderheid, maar hun aandeel neemt af. Opmerkelijk is hierbij wel het aantal spinsters: hun aantal nam nagenoeg onafgebroken af, terwijl het aantal kantwerksters daarentegen voortdurend toenam. Men slaagde er dus misschien wel de nieuwe nijverheid met het speldekussen te introduceren, maar de beoefenaars ervan ontsnapten daarmee nog niet aan de armoede. Tijdens en na de crisis worden kantwerksters naast dagloners de belangrijkste groep, doch zij blijven een kleine minderheid. Het verschil met de andere steden is groot. De armen blijven er niet zoals in Oudenaarde beperkt tot nagenoeg één groep. De drie belangrijkste groepen zijn elders dagloners, wevers en spinsters. Ook ouderen nemen een ietwat groter aandeel in. De stijging van het aantal armen is in de gemiddelde stad voornamelijk te wijten aan behoeftige wevers. Aangezien in Oudenaarde het beoefenen van linnennijverheid tot een minderheid van de bevolking beperkt bleef, was de armoede in de stad ook kleiner.
In de cijfers blijft de meest significante groep armen, de dagloners, een verder ongedifferentieerde en niet verder omschreven beroepsgroep. Aangezien de stad geen industrieel proletariaat kende (cfr. algemeen gedeelte), kan ik enkel vermoeden dat het om een soort ambachtelijk proletariaat gaat. Dit vermoeden wordt enigszins bevestigd in een brief die de burgemeester in juni 1848 naar de gouverneur stuurde[969]. Volgens dit schrijven was de toestand van de arbeiders in de stad nog aanvaardbaar. Geen enkel atelier had de werkzaamheden moeten staken, maar verschillende hadden het wel moeilijk. Vele arbeiders waren tijdelijk werkloos[970]. Naast een aantal reeds aangeduide beroepscategorieën (timmerlui, schrijnwerkers, kleermaker, schoenmakers, metselwerkers en wevers) wijst de burgemeester ook nog op stoffeerders, grondwerkers en ongeschoolde arbeiders. Cijfers bij deze groepen worden niet gegeven, maar het is dus wel duidelijk welke groepen van ondersteunden als de voornaamste werden gepercipieerd. Twee weken later was de toestand van de arbeiders merkelijk verbeterd, omdat de werkgelegenheid was toegenomen[971].
Werkloosheid was dus de belangrijkste oorzaak van de toegenomen armoede. Daarbij ging het niet om wevers of spinsters die niet aan de nodige grondstoffen konden geraken of die hun producten niet meer konden verkopen, of om landbouwers die hun oogsten, noodzakelijk voor eigen voeding maar ook voor inkomsten (voor pachten), zagen verdwijnen. Ook niet was het een conjunctuurgevoelig industrieel proletariaat. Wel ging het om een ambachtelijk proletariaat dat, getroffen door de sterke prijsstijging, onvoldoende inkomens bij elkaar kon brengen om rond te komen. De crisis in Oudenaarde was dus niet zozeer het gevolg van achteruitgang van de linnennijverheid of verlies van oogsten als inkomen, dan wel het gevolg van prijsstijging en dalende werkgelegenheid. Het was vooral een ‘duurtecrisis’.
Tabel 57. Behoeftigheid: oorzaken van behoeftigheid, 1839-1850[972]

Tabel 58. Behoeftigheid: leeftijd van behoeftigen, 1839-1850[973]
|
Jaar (gemiddelde) |
< 6 |
6 tot 12 |
12 tot 60 |
60 tot 70 |
> 70 |
totaal |
|
1839-44 |
102,6 |
108,4 |
437,4 |
71,0 |
22,2 |
741,6 |
|
1845-47 |
153,3 |
155,7 |
672,3 |
75,3 |
24,7 |
1081,3 |
|
1848-50 |
121,3 |
135,3 |
541,3 |
63,7 |
18,3 |
880,0 |
Tabel 59. Behoeftigheid: beroepen uitgeoefend of verlaten, 1839-1850[974]

[1] Som van kleermakers; scheepstrekkers; kruiers; schoenmakers; ophalers van as en mest; timmerlui en schrijnwerkers; blekers, strijkers en schoonmaaksters (zie bijlagen voor volledig overzicht)
[2] Steden van Oost-Vlaanderen: enkel de verhoudingen zijn correct (absolute cijfers liggen tot 1849-1850 onder totalen van Jacquemyns,); i.t.t. cijfers van Oudenaarde: som van de indeling in beroepen van de armen is gelijk aan het totaal aantal armen.
Niet alleen zou de crisis voor een sterke toename van de behoeftigheid zorgen, ook de belastingsopbrengsten gingen erdoor achteruit. De belastingen werden in Oudenaarde georganiseerd in uitbesteding. Zoals in tabel 60 wordt aangetoond, gingen de opbrengsten van de belastingen in de eerste helft van de negentiende eeuw almaar omhoog, men kan zelfs spreken van een sterke stijging. Tussen 1835 en 1844 had de uitbesteding van de belastingen meer dan 26.000 fr. per jaar opgebracht, en in sommige jaren werd dit cijfers zelfs sterk overstegen. Eind 1844, wanneer de opbrengst al was opgelopen tot bijna 30.000 fr., had er opnieuw een uitbesteding plaats, voor de drie volgende jaren (1845 tot en met 1847). Deze uitbesteding werd vastgesteld op 31.350 fr. per jaar, opnieuw een sterke stijging, en men had de verwachting dit te kunnen binnenhalen. “Les temps calamiteux, dont les suites se font encore sentir”, waren op dat moment niet te voorspellen.
Tabel 60. Gemiddelde opbrengst per jaar van de gemeentebelastingen (octrooi), 1810-1844[975]
|
1810 - 1815 |
9.217,42 fr. |
|
1816 - 1829 |
17.707,50 fr |
|
1830 - 1844 |
23.446,06 fr. |
|
1835 - 1844 |
26.190,00 fr. |
|
1839 - 1841 |
28.625,00 fr. |
|
1842 - 1844 |
29.500,00 fr. |
|
1845 - 1847 |
29.064,00 fr. [26.445,34 fr.] |
Vanaf 1845 zou de consumptie van vlees in de beenhouwerijen, bier, wijn en geestrijke dranken echter sterk achteruitgaan, terwijl dat bijna de enige producten waren waarop de belastingen werden geheven. Wel dient te worden opgemerkt dat deze daling niet uitsluitend werd veroorzaakt door de werkloosheid en de algemene ellende als gevolg van de crisis, maar ook van de sterke vermindering die het garnizoen onderging in 1845. Door deze twee factoren (crisis en garnizoen) vond men het niet verwonderlijk dat de aannemers aanzienlijke verliezen hadden geleden. Zij hadden de belastingen waargenomen in 1845, 1846 en de eerste vierenhalve maanden van 1847, en dit had hen een verlies opgeleverd van 11.428,17 fr. Daarom wilden zij in mei 1847 niet meer verder doen, en vanaf 15 mei 1847 gebeurde de waarneming van de belastingen in regie onder leiding van de stad. Dit bracht de stad 16.307,93 fr. in plaats van de verwachte 19.593,75 fr., wat dus een verlies betekende van 3.285,82 fr[976].
Reeds in november 1846 vroegen de pachters van de stedelijke belasting een om een vermindering van 12.000 fr. voor de jaren 1845 en 1846[977]. Omdat waarnemers van de belastingen toch nog een groot deel van hun schuld moesten betalen (op het verlies van 11.428,17 werd hen slechts een teruggave van 3.897,42 fr. toegestaan), bedroeg de totale gemiddelde opbrengst toch nog zo’n 29.000 fr., maar indien de we verliezen hiervan aftrekken komen we op een duidelijke daling van de belastingsinkomsten: van ongeveer 29.500 naar 26.500 fr.
Niet de stad, maar vooral de winkeliers en kleine producenten zouden te lijden hebben onder deze dalende consumptie. In oktober 1846 zou er een verslag opgemaakt zijn door het college van burgemeester en schepenen waarin de daling van de inkomsten werd berekend. Het is niet duidelijk of het gaat om de inkomsten van de stad dan wel om de totale omzet van winkeliers en ambachtslui, maar gezien de bedragen moet het wel dit laatste zijn. De omzetvermindering werd geschat als volgt: op het brouwen van binnenlandse bieren 70.000 fr. minder, op het stoken van sterke dranken een vermindering van 20.000 fr.; op alle soorten vlees 30.000 fr. minder, en een vermindering van 80.000 fr. op alle eetwaren[978]. Dit moeten aanzienlijke verliezen geweest zijn. Het aantal armen bleef misschien wel beperkt, maar de inwoners voelden de duurte wel aan hun geldbeugel.
3. Ziekte en openbare gezondheid
De gevolgen van de verarming en het gebrek aan voldoende voedsel lieten niet lang op zich wachten. Volgens Post gaat een hongersnood steeds gepaard met epidemische ziektes om drie redenen: de hygiënische standaarden waren verminderd, de weerstand van de bevolking was lager ten gevolge van ondervoeding of slechte voeding, en de verspreiding van besmettelijke ziektes werd in de hand gewerkt door een migrerende bevolking op zoek naar voedsel[979]. Over hygiëne en migratie wordt verder gesproken. Dat degelijk voedsel onbereikbaar werd door prijsstijgingen, bleek hoger al. De bevolking was genoodzaakt het anders al karige voedsel van aardappelen en rogge te vervangen door rapen. Voor velen was de enige warme maaltijd slechts een bord soep. Te duur vlees werd vervangen door dat van katten, honden of ratten[980]. Ook op de markt van Oudenaarde werd het gemis aan konijnen opgevangen door steeds meer katten[981]. De oogst van rapen raakte snel op, waardoor men jonge planten begon uit te doen en op die manier de oogst aantastte[982]. Zowel midden 1846 als midden 1847 werden door de Gazette mensen opgemerkt die in de grachten van de stadsmuren naar een bepaald soort oesters zochten. Het waren waarschijnlijk vooral armen van buiten de stad (‘buitenlieden’) die tot aan hun buik of oksels in het slijk zaten om ze te halen. Soms werden de oesters door hen bereid als mosselen, maar misschien werden ze door hen ook ‘met happigheid’ rauw opgegeten. Het was volgens de armen nog een voedzame kost. Wanneer men hen zei dat het ongezond was, antwoordde men liever zo om te komen, dan langzaam en lijdzaam te sterven van honger[983].
Het gevolg hiervan was een algemene verzwakking. Vlamingen die toen door dokters werden onderzocht vertoonden een algemene futloosheid, en een speciale ziekte, de “maladie de la famine ou la maladie des Flandres[984].” Een toename van het aantal zieken bleef ook in Oudenaarde niet uit.
3.1 Toename van het aantal zieken
Tabel 61 geeft een overzicht van het aantal gevallen opgenomen in het Onze-Lieve-Vrouwziekenhuis van Oudenaarde. Hieruit blijkt een duidelijke stijging tijdens de crisisjaren, maar het is nodig deze cijfers in de juiste context te plaatsen. Ze zeggen ons niet noodzakelijk veel over de Oudenaardse bevolking. Informatie over de waarde van deze cijfers wordt ons gegeven door een brief die door dokters Vandermeersch en Tyman-Liedts in januari 1847 naar het stadsbestuur werd gestuurd[985]. Deze brief is volledig overgenomen in bijlage. Hieruit kunnen we twee dingen leren. Aan de ene kant, werden naast zieken ook mensen opgenomen die niet echt ziek waren maar wel behoeftig. Op die manier kan de stijging van het aantal zieken een compensatie vormen voor het laag aantal armen dat we hoger vaststelden. Aan de andere kant, zijn onder de zieken en anderen ook mensen opgenomen die buiten Oudenaarde woonden. Daarom kan ik het aantal zieken niet zomaar bij het aantal armen verrekenen. Bovendien gebeurde hetzelfde ongetwijfeld ook in andere steden, waardoor de cijfers vergelijkbaar blijven.
Gaan we dieper in op de cijfers, dan blijkt duidelijk dat reeds kort na het intreden van de crisis, in 1845, er een merkelijke stijging plaatshad. In 1846 liep het aantal patiënten verder op, om een maximum te bereiken in 1847. Het aantal behandelde gevallen van dat jaar was het dubbele van een gewoon jaar. Het relatief aantal mensen dat het ziekenhuis niet meer levend verliet volgt deze stijging evenwel niet, en was in 1847 zelfs vrij laag in vergelijking met andere jaren. Dit lijkt de aantijging van de voornoemde dokters, dat verschillende mensen in het ziekenhuis werden opgenomen die niet echt ziek waren, te bevestigen. De sterfte was in de hele periode 1839 - 1850 het hoogst in 1849. Ongetwijfeld heeft dit te maken met de cholera die toen in de stad heerste, waarover verder meer.
Tabel 61. Aantal personen opgenomen in het Onze-Lieve-Vrouwziekenhuis, 1839-1850[986]

3.2 Epidemieën
Op vier maart 1849 kwam François Du Bois, mosselhandelaar, uit Gent aan in Oudenaarde. Hij had diarree, maar dat belette hem niet een bezoek te brengen aan zijn schoonouders in de stad. Een half uur later moest hij echter naar het hospitaal gaan. Daar overleed hij drie dagen later. Hij was het eerste slachtoffer van de cholera-epidemie[987].
Hij zou de eerste van drie golven van cholera in de stad op gang brengen. De tweede golf volgde begin mei, wanneer Frédéric Voet, scheepstrekker uit Berchem, in het ziekenhuis moest worden opgenomen[988]. Een derde golf begon eind september. Hoe deze op gang kwam is moeilijker vast te stellen. Het lijkt er eerder op dat deze een heropleving is van de tweede, die nooit helemaal uitgedoofd was[989].
(1) Uitbreken van epidemieën in 1847 - 1849
België werd in de periode 1846 - 1849 getroffen door twee plagen, tyfus en cholera. In 1846 deed tyfus zijn intrede, maar het aantal dodelijke slachtoffers bleef toen nog beperkt. In 1847 kwam de epidemie terug, en bleef tot juli 1848. Overal waar deze ziekte heerste, was de mortaliteit zeer hoog. In Vlaanderen kwam de ziekte vooral voor in de arrondissementen waar de linnennijverheid het meest verspreid was. In Oost-Vlaanderen was dat arrondissement Gent, Oudenaarde en Aalst[990]. Op een kaart die door Jacquemyns wordt gegeven staat onder andere ‘Oudenaarde’ aangeduid als één van de “principales communes où le typhus règna[991].” Hij bedoelde allicht de omgeving van Oudenaarde, want de stad zelf bleef ervan gespaard.
Elk jaar kwamen er gevallen van tyfus voor, zo blijkt uit de jaarverslagen[992]. Dit bleven echter geïsoleerde gevallen. Van een epidemische vorm van tyfus was in 1846, 1847 of 1848 geen sprake[993]. Toch schreef de Gazette van Audenaerde in juni 1845 dat verschillende ziekten, vooral de tyfus, al verschillende weken met een bijzondere hevigheid heersten. Men bracht dit in verband met het bedorven vlees dat bij een beenhouwer werd aangeslagen[994]. Een aanwijzing voor een epidemie in Oudenaarde is dit evenwel niet. Wel was er een epidemie in Bevere. Daar behandelde dr. Cavenaille, belast met de medische dienst van het bureel van weldadigheid van Bevere, tussen 1846 en 1848 meer dan 60 mensen met de ziekte. Hij werd slachtoffer van zijn eigen toewijding, want in september 1847 werd hij zelf ziek. Tot januari 1848 moest hij daardoor zijn activiteiten staken[995]. Dokters, vooral op het platteland, konden ondanks hun inzet vaak weinig doen, omdat de ziekte dikwijls het gevolg was van ondervoeding[996].
(2) Cholera in Oudenaarde
Zoals gezegd werd de stad wel getroffen door cholera. Daarover zijn we uitvoerig gedocumenteerd. Vooreerst beschikken we over een lijst van de slachtoffers met aanduiding van naam, geslacht, leeftijd, beroep, sociale positie, woonplaats, enz[997]. Daarnaast zijn ook nog de oorspronkelijke doktersrapporten voorhanden, die nog verschillende andere aanduidingen bevatten, onder andere over de toestand van de zieke tijdens opname, aanduidingen over hun hygiëne en de toestand van hun woning[998]. Aan de hand van deze bronnen heb ik een zo volledig mogelijke lijst van de slachtoffers trachten op de stellen, die opgenomen is in bijlage.
Het eerste geval van cholera in België werd vastgesteld bij een matroos in Antwerpen op 28 oktober 1848. Na een aantal geïsoleerd gevallen in die stad leek de ziekte te zijn verdwenen, tot ze plots in januari 1849 op verschillende plaatsen tegelijk uitbrak. Pas tegen de winter van 1849 was de ziekte volledig uitgedoofd[999]. Besmetting gebeurt bij cholera door een bacterie (Vibrio cholerae), vaak via de mond door besmet drinkwater of voedsel[1000]. Braken en vooral hevige diaree zorgen ervoor dat de patiënt in snel tempo vocht verliest (15 à 20 liter per dag[1001]). De nieren gaan hierdoor slecht werken, het bloed wordt dik en de haarvaten raken niet meer doorbloed. De patiënt krijgt een blauwe kleur (vandaar dat de ziekte ook ‘blauwe dood’ wordt genoemd), de huid verliest zijn elasticiteit, een jonge patiënt lijkt enkele dagen later op een oude man of vrouw. Slechte doorbloeding van ledematen leidt tot krampen in armen en benen. De zieke kan binnen enkele dagen de dood vinden[1002].
In de hierna volgende tabellen zijn de gegevens uit de lijst met slachtoffers verwerkt. In totaal werden tussen december 1848 en oktober 1849 door de stad 127 personen als slachtoffer van cholera geregistreerd, zo blijkt uit tabel 62. Het merendeel van hen werd in het ziekenhuis behandeld. Ruim de helft van hen overleefde de ziekte niet, zo’n 55 %. Dit zijn toch slechts 11 personen op 1000 inwoners, waarmee Oudenaarde ver onder Gent en Antwerpen (21 op 1000) en Leuven (19 op 1000 bleef)[1003]. Uit tabel 63 blijken duidelijk de drie golven waarmee de ziekte toesloeg: een eerste in maart, vervolgens tussen mei en juni, en tenslotte het hevigst in september en oktober. Over het algemeen vielen de eerste slachtoffers in de lente, en bereikte de ziekte een hoogtepunt in de maanden augustus - september[1004]. In Oudenaarde slaagde men er echter in de ziekte na maart in te dijken, zodat in april geen slachtoffers meer vielen. Het drukke verkeer met andere steden dat plaatsvond zorgde er echter voor dat dit niet lang duurde.
Cholera zou vooral de allerjongsten en de ouderen (boven de 60) treffen[1005]. Dit blijkt voor Oudenaarde evenwel niet het geval geweest te zijn. Volgens tabel 64 werd vooral de leeftijdsgroep tussen 30 en 54 jaar getroffen, en daarvan vooral de vrouwen. Vooral de armen werden doorgaans door de ziekte getroffen[1006]. Dat was ook in Oudenaarde het geval. Volgens tabel 65 werd meer dan 80 % van de getroffenen als ‘arm’ aangeduid. Zij hadden bovendien minder kans om de ziekte te overleven.
Afbeelding 5 tenslotte beeldt het ruimtelijk patroon van ziekte uit. Hierop staat aangeduid welke delen van de stad in meer of mindere mate werden getroffen. Een diepgaande bespreking hiervan zal ik pas maken wanneer ik de woonsituatie in de stad onderzoek.
De cholera-epidemie heeft dus ook Oudenaarde aangedaan, en week niet van haar bekend patroon af: meer dan de helft van de slachtoffers stierf, ze sloeg vooral rond de lente en zomer toe, en de armen hadden er het meest van te vrezen. Wel lijkt ze zich niet zozeer op de allerjongsten of oudsten toegespitst te hebben. Bovendien was de intensiteit van de ziekte minder hevig als in andere steden.
Tabel 62. Cholera: aantal besmette personen[1007]
|
|
Genezen (totaal: 57) |
Overleden (totaal: 70) |
||
|
Thuis |
Hospitaal |
Thuis |
Hospitaal |
|
|
Mannen |
0 |
24 |
3 |
27 |
|
Vrouwen |
2 |
31 |
2 |
38 |
|
Totaal |
2 |
55 |
5 |
65 |
Tabel 63. Cholera: temporeel patroon[1008]
|
Periode |
Aantal gevallen |
Periode |
Aantal gevallen |
|
december |
2 |
juni |
22 |
|
januari |
1 |
juli |
9 |
|
februari |
1 |
augustus |
4 |
|
maart |
21 |
september |
30 |
|
april |
0 |
oktober |
18 |
|
mei |
19 |
Totaal |
127 |
Tabel 64. Cholera: demografisch patroon[1009]
|
|
Absoluut |
|
|
Relatief t.o.v. totaal |
|
|
|
categorie |
mannen |
vrouwen |
totaal |
mannen |
vrouwen |
totaal |
|
< 1 jr |
0 |
0 |
0 |
0,00% |
0,00% |
0,00% |
|
1 - 4 jr |
3 |
5 |
8 |
2,36% |
3,94% |
6,30% |
|
5 - 14 jr |
10 |
11 |
21 |
7,87% |
8,66% |
16,54% |
|
15 - 29 jr |
12 |
15 |
27 |
9,45% |
||