| De moeilijke jaren 1840 in Oudenaarde. Sociaal-economisch en politiek beeld van een stad tussen 1840 - 1850. Een historisch onderzoek naar het verloop van de crisis van 1845 - 1849 binnen de sociaal-economische context van Oudenaarde en de behandeling van die crisis binnen de politieke context van Oudenaarde. (Wouter Ronsijn) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
E. Landbouw in crisis
Na de sluipende verarming als gevolg van de kwijnende linnennijverheid kwam in 1845 plots en ongenadig de tweede klap die de Vlaamse economische structuren toegediend kregen. Op enkele weken tijd werd bijna de gehele aardappeloogst verwoest door een onbekende ziekte. De arme bevolking die bijna totaal afhankelijk was geworden van deze goedkope energieleverancier zou het bijzonder moeilijk krijgen, zeker wanneer het volgende jaar de graanoogst ook nog eens ver onder het gemiddelde bleef. Het gevolg was niet alleen een duurtecrisis maar een echte bevoorradings-crisis: er was onvoldoende voedsel om het dichtbevolkte platteland te laten overleven.
Maar deze klap was niet de enige moeilijkheid waarmee de landbouw te kampen had. Aangezien de dominante rurale overlevingsstructuren stilaan aan hun eigen grenzen kwamen, had het grootste deel van de plattelandsbevolking het in gewone jaren al niet breed. Om deze reden moesten de landbouwers steeds meer een beroep doen op de lijnwaadnijverheid om hun inkomsten op te vijzelen.
Omdat het belang en de toestand van de landbouw erg bepalend waren voor de impact van de crisis, volgt eerst een uitgebreide schets van de landbouw in Oudenaarde in de jaren 1840. Hoeveel mensen waren erin tewerkgesteld, hoe belangrijk was dit voor hen, en wat was ermee te verdienen? Hoe zat het met het grondbezit en de grootte van de bedrijven: waren het overwegend zelfstandige boeren met ruime bedrijven of eerder een grote groep van kleine pachters? Welke teelten waren er belangrijk en hoe productief waren zij? En is er een evolutie waarneembaar in de productiviteit en de verschillende teelten? Was vooral de veeteelt of de akkerbouw belangrijk?
Als we de algemene situatie in de landbouw kennen kunnen we de impact van de beide oogstmislukkingen beter inschatten. Hoe groot was het oogstverlies? Werd Oudenaarde meer of minder getroffen dan andere streken? Hoe werd dit door de bevolking ervaren en hoe reageerde men hierop? Het gevolg van de ontoereikende oogst was dat het weinige voedsel voor de arme bevolking onbereikbaar werd. De prijzen gingen gauw de hoogte in. In een volgende deel wordt op deze prijsstijgingen ingegaan. Waren de prijzen in Oudenaarde hoger of lager dan elders? En voor welke producten?
In het laatste deel tenslotte ga ik op zoek naar de maatregelen die werden getroffen om het oogstverlies zoveel mogelijk te compenseren. Hier ga ik op zoek naar de manier waarop getroffen landbouwers enige vorm van compensatie kregen voor het geleden verlies – indien dit al gebeurde – en naar de manier waarop men de duurte van aardappelen, graan maar bij uitbreiding ook de duurte van andere levensmiddelen trachtte in te perken. Trachtte men de prijs te doen dalen door het aanbod te vergroten?
Wanneer deze vragen beantwoord zijn kunnen we pas overgaan naar het volgende deel: de sociale gevolgen van de crisis.
1.1 Bronnenkritiek
Voor het bepalen van het belang van de landbouw in Oudenaarde beschikken we over drie belangrijke bronnen, die allemaal in bijlage zijn opgenomen:
(1) Landbouwtelling van 1834[660]: Deze gegevens over de landbouw zijn tot stand gekomen op 11 januari 1834, op hetzelfde moment als de Statistique territoriale. Men kan er dus van uitgaan dat de gegeven oppervlaktes vrij correct zijn. Oppervlaktes worden weliswaar gegeven in de oude lengtematen, alhoewel het wel degelijk om decimale cijfers gaat[661]. Men maakt hier bovendien nog gebruik van gegevens die uit 1822 dateren. Dit is in overeenstemming met wat Kint beweert, dat deze cijfers op de periode 1820/1830 slaan[662].
(2) Graantelling van 1840[663]: Deze gegevens zijn een gemiddelde, en geven dus eigenlijk de situatie van het einde van de jaren 1830. Ze werden samengesteld om inzicht te krijgen in welke mate de provincies in hun eigen graanconsumptie konden voorzien[664]. Vandaar ook dat in de laatste kolom de gemiddelde totale opbrengst gegeven is: deze gegevens zijn slechts een berekening op basis van het gemiddelde, en kunnen enkel benaderend zijn.
(3) Landbouwtelling van 1846(1)[665]: Dit is niet dé landbouwtelling van 1846. Om onduidelijkheden te vermijden zal ik hiernaar steeds verwijzen als de ‘telling van 1846(1)’. Het zijn gegevens die door de provinciale landbouwcommissie van Oost-Vlaanderen werden opgevraagd, op 23 maart 1846[666]. Drie weken later al, op 15 april 1846, stuurde het gemeentebestuur de antwoorden terug naar de commissie[667]. Veel meer dan schattingen kunnen het ook niet zijn, tijd om de gegevens te controleren was er niet. Voornamelijk betreft het granen. Aangezien de gegevens in april verzameld zijn, zijn deze nog niet beïnvloed door de slechte graanoogsten dat jaar.
Grote afwezige in dit overzicht is de vermaarde landbouwtelling van 1846. Dit omdat er een wezenlijk verschil bestaat tussen bovenstaande bronnen en de landbouwtelling. De eersten hebben allemaal betrekking op het Oudenaardse grondgebied, terwijl de landbouwtelling van 1846 gelijkaardige inlichtingen geeft, maar per landbouwer. De landbouwtelling is dan ook grotendeels de optelsom van de verschillende telformulieren die naar de hoofden van de agrarische bedrijven in de betreffende gemeente werden gestuurd. Wanneer bovenstaande bronnen ons inlichten over de Oudenaardse landbouw, licht de grote telling ons in over de Oudenaardse landbouwers. Daarom zijn deze gegevens niet onderling vergelijkbaar. De landbouwtelling zal uiteraard wel aan bod komen, en ook verder zal ze intensiever gebruikt worden.
1.2 Mensen: tewerkstelling in de landbouw
(1) Tewerkstelling
Vlaanderen was een landbouwland. Een groot deel van de grond was in cultuur gebracht, en een groot deel van de bevolking was actief op die grond[668]. Het exact bepalen van de tewerkstelling ligt echter niet voor de hand. Zo is er om te beginnen de verborgen werkloosheid. Door een gesofistikeerd vruchtwisselingssysteem en huisnijverheid kon men al te grote schommelingen in de tewerkstelling opvangen, maar toch lag in de winter het werk op de veelal akker stil. Daarbij komt ook nog de vraag naar de mate waarin activiteit in huisnijverheid als een agrarische bezigheid kan worden gezien. Wanneer deze in de loop van de jaren 1840 in de crisis zou terechtkomen die hierboven beschreven is, zouden opnieuw veel werkkrachten terug vrijkomen. De crisis die in de landbouwproductie na 1845 zou uitbreken zorgde eveneens voor heel wat werkloosheid. Tenslotte bestaan er in de landbouw verschillende vormen van tewerkstelling, waarbij een onderscheid moet worden gemaakt tussen jongeren en ouderen, en mannen en vrouwen[669]. In de zomer vulden de vrouwen de zware mannenarbeid aan, terwijl ze ’s winters sneller terugvielen op huisnijverheid[670].
Tabel 22. Tewerkstelling in landbouw, 1846[671]

Om die redenen kunnen de cijfers die in tabel 22 gegeven worden, slechts benaderend zijn. Het zijn de verhoudingen die tellen, en die zijn duidelijk. Het aantal actieven in de landbouw is bijzonder klein. Samen met knechten maken landbouwers zo’n 3,5 % van de totale bevolking uit, wat in vergelijking met de omgeving ongeveer een tiende is. Wat de dagloners betreft, zijn zij relatief niet alleen klein in aantal, ze zijn op jaarbasis ook minder lang tewerkgesteld in landbouw. Gemiddeld slechts zo’n 100 dagen, tegenover bijna 250 als arrondissementeel gemiddelde. Vrouwen komen niet zo ver onder het gemiddelde als mannen.
Landbouwers zijn in de gemeente Oudenaarde dus slechts een zeer kleine minderheid. Indien we er echter van uitgaan dat deze allemaal op de Eindries wonen (wat wellicht niet het geval was), het landelijke gedeelte van de stad, dan komen we aan andere gemiddelden. In de inleiding werd gemeld dat hier in 1835 327 personen woonden[672]. Indien we de cijfers afwegen tegenover dit gedeelte van de bevolking, dan zou meer dan 50 % van de bewoners van de Eindries met landbouw bezig zijn. Dit wijst ons opnieuw op het sterk agrarische karakter van dat gebied, maar ook op het feit dat er nog landbouwers in de stad zelf moet gewoond hebben. Dit wordt nog verder ondersteund door het feit dat op dat deel in 1835 slechts 53 huizen waren, terwijl er in 1846 95 uitbatingen waren[673].
Een ander probleem bij het bepalen van de tewerkstelling in landbouw, is seizoensmigratie. Wat Oudenaarde betreft, hadden slechts vijf of zes inwoners de gewoonte elk jaar naar Frankrijk te trekken om er te helpen met de oogst[674].
(2) Lonen
Bij het bepalen van lonen moet steeds rekening gehouden worden met een bepaalde onzekerheid. Er was een verschil tussen zomer- en winterloon, vrouwen en mannen, stukloon of niet, aanvullingen in natura e.d. Vanaf het einde van de Ancien Regime begonnen de lonen reeds te dalen, terwijl de pachtsommen aan een stijging toe waren. Vandaar dat de boeren steeds harder moesten werken om hun grond te behouden[675]. Vlasbewerking zou daarvoor echter een doodlopende straat blijken te zijn.
Tot ongeveer 1830 bleven de lonen stabiel, daarna zette zich voornamelijk in beide Vlaanderen een daling in. Deze daling was het gevolg van een overaanbod aan arbeid: mensen die de linnennijverheid de rug toekeerden zochten een inkomen in landarbeid, evenals boeren die na de landbouwcrisis van midden jaren 1845 hun eigen uitbating niet meer konden behouden en op het bedrijf van een ander tegen een laag loon een inkomen zochten[676]. Het verband tussen de achteruitgang van de linnennijverheid en de dalende lonen wordt duidelijk wanneer blijkt dat de achteruitgang voornamelijk plaatshad in de arrondissementen waar de vlasnijverheid het meest verspreid was, waaronder Oudenaarde[677].
Tabel 23 geeft de loonevolutie weer voor 1830 - 1856 voor Oudenaarde. Om een vergelijking te kunnen maken zijn hier ook cijfers opgenomen van het arrondissement, de provincie, en twee andere steden in de buurt, Geraardsbergen en Ronse. In Oudenaarde zijn de lonen lager dan in de twee andere steden. In 1830 waren ze nog lager dan het arrondissementeel en provinciaal gemiddelde, maar in 1846 was dat niet meer geval. De reden hiervoor is echter dat de gemiddelde lonen een daling hebben ondergaan, terwijl die in Oudenaarde opvallend stabiel blijven. Dit laat twijfel over de juistheid van deze gegevens. Na 1846 doet zich alsnog een opvallende daling voor, terwijl de lonen zich elders herstellen. Vooral voor vrouwen is het loon laag, zodat het bijna de helft is van het provinciaal gemiddelde. Dit moet de nasleep zijn van de crisis. Voedsel werd zo moeilijk bereikbaar dat veel dagloners al tevreden waren met een uitbetaling in voedsel waarbij een geldelijke toevoeging laag bleef[678]. De lonen bléven bovendien laag in Oudenaarde, zodat ze in 1856 nog steeds onder het niveau van 1846 zaten. Volgens het stadsbestuur was dit wel degelijk nog steeds de invloed van de crisis van midden jaren 1840. De duurte van levensmiddelen zou voor een daling van de lonen gezorgd hebben in 1849 en 1850 en volgende jaren, en deze bleef zijn invloed uitoefenen. Daardoor kon de landbouwarbeider hardere voorwaarden van zijn werkgever verwachten dan in 1844, 1845 of 1846[679].
Tabel 23. Loonevolutie (naast betaling in voedsel), in fr., 1830-1856[680]
|
Jaar |
Oudenaarde |
Arr. Ouden. |
Oost-Vlaan. |
Ronse |
Geraardsbergen |
|||||
|
M |
V |
M |
V |
M |
V |
M |
V |
M |
V |
|
|
1830 |
0,55 |
0,36 |
0,56 |
0,41 |
0,58 |
0,39 |
0,63 |
0,36 |
0,65 |
0,50 |
|
1835 |
0,55 |
0,36 |
0,52 |
0,37 |
0,57 |
0,38 |
0,63 |
0,36 |
0,65 |
0,50 |
|
1840 |
0,55 |
0,36 |
0,50 |
0,35 |
0,56 |
0,34 |
0,63 |
0,36 |
0,65 |
0,50 |
|
1846 |
0,55 |
0,36 |
0,44 |
0,31 |
0,52 |
0,35 |
0,63 |
0,36 |
0,65 |
0,50 |
|
1850 |
0,40 |
0,20 |
0,52 |
|
0,61 |
0,38 |
|
|
|
|
|
1856 |
0,50 |
0,28 |
|
|
|
|
|
|
|
|
De volgende tabellen laten ons toe deze cijfers te vergelijken met de buurgemeenten van Oudenaarde, tabel 24 voor wat mannen betreft, tabel 25 voor vrouwen. Hieruit blijkt dat in de gemeenten waar het loon deels in voedsel werd uitbetaald er geen evolutie waarneembaar is: de lonen blijven stabiel en van eenzelfde orde van grootte als in Oudenaarde. Wel vindt er een opmerkelijke evolutie plaats in de meeste gemeenten waar het loon volledig in klinkende munt werd uitbetaald. Voedsel werd meestal als deel van het loon gebruikt in die streken waar de bedrijven kleiner zijn, en er veel rogge en aardappelen werden verbouwd[681]. Dat er een dergelijk verband bestaat, wordt bevestigd door de vaststelling dat de vijf gemeenten waar de lonen hoger waren (Ename, Nederename, Volkegem, Welden, Mater) allemaal naast mekaar liggen in de rechterbovenhoek van wat nu de fusiegemeente Oudenaarde is. Terwijl de lonen elders opmerkelijk stabiel blijven, is de daling hier het meest markant. Het zijn vooral degenen die het zonder voedsel bij hun loon moesten stellen, die de prijsstijgingen het meest zouden voelen.
Tabel 24. Loonevolutie (mannen) in fr., buurgemeenten van Oudenaarde, 1830-1846[682]

Tabel 25. Loonevolutie (vrouwen) in fr., buurgemeenten van Oudenaarde, 1830-1846[683]

1.3 Grond: landbouwareaal, grondbezit, grond- en pachtprijzen
(1) Bodemgesteldheid
Oudenaarde ligt in het gebied van de leemgronden. Een tiental kilometer verder naar het noorden houden deze op, en begint de zandstreek[684]. Volgens Kint is leemgrond een taaie grondsoort, die moeilijk te bewerken is, omdat er veel inspanning is vereist bij het ploegen, omspitten en afwateren van de grond[685]. In 1846 sprak men in Oudenaarde zelf van “zwaren klyagtigen grond[686]”. Niettemin is deze bodem volgens Kint over het algemeen vruchtbaar en in staat hoogwaardige producten voort te brengen. Op leemgrond zou vooral tarwe verbouwd worden. De alluviale afzettingen van de Schelde waren daarnaast bruikbaar als hooiland[687]. Meer informatie over de kwaliteit van de gronden wordt gegeven door Eloy[688]. Een bondige weergave daarvan is opgenomen in bijlage.
(2) Landbouwareaal
Vooraleer we kunnen vaststellen welk deel van de oppervlakte die Oudenaarde innam voor de landbouw was voorbestemd, moeten we vaststellen wat nu met ‘landbouwoppervlakte’ wordt bedoeld. Ik gebruik dit woord in de brede betekenis van ‘cultuur’: niet alleen akkers (bouwland), maar ook hooiland, tuinen, weilanden, boomgaarden e.d. moeten eronder worden begrepen. Akkerbouw zal verder de meeste aandacht genieten.
Tabel 26. Verdeling grondgebruik in 1834 (absoluut in ha en relatief in %)[689]
|
Plaats |
Tot. opp. |
Bouwland [1] |
Tuingrond [2] |
Hooiland |
Boom-gaarden |
Weiland |
Totaal cultuur-areaal |
Bos |
|
Oudenaarde |
222,2274 |
44,5020 |
18,1420 |
49,6560 |
0,4980 |
3,1230 |
115,9210 |
0,4200 |
|
Eindries |
125,5753 |
41,2139 |
10,0770 |
40,7247 |
0,4250 |
2,4597 |
94,9003 |
0,4200 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Oudenaarde |
100% |
20% |
8% |
22% |
0% |
1% |
52% |
0% |
|
Eindries |
100% |
33% |
8% |
32% |
0% |
2% |
76% |
0% |
|
Arr. Ouden. |
100% |
69% |
2% |
9% |
2% |
4% |
86% |
9% |
|
Oost-Vlaand. |
100% |
70% |
2% |
7% |
2% |
3% |
84% |
10% |
[1] 44,5020 is wat in 1834 door de Statistique Territoriale wordt opgegeven als bouwland. Volgens de landbouwtelling van 1846(1) moet hier nog 10,2180 ha worden bijgeteld, gronden van de vesting die ook als akkerland worden gebruikt. Deze cijfers zijn echter vatbaar voor kritiek (zie het stuk ‘Teelten’)
[2] Tuinbouwgrond, boomkwekerijen en beplante grond (geen lusttuinen)
Uit tabel 26 blijkt dat slechts ongeveer de helft van de totale oppervlakte in cultuur werd gebracht. Oudenaarde blijft daarmee sterk onder het arrondissementeel en Oost-Vlaams gemiddelde. Maar, zoals gezegd, bestond Oudenaarde uit twee delen: een deel stad, en een deel landbouwgebied: de Eindries. Het overgrote deel van de totale belaste landbouwoppervlakte in Oudenaarde was op de Eindries gesitueerd[690]. Daarnaast lag er op de rechteroever van de Schelde (Pamele) ook nog een klein deel landbouwgrond[691]. Een en ander wordt dan ook duidelijker wanneer we alleen het landelijk gedeelte in beschouwing nemen. Op de Eindries wordt 76 % van de totale oppervlakte in cultuur gebracht. Als men weet dat 18 % van de overige oppervlakte wordt ingenomen door voornamelijk de vesting, en verder door wegen en rivieren, kan men gerust zeggen dat zo goed als alle beschikbare oppervlakte in het landelijke gedeelte van Oudenaarde voor de cultuur diende[692]. Verder bos ontginnen was zo goed als onmogelijk, braakliggende gronden kwamen niet meer voor[693].
Het is niet mogelijk de evolutie van het areaalgebruik tot 1846 te schetsen aan de hand van de landbouwtelling, zoals Kint dat deed, ook niet indien we de cijfers corrigeren. Aan de hand van kadastrale gegevens uit 1822 kunnen we wel een tendens aangeven. Kint veronderstelde voor de periode 1815 - 1834 een uitbreiding van het cultuurareaal in het arrondissement Oudenaarde, en hieronder meer dan evenredig van het bouwland[694]. Paradoxaal genoeg is in Oudenaarde het omgekeerde gebeurd. Het cultuurareaal nam sterk af, en daarvan vooral het bouwland, dat bijna halveerde. Tegelijkertijd stellen we vast dat de vestingen, die in 1822 slechts 31 are omvatten, in 1834 meer dan 66 hectare beslaan[695]. De verklaring hiervoor is dus het opmaken van de vesting, wat grotendeels ten koste van landbouwgrond lijkt gebeurd te zijn. Kint stelde ook vast dat vanaf 1830 de toename van de akkerbouwgrond verflauwde[696]. Een de facto vermindering van het cultuurareaal was het waarschijnlijk minder. Een deel van de gronden die voor de vesting waren voorbestemd, werden als akker verpacht aan landbouwers uit de omgeving[697]. Ook een oefenplein op de Eindries werd, met het daarop groeiende gras en de aanpalende kaaien, verpacht voor een termijn van drie jaar. Degene die dit huurde, kon voor eigen rekening de kaaien aan de Schelde verhuren[698].
Een andere zaak die naar voor komt, is het relatief grote aandeel hooiland. Hooiland nam zelfs meer plaats in dan akkers, en had de cultuurareaalvermindering beter doorstaan. Dit wijst er volgens Eloy op dat veeteelt erg belangrijk moet zijn geweest[699]. Kint stelt daarentegen een daling van de oppervlakte hooi- en weiland in het arrondissement Oudenaarde vast, terwijl ik van een kleine relatieve stijging moet spreken (maar absolute daling). Daarnaast neemt ook tuingrond meer plaats dan gemiddeld in.
Een vergelijking tussen de landbouwtelling van 1846 en de gegevens die in bovenstaande tabel staan, laat ons ook toe enkele conclusies te trekken over het grondbezit. De tabel toont ons dat bijna 116 ha in cultuur was gebracht in 1834. De landbouwtelling leert ons dat de totale oppervlakte van de uitbatingen en cultuurgronden 226 ha bedraagt[700], meer dan de totale oppervlakte van de gemeente. Verre van een spectaculaire groei aan te tonen, wijzen deze gegevens ons op de specifieke verschillen tussen beide soorten bronnen. De Oudenaardse boeren bewerkten wellicht inderdaad 226 ha (en gezien de onderregistratie die Kint moest vaststellen[701], wellicht nog een stuk meer dan dat), maar bijna de helft daarvan ligt buiten de gemeente Oudenaarde. De kleine Eindries is dan ook zoals Eloy het uitdrukt “een landelijk gedeelte dat in direkte relatie staat met de omliggende gemeenten[702].” Wijst dit op een ‘concentratie van landbouwbewerking’ (wat niet hetzelfde is als landbouwbezit) door de handen van de Oudenaardse landbouwersgemeenschap, waardoor de boeren te Oudenaarde meer opbrengsten binnenkregen dan de Oudenaardse gronden konden opbrengen, en dus op een relatief welvarende boerenstand? Om die vraag te beantwoorden moeten we dieper ingaan op het grondbezit en de eigendomsverhoudingen.
(3) Grondversnippering en eigendomsverhoudingen
Vlaanderen telde een groot aantal uitbatingen, die bijgevolg een kleine gemiddelde oppervlakte besloegen. Een aantal verklaringen voor de toenemende grondversnippering werden door Lis en Soly gegeven[703]. Door de uitbreiding van de textielproductie op het platteland, en de vermindering ervan in de steden, zagen stedelijke elites de kans om in grondbezit te investeren. Daardoor werden grote stukken land opgekocht. Daarnaast is er de bevolkingsgroei op het platteland, ook een gevolg van de proto-industrie. Tenslotte zorgde de verbreiding van de energierijkere aardappelteelt ervoor dat een kleinere oppervlakte volstond om voldoende voedsel te produceren.
Tabel 27. Grondversnippering: gemiddelde oppervlakte (ha) en aantal percelen per grondsoort[704]
|
Soort |
Totaal |
A (Eindries) |
B (Stadskern Oudenaarde) |
C (Pamele) |
||||
|
Gemid. opp. |
Aantal Percelen |
Gemid. opp. |
Aantal Percelen |
Gemid. opp. |
Aantal Percelen |
Gemid. opp. |
||