| De moeilijke jaren 1840 in Oudenaarde. Sociaal-economisch en politiek beeld van een stad tussen 1840 - 1850. Een historisch onderzoek naar het verloop van de crisis van 1845 - 1849 binnen de sociaal-economische context van Oudenaarde en de behandeling van die crisis binnen de politieke context van Oudenaarde. (Wouter Ronsijn) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
D Linnennijverheid in crisis
In het vorige hoofdstuk heb ik gezegd dat Oudenaarde niet meedreef op de economische hoofdstroom. Daarmee bedoelde ik vooral het proces van industrialisering, proletarisering en toenemende sociale ongelijkheid. Dit wil niet zeggen dat Oudenaarde volledig losstond van de economische structuren in Vlaanderen. Daarom bleef de stad niet gespaard van beide klappen die deze economische structuren tijdens de jaren 1840 toegediend kregen.
De eerste van deze klappen was de teloorgang van de eens zo bloeiende lijnwaadnijverheid. In de loop van de achttiende eeuw was men zich op het platteland steeds meer gaan toeleggen op het verwerken van vlas tot linnen. Het hele gezin had er een inkomen mee. Mettertijd werd dit zelfs één van de belangrijkste vormen van tewerkstelling, zodanig zelfs dat deze nijverheid eerder dan landbouw voor het grootste deel van het inkomen zorgde. Wanneer zich in Engeland andere productieprocédés ontwikkelden, die hetzelfde tegen lagere kosten op kortere tijd aan hogere kwaliteit konden maken, was het uit met de bloeiende nijverheid. Wat zich in Engeland ontwikkelde was industrie, doorgaans in verband gebracht met rokende fabrieksschoorstenen, fossiele brandstoffen, e.d. Vlaanderen daarentegen hield grotendeels vast aan zijn nijverheid, wat zich kenmerkte door zijn kleinschalig karakter en tragere productie. Nijverheid en industrie zijn daarom twee begrippen die men goed uit elkaar moet houden, ondanks het feit dat ze niet zelden door mekaar worden gebruikt. Doorheen de hele scriptie zal ik dit conceptuele onderscheid aanhouden.
In het voorgaande hoofdstuk mocht ik dan al een beeld geschetst hebben van de secundaire activiteiten in Oudenaarde, toch werd er nog niets gezegd over de linnennijverheid. Hoe belangrijk was dit als vorm van tewerkstelling in de stad? Om dit te bepalen zal ik de verschillende productiestappen moeten nagaan en onderzoeken hoe groot de tewerkstelling hierin was, en hoe belangrijk deze activiteit voor de tewerkgestelden kon zijn.
Naast tewerkstelling en inkomen droeg de vlasbewerking ook nog in grote mate bij tot de economie door de handelsstromen die deze nijverheid op gang bracht. Eerder heb ik al gewezen op het belang van handelaars en winkeliers in de stad. In dit hoofdstuk tracht ik op zoek te gaan hoe belangrijk de lijnwaadhandel was voor de stad, voor de handelaars, de winkeliers. Hoe uitte de achteruitgang van de linnennijverheid zich op de markt van Oudenaarde: wat werd er nog van verkocht, en hoeveel betaalde men er nog voor?
Tenslotte, wat deed men tegen de ontwrichting die deze achteruitgang van de nijverheid veroorzaakte? Op welke manier trachtte men de gevolgen ervan in te dijken? Dit zowel wat het belang van deze nijverheid voor werkgelegenheid betrof, als voor de handel.
Op het einde hoop ik te kunnen evalueren hoe groot de impact van deze crisis was in Oudenaarde, en in welke mate men erin slaagde de gevolgen ervan in te dijken.
1. Textiel in Oudenaarde en Vlaanderen
1.1 Historisch belang van de linnennijverheid in Oudenaarde
Weven van linnen doet men in onze streken al zo’n 2000 jaar. Een commerciële nijverheid zou echter pas ontstaan samen met de steden, op een moment dat de lakennijverheid nog overheersend was in Vlaanderen. Ook Oudenaarde past in deze ontwikkeling. Vanaf de dertiende eeuw werden vlastienden geïnd in de regio[255]. In 1401 komt het beroep ‘wever van lijnwaad’ voor het eerst voor te Oudenaarde[256]. Een Keurenboek van 1338 vermeldt er het bestaan een vlas- en linnenmarkt. Dit waren de voornaamste markten van de stad. Wanneer de garenmarkt van Lessen in 1463 wordt verplaatst naar Ath zou de Oudenaardse linnenmarkt zich volgens Sabbe tot één van de bloeiendste van Vlaanderen ontwikkelen [257]. Handelaars uit de ruime Oudenaardse regio (Welden, Oudenaarde, Brakel, Zottegem, Schorisse) waren in de vijftiende eeuw al actief op de markten van Lessen en Edingen (meer dan handelaars uit Henegouwen)[258]. Alhoewel deze handel stoelde op de sterke vlasnijverheid[259], was de bewerking van vlas te Oudenaarde zelf in de zestiende eeuw niet zo belangrijk: een beroepentelling uit 1541 geeft slechts 81 personen op als werkzaam in deze sector (op een bevolking van 8.451)[260].
Van de eerste jaren van de zestiende eeuw kende de linnennijverheid een sterke groei van de productie: een gevolg van de ontdekking van de Nieuwe Wereld en het ontstaan van de Spaans-Amerikaanse handel, die de linnennijverheid een enorme afzetmarkt bezorgden. Gestimuleerd door deze groeiende uitvoer, ontwikkelde zich het verbouwen van vlas en de linnennijverheid, ook in de kasselrij Oudenaarde. Door het ontstaan van stedelijke markten werd de linnenhandel gecentraliseerd, en kon de handel en productie daardoor geregeld worden. De export ging vooral naar Spanje. Uitvoer naar Frankrijk zou verminderen door een beginnende protectionistische politiek en opkomende Franse linnennijverheid[261]. Dat deze groei ook Oudenaarde te beurt viel, wordt aangetoond in tabel 8. In 1553 exporteerden onze gewesten 83.819 stukken lijnwaad naar Spanje, waarvan 24.666 stukken van de markt van Oudenaarde kwamen[262]. De stad kwam de godsdiensttroebelen vermoedelijk te boven als de belangrijkste lijnwaadmarkt van Vlaanderen.[263]. De omzet zou na een tijdelijke dip als gevolg van de Tachtigjarige Oorlog in 1648 zelfs meer dan 100.000 stuks bedragen. Dit was wellicht het hoogtepunt van de lijnwaadmarkt van Oudenaarde. Ook scheen de stad zich nu meer bezig te houden met de verwerking van vlas en lijnwaad. In Oudenaarde werd getwijnd en gebleekt[264]. Het Oudenaardse gebleekt linnen vertoonde gelijkenissen met het Gentse (dat het linnen beter bewaarde dan het Kortrijkse maar minder zuiver wit was). Te Oudenaarde vergde de bleektijd twee maanden voor ieder stuk[265]. In 1645 werd de productie van damast uit Rijsel ingevoerd in de stad, aangemoedigd door het magistraat. De productie ervan bleef bestaan tot in de achttiende eeuw. Daarnaast werd er grijs linnen geproduceerd (grisettes), die overvloedig op de markt werden aangeboden (een Gentse handelaar kon op één dag 700 grisettes kopen)[266].
Tabel 8. Lijnwaadmarkt Oudenaarde: verkochte stukken lijnwaad, 1545-1648[267]
1545 - 1546:.................................... 24.720
1559 - 1560:.................................... 30.720
1570:............................................... 46.000
1580:............................................... 72.800
1590:............................................... 12.800
1601:............................................... 34.200
1648:............................................. 103.900
Na het midden van de zeventiende eeuw zou de achteruitgang die Oudenaarde toen kende zich ook voordoen op vlak van de linnennijverheid. De Vlaamse linnenproductie gaat zich niettemin nog verder intensifiëren. De voornaamste afzetmarkt blijft Spanje, maar deze handel werd moeilijker. Oudenaarde ondervond zeer schadelijke gevolgen van de annexatie van de haven van Sas van Gent bij Holland en van Gravelines en Duinkerke bij Frankrijk (1645 - 1646). Na de Vrede van Munster ontstond een ongunstige handelssituatie: de Spaanse kolonies werden opengesteld voor Frankrijk, Engeland en Holland, de oorlogen van Lodewijk XIV verstoorden de zeerelaties met Spanje, uitbreiding van de linnennijverheid in Frankrijk zorgde steeds meer voor concurrentie. Het protectionisme van Frankrijk werd evenwel tenietgedaan door de opeenvolgenden bezettingen van Frankrijk van de steden die dicht bij Frankrijk lagen[268] (waaronder Oudenaarde). Wat voor Oudenaarde wellicht ook schadelijk was, was de ontwikkeling in de achttiende eeuw van de markten van Aalst en Geraardsbergen. Volgens Sabbe waren in de achttiende eeuw de oorzaken van de achteruitgang van de linnennijverheid reeds zichtbaar: de ontwikkeling van de Engelse industrie en de vooruitgang van de Franse linnennijverheid[269]. Toch bleef de Oudenaardse linnenmarkt tot ongeveer 1850 belangrijk[270]. Daarna zou Oudenaarde zich ontwikkelen tot een belangrijke markt voor landbouwproducten[271].
Tot het midden van de zeventiende eeuw was Oudenaarde dus de drukst bezochte linnenmarkt. Daarna ging het zakenleven over naar Gent[272]. Daarmee samengaand ging ook de bewerking achteruit. Alhoewel in de rest van de Zuidelijke Nederlanden de blekerij een uitbreiding nam en meer en meer concurrentie vormde voor de kwaliteit van het Hollandse gebleekt lijnwaad, nam deze activiteit in Oudenaarde daarentegen af. Niet alleen heeft dit te maken met de concurrentie van de Gentse markt, maar ook met het feit dat Franse handelaars de in Oudenaarde aangekochte stukken lieten bleken in Senlis of Lyon[273]. De ambachtstelling van 1738 noemt geen enkele blekerij meer te Oudenaarde, alhoewel het omliggende platteland een intensief linnencentrum bleef[274] (toch moeten er in de gehele achttiende eeuw blekers overgebleven zijn te Oudenaarde, zo blijkt uit rekwesten en protesten[275]). Ook van de vanouds geprezen twijnderij van Oudenaarde (naast Gent en Antwerpen) bleef in de achttiende eeuw weinig over. Terwijl in de zestiende eeuw nog druk twijn werd geëxporteerd, onderging het twijnen in de achttiende eeuw een sterke vermindering. Deze activiteit verschoof verder naar Zuid-Vlaanderen (onder andere Kortrijk), door de nabijheid van Frankrijk dat veel importeerde[276]. Toch trachtte het Oudenaardse stadsbestuur de productie aan te moedigen, onder andere door toelagen aan wevers van gestreept en gedamd linnen[277].
Over de hele periode kunnen de belangrijkste takken van de vlasbewerking (spinnen en weven) in Oudenaarde zelf niet veel hebben voorgesteld. Het was tenslotte een nijverheid met een zeer sterk landelijk karakter. Een actieve linnenmarkt als Oudenaarde telde in 1738 met moeite 10 wevers[278]. In 1789 vonden 96 mensen werk in de linnensector (op een bevolking van 3.638 in 1784)[279]. De werkelijke bijdrage van de stad in de nijverheid lag nu in de activiteiten van daar gevestigde handelaars die de producten uit de omgeving kochten[280].
Dat in de kasselrij Oudenaarde daarentegen het spinnen en weven sterkt verspreid waren, hoeft geen betoog meer. Steevast wordt de streek genoemd als één van de voornaamste linnencentra. Vier vijfde van de bevolking was er actief in de linnenproductie, die op de markt in Oudenaarde werd verhandeld[281]. In 1738 werden er in de kasselrij Oudenaarde 3.952 getouwen geteld waarmee het op de vierde plaats stond na de Oudburg van Gent (5.730), het land van Aalst (4.850) en de kasselrij Kortrijk (4.613)[282]. In 1766 werden er 5.036 geteld, voor 39.893 inwoners en 6.686 huizen[283]. Een zeer belangrijke activiteit dus. Vandaar dat Oudenaarde in de achttiende eeuw regelmatig aandrong op een uitvoerverbod op vlas[284].
1.2 Organisatie van de nijverheid: combinatie met landbouw, productie, handel
(1) Combinatie van landbouw en linnennijverheid, gezinsactiviteit
Hoe is men ertoe gekomen om naast landbouw op zo’n grote schaal ook secundaire activiteiten te ontplooien op het platteland? Ten eerste, leven op het platteland werd moeilijk, en dit om verschillende redenen. De landbouwexploitaties werden steeds kleiner, terwijl de pachten almaar stegen. De opbrengsten hiervan volstonden steeds minder om in het onderhoud van een volledig gezin te voorzien[285], en voor vele kleine landbouwers was dit bedrijf slechts een aanvulsel. Aan de andere kant waren er vele dagloners zonder een eigen bedrijf die een te laag salaris ontvingen voor een gans gezin[286]. Ten tweede, op het platteland had men te kampen met een sterk schommelend arbeidsaanbod: in de periode juni-september bestond er vaak een groot arbeidstekort bij het binnenbrengen van de oogst[287], in de winter daarentegen, het ‘dode seizoen’, bestond er vaak een arbeidsoverschot. Door die twee omstandigheden kon de linnennijverheid zich gemakkelijk verspreiden op het Vlaamse platteland. De arbeidsinzet van het ganse gezin werd hierdoor over het ganse jaar gespreid, en het loon dat men ermee verdiende liet toe het gezinsinkomen om te trekken[288]. Hierdoor kwam men echter in een spiraal terecht: hogere inkomens lieten verdere bedrijfsversnippering en hogere pachten toe, terwijl ook de bevolking kon stijgen. Met een stijgende bevolking kwamen er wel meer handen vrij, maar moesten er ook meer monden worden gevoed. Daarom werden alternatieve inkomens steeds meer noodzakelijk[289].
De enige nijverheid die toeliet gecombineerd te worden met landbouw (het werk moest kunnen stilgelegd worden wanneer de landbouw teveel mankracht vroeg) en het loon van de kleine boeren en dagloners wat kon verhogen, was de bewerking van vlas. De bevolking die er zich mee bezighield woonde dan ook grotendeels op het platteland. In de winter werd gespind en geweven, in de zomer werd op het veld gewerkt[290]. Deze inzet van de plattelander zorgde voor de snelle verrijking van de commerciële en industriële belangengroepen in de centra[291]. Het was een sector die zeer arbeidsintensief was en die de beschikbare werkkrachten (verborgen werkloosheid) op het platteland gemakkelijk wist op te slorpen. De productiviteit per tijdseenheid lag er laag. De relatieve voorspoed van de achttiende eeuw op het platteland ging dus wel gepaard met het leveren van meer prestaties[292].
De combinatie van linnennijverheid met landbouw, zoals duidelijk gemaakt, hangt niet alleen af van beschikbare arbeid, maar hangt ook nauw samen met de grootte van het bedrijf. Op kleinere bedrijven was het sterker vertegenwoordigd. Het waren vooral keuterboeren en dagloners die het bedreven. Zij pachtten of bezaten enkele tientallen aren land, waarop met inzet van alle gezinsleden de maximaal haalbare productie werd gerealiseerd. Tijdens de seizoenpieken verhuurden zij zich als dagloners aan boeren. De rest van hun arbeidscapaciteit en die van hun gezin werd met spinnen en weven ingevuld. Een groot deel van dagloners en keuters was zelfs 6 tot 9 maanden per jaar bezig met roten, braken, zwingelen, en hekelen van vlas, spinnen van garen en weven van linnen[293].
Niet dat de huisnijverheid er enkel kwam als antwoord op de verzuchtingen van het platteland. Ook voor kooplui-ondernemers opende deze vorm van tewerkstelling perspectieven. Door de zelfvoorziening op het platteland waren deze supplementaire lonen er veel lager dan in de steden, en bovendien werd men er niet gehinderd door ambachtelijke reglementeringen[294].
(2) Het productieproces
Het productieproces van vlas naar lijnwaad is complex. Toch acht ik het relevant voor dit onderwerp de verschillende stappen bondig aan te geven, op basis van het boek van Jacquemyns[295].
Eerst moest het vlas van op de akker klaar worden gemaakt voor bewerking. Daartoe werd het door de boer zelf gedroogd, geroot en gezwingeld[296]. Het ruwe vlas dat men hiermee bekwam, werd vervolgens ofwel zelf bewerkt (waarbij het gezin van de boer vaak voor de rest van het gehele productieproces instond), ofwel op de markt gebracht. Dit ruwe vlas moest worden gekamd. Veel families kamden het vlas dat ze op de markt kochten zelf. Handelaars besteedden het meestal uit aan vrouwen. Dit gekamde vlas kwam (via de markt of niet) in handen van spinsters.
Meestal waren het de vrouwen die werden ingezet om te spinnen. Zij produceerden garen, ofwel om hier in het eigen gezin mee te weven, ofwel voor een patroon, ofwel voor de markt. Daar werd het garen gekocht door wevers of handelaars, voor binnenlandse productie of voor export. Het weven van deze draad gebeurde het meest door mannen. Het weefsel diende ofwel voor eigen gebruik, ofwel kwam het in handen van een kutser of een kleinhandelaar, ofwel werd het op de markt gekocht door een groothandelaar. Handelaars lieten deze lijnwaden eerst nog passeren langs een bleker en lieten ze appreteren alvorens ze aan de consument te verkopen.
(3) Commerciële organisatie: handelskapitalisme
Handelaars speelden een belangrijke rol. Niet alleen waren ze onmisbaar om de lijnwaden aan de individuele consument te verkopen, ook speelden ze een rol in het productieproces zelf (als koopman-ondernemer). Hier wordt op beide aspecten van hun optreden ingegaan.
Linnennijverheid voor eigen consumptie binnen het gezin bleef steeds bestaan. Daarnaast kon met het productieoverschot een levendige en winstgevende handel worden georganiseerd. Hoe werd vlas, garen en lijnwaad aan de man gebracht?
Om uiteen te zetten hoe de producten werden verkocht, moeten we een onderscheid maken tussen het plaatselijke handelscircuit en het groothandelscircuit. In het eerste geval waren er twee mogelijkheden. Soms werd het afgewerkte product door de wever zelf op de markt aan de consument verkocht[297]. Daarnaast was het mogelijk dat hij zijn stukken verkocht aan een winkelier. In dorpen en steden trof men vaak meerdere dergelijke winkels aan[298]. De winkelier zorgde ervoor dat met die producten in de plaatselijke behoefte werd voorzien. Aan de andere kant was het mogelijk dat de producten in het groothandelscircuit terecht kwamen. Daar was de wever uiteraard volledig aangewezen op tussenpersonen. Opnieuw zijn er twee mogelijkheden: er waren stedelijke handelaars, die het linnen op de markt rechtstreeks van de wever aankochten, en er waren kutsers, landelijke opkopers die als schakel fungeerden tussen de producenten op het platteland en de grote opkopers in de grotere steden[299]. Vaak werden administratieve maatregelen tegen het optreden van die laatste genomen, omdat zij door buiten de markt op te treden aan de marktreglementen ontsnapten[300]. Hun optreden is wellicht één van de oorzaken van het verschuiven van de handel van Oudenaarde naar Gent: kutsers verzamelden linnen voor de Gentse markt uit verafgelegen dorpen, dat anders op de markt van onder andere Oudenaarde terecht zou komen[301].
Naast deze distributieve functie is er de tweede functie van de handelaars, handelaars als kooplui-ondernemers. Soms heeft men te maken met wevers als zelfstandig ondernemer, waarbij er een horizontale relatie bestond tussen wever en handelaar en de wever het productieproces vaak zelf beheerste van plant tot lijnwaad. In andere gevallen treedt de handelaar tevens als ondernemer op, beheerst hij het hele productieproces en is er sprake van een verticale relatie[302].
De relatie tussen handelaars en producenten wordt theoretisch opgedeeld in twee modellen. Enerzijds is er het Kaufsystem, waarin de rol van de handelaar beperkt blijft tot het leveren van grondstoffen bij de ambachtsmeester en het ophalen van het afgewerkte product. Hij heeft geen controle op het productieproces en investeert er niet in. Vanaf de zestiende eeuw gebeurt dit wel, met het ontstaan van het Verlagsystem (putting-out). De koopman wordt nu koopman-ondernemer of negociant. Hij werkt met thuisarbeiders, aan wie hij de ruwe grondstof en eventuele werktuigen levert en bij wie hij het afgewerkte product afhaalt. Deze producten laat hij afwerken door andere ondernemers en verkoopt die daarna zelf. Bij deze vorm van productie is het geïnvesteerde kapitaal zeer mobiel: de ondernemer kan gemakkelijk geld uit een bepaalde regio terugtrekken en elders investeren. Bovendien zijn de loonkosten veel lager, is de controle van de negociant veel groter en wordt de feitelijke concentratie van het productieproces in handen van één ondernemer verhuld door de ruimtelijke verspreiding[303]. Deze concentratie is één van de redenen waarom dit productiesysteem ‘proto-industrieel’ wordt genoemd.
1.3 Opkomst van de moderne textielindustrie in Oudenaarde
De belangrijkste oorzaak van de achteruitgang van de traditionele linnennijverheid is de opkomst van een systeem dat sneller en beter kon produceren, tegen een lagere prijs. Ook in België begon deze productie op gang te komen. Een uitgebreid overzicht van de ontwikkeling van de moderne industrie te Oudenaarde werd enkele jaren terug in de eindverhandeling van Guy Hoebeke gegeven. Ik beperk mij hier tot de voornaamste ontwikkelingen wat textiel betreft.
Na 1800 leek in Oudenaarde de industriële revolutie snel op gang te komen. Verschillende katoenspinnerijen en -weverijen kwamen op. De spinnerijen waren in handen van Fransen en maakten gebruik van arbeiders in Oudenaarde zelf. De weverijen daarentegen, die wat later opdoken, waren in handen van Oudenaardse families. Deze families hielden zich in deze periode enkel bezig met weven en maakten gebruik van thuiswerkers afkomstig uit het platteland, wellicht omdat ze tegelijk laken- of linnenhandelaar waren die reeds contacten hadden met wevers op het platteland[304]. Tijdens de Continentale Blokkade nam de industriële activiteit toe, maar tegen de crisisjaren 1810 en 1813 was het succesverhaal echter uit. De industrie bestond nog, maar de bloei was voorbij[305]. Slechts één katoenspinnerij bleef na het Keizerrijk in werking. Ondanks een lening van 75.000 gulden redde het bedrijf het niet. In 1819 werd het in beslag genomen, maar het kon nog doorwerken tot het in 1827 definitief de deuren moest sluiten. Waarschijnlijk waren door opeenvolgende crisisjaren (1810, 1813, 1817) de winsten onvoldoende om het machinepark te vernieuwen en kon men de concurrentie niet aan. Het enige wat in de stad overbleef waren drie ambachtelijke weverijtjes van katoenen dekens [306].
Zeker in 1843 was er een vlas- en werkspinnerij, van A. en B. Verhoost. Zij maakten gebruik van de stoommachine (14 pk) van F. Verhoost. A. en B. Verhoost waren linnenhandelaars die overschakelden op mechanisch garen omdat dit goedkoper was. Ze leverden deze producten aan thuiswevers die voor hen werkten[307]. Daarnaast werd wellicht ook een deel uitgevoerd naar Frankrijk. In 1845 zou deze fabriek 100.000 kg. garen per jaar voortbrengen (alhoewel dat cijfer wat overdreven kan zijn)[308]. In de loop van de jaren 1850 werden nog verschillende andere vlasgarenfabrieken opgericht, die een piek bereikten in 1857 zowel in aantal bedrijven als tewerkgestelde arbeiders. De belangrijkste fabrieken waren op dat moment de spinnerij van Verhoost en die van Liefmans-Delagache. Daarna ging het alleen maar bergaf in de linnenindustrie. De daling die zich in 1871 inzette, zorgde ervoor dat tegen 1896 geen enkele vlasspinnerij overbleef. Het algemeen beeld van de bedrijvigheid te Oudenaarde in het derde kwart van de negentiende eeuw geeft de indruk van een slabakkende economie[309].
Katoen, dat op dat moment ook was uitgestorven, komt met de Tweede Industriële Revolutie terug naar Oudenaarde, met de mechanische katoenweverij en garenververij van de gebroeders Gevaert, en wordt er de belangrijkste industrietak. In 1896 vonden 30 % van de tewerkgestelden er werk, in 1910 was dit al opgelopen tot 46 %[310].
2. Crisis in de linnenproductie
“Ware het in myne magt, ô wevers en spinnerssen, ik wenschte dat het nieuwjaer voor u de mogelyke verbetering te wege bragt die gy sedert zoo lang verwachtende zyt. Tranen van medelyden rollen my langst de wangen, wanneer ik in myne jeugd uwe bloeiende nyverheid beschouwde en het welvaren in uwe hardsteden zag, terwyl ik u nu, om een stuk brood zie rondzwerven, afgemergeld en in den wanhopigsten toestand. Wapent u met geduld en onderwerping: dat de Alvoorzienigheid eens uw ongelukkig lot verzachte, is de eindelyke wensch eens afgeleefden gryzaerds.[311]” (Een tachtigjarige grijsaard, 1842)
De crisis in de linnenproductie bestond erin dat deze nijverheid niet meer in staat was spinsters en wevers een voldoende inkomen te bezorgen. De lonen bleven dalen, en zeker met de levensmiddelencrisis vanaf 1845 liet dit zich voelen. In dit deel wordt nagegaan in welke mate vlas werd bewerkt van grondstof tot afgewerkt product, en in welke zin dit evolueerde tijdens de crisisjaren. Ik tracht te bepalen hoe belangrijk deze sector was voor de tewerkstelling in de stad.
2.1 Vlasteelt en -bewerking
Dit stuk zal vooral betrekking hebben op de agrariërs als onderdeel van het productieproces van linnen. Ook zij waren betrokken bij de linnencrisis als producenten van het ruwe vlas.
Tabel 9. Verbouwde oppervlakte vlas (absoluut in ha en relatief in %), 1834-1840[312]
|
|
Absoluut |
Relatief |
|
|
|
|
Oudenaarde |
Oudenaarde |
Arr. Oudenaarde [1] |
Oost-Vlaanderen [1] |
|
1834 |
2,1 |
4,72% |
7,12% |
7,03% |
|
1840 |
1 |
2,25% |
3,69% |
5,89% |
[1] De gegevens van 1840 voor het arrondissement en de provincie zijn afkomstig uit Kint, die echter de cijfers uit 1846 gebruikte. Daarom zijn deze cijfers niet helemaal vergelijkbaar, maar ze geven wel dezelfde trend aan. Waarom ik niet de cijfers van de landbouwtelling van 1846 voor Oudenaarde gebruik, wordt uiteengezet in het volgende deel over landbouw.
Hoeveel vlas werd er in Oudenaarde verbouwd? Het hoge aandeel nijverheidsgewassen was kenmerkend voor de Vlaamse landbouw, en daarvan nam vlas meer dan de helft van in[313]. Uit tabel 9 . blijkt dat dit in 1834 nog zo’n 2,1 ha zou zijn, terwijl het zes jaar later, in 1840, tot 1 ha zou teruggebracht zijn (als de cijfers betrouwbaar zijn), op een totale akkeroppervlakte van zo’n 44 ha[314]. Dit is respectievelijk 4,7 en 2,2 % van het akkerland. In de eerste plaats is dit vrij weinig in vergelijking met de rest van het arrondissement. Het arrondissement Oudenaarde behoorde echter zelf niet tot het gebied waar veel vlas werd verbouwd: het behoorde eerder tot de ‘nijvere’ kern met daarrond een teeltgebied dat voor de grondstof zorgde[315]. Ten tweede lijken de cijfers een sterke terugval aan te geven, alhoewel men in dezelfde bron van 1840 beweerde dat het verbouwen van vlas slechts 10 % zou gedaald zijn. Dezelfde evolutie doet zich echter in de ganse provincie voor, waarbij de daling het meest merkbaar was in de arrondissementen Gent en Oudenaarde[316]. Na 1840 zou de achteruitgang zich nog meer doorzetten in Vlaanderen, door prijsdalingen van het lijnwaad, stijgende invoer van afgewerkte producten en stagnerende uitvoer[317]. In 1834 bracht één hectare in Oudenaarde ongeveer 510 kg vlas voort[318], in 1840 zou één hectare 580 kg gezwingeld vlas opleveren[319].
Wat de primaire bewerking van vlas betreft, ook dat kan in Oudenaarde niet veel handen aan het werk gezet hebben. In 1840 zouden er in de gezinnen die zich voornamelijk met linnen bezighielden slechts 11 personen bezig zijn met de voorbereiding van het vlas (booten, zwingelen en hekelen)[320]. In een ongedateerd stuk (wellicht begin jaren 1840) worden slechts drie zwingelaars opgegeven[321]. Toch werd jaarlijks nog 1200 kg. vlas geroot en 5509 kg. geroot vlas gehekeld[322]. Volgens de linnenhandelaars in Oudenaarde zouden boeren zich steeds minder bezighouden met vlas[323], een evolutie die wordt bevestigd door de teeltcijfers van hierboven. De productie was volgens hen in handen gekomen van de minder gegoeden. Al bij al was de productie van vlas dus niet zo’n belangrijke activiteit in Oudenaarde. De handel in vlas was er enigszins belangrijker, maar dan ook niet zo belangrijk, zoals verder zal blijken.
2.2 Spinnen
Uit tabel 10 blijkt dat het aantal spinsters in Oudenaarde niet bijster groot was: in relatieve cijfers slechts een tiende van het arrondissementeel cijfer. Dit toont opnieuw aan dat spinnen en weven van vlas overwegend een rurale activiteit was. Bovendien moeten deze cijfers genuanceerd worden. Het aantal vrouwen dat zich met spinnen bezighield zal wel ongeveer 140 geweest hebben, maar de vrouwen die spinnen als voornaamste activiteit hadden moeten lager in aantal geweest zijn. Begin 1840 werd een lijst opgemaakt met de spinsters van Oudenaarde (opgenomen in bijlage), en deze lijst vermeldt slechts 25 namen[324]. Een overzicht van de 25 huisgezinnen die de lijnwaadnijverheid als voornaamste bezigheid hebben (opgenomen in bijlage), geeft 27 spinnewielen op[325]. Spinnen had voor Oudenaarde dus weinig belang. Bovendien lijkt het aantal spinsters nog te dalen: van 140 naar 113 in 1846. In 1846 zaten 91 van die 113 zonder werk[326]. Indien we echter het aantal spinsters dat op het landelijke gedeelte van de stad woonde (de Eindries) zouden kunnen isoleren bekwamen we allicht cijfers die dichter in de buurt zouden komen van het arrondissementeel gemiddelde.
Tabel 10. Aantal spinsters in Oudenaarde[327]
|
Plaats |
Inwoners |
Beroeps-bevolking [1] |
Spinsters |
Aandeel in bevolking |
Aandeel in beroepsbevolking |
|
|
1840 |
Oudenaarde |
5.670 |
3.402 |
140 |
2,47% |
4,12% |
|
|
Arr. Oud. |
111.723 |
67.034 |
30.410 |
27,22% |
45,37% |
|
|
Oost-Vl. |
779.466 |
467.680 |
122.226 |
15,68% |
26,13% |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Oudenaarde 1846 |
5.921 |
3.553 |
113 |
1,91% |
3,18% |
|
[1] Beroepsbevolking: berekend op 60 % van de totale bevolking (naar Jacquemyns)
Een spinster in Oudenaarde produceerde 2 kg. garen per week[328]. Zij maakte daarvoor gebruik van vlas van tweede kwaliteit, en bracht daarmee een draad voort die eveneens van tweede kwaliteit was. Het afgewerkte product werd daarna op de markt in Oudenaarde verkocht[329]. Daarmee verdiende ze rond 1840 ongeveer 0,40 fr. per dag[330].
2.3 Weven
Tabel 11 leert ons dat ook het getal wevers weinig te betekenen had in Oudenaarde. In relatieve cijfers gaat het hier slechts om een honderdste van het arrondissementeel cijfer. Het overzicht van gezinnen werkzaam in de linnennijverheid vermeldt slechts 4 weefgetouwen die gelijktijdig in werking zijn, één voor elke wever in de stad[331]. Zes jaar later was dit nog verder gedaald, naar 3 weefgetouwen voor 3 wevers[332]. Van de 4 wevers van 1840 was er slechts één die er zich intensief mee bezighield, en die evenveel produceerde als de drie andere tezamen[333]. Dit was Pieter Jan Waegebaert, die later in het kader van de linnenenquête zou worden ondervraagd[334]. In 1840 werden er per jaar 10 à 12 stuks lijnwaad geproduceerd. Dit zou overeenkomen met zo’n 840 meter per jaar. Daarvan nam Waegebaert de helft voor zijn rekening[335].
Tabel 11. Aantal wevers in Oudenaarde[336]
|
Plaats |
Inwoners |
Beroeps-bevolking [1] |
Wevers [2] |
Aandeel in bevolking |
Aandeel in beroepsbevolking |
|
|
1840 |
Oudenaarde |
5.670 |
3.402 |
4 |
0,07% |
0,12% |
|
|
Arr. Oud. |
111.723 |
67.034 |
7.592 |
6,80% |
11,33% |
|
|
Oost-Vl. |
779.466 |
467.680 |
32.718 |
4,20% |
7,00% |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Oudenaarde 1846 |
5.921 |
3.553 |
3 |
0,05% |
0,08% |
|
[1] Beroepsbevolking: berekend op 60 % van de totale bevolking (naar Jacquemyns)
[2] Het document voor 1846 vermeldt 15 wevers, maar daarvan waren er slechts 3 die lijnwaad weefden. Er waren in 1846 ook maar drie weefgetouwen voor lijnwaad in Oudenaarde, allen in werkzaamheid
Een wever verdiende in 1840 1,09 fr. per dag[337]. Allen weefden 6/4e lijnwaden, van middelmatige kwaliteit[338]. In 1846 worden zowel 6/4e als 7/4e lijnwaden vermeld, en deze zouden van middelmatige kwaliteit zijn. Voor zowel schering als inslag wordt ‘garen’ opgegeven. Daarmee bedoelt men naar ik veronderstel gewoon garen, geen mechanisch. De lengte van de lijnwaden varieerde tussen 60 en 70 meter, en was tussen 1,14 en 1,22 meter breed. Na productie boden de wevers hun lijnwaden op de markt te Oudenaarde te koop aan. De wevers maakten gebruik van het vliegend schietspoel, maar niet van stalen kammen[339]. Waegebaert verkoos het vliegend schietspoel boven een gewoon weefgetouw, omdat men hiermee meer kon produceren en een betere inslag kon geven. Het was volgens hem ‘hier’ algemeen verspreid. Van mechanisch garen beweerde hij geen weet te hebben[340].
2.4 Andere vlasbewerkingen
Eens het lijnwaad geweven was, ging het uit handen van de wever meestal naar de handelaar. Deze handelaar liet de aangekochte stukken afwerken door onderaannemers, waarna hij het doorverkocht[341]. Dergelijke bewerkingen van lijnwaden zijn het bleken en het verven, of de productie van kielen. Verder kon garen getwijnd worden.
(1) Blekerijen
Nadat het spinnen en weven was gedaan, werden de lijnwaden door handelaars opgekocht die het in blekerijen op eigen kosten lieten bleken[342]. In de inleiding hebben we