De moeilijke jaren 1840 in Oudenaarde. Sociaal-economisch en politiek beeld van een stad tussen 1840 - 1850. Een historisch onderzoek naar het verloop van de crisis van 1845 - 1849 binnen de sociaal-economische context van Oudenaarde en de behandeling van die crisis binnen de politieke context van Oudenaarde. (Wouter Ronsijn)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

C. Oudenaarde, medio 19de eeuw

 

Oudenaarde dankt zijn ontstaan in feite aan Ename, waar de keizer van het Heilig Roomse Rijk in 974 een burcht oprichtte. Ename was vermoedelijk de plaats waar de heirbaan Maastricht - Boulogne over de Schelde ging. Door die verkeersfunctie waren er voortdurend kooplui aanwezig, en vond er een zeer snelle opgang plaats. De graaf van Vlaanderen richtte op zijn beurt een burcht op om een eventuele uitval uit Ename te kunnen opvangen[2]. Daartoe koos hij een plek die niet te ver van Ename verwijderd was en waar eveneens een Scheldeovergang was[3]. Op die plek zou Oudenaarde zich ontwikkelen.

Niet dat dit daarna onmiddellijk gebeurde: aanvankelijk was Ename het groeicentrum. Maar eens de rechteroever van de Schelde bij Vlaanderen was aangehecht verloor de burcht van Ename haar nut, werd deze gesloopt en vervangen door een abdij (gesticht 1063). De handelaars, die gewend waren geraakt aan een tussenstop tussen Gent en Doornik kozen dan voor de bescherming van de burcht in Oudenaarde. Zo ontstond rond 1060 een agglomeratie voor de uitgang van de burchtbrug, aan de linkeroever van de Schelde. Aan de rechteroever ontstond Pamele, bewust gecreëerd door de heren van Pamele om de grondprijs te laten stijgen en rechten te innen[4].

In 1190 kreeg Oudenaarde geschreven recht, en daardoor de publiekrechtelijke status van stad. De bevoegdheid van de schepenbank van Oudenaarde strekte zich uit tot de Eindries (in verschillende bronnen van de negentiende eeuw komt de vermelding ‘Eindries, vrijhede dezer stad’ nog voor), maar Pamele bleef op dat moment nog een apart deel. Wel is het zo dat de toestand te Oudenaarde en te Pamele altijd nagenoeg gelijk moet geweest zijn. Vanaf de dertiende eeuw werd gelijkheid in recht en instellingen door de heren van Pamele bewust nagestreefd[5]. Volgens De Smet leek Oudenaarde aanvankelijk voorbestemd om de hoofdstad van Vlaanderen te worden[6]. De stad deed inderdaad regelmatig dienst als achtergrond bij belangrijke gebeurtenissen voor de graven van Vlaanderen. Oudenaarde was een stad van tweede grootte, die door de graven werd ingeschakeld in hun centralisatiestreven[7]. De stad werd ook een belangrijk commercieel centrum. Reeds bij van het begin bezochten handelaars de stad, maar vanaf de zestiende eeuw werd het een bloeiend nijverheidscentrum (tapijtweverij) en een commercieel verdelingscentrum van de nijvere activiteiten op het omliggende platteland[8]. De tapijtweverij werd zeer bekend en de stad deed het in deze periode zeer goed. De stad telde in de zestiende eeuw meer dan 8.000 inwoners, een cijfer dat tot het einde van de twintigste eeuw niet meer zou gehaald worden[9]. Oudenaarde kwam de godsdiensttroebelen vermoedelijk te boven als de belangrijkste lijnwaadmarkt van Vlaanderen. Daarna ging het overwicht echter over naar Gent[10].

In de zeventiende eeuw ging de stad achteruit, welke achteruitgang reeds op gang was gebracht door de godsdiensttroebelen van de zestiende eeuw[11]. Het is echter vreemd dat reeds in de expansieve zestiende eeuw de voorgeborchten van de stad niet binnen de muren werden opgenomen[12]. Vanaf het midden van de zeventiende tot midden achttiende eeuw ligt Oudenaarde herhaaldelijk op de vuurlinie tussen Frankrijk en Vlaanderen[13]. Wanneer de stad door Vauban tot een vesting werd omgebouwd, werd het omwalde stadsgebied nog verder verkleind. Nadat de stad door een beschieting van de Fransen in 1684 grotendeels werd vernield, herstelde ze zich nooit meer volledig[14]. Oudenaarde werd toen wat De Smet een “historische stad” noemde, een titel waaraan ze volgens hem weinig had[15]. Dat de stad weinig voordeel had aan haar strategische ligging, wordt nog eens aangetoond door het feit dat ze einde achttiende eeuw opnieuw wordt veroverd door de Fransen, waarna ze heroverd werd door de Oostenrijkers, om uiteindelijk in 1794 opnieuw door de Fransen te worden ingenomen[16]. Haar status van historische stad zorgde er evenwel voor dat ze onder het Franse bestuur een uitgebreide administratieve bevoegdheid kreeg. Deze werd een belangrijke bron van inkomsten voor de stad[17].

In het overzicht dat volgt tracht ik na te gaan in welke toestand de stad zich in de negentiende eeuw bevond. Daarbij heb ik aandacht voor de geografische situering van de stad, de ruimtelijke indeling van de oppervlakte en de uitbreidingsmogelijkheden. Ook de centrumfunctie moet hierbij worden behandeld. Verder ga ik op zoek naar de voornaamste economische sectoren, en de daarmee samengaande sociale samenstelling van de bevolking. Tenslotte ga ik in op de voornaamste politieke stromingen in de stad, de politieke kleur van het gemeentebestuur en de organisatie ervan.

 

 

1. Oudenaarde en omgeving in de negentiende eeuw

 

Afbeelding 1. Lithografie: markt van Oudenaarde, 1838[18]

 

1.1 Geografische situering van de stad

 

(1) Oudenaarde in Zuid-Oost-Vlaanderen, kruispunt van verbindingswegen

Oudenaarde is gelegen in de vallei van de Schelde, in het zuidwesten van Oost-Vlaanderen (zie afbeelding 2 .). Aan de rechterkant wordt deze vallei gedomineerd door de Kerzelareberg. De stad werd in de negentiende eeuw omgeven door mooie velden langs de rivier. Deze deelde (en deelt) de stad in twee delen, een zuidelijk gedeelte Pamele genaamd, en een noordelijk gedeelte met de historische stadskern Oudenaarde (een grondplan van beide delen staat in afbeelding 4). De rivier verdeelde zich in twee armen die op het einde van de stad opnieuw samenkwamen[19]. Het gedeelte van de rivier dat de stad ingaat is intussen gedicht en zijn straten geworden. Ook de loop van de Schelde zelf heeft men gewijzigd, zodat Den Ham en Smallendam zich nu op de linkeroever van de stad bevinden.

Waterwegen waren belangrijke verkeerswegen in de negentiende eeuw. Jaarlijks passeerden zo’n 4500 schepen de stad[20]. De Schelde was het ganse jaar bevaarbaar, maar van Doornik tot Oudenaarde was Oudenaarde de enige plaats waar beide oevers van de Schelde het hele jaar door vrij waren in alle richtingen. Elders zorgden overstromingen in de winter ervoor dat de oever een eind van de eigenlijke rivier kwam te liggen. Tussen Gent en Doornik was slechts één sluis en dat was die van Oudenaarde (naast de kleine sluizen op de armen van de Schelde in de stad). Wanneer het droog was of er weinig water stond, kunnen de boten die van Doornik de Schelde afvoeren geladen worden tot 135.000 kg., wanneer ze de Schelde opvoeren kon dit tot 100.000 kg. Als het water hoog stond konden boten van Doornik geladen worden tot 200.000 kg[21]. Om de rivier over te steken was er slechts één grote houten brug, die draaide op een spil in het midden van de rivier. Deze stroomovergang maakte deel uit van de grote baan van Duinkerke naar Keulen[22].

Deze weg was de belangrijkste verkeersader die Oudenaarde doorkruiste. Alle andere verbindingswegen van de omliggende steden kwamen er aan het begin en op het einde van de stad op uit in de gemeenten Bevere en Leupegem, de voorsteden van de stad Oudenaarde[23]. Andere grote wegen leidden naar Gent, Geraardsbergen, Aalst, Ronse, Doornik en Kortrijk[24]. Het meeste verkeer had plaats met Gent. Verkeer met andere plaatsen, vooral West-Vlaanderen, zou minder belangrijk geweest zijn[25]. Op deze wegen geschiedde een druk openbaar vervoer (“diligenciën”). Dagelijks vertrokken en arriveerden in Oudenaarde in totaal 32 diligenciën, onder andere van en naar Gent, Ronse, Geraardsbergen, Kortrijk, Doornik, Deinze, enz[26]. De Gazette van Audenaerde meende dat het aantal reizigers dat zich jaarlijks van Oudenaarde naar Gent begaf op 54.000 mocht geschat worden. Deze openbare rijtuigen vervoerden niet alleen personen maar ook een grote hoeveelheid goederen tussen hoofdzakelijk Oudenaarde en Gent[27].

De spoorweg tenslotte kwam in de streek van Oudenaarde vrij laat. Pas in mei 1857 had de inhuldiging van de spoorlijn Gent-Oudenaarde plaats. In 1861 werd deze verlengd tot Ronse en Saint-Ghislain. In 1870 kwam er ook de spoorweg Brussel-Kortrijk die over Oudenaarde liep[28]. Hierdoor ontstond er een kruispunt tussen een West-Oost en Noord-Zuid-lijn. Daarmee stond de stad echter nog niet in verbinding met de belangrijkste centra uit de omgeving (Geraardsbergen, Deinze, Waregem). Hiervoor was het wachten tot de aanleg van de buurtspoorwegen[29].

Grosso modo heeft Oudenaarde dus een goede verkeersligging: een belangrijke waterweg, op een kruispunt van wegen en een stroomovergang, en na het midden van de negentiende eeuw een aansluiting op het spoorwegennet. Deze gunstige omstandigheden leidden echter niet tot een industriële bloei in de stad[30].

 

(2) De gemeente Oudenaarde

De stad Oudenaarde had in 1834 een oppervlakte van zo’n 222 hectare. Dit is een vrij kleine oppervlakte. Alleen Geraardsbergen was kleiner (190 ha.). De derde kleinste stad in Oost-Vlaanderen was Dendermonde, en die had al 805 ha[31]. De oppervlakte van de gemeente werd kadastraal onderverdeeld in drie secties, Eindries, Nord (Walburga) en Midi (Pamele)[32] (zie afbeelding 4). In feite kan de stad duidelijk worden ingedeeld in twee delen: de Eindries, het plattelandsgedeelte van de stad, en de stadskern (Walburga en Pamele), die werd omringd door de vestingsgordel. De twee delen van de stadskern werden van elkaar gescheiden door de Schelde, en de stadskern zelf werd nagenoeg volledig omringd door de grachten van de vesting. Volgens de telling van 1846 woonden in Oudenaarde 5.907 mensen[33].

Het plattelandsgedeelte was met 125 ha. het grootste deel van de stad[34]. Dit gebied, de Eindries, had een zuiver landelijk karakter en behoorde niet tot de eigenlijke stad. In 1834 werden er 53 huizen aangetroffen (meestal uit de laagste klassen)[35]. Volgens het bevolkingsregister woonden hier 327 personen op 8 februari 1835[36]. Tegenover de stadsbevolking is dit zeer weinig. Wel is het zo dat op de bebouwde oppervlakte in 1834 tevens nog de fundamenten van 13 nieuwe huizen aangetroffen werden, wat Eloy doet veronderstellen dat hier stadsuitbreiding plaatsvond[37]. Verder zal dit echter worden tegengesproken. De vestingsgronden niet meegerekend kende het plattelandsgedeelte van Oudenaarde in 1834 een bevolkingsdichtheid van 307 inw./km².

De twee delen van de stadskern beslaan samen zo’n 95 ha., maar als we de vestingsgronden hiervan aftrekken blijft er slechts 45 ha. over[38]. Daarvan was de linkeroever van de Schelde, die de oude stadskern bevat, het belangrijkste woongebied. De landbouwgrond bevatte er geen akkers en praktisch uitsluitend tuinen. De rechteroever, Pamele, was in 1834 nog niet zo sterk bebouwd. De bebouwing hier moet eerder gezien worden als een stadsuitbreiding in de richting van Leupegem. Het niet voorkomen van openbare gebouwen in deze sectie ondersteunt dit vermoeden. Er kwam meer landbouwgrond voor dan in de linkeroever, en deze bestond hoofdzakelijk uit hooiland en tuinen[39]. Veel ruimte voor uitbreiding van de stadskern kan er echter niet geweest zijn door de vestingsgordel die Oudenaarde omringde. Op 8 februari 1835 zouden in de stadskern 4.843 personen gewoond hebben[40]. De vesting niet meegerekend, zorgt dit voor een hoge bevolkingsdichtheid van 10.716 inw./km². Datzelfde jaar stonden er 752 huizen[41].

Samenvattend kunnen we dus stellen dat Oudenaarde bestond uit een plattelandsgedeelte dat een relatief lage bevolkingsdichtheid had en dat, zoals we verder zullen zien, in nauw verband stond met het omliggende platteland. Daarnaast was er een sterk verstedelijkte kern, met een veel hogere bevolkingsdichtheid. De cijfers van de bevolkingsdichtheid komen dicht in de buurt van die van Aalst (11.056 inw./km² voor de stadskern, 394 inw./km² voor het plattelandsgedeelte[42]). Zoals Eloy het stelde: “Oudenaarde is dus vooral ‘stad’, in de eerste helft van de 19e eeuw evenwel binnen haar vestingen gevangen, met een landelijk gedeelte dat in directe relatie staat met de omliggende gemeenten[43].”

 

(3) Uitbreiding van de stad

Wegens de vesting was uitbreiding van de stad binnen het territorium van de gemeente enkel mogelijk in de richting van de Eindries, het plattelandsgedeelte[44]. Bestond er druk om de stad uit te breiden? Als we het verloop van de bevolkingscijfers in de negentiende eeuw (waar ik verder dieper op inga) bekijken lijkt dit op het eerste zicht niet het geval geweest te zijn (zie tabel 3). Toch waren er midden jaren veertig plannen om de stad uit te breiden in de richting van de Eindries.

Deze werden voor het eerst geuit in een lezersbrief, opgenomen in de Gazette van Audenaerde van 18 mei 1845, afkomstig van Charles Van der Straeten, aannemer van openbare werken[45]. Op moment van schrijven waren er plannen om de stad langs de kant van de Einepoort te versterken, en daarvoor was reeds een plan opgemaakt. Dit versterkingsplan had slechts betrekking op een deel van de staatsgronden die voor de vesting waren gereserveerd. De gronden die er niet meer toe werden gebruikt, konden door de staat verkocht worden, maar behielden evenwel hun statuut van vestingsgronden, waardoor ze niet bebouwd mochten worden. Daardoor zou de prijs ervan een stuk lager liggen, tussen 6.000 en 7.500 fr. per ha[46]. Het is inderdaad zo dat een deel van de gronden van de vesting werden verpacht aan landbouwers uit het omliggende[47].

Het plan van Van der Straeten bestond erin de versterkingswerken uit te voeren verder van de stadskern, op de Eindries. Daardoor zouden de vestingsgronden die op dat moment aan de stad grensden verkocht kunnen worden als gewone grond, waarop wel kon gebouwd worden, en dat tegen een prijs van 30.000 à 45.000 fr. per ha[48]. Verschillende voordelen zouden hieruit voortkomen. In de eerste plaats zou een deel van de kosten kunnen gedekt worden door de gronden tegen een dergelijke prijs te verkopen. Verder kon hierdoor het Jezuïetenplein, de Einstraat en de Kattestraat worden uitgebreid. Ook de Schelde zou hierdoor enkele honderden meters langer in de stad blijven, wat volgens de auteur ten goede ging komen aan de handel en nijverheid.

Van der Straeten twijfelde er niet aan dat binnen een jaar na de verkoop van de gronden reeds meerdere huizen op zouden staan. Hij kende namelijk verschillende mensen die het enkel aan grond ontbrak om een woning in de stad te bouwen[49].

Het plan van Van der Straeten schijnt inderdaad heel wat goedkeuring te hebben weggedragen, omdat de kapitein der genie van de stad, Casterman, die het eerste versterkingsplan van de stad had ontworpen, reeds aan een nieuw plan was begonnen dat meer in de zin was van de voorstellen van Van der Straeten (ten laatste een maand na de publicatie van de brief van Van der Straeten)[50].

 

Ongeveer rond die tijd kwam er ook het plan voor een spoorweg Oudenaarde-Gent. De vraag was echter nog waar het station zou komen. Het gerucht deed de ronde dat dit aan de Meerspoort zou zijn, op het grondgebied van Bevere. Een ongeruste lezer stuurde hierop een brief naar de Gazette van Audenaerde, met een pleidooi het station aan de andere kant van de stad in te richten, aan de Einepoort[51]. Hij bracht dit onmiddellijk in verband met het plan van Van der Straeten. Het station zou in zijn ogen dan moeten geplaatst worden op het gebied dat Van der Straeten zou willen verstedelijken, waardoor de hele stad, en opnieuw vooral de Einstraat, Kattestraat en het Jezuïetenplein er voordeel van zouden ondervinden. De arbeiders die ’s winters geen werk vonden zouden er ook mee gebaat zijn.

Begin september 1845 werd het plan voor de spoorweg Gent-Oudenaarde inderdaad aan de stad toegezonden. Dit was mede ontworpen door A. Van der Meersch, ingenieur uit Oudenaarde[52]. Vanaf dat moment komt een pleidooi op gang om deze lijn effectief tot stand te brengen. Het traject zou onderdeel vormen van de spoorweg Gent-Bergen, die langs Ath, Ronse en Oudenaarde zou passeren. Wanneer eerder de opstelling van een spoorweg van Vlaanderen naar Frankrijk plaatshad, hadden de gemeentebesturen van Oudenaarde en omliggende al veel moeite gedaan om deze lijn langs de stad te doen passeren. Echter zonder succes, want de voorrang werd gegeven aan Kortrijk[53]. De Gazette van Audenaerde wou deze nieuwe kans niet laten voorbijgaan, in gaf in twee opeenvolgende artikels het belang van Oudenaarde en omgeving aan[54]. Dit is een zeer interessant overzicht van de regio Oudenaarde. Men heeft het over het aantal inwoners, het transport, en de industrie van zowel stad als omliggende gemeenten. Omdat men echter de regio er goed wil laten uitzien, mogen we de vele cijfers die men geeft niet zomaar aanvaarden. Het zou ongepast zijn de inhoud van deze artikels hier reeds volledig weer te geven, maar te gelegener tijd zal ik er wel informatie uit overnemen. Een samenvatting van deze artikels is opgenomen in bijlage.

 

Van beide projecten, de verstedelijking van de Eindries en de aansluiting op het spoorwegennet, zou voorlopig echter niet veel in huis komen.

De spoorweg werd in 1851 goedgekeurd, maar reeds in 1854 rezen er moeilijkheden tussen de maatschappij die de spoorweg moest oprichten en de gemeenteraad, in verband met de plaats waar het station zou komen[55]. Het lijkt er dus op dat de discussie die in 1845 woedde nog steeds levendig was. Daarom besloot de minister van openbare werken in 1857 een voorlopig station op de richten in Bevere, dat snel een definitief karakter kreeg. Kort daarna kreeg ook Leupegem een station, terwijl Oudenaarde enkel kon toekijken[56]. Oudenaarde zelf zou nooit een spoorweg op zijn eigen gebied krijgen.

Ook de verstedelijking van de Eindries zou nog lang op zich laten wachten, namelijk tot na de Eerste Wereldoorlog[57]. In september 1845 verliet Casterman, die een gewijzigd plan had opgemaakt in de zin van dat van Van der Straeten, de stad. De Gazette van Audenaerde uitte nog de hoop dat zijn vertrek de uitvoering ervan niet zou verhinderen[58]. Vergeefs, zo blijkt.

 

 

Afbeelding 2. Kaart: Oudenaarde in de provincie Oost-Vlaanderen[59]

 

 

Afbeelding 3. Kaart: Oudenaarde en deelgemeenten[60]

 

 

Afbeelding 4. Kaart: stadskern Oudenaarde, rond 1820[61]

1.2 Centrumfunctie van de stad

 

Oudenaarde oefende in de negentiende eeuw een belangrijke centrumfunctie uit. Dit zowel op gebied van administratie, verzorging, handel en militie. De oorsprong van deze centrale functie ligt volgens De Smet in het feit dat Oudenaarde tussen Kortrijk, Doornik, Ath, Geraardsbergen, Aalst en Gent de enige stad was. Daarbij boden haar versterkingen een bepaalde zekerheid. Bovendien was de stad ook een bloeiende lijnwaadmarkt en in de negentiende eeuw werd ze een belangrijke landbouwmarkt[62].

Het is in de Franse periode dat Oudenaarde de hoofdplaats werd van een gerechtelijk arrondissement. Deze beslissing is van groot belang geweest voor de stad[63]. Oudenaarde werd na de Belgische omwenteling de hoofdplaats van het gelijknamige administratieve en gerechtelijke arrondissement, en van het militair en vredegerechtelijk kanton[64]. Oudenaarde was verdeeld over twee vredegerechtelijke kantons[65].

Daarnaast was de stad een belangrijk verzorgingscentrum voor de omgeving met haar grote markt en de talrijke winkels[66]. Verder had de stad ook een hospitaal en talrijke andere caritatieve instellingen, zoals we later zullen zien. Over deze caritatieve en commerciële functie wordt verder gesproken.

Tenslotte had de Oudenaarde als stad ook een culturele centrumfunctie, als centrum van communicatie en berichtgeving. In 1851 werden in de stad drie kranten uitgegeven: het “Nieuws en annoncenblad van Audenaerde”, uitgegeven door de gebroeders Bevernaege (redactie Dominique Bevernaege), verder de “Gazette van Audenaerde”, uitgegeven door Van Peteghem-Ronsse (redactie Charles Ronsse) en tenslotte “Het zondagblad van Audenaerde”, uitgegeven door Charles Devos (redactie Théophile Devos)[67].

 

Naast deze administratieve, verzorgende en commerciële centrumfunctie was Oudenaarde in de negentiende eeuw een garnizoen- en vestingsstad. Hierop wil ik wat verder ingaan, omdat dit mijns inziens een belangrijke rol heeft gespeeld in de economische ontwikkeling van de stad. Oudenaarde heeft wegens zijn strategische ligging aan de Schelde steeds een militaire functie gehad. De stad dankt haar bestaan aan de beslissing van de graaf van Vlaanderen rond het jaar 1000 om er een burcht of toren op te richten, tegenover die van het Heilig Roomse Rijk in Ename[68]. Volgens Braet kon Oudenaarde de naam stad vooral blijven dragen door de sleutelpositie die ze innam in de zuidelijke verdediging van de Zuidelijke Nederlanden[69]. Na de inname van de stad door de Fransen in 1667 maakte Vauban er een omwalde vesting van[70]. De Schelde was immers een belangrijke militaire weg tussen Doornik en Gent[71]. Deze eerste vesting werd echter na 1745, wanneer de stad alweer door de Fransen was ingenomen, opnieuw afgebroken[72].

Na Waterloo krijgt in de Nederlandse tijd Oudenaarde weerom een vesting. De stad speelde een centrale rol in de Wellingtonbarrière, die doorliep in het Noorden en zelfs in een gedeelte van Duitsland op de Rijn en de Moezel. Andere vestingssteden op de Schelde waren Gent en Dendermonde[73]. Daarnaast was Oudenaarde ook een garnizoenstad, met in de jaren 1840 ongeveer 450 soldaten (bijna 10 % van de bevolking) [74].

Later in de negentiende eeuw veranderden de technieken van oorlogvoeren, waardoor oude vestingen nutteloos werden, en de Schelde en Oudenaarde hun strategische positie verloren[75]. Daarom is men in 1859 begonnen met het afbreken van de versterkingen, en de vrijgekomen gronden werden opgekocht door grondspeculanten[76]. Aangezien het hier ging om 66 van de 222 ha. die Oudenaarde rijk was, moet dit geen gering feit geweest zijn[77]. Het garnizoen is in de stad gebleven, maar werd wel aanzienlijk verminderd[78].

 

Niet iedereen in Oudenaarde was tevreden met de vesting. Vooral de grote hoeveelheid buskruit die er lag opgestapeld baarde de bevolking zorgen. In vredestijd was er in de stad ongeveer 1.200 ton aanwezig, volgens de krant slechts op 20 meter van één van de mooiste en volkrijkste buurten van Oudenaarde. Wanneer buskruit in de stad werd vervoerd dan was het de hele tijd verboden vuur te maken in de stad. Brouwers, stokers, bakkers, en neringdoenden ondervonden hiervan veel schade. Bij sommigen was de schade zelf zo groot dat ze het verbod negeerden, en vrijwillig de boete betaalden. Wanneer de zon scheen, werd het kruit buiten te drogen gelegd.

In juli 1846 gebeurde het dat er op een zonnige dag plots een onweer uitbrak met bliksemschichten. Een grote hoeveelheid buskruit lag nog buiten, en de deur van het magazijn stond open. Door een bepaald lichteffect aan de hemel leek of het magazijn in brand stond, en in paniek verlieten de mensen de stad om op het platteland een onderkomen te zoeken[79]...

 

 

2. Economisch en sociaal profiel

 

“1°/ Il n’existe en cette ville aucun industrie qui par des procédés non susceptibles d’être exposés aurait contribué au progrès de l’industrie et mériterait à ce titre, une récompense nationale à décerner à l’occasion de l’exposition de 1841.

2°/ Que de même il n’existe ici aucun établissement qui se distingue par sa bonne organisation et principalement par l’institution de caisses de prévoyance ou de secours en faveur des ouvriers malades ou infirmes[80].”

(antwoord op brief van de gouverneur, juni 1841)

 

Sociaal-economisch zal ik een stad, zoals deze zich hebben ontwikkeld sinds ongeveer de twaalfde eeuw, als volgt trachten te definiëren: ‘een groep mensen die zich uit het platteland onttrekt, om zich bezig te houden met andere, niet-agrarische activiteiten.’ Het gaat dan voornamelijk om de productie van goederen die op het platteland niet kunnen worden geproduceerd, en de verdeling van landbouwproducten en die goederen. Deze definitie is uiteraard voor discussie vatbaar.

In dit stuk ga ik op zoek naar het economische en sociale profiel van de stad. Wat werd er gemaakt, wat werd er verhandeld, en hoe weerspiegelt deze economische basis zich in de samenstelling van de bevolking?

 

2.1 Economische activiteit in de negentiende eeuw

 

(1) Landbouw

Een beschrijving van de landbouw in Oudenaarde en de bepaling van het belang ervan komt verder, in het stuk over de landbouwcrisis. Het volstaat om hier te zeggen dat de landbouw in Oudenaarde weinig te betekenen had.

 

(2) Nijverheid en industrie

Voor wat de secundaire sector betreft, beschikken we over drie belangrijke bronnen. De eerste twee zijn overzichten van de nijverheden van 1834 en 1843[81]. De belangrijkste bron is de bekende industrietelling van 1846[82]. Verder beschikken we nog over een statistiek van de katoennijverheid van 1835 en een overzicht van fabriekseigenaars van 1843[83]. Alle stukken staan in bijlage.

Aan de volledigheid van de eerste twee bronnen mag sterk getwijfeld worden. Men was totaal afhankelijk van de medewerking van de nijveraars. Van de staat van 1843 bijvoorbeeld weet ik dat hij in juli 1843 aan Verhoost (fabrikant in Oudenaarde) werd toegestuurd, met het verzoek deze binnen de acht dagen in te vullen[84]. Een maand later werd het overzicht reeds aan de gouverneur toegestuurd[85]. Onvolledig zo blijkt, want op 16 december kwam het vervolg na[86]. Het meest volledig is de industrietelling van 1846, maar ook deze ontsnapt niet aan beperkingen. Hier is men alweer overgelaten aan de medewerking van de fabriekseigenaars. De telbrieven, die door de Gazette van Audenaerde een “nieuwe soort van patentevragen” werden genoemd, werden volgens dezelfde krant door al de neringdoende personen met tegenzin ontvangen. Weinigen van hen geloofden dat dit niet tot een belastingsverhoging zou leiden. De Gazette weigerde te geloven dat de telling overal volgens waarheid en wens van de regering zou gebeuren[87]. Waar we wel vrij zeker van mogen zijn is dat in deze laatste telling alle bedrijven zijn opgenomen (voor zover ze in de juiste categorieën ondergebracht werden), alleen de omvang van de bedrijven is waarschijnlijk onderschat.

Wat literatuur betreft beschik ik over de scriptie van Guy Hoebeke[88]. Hij maakte een overzicht van de industriële activiteit in de stad gedurende de lange negentiende eeuw.

Wat werd er in Oudenaarde geproduceerd? Volgens de industrietelling waren de belangrijkste werkgevers houtbewerkers, slotenmakers en pannenmakers, bakkers, brouwers, tabaksfabrikanten, schoenlappers, kantwerkers, wevers, spinners, kleermakers en leerlooiers[89]. De selectieve overzichten van 1834 en 1843 geven verder als nijverheden stijfselfabrieken, brouwerijen (bier en azijn), stokerijen, fabrieken van katoenen stoffen, kaarsfabrieken, zoutziederijen, enz. Echte moderne industrieën vinden we hier dus niet terug.

Hoe groot zijn deze ondernemingen? De industrietelling geeft voor Oudenaarde in totaal 268 werkgevers of zelfstandige producenten. Deze stelden 467 mensen tewerk. Rekening houdend met een lichte onderregistratie geeft dit zo’n 2 werknemers per onderneming. Hoofdzakelijk gaat het om mannen en kinderen. De meeste volwassenen verdienden tussen 1 en 1,50 fr. Wat kinderen betreft, zijn het slechts enkele uitzonderingen die meer dan 0,50 fr. per dag verdienen. De grootste concentratie aan werknemers vinden we terug in de twee kantateliers, die tezamen 96 mensen tewerk stellen. Dit zijn echter allemaal minderjarige meisjes, en zoals we verder zullen zien zijn dit eigenlijk liefdadigheidsateliers. Daarnaast is er in de vlasspinnerij (van Verhoost[90]) ook een hoge concentratie te zien, aangezien deze 30 mensen tewerk stelt. Dit is de enige echte moderne industriële onderneming in de stad, waarover verder meer. Andere takken met een hoge concentratie zijn er niet. Dat wil evenwel niet zeggen dat er geen ateliers zouden zijn die meer mensen tewerk stellen. De statistiek van 1834 geeft nog een garentwijnderij met 50 werknemers op. Al bij al mogen we echter stellen dat de meeste bedrijvigheid in de stad op kleine schaal wordt uitgevoerd.

Hoe is het gesteld met de technologische uitrusting van de bedrijven? Criteria bij uitstek om de industrialisering van een bepaalde regio in de negentiende eeuw te meten zijn het aantal spoelen en de hoeveelheid paardenkracht die de stoommachines kunnen opwekken. Dit luik wijst ons er opnieuw op dat de vlasspinnerij de enige echt industriële activiteit in de stad was. In de hele stad waren 500 spoelen actief, allemaal voor deze spinnerij[91]. Ook waren er twee stoommachines, één van 14 en één van 8 pk. Ferdinand Verhoost was de eerste om een stoommachine in de stad te introduceren, in 1832[92]. Dit was een stoommachine voor het malen van schors en meel. Ze had 8 pk, en werkte met onderdruk. Ze werd gemaakt door Cockerill in Seraign[93]. In de staat van 1843 wordt slechts één stoommachine vermeld, van 14 pk, die zowel voor de schors- en meelmolen werkte, als voor een vlasspinnerij[94]. Hoebeke veronderstelt dat het dezelfde stoommachine is, die door vlasspinners A. en B. Verhoost werd overgenomen van Ferdinand[95]. Indien we de lijst met vergunningen voor ongezonde, gevaarlijke en hinderlijke bedrijven erop naslaan, blijkt dat er in 1846 al vier stoommachines in de stad zouden moeten staan[96].

De staat van 1834 laat ons toe na te gaan wat er met deze productie gebeurt. Hieruit blijkt dat zo goed als alle productie in het binnenland bleef. Slechts één bedrijf, de garentwijnderij, legde zich toe op de export.

 

Uit dit overzicht blijkt dat de secundaire activiteiten in Oudenaarde zeer kleinschalig en divers waren, en dat deze nijverheden in nauw contact stonden met de omliggende landelijke maatschappij. Nijverheid bestond ofwel uit het verwerken van landbouwproducten (bakkers, brouwers, stokers, e.d.), ofwel uit het produceren van goederen die op het platteland niet konden worden gefabriceerd (kleermakers, schoenlappers, e.d.). Echte industrie is slechts zeer beperkt aanwezig in de vorm van een vlasspinnerij met stoommachine. Het zijn hoofdzakelijk Ancien Regime-nijverheden, en een industrieel proletariaat kan hier daarom niet bestaan.

 

Dit beeld van de nijverheden in de jaren 1840 past in de algemene evolutie van Oudenaarde na de achttiende eeuw. Nadat de laatste tapijtweverij in 1772 dicht ging bleef in de stad geen nijverheid van grote betekenis meer over. De secundaire sector was volledig ambachtelijk en was vooral afgestemd op het omliggende platteland. Oudenaarde was vooral een regionale markt en dienstencentrum geworden[97]. Met het begin van de Franse tijd kwam hierin echter verandering. Verschillende katoenspinnerijen en weverijen werden opgericht, die het echter slechts tot het einde van die periode zouden uithouden. Één hield het nog vol tot het einde van de Nederlandse periode. Deze fabrieken maakten gebruik van moderne machines, evenwel zonder stoomaandrijving[98].

Industrieel had Oudenaarde dus weinig te betekenen midden negentiende eeuw. De meeste nijverheden die de stad telde werkten uitsluitend voor de verzorging van regionale en lokale behoeften. Rond het midden van de eeuw werden wel allerlei nieuwe nijverheden geïntroduceerd, zoals kantwerk, productie van handschoenen, chemische producten, lucifers, e.d[99]. Deze gingen echter weer snel ten onder. Brouwerijen waren en bleven de belangrijkste activiteit in de stad. De andere bedrijvigheden waren kleinschalig, maar wel divers[100]. Minnaert noemde Oudenaarde in de negentiende eeuw een op zichzelf staand geheel, dat drie kwart van zijn eigen bevolking tewerk stelde, gevangen binnen de kaders van het Ancien Regime[101].

Het derde kwart van de negentiende eeuw vertoonde Oudenaarde het beeld van een slabakkende economie. Pas naar het einde van de eeuw toe, met het op gang komen van de Tweede Industriële Revolutie, kent de stad enige industriële opgang. In 1888 wordt de katoenweverij van de gebr. Gevaert opgericht. Ook komen industriëlen van buiten de stad er investeren. Rond de eeuwwisseling bereikt de katoenindustrie, de enige industrie van de stad, een hoge concentratie in tewerkstelling[102]. Van een aanzienlijke opgang van katoen in Oudenaarde kunnen we echter niet spreken. De omvang van andere bedrijfstakken was zeer gering. Het waren slechts familiebedrijven van weinig betekenis[103].

 

(3) Handel en diensten

De markt van Oudenaarde was zeer belangrijk. Deze werd elke donderdag gehouden. Verder waren er nog grotere marktdagen op de eerste donderdag van mei, de donderdag na Pinksteren, en de donderdag na de eerste zondag van september[104]. In de zestiende eeuw was Oudenaarde de grootste markt in lijnwaden van Vlaanderen[105]. In het begin van de negentiende eeuw stond ze nog op de vierde plaats van Oost-Vlaanderen[106]. In de loop van die eeuw zou het belang van de lijnwaadmarkt echter volledig verwateren, zoals ik verder zal aantonen. Nadien, in de tweede helft van de negentiende eeuw ontwikkelde de markt zich tot een belangrijke markt voor landbouwproducten. Zo werd in 1864 nog 298 ton aardappelen verhandeld, terwijl dit in 1876 al opgelopen was tot 1.032 ton[107].

Op de markt werden door de stad plaatsrechten geheven, t.t.z. deze rechten werden niet ontvangen op de markt zelf, maar in de straten en aan de stadspoorten samen met het octrooirecht, en zowel op waren voor persoonlijk verbruik als op waren die voor de markt waren bestemd. Deze praktijk gaf wekelijks aanleiding tot twisten[108]. Personen die in de stad zelf woonden hoefden op die manier eigenlijk geen plaatsrechten betalen wanneer ze goederen op de markt brachten. Om ook deze personen alsnog te doen betalen besloot de stad in november 1844 dat iedereen die kippen op de markt bracht zonder daarvoor een octrooi te hebben, 0,02 fr. plaatsrecht moest betalen. In december werd dit echter terug ingetrokken, wegens onuitvoerbaar[109].

De Oudenaardse markt had het wel moeilijk in de negentiende eeuw. In mei 1834 klaagde men dat wekelijks een groot aantal vreemdelingen hun goederen op de markt kwamen aanbieden, waartegenover de Oudenaardisten zelf een minderheid zouden vormen. Daarom werd gevraagd de plaatsrechten te verminderen, en de markt zeker niet te vergroten, opdat dit nog meer vreemdelingen zou aantrekken. Op dit verzoek werd evenwel niet ingegaan[110]. Wat vooral een probleem van de markt moet zijn geweest, waren kutsers. Niet alleen voor wat linnennijverheid betreft, maar ook voor andere producten. Daarom werden in de periode 1842 - 1843 verschillende marktreglementen aangenomen, die ik verder uitvoeriger zal bespreken[111]. Voorlopig volstaat het te zeggen dat deze hoofdzakelijk tegen deze kutsers waren gericht. Zonder succes evenwel, want in 1856 klaagde de burgemeester er nog steeds over dat personen buiten de markt in de omliggende gemeenten het voedsel gingen opkopen, om het daarna in Oudenaarde op de markt te brengen[112].

Verder werd de handel te Oudenaarde geplaagd door Engelse kooplui die producten in grote hoeveelheden kwamen opkopen en daarmee de prijs deden stijgen. Dit zal verder nog blijken.

Ook het gebruik van Franse munten speelde de koophandel in de stad parten. 90 % van de munten in omloop bestond uit Franse stukken, en het was vooral tegen het kopergeld dat klachten werden geuit. De koperen Franse munten vloeiden massaal in Oudenaarde toe, en iedereen wou er zo snel mogelijk van af geraken. Daardoor zag men in Oudenaarde bijna alleen koper in omloop[113]. Als gevolg van argwaan tegenover deze munt zouden landbouwers uit de kasselrij Oudenaarde en het land van Aalst hun graan naar Gent voeren in plaats van het in Oudenaarde op de markt te brengen, omdat ze in Gent minder risico liepen de Franse stuivers te moeten ontvangen. Ook de winkeliers hadden daardoor te lijden: de boeren deden dan ook hun andere inkopen (koffie, suiker, rijst, katoen, lakens,...) niet meer in Oudenaarde maar in Gent. Voor kutsers gold hetzelfde[114]. Rond december 1845 stond de koperen munt in Frankrijk op het punt afgeschaft te worden, waardoor men in Brussel de stukken van 0,10 en 0,05 fr. niet meer aanvaardde. In Oudenaarde hadden verschillende winkeliers het initiatief genomen om de witte Franse stuivers te weigeren[115].

 

Tabel 1. Patentplichtigen, verhouding tussen secundaire en tertiaire sector, 1815-1864[116]

Absoluut

Relatief

Secundair

Tertiar

Totaal

Secundair

Tertiar

Totaal

1815

113

152

265

42,64%

57,36%

100,00%

1817

191

263

454

42,07%

57,93%

100,00%

1822

219

263

482

45,44%

54,56%

100,00%

1828

232

285

537

43,20%

53,07%

96,28%

1830

233

296

545

42,75%

54,31%

97,06%

1837

244

308

552

44,20%

55,80%

100,00%

1843

262

336

598

43,81%

56,19%

100,00%

1850

149

360

509

29,27%

70,73%

100,00%

1857

152

346

498

30,52%

69,48%

100,00%

1864

156

346

502

31,08%

68,92%

100,00%

1871

140

328

468

29,91%

70,09%

100,00%

1880

160

378

538

29,74%

70,26%

100,00%

Opmerking: in 1828 zijn 20 patentplichtigen niet van Oudenaarde zelf, in 1830 zijn dit er 16

 

Naast de markt moeten handelaars en winkeliers ook zeer belangrijk geweest zijn. Midden twintigste eeuw was het aantal handelaars en winkeliers nog vrij groot, en was Oudenaarde van de kerk van Leupegem tot de kerk van Bevere één grote winkelstraat[117]. Toch werden de belangen van de Oudenaardse kooplui pas vanaf 1856 door een kamer van koophandel behartigd, die in 1875 opnieuw werd afgeschaft[118]. Het belang van de handel blijkt duidelijk uit de verhoudingen tussen de patentplichtigen uit de secundaire en tertiaire sectoren in tabel 1. Gedurende de hele periode 1815 - 1864 hadden handelaars het overwicht. Naarmate de eeuw vorderde liep dit nog verder op tot ongeveer 70 % van alle patentbetalers. De oorzaak hiervan is naast een lichte stijging van het aantal handelaars vooral de daling van het aantal nijveraars. Oudenaarde lijkt zich dus vooral toe te leggen op handel, om de moeizame ontwikkelingen in de industrie te compenseren.

Reden van deze bloeiende handel is onder andere de gunstige verkeersligging van de stad aan de Schelde, die in de negentiende eeuw een belangrijke verkeersader was (zie bijlage). Daarnaast moet ook gedacht worden aan de grote behoefte die er in de regio moet hebben bestaan. De omliggende plattelandsgemeenten waren namelijk relatief dicht bevolkt, wat dan wellicht weer een gevolg was van de proto-industrie.

 

Besluitend kan ik verwijzen naar twee antwoorden van de burgemeester van Oudenaarde op vragen van de gouverneur. In 1840 vroeg de gouverneur welke de belangrijkste nijverheden in de stad waren. De burgemeester antwoordde: “Négociants en toile, marchands de draps de laine, boutiques de toutes espèces, brasseries, tanneurs, marchands de vins, tonneliers, fabricants de chandelles, maçons, charpentiers, menuisiers, cordonniers, peintres en bâtiments, fabricants de couvertures de coton, serruriers, plafonneurs, cabaretiers, etc. etc[119].” In 1846 werd gevraagd met welke activiteit de arbeiders gewoonlijk een inkomen verdienden. Het antwoord luidde, voor wat mannen betreft, “de werken bij de kooplieden en fabricanten alsmede bij de meester bazen van alle slach, en wijders het arbeiden en daghuer”. Wat vrouwen aangaat, waren naaien, breien, spinnen en arbeiden de belangrijkste activiteiten[120].

Dit alles was kleinschalig, en gebeurde ofwel thuis, ofwel in ateliers. Deze activiteiten waren ook zeer divers, waardoor de stad een groot deel van zijn eigen bevolking kon tewerkstellen. Industrie noch landbouw waren er erg belangrijk. Daarnaast ontplooide de stad wel een grootschalige commerciële activiteit, maar ook die kreeg het moeilijk in de negentiende eeuw.

 

2.2 Bevolkingsverloop

 

Een belangrijke graadmeter voor de economische toestand van een bepaald gebied is het aantal mensen dat er kan wonen. Niet zozeer de absolute cijfers, maar vooral de verschuivingen doorheen de eeuwen is hierbij belangrijk. In tabel 2 . wordt deze evolutie weergegeven voor de periode 1458 - 1961, op basis van cijfers van De Muytere.

Uit de bijgaande grafiek blijkt duidelijk dat Oudenaarde zijn bloeiperiode kende in de zestiende eeuw, wanneer de stad een inwonertal van meer dan 8.000 personen bereikte. Deze bloei werd abrupt gestopt nadat de stad door Farnese werd heroverd in 1582. Hierdoor viel het inwonertal tot bijna de helft terug. Het niveau van de zestiende eeuw zou men zelfs tot diep in de twintigste eeuw niet meer bereiken. In de tweede helft van de zeventiende, en in de loop van de achttiende eeuw schrompelde de stad ineen tot een ‘onooglijk’ provinciestadje, met zo’n 4.000 inwoners[121]. Uit de telling van 1784 bleek dat de bevolking ouder dan 12 jaar voor 58,5 % uit vrouwen was samengesteld[122]. Net als in andere steden leefde in Oudenaarde in de achttiende eeuw dus een “overwegend oude, vrouwelijke en ingeweken bevolking[123]”.

 

Het specifieke verloop van de bevolking van de stad Oudenaarde in de negentiende eeuw wordt weergegeven in tabel 3. Omdat volgens Van Simaeys en De Smet de urbanisatie van de stad Oudenaarde wordt onderschat, omdat de uitbreiding van de stad hoofdzakelijk plaatsvond in Bevere, Leupegem en Edelare, zijn ook deze gemeenten in de tabel opgenomen[124]. Oudenaarde vormde volgens De Smet samen met deze drie gemeenten één geheel[125].

Als we enkel naar de stad kijken, kunnen we voor de negentiende eeuw drie periodes onderscheiden. De eerste periode gaat van het begin van de eeuw tot 1856. Hiertussen zien we een misschien wel trage maar toch volgehouden groei van de bevolking, van iets meer dan 4.000 inwoners naar 6.000. De regionale commerciële functie, het garnizoen en de gevarieerde kleinnijverheid maakten de stad volgens De Smet namelijk relatief welvarend[126]. Het derde kwart, als twee periode, toont zich als een periode van stilstand, net als de economische evolutie (cfr. supra). Dit zou volgens De Smet zijn door de ondergang van de lijnwaadnijverheid, samen met het terugtrekken van een groot deel van het garnizoen, en het uitblijven van een spoorweg[127]. De derde periode, rond de eeuwwisseling (1890 - 1910), onderscheidt zich door een merkelijke toename van de bevolking. Tijdens deze periode groeide de stad aan in de richting van Bevere (waar het station lag)[128]. Daarnaast moet ook worden gedacht aan het feit dat de stad op dat moment deel had aan de tweede Industriële Revolutie (cfr. supra).

In de eerste helft van de twintigste eeuw werd deze ontwikkeling voor een deel weer teniet gedaan. Oorzaken daarvoor zijn wellicht beide Wereldoorlogen en de crisis van de jaren dertig. In 1947 is het aantal inwoners van de stad slechts 12 % hoger dan honderd jaar eerder. Van de hele periode was 1910 het hoogtepunt met 17 % meer inwoners dan in 1846. Dit is dus slechts een zeer schuchtere groei.

Als we de stad samen met zijn omgeving in ogenschouw nemen, dan valt ook hier de trage groei op. Wel is het zo dat al de drie gemeenten waarop volgens Van Simaeys de uitbreiding van de stad zou plaatsvinden, een grotere groei kenden dan de stad. De grootste groei wordt bereikt door Edelare, dat evenwel de kleinste in inwonertal blijft.

 

Tabel 2. Bevolkingsevolutie, stad Oudenaarde, 1458-1961[129]

Opmerking: geen continue interval tussen de opeenvolgende jaartallen; 1609: slechts een schatting

 

 

Tabel 3. Bevolkingsevolutie, Oudenaarde en omgeving (absoluut en relatief), 1800-1947[130]