| De opstand in Vlaanderen van 1323 tot 1328 vanuit Iepers perspectief. Bijdrage tot de beeldvorming van een middeleeuwse stad. (Sarah Smolders) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
1. Inleiding
Reeds eerder werd de Ieperse schepenbank bestudeerd[831]. In het onderzoek dat volgt zal de aandacht niet uitgaan naar de ontwikkeling van de Ieperse schepenbank noch naar de verschillende bevoegdheden van deze. Het ligt ook niet in onze bedoeling om de aanverwante instellingen zoals de raad, de voogd van de wezen, de schatbewaarders en de hospitaalvoogden naar hun taak en functie te onderzoeken[832]. Er zal ook geen studie van ‘het patriciaat’ gebeuren.
In de optiek van de opstand die leidde tot een machtswissel tijdens de zomer van 1325 zal het onderzoek zich toespitsen op deze gebeurtenis en de evolutie achteraf. Zo zullen we nagaan wie er van het vroegere patriciaat werd verbannen en wie niet. Om te kunnen bepalen wie hiertoe behoorde zullen we steunen op de resultaten van het onderzoek dat Fecheyr en Matthys voerden. Voor het bestuur tussen 1325/26 tot en met 1328/29 zal er voornamelijk een poging worden gedaan de economische achtergrond van de nieuwe schepenen, raadslieden en stadspensionarissen te reconstrueren. Daarbij zullen enkele mensen apart besproken worden die een opvallende rol speelden in het opstandig bestuur, en na de opstand er nog in slaagden hun carrière verder uit te bouwen. De reden voor het aanblijven van enkele opstandige schepenen zullen we proberen te achterhalen. Had deze te maken met hun verworven macht en aanzien tijdens de opstand? Was deze familiegebonden of eerder persoonsgebonden? Is er uiteindelijk een verschil te maken tussen radicale en gematigde opstandige schepenen? Ten laatste gaan we in op het bestuur nà de opstand. We zullen daarbij opmerken dat de normalisatie zich zeer langzaam voltrok, en dat het bestuur verdeeld was tussen patricische en volkse schepenen.
Bij de bespreking van de verschillende personen, zullen we zeer weinig toelichting geven in voetnoot over de vindplaats van informatie. Deze inlichtingen zijn immers allen verwerkt in de prosopografische lijst in bijlage. Bij deze lijst werd telkens de bron vermeld. We verwijzen dan ook hiernaar.
A. De magistraat vóór de opstand: 1320-1325
Tussen 1320 en 1325 bekleedden 21 verschillende personen 60 schepenzetels.

Tabel 19: de Ieperse schepenen tussen 1320 en 1325
Het beeld dat deze schepenen geven is vrij traditioneel patricisch. Twaalf van de 21 behoorden tot de 30 families die tussen 1250 en 1280 de magistraat domineerden[833], nl: Bardonc, Belle, Biezebout, Croeselin, Damman (li Amman), Falais, Morin, Paeldinck (Anguille), Peper (Poivre), Vierdinck (Fierton) en de Vroede (Li Sage). Twee schepenen van de 21 behoorden tot een familie die nà 1280 opnieuw in de magistraat verscheen[834] nl: van den Akkere (des Champs) en Broederlam. Nog twee anderen behoorden tot een familie die reeds vooraanstaand was in de dertiende eeuw, maar toen nog niet deelnam aan het bestuur van de stad[835] nl: van Houtkerke en Scorboet. Ze verschenen slechts na de moord op enkele schepenen in 1303 in het bestuur van de stad. De naam van Houtkerke dook vanaf het jaar 1305/06 op in de schepenbank en bleef er een vaste waarde. De naam Scorboet verscheen er pas vanaf 1308/09, om ook niet meer te verdwijnen[836]. De familie van Haringhe stond reeds op het einde van de dertiende eeuw bekend als wolhandelaren op Boston[837]. Willem van Haringhe verscheen vanaf 1306/07 regelmatig in het bestuur van de stad. Voor deze zestien personen is het dus helemaal niet ongewoon dat we hen tijdens deze vijf jaren terugvinden in het bestuur van de stad Ieper.
Nu blijven er nog vier personen over die niet tot de families behoren die reeds in de dertiende eeuw de toplaag van de bevolking uitmaakten, en over wie bijgevolg niet veel achtergrondinformatie werd teruggevonden. Deze personen zijn: Jan van den Clite, Michiel Lievin, Jan Luux en Jan van Moorslede. Jan van Moorslede is terug te vinden in de schepenbank vanaf het jaar 1308/09[838], maar de familie was in de dertiende eeuw nog van geen betekenis. Op het einde van de dertiende en het begin van de veertiende eeuw zijn er aanwijzingen dat de familie lakenondernemer of lakenhandelaar was[839]. Voor de drie overige personen is geen enkele relevante informatie teruggevonden die dateert van vóór 1320.
De schepenlijsten van families die Bonaert opmaakte[840], geven tegenstrijdige informatie met onze bevindingen. De familie van den Clite zou volgens hem slechts tussen 1383 en 1408 in de schepenbank hebben gezeten. De familie Lievin situeert hij tussen 1320 en 1325. Dit kan kloppen, ware het niet dat Michiel Lievin nog minstens tot en met 1329 schepen zal zijn. Voor de familie Luux geeft hij de jaren 1317 tot 1326 op. Dit zou kunnen kloppen, voor de jaren tussen 1314 en 1320 hebben we immers geen betrouwbare en gedetailleerde schepenlijst ter beschikking. Het is echter zeker dat deze drie families nieuw waren. Tot 1314 kwamen ze niet in de schepenbank voor[841]. De drie personen die we hier leren kennen, kunnen dan ook als homines novi beschouwd worden. Zoals zal blijken heeft dit gevolgen voor de jaren van het opstandig bestuur en erna.
Als we al deze gegevens voor de schepenbank tussen 1320 en 1325 in statistische cijfers omzetten bekomen we het volgende resultaat.
|
|
Lid v/d 30 |
Nà 1280 |
Nà 1303, al rijk in 13E |
Nà 1303, homines novi |
|
Aantal personen |
12 |
2 |
3 |
4 |
|
% op 21 personen en 60 zetels |
57% |
9,5% |
14,5% |
19% |
Tabel 20: procentuele bezetting van de schepenzetels tussen 1320 en 1325
Het is duidelijk dat het traditionele patriciaat van de 30 nog altijd een meerderheid had van zevenenvijftig procent De groep die duidelijk op de tweede plaats komt zijn de homines novi die nà de schepenmoord in 1303-1304 zich een toegang tot de hoogste regionen van het bestuur hadden verschaft. Nà de nederlaag van de opstandelingen in 1328, zullen we een zelfde berekening uitvoeren voor de bezetting van het bestuur in de stad.
B. De patricische ballingen van juni 1325
In de uitgave van de Ieperse stadsrekeningen werden er vier aparte briefs weergegeven in verband met de administratie van de goederen van de ballingen. De eerste brief hoort bij de inkomsten van het tweede trimester van het administratief jaar 1325/26. Dit is de enige lijst waarin een onderscheid werd gemaakt tussen verbannen patriciërs die wethouders waren en anderen die geen wethouders waren. De lijst ziet er als volgt uit.

Tabel 21: verbannen patriciërs volgens de SR
Deze opsomming laat zien dat het onderscheid persoonsgebonden was. Bijvoorbeeld Frans, Lambert en Michiel Belle werden als wethouders beschouwd, maar Jan en Salomon Belle niet. De drie eersten zijn in de jaren voorafgaand aan de opstand in het bestuur van de stad te vinden. Frans en Lambert waren schepen, Michiel was ‘slechts’ schatbewaarder in het jaar 1323/24.
De personen die beschouwd werden als zijnde geen wethouder hadden een verschillende achtergrond. Ofwel waren ze familie van schepenen, zoals hierboven aangetoond. Ofwel kwamen ze uit een familie die in de dertiende eeuw de schepenbank domineerde, zoals Willem Ackaert en Hendrik van Torhout. De families Ackaert en van Torhout behoorden tot de dertig die tussen 1250 en 1280 het bestuur van de stad in handen hadden[842]. Ofwel behoorden ze tot een familie die nooit een rol van betekenis in het dagelijkse bestuur van de stad speelde. Voorbeelden hiervan zijn Frans van Joengi en Jan Crauwers. Hieruit zouden we kunnen afleiden dat er nog altijd een deel van het ‘patriciaat’ was, dat zich niet inliet met het bestuur van de stad.
De volgende drie briefs van de administratie van de goederen van de ballingen wijken lichtjes af van de eerste. Niet iedereen wordt opnieuw vernoemd en er komen twee namen bij: “Grutere” en Jan Hangeman. We verwijzen naar de bijlagen voor een volledig overzicht van de vier briefs en hun vergelijking. Vermoedelijk heeft het weglaten van sommige personen in de volgende briefs niet veel met een eventuele terugkeer van de personen naar de stad te maken. Christiaan Damman bijvoorbeeld, wordt niet meer vermeld vanaf het jaar 1327-1328, maar we zien hem op geen enkele manier verschijnen in de stadsrekeningen. Wellicht moet het meer geweten worden aan de beperkte opbrengsten van de roerende en onroerende goederen van deze personen, dat een administratie van deze niet meer nodig was.
C. Verbannen en niet verbannen schepenen
Als we de magistraat tussen 1320/21 en 1324/25 vergelijken met de lijst van de ballingen komen we tot volgende beeld.
|
schepenen 1320/21-1324/25 |
verbannen |
niet
verbannen |
niet verbannen functie behouden |
status in de magistraat[843] |
|
Andries van den Akkere |
Andries van den Akkere |
|
|
opnieuw nà 1280 |
|
Jan Bardonc |
Jacob Bardonc |
|
|
lid van de 30 |
|
Frans Belle |
Frans Belle |
|
|
lid van de 30 |
|
Lambert Belle |
Lambert Belle |
|
|
lid van de 30 |
|
Jan Biezebout |
Jan Biezebout |
|
|
lid van de 30 |
|
Andries Broederlam |
Andries Broederlam |
|
|
opnieuw nà 1280 |
|
Jan van den Clite |
|
|
Jan van den Clite |
|
|
Wouter Croeselin |
|
Wouter Croeselin |
|
lid van de 30 |
|
Christiaan Damman |
Christiaan Damman |
|
|
lid van de 30 |
|
Jan Falais |
|
Jan Falais |
|
lid van de 30 |
|
Wouter van Haringhe |
Wouter van Haringhe |
|
|
vanaf 1303/04 (derde aanstelling) |
|
Jacob van Houtkerke |
Jacob van Houtkerke |
|
|
in 13E
niet in mag. wel bel. familie |
|
Michiel Lievin |
|
|
Michiel Lievin |
|
|
Jan Luux |
|
|
Jan Luux |
|
|
Jan van Moorslede |
|
|
Jan van Moorslede |
vanaf 1308/09 in mag. |
|
Jacob Morin |
Jacob Morin |
|
|
lid van de 30 |
|
Pieter Paeldinck |
|
Pieter Paeldinck |
|
lid van de 30 |
|
Pieter Peper |
Pieter Peper |
|
|
lid van de 30 |
|
Nicolaas Scorboet |
|
Nicolaas Scorboet |
|
in 13E niet in mag.
wel
bel. familie |
|
Pieter Vierdinck |
|
|
Pieter Vierdinck |
lid van de 30 |
|
Nicasis de Vroede |
|
|
Nicasis de Vroede |
lid van de 30 |
Tabel 22: verbannen en niet verbannen patricische schepenen in 1325
Van de 21 schepenen zijn er twaalf die het moesten ontgelden. Vier van de 21 waren niet terug te vinden in de lijst van de ballingen, noch in de jaren van het volkse bestuur. Het motief tot een mildere behandeling is niet eenduidig te interpreteren, te meer omdat allen behoorden tot een vooraanstaande familie. Wouter Croeselin, Jan Falais en Pieter Paeldinck behoorden tot families die in de dertiende eeuw het bestuur van de stad in handen hadden. Wat maakte hen verschillend van de Belles en Morins? Redenen hiertoe worden nergens in de stadsrekeningen aangegeven.
Echter, belangrijker zijn de schepenen die hun functie tijdens het volkse bestuur hebben kunnen behouden. Voor Jan van den Clite, Michiel Lievin en Jan Luux is hiertoe al impliciet een reden gegeven. Reeds eerder werd geopperd dat zij homines novi van de laatste 5 à 10 jaar waren. Dit wordt onrechtstreeks bevestigd door hun niet verbanning. Het is dan ook sprekend dat over hen geen bijkomende informatie werd gevonden. Jan van Moorslede zat reeds sinds 1308/09 in de magistraat. We zouden ervan uit kunnen gaan dat hij zich nog niet met ‘het patriciaat’ had gecompromitteerd en nog beschouwd werd, of zichzelf beschouwde, als lid van het gewone volk. Op het eerste zicht lijkt het aanblijven van Nicasis de Vroede een contaminatie. De familie de Vroede was al sinds de dertiende eeuw een vooraanstaand patricisch geslacht, de familie was ook één van de dertig die tussen 1250 en 1280 het bestuur van de stad in handen had. Er kan echter een hypothese geformuleerd worden als reden voor zijn aanblijven. In vorig hoofdstuk werd er opgemerkt dat Nicasis de Vroede in 1326/27 ongeveer negen maanden te Avignon verbleef[844]. Buiten deze reis werd hij slechts vier maal als gezant in Vlaanderen uitgestuurd. Jan van den Clite was 49 keer gezant tussen de jaren 1325 en 1328, en Michiel Lievin acht keer. Het zou dus kunnen zijn dat Nicasis de Vroede een noodzakelijk element was voor het volkse bestuur, inzake vredesonderhandelingen. Vermoedelijk had men iemand nodig die zijn gewicht in de schaal kon leggen en reeds de procedures van onderhandelingen voeren kende. Met andere woorden, men kon hem ‘gebruiken’.
Er is één persoon waarbij het niet duidelijk is of hij zijn functie heeft kunnen behouden in het volkse bestuur nl. Pieter Vierdinck. Van de familie Vierdinck, Fierton, werd er niemand verbannen; Michiel Vierdinck was zelfs schatbewaarder en raadslid in het eerste jaar van het opstandige bestuur nl. 1325/26. Pieter Vierdinck werd éénmaal in een akte van gracieuze rechtspraak vermeld in september 1325[845]. Hij werd echter niet in de loonlijst van de schepenen vermeld[846]. Er kan dus aan getwijfeld worden of hij schepen was in het jaar 1325/26. Maar dit neemt niet weg dat de familie Vierdinck niet werd verbannen en dat Michiel een rol speelde tijdens het eerste jaar van de opstand.
D. De stadspensionarissen
Naast de schepenen, werden ook de stadspensionarissen deels vervangen. Er is een onderscheid te maken tussen de verschillende pensionarissen. Zo waren er die men “meester” noemde. Dezen waren voornamelijk de klerken. Met andere woorden zij konden lezen en schrijven. Er werden ook telkens een aantal mensen betaald, die vaak in het Pardekin als bode voorkwamen. Tenslotte kregen verschillende personen vergoedingen om de stad proper te houden, hieronder werden bijvoorbeeld ook de pijpmeesters gerekend.
Bij de meesters en de bodes werden de meeste mensen aan de kant geschoven, maar niet allemaal. Jan de Bourlike, stadsklerk, bleef in dienst. In vorig hoofdstuk werd al duidelijk dat hij een rol speelde zowel voor als tijdens de opstand. “Meesters” die geweerd werden waren: Simon Vairet, George Lescot, Jan de Clerk, Gervais de Cupre, Bertelmieu du Bruce en Diederik Elye[847].
De personen die voornamelijk als bode bekend stonden, konden blijkbaar op nogal wat gratie rekenen. Degenen die geweerd werden waren: Lambert Huonszone, Jan van Aarde, Jan van Marc en Jakob de Witte. We vermoeden dat de twee eerstgenoemde personen samen met de patriciërs de vlucht hadden genomen. Bij de pointinghen voor de nieuwe vesten werden niet zijzelf maar hun vrouwen genoemd. Dit gebeurde in dezelfde opsomming waar ook de vrouwen van de gekende patriciërs in voorkwamen[848]. De volgende personen bleven salaris van de stad ontvangen: Jan Gherboud, Nicolaas de Hoghe, Willem van Quoille, Jan de Boom, Diederik van der Pijpe, Lippin Canevel en Paskin Lam. De heelmeester Jan Yperman en Cateline Yperman bleven eveneens aan tijdens de opstand.
Er is zo goed als geen logica in de verwijderingen te vinden. Want waarom mochten bijvoorbeeld Christiaan Hanewas en Jan de Bourlike wel aanblijven en George Lescot niet? In vorig hoofdstuk kwam naar voren dat deze drie regelmatig de stad vertegenwoordigden op reizen doorheen Vlaanderen. Jan de Bourlike was zelfs de vertegenwoordiger van Ieper in Engeland tijdens verschillende onderhandelingen. Het lijkt wel dat men er liever enkele “buitenzwierde”, vanuit een principe, maar dat men er ook nog enkele hield omdat het nieuwe bestuur ook nog geletterden nodig had.
Inzake de “werklieden” die een salaris van de stad kregen treden er bijna geen veranderingen op. De drie pijpmeesters bleven in dienst samen met de verschillende mensen die de Lakenhalle en de straten proper hielden. Slechts twee personen kregen geen salaris meer onder het nieuwe bestuur: Pieter van den Scipleet en Gapere. Van de eerste is de taak niet gekend, de tweede was wachter op het belfort samen met Sleipstoc. Deze Sleipstoc bleef dus wel behouden en kreeg er een andere maat bij[849].
Het is duidelijk dat de meeste slachtoffers in de hogere rangen vielen. Het is echter ook opvallend dat er een heel deel in dienst bleven. Is dit enkel te verklaren door nood aan geletterden? Het is ook nog altijd een vraag wat het verschil was tussen, bijvoorbeeld, Jan van Aarde, die niet bleef en Jan de Boom, die wel bleef.? Was het een familiale kwestie of een persoonlijke? Het antwoord op deze vragen blijven de stadsrekeningen ons schuldig. En wat had Gapere op zijn kerfstok dat Sleipstoc niet had? Had hij misschien de klokken geluid ter waarschuwing voor het bestuur toen het gemeen te wapen liep? Jammer genoeg moet dit alles giswerk blijven.
3. Het bestuur vanaf de zomer van 1325 tot en met het werkjaar 1328/29
A. De schepenverkiezing van 1325
Het is niet helemaal duidelijk wanneer de nieuwe schepenen werden verkozen: onmiddellijk nà de verbanning van de patriciërs rond 13 à 15 juni, of pas op 24 augustus, de traditionele datum. De moeilijkheid wordt vergroot omdat er geen akten van gracieuze rechtspraak zijn teruggevonden die dateren van tussen 13 juni en 24 augustus 1325. Er zijn echter meer aanwijzingen in de richting van 24 augustus.
Uit vorig hoofdstuk weten we dat de patriciërs tussen 13 en 15 juni uit de stad werden verjaagd; Michiel Vierdinck (! patriciër) nam de functie van schatbewaarder over van Lambert Belle en Jan Biezebout[850]. Hiermee is echter nog niet het bewijs geleverd dat er ook al nieuwe schepenen werden aangesteld. Verdere aanwijzingen voor deze datum zijn er niet. Er zijn meer aanduidingen in de stadsrekeningen dat de nieuwe schepenen op de traditionele datum werden verkozen. Ten eerste werd er op 24 augustus een derde, en laatste, trimester begonnen, terwijl dit niet de gewoonte was onder het patricisch bestuur. Men liet de rekeningen toen gewoon doorlopen tot ongeveer 1 november.
Ten tweede zijn er in de rekening van het Pardekin meer overtuigende bewijzen te vinden. Op 29 juni werden Jan Luux, Willem van Schoten, Jan de Moolnare en Pieter Filtin voor een reis uitbetaald. Er werd expliciet in vermeld dat Jan Luux een salaris kreeg voor deze reis en de anderen reden à luer despens[851]. Jan Luux was tot schepen verkozen op 24 augustus 1324, en was raadslid in 1325/26 volgens de brief du salaire[852]. Willem van Schoten noch Jan van Moolnare waren actief in het bestuur van de stad vóór de opstand. Willem van Schoten werd wel raadslid in 1325/26. Het verschil in status tussen van Schoten en Luux zat hem in het feit dat Luux al schepen was sinds 1324. Bij de betalingen van 6 juli 1325 werd een zelfde vaststelling gemaakt. Jan van den Clite, Christiaan Hanewas, Willem van Schoten en Hendrik de Rike werden voor een reis naar Brugge betaald[853]. De eerste twee kregen een salaris: zij zaten zowel in 1324/25 als in 1325/26 in het bestuur van de stad, hetzij als schepen hetzij als stadsklerk. De twee laatsten reden weer mee op eigen kosten. Zij waren pas vanaf 1325/26 in het bestuur van de stad.
Uit deze argumenten kunnen we afleiden dat het nieuwe bestuur pas op 24 augustus 1325 werd verkozen. Maar dat neem niet weg dat de volgende schepenen reeds een vooraanstaande rol speelden tussen 15 juni en 24 augustus 1325. Hendrik de Rike, Baudri Pille en Willem Boidin waren al mee in gezantschappen, terwijl ze in augustus tot schepen zullen verkozen worden. Hetzelfde gold voor Willem Noidin en Willem van Schoten, zij werden raadsheer in augustus 1325. Enkele van de serjanten die met het leger naar Gent trokken[854] rond 29 juni 1325 werden ook tot schepen of raadsheer verkozen: Jacob van der Markt en Paskin Vogelin. Eén van de serjanten was Denis Wildegans. Hem zullen we verder in de opstandige jaren niet meer tegenkomen. In het jaar 1331/32 zal hij tot schepen verkozen worden.
B. De schepenen van de opstandige jaren
Tijdens de jaren 1325/26, 1326/27 en 1327/28 was het ambt van de schepen, raadsheer en stadsvoogd bezoldigd[855]. Net zoals de stadspensionarissen werd de magistraat vier maal per jaar een zelfde bedrag uitbetaald. Men noemde dit vierendelen. De stadsvoogd kreeg 4 keer 12,5 lb., de schepenen 10 lb. en de raadsheren 7,5 lb. Dit waren bestaande tarieven. Er bestonden ook hogere en lagere. Christiaan Hanewas’ vierendeel was 30 lb., Jan de Bourlikes 12,5 lb. Het vierendeel van 7,5 lb. kwam o.a. de Engelse meester, meester Michiel Coopman en Paskin Zuanekin toe. Een Lippin Canevel en Jan Taispil[856] hadden een vierendeel van 5 lb. Het vierendeel van 10 lb. kwam niet veel voor. Buiten de schepenen kregen enkel Pieter Gommaere en Daniel Pauwelin dit uitbetaald. Dit alles betekende dat de schepenen, raadslieden en voogd meer kregen dan de lagere stadspensionarissen en minder dan de hogere lonen van de belangrijke stadsklerken.
De opstandelingen leverden vier keer schepenen voor het dagelijks bestuur van de stad nl. op 24 augustus 1325, 1326, 1327 en 1328. Op deze vier jaar tijd bekleedden 27 verschillende personen het ambt. Zij behoorden tot 27 verschillende families. Tijdens de vier jaren vóór de opstand waren 21 schepenen verdeeld over 20 families. Dit waren de verkiezingen van 1321, 1322, 1323 en 1324. De schepenbank van 1320/21 kan er echter bijgenomen worden, want de personen van dit jaar kwamen allen terug in één van de volgende jaren. We hebben dus 21 patricische schepenen op vijf jaar tegenover 27 volkse schepenen op vier jaar. Dit is een eerste, zij het niet overduidelijke, aanduiding dat het bestuur opener en democratischer was. Men rekruteerde de nieuwe schepenen niet vier jaar lang uit dezelfde families.
Voor enkele mensen van het nieuwe bestuur hebben we hun functie vóór de opstand kunnen achterhalen. Er werd al eerder vastgesteld dat vijf personen reeds aan het bestuur van de stad deelnamen. We moeten er misschien wel de nadruk op leggen dat juist die mensen, waarover zo goed als niets geweten is, aanbleven als schepen tijdens de opstand. Van de nieuwe schepenen werd er slechts over één persoon informatie rond zijn beroep vóór de opstand gevonden nl. Jacob van der Markt. In de jaren 1310 tot 1313 was hij hoofdman van de draperie. Hij was bijgevolg werkzaam in de textielnijverheid als kleine ondernemer. Tijdens de opstand zal hij ook serjant zijn bij de militie naar Gent en die naar Deinze[857].
Over een aantal mensen komen we slechts tijdens de jaren van de opstand, of erna, iets te weten over hun beroepsmatige activiteiten. Dit is het geval voor de persoon van Willem Boidin. In de brief van de openbare werken werd er, tijdens de opstand, regelmatig turf aangekocht bij een Willem Boidin. We kunnen er evenwel niet helemaal zeker van zijn dat het hier om één en dezelfde persoon gaat. Waarschijnlijk was de schepen Willem Boidin dus handelaar in o.a. turf. We hebben hem op geen enkele manier kunnen linken aan de textielnijverheid. Willem van Nieuwkerke was raadslid in 1326/27 en in 1327/28. Hij werd pas in het jaar 1328 tot schepen verkozen. In de jaren 1326/27 en 1327/28 kreeg hij een vergoeding als deken van het weefambacht. Het is mogelijk dat hij reeds vóór de opstand tot het weefambacht behoorde. Hem kunnen we dus wel aan de textielnijverheid verbinden. Hetzelfde gold voor Jacob van Zillebeke. In het jaar 1325/26, niet lang na de machtsovername, werd hij in de stadsrekeningen aangeduid als deken van de vollers. Opnieuw kunnen we ervan uitgaan dat hij reeds voor de opstand tot de vollers behoorde. Er waren nog drie schepenen die zeker met de textielnijverheid betrokken waren. Baudri Pille en Paskin Vogelin werden in het begin van 1326 betaald voor lakens die van hen gekocht werden. Deze lakens waren voor de serjanten in de militie naar Gent tijdens de vorige zomer. Een pittig detail misschien: beiden waren zelf serjant in die militie. Tenslotte is er nog enkel Willem Wasscaert waarover we weten dat hij wever was. Hij was de enige schepen van het opstandig bestuur die deel uitmaakte van de gijzelaars die de stad aan de koning moest leveren in 1328.
|
Schepenen 1325/26 – 1328/29 |
schepen vóór 1325 |
status |
|
Willem Ameide |
|
|
|
Willem Boidin |
|
handelaar |
|
Michiel Brun |
|
|
|
Christiaan de Cardemakere |
|
|
|
Jan van den Clite |
Jan van den Clite |
|
|
Michiel Lievin |
Michiel Lievin |
|
|
Jan Luux |
Jan Luux |
|
|
Jacob van der Markt |
|
drapier |
|
Jan van Moolnare |
|
|
|
Jan van Moorslede |
Jan van Moorslede |
|
|
Salomon Nachtegale |
|
|
|
Willem van Nieuwkerke |
|
wever |
|
Willem Noidin |
|
|
|
Jan Pauwels |
|
|
|
Baudri Pille |
|
lakenondernemer of –handelaar |
|
Willem van Poesele |
|
|
|
Hendrik de Rike |
|
|
|
Hendrik van Steenvoorde |
|
|
|
Jan Toor |
|
|
|
(Pieter Vierdinck) |
|
|
|
Paskin Vogelin |
|
lakenondernemer of -handelaar |
|
Nicasis de Vroede |
|
|
|
Willem Wasscaert |
|
wever |
|
Jacob Willay |
|
|
|
Bartholomeus Zedeman |
|
|
|
Willem van Zevecote |
|
|
|
Jacob van Zillebeke |
|
voller |
Tabel 23: beroepsmatige activiteiten van de volkse schepenen
We beschikken over een speciale bron van informatie om de zogenaamde rijkdom van de nieuwe schepen na te gaan, nl. de brief i.v.m. de pointinghen van de nieuwe vesten. Door na te gaan welke tarieven de nieuwe schepenen moesten betalen, kunnen we hun relatieve rijkdom bepalen. Er bestonden verschillende tarieven, gaande van 12 d. (= 1s.) tot 3 lb[858]. De tussenliggende tarieven varieerden zeer sterk, voorbeelden zijn: 2 s., 3 s., 4 s., 5 s., 6 s., ½ lb, 1 ½ lb,... De 12 d. kwam het meeste voor, gevolgd door 2 s. Hogere tarieven kwamen met andere woorden, minder frequent voor. Dit was ook logisch. De namen van schepenen die in de brief vermeld stonden, waren de volgende