De opstand in Vlaanderen van 1323 tot 1328 vanuit Iepers perspectief. Bijdrage tot de beeldvorming van een middeleeuwse stad. (Sarah Smolders)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Hoofdstuk 3: de opstand aan de hand van Ieperse bronnen

 

4. De derde fase: nà het verdrag van Arques (eind april 1326) tot de zomer van 1328, de voorbereiding in Vlaanderen tot een Franse inval

 

De breuk die tot de derde fase leidde is eigenlijk maar artificieel. Er is al eerder op gewezen: de activiteiten in de stad Ieper namen zeker niet af in het vooruitzicht van een vrede. En in het vorig hoofdstuk werd er al op gewezen dat het verdrag van Arques door zo goed als geen Vlaming werd nageleefd en zeker niet in het Westland. De Ieperse bronnen bevestigen dit eensgezind. In geen enkele brief van de stadsrekeningen, is er op een bepaald moment een breuk vast te stellen in de tweede helft van april 1326. 

Voor deze fase beschikken we tegelijkertijd over veel en weinig informatie. De literatuur, steunend op het C.C.F., geeft geen detaillering van de verdere gebeurtenissen in de jaren 1326-1328. De Ieperse bronnen zijn daarentegen onnoemelijk uitgebreid. Het Pardekin bewijst dat er in deze fase van de opstand onomwonden veel bodes door de Ieperse magistraat werden uitgestuurd. Als gevolg hiervan zullen er nog nauwelijks namen genoemd worden en is een kwantificering van de gegevens aangeraden. Vanaf ongeveer de maand mei van 1327 zal Ieper veelvuldige contacten hebben met alle mogelijke dorpjes en plaatsjes van het Westland. Beweren dat de boeren er alleen voor stonden en dat de steden zich niet met hun lot inlieten is onbegrijpelijk. Dit deed William TeBrake wel[557]! Het aantal uitgestuurde bodes per week bereikt verschillende pieken in deze laatste fase van de opstand. Zo werden er op 9 mei 1327 achtentwintig bodes uitbetaald binnen de tijdsspanne van één week. De brief van openbare werken geeft vooral informatie over de bedrijvigheid in de stad. Er werden echter ook uitgaven voor bijvoorbeeld het herstellen van springalen en andere geschut in opgeschreven. Voor het aantal serjanten in deze periode kan nu al gezegd worden dat er nagenoeg niets verandert met vorige periode. De hele fase schommelt het aantal tussen 70 en 71. Waarbij moet opgemerkt worden dat dit toch nog een groot getal is.

 

A. Na het verdrag van Arques (eind april 1326) tot en met de terugkeer van de graaf in Vlaanderen (ongeveer 27 september 1326).

 

De contacten met royalen, graaf en koning, werden nog onderhouden tot en met de week vóór 1 juni 1326. Vanaf 1 juni echter waren er geen contacten meer tot en met de terugkomst van de graaf in Vlaanderen in de tweede helft van september 1326. Tussen 26 april en 3 mei 1326 stuurde Ieper vier bodes naar Parijs en kwam er één bode te Ieper aan met lettres[558]. Bij één van deze bodes schreef men dat hij naar de Ieperse schepenen te Parijs vertrok! Tussen 3 en 17 mei kwam Lippin Canevel van Parijs met lettres van absolutie[559] van de bisschoppen van Terwaan en Senlis, en keerde terug naar Parijs[560]. De laatste betalingen in verband met bezoeken aan Parijs gebeurden op 1 juni 1326[561]. De schepenen die te Parijs waren, zijn teruggekeerd. Het Pardekin vermeldt niet hoe lang ze er waren, maar we kunnen ervan uitgaan dat ze er sinds begin mei waren. De delegatie bestond uit zes personen: Jacob van der Markt, Willem Boidin, Jan van den Clite, Jan de Bourlike, Jacob de Rasschere en Michiel Brun.

Welke specifieke zaken hadden de Ieperlingen te regelen te Parijs, de vrede van Arques was toch al besloten? Met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan gesteld worden dat ze naar een zitting van het Parlement van Parijs gingen. Op 19 april 1326 had Karel de Schone een uitspraak van het Parlement nietig verklaard op voorwaarde dat de Ieperse magistraat op de volgende zitting zou aanwezig zijn[562]. In hun uitgaven van de stadsrekeningen verwijzen Des Marez en De Sagher naar een oorkonde uitgegeven door De Sagher in zijn Notices om het onderwerp van de zitting te Parijs te duiden[563]. Tussen oktober 1325 en december 1325 schreef de Ieperse magstraat een repliek op de conclusies van het Parlement. De verbannen patriciërs hadden hun verbanning aangeklaagd bij de koning. Als de Ieperse magistraat dan tijdens de maand mei 1326 naar Parijs vertrok, moet dit in het kader van de verbanning van de patriciërs gezien worden. Hierbij moet opgemerkt worden dat één van de Ieperse onderhandelaars, nl. Jan van den Clite een patriciër was die zijn functies onder het nieuwe bestuur had kunnen behouden.

Tijdens de maanden mei, juni en juli 1326 zijn er enkele bezoeken aan Poperinge. In de week van 26 april tot 3 mei 1326 maakten drie afgevaardigden tweemaal een reis naar Poperinge[564]. De hieropvolgende week waren er weer drie personen te Poperinge[565]. Het volgende bezoek situeerde zich een tijd later nl. tussen 28 juni en 12 juli[566]. Het laatste bezoek gebeurde tussen 19 en 26 juli 1326[567]. Elke keer zijn het dezelfde drie personen : Bartholomeus Zedeman, Willem Wasscaerd en Christiaan Hanewas[568]. Nooit echter werd de reden gespecifieerd van deze bezoeken.

Een overzicht van de bodes die Ieper tussen 26 april en 19 juli heeft uitgestuurd geeft een zeer verscheiden beeld. Er werden vele bodes gezonden naar vele plaatsen. Een afzonderlijke bespreking van elk van hen is daarom niet relevant en zou te onoverzichtelijk worden. Enkel de bestemmingen die het meest voorkwamen zullen hier besproken worden[569].

De stad Brugge is de belangrijkste bondgenoot van Ieper: zes Ieperse delegaties brachten de stad een bezoek, zeven bodes werden ernaartoe gestuurd en zelf zond de stad Brugge acht bodes naar Ieper. De verschillende delegaties bestonden uit: Willem Noidin (viermaal), Jan Stoutegerne (éénmaal), Paskin Vogelin (éénmaal), Maarten de Rasschere (éénmaal), Jan van den Clite (tweemaal) en Jan de Bourlike (éénmaal).

Op de tweede plaats stond Ieper in contact met Robrecht van Cassel en Rogier Thonis te Waasten. Vier delegaties brachten hen een bezoek, vier bodes werden naar hen gestuurd en zelf stuurden ze drie bodes naar Ieper. Robrecht van Cassel stond duidelijk dicht bij de opstandelingen in Vlaanderen, ook nog na het verdrag van Arques. De Ieperlingen die deel uitmaakten van de delegaties die naar Robrecht reisden waren: Maarten de Rasschere (viermaal) en Willem Noidin (éénmaal). Merk op dat beiden ook te Brugge waren.

Naast deze contacten die naar het noorden en het zuiden zijn gericht, waren er ook opvallende verplaatsingen westwaarts, meerbepaald naar St.-Winoksbergen. Er valt op te merken dat geen enkele bode hiernaartoe werd gestuurd, vier delegaties in juni en juli bepaalden de contacten. De belangrijkste had plaats tussen 21 en 28 juni 1326: meer dan zeven personen waren vier dagen ter plaatse. Deze personen waren: Willem van Moorslede, Jacob Pille, Jan de Vilain, Pieter van der Schuure, Christiaan Cornelis en andere hooftmannen. De contacten met St.-Winoksbergen zullen tijdens het jaar 1327 nog verder opgedreven worden. De andere delegaties bestonden uit: Willem Noidin, Maarten de Rasschere, Willem Wasscaerd en Michiel Lievin. Verdere verplaatsingen tussen 26 april en 19 juli 1326 gebeurden naar Rijsel en Jan, heer van Belle door middel van bodes.

De dorpen en personen die tussen 26 april en 19 juli geschenken, in de vorm van wijn, ontvingen bij een bezoek aan Ieper, komen grotendeels overeen met de vastgestelde verplaatsingen vanuit Ieper. Tijdens de maand mei kregen de schepenen van Brugge éénmaal vier kruiken. Op 7 juni werden er heel wat presentwijnen genoteerd. Vier kruiken waren voor schepenen van Brugge. De schepenen van volgende steden en dorpen kregen telkens twee kruiken bij hun bezoek aan Ieper: Damme, ’t Vrije, Kortrijk, Veurne-Ambacht, Ieper-Ambacht, Nieuwpoort, St.-Winoksbergen, Duinkerke, Grevelingen, Cassel, Belle en Waasten. Had men misschien te Ieper vergaderd met de schepenen van deze entiteiten? Op 14 juni 1326 kreeg Jan van Belle ongeveer twee kruiken, en op 19 juli kregen de schepenen van Doornik acht kruiken[570].

In de stad ging men in dezelfde periode onverstoord verder met de werken aan de vestingen. Tot en met 17 juni 1326 wordt de afbraak van de oude poorten expliciet vermeld. Vanaf de uitgaven van 24 mei 1326 spreekt de brief effectief over de niewen poorten. Zo werden er op deze datum 13 werklieden uitbetaald voor het aanleggen van wegen bij de niewen poorten[571]. De weken hierna werden er vele werken geleverd aan de nieuwe vestingen en poorten. Blijkbaar werd de nieuwe Torhoutpoort als eerste voltooid, want op 7 juni 1326 werden enkele werklieden betaald om de Boezinge-, Diksmuide-, Elverdinge- en Boterpoort, en de Pôterne te maken ilike der Thoroudpoorte[572]. Naast de werklieden voor de taschwerken, werden elke week ook nog: timmerlieden, zagers, pijnres, delvers, kruiers, ... uitbetaald. Materialen zoals ijzerwerk en verschillende soorten houten balken werden ook regelmatig aangekocht[573].

De verschillende werklieden werkten eind mei – begin juli 1326 vooral aan de poorten zelf. Vanaf 12 juli 1326 verschuift de aandacht naar de dammen[574] en bij de betaling van 19 juli 1326 werd er naast de dammen ook hard aan de overdraghe[575] gewerkt. De schepenen kwamen zelfs de werken aan de overdraghe inspecteren[576]. Diederik de Stratemaker en Michiel Biggen werden vergoed voor het plaveien van de straten aan de Komen-, Boezinge- en Elverdingepoort[577].

Tot en met de betaling van 26 juli 1326 bleef het hierboven geschetst beeld behouden. Vanaf 2 augustus 1326 evenwel verschijnt er een verandering in de bronnen: er kwamen zeer specifieke uitgaven bij. Op 2 augustus 1326 werden 3 clerken vergoed van dat si holpen scriven brieven, die ten prochie ileisen waren[578]. De volgende week (9 augustus 1326) werden er uitgaven gemaakt voor de springalen. Jan van Boezinge en anderen kregen de opdracht om nieuwe pezen te maken voor de bogen en de springalen[579]. Op 16 augustus 1326 kreeg Jan van Boezinge voor dezelfde taak een vergoeding en Jan van Eken vervaardigde nieuwe wielen voor de springalen[580]. Tot en met 27 september 1326 komen er uitgaven in verband met de springalen voor. Uiteindelijk op 4 oktober 1326 betaalde de stad Jan Soiere voor het vervaardigen van banieren[581]. Deze soort van uitgaven vallen onder de gevechtsuitrusting. Slechts tweemaal geeft de brief een aanduiding van het doel van deze uitgaven. Op 6 september 1326 werd Willem Witbroode vergoed voor een zelscote[582], dat hem brac onder enen waghen, die viel, up de tyt os me was te Werveke[583]. En op 27 september 1326 waren er 2 trompers ende een horenblasere, van trompene te Zantvoorde met de ghemenen van der steide[584]. Na 4 oktober 1326 echter vallen de uitgaven aan gevechtsuitrusting stil. Ze bereikten met andere woorden een piek tussen 2 augustus en 4 oktober 1326.

De hierboven besproken informatie die in de openbare werken werd gegeven, mag niet los gezien worden van de gegevens in het Pardekin. Met name de tocht naar Wervik, waar een boog van Willem Witbrode beschadigd raakte, wordt weergegeven in het Pardekin. Op 16 augustus 1326 werden er drie “delegaties” uitbetaald die richting Wervik waren vertrokken[585]. Jammer genoeg werd er niet bij geschreven hoe lang men wegbleef. Ten eerste reden Willem Ameide en Frans Zoetin, beide raadsheren, naar Wervik. Zij werden hiervoor niet betaald, enkel de huur van hun paarden werd vergoed. Ten tweede reed een groep mensen naar Belle en vandaaruit naar Wervik. De opperbaljuw, Lauwers Steise, Jan Windeloken, Nicolaas de Korte en zeventien anderen vormden de groep. Ten derde werden Willem van Moorslede, Jan den Hont, Christiaan Cornelis en Jan Zie samen met ongeveer 50 paarden [voor gezellen] betaald voor een tocht naar Wervik. Als we hierbij rekening houden dat iemand op deze tocht zijn boog brak omdat er een wagen was opgevallen, kan ervan uitgegaan worden dat een waarlijke militie op de been werd gebracht. Tenslote op 23 augustus 1326 kregen Jan van Moorslede en gezellen geld omdat ze naar Wervik en andere plaatsen aan de Leie waren geweest[586].  Waarom waren de Ieperlingen juist daar? Welk gevaar kwam er van deze streek? Wou men misschien de grensstreek versterken tegenover de Fransen?

Voornoemde “delegaties” waren de talrijkste die Ieper uitzond in de zomer van 1326, maar ze waren niet op zichzelf staand. Tussen 2 en 9 augustus 1326 vaardigde de stad een indrukwekkende delegatie uit naar La Gorgue[587]. Het belang ging in de eerste plaats uit van de personen die mee waren. Jacob van der Markt, schepen, Willem Boidin, schepen, Jan van den Clite, raadsheer, Maarten de Rasschere, raadsheer, Jacob Willay, raadsheer en Jan de Bourlike, stadsklerk vormden de afvaardiging van de magistraat. Met hen trokken wel 45 personen of daerontrent, inomen ute olle neringhen mee[588]. Door gebrek aan algemene informatie is het onmogelijk om een sluitende verklaring voor deze verplaatsing naar Gorgue te vinden.Het zou kunnen dat de Ieperlingen ernaartoe gingen in verband met een proces dat ter plaatse gaande was. La Gorgue ging immers voor een hofvaart d.w.z. als ze advies nodig hadden in een rechtszaak, naar de schepenbank van Ieper[589].

Andere belangrijke delegaties reisden naar Rijsel en Brugge. De verplaatsingen naar Rijsel deden zich voor op volgende data: vóór 2 augustus met 12 personen gedurende 14 dagen, vóór 23 augustus met 9 gedurende 3 à 16 dagen, vóór 30 augustus met 8 gedurende twee dagen en een voormiddag en vóór 13 september met 9[590]. Op 30 augustus 1326 gaf men aan dat er orconden[591]meegingen. Op 13 september 1326 komt men te weten wat er eigenlijk aan de hand was. Een misdaad was gepleegd tegenover een zeker Wouter Colven in de buurt van Rijsel. Hij was mee in de laatste twee delegaties. De zaak werd behandeld voor het koninklijke hof van Rijsel, omdat de misdaad op het grondgebied van Rijsel was gepleegd. Wanneer deze misdaad precies gepleegd werd, wordt niet aangegeven en welke deze was ook al niet.

De verplaatsingen naar Brugge kwamen in dezelfde tijdsspanne voor: vóór 9 augustus met meer dan 8 personen gedurende twee dagen, vóór 16 augustus met 10 gedurende twee dagen, vóór 30 augustus door 1 persoon gedurende drie dagen, vóór 13 september met 2 gedurende drie dagen en nog twee andere personen die elk apart drie dagen te Brugge waren. Bij deze verschillende reizen werd echter nooit het motief ervan opgeschreven. We kunnen er enkel vanuit gaan dat de bezoeken met de opstand te maken hadden, maar over welk specifiek thema blijft een raadsel. Met deze bezoeken aan Rijsel en Brugge gingen bodes van deze steden naar Ieper gepaard, voornamelijk in de week vóór 30 augustus 1326.

Het regionale beeld van de streken waar bodes naartoe werden gestuurd, komt overeen met dat van de delegaties nl. Rijsel, Brugge en Wervik. Maar het beeld is uitgebreider. Andere steden en dorpen waarmee men contact hield waren: Veurne, Nieuwpoort, Avekapelle, Torhout, St.-Winoksbergen, Belle, Poperinge en omstreken en Terwaan. Eén bestemming verdient een aparte bespreking. In de week van 23 tot 30 augustus 1326 kwamen er twee boodschappers van Brugge en Robrecht van Cassel te Ieper aan. Ieper stuurde terstond Jan Taispil naar Brugge en Cassel. En in Cassel was ’t parlement [...] van mijnsherenweghe van Cassele aanwezig[592]. Ieper stuurde dus wel een bode naar dit parlement, maar geen officiële delegatie.

 

Onmiddellijk na de uitvaardiging van het verdrag van Arques, tijdens de maand mei, had de Ieperse magistraat nog contact met Frankrijk en de koning. We hebben gesteld dat deze contacten moeten gekaderd worden in de verbanning van de patriciërs en het feit dat zij hun verbanning aanhangig hadden gemaakt voor het Parlement van Parijs.

Tijdens de lente en zomer van 1326 houdt Ieper op de eerste plaats contact met de stad Brugge en met Robrecht van Cassel. De andere plaatsen die een voorkeur genieten zijn de steden en dorpen in het Westland. Niet enkel stuurde Ieper er bodes naartoe, maar ontving ook schepenen van deze kleinere entiteiten. Vermoedelijk was er een bijeenkomst te Ieper rond 7 juni 1326. St.-Winoksbergen voor het westen en de streek aan de Leie met Wervik in het zuiden springen uit de bestemmingen in het Westland. St.-Winoksbergen kreeg voornamelijk grote delegaties op bezoek in juni en juli, voor Wervik kunnen we eerder spreken over milities. Hierbij moet wel de nuance gegeven worden dat Wervik pas in de tweede helft van de zomer veelvuldig ter sprake komt, zowel in het Pardekin als in de openbare werken. Tussen 2 augustus en 4 oktober 1326 werden springalen en andere gevechtsuitrusting expliciet vermeld in de brief.

Tijdens de maand juli 1326 moet er een misdaad gepleegd zijn, waarvoor men tijdens augustus en de eerste helft van september naar Rijsel trok voor het proces. Wat deze misdaad was, kon niet achterhaald worden. De indrukwekkende delegatie naar Gorgue tussen 2 en 9 augustus 1326 kan gekaderd worden in een hofvaart, maar dat is niet zeker. 

In de stad Ieper zelf blijft dezelfde bedrijvigheid aan de bouw van de nieuwe stadswallen behouden, zoals die voor de eerste maanden van 1326 werd geschetst. Met andere woorden, er is geen enkele breuk vast te stellen rond het verdrag van Arques. De evolutie van de werken, met name eerst de poorten en dan de wallen met dammen en overdragen, werd hierboven geschetst.

 

Vanaf de tweede week van september 1326 verandert de situatie voor de Vlamingen: Lodewijk keert terug na een lange periode van afwezigheid. Een Ieperse afvaardiging bestaande uit onder andere Jan van den Clite, Jan de Bourlike en Willem van Moorslede, zocht de graaf al tijdens deze eerste week te Menen op[593]. De avond voor men naar de graaf vertrok, dronk men een kruik wijn leeg. Gebeurde dit om zichzelf moed in te spreken? Men noteerde de uitgave voor de drank in de brief van de presenten[594], en niet bij de openbare werken!

De eerste week na de aankomst van de graaf, hield de Ieperse magistraat zich opvallend rustig: slechts één delegatie en zes bodes vertrokken deze week. Maar men kreeg wel ineens vijf bodes op bezoek. De bodes kwamen van Brugge, Doornik, Rijsel en Duinkerke[595]. De tweede week na de aankomst van de graaf daarentegen getuigde van een nieuwe uitbarsting. Ieper stuurde zelf veertien bodes uit, tien delegaties maakten een reis en men ontving acht boodschappers[596]. Deze verhoging duurde echter niet lang. De volgende week immers zond de stad maar vier bodes en drie delegaties uit, en geen bodes werden ontvangen.

Wat geeft een analyse van de bestemmingen? Brugge was de belangrijkste plaats van bestemming. Frans Capellen werd tweemaal voor één dag en één nacht naar Brugge gestuurd. Bufkin was drie dagen te Brugge, en Willem van Wormhout haastte zich naar Brugge, Gent, Aardenbrug en Assenede gedurende zeven dagen en één nacht. Naast bodes waren er een tweetal delegaties van magistraatsleden en andere te Brugge. Een eerste bestond uit zes personen: Jan van den Clite, Maarten de Rasschere, Jan de Bourlike, Lambert van der Strate, Christiaan Hanewas en Maarten van Heusden[597]. Deze mensen waren vier dagen weg. De tweede afvaardiging bestond uit: Jan van den Clite, Willem Wasscaert, Maarten de Rasschere, Jan de Bourlike, Lambert van der Strate, Vromoud de Hane, Gillis Willaye en Jacob de Heger. Zij waren vijf dagen te Brugge. Uiteindelijk stuurde de stad Brugge drie bodes naar Ieper[598].

De aandacht van Ieper was echter niet alleen op Brugge en het noorden gericht. Komen en Menen zijn twee bestemmingen die van betekenis zijn in de week vóór 27 september 1326. De eersten die in het Pardekin werden opgeschreven, waren Willem Wasscaert en Jan van Moolnare. Zij waren beiden schepen. Ze trokken naar Komen, maar waren hierbij niet alleen: elf hoofdmannen waren met hen mee! Allemaal tezamen waren ze niet langer dan twee dagen weg[599]. Nicolaas de Hoge werd voor twee dagen naar Komen gestuurd, vermoedelijk terwijl de hoofdmannen er ook waren[600]. Verder werd er een bode uitbetaald van mijnhere van Comen[601], en uiteindelijk was Willem van Quoille één dag ter plaatse. Voor Menen waren er twee uitbetalingen: Jan van der Strate werd ernaartoe gestuurd en was één dag en één nacht onderweg, een andere persoon reed er tijdens één bepaalde dag naartoe[602]. Het is onmogelijk om een gedetailleerde verklaring te geven voor de verplaatsingen naar Brugge, maar voor de contacten met Komen is het mogelijk om tot een hypothese te komen.

Het is aanneembaar dat tijdens deze missie naar Komen erge dingen gebeurd zijn, zo erg dat de baljuw van Rijsel ervan op de hoogte raakte. Op 13 november 1326 schreef de baljuw, Gilles Haguins, een oorkonde gericht aan de proost van Seclin[603]. In deze oorkonde werd een eerste melding gemaakt van het feit dat Ieperlingen te Komen de Leie zijn overgestoken en op Frans territorium zich schuldig hebben gemaakt aan brandstichting, dat ze een man hebben ontvoerd, en hem later op Vlaams grondgebied hebben onthoofd. De naam van deze man luidde Jacques Scabaille[604].

Welke aanwijzingen zijn er om te vermoeden dat dit voorval zich in de week van 20 tot 27 september 1326 heeft voorgedaan? Want de Ieperse militie was al langer in deze omgeving aanwezig en reeds vroeger werden er bodes naar de Leie gestuurd. De belangrijkste aanduiding is de naam van de moordenaar van Jacques Scabaille. Dit in combinatie met de aanduiding dat er elf hoofdmannen bij de delegatie van deze week werden uitbetaald en een lijst van de namen van serjanten die op het einde van het rekenjaar 1327-1328 werd gegeven. In een oorkonde die de proost van St.-Maartens op 28 mei 1327 uitvaardigde[605], werd er vermeld dat Hendrik de Quarembotre en vrienden de daders waren van de onthoofding. De schepenen van Ieper bevestigden dit in een oorkonde van 21 juli 1327, waarin werd meegedeeld dat Hendrik de Quarembotre de moord had bekend[606]. Deze persoon werd één keer in de stadsrekeningen vernoemd, nl. in de namenlijst van de serjanten van 1327-1328. Hendrik de Quarembotre is erbij vermeld als staande ter clocke en zijn beroep is gegeven: voller[607]. Zou het mogelijk zijn dat hij in september 1326 aan de Leie verkeerde, deel uitmakend van de Ieperse militie, maar als gevolg van zijn misdaad daarna op het belfort werd aangesteld? Deze eerste aanwijzing berust er dus op dat er hoofdmannen mee waren tussen 20 en 27 september 1326 en dat Hendrik de Quarembotre, dader, bij de Ieperse politiemacht hoorde, althans in 1327-1328.

Een tweede aanwijzing vormt de uitbetaling van een bode van mijnshere van Comen tijdens deze week. Dit was de eerste keer sinds het uitbreken van de opstand dat deze persoon een bode naar Ieper stuurde. Twee weken later werd er door de magistraat een bode naar de heer van Komen gestuurd[608]. Hierna waren er nog enkele contacten met deze heer. Op 6 december 1326 werd Cruuskin uitbetaald omdat hij in Frankrijk bij hem was geweest, en dit gedurende dertien dagen[609]. En Cruuskin was ook te Rijsel waar op dat moment het proces werd gevoerd in de moordzaak! Tijdens de maand december stonden vele reizen in het teken van de zaak Scabaille! Telkens ging men naar Rijsel en minenhere van Comen. Een reden te meer om aan te nemen dat het eerste contact in deze reeks in verband staat met de moord op Scabaille.

Aan de hand van deze argumenten durven we veronders

tellen dat een aantal Ieperlingen in de week van 20 tot 27 september 1326 lelijk hebben huisgehouden op Frans grondgebied en een moord hebben gepleegd op een  Fransman.

Het proces dat naar aanleiding van deze misdaad werd gevoerd, voor het koninklijk hof te Rijsel, is rijkelijk gedocumenteerd. Het proces werd gevoerd omdat de familieleden van de vermoorde persoon een restitutie vroegen van de stad Ieper. Lodewijk heeft een poging gedaan het naar zich toe te trekken tijdens januari en februari 1327, maar dit mislukte faliekant. Tijdens de jaren 1327-1329 was er een drukke correspondentie tussen de stad Ieper, de baljuw van Rijsel en de koning van Frankrijk. Telkens opnieuw werden de Ieperlingen gedagvaard, en telkens werd er weer uitstel gevraagd en bekomen. De familie van de vermoorde weigerde voortdurend akkoord te gaan met de restitutie die de Ieperlingen voorstelden. Aan de hand van de regestenlijst is deze beweging mooi te volgen. Slechts rond 16 oktober 1329 bereikten de partijen een akkoord[610]. Maar tot en met 13 januari 1331 zijn er nog oorkonden terug te vinden in verband met het proces. Deze handelen voornamelijk over de betalingen van de proceskosten[611].

In de regestenlijst zijn de verschillende dagvaardingen terug te vinden, deze worden ook allen geattesteerd in het Pardekin, als men naar Rijsel afreist. We zullen in ons betoog niet  gedetailleerd op deze zaak verder ingaan. In het vervolg zullen wel bijna alle verplaatsingen naar Rijsel met deze zaak te maken hebben, en zelfs vele verplaatsingen naar Parijs.

 

Reeds nu is het waard om aan TeBrakes woorden terug te denken over deze fase van de opstand. Hij trok het zogenaamde extremistische karakter van de fase in vraag. Maar getuigt de moord op een inwoner van het Franse rijk niet van een extremisme, of misschien beter van een fanatisme. Want wat hadden de Ieperlingen in Frankrijk te zoeken.? De opstand was toch gericht tegen hun eigen machthebbers, en voor meer inspraak in het bestuur? Wou men de opstand uitdragen naar Franse dorpen? Of was men enkel opgehitst door het heersende klimaat in Vlaanderen, dat men ook maar eens naar de Fransen optrok? We weten enkel dat Ieperlingen die aan de Leie stonden, deze zijn overgestoken. De aanleiding voor het betreden van het grondgebied kennen we niet. Misschien werden de Ieperlingen geprovoceerd, misschien ook niet. 

 

B. Vanaf de terugkeer van de graaf in Vlaanderen (september 1326) tot ongeveer 6 december 1326: De stedenparlementen

 

De terugkeer van Lodewijk in Vlaanderen, zorgde voor een beproeving van de loyaliteit van de Ieperse magistraat. Maarten van Heusden, grafelijk kapelaan, kreeg de opdracht van Lodewijk om de voorwerpen die hij te Ieper in juni 1325 had vergeten, terug te vorderen. Deze opdracht werd gegeven in een oorkonde geschreven door Lodewijk op 6 december 1326 te Gent[612].

In de brief van openbare werken werden de "voorwerpen" van Lodewijk al vernoemd bij de uitbetalingen van 13 september 1326[613].  Jan van Dowaai schreef brieven, waarin 't goed dat in 's graven coffers werd beschreven[614]. Twee weken later beschreef hij de parchelen en de juwelen, die waren in de coffers mijnsheren van Vlaendren[615]. Dus al vóór de uitvoering van de officiële oorkonde maakte men aanstalten te Ieper, de voorwerpen aan de graaf terug te geven. De kapelaan van Lodewijk was ook al vóór 6 december 1326 te Ieper, in de brief van de presenten die tot 4 oktober loopt, werden twaalf kruiken aan Maarten van Heusden opgetekend.

Op 8 december 1326 verklaarde Maarten van Heusden dat hij sleutels en een groot paupier bedekt met zwart leder, van de stad Ieper had gekregen[616]. Op 4 januari 1327 leverde Lodewijk een kwijtschrift voor zijn goederen af aan de stad Ieper[617]. Op 17 januari 1327 werd Daniel Pauwelin in het Pardekin uitbetaald voor een reis van zes dagen naar de graaf en Gent. Hij reed mee met Maarten van Heusden om het compromis te zegelen[618]. Maarten van Heusden en de stad Ieper verklaarden beiden, in aparte oorkonden, op 31 januari 1327 dat Maarten alle juwelen en andere objecten had verkregen[619]. In de brief van openbare werken werden op 31 januari 1327 pijnres betaald die 's graven coffers droughen van den belefroite. En de koffers werden up enen waghen geladen[620]. In deze kwestie had de magistraat de graaf niet tegengewerkt.

Reeds in vorig hoofdstuk werd vermeld dat Lodewijk de toestand in Vlaanderen probeerde meester te worden via het houden van stedenparlementen te Eeklo[621].  Uit het Ieperse Pardekin blijkt dat er een viertal keer werd samengekomen. De eerste afvaardiging kwam ten laatste op 11 oktober 1326 terug. Men was met acht personen, en bleef voor een viertal dagen weg. Het itinerarium van de graaf geeft aan dat Lodewijk op 5 oktober 1326 nog te Gent was, en zich ten laatste op 8 oktober te Eeklo bevond. Er kan dus van uitgegaan worden dat de Ieperlingen vanaf 8 oktober te Eeklo waren. De afgevaardigden waren Jacob van der Markt, stadsvoogd, Willem Wasscaert, schepen, Maarten de Rasschere, raadsheer en tresorier, Jan de Bourlike, stadsklerk, Lambert van der Strate, Jacob de Eger, Vromoud de Hane en Gillis Willay[622].

De tweede én derde afvaardiging werden op 1 november 1326 uitbetaald[623]. De tweede was zes dagen weg en de derde vijf dagen en een voormiddag. Dit betekent dat het tweede parlement tussen 18 oktober en 26 oktober 1326 werd gehouden, want de Ieperlingen waren niet terug om op 25 oktober uitbetaald te worden. De tweede Ieperse delegatie bestond uit: Jan van den Clite, schepen, Jan Zonne, raadsheer, Jan de Bourlike, stadsklerk, Lambert van de Strate, Vromoud de Hane, Michiel Brun, Gillis Willay, Jacob de Eger en Jan Taispil. Het derde parlement werd tussen 26 oktober en 1 november 1326 gehouden gedurende vijf dagen. Deze keer vormden Jan van den Clite, schepen,  Maarten de Rasschere, raadsheer,  Jan de Bourlike, Lambert van der Strate, Jan Windeloke, Gillis Willay, Jacob de Eger, Lambert Saywin, hoofdman, en Vromoud de Hane de delegatie. Het is opvallend dat de stadsvoogd nl. Jacob van der Markt enkel de eerste keer meeging. De tweede en de derde keer waren er 1 schepen, 1 raadsheer en voor de rest slechts enkele stadspensionarissen mee.

Jan van den Clite, Willem Wasscaert, Jan de Bourlike, Jan Taispil, Lambert van der Strate en Jacob de Eger vormden de laatse Ieperse delegaties naar Eeklo, met een uitbetaling op zaterdag 6 december 1326[624]. Zij waren weg voor vier dagen. De eerste vier genoemden bleven vier dagen langer weg, omdat ze eerst nog naar Brugge reisden. Reeds op 29 november 1326 werden drie bodes uitbetaald in verband met het parlement te Eeklo en het bezoek aan de stad Brugge. Toen de schepenen te Brugge waren zonden ze een bode naar Ieper, en te Eeklo werd de knaap van Jan de Bourlike 's nachts naar Ieper gestuurd[625]. Van haar kant stuurde de stad een bode naar Brugge en Eeklo. De bode was vier dagen te Brugge en één dag te Eeklo[626]. Dus reeds bij een betaling van 29 november 1326 komen we te weten dat de schepenen al minstens één dag te Eeklo aanwezig waren. Op 6 december 1326 werd er ook nog een bode naar Eeklo uitbetaald. Bruggelinge, dit is de naam van de bode, werd er 's nachts op uitgestuurd om de voorwaarden te geven[627]! Daar er geen verdere parlementen werden gehouden, en er ook geen sprake is van een akkoord, bijvoorbeeld door middel van een oorkonde, kan er besloten worden dat de parlementen niet tot een toenadering hebben kunnen zorgen.

Op het eerste gezicht echter, vormt een uitbetaling voor een reis naar Male op 6 december 1326 het grootste raadsel. De delegatie bestond uit tien personen en was zes dagen uit Ieper. De volgende personen waren mee: Jan van den Clite, Willem Wasscaert, Jan de Bourlike, Lambert van der Strate, Lambert Ademare, Christiaan Cornelis, Jacob de Eger, Philips Damman, Christiaan Hanewas en Jan Taispil. Hanewas bleef zes dagen en een voormiddag weg, Jan Taispil zeven dagen. Om te weten te komen wanneer deze mensen te Male waren, is een schematisering van de gegevens aan te raden.

 

*6 december 1326:  uitbetaling van drie delegaties: vier dagen Eeklo, vier dagen Brugge, zeven

                               dagen Male

5 december 1326

4 december 1326

3 december 1326

2 december 1326: terugkomen van Eeklo in de voormiddag

1 december 1326: Eeklo

30 november 1326: Eeklo; de graaf bevond zich te Gent[628]

*29 november 1326: uitbetaling bode vier dagen Brugge, één dag Eeklo; Eeklo

28 november 1326: Eeklo

27 november 1326: Brugge

26 november 1326: Brugge

25 november 1326: Brugge

24 november 1326: Brugge

23 november 1326: ?Male

*22 november 1326: ?Male

21 november 1326: ?Male

20 november 1326: ?Male

19 november 1326: ?Male

18 november 1326: ?Male

17 november 1326

16 november 1326

*15 november 1326

14 november 1326

13 november 1326

12 november 1326

11 november 1326

10 november 1326

9 november 1326: graaf bevond zich te Gent[629]

*8 november 1326

Tabel 1:Bepaling van een bezoek aan Male

 

15 november en 22 november waren zaterdagen zonder uitbetalingen! Slechts 8 november vormde de uitbetaling vóór 29 november 1326. Op 29 november 1326 werd er geen vermelding gemaakt van een reis naar Male. Terwijl deze zich voor deze datum moet hebben voorgedaan. Dus moet de reis naar Male, vóór 24 november 1326 gebeurd zijn. Kan er verondersteld worden, gezien de samenstelling van de delegatie, dat men naar de graaf te Male ging, en dat de Ieperlingen hierna vier dagen onderhandelden over voorwaarden te Brugge, en daarna voor de laatste maal naar Eeklo reden om elk akkoord te weigeren? Hoe is anders een reis naar Male te verklaren? Vandermaesen kan Lodewijks verblijfplaats tussen 9 november en 30 november 1326 ook niet duiden. Kan het dan niet Male zijn geweest? Toegegeven, het is niet in de buurt van Eeklo of Gent.

 

C. Vanaf 6 december 1326 tot 11 april 1327: Lodewijk begeeft zich nog naar Westelijk-Vlaanderen en doet een poging tot vredesonderhandelingen

 

Eén Ieperling vertrok in het begin van december 1326 in de richting van Avignon. Nicasis de Vroede had rond 1 november van zich laten horen door vanuit Parijs een jongen met een brief naar Ieper te sturen[630]. De volgende keer dat zijn naam in het Pardekin werd vermeld, was op 31 januari 1327[631]. Geld voor zijn verblijf te Avignon werd hem gezonden via de heer Jan van Schinkele. Op 13 december 1326, 20 december 1326 en 10 januari 1327, werden er bodes uitbetaald die van Avignon kwamen[632]. Er werd toen niet bijgeschreven dat dezen vanwege Nicasis de Vroede kwamen. Gedurende het eerste driekwart van het jaar 1327 zal Nicasis de Vroede nog te Avignon blijven. Uiteindelijk zal hij in september 1327 terug naar Ieper keren[633]. Dit betekent dat hij ongeveer negen maanden uit Ieper was.  Vermoedelijk verbleef hij in de buurt van paus Johannes XXIII, in een poging tot onderhandelingen voor vrede.

De delegaties die in de periode van 6 december 1326 tot 11 april 1327, dit zijn negentien weken, werden uitgezonden, bereikten een totaal van 37. Enkele hiervan waren richting Rijsel en de koning van Frankrijk. Zij stonden allen in verband met de zaak Scabaille, en worden daarom hier dan ook niet verder besproken. Brugge ontving tien van deze 37 afvaardigingen. Het gemiddeld aantal personen dat een delegatie naar Brugge omvatte was zeven. Dit was een hoog aantal. Om volledig te zijn moet opgemerkt worden dat de bezoeken aan Brugge tijdens de maand maart stilvallen, maar in april hernomen zullen worden. Een analyse van alle personen die eens deel uitmaakten van een reis naar Brugge in deze periode geeft het volgende

 

Tabel 2: Personen mee naar Brugge tussen 6 december 1326 en 11 april 1327

 

Zowel magistraatsleden, als hoofdmannen, als mensen, die niet werkten in stedelijke dienst gingen mee naar Brugge!

Naast deze belangrijke en veelvuldige contacten met Brugge, waren er een viertal steden in Vlaanderen die een opmerkelijke delegatie van Ieper op bezoek kregen. Tijdens de eerste helft van januari 1327 waren de Ieperlingen tweemaal te St.-Winoksbergen. Op 17 januari 1327 werden ze uitbetaald. De eerste keer waren ze er met ongeveer 20 mensen, de tweede keer met 10. Telkens waren er twee magistraatsleden die meegingen. De schepen die meeging was Jacob van Zillebeke en de raadsheer Willem van Nieuwkerke. De verdere samenstelling is vergelijkbaar met de verschillende delegaties naar Brugge[634]. Op 31 januari 1327, een week later, werd Jan Taispil uitbetaald voor verschillende ritten naar St.-Winoksbergen – Ambacht. Het doel van zijn verplaatsingen was te innene 't verbuerde goed van dengonen, die ute Berghenambocht ytrocken waren[635]. Welke personen waren hier weggetrokken? Waren het plaatselijke edelen of Ieperse buitenpoorters? Geen van beide opties kan bewezen worden, het enige vaststaande feit is dat de stad Ieper de bezittingen van de gevluchtte mensen confisqueerden.

Twee andere steden die bezoek kregen van Ieper waren Menen en Veurne. Een aanwijzing hiervoor is te vinden bij de betalingen van 14 maart 1327. Christiaan Hanewas verbleef twee dagen te Veurne. Hij ontvangt geld voor zijn reis maar ook van te doen scrivene de namen van dengonen, die ybannen waren[636]. Betekende dit dat Ieper verbanningen te Veurne superviseerde. Of dat er opnieuw, edelen of Ieperse buitenpoorters op de vlucht waren geslagen. Op 21 maart 1327 werden twaalf mensen uitbetaald voor een bezoek te Menen. Als schepen ging Willem Noidin mee, als raadsheer Willem van Nieuwkerke[637]. De overigen zijn opnieuw ook terug te vinden in de delegaties naar Brugge. Een verklaring voor de verplaatsing naar Menen is nergens gegeven.

Uit deze officiële verplaatsingen kunnen we afleiden dat in het begin van 1327 er blijkbaar enkele mensen werden verdreven te St.-Winoksbergen en Veurne. Maar wie waren dit: edellieden of Ieperse buitenpoorters, en wat was de specifieke aanleiding tot hun vlucht?

De bodes die Ieper tussen 6 december 1326 en 11 april 1327 uitstuurde worden het best gekwantificeerd. In de tijdsspanne van negentien weken werden er 82 bodes uitgestuurd tegenover 37 delegaties. De bestemmingen van de bodes zijn als volgt verdeeld.

 

Tabel 3: Bodes door Ieper gestuurd tussen 6 december 1326 en 11 april 1327

 

Er is een grote tweedeling tussen de opstandige gebieden en de graaf-getrouwe gebieden. Binnen de opstandige gebieden kan een opdeling gemaakt worden tussen de streek ten westen en de streek ten zuiden van Ieper. De verplaatsingen naar steden aan de Leie verdienen een aparte aandacht. Naast de aandacht voor Brugge, zijn er geen enkele contacten met dorpen in het noorden. Brugge nam de controle van deze dorpen op zich[638].

De verplaatsingen naar het grafelijk kamp, waren afwezig bij de bestemmingen van de delegaties. Van grafelijke kant werd er wel officieel contact ondernomen met de Ieperse magistraat, en met resultaat. Hiervan getuigt de brief van Diversen die loopt van 6 februari tot 29 mei 1327. Tweemaal werd de graaf in gunstige zin vermeld. Ten eerste was 800 lb. den grave van Vlaendre […] yleent bi otroye van den voght ende van scepenen, dekenen ende hoofmannen[639]. Ten tweede kreeg minenhere Heinrike van Vlaendre, 4 zelverinnen nappen, als de grave t' Ypre cam[640]. Deze giften moeten rond 25 februari 1327 gesitueerd worden. Het itinerarium van Vandermaesen situeert Lodewijk en Hendrik rond deze tijd in "Westelijk-Vlaanderen"[641]. Eerder in de maand februari had Lodewijk zijn eed van zijn vrijlating eind 1325 nog vernieuwd te Brugge[642]. Van grafelijke kant uit probeerde men blijkbaar op goede voet te staan met de Vlamingen. Maar dit zal niet lukken. Dit wordt bewezen vanaf 11 april 1327.

Vanaf de terugkeer van de graaf in Vlaanderen waren er ettelijke pogingen om tot een vrede te komen. Dit werd bewezen door het houden van de stedenparlementen en de reis van Nicasis de Vroede naar Avignon. Hoewel hier de nuance bij moet dat dit eerder op kerkelijk niveau is te interpreteren. De vernieuwing van de eed van Lodewijk te Brugge duidde ook op een welwillendheid van zijn kant. De situatie tot ongeveer begin april 1327 is nog rustig te noemen. Echter hierna barst de strijd in alle hevigheid los, gedurende de hele zomer van 1327. Deze detaillering van het klimaat in Vlaanderen, werd niet gegeven in de literatuur.

 

D. Vanaf 11 april tot en met 23 mei 1327: Ieper trekt voor de eerste keer op naar Poperinge

 

Tijdens deze vijf weken[643] barst de strijd in het Westland plots volledig open. Een rechtstreekse aanleiding is er niet te vinden in de Ieperse bronnen.  Bij de bespreking van de vorige negentien weken, werd opgemerkt dat er 37 delegaties werden uitbetaald, en 82 bodes. Dit geeft een gemiddelde van vier bodes per week. Tijdens de hiernavolgende vijf weken werden 14 delegaties betaald, en 109 bodes! Dit betekent dat er per week gemiddeld 21 bodes werden uitbetaald! Dit is een belangrijke reden om aan te nemen dat vanaf midden april 1327 een breuk kan gemaakt worden. Kan er naast deze kwantitatieve breuk ook een kwalitatieve vastgesteld worden, met andere woorden veranderen de bestemmingen van de Ieperse bodes en delegaties? Dit is zeker het geval, en er is zelfs meer.

In de brief van openbare werken worden tot en met 11 april 1327 voornamelijk uitgaven gedaan voor onderhouds- en vernieuwingswerken aan de nieuwe vestingen. Vanaf 18 april 1327 tot en met ten minste 26 september 1327[644] werden er ook uitgaven in verband met militaire activiteiten opgetekend. Op 18 april 1327 werden timmerlieden, pijnres, houthakkers en anderen betaald omdat ze springalen naar Poperinge vervoerden, en ook schilden droegen. Daarnaast kregen ook twee trompetters een loon, omdat ze ook meewaren naar Poperinge[645]. Dit betekent dat Ieperlingen vóór 18 april met militaire bedoelingen naar Poperinge waren opgetrokken. In het Pardekin zijn er contacten met Poperinge te vinden in de maand februari. Er was één delegatie tijdens één dag, en van 7 februari tot 7 maart werd er wekelijks een bode naartoe gestuurd die telkens gewoon op en af reden[646]. Tijdens de maand maart viel het contact stil. Slechts op 18 april 1327 werden Willem van Wormhout en Cruuskin opnieuw uitbetaald voor een zending naar Poperinge en omgeving. Wanneer was men met een militie naar Poperinge getrokken? In de maand februari of in de week vóór 18 april? Bevredigende argumenten in één van de richtingen zijn er niet te vinden. Toch gaat de voorkeur uit naar de week tussen 11 en 18 april 1327. Omdat er deze week tien bodes werden uitgestuurd en de weken ervoor het gemiddelde op vier lag. Zeker kan men evenwel niet zijn[647]. De strijd met Poperinge is na 18 april 1327 niet afgesloten. Uit het Pardekin en de openbare werken is af te leiden dat men tot en met 9 mei 1327 Poperinge lastig viel. Op 25 april 1327, een week na de 18de, werd er geen melding gemaakt van een vaard naar Poperinge, maar werden wel nieuwe voorbereidingen getroffen. Uitgaven voor het maken van schilden zijn er terug te vinden[648], en een delegatie van vele personen, waarvan er zes met naam werden genoemd, werden uitbetaald voor een tocht naar Poperinge[649]. Het waren niet de minsten die mee waren: Jacob van Zillebeke, schepen, Hendrik van Steenvoorde, raadsheer, Bartholomeus Zedeman, schepen, Willem van Zevecote, schepen, Jan Zonne, raadsheer en Willem Boidin, schepen. En Jan Ghereboud werd betaald voor de huur van zijn paard als me was te Poperinge[650]. Een reden te meer om aan te nemen dat men pas in de tweede helft van april 1327 met militaire bedoelingen naar Poperinge optrok. En ze zijn nog niet af van de Ieperlingen. In de twee weken die volgden op 25 april werden in totaal elf bodes naar Poperinge gestuurd die er voor korte of langere tijd verbleven[651]!

De uitgaven in de openbare werken op 2 mei 1327 spreken het meest tot de verbeelding[652]. De aankoop van verschillende soorten stoffen, diende om banieren te laten maken. Voor de schilden werden ook stoffen aangekocht, deze dienden om ze te bekleden. Wouter de Pondelmakere besloeg de schilden en maakte er nagels en gespen rond. De springalen werden ook opnieuw uitgehaald. Pieter de Cammere zorgde ervoor dat ze konden vervoerd worden. Twee boogschutters hielden de wacht bij de springalen op de markt os me 's anderdaghs te Poperinge voer[653]. De personen die in de week van 25 april tot 2 mei naar Poperinge op en af reden, werden allen met de term bode aangeduid. Twee van hen waren zowel overdag als 's nachts onderweg. Twee anderen reden eerst naar Roesbrugge, ten noordwesten van Poperinge, en dan naar Poperinge zelf. Eén bode reed rechtstreeks naar Poperinge. Een andere nam magistraatsleden van Brugge met zich mee omme hemleiden te wisene den wech te Poperinghe over Elverdinghe (ten noordoosten van Poperinge)[654].

De verplaatsingen naar Poperinge gaan door in de week van 2 tot 9 mei 1327. Vier bodes reden er naartoe, waarvan er één ook naar Proven doorreed (tussen Poperinge en Roesbrugge). Uiteindelijk werd er één iemand bij naam genoemd die naar Poperinge reed nl. Jan van der Straten. Op 16 en 23 mei werden er in totaal 20 bodes uitbetaald, maar niemand reed nog naar Poperinge. In de openbare werken werd er nà 9 mei 1327 aangeduid dat de gevechtsuitrusting zich in de stad bevond[655].

De eerste keer dat Poperinge dus écht kreeg af te rekenen met Ieperlingen was tijdens de tweede helft van april en begin mei 1327. De bronnen duidden aan dat men twee keer gewapenderhand naar Poperinge trok, éénmaal de week vóór 18 april en éénmaal de week vóór 2 mei. Bij de tweede optocht werd vermelding van de aanwezigheid van Bruggelingen gemaakt. In zijn studie over de relaties tussen de stad en het platteland in de veertiende eeuw maakt David Nicholas ook vermelding van deze militie die tegen Poperinge op de been werd gebracht[656]. Hij verteld dat er begin april 1327 onenigheid rees tussen de magistraten van Poperinge en ballingen van het dorp. Hij maakt gewag van een official story[657] van de gebeurtenissen. Ieperlingen en Bruggelingen zouden bemiddelaars hebben gezonden, ter oplossing van het dispuut binnen Poperinge. De inwoners van Poperinge zouden, toen de bemiddelaars naderden de wapenen tegen hen hebben opgenomen. De Ieperlingen moesten bijgevolg terugtrekken, en er vielen doden aan beide kanten. Nicholas geeft echter niet aan waar hij dit official story heeft gelezen, en zelf hebben we er ook niets over gevonden. Hij geeft wel aan, aan de hand van de stadsrekeningen, dat dit verhaal nooit kan kloppen, aangezien de Bruggelingen slechts de tweede keer meereden. 

Naast Poperinge waren er heel wat dorpen in het Westland die bodes van Ieper ontvingen. Een overzicht van deze dorpen laat zien dat reeds bestaande contacten behouden werden en dat daarnaast nieuwe dorpen en streken de Ieperse aandacht kregen.

 

Tabel 4: Bodes door Ieper gestuurd tussen 11 april en 23 mei 1327

 

Een vergelijking met de vorige periode (6 dec 1326 – 11 april 1327) dringt zich hier op. Er is duidelijk een uitbreiding naar het zuiden en de grensstreek van de Leie. Tot 11 april hield men enkel de streek van Menen, Wervik en Waasten onder controle. Hetzelfde is vast te stellen voor de streek ten westen en noordwesten van Ieper. Veurne en St.-Winoksbergen bleven de belangrijkste bestemmingen, maar men kreeg een uitbreiding naar de kleinere entiteiten.  De contacten met het grafelijke kamp stonden op een bijzonder laag pitje. Daartegenover stonden de begonnen verplaatsingen naar Jacob Peyt[658]. We hebben hem in het vorig hoofdstuk voorgesteld als één van de radikaalste boerenleiders. De eerste keer dat de Ieperse magistraat een bode naar hem stuurde was in de week van 18 tot 25 april 1327. Toen bezocht Jan Taispil hem te Hondschote, ten noorden van St.-Winoksbergen[659]. De week hierna reed Jan Taispil weer naar hem. Deze keer vond hij hem te Cassel[660]. De derde keer reed een gewone bode naar Jacob Peyt. Contacten werden gelegd met de radikalen van de opstand tijdens de maand mei van 1327!

De streken die vernoemd werden, verdienen een woordje uitleg. Vooral bij de uitbetalingen van 16 mei 1327 werden ze opgeschreven[661]. Altijd vermeldde de scribent dat men om wagens reed. De personen aan wie de opdracht werd gegeven voor deze verplaatsingen werden altijd met naam genoemd. Jan Famelse en Jan van der Strate, beide stadspensionaris, kwamen het meest voor. De wagens die men zocht dienden om geschut en ander getuig te vervoeren naar het strijdtoneel.

De bodes die Ieper tijdens deze vijf weken ontving zijn te verwaarlozen. Qua delegaties valt er ook niet veel aan te halen. De helft reed naar Brugge, maar dat was niet nieuw. Op 9 mei 1327 werden er toch nog twee belangrijk betalingen gedaan. Ten eerste maakten negen personen een reis naar Mesen, tijdens één bepaalde dag. Twee magistraatsleden waren mee, nl. Willem Noidin en Willem van Nieuwkerke, de overige zeven waren geen bekenden. Ten tweede waren er de drie dorpjes Nieuwkerke, Nipkerke (= Nieppe) en Steenwerk. Zij kregen dertien Ieperlingen op bezoek. Slechts Willem Noidin was als lid van de magistraat mee. De bodes die naar deze drie plaatsen werden gestuurd komen slechts vanaf deze datum, nl. 9 mei 1327, voor. Had Ieper zich nu ook hier bemoeid? En hielden ze erna een controle over de situatie?

 

Na deze analyse is duidelijk geworden dat de week van 11 tot 18 april 1327 voor Ieper belangrijk is geweest. Vanaf deze week zijn er militaire expedities naar Poperinge, die tot 9 mei duren. Deze verplaatsingen waren niet zozeer te kaderen in de opstand tegen machthebbers maar wel in de economische toestand te Ieper, nl het verval van de stedelijke lakennijverheid en de opkomst ervan op het platteland. Wat de directe aanleiding tot de expeditie was, is niet exact geweten. Het zou kunnen zijn dat onenigheid tussen Poperingenaars, en een poging tot bemiddelen door de Ieperlingen, en Bruggelingen de aanleiding was, maar dat is te betwijfelen. Vanaf de week vóór 9 mei 1327 werden de verplaatsingen zowel naar het noordwesten als naar het zuidoosten opgedreven. Dit betekende niet alleen meer contacten met reeds bekende steden en dorpen, maar ook het aandoen van nieuwe plaatsen. Hieruit blijkt een verdere inmenging van de Ieperse magistraat op het platteland, waar deze vóór 11 april 1327 in veel mindere mate te vinden was. Men zou kunnen stellen dat de stad meer controle op de situatie op het platteland wou uitoefenen. Daarbij kan er gesteld worden dat er zo goed als geen contacten waren met de grafelijke partij, en dat men overhelde naar de radicaalste partijen van de opstandelingen met name Jacob Peyt.

 

E. Vanaf 23 mei tot ongeveer 25 juli 1327: opnieuw contacten met de graaf, ook krijgstocht naar Langewade

 

In deze tijdsspanne van negen weken werden de Ieperlingen op het matje geroepen door Lodewijk! Op 29 mei 1327 waarschuwde Lodewijk hen dat Poperinge onder grafelijke bescherming stond. Hij verbood Ieper nog langer om Poperinge lastig te vallen, en dagvaarde de stad om op 2 juni 327 naar Oudenaarde te komen. Daar zouden dan de geschillen in verband met het lakenprivilege van Poperinge, en Langemark, uitgepraat worden[662].

De Ieperlingen gingen op deze dagvaarding in. Drie mensen waren rond 2 juni 1327 te Oudenaarde. Een gewone bode werd voor drie dagen uitbetaald omdat hij naar Oudenaarde en Gent snelde. Bij hem werd er evenwel niet vermeld dat hij naar de graaf ging. Daniel Pauwelin, stadspensionaris, verbleef vier dagen te Oudenaarde bij de graaf. En de proost van het St.-Maartenskapittel werd ook door de stad aangezocht om zaak van de stad bij de graaf te gaan verdedigen[663]. Vermoedelijk gaf Ieper niet toe. Het Pardekin attesteert immers dat in dezelfde week, 30 mei tot 6 juni 1327, vier mensen werden uitbetaald voor speciale tochten naar Poperinge! In totaal reden zij samen ongeveer, op één week tijd, tien dagen en drie nachten op en af! 

Op 8 juni 1327 vaardigde Lodewijk dan een nieuwe dagvaarding uit. Ieper moest op 12 juni 1327 naar Oudenaarde komen, om verantwoording af te leggen van een aantal overtredingen op het verdrag van Arques[664]. Lodewijk beschreef veertien overtredingen in detail. Een bespreking van deze overtredingen is nergens teruggevonden in de literatuur, daarom gaan we er hier even dieper op in.

De eerste beschuldiging luidde dat de Ieperlingen hun oude omwallingen kapot hadden geslagen. Hierin heeft de graaf gelijk. We hebben reeds vermeld dat deze afbraak plaats had tot en met 17 juni 1326. Lodewijk verweet hen ook dat ze de ballingen en vijanden van de graaf steunden. Dit is ook al zeer duidelijk naar voren gekomen.

Het derde, vierde en vijfde punt gaat over de verbanning van de patriciërs. De graaf beschuldigt de Ieperlingen ervan de goederen van de bannelingen te exploiteren, terwijl dit aan hem toekomt! Dat deze beschuldiging waar is bewijzen de speciale rekeningen die werden aangemaakt voor de administratie van hun goederen. Er is ook reeds gewezen op het feit dat men hout hakte op de domeinen van de heren, en dit hout dan gebruikte voor openbare werken[665].

Het stuit Lodewijk ook tegen de borst dat men de gemeenschap, het commun, elke dag liet samenkomen op de markt onder de leiding van hoofdmannen, onder ontvouwde banieren! Of het waar is dat dit gebeurde weten we niet. De stadsrekening geeft dit op geen enkele manier aan.

De zevende, achtste en negende beschuldiging handelen over het vermoorden van goede lieden. Men zou Wouter van Nieuwkerke en France Cor hebben vermoord zonder proces. Andere aanduidingen dan de beschuldiging van de graaf zijn hier niet voor. En ze zouden ook krijgsgevangenen en knapen van patriciërs ter dood hebben gebracht, op de markt van Ieper. Ook hier is er weer geen enkele andere bron die hier van spreekt.

De tiende aanklacht is niet uit de lucht gegrepen. De Ieperlingen zouden gewapend, met of zonder banieren zijn uitgereden, en ze zouden festes[666] hebben gehouden in gebieden waar ze geen jurisdictie hadden. Lodewijk neemt het de Ieperlingen ook zeer kwalijk dat ze een troepenmacht aan de Leie op de been brachten, waarbij ze grafelijke gronden usurpeerden! En het feit dat ze nieuwe conestables aanstelden en ze eden lieten zweren, schoot bij de graaf eveneens in het verkeerde keelgat.

De twaalfde tenlastelegging heeft te maken met de reeds besproken zaak Scabaille. Lodewijk zegt dat de Ieperlingen op twee plaatsen brand hebben gesticht, en een inwoner van het Franse rijk hebben vermoord. Dit feit kan niet tegengesproken worden.

De voorlaatste beschuldiging behept de voortdurende werken aan de vestingen. De Ieperlingen hebben deze verder verbouwd, tegen de bepalingen van 19 april 1326 in. Dit is eveneens juist. De Ieperlingen mochten nog twee jaar hun nieuwe vestingen behouden, mits de koning er geen schade van zou ondervinden. Het is duidelijk gebleken uit de briefs van openbare werken, dat men naarstig verder werkte ter verdediging van de stad.

De laatste aanklacht handelt specifiek over de wandaden te Poperinge. Naast hetgeen dat reeds geweten is via de stadsrekeningen, beweert Lodewijk nu ook dat de Ieperlingen te Poperinge de grafelijke banier hadden meegenomen, en dat in Poperinge goede lieden die onder bescherming van de graaf stonden, werden vermoord. Hoewel dit niet geattesteerd wordt in de stadsrekeningen, is het aannemelijk dat dit gebeurd is. Uiteindelijk dagvaardt Lodewijk de Ieperlingen op 12 juni 1327 te Oudenaarde.

Wat  hebben de Ieperlingen gedaan rond 12 juni 1327? Daniel Pauwelin, dezelfde als rond 2 juni, bracht een bezoek aan de graaf. Hij werd op 13 juni tweemaal voor drie dagen uitbetaald voor: 1 voiage ydaen te Oudenarde tote minenhere van Vlaendere. Daarbij werden nog 8 s. betaald voor een vrijgeleide van Lodewijk omme te Oudenarde tote hem te comenen[667]. Men was blijkbaar van plan om wel naar de graaf te gaan met een officiële afvaardiging, maar eerst wilde men een garantie voor hun veiligheid. Vreesde de magistraat anders gevangen genomen te worden? De hieropvolgende week trok men in elk geval naar de graaf. Een jongen was vijf dagen te Oudenaarde en Gent, en een delegatie was vijf dagen te Eeklo. Lodewijk zelf was in deze periode niet te Eeklo, men moest dus met grafelijke raadsheren onderhandelen. De Ieperse afvaardiging was wel zeer officieel. Ze bestond uit: Jacob van der Markt, Jan van den Clite, Rogier Thonis (!), Christiaan Hanewas, Jan Windeloken, Jan Staessine, Jan de Brouwere, Fierin Beikeman, Michiel Hoofd, Andries de Bisschop, Diederik Goussin en Jan Taispil[668]. De besprekingen die gevoerd werden waren zeker niet bevredigend, maar men was bereid tot onderhandelen. Getuige hiervan zijn de vijf volgende delegaties die nog naar Oudenaarde en Eeklo afreisden.

Op 27 juni 1327 waren Willem Noidin, Daniel Pauwelin en Jan Windeloken terug van Oudenaarde. Ze verbleven er drie dagen[669]. De volgende week, 4 juli 1327, waren Jacob van der Markt, Jan van den Clite, Rogier Thonis, Jan Windeloken, Jan Staessin en Michiel Hoofde tijdens vijf dagen te Eeklo[670]. Op 11 en 25 juli 1327 kregen dezelfde zes mensen geld voor hun bezoeken aan Eeklo[671]. Men was telkens ongeveer vijf dagen weg. Het itinerarium van Lodewijk attesteert dat hij zeker op 2, 16, 23 en 24 juli 1327 te Eeklo verbleef[672]. De laatste afvaardiging moet tussen 25 juli en 29 augustus zijn geweest. De samenstelling van deze laatste was ietwat anders dan de vorige. Deze maal was men met vijf: Rogier Thonis, Jan van den Clite, Jan Windeloken, Jan Zoetin en Jan Toor[673].  Voortgaande op de regelmatigheid van de vorige bezoeken kunnen we ervan uitgaan dat de laatste plaats had tussen 25 juli en 1 augustus 1327. Volledigheidshalve moet erbij vermeld worden dat ook elke week, minstens één bode naar Gent, Oudenaarde en omgeving werd gestuurd.

Vanaf de tweede helft van augustus is Lodewijk niet meer te situeren. Op 9 september 1327 vonden de Gentenaren hem te Parijs[674]. Er kan van uitgegaan worden dat Lodewijk uit frustratie naar Frankrijk en later zelfs naar Nevers vertrok. De onderhandelingen met de Ieperlingen draaiden immers uit op een faliekante mislukking. Een analyse van de bodes die Ieper uitstuurde en ontving in de periode van 30 mei tot ongeveer 25 juli 1327, wijst uit dat de magistraat absoluut geen gehoor gaf aan de verzuchtingen van Lodewijk.

Tabel 5: Bodes door Ieper gestuurd tussen 23 mei en 25 juli 1327

 

Tabel 6: Bodes door Ieper ontvangen tussen 23 mei en 25 juli 1327

 

Ten eerste bleven de contacten met Brugge behouden, maar ze overheersten niet meer. Ieper nam blijkbaar het heft in eigen handen. Ten tweede had Poperinge het nog altijd zeer hard te verduren. Dit ondanks de onderhandelingen met de graaf in dezelfde periode, en de specifieke beschuldiging in verband met Poperinge! Ten derde verslapte de aandacht aan de Leie streek ten opzichte van de vijf weken hiervoor. Daarentegen verplaatste de aandacht zich nog meer naar de kasselrijen van Belle, Cassel, St.-Winoksbergen en Veurne. Bij de beschuldigingen van 8 juni 1327 verweet Lodewijk de Ieperlingen onder andere het recht in eigen handen te hebben genomen op plaatsen waar ze geen jurisdictie hadden. Uit de analyse blijkt zeer duidelijk dat de verplaatsingen naar andere kasselrijen zelfs nog werden opgedreven! Voornamelijk naar de kasselrijen van St. – Winoksbergen en Veurne. Net als in de vorige perioden eiste de stad wagens op in deze verschillende kasselrijen. Trouwens niet iedereen was zomaar bereid om wagens en paarden te leveren aan de stad. Dit wordt bewezen door de veroordeling van zestien mensen wegens het weigeren van paarden en wagens[676]. De veroordelingen gaan voornamelijk over paarden die niet geleverd werden. De boeten die de personen kregen opgelegd varieerden van 10 s. par. tot 40 s. par. Iedereen kreeg er evenwel nog een pelgrimstocht bij opgelegd. Aardenburg en Hulst kwamen het meeste voor.

Voor deze periode, 23 mei – 25 juli 1327, staan er ons nog twee speciale briefs ter beschikking om een beter beeld te krijgen van de regio's waar Ieper tussenkwam, nl. de briefs van de herevaarten naar Langewade[677] en Diksmuide. Het Pardekin en openbare werken helpen om te kunnen bepalen wanneer men ernaar vertrok en terugkeerde.

De speciale briefs lopen vanaf 29 mei 1327. In de week vóór 6 en 13 juni 1327 werden er duidelijk voorbereidingen getroffen[678]. Nieuwe pezen voor de stoelbogen werden vervaardigd, paviljoens werden opgelapt, schilden werden met canvas overspannen. Jan Coopman maakte uiteindelijk de stoelbogen gereed. Tussen 13 en 20 juni was het zover. Claikin Platemuse luidde de klokken van het belfort als 't here ute voer[679] en een knaap werd isent in 't here ten Langhenywade[680]. Ook here Jan van Dorneke en here Arnoud de Clerc reden naar het here[681]. Merk op dat juist in deze week de eerste grote afvaardiging naar Eeklo trok, voor de onderhandelingen met de graaf!

Wie was er mee met de herevaart[682]? 119 wagenmenners werden uitbetaald voor hun aanwezigheid. De schepenen Jan van den Clite, Jacob van Zillebeke en Willem Ameide hielden zich niet afzijdig, zij reden mee. Hiernaast krijgen we serjanten, trompers, scotters, marscalken en de grave van den ribauden[683]. Ook mensen die men niet onmiddellijk aan de strijdkrachten relateert, brachten ook hun steentje bij: timmerlieden, pijnres,predicaers[684] en vollers. Er kan gesteld worden dat er meer dan honderd mensen op de been gebracht werden, aangezien er op zijn minst 119 wagenmenners meewaren!

Het geschut en ander materiaal dat meegenomen werd, was ook niet van  het minste. Hamers, spaden, lantaarns, tonnen, springalen, stoelbogen, 17 zwaarden, schilden, tenten, paviljoenen, banieren, … ontbraken niet[685].  Honger en dorst moest er eveneens niet geleden worden. Een heel varken werd naar 't here versleept, en twee tonnen bier zorgden voor drankvoorraad[686].

Maar men was niet enkel te Langewade. In dezelfde brief werden ook een veertigtal schutters uitbetaald die te Curtrike lagen […], elken van 13 daghen[687]. Wat hun specifieke functie daar was, komen we niet te weten. Maar dit gegeven laat ons wel toe, te bepalen wanneer men terug was van Langewade en Kortrijk.

Er werd reeds vermeld dat het here in de week vóór 20 juni 1327 vertrok. Op 27 juni 1327 werden heer Jan van Doornik en heer Arnoud de Clerck opnieuw uitbetaald voor de huur van hun paarden om naar 't here te rijden. En vele bodes reden uit tijdens deze week om wagens en paarden op te vorderen[688]. De volgende week, op 4 juli 1327, krijgen we aanwijzingen die doen vermoeden dat een gedeelte van het leger te Ieper was teruggekeerd. Pasquin Zuanekin krijgt een vergoeding voor de zorgen van zijn gekwetst paard. En dit paard is reeds terug te Ieper[689]. Jan Crestien ontving op deze datum een vergoeding van 13 daghen, dat hi lach te Curtrike metten scotters[690]. Dit betekent dat de schutters te Kortrijk, die er 13 dagen lagen en niet langer, op 4 juli waren uitbetaald voor deze 13 dagen. De volgende betaling op 11 juli 1327 bevestigd het opbreken. Frans Zoetin, raadslid, ontving een vergoeding voor de huur van zijn paard van dat hi voer ten porten omme de scotters of te doene, diere laghen en van dat hi voer omme de scotters te Curtrike[691]. We kunnen er dus van uitgaan dat de mensen die naar Langewade trokken terugkwamen te Ieper in de week van 4 tot 11 juli. Onrechtstreeks wordt dit bevestigt in de openbare werken waar er op 11 juli heel veel werklieden werden uitbetaald voor het maken van een ordichen[692] up de nieuwe vesten[693]. Men had hier tijd voor, dus moeten er opnieuw vele werklieden in de stad aanwezig zijn geweest. Op 18 juli 1327 ontvingen een aantal mensen 5 s. van der steide tenten te wachtene, als me van den here cam[694].

Met al deze gegevens kunnen we stellen dat de Ieperse stedelijke militie in de week voor 20 juni uitreed naar Langewade en zeker op 18 juli 1327 terug naar de stad was gekeerd. De militie bestond uit vele mensen, van verschillende economische status. Zowel mensen werkzaam in de textielnijverheid en gewone ambachtslieden als magistraatsleden vormden de troepen. In totaal werden er meer dan 100 lieden op de been gebracht. Maar, wat ging een Ieperse militie op een onooglijk plaatsje uitvoeren? Langewade zou immers een moerassig gedeelte op de Steenstrate zijn geweest[695]. De militie die hierna doortrok naar Diksmuide, bestond uit nog maar ongeveer 60 strijdkrachten, en men bleef daar een stukje langer[696]. Hoe valt dit te rijmen, want Diksmuide was een groter centrum dan Langewade. De enige mogelijkheid die aanneembaar lijkt, is er vanuit gaan dat men niet met militaire bedoelingen naar Langewade trok. Terwijl men te Langewade lag, reden enkele mensen op en af naar Diksmuide[697]. Zou het kunnen dat men aldaar wachtte om verder naar Diksmuide te trekken? Een bevredigende verklaring is echter niet te vinden.

 

F. Vanaf ongeveer 25 juli tot 26 september: de herevaart te Diksmuide en de moord op Jacob Peyt.

 

Een deel van het here dat te Langewade lag keerde terug naar de stad, een ander deel trok verder naar Diksmuide. De uitgaven voor het here te Diksmuide waren minder dan die voor Langewade. Dit betekent dat het totaal van de uitgaven minder was, maar ook dat de uitgaven minder gedifferentieerd waren. Want wie was er mee naar Diksmuide? 59 wagenmenners, 59 schutters, 8 timmerlieden en 5 pijnres vormden de strijdkrachten. Dit is ongeveer de helft van het aantal dat te Langewade aanwezig was. Men maakte vermelding van schepenen die mee waren, maar hun namen werden niet genoemd. Toch werden ook minderbroeders, Freremineurs, vergoed die de messe zeiden in 't here met scepenen[698]. Schutters te Kortrijk werden nu niet meer betaald. Zwaar geschut kwam er al helemaal niet meer in voor.

Wanneer was men te Diksmuide? Dit is een vraag die moeilijk kan beantwoord worden. De eerste vermelding van het here te Dixmude in het Pardekin dateert van de betalingen van 29 augustus 1327. Maar, de vorige zaterdag dat er werd uitbetaald was 25 juli 1327, wat betekent dat het hier over vijf weken gaat! Op 29 augustus 1327 kreeg Jan Taispil een loon omdat hij isent [was] jeghen 't here, dat van Dixmude cam[699]. Men zou kunnen aannemen dat het here rond 29 augustus 1327 terug was in de stad, maar dit is niet zo! Op 5 september 1327 werd in de openbare werken vermeld dat men de klokken had geluid os me ten here voer[700]. Deze betalingen golden voor de week tussen 29 augustus en 5 september 1327. En op 19 september 1327 werd in het Pardekin een aantal betalingen opgeschreven in verband met het here te Dixmude. Een garsoen, droeg 4 alflakene […] te Dixmude ten here. Jan de Brouwer werd isent in 't here te Dixmude, en den deiken van den weifambochte […] voer in 't here[701].  En op 26 september 1327 werd Godin van Eringe vergoed voor een reis van tien dagen in 't here te Dixmude[702]. Nà deze datum vielen alle uitgaven voor een here te Dixmude stil. Waardoor er van uitgegaan kan worden, dat het here terug in de stad was, hoewel hier geen enkele rechtstreekse aanwijzing voor is. De Ieperse militie kan dus vanaf ten vroegste 25 juli te Diksmuide gesitueerd worden, en blijft er ten laatste tot rond 26 september 1327. Wat de functie van de Ieperlingen daar was is ons niet bekend. Moesten ze Diksmuide helpen verdedigen tegen grafelijke aanvallen? Het zou kunnen, maar dat is niet bewezen.

<