| "Amitié sincère?"
Het prinsbisdom Munster en de Haagse Alliantie tijdens de Spaanse Successieoorlog (1701-1714). (Kristof Selleslach) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Hoofdstuk II
De militaire ervaringen van het prinsbisdom Munster
2.1 De voorwaarden voor het militaire avontuur
Het prinsbisdom Munster nam actief deel aan de Spaanse Successieoorlog. Een dergelijke oorlogsdeelname impliceerde echter een complete omkadering. Voordat de oorlog uitbrak, stonden de coalities reeds vast. Dit vergde een complexe voorgeschiedenis die uitmondde in een oorlogsverklaring. Door de Rijksoorlogsverklaring traden de oorlogsraderen in het Heilige Roomse Rijk in werking. De bisschop van Munster had als Kreisdirecteur de taak om de militaire organisatie van het Nederrijns-Westfaalse Kreis waar te nemen. De zwaarwegend financiële kant van de oorlog vroeg ruimschoots de aandacht. Om de nodige financiën te vinden werden subsidieverdragen met de grootmachten gesloten. Nieuwe regimenten werden geformeerd. De marsbevelen werden uitgedeeld. Kortom, een oorlog van dergelijke proportie als de Spaanse Successieoorlog bevatte cruciale voorbereidingen die belangrijke voorwaarden dienden te vervullen.
2.1.1 Het bronmateriaal
De mate waarin de historische bronnen de tand des tijd doorstaan hebben, is van vitaal belang voor ons historisch onderzoek. Helaas kampen we hieromtrent met een grote schaarste in bewaarde archivaliën. Het historisch onderzoek naar de militaire ervaringen van Munster in de Spaanse Successieoorlog, heeft zich tot op heden nog niet op deze blanke paden begeven. Vooral omtrent de Munsterse campagne-ervaringen tasten we nagenoeg volledig in het duister. Bijgevolg zien we ons geconfronteerd met enorme leemtes die slechts moeizaam ingevuld kunnen worden. De taak die we onszelf opgelegd hebben houdt in om te trachten dit blanco terrein enigszins te verkennen.
De schaarse bronnen omtrent de militaire uiteenzetting zijn veelzijdig van oorsprong maar relatief eenzijdig van inhoud. Ten eerste kunnen we het werk van een tijdgenoot gebruiken. Jean Dumont, baron de Carelscroon, heeft met de medewerking van twee coauteurs in 1728-1729 een tweedelig werk geschreven over de campagnes van prins Eugeen van Savoye, de hertog van Marlborough John Churchill en de prins van Oranje-Nassau. De auteurs wandelen van de ene veldslag in de andere belegering. De slagordes van de meeste veldslagen en belegeringen werden op kaarten uitgetekend. Evenwel is een kritische instelling hier niet misplaatst. Jean Dumont was de hofhistoriograaf van keizer Karel VI, die als Karel III in de Spaanse Successieoorlog als troonpretendent voor de Haagse Alliantie optrad. Hierdoor beschikte Dumont enerzijds over directe gegevens met betrekking tot de veldslagen van de geallieerde opperbevelhebbers. Anderzijds sloop er onmiskenbaar een partijdige instelling in het werk.
De tweede categorie bestaat uit de archivalische bronnen. Zowel het Algemeen Rijksarchief te Brussel als het Nordrhein-Westfälisches Staatsarchiv te Munster hebben belangwekkende fondsen in hun bezit. Een overzicht van de gebruikte fondsen kan men in de lijst van afkortingen terugvinden. Een meer uitvoerige specificatie wordt in de bibliografie weergegeven. De gegevens zijn echter zeer gevarieerd en staan dikwijls slechts indirect in betrekking met ons onderwerp. Daarom zijn deze archivalische bronnen moeizaam te hanteren.
Ten derde belangt de correspondentie van Marlborough ons aan. John Churchill, prins en hertog van Marlborough, was de Engelse opperbevelhebber tijdens de Spaanse Successieoorlog, waarbij een groot deel van de Munsterse troepen ondergesteld was. Hij voerde in deze functie een uitvoerige correspondentie met de voornaamste regeringsleiders van de Haagse Alliantie. Vooral de correspondentie tussen Marlborough en Heinsius enerzijds, en de correspondentie tussen Marlborough en Godolphin anderzijds, bevatten bruikbare gegevens. Anthonie Heinsius was in de hoedanigheid van raadspensionaris van de provincie Holland een dominante figuur in de Staten-Generaal. De correspondentie tussen hen werd in 1951 te Utrecht uitgegeven door B. Van ‘t Hoff. De andere correspondent van Marlborough, Sidney Godolphin, vervulde de functie van Lord High Treasurer in het Engelse kabinet. Tijdens de afwezigheid van Marlborough, was hij de plaatsvervangende kabinetsleider. Deze correspondentie werd in 1975 te Oxford uitgegeven door Henry L. Snyder. Beide correspondenties behandelden slechts terloops de informatie betreffende Munster. Vooral de financiële problemen met Munster over de subsidieverdragen treffen we er in aan. De militaire aangelegenheden tout court hebben slechts zelden betrekking op Munster. Daarom kunnen we de correspondentie van Marlborough maar beperkt voor ons onderwerp benutten. Niettemin zal deze correspondentie ons grote diensten bewijzen bij het derde hoofdstuk over de militaire subsidies van Munster.
De drie belangrijkste informatiebronnen hebben elk bij benadering dezelfde gebruiksproblemen. Vermits de hulpmiddelen die ons aangereikt worden beperkt zijn, zal de opdracht er vooral in bestaan om de geringe gegevens in elkaar te puzzelen tot een coherent en solide geheel.
2.1.2 De uitbreiding van het Munsterse leger bij de omschakeling naar de oorlogstoestand
Een actieve deelname aan een oorlog als de Spaanse Successieoorlog vereiste een grote uitbreiding van het leger. Niet alleen uit vrije wil behoorde het Munsterse leger uit te breiden, ook van staatswege werd een verhoging van het troepenaantal een must. Het bisdom Munster ging daarom op zoek naar een regeling om de troepenuitbreiding effectief te verwezenlijken. Aan de ene kant sloot de Munsterse bisschop een aantal subsidieverdragen af om het oorspronkelijke troepenaantal te kunnen uitbreiden. Dit was wenselijk om de eigen defensie voordeliger te verstevigen. Dankzij het kapitaal van de grootmachten werd de legeruitbreiding mogelijk. Aan de andere kant riep de keizer op tot de mobilisatie van de Kreise. Om aan dit keizerlijk besluit tegemoet te komen, trof Munster de noodzakelijke maatregelen in het Kreisverband.
2.1.2.1 De gesubsidieerde contingenten van Munster
Het prinsbisdom Munster sloot rond de aanvang van de Spaanse Successieoorlog twee belangrijke subsidieverdragen af. Het eerste werd reeds in Ahaus op 17 oktober 1701 ondertekend tussen Munster en de Staten-Generaal. De Ahauser Alliantie stipuleerde troepenlevering van Munster aan de Verenigde Provincies van 2.000 man. Het contingent zou worden opgesplitst in 1.600 infanteristen en 400 cavaleristen. De afdeling infanterie werd verder onderverdeeld in twee bataljons van elk 800 man. De bataljons bestonden vervolgens elk uit 8 compagnies van telkens 100 infanteristen. Het cavalerieregiment werd geproportioneerd in 6 compagnies van elk 66 ruiters. Als uitzondering gold de compagnie van de kolonel. Deze compagnie bevatte 4 man extra als staf[81]. Hoewel het Alliantieverdrag van Ahaus een bilaterale aangelegenheid was, werd het Munsterse contingent onder Engels opperbevel geplaatst. In casu betekende dit dat Marlborough het bevel over de Munsterse troepen voerde, ofschoon dit niet in het verdrag gestipuleerd was[82].
Het tweede belangrijke subsidieverdrag werd afgesloten terwijl de Spaanse Successieoorlog reeds uitgebarsten was. Naast de Verenigde Provincies ondertekende Engeland het verdrag met het bisdom Munster in Den Haag op 2 maart 1703. De Haagse Conventie verstrekte de Staten-Generaal en Engeland een tweede Munsters contingent in ruil voor subsidies. Het tweede contingent bevatte 2.400 infanteristen. Het contingent was opgedeeld in drie bataljons van telkens 800 man. Elk bataljon bestond uit 8 compagnies van elk 100 man[83].
Tenslotte volgde onder de Munsterse bisschop Franz Arnold in 1709 een aanvulling van 1 bataljon bovenop de twee gesubsidieerde contingenten[84]. De bronnen zijn echter uiterst spaarzaam over de details betreffende dit extra bataljon. Daarom kunnen we slechts de lijn van de twee vorige subsidieverdragen doortrekken tot deze aanvullende subsidieovereenkomst. Vermits de bataljonsstructuur in de vorige subsidieverdragen steeds op dezelfde methode was vastgelegd, zal de structuur vermoedelijk ook van toepassing geweest zijn op dit extra bataljon. Daarom bevatte het infanteriebataljon van 1709 kennelijk 8 compagnies van telkens 100 man. Op deze wijze werd het bataljonstotaal op 800 man gebracht. Dit extra bataljon bracht het totale aantal subsidietroepen van Munster tijdens de Spaanse Successieoorlog op 5.200 man.
2.1.2.2 Het Munsterse aandeel in de Kreistroepen
Dankzij de subsidieverdragen verwierf Munster voldoende financiële middelen om zich een relatief groot leger te kunnen permitteren. Naast deze vrijblijvende subsidietroepen was Munster verplicht om een rijkscontingent ter beschikking van de keizer te stellen. Hiervoor was Munster volledig op eigen middelen aangewezen om dit contingent te bekostigen. In de eerste fase van de oorlog zou het rijkscontingent ingezet worden in het Heilige Roomse Rijk zelf. De keurvorsten van Keulen en Beieren waren immers Frankrijks bondgenoten in het Rijk. Keizer Leopold I begon in de lente van 1702 om het Heilige Roomse Rijk tot mobilisatie aan te sporen. Daartoe nodigde hij op 24 maart 1702 de Nederrijns-Westfaalse Kreis uit om met hem te associëren[85]. Leopold I riep op 15 mei 1702 het hele rijk op om zich te in te zetten tegen Keulen[86]. Vervolgens herhaalde hij zijn aansporing op 18 september 1702, maar nu tegen Beieren gericht. Alle geassocieerde Kreise, waaronder de Nederrijns-Westfaalse, behoorden de overeengekomen assistentie te verlenen tegen Beieren[87]. Dit was echter vooralsnog voorbarig voor de Nederrijns-Westfaalse Kreis. De feitelijke associatieakte werd luttele dagen later op 29 september 1702 ondertekend[88]. Alleszins had de Kreis kennelijk een lange bedenktijd nodig om te associëren, daar de keizer de Kreis reeds eind maart had uitgenodigd. De associatie betekende voor het bisdom Munster dat het haar deel van de Kreistroepen had te leveren.
De Nederrijns-Westfaalse Kreis had reeds op 12 november 1701 te Keulen een overeenkomst bereikt over de regeling van de Kreismobilisatie. Tezamen met Brandenburg-Pruisen en de Keurpalts kwam Munster overeen om een Kreistroepenmacht van 8.200 infanteristen op de been te brengen ter verdediging van de Kreis. Naderhand zou men eventueel nog een Kreiscavalerie van circa 1.650 man samenstellen. Elk lid van de Kreis diende zelf te voorzien in de soldij en het onderhoud van zijn deel van de Kreistroepen[89]. Eveneens werd besloten om een afdeling artillerie op te richten. Zowel de kleine veldartillerie als de grote belegeringsartillerie zou worden opgenomen in de Kreistroepen[90]. De omvang van de artillerie evenals de oprichtingstermijn werd echter niet geconvenieerd. Zelfs de proportionele verdeling van de Kreistroepen onder de Kreisleden werd bewust overgeslagen in het Kreisverdrag. Klaarblijkelijk waren de Kreisleden het onderling oneens.
De proportionele verdeling van de Kreistroepen was reeds geregeld op de Kreisbijeenkomst van 29 juli 1701 te Dortmund[91]. Helaas hebben we het reces van de Dortmünder Kreisbijeenkomst niet gevonden. Daarom tasten we in het duister omtrent de werkelijke proportionele verdeelsleutel van de geconvenieerde Kreistroepen. Toch kunnen we onder voorbehoud een voorzichtige gissing maken van het Munsterse deel van de Kreistroepen. De prins-bisschop van Munster zat telkens de Kreisbijeenkomsten voor in de functie van eerste Kreisdirecteur. Het bisdom Munster was dan ook veruit het grootste lid van de Nederrijns-Westfaalse Kreis. Daarom zal Munster vermoedelijk bij benadering een derde van de totale omvang van de Kreistroepen geleverd hebben. Bijgevolg bracht Munster waarschijnlijk circa 3.000 à 3.500 man op voor het Rijkscontingent, zoals overeengekomen volledig zelf te bekostigen.
2.1.2.3 Het globale aantal Munsterse soldaten onder de wapens
De totale omvang van het Munsterse leger tijdens de Spaanse Successieoorlog kan men slechts bij benadering berekenen. De verdeelsleutel van de Kreistroepen per Kreislid is ons immers onbekend. Desondanks kan men het totale aantal Munsterse soldaten dat in Spaanse Successieoorlog actief was, inschatten op circa 8.500 man. Meteen kunnen we opmerken dat de subsidietroepen dominant in aantal waren ten opzichte van de Kreistroepen. De achterliggende reden van deze onevenredige verdeling was tweeledig.
Ten eerste waren de Kreistroepen bedoeld voor de strategische verdediging van de Nederrijns-Westfaalse Kreis. Naast de drie grote Kreisleden Munster, Brandenburg-Pruisen en de Keurpalts behoorde nog een vierde groot lid tot deze Kreis, namelijk Keurkeulen. De aartsbisschop van Keulen was echter een bondgenoot van Frankrijk en bijgevolg een vijand van het Rijk. Daarom was hij evident niet aanwezig op de Kreisbijeenkomsten. Het strategische plan van de Kreis was daarom nadrukkelijk tegen het aartsbisdom Keulen gericht. De Kreistroepen werden bijgevolg grotendeels in de vrije rijksstad Keulen in garnizoen gelegerd, totdat de oorlog werkelijk zou uitbreken[92].
Welk defensief voordeel had Munster aan de Kreistroepen wanneer deze in Keulen gelegerd waren? Vermits de Keulse keurvorst subsidieverdragen had afgesloten met Frankrijk, was een groot aantal vijandelijke soldaten in en rond Keulen aanwezig[93]. Daarom kwam de vijandelijke bedreiging voor Munster grotendeels vanuit de Keulse regio. Indien de Haagse geallieerden met behulp van de Kreistroepen het vijandelijke leger in Keulen konden immobiliseren, zou het Munsterse grondgebied gespaard kunnen blijven van een invasie of andere vijandelijkheden. Het Munsterse deel in de Kreistroepen had evenwel een nadeel. Het opperbevel werd volgens de verdragsbepalingen van 12 november 1701 verleend aan de Paltse Freiherr von Hachkirchen[94]. Het bisdom Munster was behoudens de eigen bevelvoerders slechts vertegenwoordigd op de Kreisbijeenkomsten. Zodoende verliep de Mûnsterse vertegenwoordiging in de Kreis indirect. Het Kreistcontingent was bovendien niet opgericht ter verdediging van de individuele Kreisleden, maar om de verdediging te organiseren van de Kreis in het geheel.
De subsidietroepen daarentegen konden in nood aangewend worden ter verdediging van de Munsterse territoria. Deze mogelijkheid werd in 1701 uitdrukkelijk bepaald in de Ahauser Alliantie[95]. De Haagse Conventie van 1703 bevatte deze mogelijkheid niet. Daarentegen verklaarden de Staten-Generaal en Engeland expliciet om de integriteit van het Munsterse grondgebied te garanderen[96]. De subsidieverdragen verschaften bisschop Friedrich Christian een relatief grotere zekerheid betreffende de verdediging van Munster dan de Kreisverdragen.
Behalve de strategische reden, had Munster een tweede reden om een relatief omvangrijker aantal subsidietroepen te bezitten dan het aandel in de Kreistroepen. Volgens het Keulse Kreisverdrag van 12 november 1701 stond elk Kreislid in voor de kosten van zijn Kreistroepenaandeel. Dit betekende niet dat elk Kreislid autonoom was om bijvoorbeeld de hoogte van de soldij te bepalen. Er zou een regeling worden uitgewerkt waarin alle kosten per soldaat voor elk lid gelijk zouden zijn[97]. Daarentegen verwierf Munster een financiële compensatie van de Staten-Generaal en Engeland voor de levering van de geconvenieerde troepen. De financiële vergoeding, beter gekend als de militaire subsidies, konden grotendeels de kosten voor het in dienst houden van een dergelijk leger compenseren.
De strategische reden verklaart samen met de financiële reden waarom Munster relatief meer subsidietroepen dan Kreistroepen bezat. De kosten van de subsidiecontingenten werden grotendeels terugverdiend door de subsidies. Tegelijkertijd verwierf Munster een grotere en meer rechtstreekse zekerheid omtrent de verdediging van het bisdom. Wegens de keizerlijke besluiten kon Munster echter niet om de assistentie via Kreistroepen heen laveren.
2.1.3 De financiële kant van het Munsterse leger
Eén van de voorwaarden van het grootste belang was de budgettaire mogelijkheid te creëren om met het Munsterse leger effectief deel te nemen aan de militaire acties in de Spaanse Successieoorlog. Om een leger van vredestoestand naar oorlogstoestand om te schakelen, waren grote investeringen van staatswege vereist. De mobilisatie van het leger behelsde twee zaken. Ten eerste behoorde men voldoende inkomsten te genereren om de omschakeling naar de oorlogstoestand te bekostigen. Ten tweede behoort men de inkomsten doeltreffend aan te wenden om de mobilisatie effectief te verwezenlijken. Met andere woorden, de militaire uitgaven stegen explosief ten opzichte van de vredestoestand. Een groot aantal uitgaven werden noodzakelijk. De financiële balans kon op deze wijze haar evenwicht grondig verliezen. Daarom is het onze bedoeling om de militaire inkomsten en uitgaven van het prinsbisdom Munster in deze overgangsfase onder de loep te nemen.
2.1.3.1 Het genereren van extra inkomsten door het prinsbisdom Munster om de omschakeling naar de oorlogstoestand te bekostigen
In eerste instantie genereerden ettelijke Duitse vorsten extra inkomsten en een omvangrijker leger dankzij de subsidies van de grootmachten. Daarom hebben we ons toegespitst op het historisch onderzoek naar de militaire subsidies die Munster tijdens de Spaanse Successieoorlog van de grootmachten ontving. De hele materie is echter zeer omvangrijk. Daarom zullen we de Munsterse subsidies niet hier aan bod laten komen, maar wijden we een apart hoofdstuk aan de subsidies. Hoofdstuk 3 bevat bijgevolg de gedetailleerde uiteenzetting over de subsidies. Toch zullen we wegens het huidige raakpunt met de materie de financiële omvang van de Munsterse subsidies summier reconstrueren.
Het eerste subsidieverdrag dateert van voor de aanvang van de Spaanse Successieoorlog. Te Ahaus werd op 17 oktober 1701 een bilateraal verdrag afgesloten tussen het bisdom Munster en de Verenigde Provincies. Het Ahauser Alliantieverdrag bepaalde de levering van 2.000 soldaten aan de Republiek. In ruil voor dit contingent ontving Munster een subsidie ten bedrage van 100.000 ecu in Hollands geld. Voor het jaar 1702 zouden de Staten-generaal 50.000 ecu uitbetalen, en 40.000 ecu voor 1703. De Munsterse bisschop voorzag het contingent uit eigen financiële middelen in het onderhoud. Dankzij de subsidies koste het onderhoud echter relatief weinig voor het bisdom Munster. Vervolgens bevatte het Alliantieverdrag van Ahaus enkele defensieve afspraken tussen de Verenigde Provincies en Munster[98].
Nadat de oorlog was uitgebroken, sloot Munster op 2 maart 1703 in Den Haag een tweede subsidieverdrag af met de Staten-Generaal en nu ook met Engeland. Deze Haagse Conventie verstrekte de zeemachten een extra contingent infanterie van 2.400 man. De Staten-Generaal betaalden hiervoor aan hun kant een werfgeld van 60.000 ecu of 150.000 Hollandse gulden. Munster behoorde nog te onderhandelen met Engeland over het tweede deel van de subsidies. Eveneens werd bepaald dat Munster voor het eerste contingent van Ahaus vanaf 1703 een jaarlijkse subsidie ten bedrage van 40.000 ecu zou krijgen van de Republiek[99].
Dankzij deze twee subsidieverdragen genereerde het bisdom Munster tussen de jaren 1701 en 1703 alleen al aan subsidies van de Republiek een extra inkomst van 250.000 ecu. Elk oorlogsjaar groeide dit bedrag aan met 40.000 ecu. Bovendien betaalde Engeland ook subsidies uit aan Munster. Helaas weten we niet welke bedragen Engeland betaalde. Zoals in de Haagse Conventie gestipuleerd was, behoorde Munster nadien met Engeland te onderhandelen over de subsidies. Een eventueel Engels-Munsters akkoord betreffende de subsidies is echter spoorloos. Tijdens ons onderzoek hebben we een dergelijke overeenkomst niet in de bronnen aangetroffen. Eveneens zijn we niet in kennis gesteld van de subsidie, die de zeemachten aan Munster betaalden voor het extra bataljon van 1709. De samenwerking van deze twee onbekende factoren zorgt ervoor dat de werkelijke omvang van het totale subsidiebedrag onbekend is.
2.1.3.2 De Munsterse omschakeling naar een oorlogsuitgavenpatroon
De grootschalige mobilisatie bracht een grote ommekeer teweeg in de Munsterse militaire begroting. Het uitgavenpatroon tijdens de oorlogstoestand wijzigde drastisch ten opzichte van de vredestoestand. Daarom trachtten we om deze verandering zo goed als mogelijk in kaart te brengen. Om dit te verwezenlijken, zullen we het uitgavenpatroon in vredestijd vergelijken met het uitgavenpatroon in volle oorlogstijd. Concreet vergelijken we de jaarrekening van het vredesjaar 1700 met de jaarrekening van het oorlogsjaar 1706.
a) De “Status generalis militar Monasteriensis” van 1700
De “Status generalis militar Monasteriensis” van het jaar 1700 somde de uitgaven relatief gedetailleerd per categorie op. Ten eerste kwam de infanterie aan bod. Het bisdom Munster onderhield 37 infanteriecompagnies met een sterkte van 2.729 man. Per maand betaalde het bisdom aan deze infanteristen het bedrag van 10.192;21;- Rtlrn aan soldij. Behoudens deze 37 compagnies had Munster een extra 10 compagnies aangeworven. Het erxtra contingent bevatte in het totaal 1.002 infanteristen. De maandelijks soldij van dit landregiment te voet bedroeg in het totaal 1.730;9;4 Rtlrn. De totale landmilitie te voet bevatte daarom 47 compagnies met in het totaal 3.729 infanteristen. Maandelijks kostte dit leger te voet 11.923;2;4 Rtlrn soldij[100].
Het prinsbisdom Munster bezat ook een eigen, weliswaar relatief kleine, artillerieafdeling. De 119 soldaten tellende artillerieafdeling kostte Munster maandelijks 775;14;- Rtlrn aan lonen. Dit aantal werd ruimschoots aangevuld met extra personeelsleden. Het artilleriekorps telde een naar verhouding omvangrijke staf van 45 leden. Het talrijke stafpersoneel werd maandelijks beloond met 422;4;8 Rtlrn. Daarenboven had Munster 18 gereformeerde officieren in diensverband genomen voor het royale maandsalaris van 279;-;- Rtlrn. Tenslotte betaalde Munster in het kader van de artillerie de som van 99;14;4 Rtlrn aan 45 “Gratiosen” of “Gratuchen”[101]. Er heerst echter grote onduidelijk over hetgeen de opsteller van de “Status generalis”met deze twee termen aanduidde.
Wanneer men de artillerie bij de infanterie telt, brengt dit de rekening op 3.956 man met een gezamenlijke maandgage van 13.499;7;- Rtlrn[102]. Hoe zat het echter gesteld bij de cavalerie? De Munsterse cavalerie was onderverdeeld in een afdeling cavalerie en een afdeling dragonders. De afdeling cavalerie bevatte 6 compagnies met een totaal van 281 cavaleristen. Dit contingent droeg een maandelijkse loonlast van 1.818;-;- Rtlrn. De dragonderafdeling telde 1 compagnie minder dan de gewone cavalerie. De 5 compagnies telden in het totaal 211 dragonders waarvoor Munster een gezamenlijk maandsalaris van 1.200;-;- Rtlrn betaalde[103].
Het maandelijks subtotaal van 1700 voor de infanterie, artillerie en de cavallerie bedroeg 16.517;7;- Rtlrn. Hierbij telde men nog enkele suplementaire uitgaven. Onder de noemer “Pro extraordinariis” boekte men een uitgave van 1.000;-;- Rtlrn. Dit geld diende onder andere om medicamenten en “Servitien” te betalen. Vervolgens werd de rekening volledig gemaakt met een bedrag van 2.638;9;4 Rtlrn. Omtrent de aanwending van deze vervollediging laat de bron echter niets los. In ieder geval bracht dit het totaal op 20.155;16;4 Rtlrn[104].
De jaarrekening van 1700 werd tenslotte beëindigd met twee aparte kosten omtrent de aanwerving van nieuwe manschappen. Zoals we reeds hierboven aangehaald hebben, had Munster in 1700 tien compagnies infanterie extra aangeworven. De “Status generalis” bracht de kosten hiervan in rekening. Het aanwerven en het volledig uitrusten van 1.002 rekruten kostte Munster 18.036;-;- Rtlrn. Het bisdom investeerde ook fors in de afdeling dragonders. Het volledige dragonderregiment kreeg nieuwe paarden. Munster kocht 200 paarden aan a rato van 60 Rtlrn per dier. In totaal investeerde Munster 12.000;-;- Rtlrn aan nieuwe paarden voor de dragonders. De investeringen in de infanterie en de dragonders kostten in het totaal 30.036;-;- Rtlrn[105].
De “Status generalis militar Monasteriensis” op zich bevatte verscheidene gegevens die grote vraagtekens doen oprijzen. Omdat de gegevens steeds het gezamenlijke maandloon per afdeling vermelden, kan men het individuele maandsalaris berekenen. Indien men hiervan het gemiddelde per afdeling berekent, komen opvallende onevenwichten aan het licht. De evidente verschillende weddeschalen per afdeling weken ernstig van elkaar af. Zelfs binnen een afdeling durven forse afwijkingen optreden. Vooral bij de infanterie en de artillerie zijn de interne discrepanties opvallend. Een doorsnee soldaat van de oudere 37 infanteriecompagnies verdiende gemiddeld 3,7 Rtlrn per maand. Zijn collega die als recruut in één van de 10 nieuwe compagnies diende, ontving slechts een maandloon van gemiddeld 1,7 Rtlrn. Waarom leefde dit schril contrast binnen de infanterie? Een mogelijke verklaring zou kunnen zijn dat de 10 compagnies, die in 1700 waren opgericht, volledig gevuld waren met recruten in opleiding. Wegens het gebrek aan ervaring lag de toegepaste loonschaal hier lager dan bij de 37 veteranencompagnies. Deze verklaring lijkt ons toch onvoldoende om het frappante loonverschil volledig te doorgronden.
Bij de artillerie waren de interne discrepanties mogelijker nog complexer dan bij de infanterie. Een gemiddelde artillerist ontving per maand 6,5 Rtlrn. Een staflid daarentegen verdiende logischerwijze meer, en had een gemiddelde maandgage van 9,4 Rtlrn. Dit hogere loon bracht de stafleden niet aan de top van de loonladder. De gereformeerde officieren verdienden veruit het meeste van alle artilleristen. Gemiddeld trok een gereformeerd artillerieofficier 15,5 Rtlrn per maand. Hoe kunnen we deze markante discrepantie verklaren? De omschrijving “reformierter Offizieren” onderscheidde bepaalde officieren van de andere wegens hun godsdienst. Door de contrareformatie waren de Munsteraner volledig teruggedreven in de armen van de katholieke Kerk. Daarom lijkt het onwaarschijnlijk dat deze hervormde officieren autochtone Munsteraner waren. Bijgevolg waren deze officieren van elders afkomstig. Vermoedelijk heerste er in Munster een schaarste aan bekwame artillerieofficieren. Daarom had het bisdom deze andersgelovigen door middel van een financiële stimulans aangetrokken. Op deze wijze kon men de vacante plaatsen opvullen.
Tussen de infanterie, artillerie en cavalerie bestond een onderlinge discrepantie ten opzichte van het gemiddelde. Het gemiddelde maandloon van het totale Munsterse leger in 1700 bedroeg 3,7 Rtlrn. Als enige afdeling zat de infanterie onder het globale gemiddelde. Het globale infanteriegemiddelde lag slechts op 3,2 Rtlrn. Zowel de artillerie als de dragonders en de cavalerie staken ver boven het globale gemiddelde uit. De artillerie en de gewone cavalerie verdienden zelfs meer dan het dubbele van de gemiddelde infanterist. Cijfermatig lag het globale gemiddelde voor de artillerie op 6,9 Rtlrn en voor de cavalerie in de enge betekenis op 6,5 Rtlrn. De dragonders verdienden niet zoveel als hun collega’s bij de enge cavalerie, maar staken met hun 5,7 Rtlrn nog steeds ver boven het globale legergemiddelde van Munster uit.
Waarom verdienden de infanteristen relatief zoveel minder in vergelijking met de andere afdelingen? Een redelijke verklaring voor de enorme discrepantie ligt echter niet voor de hand. Tenzij de gevolgde opleiding de doorslaggevende factor in de loonschaal was. Artilleristen en cavaleristen genoten wellicht een langere en intensievere opleiding om hun vak onder de knie te krijgen. Specifiek voor de cavalerie behoorde de voorkennis van het paardrijden tot een zeldzaamheid. Paardrijden was immers slechts weggelegd voor de maatschappelijke bovenlaag. Slechts de hogere klassen konden het zich permitteren om een paard te bezitten. Daarom werd de kennis van het paardrijden kennelijk naar waarde geschat in het Munsterse leger. Eveneens behoorden de artilleristen via een opleiding de vaardigheid te ontwikkelen om vakkundig met het geschut te werken. Zoals de cavaleristen werden ook zij naar waarde geschat. De infanteristen daarentegen dienden zich relatief weinig speciale vaardigheden eigen te maken. Naast de omgang met het geweer behoorde men de infanterie slechts een dosis discipline aan te leren. In verhouding tot een artillerie- of cavalerieopleiding stelde de infanterieopleiding weinig voor. Evenals de andere afdelingen werd ook de infanterie naar waarde geschat, hetgeen relatief laag uitkwam.
b) De campagnerekening van 1706
In tegenstelling tot het jaar 1700 was het jaar 1706 een zeer druk jaar op het vlak van militaire actie. In de Spaanse Nederlanden wonnen de Haagse geallieerden onder andere op 23 mei 1706 de zeer belangrijke Slag bij Ramillies. Hierdoor kon het merendeel van de Spaanse Nederlanden door de Haagse Alliantie bezet worden. De Munsterse campagnerekening van 1706 kan ons aantonen welk uitgavenpatroon voor Munster vereist was om aan een drukke militaire campagne deel te nemen. De campagnerekening van 1706 gaf ons aan hoe de uitgaven per maand gespreid waren. In tegenstelling tot de “Status generalis militar Monasteriensis” van 1700 bevat de campagnerekening van 1706 niet de maandelijkse uitgavensituatie. De onderstaande tabel toont echter slechts het aantal Reichstalern per maand.
|
Campagnerekening van de Munsterse troepen voor het jaar 1706 |
|
|
Maand |
Reichstaler |
|
Januari |
12.748;-;- |
|
Februari |
13.914;-;- |
|
Maart |
13.800;-;- |
|
April |
14.330;11;8 |
|
Mei |
16.521;26;1 |
|
Juni |
15.343;-;- |
|
Juli |
15.822;-;- |
|
Augustus |
16.181;-;- |
|
September |
15.385;-;- |
|
Oktober |
16.386;20;- |
|
November |
16.200;-;- |
|
December |
15.045;-;- |
|
SUBTOTAAL |
181.677;1;9 |
|
Dragonderfoerage |
5.964;-;- |
|
Ongespecif. aankoop |
28;-;- |
|
Betalingssaldo 1705 |
1.210;12;2 |
|
Reparatie van fort |
1.400;-;- |
|
JAARTOTAAL |
190.279;17;6 |
|
Bron: ML, 253, Status militiae 1706, f. 83r.-84r. |
|
Welke uitgaven achter deze cijfers zitten, deelde het document niet mee. Als uitzondering werden wel een aantal speciale uitgaven aangegeven, die niet in een maandelijks kader passen. Evenmin als de maandelijkse gegevens zijn deze speciale uitgaven altijd duidelijk geconstrueerd. Het bisdom Munster investeerde in de maand mei 1.400;-;- Rtlrn in de reparatie van een fort[106]. De anonieme opsteller van dit document vermeldde echter niet aan welk fort de reparatie in kwestie werd uitgevoerd. Ook omtrent de aard van de reparatie tasten we in het duister. Daarentegen vermeldde de opsteller de jaaruitgave voor de foerage van de dragonders apart[107]. In tegenstelling tot de uitgaven voor levensmiddelen voor de dragonders werden de levensmiddelenuitgaven voor de overige afdelingen niet op jaarbasis gegeven. Waarom werd deze uitgave van 5.964;-;- Rtlrn niet over de maandelijkse uitgaven verdeeld? Vermoedelijk kon een andere leverancier, die niet met rekeningen op maandbasis werkte, de oorzaak geweest zijn. Daarom werd de dragonderfoerage kennelijk op jaarbasis in de jaarrekening opgenomen. Het Munsterse leger verrichtte tijdens het jaar 1706 ook een aankoop ten bedrage van 28;-;- Rtlrn. De vraag is echter welke aankoop Munster precies verricht had. Wegens paleografische problemen kunnen we niet achterhalen wat het onderwerp van aankoop was. We weten slechts dat Munster 450 objecten ter waarde van -;30;21 Rtlrn per stuk aankocht voor het totaalbedrag van 28;-;- Rtlrn[108]. Ter afronding van de campagnerekening gaf men aan dat men in het jaar 1706 nog het betalingssaldo van 1705 ten bedrage van 1.210;12;2 Rtlrn afgerekend had. Dit bracht de totale campagnerekening voor het jaar 1706 op het bedrag van 190.279;17;5 Rtlrn[109].
Om het cijfermateiaal visueel tot haar recht te laten komen, hebben we hieronder de maanduitgaven van het jaar 1706 in een grafiek geplaatst. De grafiek maakt ons mogelijk om het verloop van het maandelijkse uitgavenpatroon tijdens het drukke campagnejaar 1706 op de curve te volgen. De X-as geeft de maanden weer, terwijl de Y-as het aantal Reichstalern voorstelt. De curve stelt op deze wijze het maandelijks uitgavenpatroon van het campagnejaar 1706 in Reichstalern voor. De visualisatie hebben we echter geoptimaliseerd door de Y-as te laten aanvangen op 12.000 Reichstalern. Hierdoor wordt de loop van de curve enigszins geaccentueerd ten opzichte van de relatief kleine afwijkingen tussen de verschillende maanden.

Het verloop van de curve vertoont nadrukkelijk drie hoogtepunten. De maanden mei, augustus en oktober waren kennelijk de topmaanden inzake de omvang van de uitgaven. Niet toevallig kan men de topmaanden situeren respectievelijk bij de aanvang, het midden en het slot van het campagnejaar 1706. Vermoedelijk cumuleerde Munster in de topmaanden verscheidene uitgaven die op langere termijn hun uitwerking hadden. Alleszins kunnen we de topperiode van het campagneseizoen van de grafiek afleiden. Vanaf de maand april gaat de curve steil omhoog naar het absolute hoogtepunt van 16.521;26;1 Rtlrn in mei. Waarom werd de hoogste uitgavenpiek juist in mei verwezenlijkt? De maand mei kende niet alleen de hoogste piek, maar ook een explosieve stijging tussen april en mei. Kennelijk ontwaakte men uit het winterkwartier met het besef dat men dringende uitgaven had te spenderen. Waarschijnlijk ondervond het leger dit terwijl de oorlogsraderen van een nieuwe campagne in werking begonnen te treden. Daarom werden tussen april en mei enkele hoogstnodige uitgaven gerealiseerd om het Munsterse leger opnieuw vlot op de been te krijgen.
Het campagneseizoen liep volgens de curve waarschijnlijk af in december. Tussen de aanvang van de campagne in mei en het eindpunt in december, bereikte het curveverloop tweemaal een duidelijk dal in de uitgaven. Ongeacht het volle campagneseizoen gaf Munster opmerkelijk minder uit tijdens de maanden juni en september. De topmaanden vereisten uitgaven die ruimschoots boven de 16.000;-;- Rtlrn stegen, terwijl de uitgaven van de dalmaanden ruim onder de 15.500;-;- Rtlrn staken. Het verschil tussen de pieken en de dalen bedroeg een kleine 1.000;-;- Rtlrn. Ten opzichte van de absolute maanduitgaven kan men dit bedrag enigszins in de hoogte relativeren. Het verschil tussen de piek- en de dalmaanden speelde zich op relatief kleine proporties af. Toch vertoont de curve een bepaalde trend dankzij dit verschil. De trend representeert de cyclische beweging van de uitgaven tot op een bepaald niveau. Bepaalde uitgaven herhaalden zich klaarblijkelijk om de 1 à 2 maanden.
Anders dan in het hoogseizoen gaf Munster tijdens de eerste maanden beduidend minder uit aan het leger. De campagne lag tijdens deze wintermaanden stil wegens het koude seizoen. Het oorlogvoeren werd ernstig gehinderd door de winter. Daarom lagen de Munsterse contingenten zoals alle andere geallieerde contingenten in een winterkwartier het einde van de winter af te wachten. In de lijn der verwachtingen zou de curve niet zo drastisch verzonken mogen zijn als het geval was. De maand januari vereiste het absolute dieptepunt van de uitgaven tijdens het campagnejaar 1706. Slechts 12.748;-;- Rtlrn werden in januari uitgegeven. Februari en maart scoorden weinig hoger met hun uitgaven van respectievelijk 13.914;-;- en 13.800;-;- Rtlrn. In vergelijking met de topmaanden mei, augustus en oktober stelde dit relatief weinig voor. Ondanks de passieve oorlogssituatie slorpte het Munsterse leger toch nog geld op voor de voedselvoorziening en de soldij. Waarom kan het uitgavenpatroon van het eerste kwartaal ondanks de essentiële behoeften een dergelijk laag curveverloop bereiken? Het gros van het Munsterse leger was gesubsidieerd door de zeemachten. Dergelijke subsidieverdragen voorzagen meestal in de kostendeling van de winterkwartieren als de troepen in kwestie buiten het Heilige Roomse Rijk bivakkeerden. De regimenten verwierven dan bijzondere vergoedingen, die rijkelijk aangevuld werden met giften[110]. De onderhoudskosten daalden in de winter dankzij de extra financiële prestaties van de hurende grootmachten. In de realiteit gebeurde een dergelijke financiële tussenkomst bij de Munsterse troepen die in winterkwartier lagen. Meteen is de discrepantie tussen het uitgavenpatroon van het hoogseizoen en dat van de winterperiode verklaard.
Aangezien de winter financieel gesponsord werd door de hurende grootmachten, zouden we een dergelijke tendens ook mogen verwachten voor de overige wintermaanden november en december. De curve toont ons echter aan dat er klaarblijkelijk geen sprake was van een intensieve daling in de Munsterse uitgaven. Na de laatste piek in oktober daalde het verloop van de curve evenwel, maar niet zo drastisch als we zouden kunnen vermoeden. De piek van oktober ten bedrage van 16.386;20;- Rtlrn was slechts weinig hoger dan de uitgave van 16.200;-;- Rtlrn in november. Zelfs het bedrag van december lag juist boven de grens van de 15.000;-;- Rtlrn. Hierdoor scoorde december 1706 meer dan 2.000;-;- Rtlrn hoger dan januari 1706. Zou het uitgavenpatroon van 1706 een aansluitend vervolg hebben voor 1707? Helaas bezitten we niet de gegevens betreffende het campagnejaar 1707. Daarom kunnen we de uitgaven van december 1706 en januari 1707 niet met elkaar vergelijken. Het enige dat de onwaarschijnlijke hoogte van de twee laatste maanden kan verklaren, zijn de beslommeringen direct na de afloop van het actieve campagneseizoen. De wonden die opgelopen werden tijdens de geleverde veldslagen en belegeringen, werden kennelijk gelikt. Het herstel van de geleden schade droeg vervolgens bij om de uitgaven tijdens de laatste twee maanden de hoogte in te jagen.
c) De vergelijking tussen de uitgaven van 1700 en 1706
De gegevens van de ““Status generalis militar Monasteriensis”” van 1700 representeren de uitgaven van het Munsterse leger voor één maand tijdens de vredestoestand tussen twee oorlogen, namelijk de Negenjarige Oorlogen de Spaanse Successieoorlog. De campagnerekening van 1706 representeerde daarentegen het maandelijkse uitgavenpatroon om het Munsterse leger tijdens de drukke campagne van 1706 op de been te houden. Wanneer we deze twee rekeningen vergelijken, kunnen we achterhalen hoe het bisdom Munster de omschakeling van het leger in vredestoestand naar oorlogsomstandigheden gerealiseerd heeft.
Een dergelijke omschakeling naar de oorlogstoestand hield een schaalvergroting van het leger in. Het Munsterse leger steeg in aantal van 4.448 soldaten in 1700 tot circa 8.500 in 1706. Deze welhaast verdubbeling van het aantal soldaten zou haar weerspiegeling in de uitgaven behoren te kennen. De verwachtingen omtrent de relatie tussen de soldatenverdubbeling en haar weerslag op de uitgaven worden evenwel teleurgesteld. Alleen aan soldij gaf Munster in 1700 reeds 16.517;-;- Rtlrn uit. Dit bedrag is nagenoeg identiek aan het bedrag dat Munster in de absolute piekmaand mei 1706 aan de campagne spendeerde. In tegenstelling tot 1700 waren in mei 1706 de Munsterse contingenten in volle actie getreden. Daarom lijkt elke evenredigheid tussen 1700 en 1706 ver zoek. Welke verklaring kan desondanks achter deze grote onevenredigheid schuilen?
Ten dele kan de oplossing van deze kwestie op het vlak van de subsidieverdragen liggen. Het bisdom Munster had in 1700 nog geen subsidieverdrag afgesloten, terwijl tijdens het jaar 1706 twee subsidieverdragen van kracht waren. De Ahauser Alliantie van 1701 stipuleerde dat Munster het 2.000 man tellende subsidiecontingent volledig op eigen kosten had te onderhouden[111]. De Haagse Conventie van 1703 bepaalde daarentegen dat het nieuwe 2.400 man tellende tweede contingent door de Staten-Generaal en Engeland gezamenlijk op regelmatige wijze betaald behoorde te worden[112]. Hierdoor werd het bisdom verlicht van de soldij en het onderhoud van het tweede contingent. Slechts ca. 6.000 man was alsnog volledig ten laste van Munster. Dit aantal telde echter nog steeds ongeveer 1.500 man meer dan de vooropgestelde 4.448 man van 1700. Bijgevolg verkreeg de vooropgestelde evenredigheid tussen het troepenaantal en de uitgavenhoogte enigszins een reële toon. Toch is de onevenredigheid lang niet opgeklaard. De hamvraag blijft hoe Munster in 1706 naar verhouding 1.500 man meer onderhield met relatief minder uitgaven dan in 1700. Een redelijke verklaring hiervoor ligt niet in onze mogelijkheden.
2.2 De participatie van het Munsterse leger aan de geallieerde campagne in het Heilige Roomse Rijk
De Spaanse Successieoorlog was geen oorlog die zich volledig buiten het Rijk afspeelde. Het Heilige Roomse Rijk telde twee interne vijanden die een bondgenootschap aangegaan waren met het Frankrijk van Lodewijk XIV, de Rijksvijand nummer 1. De keurvorsten van Beieren en Keulen hadden subsidieverdragen met Frankrijk afgesloten[113]. Daarop verklaarde keizer Leopold I te Larenburg op 15 mei 1702 de oorlog aan Frankrijk en aan de hertog van Anjou. Alle Rijksvorsten, de Rijksstanden en de onderdanen werden aangemaand om de keizer te helpen tegen de Franse dreiging[114]. Hierdoor vertrokken ook de Munsterse troepen als onderdeel van de Nederrijns-Westfaalse Kreistroepen naar de fronten in Keulen en Zwaben. Welke rol speelde het Munsterse leger bij de respectievelijke fronten? Wie had de supervisie over de regimenten van Munster? Aan welke veldslagen en belegeringen nam het Munsterse leger deel? Verrichten de Munsterse Kreistroepen bijzondere daden? Waren Munsterse soldaten betrokken bij plunderingen en andere gewelddadigheden? De vragen zijn talrijk, de antwoorden daarentegen behoorlijk schaars. In de mate van het mogelijke zullen we pogen om hieronder de antwoorden op de evidente vragen te distilleren
2.2.1 De veldtocht in Keulen (1702-1703)
De allereerste militaire actie op Duitse bodem tijdens de Spaanse Successieoorlog werd in het aartsbisdom Keulen ondernomen. De Keulse keurvorst en Luikse prins-bisschop Joseph Clemens had dankzij de Franse subsidies in 1701 een alliantieverdrag met Frankrijk afgesloten[115]. Dit bracht de oorlog in de onmiddellijke nabijheid van het bisdom Munster. Bovendien was het aartsbisdom Keulen onder andere omstandigheden een belangrijk lid van de Nederrijns-Westfaalse Kreis. Daarom telde het regionale instituut voor de organisatie van de verdediging, een vijand onder de eigen rangen. De Nederrijns-Westfaalse Kreis besloot bijgevolg om de interne vijand te isoleren. Dit betekende dat de vrije rijksstad Keulen met Kreistruppen werd bezet. De bezetting van de stad Keulen werd op 12 november 1701 in de stad zelf door de overige Kreisleden afgesproken[116]. Het 5.000 soldaten tellende bezettingsleger rukte snel na de ondertekening uit om haar post in te nemen. Logischerwijze zou het bezettingsleger, nadat de oorlog was begonnen, in actie getreden zijn. De vrije rijksstad Keulen was immers een begeerd doel van enorm strategisch belang. Toch kunnen we aannemen dat de strijd om het aartsbisdom Keulen zich concentreerde op de overige gebieden van Keulen. In ieder geval hebben we geen bewijs gevonden dat het Munsterse deel van de Kreistroepen effectief deelgenomen heeft aan de gevechten in Keulen. Daarom verkeren we in de onzekerheid omtrent de werkelijke gebeurtenissen die zich te Keulen afgespeeld hebben.
In tegenstelling tot de schaarse gegevens omtrent de mogelijke acties van de Munsterse Kreistroepen, zijn we grondiger geïnformeerd over de Munsterse subsidietroepen. Evenals de Nederrijns-Westfaalse Kreis was de Haagse Alliantie niet afwachtend aan de kant blijven toekijken. In de campagnejaren 1702 en 1703 concentreerde de Alliantie haar krachten deels op de regio Keulen. De Munsterse subsidietroepen namen tijdens het campagnejaar 1702 niet deel aan de veldtocht in Keulen. Een aanslepende financiële kwestie over een achterstallige schuld van Engeland zorgde ervoor dat bisschop Friedrich Christian zijn troepen niet uit het bisdom liet vertrekken. Daarom verwachtte de Haagse Alliantie in het voorjaar van 1703 de komst van de twee subsidiecontingenten tegelijkertijd. De geallieerde opperbevelhebber van Engelse zijde, John Churchill, prins en hertog van Marlborough, maakte zich in april 1703 grote zorgen omtrent de aankomst van de Munsterse troepen. Hij deelde op 16 april 1703 deze zorg per brief met de Hollandse raadspensionaris Anthonie Heinsius. “I am afraid, if you doe not hasten the Munster troupes and the regiment of Osnibrugh, thay will not come time enough for the siege.”, schreef Marlborough aan Heinsius[117]. Marlborough was op dat ogenblik onderweg naar Bonn, om er de supervisie over de belegering van deze stad persoonlijk op zich te nemen.
Prins-bisschop Friedrich Christian was ondertussen volop aan het werk om de geplande mars naar Bonn te laten doorgaan. Op 18 april 1703 schreef hij omtrent deze mars naar de rentmeester van het Ambt Dülmen, Johann Adolph von Raesfeldt. Hij deelde de rentmeester mee dat hij het contingent op vlak van manschappen paraat behoorde te houden. Von Raesfeldt kon de mars naar de Rijn, waar het regiment zou worden samengebracht, eerstdaags verwachten. Daarom diende hij dringend voor de nodige munitie te zorgen[118]. Friedrich Christian nam de mars duidelijk ernstig op. Hij handelde nu de laatste logistieke zaken af, waarna de twee contingenten effectief naar Bonn konden marcheren.
Op 24 april 1703 had men Marlborough verzekerd dat de Munsterse troepen in Bonn zullen zijn[119]. De uitgever van de correspondentie tussen Marlborough en Godolphin, verschafte enige randinformatie omtrent Marlborough en de belegering van Bonn. Hij lichtte hij de lezer toe dat de Munsterse troepen uiteindelijk op 29 april in Bonn arriveerden[120]. Uitgaande van deze informatie kunnen we concluderen dat de Munsterse subsidiecontingenten effectief deelgenomen hebben aan de belegering van Bonn. Daarentegen tastten we volledig in het duister omtrent de ervaringen die het Munsterse leger in Bonn heeft opgedaan.
2.2.2 De veldtocht in Zwaben (1703-1704)
Behalve Keulen stond ook Beieren dankzij de subsidies aan de kant van Frankrijk. Voor de keurvorst van Beieren stond echter meer op het spel. Sinds 1692 was Maximiliaan II Emanuel van Beieren gouverneur van de Spaanse Nederlanden. Na het overlijden van de Spaanse koning Karel II in 1700, sloot hij een neutraliteitsverdrag af met de Franse koning Lodewijk XIV. Behoudens de ogenschijnlijke neutraliteit sloten Beieren en Frankrijk een aantal geheime bepalingen af. Daarin werd hij onder andere herbevestigd in de functie van gouverneur van de Spaanse Nederlanden onder Filips V[121]. Terwijl hij voor de schijn onderhandelde met de keizer over subsidietroepen, veroverde hij op 29 augustus 1702 onverwachts de vrije rijksstad Ulm in Zwaben[122]. Keizer Leopold I antwoordde op deze verrassingsaanval op 18 september 1702 met een brief naar alle Kreise. Als inleiding deelde hij de situatie te velde mee. Beieren bezette de vrije rijksstad Ulm en bedreigde Zwaben en Franken. Vervolgens riep hij alle geassocieerde Kreise op om de assistentie te verlenen die in de associatierecessen gestipuleerd was[123]. Zodoende had Munster als lid van de Nederrijns-Westfaalse Kreis op de oproep te reageren. Evenals de keizer waren de Haagse bondgenoten verbaasd over de verrassingsaanval. De reactie volgde tijdens het campagneseizoen 1703 met de geallieerde verovering van de steden Neuburg en Regensburg[124].
De vroegste aanwezigheid van Munsterse troepen in Zwaben kan men in de lente van 1704 waarnemen. Friedrich Christian schreef omtrent de Munsterse troepen op 18 mei 1704 een brief naar de keizerlijke generaal-veldmaarschalk-luitenant Hermann Otto, graaf van Limburg-Styrum. De bisschop vroeg Limburg-Styrum om een gunst betreffende de plaatsing van de Munsterse troepen onder zijn bevel. Friedrich Christian had graag gezien dat de keizerlijke bevelhebber in Zwaben het regiment te paard van brigadier Nagels samen met niet nader bepaalde Westfaalse Kreistroepen onder zijn hoede nam. Behalve deze twee regimenten, verzocht Friedrich Christian, om het infanterieregiment onder leiding van obrist Zimmer, eveneens tezamen met de cavalerie te laten marcheren en opereren[125]. Uit deze brief blijkt dat in mei 1704 minstens twee Munsterse regimenten in Zwaben aanwezig waren. Behalve de stellige aanwezigheid van het cavalerieregiment van Nagel en het infanterieregiment van Zimmer, sprak de bisschop zich uit voor een niet nader genoemd contingent Kreistroepen. Deze Westfaalse Kreistroepen werden helaas niet uitvoeriger gespecificeerd. Daarom kunnen we de mogelijkheid niet uitsluiten, dat dit contingent Kreistroepen eveneens tot het Munsterse leger behoorde. Minstens twee, mogelijk drie Munsterse regimenten bevonden zich derhalve in Zwaben. In welke mate werden de Munsterse regimenten daadwerkelijk gebruikt bij de geallieerde campagne tegen Beieren?
De beslissende slag in Zwaben geschiedde op 13 augustus 1704 in het veld tussen de Donaudorpen Höchstädt en Blenheim. De geallieerden wonnen de veldslag op een verpletterende wijze, waardoor Maximiliaan II Emmanuel zich genoodzaakt zag om spoorslags naar de Spaanse Nederlanden te vluchten. Het keurvorstendom Beieren sorteerde voortaan onder het bestuur van de keizer, totdat de vrede getekend was. De Munsterse Kreistroepen waren zoals we in de vorige alinea bewezen hebben, in mei 1704 aanwezig in Zwaben. Daarom ligt het in de lijn van de verwachtingen dat Munster effectief aan de Slag bij Höchstädt-Blenheim deel nam. Desondanks leven we in onzekerheid omtrent de opstelling van de Munsterse regimenten in de geallieerde slagorde van die betreffende dag. Jean Dumont, baron de Carelscroon, weidde in zijn werk De oorlogskundige beschrijving van de veldslagen en belegeringen uit over deze doorslaggevende slag[126]. In tegenstelling tot vele andere veldslagen, reproduceerde hij echter geen slagorde van de Slag. Evenmin noemde hij de daden van de Munsterse troepen bij naam. Daarom kunnen we niet besluiten dat Munster effectief deelgenomen heeft aan de Slag bij Höchstädt-Blenheim. Enerzijds waren de Munsterse troepen in hetzelfde campagnejaar in Zwaben gesignaleerd, anderzijds zwijgen de bronnen omtrent de feitelijke aanwezigheid op het slagveld in kwestie.
2.2.3 De verdedigingslinie aan de Opperrijn (1713)
Het Frankrijk van Lodewijk XIV was steeds een latente dreiging voor de hele Rijnstreek. Daarom organiseerde de keizer een verdedigingslinie om Frankrijk aan de linkeroever van de Rijn te houden. Om deze linie te optimaliseren, zond Eugeen van Savoye in 1713 twee Munsterse bataljons naar de Opperrijn. Hij beklaagde zich op 7 september 1713 bij graaf Alexander Otto von Velen over het feit dat de order nog niet was opgevolgd. De twee bataljons in kwestie hadden van Eugeen het bevel gekregen om naar Ketsch te marcheren. Deze plaats ligt tussen Speyer en Heidelberg op het grondgebied van de Keurpalts. Eenmaal aangekomen in deze plaats aan de Opperrijn, behoorden de Munsterse bataljons er te verblijven. Het commando over de bataljons werd in Ketsch uitgeoefend door de generaal van de cavalerie, graaf van Fels, en de veldmaarschalk-luitenant, Freiherr van Fechenbach[127]. Aangezien deze brief de enige bron is die informatie verschaft over de aanwezigheid van de Munsterse troepen aan de Opperrijn, kunnen we niets meer aan de zaak toevoegen. De Munsterse troepen, zij het slechts twee bataljons, bevonden zich aan de Rijn om deze natuurlijke grens te bewaken tegen een potentiële Franse invasie. Vermoedelijk was hun aanwezigheid pro forma. De Vrede van Utrecht was reeds op 14 maart 1713 ondertekend, en de Vrede van Rastatt was in de onderhandelingsfase[128].
2.3 De deelname van het Munsterse leger aan de geallieerde campagne in de Spaanse Nederlanden
Na het overlijden van de Spaanse koning Karel II, claimde de Franse troonpretendent Filips V de Spaanse troon met inbegrip van de Spaanse Nederlanden. Met medewerking van de toenmalige gouverneur Maximiliaan II Emmanuel van Beieren verbrak hij in 1701 de Barrière. Vervolgens bezette hij de Spaanse Nederlanden[129]. Munster werd door de opname in de Haagse Alliantie betrokken in het oorlogstafereel van de Spaanse Nederlanden. In het toetredingsverdrag tot de Haagse Alliantie van 5 mei 1703, behoorde de recuperatie van de Spaanse Nederlanden voor aartshertog Karl van Habsburg tot de uitdrukkelijke doelstellingen van de Alliantie[130]. Het Munsterse leger, vooral de subsidiecontingenten, trokken vervolgens tezamen met de overige geallieerde troepen, op om de Spaanse Nederlanden te heroveren. In eerste instantie viel de Haagse Alliantie de Spaanse Nederlanden vanuit het noordoosten binnen. Na de verovering van Spaans Gelderen, werd spoedig de provincie Limburg geallieerd bezit[131]. De grootste slag sloegen de geallieerden echter in 1706 in de Slag bij Ramillies. Dankzij de zege in Ramillies, kon de Haagse Alliantie de hand leggen op de provincies Brabant, Mechelen en het leeuwendeel van Vlaanderen[132]. Hierna kenterde de situatie drastisch. Frankrijk heroverde Vlaanderen en in de volgende campagnes zagen de geallieerden zich geconfronteerd met lastige belegeringen van de Vlaamse steden[133]. De Slag bij Ramillies stelde voor de Alliantie dan ook enerzijds een grote overwinning voor, maar anderzijds het begin van de aanslepende strijd om Vlaanderen. Daarom hanteren we Ramillies als trendveranderende factor in de veldtocht in de Spaanse Nederlanden. Behalve Ramillies (1706) betekende ook de Slag bij Malplaquet (1709) een kentering in de situatie in de Spaanse Nederlanden. De provincie Henegouwen met uitzondering van Charleroi kwam in handen van de geallieerden. Hierdoor verplaatste Maximiliaan II Emanuel zijn regeringszetel voor de tweede keer op enkele jaren tijd. De nieuwe hoofdstad werd Namen, waar hij het uithield tot het einde van de oorlog[134].
2.3.1 De veldtocht tot de geallieerde zege in Ramillies (1702-1706)
De Haagse Alliantie besloot om de herovering van de Spaanse Nederlanden aan te vatten vanuit het noordoosten. De Verenigde Provincies keken reeds langer begerig naar de Spaanse provincie Opper-Gelderen. De Gelderse Maassteden Roermond en Venlo hadden bovendien een groot strategisch belang[135]. Wanneer Spaans Gelderen in 1702 grotendeels heroverd was op Frankrijk, werd dit gebied voorlopig door de Republiek bestuurd[136]. Het volgende campagnejaar kreeg een nieuwe doelstelling. Behalve de herovering van de Spaanse Nederlanden, stelde de Haagse Alliantie zich onvermijdelijk tot doel om de Franse opmars in de richting van de Republiek te stoppen. Daartoe concentreerde de Alliantie haar troepen ten noorden van Antwerpen. Marlborough en de veldmaarschalk van de Republiek, Hendrik van Ouwerkerk, stelden op 4 juni 1703 de slagorde van het geallieerde leger op. De slagorde bevatte slechts één Munsters infanteriebataljon. Brigadier von Landsberg voerde zijn bataljon en de bataljons van Albemarle en Rantzau aan. Het regiment was centraal in de eerste linie opgesteld. De kennis omtrent de Munsterse afkomst van von Landsberg werd in hetzelfde werk verstrekt. De auteur nam de volledige slagorde van 1709 in het werk op. Hierin vermeldde hij expliciet dat von Landsberg tezamen met von Elberfeldt en von Düren tot het Munsterse regiment behoorden[137]. Bovendien behoorde de adellijke familie von Landsberg, als leden van het Domkapittel, tot de machtigste kringen van het bisdom[138]. De bevelstructuur waaronder brigadier von Landsberg sorteerde, geven we op de volgende bladzijde weer.
De opperbevelhebber over het Munsterse bataljon was de veldmaarschalk van Ouwerkerk. Niet Engeland, maar de Verenigde Provincies stonden aan het hoofd van het Munsterse contingent. Kennelijk had Marlborough na het beleg van Bonn het bevel over dit bataljon aan van Ouwerkerk overgedragen.
Bevelstructuur van het Munsterse regiment van brigadier von Landsberg

In deze slagorde startte het geallieerde leger op 30 juni 1703 aan de Slag bij Ekeren. De Haagse Alliantie won de slag, waardoor Frankrijks opmars naar de Verenigde Provincies verijdeld werd. De slagorde bleek toch een verandering ondergaan te hebben. In tegenstelling tot het ene contingent van von Landsberg, heeft meer dan één Munsters regiment aan de Slag bij Ekeren deelgenomen. Bij het opsommen van de verliezen kwam dit tot uiting. Samen met de regimenten van Fagel, Friesheym, Nassau-Weilen, deelde één van de Munsterse regimenten het ergste in de verliezen[140]. Het regiment in kwestie stond onder bevel van von Elberfeldt. De verliezen werden opgelopen bij de aanval op de Franse post in Muysbroek, een gehucht van Hoevene. De aanval mislukte en de Fransen stormden daarop naar de geallieerden. “Maar in tegendeel kwam de Vijand op ons aan, en wierdt de Munstersche Generaal-Majoor Elberfeldt wakker door hen aangetast, en geraakte met ’t voetvolk in een scherp Gevecht, omtrent twee a drie uuren naa den middag.”[141]. De Munsterse infanteriegeneraal von Elberfeldt kwam zodoende in een heftige tegenaanval van het Franse leger terecht. Hierdoor leed het regiment grote schade. De auteur loofde hem samen met Fagel en Friesheym wegens de dapperheid en het goede beleid dat ze op het slagveld getoond hadden[142]. Indien we Dumont kunnen geloven, wonnen de geallieerden de Slag bij Ekeren mede dankzij de uitstekende prestaties van een Munsters regiment. De eerste belangrijke slag in de Spaanse Nederlanden werd meteen met de actieve hulp van Munster beslist. In ieder geval leed het regiment in kwestie grote verliezen, hetgeen slecht nieuws was voor de Munsterse bisschop.
Op het einde van het campagnejaar 1703 trad nog een
Munsters contingent in actie. De slagorde voor de Slag bij de Mehaigne op 28
oktober 1703 vermeldde de aanwezigheid van brigadier Nagel in het centrum van de
tweede linie. Voor deze slag aan de zijrivier van de Maas tussen Namen en Luik,
voerde generaal graaf de Noyelles het opperbevel. Nagel zelf resideerde
merkwaardig genoeg onder een andere brigadier, namelijk Morray. Boven brigadier
Morray stond generaal-majoor Oxenstierna. Evenals zijn superieur
luitenant-generaal Dopff, was hij in dienst van de Staten-Generaal