"Amitié sincère?" Het prinsbisdom Munster en de Haagse Alliantie tijdens
de Spaanse Successieoorlog (1701-1714). (Kristof Selleslach)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Hoofdstuk I

 

Inleiding: Een algemene situatieschets

 

1.1 De Spaanse Successieoorlog

 

            Men kan niet over de Spaanse Successieoorlog heen wanneer men een historisch onderzoek onderneemt naar de betrekkingen tussen de Haagse Alliantie en het prinsbisdom Munster. De Haagse Alliantie, ook de Tweede Haagse Alliantie of Grote Alliantie genoemd, was één van de twee toonaangevende allianties in de Spaanse Successieoorlog[17]. De betrekkingen tussen Munster en de Haagse Alliantie speelden zich bijgevolg af in het allesomvattende kader van de Spaanse Successieoorlog. Omdat deze oorlog een zodanig belangrijke rol in deze verhandeling opeist, achten we het nuttig om vooreerst de situatie van de Spaanse Successieoorlog kenmerkend te schetsen. Welke oorzaken staken achter de oorlog? Op welke fronten werd de oorlog uitgevochten? Gedurende de volgende hoofdstukken kunnen we steeds teruggrijpen op deze informatie, zodat we de algemene context niet uit het oog verliezen.

 

1.1.1 De erfopvolging van de Spaanse troon

 

            Zoals vele oorlogen in de Nieuwe Tijd, was de Spaanse Successieoorlog in wezen een erfeniskwestie tussen vorsten. Om de situatie te verduidelijken, geven we hieronder de precieze stamboom van de Spaanse erfopvolging weer. De drie huizen die aanspraak op de Spaanse troon maakten, werden er naast elkaar weergegeven.

 

Bron: FECKL, Preußen im Spanischen Erbfolgekrieg, 46.

 

            Uit de bovenstaande stamboom trad koning Filips III (1598-1621) als stamvader naar voren. Zowel de Franse koning Lodewijk XIII (1610-1643) als keizer Ferdinand III (1637-1658) waren zijn schoonkinderen. Daaruit volgt dat Lodewijk XIV (1643-1715) en Leopold I (1658-1705) de kleinkinderen van Filips III waren. Deze twee kleinkinderen verhoogden hun verwantschap met de Spaans-Habsburgse familielijn door een dochter van Filips IV (1621-1665) te huwen. Hierdoor werden Lodewijk XIV en Leopold I zowel de neven als de schoonbroers van de Spaanse koning Karel II (1665-1700). De drie Huizen waren bijgevolg dubbel met elkaar verbonden. Zowel de Franse als de Oostenrijkse kant van de stamboom van de Spaanse opvolging waren het spiegelbeeld van elkaar. Erfrechtelijk konden Lodewijk XIV en Leopold I evenveel aanspraak maken op de Spaanse troon na het overlijden van Karel II. In de werkelijkheid dacht geen van beide eraan om zelf de Spaanse kroon op het hoofd te plaatsen. De andere grootmachten zouden nooit toestemmen met een machtsaccumulatie van dergelijke grootte. Het principe van evenwicht tussen de grootmachten zou anders op de helling komen te staan[18]. Daarom had men een algemene consensus bereikt over de Spaanse troonopvolging. Joseph Ferdinand, zoon van keurvorst Maximiliaan II Emanuel van Beieren, was voor iedereen een valabele kandidaat als opvolger van Karel II. Niettemin overleed Joseph Ferdinand reeds in 1699[19]. “With the death of the electoral prince in February 1699, events escaped the control of human beings, and Europe was set on a course which only a miracle could have prevented the outbreak of war.[20]. Lodewijk XIV en Leopold I opteerden nu elk voor een andere pretendent[21]. Lodewijk XIV schoof zijn kleinzoon Filips van Anjou naar voor. Leopold I daarentegen verhief zijn tweede zoon, aartshertog Karel van Habsburg, tot de pretendent. Karel II had zelf vlak voor zijn overlijden een testament opgesteld. Hierin stelde hij Filips van Anjou aan tot zijn opvolger[22].

 

1.1.2 De oorlogsdoelstellingen van de Haagse Alliantie

 

            Wanneer Filips van Anjou in februari 1701 gezwind Madrid introk, bezette hij de Spaanse troon als koning Filips V (1701-1746). De andere grootmachten kwamen voor een voldongen feit te staan. Daarom ging er enige tijd overheen voordat de andere grootmachten reageerden. De Haagse Alliantie werd september 1701 opgericht. De stichters waren de Verenigde Provincies, de keizer en Engeland[23]. Uiteraard hadden deze drie grootmachten verschillende motieven om aan Frankrijk de oorlog te verklaren.

 

            De zeemachten, Engeland en de Republiek, hadden gelijklopende doelstellingen. Men kan dit deels verklaren wegens de personele unie. Sinds de “Glorious Revolution” van 1689 was de prins van Oranje de Britse koning Willem III (1689-1702). Als stadhouder van de voornaamste provincies en als Brits monarch bracht hij beide landen in de anti-Bourbon liga. Niettemin overleed hij in maart 1702, voordat de Haagse Alliantie de oorlog aan Frankrijk had verklaard. De nieuwe Britse vorstin Anna I Stuart (1702-1714) werd bijgevolg in een oorlog meegesleurd aan de zijde van de Republiek, Engelands grote handelsrivaal. In deze omstandigheden stelde Engeland nieuwe doelstellingen op over hetgeen men wilde bereiken aan de oorlogsdeelname. Het belangrijkste doel van Engeland lag niet op het Europese continent maar in de Spaanse kolonies in Amerika. De handel in Amerikaanse producten was enorm winstgevend. Spanje had de handel evenwel gemonopoliseerd. Engeland hoopte derhalve de ontsluiting van de Spaanse kolonies te bekomen. Het argument tegen Frankrijk was eveneens economisch geïnspireerd. Engeland had de intentie om behalve de politieke ook de economische machtspositie van Frankrijk af te brokkelen[24].

 

De Verenigde Provincies hadden gelijklopende doelstellingen als Engeland. Eveneens zocht de Republiek toegang tot de handel met de Spaanse kolonies in Amerika. De imperialistische koers van Frankrijk op het continent keerde zich steeds opnieuw tegen de Verenigde Provincies. De Republiek had een nieuwe aanval op haar grondgebied voorzien. Daarom waren de Staten-Generaal zeer bedrijvig om een anti-Franse coalitie te organiseren. Bovendien wilden de Staten-Generaal, zoals Engeland, Frankrijks economische en politieke machtspositie in Europa verzwakken. Op deze wijze vonden de zeemachten ondanks het einde van de personele unie toch grote overeenkomsten inzake de oorlogsmotieven. Frankrijk was evengoed de handelsrivaal van Engeland als van de Republiek. Daarom verenigden Engeland en de Verenigde Provincies hun krachten om de handelsconcurrent Frankrijk te verzwakken. Bovendien bevonden ook de rijke Spaanse kolonies zich in het middelpunt van de erfopvolgingstrijd. Bij de toekomstige vrede zou de Spaanse koning zijn kroon misschien afkopen met één van de Caribische suikereilanden[25]. De periode van de personele unie bevorderde alleszins de samenwerking tussen de zeemachten. Willem III organiseerde een Europese taakverdeling. In functie van deze taakverdeling maakte hij de Republiek als zeemogendheid ondergeschikt aan Engeland. De vloot van de Republiek werd achtergesteld ten opzichte van het landleger. Hierdoor was de internationale politieke koers van de Staten-Generaal na het overlijden van de prins van Oranje uit het lood geduwd[26]. De Republiek werd op deze wijze gedwongen tot verdere samenwerking met Engeland. Ze organiseerden samen de logistiek achter de campagnes aan de verschillende fronten[27]. De nalatenschap van Willem III werd derhalve niet vergeten.

 

            Het enige lid van de Haagse Alliantie dat de verovering van de Spaanse kroon als belangrijkste doel stelde, was de keizer. Leopold I streefde er naar om de uitgestorven lijn van de Spaanse Habsburgers voort te zetten met de Oostenrijkse Habsburgers. Daarom ambieerde hij de kroning van zijn zoon Karel tot koning van Spanje. Omdat Karel slechts de tweede zoon was, kwam hij normalerwijze niet in aanmerking om keizer te worden. Uiteindelijk volgde Karel tijdens de Spaanse Successieoorlog in 1711 zijn broer Jozef I (1706-1711) op als Karel VI (1711-1740). Niemand had met deze mogelijkheid rekening gehouden bij de aanvang van de oorlog[28]. Behalve de Spaanse kroon voor zijn zoon, wilde Leopold I de expansionistische reuniepolitiek van Frankrijk ongedaan maken. In de voorafgaande oorlogen had Lodewijk XIV bijna alle rijksgebieden ten westen van de Rijn veroverd[29]. Het hertogdom Lotharingen was hierdoor vrijwel ingesloten door Frans grondgebied. Leopold I wilde Frankrijk terugdringen uit deze regio, omdat hij onder meer verwant was aan de hertog van Lotharingen[30].

 

            Behalve de grootmachten sloten nadien vele kleine staten bij de Haagse Alliantie aan. De motieven van alle kleine staten weergeven, zou ons echter te ver leiden. Daarom beperken we ons tot Brandenburg-Pruisen. Het nagelnieuwe koninkrijk speelde bovendien een belangrijke rol voor het prinsbisdom Munster. De Pruisische westelijke provincies maakten deel uit van dezelfde Kreis als Munster. Daarom had Munster een groot belang bij Pruisen wegens de organisatie van de Kreisverdediging. Keizer Leopold I had Pruisen in 1701 tot een koninkrijk verheven. De keizer hoopte hierdoor Pruisen hechter aan het Rijk te binden. Bovendien bevorderde deze beslissing de loyaliteit van Frederik I (1688/1701-1713) aan de keizer[31]. Hierdoor werd Pruisen min of meer tot de toetreding in de Haagse Alliantie verplicht. Bovendien werd Pruisen ook tot deelname gedwongen om haar westelijke provincies te beschermen. De Keulse keurvorst was een bondgenoot van Frankrijk. Daarom was de bedreiging reëel dat er een vijandelijke invasie zou plaatsgrijpen in de westelijke provincies[32]. Door de combinatie van wederdienst en dreiging schaarde Pruisen zich aan de kant van de Haagse Alliantie.

 

 

1.2 Achtergrondstudie van de belangrijke personen

 

            Gedurende deze verhandeling zullen we te maken hebben met verschillende personen. Sommigen duiken slechts eenmalig op in onze verhandeling. Andere personen zullen meermaals in beeld komen wegens hun betrokkenheid tot het onderwerp. In de eerste plaats denken we aan de twee bisschoppen van Munster die tijdens de Spaanse Successieoorlog regeerden. Bovendien hebben ook de beslissingen en de daden van enkele hoogstaande buitenlandse machthebbers een grote invloed uitgeoefend op de uiteindelijke historische feiten. De beslissingen die ze genomen hebben zullen regelmatig grote consequenties teweeg brengen voor het verdere verloop van onze thema’s. Daarom hebben we nood aan achtergrondinformatie om deze personen in hun daden te kunnen duiden. Voordat we echt met de these beginnen, verdiepen we ons dus kort in de levensloop van de voornaamste personen.

 

1.2.1 De bisschoppen van Munster

 

1.2.1.1 Friedrich Christian von Plettenberg (1688-1706)

 

            In de regel stamden de Westfaalse prins-bisschoppen af van de lokale Rijksridderschap[33]. Friedrich Christian was geen uitzondering. Zijn geboorte in 1644 schiep een nieuwe bloedband tussen twee vooraanstaande adellijke families uit de Westfaalse regio. Zijn vader was Freiherr Bernhard von Plettenberg. Aan moederskant stamde Friedrich Christian af van de adellijke familie von Fürstenberg[34]. Van kleins af aan was hij voorbestemd voor een kerkelijke loopbaan. Daarom ontving hij als kind van acht jaar reeds de tonsuur. Hij studeerde van 1659 tot 1664 aan het Collegium Germanicum in Rome. Na het afsluiten van de studies vatte hij zijn kerkelijke carrière aan. In 1665 werd hij opgenomen in het domkapittel van Munster. Vijf jaar later werd hij kanunnik in het domkapittel van Paderborn. Daarna volgde in 1677 de benoeming tot proost van de St.-Martinikerk te Munster. In de jaren 1680 kwam de politieke loopbaan van Friedrich Christian in een stroomversnelling. Deels kan men deze hoge carrièrevlucht verklaren door nepotisme. Sinds 1678 was Ferdinand von Fürstenberg prins-bisschop van Munster. Oom Ferdinand benoemde hem in 1683 tot Hofkammerpräsident. Friedrich Christian werd deken in 1686. Tenslotte volgde in 1687 de benoeming tot vicaris-generaal van het bisdom Munster.

 

Kennelijk bereidde hij zich degelijk voor op een latere bisschopsverkiezing. Hij liet zich op 20 juni 1688 tot priester wijden[35]. De priesterwijding was niet noodzakelijk om het prins-bisschopambt te kunnen vervullen. Slechts een huwelijk was verboden. Niettemin was een priesterwijding voor prins-bisschoppen merkwaardig[36]. Daarom was Friedrich Christian een opvallende bisschop in vergelijking met de gemiddelde bisschop uit dezelfde periode. Bovendien genoot hij van een opleiding aan het gereputeerde Collegium Germanicum in Rome. Dit was eveneens slechts aan weinige bisschoppen gegund. De gebruikelijke theologische opleiding kregen de bisschoppen in spe in één van de domscholen uit de regio[37]. De tonsuur, de Romeinse opleiding en de priesterwijding wijzen op een diepgaande voorbereiding op een kerkelijke loopbaan. Friedrich Christian werd bijgevolg in de richting van een klerikale loopbaan gestuwd. Zonder zijn vooraanstaande familie zou hij misschien nog de functie van wijbisschop kunnen ambiëren. Alleszins werd hij klaarblijkelijk meer klaargestoomd voor een zuiver kerkelijke carrière als geestelijke. Was het hem echter ook ernst met de priesterwijding? Een maand nadat hij tot priester was gewijd, verkoos het Munsterse domkapittel hem op 29 juli 1688 tot de nieuwe bisschop[38]. De snelle opeenvolging van de wijding en de verkiezing gaf aanleiding tot argwaan. Friedrich Christian cumuleerde sinds het begin van zijn loopbaan steeds meer en gewichtigere functies in het bisdom. Daarom had hij reeds alle tijd gehad om, terwijl hij zijn carrière uitbouwde, zich te laten wijden. Hij stelde de wijding 23 jaar uit, totdat hij zich kandidaat stelde voor de vacante bisschopsstoel. Om zijn kansen op succes te verhogen, bedacht hij kennelijk zijn priesterwijding.

 

            Als prins-bisschop van Munster was Friedrich Christian de landsvorst van het bisdom. Hoe kan men zijn vorstelijke politiek kenmerken? Hij had kennelijk een devies. Hij trachtte bovenal om vetes en oorlogen buiten het grondgebied van Munster te houden. Om het beoogde resultaat te halen, trok hij zich het sinds bisschop Christoph Bernhard von Galen verwaarloosde leger sterk aan. Hij realiseerde een grondige legerhervorming voor de kostprijs van 100.000 Rtlrn. Hij raadpleegde echter de standen niet over deze buitengewone uitgave[39]. Daarom paste hij goed in zijn tijdskader. Hij liet zich kennen als een absolutistische vorst.

 

Op het vlak van internationale betrekkingen koos Friedrich Christian voor de neutraliteit. Hij kon zijn keuze echter niet waarmaken. Wanneer Frankrijk in 1688 het Rijk binnenviel, sloot Friedrich Christian zich aan bij de anti-Franse alliantie. Munster hielp de geallieerden om het hertogdom Westfalen te zuiveren van de Fransen. De Munsterse artillerie onder leiding van Lambert Friedrich von Corfey muntte vervolgens uit bij de herovering van enkele Rijnvestingen. Friedrich Christian nam in 1692 persoonlijk deel aan de rijksoorlog tegen de Turken in Hongarije. Tenslotte schaarde hij zich in de Spaanse Successieoorlog aan de zijde van de Haagse Alliantie[40]. Kort hierna kampte hij echter met ernstige gezondheidsproblemen. Zijn tijdgenoten hadden daarom een snel overlijden van de bisschop verwacht[41]. Ondanks zijn slechte gezondheidstoestand, leefde Friedrich Christian nog tot de vijfde mei van het jaar 1706. Friedrich Christian had zijn beloofde neutraliteit niet verwezenlijkt. Het bisdom was bij zijn overlijden verwikkeld in de langdurige Spaanse Successieoorlog. Toch vermeldde zijn grafschrift het opschrift “Princeps Pacis[42]. Tijdens zijn regeerperiode gebeurde geen enkele vijandelijke inval op het Munsterse grondgebied. Om deze reden had hij woord gehouden wanneer hij zich de vrijwaring van het Munsterse grondgebied tot doel had gesteld bij zijn ambtsaanvaarding in 1688. Friedrich Christian voerde bijgevolg actief oorlog, maar hield de nefaste gevolgen via zijn absolutistische regeerwijze buiten de grenzen.

 

1.2.1.2 Franz Arnold Freiherr von Wolff-Metternich zur Gracht (1707-1718)

 

            Evenals Friedrich Christian was Franz Arnold in 1658 geboren in een adellijke familie. Daarentegen behoorden zijn ouders niet tot de meest vooraanstaande kringen van Munster. Vader Degenhard Adolf von Metternich zur Gracht was bij leven lid van de keurkeulse Geheime Raad. Bovendien droeg hij de militaire rang van obrist-stalmeester. Franz Arnolds moeder was Philippina Agnes von Reuschenberg zu Setterich[43]. Franz Arnold kreeg in 1670 de tonsuur. Evenals Friedrich Christian reisde hij voor zijn theologische opleiding naar Rome. Daar studeerde hij van 1674-1676 aan het Collegium Germanicum. Bij zijn terugkomst werd hij in 1678 in het domkapittel van Osnabrück opgenomen. Twee jaar later werd hij kanunnik in het Paderbornse domkapittel[44]. Voordat Franz Arnold aan zijn snelle carrière begon, beleefde hij bijna vijftien stille en magere jaren. De volgende stap voorwaarts gebeurde in 1695. Hij werd in dat jaar benoemd tot domproost van Osnabrück. In deze functie vertrouwde de toenmalige bisschop hem extra bestuursbevoegdheid toe. Indien het nodig was, bestuurde Franz Arnold het hoogsticht van Osnabrück in de hoedanigheid van stadhouder[45]. Hier deed hij zijn eerste echte concrete bestuurservaring op.

 

            Ook Franz Arnolds priesterwijding was ambitieus en politiek geïnspireerd. Hij werd gewijd juist voordat hij in 1703 tot coadjutor van Paderborn werd aangesteld. Deze aanstelling gaf ook blijk van enig nepotisme. Zijn oom, de bisschop van Paderborn, stelde hem als zijn opvolger aan. Snel nadat hij de Paderbornse coadjutor was, overleed zijn oom in 1704. Franz Arnold stelde zich met succes kandidaat voor de vacante bisschopsstoel[46]. Keizer Leopold I gaf hem het beslissende duwtje in de rug. Franz Arnold had zelf in 1695 bij de Osnabrückse bisschopsverkiezing zijn grote invloed in het domkapittel succesvol laten gelden ten voordele van ’s keizers neef Karl Joseph van Lotharingen. Als wederdienst steunde de keizer hem in 1704 in Paderborn[47].

 

            Franz Arnold werd nadien in een fel omstreden verkiezingsstrijd in 1706-1707 tot prins-bisschop van Munster verkozen. De ware toedracht van de ingewikkelde en hevige verkiezingsstrijd, zullen we in het vierde hoofdstuk uitgebreid bestuderen. Bondig samengevat werd Franz Arnold met de steun van de Republiek na verscheidene verkiezingsdagen tegen Karl Joseph en zijn keizerlijke steun tot bisschop verkozen[48].

 

            Hoe kunnen we Franz Arnolds kwaliteiten op het vlak van staatsmanschap beoordelen? Het eerste opvallende kenmerk was zijn pronkliefde bij de ontvangst van vreemde diplomaten. Der für die Größe und das wirtschafliche Potential seiner Territorien unverhältnismäßig große Aufwand an Repräsentation, den er beispielsweise beim Empfang von Diplomaten benachtbarter Mächte entfaltete, hat bei diesen immer wieder Überraschung ausgelöst.[49]. Een dergelijk gedrag was eigen aan de periode van het absolutisme. Maar Franz Arnold vertoonde een uitzonderlijke pronkliefde Zelfs zijn tijdgenoten waren overdonderd door de overdadige praal die Franz Arnold tentoonstelde. Dit kwam de begroting van de bisdommen alleszins niet ten goede. Persoonlijk worstelde hij met een enorme schuldenberg. De financiering van zijn bisschopsverkiezing in Munster kostte hem een fortuin. Bovendien gaf hij veel dure feesten[50]. De torenhoge schulden drukten hun stempel op het beleid van Franz Arnold. Wanneer prins Philipp Moriz van Beieren coadjutor van Paderborn wilde worden, stelde Franz Arnold hoge financiële eisen. Hij verlangde van de Beierse keurvorst de schuldenvereffening ter waarde van 300.000 Reichstalern[51].

 

            Om een praalvertoon in dergelijke proportie aan de dag te leggen, had hij grote hoeveelheden geld nodig. Het ontbrak Franz Arnold echter aan goede huishoudelijke en economische capaciteiten. Daarom zoog hij zijn bisdommen mee in zijn persoonlijke schuldenput. Hij nam geen mercantilistische maatregelen zoals Lodewijk XIV om nieuwe inkomstenbronnen te ontsluiten[52]. Niettemin spande hij zich in om in goede verstandhouding te leven met zijn buurstaten. Wellicht was dit één van de oorzaken waarom de Verenigde Provincies zich zo fel ten gunste van hem engageerden in de Munsterse bisschopsverkiezing in 1706-1707. Bovendien trachtte hij zijn land van oorlogslijden te vrijwaren. Niettemin engageerde Franz Arnold zich nog meer dan zijn voorganger in de Spaanse Successieoorlog[53].

 

            De twee bisschoppen die tijdens de Spaanse Successieoorlog over Munster regeerden hadden verscheidene gelijkenissen. Ze genoten ongeveer dezelfde opleiding aan het Collegium Germanicum te Rome, zij het dat Friedrich Christian er meer dan dubbel zolang studeerde in vergelijking met Franz Arnold. Beide bisschoppen klommen de bestuursladder op dankzij de voortreffelijke familierelaties. Friedrich Christian volgde zijn oom op als bisschop van Munster, en Franz Arnold deed hetzelfde in Paderborn. Zowel Friedrich Christian als Franz Arnold vertoonden absolutistische kenmerken. Friedrich Christian uitte dit in zijn autoritaire gezagsuitoefening. Franz Arnold leed daarentegen aan een verspillende en megalomane praalzucht. Beide bisschoppen trachtten het Munsterse territorium te vrijwaren van oorlogsagressie. Niettemin waren ze niet in staat om zich uit de continentale oorlogen te houden.

 

1.2.2 De belangrijkste betrokkene buitenlandse staatsmannen

 

1.2.2.1 Anthonie Heinsius (1641-1720)

 

            Deze vooraanstaande staatsman van de Republiek werd in 1641 te Delft geboren. Hij kreeg de naam van vader Anthonie Heinsius. Vader Heinsius was raadslid en schepen van zijn Hollandse geboortestad Delft. Heinsius jr. studeerde rechten aan de Leidse universiteit[54]. Hierna volgden enkele stille jaren voor Heinsius. In 1679 werd hij pensionaris in de provinciale staten van Holland voor de stad Delft. Daarna nam hij bij het overlijden van raadspensionaris Gaspard Fagel, diens plaats in de Staten-Generaal over. Vanaf dat ogenblik begon het groeiproces van zijn invloed[55].

 

De Staten-Generaal stuurde Heinsius in 1682 op zijn eerste buitenlandse diplomatieke missie. Lodewijk XIV had de stadswallen van Orange laten slopen. De Staten-Generaal waren fel verontwaardigd door deze Franse actie. Het prinsdom Orange in zuidoost Frankrijk was soeverein territorium van de prinsen van Oranje, de stadhouders van de Republiek. Als protest tegen deze gebiedsschending stuurden de Staten-Generaal Heinsius aan het hoofd van een delegatie naar Parijs. Heinsius zelf had geen zin om de zaak in Parijs te gaan behartigen. Hij weigerde herhaaldelijk om de missie te aanvaarden. Uiteindelijk werd hij gedwongen om in te binden, en hij vertrok naar Parijs. De missie oogstte echter geen succes. In deze situatie ontstond Heinsius’ afkeer van Frankrijk[56].

 

            Heinsius ontwikkelde een uitstekende verstandhouding met de stadhouder Willem III. Naar aanleiding van een voortdurend handelsgeschil tussen de Engelse en de Hollandse Oost-Indische compagnies vertrok Heinsius in 1687 naar Londen. Hij zetelde er tijdelijk als waarnemend ambassadeur. Terwijl hij in Londen was, kon hij niet onder de smeulende opstand uitkomen. Het verzet tegen de toenmalige Engelse koning Jacobus II (1685-1689) groeide uit tot de ‘Glorious Revolution’ van 1688-1689. Willem III werd gevraagd om de vacante Engelse troon te bestijgen. Heinsius regelde ter plaatse de overtocht van de stadhouder naar Engeland. Zo ontstond de toenadering tussen Willem III en Heinsius[57]. Heinsius was de stadhouders steunpilaar in de Staten van Holland en in de Staten-Generaal. Hij werd de raadsman en de medestander van de prins van Oranje[58].

 

            De echte doorbraak naar de grote macht en invloedsuitoefening kwam in 1697. Hij werd afgevaardigd op de vredesonderhandelingen van 1697 te Rijswijk[59]. Deze vrede was echter slechts van korte duur. De Spaanse Successieoorlog brak uit in 1701. Heinsius organiseerde een congres in Den Haag om een anti-Frans bondgenootschap te smeden. Wanneer naderhand de oorlog woedde, organiseerde hij de geallieerde campagnes in Den Haag tezamen met Marlborough[60]. Op deze wijze waren ze betrokken bij de Munsterse subsidietroepen[61]. Uiteindelijk overleed Heinsius in 1720 op 78 jarige leeftijd. Hierdoor stierf zijn familielijn uit, want hij was nooit gehuwd. Heinsius werd in het familiegraf te Delft bijgelegd[62].

 

            Hoe kunnen we echter Heinsius als persoon karakteriseren? Hij was buitengewoon schrander. Hij bejegende zijn oversten altijd met eerlijkheid[63]. Omdat Heinsius ongehuwd was, leefde hij kennelijk voor zijn werk. Hij was een vriendelijke man die sober was in de omgang. Bovendien leidde hij een betrekkelijk eenvoudig leven. Evenals Johan De Wit was hij met een grote macht bekleed. Heinsius gebruikte deze onopvallend en beraadslaagde steeds voordat hij voorzichtig handelde[64].

 

1.2.2.2 John Churchill, prins en hertog van Marlborough (1650-1722)

 

            Ondanks de hoge adellijke titel werd Marlborough als John Churchill geboren. De opname in de hoge adel had Marlborough bijgevolg zelf gepresteerd. Zijn vader was Sir Winston Churchill. Marlborough genoot een opleiding aan de St. Paul’s School. Nadat hij de school verlaten had, nam de hertog van York hem in dienst als erepage. Marlborough kreeg zijn eerste militaire benoeming in 1667. Hij werd de vaandrig van een detachement infanterie[65]. In 1672 werd hij bevorderd tot kapitein in een infanterieregiment. In deze functie diende hij vanaf 1672 onder Lord Monmouth in het Franse leger in de Zuidelijke Nederlanden. Bij de Belegering van Maastricht in 1673 vergezelde hij Monmouth als vrijwilliger in een roekeloze en succesvolle aanval. Hiervoor presenteerde Monmouth hem aan Karel II (1660-1685) als een held[66]. Marlboroughs samenwerking met het Franse leger zou hem alleszins inzicht geven in de superieure Franse militaire capaciteiten. Wanneer Marlborough later in de Spaanse Successieoorlog tegen Frankrijk vocht, zou dit een grote hulp betekenen.

 

            De promoties volgden vanaf dat ogenblik elkaar op. Marlboroughs persoonlijke uitstraling en goedgemanierde charme hielpen hem zeker bij de opeenvolgende promoties. Niettemin was hij regelmatig in liefdesschandalen aan het hof betrokken. Dit eindigde bruusk wanneer hij verliefd werd op Sarah Bennings. Zij was een meisje van redelijk lage afkomst. Haar schoonbroer was een zekere Sir George Hamilton. Sarah diende in de huishouding van de hertogin van York als bediende van prinses Anna, de latere koningin Anna I. Marlboroughs ouders keurden zijn keuze echter af wegens het ontbreken van rijke ouders. Daarom besloot het paar naar Parijs te vluchten. De keuze van uitwijkplaats kan men realistisch noemen, want Sarahs schoonbroer resideerde er. Het paar trouwde in 1678 in het geheim in Parijs[67].

 

            Ondertussen werkte Marlborough verder aan zijn carrière. In opdracht van de hertog van York stelde hij zich in 1678 in verbinding met de prins van Oranje die recent gehuwd was met prinses Maria. Juist voordat de Vrede van Nijmegen werd getekend, kreeg hij het commando over een brigade. Terug in Engeland, volgde hij York naar Schotland om het bestuur op zich te nemen[68]. In 1682 kwam de eerste stap naar het hoge adelschap. Marlborough werd verheven tot baron Aymouth. Een jaar later promoveerde hij tot kolonel van de koninklijke dragonders. Ook Lady Marlborough duwde zijn loopbaan in de goede richting. Als kamerdame van prinses Anna, werd ze snel zeer intiem met de latere Engelse koningin. Jacobus II verhief Marlborough bij zijn troonsbestijging in het Engelse pairschap. Niettemin liep Marlborough bij de Glorious Revolution over naar Willem III. Hij bracht in opdracht van de nieuwe koning orde in de koninklijke troepen. Als beloning werd Marlborough in 1689 opgenomen in de privy council en verheven tot graaf van Marlborough[69].

 

            De promotiereeks brak abrupt af in 1692. Door een complot werd Marlborough als Jacobijn gebrandmerkt. Hij viel in ongenade bij de koning. Gedurende een maand werd hij in de Tower opgesloten. De beschuldiging werd slechts langzaam opgeheven, maar zou hem zijn leven lang blijven volgen. In 1695 mocht hij de hand van de koning kussen, en in 1698 werd hij ten volle in ere en in zijn functies hersteld. Bovendien werd hij tot één van de negen Lord Justices benoemd[70]. Marlborough werd in de zomer van 1701 naar Den Haag gezonden om de Engelse kant van de onderhandelingen over de Grote Alliantie te leiden. Bovendien werd hij opperbevelhebber van alle Engelse troepen in de Republiek[71].

 

            De troonsbestijging van Anna in 1702 betekende voor het echtpaar Marlborough het toppunt van invloed. Marlborough werd tot kapitein-generaal van de strijdkrachten benoemd. Lord Godolphin, de schoonvader van Marlboroughs dochter en zijn intieme politieke bondgenoot, werd tot Lord Treasurer benoemd. Samen waren ze leiders van de tories[72]. Marlborough was reeds baron en graaf, maar in december 1702 werd hij ook markies van Blandford en hertog van Marlborough. Ondertussen leidde hij het Engelse leger op het Europese continent. Regelmatig reisde hij naar Den Haag om met Heinsius de campagnes voor te bereiden[73].

 

            De Engelse campagnes eindigden in de herfst van 1711. Engeland sloot toen na geheime onderhandelingen een preliminaire vrede met Frankrijk af. Ongeveer gelijktijdig werd Marlborough in beschuldiging gesteld van corruptie. Hij zou steekpenningen ontvangen hebben van de broodleverancier van het leger. De zaak werd door het House of Commons onderzocht. Nadat zijn beste vriend Godolphin in september 1712 was overleden, besloot Marlborough om Engeland te verlaten. In de jaren 1713-1714 verbleef hij in Duitsland[74]. Hij keerde huiswaarts in dezelfde periode als het overlijden van Anna I. De nieuwe koning, George I (1714-1727) van Hannover, was hem niet gunstig gezind. Daarom trok hij zich als een vermoeid en gebroken man terug in zijn mansion. Verschillende verlammingen teisterden zijn lichaam. Marlborough overleed in 1722 tenslotte aan een laatste fatale verlamming[75].

 

            Marlborough kan men kenmerken als een selfmade man. Met nauwelijks een goede achtergrond werkte hij zich op tot een enorme machtspositie. De band van zijn vrouw met Anna I bezorgde hem op termijn een bovenmatige invloed in het bestuur van de Britse eilanden. Zijn opmars naar de top ging evenwel gepaard met allerlei schandalen en zelfs corruptie. Uiteindelijk betekende de corruptie de doodsteek voor zijn politieke carrière.

 

1.2.2.3 Prins Eugeen van Savoye (1663-1736)

 

            In tegenstelling tot Heinsius en Marlborough, stamde Eugeen van Savoye uit de hoge Europese adel. Hij was het vijfde van de zeven kinderen van de hertog van Savoye. Als laatgeborene kwam hij bijgevolg niet in aanmerking om zijn vader als hertog op te volgen. Eugeen werd in 1663 in Parijs geboren. Hij groeide bij zijn moeder aan het hof van Lodewijk XIV te Versailles op. Zijn moeder was echter verwikkeld in allerlei hofschandaaltjes[76]. Lodewijk XIV hield zich actief bezig met de toekomst van Eugeen. Hij bestemde Eugeen voor een vrijwillige toetreding tot de geestelijkheid. Dit was echter helemaal niet naar de zin van Eugeen zelf. Hij wilde een militaire loopbaan uitbouwen. Wanneer Eugeen zich aan het Franse leger aanbood, wees Lodewijk XIV hem echter brutaal af. Miskend en vernederd verliet hij Parijs[77].

 

            Eugeen trok naar Wenen waar hij zijn diensten aan Leopold I aanbood. Vanaf 1683 beleefde hij een steile carrière in het keizerlijke leger. Eugeen werd in 1683 benoemd tot bevelhebber van een dragonderregiment. In 1688 werd hij bevorderd tot veldmaarschalk-luitenant. Hij verwierf in 1690 het commando over een korps. Op 34-jarige leeftijd was hij in 1697 reeds opperbevelhebber van het gehele Oostenrijkse leger[78]. De Turkenoorlog van 1697-1698 leverde dankzij Eugeen een verpletterende overwinning voor de keizer op. Tijdens de Spaanse Successieoorlog werd hij in 1703 president van de oorlogsraad van het Hof. Na de Spaanse Successieoorlog vervulde hij enkele bestuursmandaten, onder andere als gouverneur van de Oostenrijkse Nederlanden[79]. Ondanks het feit dat hij zonder twijfel een geniaal veldheer was, bleek hij geen goede staatsman te zijn. Tenslotte overleed hij in 1736 te Wenen[80].

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[17] De Eerste Haagse Alliantie werd in 1695 door de drie grootmachten Engeland, de Republiek en de keizer opgericht tegen de expansionistische koers van Lodewijk XIV. Het bisdom Munster trad op 18 maart 1695 toe tot deze Alliantie. AL, 12/50, Alliantieverdrag van Den Haag (18/3/1695), f. 13r.-16r.

In deze verhandeling duidt “Haagse Alliantie” echter exclusief de Tweede Haagse Alliantie van 1701 aan.

[18] LUARD, Balance of Power, 1-29.

[19] ROOSEN, “War of the Spanish Succession”, 152.

[20] ROOSEN, “War of the Spanish Succession”, 155.

[21] DUCHHARDT, Zeitalter des Absolutismus, 71.

[22] KERN, Modern Spain, 543.

[23] BERNECKER en PIETSCHMANN, Geschichte Spaniens, 148.

[24] HATTENDORF, Grand Strategy, 56.

[25] BERNECKER en PIETSCHMANN, Geschichte Spaniens, 148.

[26] KRAMER, “De Europese grote mogendheid, 1697-1748”, 337.

[27] zie bvb. de correspondentie tussen Marlborough en Heinsius. Deze correspondentie werd uitgegeven door VAN ‘T HOFF. Voor uitvoerigere informatie betreffende de uitgave, zie bibliografie.

[28] SCHMIDT, “Karl VI. (1711-1740)”, 200.

[29] BERNECKER en PIETSCHMANN, Geschichte Spaniens, 148.

[30] SCHINDLING, “Leopold I. (1658-1705)”, 173.

[31] SCHINDLING, “Leopold I. (1658-1705)”, 174.

[32] FECKL, Preußen im Spanischen Erbfolgekrieg, 44.

[33] VON ARETIN, “Politik und Kirche”, 27.

[34] SCHRÖER, Bischöfe von Münster, 227.

[35] SCHRÖER, Bischöfe von Münster, 227.

[36] VON ARETIN, “Politik und Kirche”, 24-25.

[37] VON ARETIN, “Politik und Kirche”, 24.

[38] SCHRÖER, Bischöfe von Münster, 227.

[39] SCHRÖER, Bischöfe von Münster, 228.

[40] SCHRÖER, Bischöfe von Münster, 228.

[41] LANG, Fürstbischofs- und Coadjutorwahlen, 8.

[42] SCHRÖER, Bischöfe von Münster, 230.

[43] SCHRÖER, Bischöfe von Münster, 231.

[44] SCHRÖER, Bischöfe von Münster, 231.

[45] SCHRÖER, Bischöfe von Münster, 231.

[46] SCHRÖER, Bischöfe von Münster, 231.

[47] LANG, Fürstbischofs- und Coadjutorwahlen, 8.

[48] SCHRÖER, Bischöfe von Münster, 231.

[49] cit.: KEINEMANN, “Franz Arnold”, 383.

[50] KEINEMANN, “Franz Arnold”, 385.

[51] KEINEMANN, “Franz Arnold”, 385.

[52] KEINEMANN, “Franz Arnold”, 386.

[53] KEINEMANN, “Franz Arnold”, 386.

[54] “Heinsius”, Biografisch woordenboek, III, 138.

[55] “Heinsius”, Biografisch woordenboek, III, 138.

[56] “Heinsius”, Biografisch woordenboek, III, 138.

[57] “Heinsius”, Biografisch woordenboek, III, 138.

[58] ROGIER, “De Ware Vrijheid als oligarchie, 1672-1747”, 201.

[59] “Heinsius”, Biografisch woordenboek, III, 139.

[60] STEPHEN, “Churchill”, 327.

[61] zie VAN 'T HOFF, Correspondence of Marlborough and Heinsius  voor de samenwerking van Heinsius en Marlborough betreffende de Munsterse troepen.

[62] “Heinsius”, Biografisch woordenboek, III, 139.

[63] “Heinsius”, Biografisch woordenboek, III, 138.

[64] “Heinsius”, Biografisch woordenboek, III, 139.

[65] STEPHEN, “Churchill”, 315.

[66] STEPHEN, “Churchill”, 315.

[67] STEPHEN, “Churchill”, 316.

[68] STEPHEN, “Churchill”, 316.

[69] STEPHEN, “Churchill”, 317.

[70] STEPHEN, “Churchill”, 320.

[71] STEPHEN, “Churchill”, 320.

[72] STEPHEN, “Churchill”, 321.

[73] STEPHEN, “Churchill”, 322.

[74] STEPHEN, “Churchill”, 336-337.

[75] STEPHEN, “Churchill”, 338.

[76] LEHMAN, “Eugen”, 188.

[77] LEHMAN, “Eugen”, 188.

[78] LEHMAN, “Eugen”, 189.

[79] LEHMAN, “Eugen”, 189.

[80] LEHMAN, “Eugen”, 189.