De problematiek van de multiculturele samenleving vanuit stedelijk perspectief (Casus Gent). (Marc Vercoutere)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Deel 2. Wie is die andere burger?

 

6. Het waarom van deze vraag.

 

“Dat het ‘luisteren’ ons moeilijk afgaat, blijkt eveneens uit het gepreoccupeerde standpunt dat wij bij herhaling hanteren ten opzichte van samenlevingen uit de Maghreb. Te pas en te onpas worden migranten geculturaliseerd. Culturele verschillen zoals taalverschillen, verschillen in religieuze overtuiging en geloofsbeleving, klederdracht, omgangsvormen en sociale status worden benadrukt. Terwijl de culturele dynamiek, het aspect van verandering binnen de cultuur van de migranten over het hoofd wordt gezien.”[132]

 

Het debat over de multiculturele samenleving en alles wat er mee te maken heeft, is lange tijd vooral een “wit” debat geweest. Er werd voortdurend over de allochtonen gepraat zonder ook met hen te praten. De laatste jaren is er bij de etnisch culturele minderheden een snel groeiende mondigheid merkbaar. Vooral de jongere generatie eist zijn stem in het debat. “Discussieer met ons, niet over ons” is ook één van de zeven punten uit het “allochtone zevenpuntenpogramma” dat opgesteld is aan de hand van de focusgesprekken, georganiseerd door MO* Magazine.[133]

 

In de media wordt op foute wijze over allochtonen gerapporteerd en eenzijdig negatieve berichtgeving overheerst. Er worden te weinig allochtone stemmen gehoord. Meestal komen ze aan bod bij negatieve gebeurtenissen. Wanneer het echter gaat over de gewone alledaagse maatschappelijke dingen, worden er zelden allochtonen aan het woord gelaten.[134] Waarom bijvoorbeeld eens geen arts van allochtone afkomst aan het woord laten als er iets nieuws gebeurt in de medische of farmaceutische wereld. Hoewel relatief beperkt in aantal zijn die mensen er wel degelijk. In de Vlaamse maatschappij is de perceptie van allochtonen in verantwoordelijke functies nagenoeg onbestaande.[135]

 

Deze vaststelling, samen met het besef dat debat niet mogelijk is zonder evenwaardige participatie van alle partijen en de nood aan diepere kennis van de doelgroep, vormen de motivatie voor dit deel. Omdat veel bestaande bronnen niet vertrekken vanuit deze stelling en vooral van autochtone oorsprong zijn, kunnen zij nooit volstaan om de doelgroep beter te leren kennen. Integendeel, vaak creëren ze een eenzijdig en veelal foutief beeld. Het leren kennen van deze doelgroepen is een nooit voltooid proces. De beschrijving die volgt, is dan ook een impressie van het moment, een afdruk van de kennis van het nu en die kan “morgen” al weer anders zijn.

 

*****

 

Eerst (hoofdstuk 7) volgt een beschrijving van de focusgesprekken. Nadien volgt een bespreking van de diverse groepen (hoofdstuk 8), waarover documenten beschikbaar zijn. In een laatste deel (hoofdstuk 9) wordt deze kennismakingsexcursie afgesloten met commentaren, waarbij het “Allochtone Zevenpuntenprogramma” als leidraad wordt gebruikt. In alle delen wordt aanvullende informatie gebruikt, gebaseerd op onder andere: de eigen interviews, kranteninterviews, biografieën, documenten met getuigenissen en andere. Waar nodig wordt de bron vermeld. Dit is niet overal mogelijk, omdat de verworven kennis in deze scriptie een resultaat is van de verwerking van de vele diverse bronnen over verschillende jaren heen. Bepaalde ideeën zijn dan ook een synthese van de opgedane ervaring en kennis. Zonder al deze bronnen (en zeker zonder de interviews en de vele informele gesprekken) zou deze kennis niet mogelijk zijn geweest.

 

Het is noodzakelijk om, vooraf aan de evaluatie van het beleid etnisch culturele minderheden, deze oefening te doen. Om het beleid kritisch te evalueren en voorstellen voor de toekomst te doen, is het horen van de stem van de allochtonen een noodzakelijke voorwaarde. Het beleid zal hier in de toekomst meer en meer rekening moeten mee houden. Anders zal het beleid nooit loskomen van zijn (meestal onbedoelde) bevoogdende karakter.

 

In de volgende twee hoofdstukken zal ook enkele keren verwezen worden naar meer recentelijk onderzoek. Dit wordt aangeduid met een kader en de vermelding “last minute bericht”. Deze toevoegingen zijn waardevol omdat ze direct aansluiten bij de behandelde materies.

 

 

7. De focusgesprekken.

 

Zoals vermeld in 3.3.2. (De focusgesprekken: origineel uit tweede hand), was er informatie voorhanden over zeven van de 10 focusgroepen. Voor drie groepen is geen informatie vrijgegeven: vaders van tieners, ondernemers en nieuwkomers. Ieder focusgroep kwam ongeveer 2,5 uur aan bod. In het onderstaande schema volgt informatie over het vermoedelijke aantal verschillende deelnemers en de kwaliteit van de toegestuurd gekregen documenten.

 

Schema 7. De focusgroepen: algemene beschrijving.

Focusgroep

Aantal

Deelnemers*

Kwaliteit van het document**

 

Moeders

3*

(3) Zeer beperkt; vermoedelijk slechts een fragment; bevat niettemin duidelijk boodschappen.

Arbeiders

9

(8) Goede kwaliteit met een duidelijke beschrijving van het beroep van de participanten.

Hoger opgeleide jongeren

4

(7) Goede kwaliteit met een beknopte beschrijving van de opleiding van de participanten.

Jongens 16 tot 25 jaar

6

(7) Goede kwaliteit, doch onduidelijke passages.

Jonge stadsmeisjes

6

(7) Goede kwaliteit met een beknopte beschrijving van de opleiding/beroep van de participanten.

Woordvoerders (BV’s)

7

(9) Zeer goede kwaliteit met een uitgebreide commentaar van de gespreksleiders.

Imams

4

(8) Goede kwaliteit met een beknopte beschrijving van de opleiding/beroep van de participanten (inclusief taak/ plaats in relatie tot imamfunctie).

 

* Aantal, berekend op het aantal namen in lettervorm of andere gewijzigde vorm (wegens gegarandeerde anonimiteit). De verkregen documenten van enkele focusgroepen zijn zeer beperkt (zie derde kolom), waardoor het aantal deelnemers een schatting is. Vermoedelijk onjuiste schatting gemarkeerd met sterretje.

** Sommige delen van de gesprekken zijn woordelijk weergegeven, andere delen in “telegramstijl”. In alle delen zijn de kernthema’s aanwezig. Ook in het document “focusgroep moeders”, waarbij vermoedelijk een selectie is gebeurd aan de bron. Cijfer tussen haakjes: beoordeling op schaal van 1 (zeer slecht) tot 10 (zeer goed).

 

 

De zeven focusgroepen werden geleid door telkens 1 moderator. Bij de jongens- en de meisjesgroep was dit dezelfde, bij de andere groepen telkens een andere moderator. Voor de groep “moeders” is hierover geen informatie voorhanden. Bij vier van de focusgroepen (hoogopgeleide jongeren, meisjes, woordvoerders, imams) is vermeld dat iemand aanwezig was aan de computer. Voor de drie andere groepen is er geen informatie, doch vermoedelijk was dit ook het geval maar werd het niet vermeld. De persoon aan de computer is, voor zover vermeld, steeds dezelfde bij alle groepen en fungeerde als verslaggeefster.

 

De moderators behoorden op het moment van de gesprekken allen tot de redactie, met uitzondering van één iemand die in het colofon vermeld staat als medewerkster aan het nummer van MO* magazine februari 2005.[136] Ook de verslaggeefster (persoon aan de computer) behoort tot de redactie, zij het als stagiaire. Het is een kwalitatief onderzoek, waarbij de focusgesprekken steeds verliepen aan de hand van eenzelfde draaiboek. Om de openheid tijdens de groepsgesprekken te bevorderen, werd anonimiteit gegarandeerd. Het onderzoeksteam werd begeleid door tri.zone[137], een organisatie gespecialiseerd in duurzaamheid en participatieve processen.[138]

 

De gesprekken werden georganiseerd in december 2004. De deelnemersgroepen waren samengesteld uit mensen van Turkse en Marokkaanse afkomst uit Gent, Antwerpen, Genk, Mechelen, Lokeren en tussenliggende gebieden.[139] De verschillen in het aantal deelnemers per gespreksgroep is een gevolg van afzeggingen of van personen die niet kwamen opdagen. Twee voorbeelden: bij de focusgroep woordvoerders (BV’s) waren er 5 verontschuldigingen en bij de groep hoger opgeleiden waren heel wat afwezigen. Toch kan het ganse project als representatief beschouwd worden, wegens de grote diversiteit aan groepen en de samenstelling ervan.

 

Dit betekent niet dat het resultaat een wetenschappelijke neerslag is van wat er nu leeft bij de allochtonen. Het resultaat van deze focusgesprekken is wel een grondige basis voor zowel wetenschappelijk onderzoek als voor het beleid. Het kan bijvoorbeeld een belangrijk hulpmiddel zijn bij het opstellen van uitgebreidere enquêtes. Het is tevens een bron, die aan te bevelen is bij iedereen die op ernstige wijze wil participeren in een debat over de multiculturele samenleving. Tot op heden is er in Vlaanderen bitter weinig onderzoek geweest naar wat er leeft onder de allochtonen. Het zou dan ook geen slecht idee zijn om eens een diepgravende bevraging te organiseren naar het welbevinden van de allochtone medeburger. Bepaalde verrassingen zijn wellicht niet uit te sluiten.[140]

 

In het volgende hoofdstuk worden de focusgroepen inhoudelijk besproken, op basis van de verkregen teksten en aangevuld met informatie uit andere bronnen. Hierbij wordt dezelfde volgorde aangehouden als in het bovenstaande schema.

 

 

8. De focusgroepen spreken.

 

De cursieve tekstgedeelten onder 8. “De focusgroepen spreken”, wijzen op uittreksels uit de gesprekken zelf”.

 

In dit deel komen de allochtonen zelf aan het woord. Hoe denken zij over de samenleving? Wat zijn hun ergernissen en hun dromen? Wat zijn hun voorstellen voor de toekomst? Doorheen de gesprekken komen zowat alle aspecten van het samenleven aan bod. Wat vooral opvalt, is de grote gelijkenis met wat er leeft bij de autochtone bevolking.

 

Aanvullend wordt in “8.8.” een extra groep toegevoegd. Namelijk jongeren tussen 12 en 15 uit Schaarbeek en Molenbeek. Dit op basis van de publicatie “Mijn plaats, Ma place” van de Stichting Mens en Cultuur[141]. Het belang van deze toevoeging wordt in de inleiding van “8.8.” beschreven.

 

8.1. Moeders: onzekere toekomst.

 

Moeders[142] zijn vooral onzeker over de toekomst en bezorgd voor hun kinderen. Er heerst bij de moeders een zeker pessimisme over de Vlaamse samenleving. Ze ervaren een negatieve spiraal van racisme (onder meer op school) en een fundamenteel gebrek aan kansen. Dit leidt tot twijfels of er wel een toekomst is voor zichzelf en de kinderen, hier in Vlaanderen. Zelfs de eventuele toetreding tot de Europese Unie zal hier geen heilmiddel tegen zijn. De vrees bestaat dat er dan negatieve reacties zullen komen van de andere etnisch culturele minderheden.

 

Terugkeren naar Turkije dan? De reacties zijn verdeeld. Er is het besef dat men er materieel gezien beter aan toe is in Vlaanderen dan in Turkije: “Het is hier toch beter dan in Turkije. Als je geen werk hebt, kan je nog sociale steun krijgen. In Turkije bestaat dat allemaal niet.” Anderzijds is er druk om misschien toch wel terug te keren. Sommige, niet in België geboren echtgenoten, voelen zich hier niet thuis en willen graag terug. Sommige kinderen of jongeren willen ook terug. Tijdens hun vakanties in Turkije worden ze minder gepest en ervaren ze geen racisme.

 

De onzekerheid over een toekomst in Vlaanderen is structureler dan men denkt. De meeste Turkse families hebben een woning in Turkije. “Als we een lepel kopen voor hier, kopen we er ook een voor daar.” Het huis in Turkije wordt nu vooral gebruikt voor vakantiedoeleinden, doch fungeert ook als zekerheid voor de toekomst. “Wat gaan we doen als de Belgen ons buiten gooien? We moeten zorgen dat we terug kunnen.” Eventueel terugkeren is vooral een toekomstgerichte optie. Bijna alles hangt af van de kinderen. De waarde van het Vlaamse onderwijs wordt hoog ingeschat. Studeren en een diploma halen is belangrijk.

 

Wat betreft de persoonlijke ervaringen van de moeders, is er in het document enkel een notitie te vinden rond werk. Bij sollicitatie spelen diploma of vaardigheden weinig rol. “De VDAB stuurt ons alleen maar vacatures als kuisvrouw, maar ik heb een diploma bedrijfsbeheer.”

 

De focusgroep “moeders” brengt dus zeker geen positief plaatje naar voor. Bezorgdheid om de toekomst, van vooral de kinderen, is de rode draad doorheen hun getuigenissen.

 

8.2. Arbeiders: hoop maar werk voor de boeg.

 

Vooraf aan de bespreking van de focusgesprekken, een schema met gegevens over de arbeidsmarktpositie en het eventuele vrijwilligerswerk van de verschillende arbeiders. Merk hierbij op dat er één student is onder de negen arbeiders. Ook valt op dat bijna alle gesprekspartners min of meer actief zijn en/of waren in het verenigingsleven. Dit facet duidt op een participatie aan de gesprekken van vooral “actieve” arbeiders. Dit is zeker niet representatief voor de ganse allochtone arbeidersgroep. Vermoedelijk is het gemakkelijker om actieve arbeiders te bewegen tot participatie aan de gesprekken, dan niet actieve.

 

Schema 8.2. arbeiders.

 

Werk (vroeger en nu)

Vrijwilligerswerk (vroeger en nu)

Actief in organisatie nu

1

Ford onderhoud

(moskeegids, beheersraadlid

jeugdvereniging)

Diverse, doch niet vermeld welke

2

Ford arbeider

Nieuwkomers, vorming

Vereniging voor kansarme jongeren

3

KMO arbeider

(jongerenvoorzitter moskee,

moskeegids, Turkse

studentenvereniging)

Theater, vereniging Turkse jongeren

4

Philips Hasselt arbeider,

(Turkse studentenvereniging)

Moskee vereniging

5

Quality controller in

chemisch bedrijf

Niets vermeld

Ja, doch niet vermeld welke

6

Autocarchauffeur

Limburg International, beëdigd tolk,

(mijnwerker)

Niets vermeld

Niets vermeld

7

Studente verpleegkunde

(Dochter van arbeider)

Turks theater en

jongerenvereniging

Turks theater en

jongerenvereniging

8

Staalbedrijf bediende

Ja, doch niet vermeld welke

Ja, doch niet vermeld welke

9

Heftruckchauffeur

Niets vermeld

Vakbondsafgevaardigde

 

Bij deze gespreksgroep staat een weinig spectaculaire doch meer dan belangrijke wens centraal: “Hopelijk wordt in de toekomst alles vanzelfsprekend, niet meer moeten vechten”. Verschillende deelnemers ergeren zich aan het feit dat allochtonen zich voortdurend moeten bewijzen: op het werk, op school, in de media, enzovoort. Men wil erkend worden op zijn capaciteiten en behandeld worden als normale mensen.

 

De media krijgen er behoorlijk van langs. De media spelen in hun ogen een belangrijke rol bij de negatieve opinievorming. De media zijn voortdurend op zoek naar sensatie. Hierbij komen vooral de verkeerde woordvoerders aan bod: “Ze pakken iemand van straat en die vertellen flauwe kul. Ze vragen geen mensen van verenigingen”. Het is belangrijk om de juiste mensen op de juiste plaats aan het woord te laten. “Deze kanalen kunnen op een diplomatieke manier een tegenpool zijn” (voor de negatieve tendens in de berichtgeving, red.).

 

Ook de islam wordt voortdurend in een negatief daglicht geplaatst. Extremisme wordt veralgemeend naar de ganse islamitische populatie. “Als wij over Allah beginnen, zijn wij gevaarlijk”. Dit terwijl men enkel gelovig is, zonder meer. Men wil op correcte wijze erkend worden als moslim, zoals anderen erkend worden als katholiek of jood. Allochtonen moeten zich voortdurend bewegen tussen twee culturen en zichzelf bewijzen in de confrontatie met een dominante autochtone cultuur. Courante voorbeelden zijn de ervaringen in de werksfeer en op sollicitatiemomenten.

 

Toch is deze focusgroep iets positiever ingesteld dan de vorige focusgroep (de moeders). Er moet wel op gewezen worden dat alle participanten in deze focusgroep werk hebben en actief zijn of waren in het verenigingsleven. Ook bij autochtonen zijn in het verenigingsleven actieve mensen iets positiever dan niet-actieven.[143]

 

Politiek gezien, voelen sommigen zich vooral gebruikt. Het huidige politieke spectrum wordt hierbij vergeleken met “Lokale voetbal”. Wanneer de politici de allochtonen nodig hebben, komen ze naar hen toe. Voor de rest blijven de allochtonen in de kou staan.

 

De toekomst van de kinderen is een door iedereen gedeelde bezorgdheid, ook in de andere focusgroepen. Opvoeding en onderwijs spelen een belangrijke rol. Opvallend is de unanieme en negatieve perceptie van de CLB’s (Centra voor Leerlingen Begeleiding). De CLB’s worden verweten vooringenomen te zijn. “Als ze onze kinderen testen, krijgen ze de stempel van dom, achterlijk. Een Belgisch kind heeft dan dyslexie of leermoeilijkheden en krijgt extra begeleiding.” En nog: “Het CLB bestempelt (allochtone, red.) kinderen als agressievelingen, Belgische als energiek, adhd[144].”

 

In het verlengde van het onderwijs wordt ook informatieverwerving belangrijk geacht. Enkel satellietzenders bekijken is onvoldoende. Ook de Vlaamse pers is nodig om voldoende informatie te hebben. Hierbij wordt teruggekoppeld naar de media die “objectiever” moeten informeren. Terloops wordt ook vermeld dat er al met de media rond de tafel is gezeten, doch dat er van de gemaakte afspraken niets in huis komt. Over de impact en rol van de media zijn dezelfde geluiden te horen in het onderzoek van Ilse Devroe.[145]

 

Doorheen het focusgesprek komen steeds dezelfde termen terug: geluk, kinderen, toekomst, vrijheid, openheid en tolerantie. Vrijheid slaat vooral op de vrije beleving van de vrije tijd, cultuur, religie en de vrijheid van keuzes, die hiermee verbonden zijn (bijvoorbeeld het al dan niet dragen van een hoofddoek). Hier en daar is er de hoop te bespeuren, dat dit voor de komende generaties wellicht iets gemakkelijker zal zijn. Een markante opmerking over vrijheid betreft het EU-project dat gezien wordt als een project van vooral “economische vrijheid”. Geluk staat voornamelijk in relatie tot het gezin en de kinderen. Het hebben van werk speelt daarbij een belangrijke rol. De opbouw van geluk begint van kleins af aan. Studie en goede begeleiding zijn daarom noodzakelijke voorwaarden. Er moet ook openheid en tolerantie zijn in relatie tot de verschillende godsdiensten. Uiteraard ook tegenover de eigen godsdienst, maar dit thema wordt geplaatst naast de term “vrijheid”.

 

Voor de toekomst is men vooral bevreesd voor de “door de media gemanipuleerde autochtone perceptie” van de allochtonen. Er wordt te veel veralgemeend. Opvallend, doch niet verwonderlijk, is dat hierbij de Vlaamse houding tegenover de joodse godsdienst/cultuur wordt gebruikt als voorbeeld.

 

Inzet voor anderen is en blijft voor de allochtonen belangrijk. Ook voor de “achterblijvers” en zowel vanuit de werkpositie als vanuit de participatie in het verenigingsleven.

 

In feite verschillen de wensen van de participanten in niets van de dingen die autochtonen verlangen: vrede, rust, respect, werk, geluk, een mooie toekomst voor de kinderen, en ga zo maar door. Al bij al heerst er toch een relatieve, positieve hoop voor de toekomst. Doch er zal flink aan gewerkt moeten worden.

 

“Als wij de hoop opgeven om een betere maatschappij te hebben, gaat de volgende generatie zeker de hoop opgeven.”

“Waarom moeten we achter die kleine dingen lopen, terwijl er belangrijke dingen (o.a. school kinderen, red.) zijn, waarvoor we ons kunnen inzetten.

 

Een duidelijk signaal naar het beleid en een duidelijke vraag om werk te maken van de zaken die echt belangrijk zijn. Het debat wordt vaak te veel toegespitst op de conflictmateries die slechts een fractie uitmaken van de ganse problematiek, namelijk de reële maatschappelijke problemen van alle dag: onderwijs, tewerkstelling, gelijke kansen voor sollicitanten, en zo meer.

 

 

Last minute bericht: De Turk ergert zich even hard als de Belg.[146]

(Dit onderzoek past ook bij de andere focusgroepen, doch sluit zeer goed aan bij de uitspraken van de arbeidersgroep.)

 

Onderzoek op basis van enquêtes bij 1746 personen in de politiezones: Beringen, Heusden-Zolder en Maasmechelen, door de onderzoekers Johan Ackaert en Maarten Van Craen (Universiteit Hasselt).

 

Conclusie van het onderzoek:

 

- Allochtonen en autochtonen hebben gelijkaardige veiligheidsproblemen. Allochtonen geven blijk van burgerschap en hebben meer vertrouwen in het lokaal bestuur én justitie.

- Het stereotiepe beeld van allochtoon als dader klopt niet.

 

Enkele markante vaststellingen in het onderzoek:

 

- Turken zijn meer het slachtoffer geweest van diverse incidenten, meer dan Belgen en Italianen. In geen enkel domein was de Belg meer slachtoffer dan de beide allochtone groepen. (Opmerkelijk indien dit vergeleken wordt met de beeldvorming.)

- Ergernissen bij alle bevolkingsgroepen: rondslingerend vuil, druggebruik, hondenpoep, geurhinder, rondhangende jongeren.

- Top drie onveiligheidsgevoel (zelfde bij zowel allochtonen als autochtonen): jongeren, medebewoners die de indruk geven niet open te staan voor andere culturen, overdreven snelheid.

- Eén Turk op vier heeft last van discriminatie.

 

 

8.3. Hoger opgeleide jongeren: vrijheid en geluk, maar…

 

In deze groep waren er slechts vier deelnemers. Het is niet mogelijk om ze concreter te omschrijven. De informatie is te specifiek en zou gemakkelijk kunnen leiden tot identificatie van deze deelnemers. Wel kan er vermeld worden dat de vier deelnemers een baan hebben op het niveau van hun behaalde diploma hoger of universitair onderwijs.

 

De belangrijke waarden in deze groep zijn: rechtvaardigheid, maatschappelijke positie, creativiteit en doorzetting, vrijheid, opvoeding, evenwicht in de samenleving, kennis van de ander, onderwijs en bewustwording.

 

De drang naar vrijheid komt sterk tot uiting in relatie tot religie. De rol en de betekenis van religie moeten gerelativeerd worden en iedereen moet aan religie een eigen invulling kunnen geven. Godsdienst wordt over het algemeen beschouwd als belemmerend voor de vrijheid. “Ieder moet zichzelf grenzen kunnen opleggen. … Het zou een leidraad moeten zijn. … Voor mij telt humanisme, en het zit zowel in de islam als het jodendom, maar waarom moet God daar altijd bijkomen? … Mensen zijn op zoek naar spiritualiteit, met de onstabiele wereld, zijn ze op zoek naar religieuze dingen, niet noodzakelijk in geïnstitutionaliseerde godsdienst.” In de zoektocht naar zichzelf en hun identiteit moet je de islam kunnen integreren en niet omgekeerd.

 

Wat identiteit betreft zijn de meningen verdeeld. Niet iedereen is het eens met de uitspraak: ‘Ik ben Vlaming’. “Ik ben geen Vlaming, dat is een culturele identiteit. Ik moet nog altijd nadenken als ik praat in het Nederlands, maar ik droom in het Marokkaans.” Ze voelen zich wel “kosmopoliet” en redelijk thuis in de twee culturen: de Vlaamse cultuur en de cultuur overgeërfd van de ouders. Dit staat in contrast met getuigenissen tijdens de informele gesprekken en de interviews. Veel jongeren willen als Vlaming beschouwd worden en wijzen integratie hierbij van de hand, wegens onder meer: hier geboren, naar school geweest en voldoende taalkennis.[147]

 

Opvoeding wordt belangrijk geacht terwijl er geen unanieme tevredenheid is over de eigen jeugdjaren. Vooral de vaderfiguur komt naar voor als een belemmerende factor. Anderen hebben wel een positieve ervaring met hun vader gehad. Er wordt gewezen op de botsing met de traditie. Alleen gaan wonen (voor vrouwen) bijvoorbeeld, werd bij een respondent als een doodzonde beschouwd (op dertigjarige leeftijd). In andere gezinnen was er meer openheid en begrip voor een dergelijke situatie. Er zijn dus heel wat verschillen binnen de etnisch culturele minderheden. Dit is verklaarbaar vanuit de confrontatie van de traditionele cultuur met de autochtone cultuur, doch ook met de moderniteit die overal aanwezig is. Alles is afhankelijk van de openheid van de ouders tegenover de veranderende omstandigheden. Dit heeft minder te maken met cultuur, dan wel met de intrinsieke (karakter-) eigenschappen van de ouders.

 

Voor de toekomst worden enkele concrete wensen naar voor gebracht. Er moet een einde komen aan de vooroordelen. “Moslims moeten zich teveel verantwoorden sinds 11/09, ook al hebben ze er niets mee te maken, moslims moeten met rust gelaten worden.” Er is grote bezorgdheid over de “domme mensen” in de samenleving. “De Belg weet echt niet wat er broeit in de Turkse families”. Het wordt als een noodzaak beschouwd dat iedereen in de samenleving elkaar leert kennen. “Bewustwording is belangrijk.” Er moet respect komen voor het individu en de verscheidenheid in de mens.

 

Deze hoger opgeleiden zijn vooral bekommerd over de problemen, waar ook de autochtone Vlaming mee geconfronteerd wordt. De sociale zekerheid bijvoorbeeld, wordt als een gigantisch probleem ervaren. “Hoe gaan we dit oplossen?

 

Onderwijs en opvoeding komen ook bij deze groep aan bod. Goed onderwijs en opvoeding moeten de allochtone jongeren verbaal mondig maken in plaats van fysiek. Er is verbetering te zien maar er is nog heel wat werk aan de winkel, voor zowel het onderwijs als het beleid.

 

Tot slot deze markante uitspraak: “België zou moeten kunnen een stap terugzetten naar de 2de wereld zodat de 3de ook naar de 2de kan komen”. En een existentiële vraag voor de toekomst: “Hoe kunnen we een evenwicht vinden tussen het behoud van het sociaal-democratische model en de verwachtingen die wij hebben, hoe valt dit te verzoenen?

 

 

Last minute bericht: “Hoe staan opgeleide moslimjongeren in het leven?”.[148]

 

Onderzoek door Katrien Van der Heyden van de Universiteit Antwerpen: bevraging van hoogopgeleide allochtone jongeren over hoe zij in en tegenover het leven staan.

 

Grote verschillen met de ouders:

 

- Het feit dat ze hoogopgeleid zijn tegenover de eerste generatie die naar hier kwam uit economische redenen.

- Cultureel en religieus geïnspireerde waarden, deels meegekregen van de ouders, doch hoogopgeleiden denken dieper na over waarden, normen en regels.

- Ontkoppeling cultuur- of nationaliteitsgebonden en religieuze regels. Culturele worden sneller naast zich neergelegd, bijvoorbeeld: straatverbod voor meisjes.

 

Confrontatie met Belgische waarden en normen.

 

- Moeilijke koppeling van de twee culturele werelden. Voorbeeld “hoofddoek”.

Niet dragen betekent vaak problemen of onbegrip binnen de eigen gemeenschap.

Voor hoogopgeleide meisjes betekent de hoofddoek niet: “symbool van onderdrukking”.

- Gelijkwaardigheid man/vrouw in plaats van gelijkheid.

- Combinatie rollen als vrouw, partner en moeder met studies en werk is en moet combineerbaar zijn.

 

 

8.4. Jongens van 16 tot 25 jaar:

 

De focusgroep jongens van 16 tot 25 jaar is divers samengesteld. Net als bij de meisjes is er, op één uitzondering na, geen sprake van activiteiten in organisaties en/of verenigingen. Gedurende het gesprek zijn er wel aanwijzingen voor activiteiten binnen verenigingen, doch het is niet mogelijk te achterhalen wie wat doet (tekst geanonimiseerd). Wat de leeftijd betreft zijn vijf van deze jongeren 19 jaar of meer. Slechts één heeft de leeftijd van 16 jaar. Deze groep is bijgevolg niet echt evenwichtig verdeeld. Er zijn immers grote verschillen zijn tussen jongeren die nog de middelbare school leeftijd hebben en jongeren die al aan hun beroepscarrière bezig zijn.

 

Schema 8.4. Jongens van 16 tot 25 jaar.

 

 

Werk (w) / Studie (s)

Nevenactiviteiten en vrije tijd*

1

(s) 6de middelbaar

Geen specifieke hobby’s

2

(w) Reisagentschap

Weinig vrije tijd (tv kijken)

3

(w) Straathoekwerker

Voetbal, rondhangen, uitgaan

4

(s) Handelswetenschappen

Uitgaan, cinema, sport, reizen, café

5

(w) Bank en verzekeringen

Socio-culturele activiteiten, les Marokkaans, Rode Kruis

6

(w) werkloos (opleiding VDAB maritiem bediende)

Opleiding sociologie, verder geen info

* Voor één van de deelnemers is een nevenactiviteit weggelaten wegens de herkenbaarheid.

 

“Hoe representatief zijn we? De discussie was moeilijk, en dat maakt juist zo duidelijk hoe individueel iedereen is, hoe anders we zijn. We zijn geen homogene groep.”

 

Met dit quotum wordt het gesprek van zes jongeren tussen 16 en 25 jaar afgesloten. Het gebeurt courant dat allochtone jongeren als één doelgroep worden beschouwd. De diversiteit is echter groot (zoals trouwens in de ganse groep etnisch culturele minderheden). Het is een steeds terugkerend fenomeen. De in-groep wordt als zeer heterogeen beschouwd, terwijl de out-groep als homogeen wordt benaderd. In de sociale psychologie noemt men dat “outgroup homogeneity effect”.[149] De geciteerde uitspraak toont aan dat ze wel degelijk aanvoelen dat ze als homogene groep gepercipieerd en behandeld worden. Aan de andere kant hebben deze jongeren eenzelfde houding tegenover de autochtonen. Het beleid, de maatschappelijke organisaties en de media moeten hier echter boven staan. Groepsbenadering kan slechts functioneel zijn indien men oog heeft voor het individu en de diversiteit binnen die groep.

 

Geluk heeft voor deze jongeren zowel negatieve als positieve aspecten. Geluk is de familie omdat daar rust heerst en een opvang is bij problemen. Dit wordt echter onmiddellijk gerelativeerd: “Niet te veel, ik hou van rust” en “In onze familie is er chaos, gebrek aan structuur”. Geluk is ook je nuttig voelen. Werk bijvoorbeeld, zorgt dat je jezelf nuttig voelt. Wie geen werk heeft, kan zich nuttig voelen door te participeren in het verenigingsleven. Mensen helpen is belangrijk. “Iedereen zou eigenlijk vrijwilligerswerk moeten doen.” Het middenveld en het verenigingsleven zijn zeer belangrijk, vooral een eigen allochtoon middenveld. Hoe meer, hoe beter. Daardoor kan er een grotere druk worden uitgeoefend. Enkele keren komt ook de AEL[150] ter sprake. De jongeren vinden dat de AEL teveel geviseerd wordt, terwijl het gewoon een drukkingsgroep is.

Een belemmering op de weg naar geluk is het gevoel constant geviseerd te worden. De reacties van de “buitenwereld”, met daar bovenop uitsluiting en armoede, veroorzaken een wrang gevoel en zorgen voor onrust bij de jongeren. Machteloosheid verandert idealisme in frustratie. Men voelt zich “een vreemde eend in de bijt”. Er zijn maatschappelijke problemen maar er wordt te veel veralgemeend en gediscrimineerd. De media worden hierbij als één van de schuldigen aangewezen. De jongeren vinden dat de media momenteel niet in competente handen zijn. Daarom vragen ze zich af of de oprichting van eigen onafhankelijke mediakanalen niet noodzakelijk is. Als voorbeeld wordt KifKif[151] aangehaald, een multiculturele website. Ze geloven dat eigen media de dingen kunnen veranderen.

 

Over het onderwijs zijn de jongeren in sterke mate negatief. Alweer worden de CLB’s als grote schuldige aangewezen. Er is te veel doorverwijzing naar BSO en TSO. “Als je toch doorstroomt naar het ASO, dan ben je een uitzondering.” Jongeren vinden dat het onderwijs de allochtonen voorprogrammeert als arbeiders. Er is vooral nood aan hooggeschoolden en dat moet gestimuleerd worden. Er is een dringende hervorming van het onderwijs nodig. Er moet meer ervaringsgericht onderwijs komen. Daarnaast moeten er moslimscholen worden opgericht. Onder andere AEL is daar mee bezig. Er wordt verwezen naar Nederland waar er al een dertigtal moslimscholen bestaan en waar de resultaten van de leerlingen beter zijn dan in gewone witte scholen.[152]Islamitisch onderwijs is een recht. PUNT.”

 

In het verlengde van onderwijs ligt de opvoeding. De school wordt aanzien als belangrijkste actor en de verantwoordelijkheid van de ouders wordt gerelativeerd. “Ouders hebben geen grote verantwoordelijkheid. Zij waren gastarbeiders en zijn hier slecht ontvangen. Zij kennen de regels niet. Er was geen beleid tegenover nieuwkomers. Je kunt niet verwachten dat mensen die geen Nederlands spreken naar de oudercontacten gaan.” Toch zijn ze gematigd positief over de toekomst, omdat meer en meer ouders naar die oudercontacten zullen gaan. Logisch, want de toekomstige moeders en vaders hebben hier gestudeerd en kennen Nederlands.

 

De sociale controle is aan het afbrokkelen. Je vindt ze nog in de moskeeën, maar daarbuiten verdwijnt ze omdat de groep veel groter is geworden.

 

Over de allochtone politici zijn ze voorzichtig positief. “Er zijn er wel een paar die hun best doen.” Er is echter dikwijls tegenwerking binnen de politieke partijen. De jongeren vinden dan ook dat de allochtonen een eigen partij moeten oprichten[153]. Dit hoort bij een democratie en enkele allochtone politici zitten nu, ideologisch gezien, niet altijd op de juiste plaats.

 

Over identiteit zijn de jongeren minder duidelijk. Vlaming, Turk, Marokkaan zijn wordt als minder belangrijk gezien dan het “moslim” zijn. Identificatie is belangrijk en daarbij speelt het verenigingsleven een belangrijke rol. Je kunt er jezelf ontwikkelen en thuis voelen. De beste manier om je te ontplooien is een groep waarin je jezelf goed voelt (bijvoorbeeld een islamitische scoutsbeweging).

 

Toch voelen de jongeren zich een deel van de Vlaamse cultuur. Ze vinden echter dat de doorsnee Vlaming onwetend is over alles wat met moslims te maken heeft. Terrorisme en islam worden voortdurend gelijkgeschakeld. “In Gent krijgen licentiaten sociologie een hoofdstuk ‘Islam en terrorisme’. Dan kweek je een gestructureerd negatief beeld.”

 

Over het algemeen wordt de toekomst niet erg rooskleurig ingezien maar er is hoop. Vooral op economisch en sociaal vlak is er pessimisme.

 

De veralgemening en het steeds opnieuw zichzelf moeten bewijzen zit de jongeren hoog. Er is een fundamenteel gebrek aan zelfvertrouwen. Onderwijs en maatschappij kunnen hier veel aan doen. Ze willen vrijheid als moslim en eisen meer respect. Als voorbeeld wordt het hoofddoekendebat aangehaald. Een verbod op hoofddoek is denigrerend en is gebaseerd op vooroordelen. Toch geloven de jongeren in een positieve evolutie. De discriminatie zal verminderen want veel negatiefs nu, is een gevolg van buitenlandse gebeurtenissen en politiek. “We zullen in de toekomst misschien niet langer de zondebok zijn.”

 

Terug naar het land van de roots? De meningen zijn verdeeld. Er zijn er die willen wegtrekken omdat ze geloven dat ze zich buiten België gelukkiger zullen voelen. “In Marokko is de sfeer heel anders. Het is er veel leuker. De jongens van daar zijn anders, socialer, relaxter.” Dit wordt echter sterk gerelativeerd door andere jongeren. “Maar wij hebben daar ook geen verplichtingen. … Het gras is altijd groener aan de andere kant. Zijn de mensen daar socialer? Sociale omgeving heeft meer te maken met de gemeenschap waarin ze leven. Wij staan verder.” (Reactie van een deelnemer: “Wij staan achter.”)

 

8.5. Meisjes in de stad

 

In deze focusgroep zijn er zes deelneemsters. Met uitzondering van participante nummer 3 is er geen vermelding van enige activiteit bij organisaties of verenigingen. Er is wel veel aandacht voor familie en vrienden in de vrije tijd. Dit is zo bij alle deelneemsters. Bij drie van hen is vermeld dat ze hogere studies hebben gevolgd of nog volgen. Eén zit nog op de middelbare school. De twee andere hebben werk maar er is geen melding van het studieniveau.

 

Schema 8.5. Meisjes in de stad.

 

Werk (w) / Studie (s)

Nevenactiviteiten en vrije tijd

1

(s) Geneeskunde

Familie, vrienden

2

(w) Onderzoekscentrum UGent administratie

Fotografie, uitgaan met vrienden, reizen

3

(w) Steunpunt allochtone vrouwen

Steunpunt allochtone vrouwen*, vrienden, familie

4

(s) Middelbare studies

Lezen, vrienden, familie, zelf, rust

5

(w) post

Vrienden en veel sociaal contact

6

(w) Industrieel ingenieur

Uitgaan, sporten, shoppen, plezier

* Nadruk op fulltime bezigheid, zowel professioneel als in de vrije tijd, waardoor dit laatste zeer beperkt is.

 

Deze meisjes en/of jonge vrouwen komen positiever uit de hoek dan de moeders. Het zijn dan wel alle zes actieve vrouwen. De toekomst biedt hen positieve mogelijkheden.

 

Toch leeft er een zekere vrees. De negatieve berichtgeving stemt tot nadenken. Er zijn namelijk heel wat problemen en de toekomst van de kinderen is onzeker, maar: “je moet optimistisch blijven”. Nummer drie in het schema is pessimistischer, vooral door haar werk (steunpunt allochtone vrouwen). Het gesprek gaat nog meer de negatieve kant op wanneer er dieper op de toekomst wordt ingegaan. “Het wordt erger en erger. … Het wordt teveel.”

 

De media komen ook hier aan bod. Door en via de media wordt iedereen aangesproken op zijn verantwoordelijkheid voor alles wat er gebeurt. Er wordt te veel veralgemeend en de islam wordt voortdurend misbruikt. Er wordt ook voortdurend discussie gevoerd boven de hoofden van de allochtonen. De media spelen een belangrijke rol, want ze beïnvloeden voortdurend de mensen. Het beleid heeft hierin een belangrijke taak. Ze hebben invloed bij de media, zij het beperkt (VRT). “Politiek en media staan tolerantie en wederzijds respect in de weg.” Ook in de allochtone politici hebben ze niet veel vertrouwen wegens te gebonden aan de gewone partijen.

 

Geluk staat bij de meisjes voor een (mooi) gezin, een (goede) job en carrière, een doel hebben en liefde. Geluk in de toekomst betekent onder meer: “geen problemen meer tussen allochtonen en autochtonen. Daar is iedereen verantwoordelijk voor, te beginnen met jezelf”. De vrees leeft dat er altijd een stempel op hen zal gedrukt worden, maar sommigen vinden toch dat niet iedereen moet veranderen in “eenheidsworst”. Het “anders zijn” en een mix van eigenschappen moet kunnen.

 

Er zijn nog twee andere aspecten die opnieuw terugkomen. Een eerste is het belang van allochtone woordvoerders en rolmodellen, doch er is geduld nodig. Er zijn namelijk steeds meer allochtonen die hoger onderwijs volgen. Een ander aspect is de rol van het CLB en het teveel doorverwijzen van allochtonen naar het BSO.

 

De vrouwen/meisjes uit deze focusgroep voelen zich voortdurend tussen twee culturen, maar zijn toch voorzichtig optimistisch.

 

8.6. Woordvoerders (BV’s):

 

In de focusgroep “woordvoerders” waren 7 deelnemers present, vijf genodigden hadden zich geëxcuseerd. Hun welbevinden en hun visie op de toekomst verschillen niet zoveel van wat er in de andere focusgroepen is gezegd. De woordvoerders slagen er wel in, om hun verhaal meer gestructureerd en inzichtelijk weer te geven. Hoe kan het ook anders. Gezien het om “BV’s” gaat zal er geen verdere informatie worden gegeven over hun beroepsloopbaan en vrijetijdsbesteding. De zeven deelnemers beschouwen zichzelf als tevreden mensen, wat hun loopbaan en huidige maatschappelijke positie betreft. Ze beseffen ten volle de voordelen van hun positie en grotere kansen die daaraan verbonden zijn, doch ze voelen zich er niet schuldig om. Wel is er het verantwoordelijkheidsgevoel voor de allochtone gemeenschap.

 

Uit de groep “woordvoerders” komt duidelijk de grote gelijkenis naar voor, met wat er leeft bij de autochtone Vlaming. Zijn wij dan toch allen gelijk?

 

Bij het beschrijven van geluk ligt de nadruk op de relatie met de partner en de kinderen, op de tweede plaats komen sociaal contact en warme relaties met bijvoorbeeld vrienden. Het gezin wordt gezien als de plaats waar men terugkomt, als terugvalbasis en als een plaats van rust. Ook gezondheid komt aan bod, zij het gecombineerd met ouder worden. “Gezond oud worden. Ik kijk er naar uit. Omringd zijn met kinderen en familie. Je hebt niets meer te bewijzen, je hebt alles al bewezen. …. Ik heb de indruk dat dat de complete vrijheid is.” Dit wijst er toch wel op dat de maatschappelijke positie enige druk veroorzaakt. Toch is het gevoel “goed bezig te zijn” medebepalend bij het zich goed voelen. Regelmatig komt ook “eenvoud” naar voor als na te streven waarde, met minder eenzijdige aandacht voor materiële waarden.

 

Geluk betekent tevens: een bijdrage kunnen leveren aan de samenleving en kunnen meewerken aan een betere wereld. Een domper op dit geluk is immers “de ellende in de wijken, de steden en de wereld”. “Je mag wel geen slaaf worden van je idealisme.” Het is belangrijk om af en toe wat te kunnen relativeren en de zware rugzak af te zetten. “Wij hebben geen echte zorgen, het zijn luxeproblemen.”

 

De toekomst wordt niet al te rooskleurig ingezien, vooral wat de komende generaties betreft. Er is een sociaal drama aan de gang in het onderwijs. Er is het gevoel dat er achteruitgang is in plaats van vooruitgang. “De kinderen nu hebben het veel zwaarder dan wij het ooit gehad hebben.” Jongeren aanvaarden ook teveel hun lot en dit leidt tot immobilisme en fatalisme. De jongeren hebben het zwaar met discriminatie, uitsluiting en het toenemende racisme. Hier wordt met de vinger gewezen naar de politiek en de media. “De democratische partijen houden dat jammer genoeg in stand. … Racisme is het grootste taboe in Vlaanderen. … De media vergroten dingen uit.”

 

Over dit laatste iets meer. De focusgroep vindt dat zelfkritiek nodig is, maar er mag geen passiviteit ontstaan want dit maakt het de tegenstander juist gemakkelijk. “Iedereen, zowel individuen als het middenveld, moeten vechten voor een positieve wending. Organisaties en individuen, we zijn allen wezenlijk deel van de samenleving en we moeten ons tonen ook.” Nu wordt er te veel gepraat. Er moet gewerkt worden en het beleid moet fors investeren. De media spelen een belangrijke rol. Ze moeten ophouden met de gemeenschap te beoordelen en/of te veroordelen op basis van daden van individuen. “Een Belg moet zich toch ook niet verantwoorden voor Dutroux of de christenen voor de daden van het IRA[154]

 

Er is ook een discussie over de aard van de uitsluiting. De grote oorzaak van de problemen is van socio-economische aard. Toch worden de problemen voortdurend geculturaliseerd of geïslamiseerd. De gehanteerde definitie voor het begrip “allochtoon” toont dat trouwens aan. Het gaat om achtergestelde groepen. De discussie allochtoon/autochtoon is voortdurend aanwezig in dit debat. Dit wijst op zichzelf al op uitsluiting. “Deze samenleving sluit per definitie uit.” Ook het voortdurend zichzelf moeten bewijzen als “verlichte moslim”, waarbij het nooit genoeg bewezen is, zijn alle sprekers meer dan beu.

 

Voor de toekomst is het belangrijk om aan de kinderen het goede mee te geven. Toch is er heel wat bezorgdheid. Er is een groeiende antipathie tegenover moslims. De vrees dat de kinderen gestigmatiseerd zullen worden is groot. Sommigen twijfelen zelfs om in dit klimaat kinderen te krijgen. Zolang de allochtonen geen deel uitmaken van de maatschappij als gewone burgers, is de toekomst somber. Er wordt gepleit voor een terugkeer naar de oude waarden die verloren zijn gegaan. Een conservatieve houding die mogelijk te verklaren is vanuit de zoektocht naar rust binnen de gemeenschappen.

 

Communicatie tussen de burgers is een ander noodzakelijk element. “Vlaanderen heeft een probleem met multiculturaliteit.” “De islam is een geviseerde groep in de Vlaamse samenleving. Vlaanderen heeft vanuit zijn verleden van monocultuur, problemen om er mee om te gaan en dit uit zich ook in de politiek.” Althans volgens één van de deelnemers. Er wordt gewezen op de rol van het Vlaams Belang en het voortdurend overnemen van de standpunten van het Vlaams Belang door de andere partijen. Een van de deelnemers pleit voor een zekere “clash” van de culturen, die er moet komen. “We moeten er voor zorgen dat er een clash komt, dat de islam en moslims zichtbaar worden in de samenleving. De islam moet gekend en herkend worden, en dat is de taak van academici, kunstenaars, leerkrachten, … Elke Vlaming moet er mee in contact komen.” De structuren hebben er voor gezorgd dat er geen clash of confrontatie komt tussen de culturen, “ze hebben een buffer gevormd”.

 

Iedereen in de samenleving moet als actor optreden: politiek, middenveld, buurtgroep, straatgroepen, oudercomité’s, … “De verzuring tegengaan en samenwerken zonder bemoeienis van de politiek en dit vooral op kleine schaal. De vakbonden moeten zich meer inzetten voor de werklozen in plaats van vooral voor de werkenden.” Er moet ook meer participatie komen in het beleid én in de media door allochtonen.

 

De allochtonen moeten actiever zijn en een emancipatiebeweging op gang trekken, vergelijkbaar met de arbeidersstrijd, de Vlaamse strijd en de schoolstrijd. Daarom moeten de krachten gebundeld worden. Uiteindelijk zal de verandering er moeten komen via de politiek, en liefst met de juiste mensen op de juiste plaats. “In de Stedelijke Integratiedienst en werken mensen die niet bevoegd zijn en gemakkelijk gemanipuleerd kunnen worden. Daarom worden ze ook aangenomen. Ook dit zorgt voor een voortdurende vertraging”.

 

Zijdelings komt ook de gebiedsgerichte werking in Gent ter sprake, als een kans voor de toekomst. Dit past bij het verlangen naar kleinschaligheid en basiswerking, wat in het huidige Gentse integratiebeleid steeds meer taboe wordt door de complexiteit van de structuren (zie verder doorheen deze scriptie) en de bureaucratisering van het beleid ECM. “Veel mensen die vroeger actief waren aan de basis van het beleidsveld, zitten nu achter de computer.”[155]

 

8.7. Imams: hard werken maar hoop voor de toekomst.

 

Vier imams namen deel aan de gesprekken. In het onderstaande kader is een overzicht gegeven van hun voornaamste bezigheden. Enkele details werden weggelaten om identificatie tegen te gaan. Een belangrijk verschil met de katholieke geestelijkheid is dat deze mensen ook een gewone baan hebben. Vaak is dat “islamleerkracht” doch niet noodzakelijk. Bijvoorbeeld, Cemal Cavdarli is kamerlid en tegelijk imam. Zijn rol is echter, wegens drukke bezigheden, beperkt tot voorlezer (af en toe). Een ander verschil: imams kunnen een gewoon gezin hebben. Celibaat is niet aan de orde binnen de islam.

 

“Celibaat is in de islam niet toegestaan omdat dit tegen het natuurlijke verlangen van de mens naar een partner en een gezin ingaat. God heeft de mens een partner gegeven om tot rust te komen en zijn seksuele verlangens op een veilige manier te bevredigen. Zonder partner wordt de geest onrustig en het onderdrukken van seksuele verlangens kan tot asociaal gedrag leiden.”[156]

 

Schema 8.7. Imams.