| De problematiek van de multiculturele samenleving vanuit stedelijk perspectief (Casus Gent). (Marc Vercoutere) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Deel 3. De stedelijke multiculturele samenleving: (casus Gent).
10. Inleiding: Gent voorbeeldstad of voorbeeld van een stad?
Wetenschappelijk onderzoek vereist toetsing van de theorie aan de praktijk. Hypothesen dienen met de realiteit geconfronteerd te worden. Ook deze scriptie wil dieper ingaan op de empirische realiteit.
De keuze om beleidsonderzoek te doen over het multiculturele samenleven in de stad Gent, heeft diverse oorzaken. Vooreerst is er de bezorgdheid als inwoner van de stad Gent over de toekomst van deze samenleving. Ondanks de vele actoren in het beleidsveld blijft er een grote discrepantie tussen de wens op een harmonieuze samenleving en de groeiende polarisering tussen de verschillende bevolkingsgroepen.
Een tweede reden is de naam die Gent door jaren van beleid onder de huidige burgemeester Frank Beke[211] heeft opgebouwd. Gent heeft de naam een voorbeeldstad te zijn qua multicultureel beleid. Getuige de prijs voor de democratie 2004 die de burgemeester mocht ontvangen. Met de eervolle vermelding: “Gent heeft zich uitgeroepen tot cultuurstad en cultuurstad voor iedereen. Het stadsbestuur heeft een politiek gevoerd van integraal beleid, met participatie en publieke discussie, gericht ook op deelname van uitgesloten groepen en kansarme buurten.”[212]
Dit zou een verklaring kunnen zijn, waarom het Vlaams Belang in Gent opmerkelijk lager scoort dan het Belgische gemiddelde. “Het Vlaams Blok haalde in de Vlaamse verkiezingen in 2004 21,92% (= + 2,1% tegenover 1999) van de stemmen in Gent. In 2003 haalden ze “slechts” 19,38%. Wat een achteruitgang van 2% was vergeleken met ‘99. In het algemeen haalt het Vlaams Blok in Gent scores die sinds kort onder het Vlaamse gemiddelde liggen.”[213]
Toch is er geen eensgezindheid over die positieve invloed van het Gentse beleid. Er zijn andere argumenten, die aan de basis kunnen liggen voor de relatief lagere score van het Vlaams Belang in Gent. Vooreerst is Gent een studentenstad en veel studenten blijven na hun studies in de stad wonen. Bij hooggeschoolden ligt het stemmenpercentage voor het Vlaams belang lager. Een andere en wellicht belangrijkere oorzaak zou het “verdringingseffect” zijn. Relatief rijkere en hooggeschoolde groepen verdringen de armere bevolkingsgroepen naar de steden in de buurt van Gent. [214]
Het eerste argument klopt slechts gedeeltelijk. Dit fenomeen manifesteert zich al lang voor de opkomst van het Vlaams belang en de impact op de totale bevolking is eerder beperkt. Ook het verdringingseffect heeft weinig invloed. Gent heeft van oudsher een arme bevolking. De verdringing gebeurt veeleer binnen de stad dan naar de omliggende gebieden, waar de huurprijzen trouwens vaak veel hoger liggen. Bij deze argumentatie wordt er trouwens geen empirisch bewijs geleverd, wat doet vermoeden dat het eerder om politieke argumentatie gaat, dan wel om maatschappelijk analytische beschouwingen.
Een andere mogelijke verklaring is het “Beke-effect”. Frank Beke is een burgemeester die zeer populair is in Gent. Dit komt grotendeels door zijn jarenlange inzet om direct contact te blijven houden met de burgers. Frank Beke gaat dan ook regelmatig op stap in de buurten en voert een grote aanwezigheidspolitiek. Dit bewijst enigszins het belang van direct contact en communicatie met de burger.
Al bij al haalt de algemene tevredenheid over het Gentse beleid bij de bevolking een betrekkelijk hoge score. [215] In gans deze discussie is het trouwens van minder belang wie welke verkiezingscijfers haalt, als wel wat de meerderheid wel of niet heeft verwezenlijkt en hoe dit door de bevolking wordt gepercipieerd. Het is ook relatief onbelangrijk om te gaan goochelen met algemene cijfers omdat juist in Gent de diversiteit zeer groot is, zowel binnen de stad als binnen de wijken.
Gent als voorbeeldstad bekampen met cijfers van de verkiezingen heeft weinig zin. Te meer daar de titel voorbeeldstad weinig vergelijkingsbodem heeft. Men kan enkel stellen dat het in Gent rustiger is dan op andere plaatsen. Soms wordt de stelling geponeerd, dat het Gentse stadsbestuur vooral streeft naar rust en minder bekommerd is om het beleid an sich.[216] Dit zou betekenen dat het Gentse beleid minimalistische doelstellingen nastreeft in haar beleid etnisch culturele minderheden. Gezien de vele inspanningen die er geleverd worden is deze stelling zeer twijfelachtig. Toch is er heel wat kritiek op het beleid. Vanuit de etnisch culturele minderheden wordt opgemerkt dat het beleid veel te bevoogdend werkt en dat de integratiedienst emancipatie eerder in de weg staat dan bevordert.[217]
Conclusie: zoveel opinies als er politieke invalshoeken zijn. Daarom is het van belang om rechtstreeks binnen te treden in de wereld van het beleid Etnisch Culturele Minderheden (ECM). Een beleidsonderzoek dat niet zozeer gevoerd wordt aan de hand van cijfers, maar aan de hand van percepties en gevoelens die leven in de stad, zowel aan de basis als bij de diverse beleidssectoren.
Binnen het kader van deze scriptie is het vooral de bedoeling om na te gaan hoe het beleid de problematiek aanpakt en wat hiervan de positieve en negatieve gevolgen zijn. Woord en wederwoord komen vanuit het beleid en vanuit de verschillende sectoren die participeren in het beleid en in de ontplooiing van het multiculturele samenleven. Wat is geweest, wat is en wat zal zijn. Een beleidsevaluatie is het aangewezen instrument om na te denken over toekomstige stappen die het stedelijke beleid kan ondernemen.
Een beeld van Gent als voorbeeld van een multiculturele stad, met een beleid ECM, met een ruime diversiteit aan actoren en met positivo’s en critici. Gent is een stad met mogelijkheden die vaak niet optimaal benut worden, doch ook een stad waar het doelgroepenbeleid in een nieuwe fase is terecht gekomen. Vanuit deze beleidsevaluatie zal dan ook een poging worden ondernomen om zowel de nieuwe elementen onder de loep te nemen als om enkele visies op de toekomst te ontwikkelen.
11.1.Diversiteit in de diversiteit.
Gent heeft onmiskenbaar een zeer diverse samenleving. Getuige de verschillende nationaliteiten die in Gent vertoeven.
“Binnen die etnisch-culturele minderheden vinden we zo'n 124 verschillende nationaliteiten terug. Wanneer we alle nationaliteiten in Gent in rekening brengen (Belgen, EU-ers en andere rijke landen inbegrepen) zijn er dat 148. Op wereldvlak zijn er 233 verschillende landen! “[218]
Het onderzoek in deze scriptie richt zich enkel op de Turkse, Marokkaanse, Algerijnse en Tunesische bevolkingsgroepen. Gezien dit 60,88% van alle ECM omvat is dit de meest omvangrijke groep. Voor alle inwoners van Gent betekent dit 7.65% op een totale bevolking van 233.236 personen, terwijl de totale groep ECM[219] 29308 of 12,57% omvat. De grootste groep is de Turkse die bijna de helft (46,81%) van de ECM vertegenwoordigd of 5,88% van de totale Gentse bevolking. Dit betekent dat ongeveer 2/3 van de allochtonen personen zijn van Turkse of Maghrebijnse afkomst.
Tabel 11.1(1): Opdeling naar nationaliteit, verhouding tot de totaliteit van de ECM* en de totale bevolking van Gent
|
|
NIET BELG |
BELG |
TOAAL |
% van de ECM |
% van de totale bevolking |
|
|
|
|
|
|
|
|
TURKIJE |
4982 |
8736 |
13718 |
46,81 |
5,88% |
|
MAROKKO |
1034 |
1603 |
2637 |
9 |
1,13% |
|
ALGERIJE |
271 |
373 |
644 |
2,2 |
0,28% |
|
TUNESIE |
227 |
615 |
842 |
2,87 |
0,36% |
|
|
|
|
|
|
|
|
kolomtotalen |
6514 |
11327 |
17841 |
60,88 |
7,65% |
|
|
|
|
|
|
|
|
% vd totale bevolking (=233 236) |
2,79% |
4,86% |
7,65% |
|
|
*ECM = Etnisch Culturele Minderheden
Bron: Stad Gent, Stedelijke Integratiedienst. Omgevingsanalyse 2003-2005.[220]
Een belangrijke opmerking: in deze cijfers is de groep die bij de geboorte “automatische toekenning” van de Belgische nationaliteit krijgt niet opgenomen. Voor de totale groep van ECM bedroeg dit ongeveer 2300 op 01/07/2001. Bij een schatting in april 2004 bedroeg dit aantal tussen de 4 à 5000. Deze schattingen gebeuren op basis van naamtellingen en zijn dus niet exact maar wel een realistische benadering. “M.a.w. een groeiend deel van de jonge allochtonen verdwijnt uit de officiële statistieken. Of dit positief of negatief is, is voorwerp van discussie en beleidskeuzes.”[221]
Zoals al gezegd wordt het begrip allochtoon in deze studie beperkt tot een deel van de doelgroep allochtonen en bijgevolg ook van de ruimere doelgroep ECM. Wat Gent betreft is dit de grote meerderheid (zie tabel 11.1(1)). De totale groep ECM omvat 4 doelgroepen die gedefinieerd zijn in het “Beleidsplan Etnisch Culturele Minderheden 2003-2005”[222]. De basis voor deze definiëring is het decreet van 28/04/1998: “Decreet inzake het Vlaamse beleid ten aanzien van etnisch-culturele minderheden.”[223]
Tabel 11.1(2): ECM.
|
Bronnen |
Doelgroepen |
|
Aantal |
Totaal |
|
|
|
|
|
|
|
BR + VR |
Allochtonen |
met VREEMDE nationaliteit |
11 210 |
|
|
|
|
met BELGISCHE nationaliteit |
13 999 |
|
|
|
|
Totaal (* inclusief vluchtelingen) |
|
25209 |
|
BR + VR |
Vluchtelingen |
Erkende vluchtelingen Niet-Belgen |
157 |
|
|
|
|
Erkende vluchtelingen met B. nat. verwierven |
442 |
|
|
WR |
Asielzoekers |
|
4.099 |
4 099 |
|
|
TOTAAL |
|
|
29 308 |
|
BR+VR+WR |
Totale bevolking Gent |
|
|
233.236 |
|
|
% all.+vlucht. op totale bevolking |
|
|
12,57% |
|
SCHATTINGEN |
|
|
|
|
|
apr-04 |
Allochtonen |
allochtone kinderen met automatische toekenning Belg. nat. bij geboorte |
|
4 à 5000 |
|
apr-04 |
Woonwagen-bewoners |
|
|
+/- 50 |
|
2000 |
Mensen zonder papieren |
(ruwe schatting, wordt voorlopig door niemand bevestigd) |
|
3000? |
|
|
TOTAAL |
|
|
8000? |
(BR: Bevolkingsregister, VR: Vreemdelingenregister, WR: Wachtregister)
Bron: Stad Gent, Stedelijke Integratiedienst, Omgevingsanalyse 2003-2005 Inleiding & Index. Demografie. Laatste wijziging 01/07/2004. http://www.gent.be ( 02/02/2005)
De doelgroep ECM van de Stad Gent omvat dus vier belangrijke categorieën met elk hun specifieke problemen. De definiëring van de 4 doelgroepen is een evenwichtsoefening en bijgevolg vatbaar voor kritiek. Ze is echter zo opgevat dat de categorieën elkaar per definitie uitsluiten waardoor dubbeltelling vermeden wordt.
1. Allochtonen: de definiëring van deze doelgroep werd besproken in het deel 4.2. Enkel de allochtone kinderen met automatische toekenning bij geboorte vormen een problematische categorie bij het weergeven van de exacte cijfers. Hun verdwijnen in de autochtone bevolkingsgroep maakt hun problemen er niet minder door. Daarom is het noodzakelijk deze groep nauwgezet te blijven opvolgen. In de eerste plaats vanuit de bezorgdheid over gelijke onderwijskansen. Indien er gesproken wordt over allochtonen moet er dus steeds rekening gehouden worden met cijfers die hoger liggen dan het aantal zoals opgegeven in de tabel 11.1(1). Er is een dringende nood aan een objectief telsysteem. Waar nu nog schattingen mogelijk zijn, zal dat in de toekomst wellicht heel wat moeilijker worden. Uiteraard is dit een gevoelige kwestie omdat het onwillekeurig doet denken aan de registratie van de joden door de Nazi’s vanaf de jaren dertig. Toch is er een noodzaak aan werkbare cijfers. “Als het om harde cijfers moet gaan is het nodig goed af te spreken hoe er wordt geregistreerd. Alleen dat maakt het mogelijk zinvolle cijfers te produceren, cijfers die hard nodig zijn voor beleid en praktijk”[224]
Hoe belangrijk deze discussie wel is, wordt onder meer aangetoond door de internationale aandacht rond deze materie. Er wordt gewezen op de noodzaak maar ook op de gevaren van de registratie van leden van een specifieke doelgroep.
|
Uit: Registration of allochthnous persons, the experience in Flanders. (Dr. Caestecker F.)[225]
“Public authorities as a real power: avoiding abuse.” There may be a fear that a competent authority, controlled by a majority, may, through registration of origin, find itself in the position to act in a discriminatory way towards minorities who have become identifiable. Such a fear cannot be ignored in Flanders, where the 1990s saw the electoral advancement of a political grouping which is not in favour of the presence of the population that stems from immigration.
“The symbolic power of public authorities: social cohesion must not be weakened.” Officially registering origin may reinforce ethnic dividing lines in the sense that they are thus officially legitimised. This official registration of origin signifies, in fact, the institutionalisation of a line of demarcation drawn in the heart of society.
A Flemish model of self-identification. This concern brings us to reject ‘objective’ criteria to define the target group of a positive action policy: only self-identification recognises the subjective character of attribution to a social group. |
De tekst waaruit bovenstaande fragmenten afkomstig zijn, werd samengesteld op basis van een eerder rapport naar aanleiding van een beleidsvoorbereidend onderzoek, in opdracht van de Dienst Emancipatiezaken van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.[226]
2. Vluchtelingen: "Dit zijn personen die als vluchteling erkend zijn of asiel hebben aangevraagd en nog niet definitief afgewezen zijn."[227]
De grootste groep hier zijn de asielzoekers. Hun aantallen kunnen relatief nauwkeurig worden bijgehouden. Relatief, want veel asielzoekers die ingeschreven zijn in andere gemeenten houden zich anoniem op in de steden. Dit is te verklaren door de zoektocht van asielzoekers naar minimaal sociaal contact met lotgenoten. De aantallen die in tabel worden opgegeven, vertegenwoordigen enkel deze die ingeschreven zijn in de Gentse registers.
“Wij zijn ervan overtuigd dat OCMW’s de hun toegewezen asielzoekers in de eigen gemeente moeten opvangen, maar anderzijds kan een sedert geruime tijd scheef gegroeide situatie niet onmiddellijk recht gezet worden. Ook kunnen de asielzoekers zelf niet op straat worden gezet. Daarom is de Stad Gent bereid ook tijdelijke opvang te bieden aan asielzoekers van andere gemeenten mits die gemeenten zelf een inspanning doen om hun cliënten te herhuisvesten en zij ook financieel bijdragen in de opvang.”[228]
Voor november 2002 geeft dit de volgende aantallen: asielzoekers 4747, toegewezen aan OCMW’s van andere gemeenten: 2.757. Het probleem van de niet geregistreerde asielzoekers is gekend door de stad. Niet alle asielzoekers die in Gent verblijven doen dit op officiële basis. Dit leidt uiteraard tot andere cijfers. Het uiteindelijke aantal aanwezige asielzoekers op het grondgebied van Gent is niet exact gekend en zelfs een schatting is moeilijk[229].
3. Woonwagenbewoners: “personen met een nomadische cultuur, die zich legaal in België bevinden en die traditioneel in een woonwagen wonen of gewoond hebben.”[230]
Deze omschrijving heeft een bizarre bijklank. Nomadisch en legaal zorgt voor een ruime inperking van de betekenis woonwagenbewoner. Roma zonder papieren (categorie mensen zonder papieren) komen in deze categorie niet voor. Uiteraard is hun verblijf vaak tijdelijk, doch de beperking die het beleid hier doorvoert heeft weinig zin. De resterende doelgroep wordt geminimaliseerd en bedraagt in aantal ongeveer 50, een schatting na overleg met personen die met deze groepen werken. De grootste sociale en maatschappelijke problemen stellen zich net met de nomadische groepen die niet over de Belgische papieren beschikken en/of nomadisch zijn in de echte betekenis van het woord en bijgevolg niet door landsgrenzen gebonden zijn. De woonwagenbewoners waarover het beleidsplan spreekt zijn eigenlijk mensen die residentieel geworden zijn en in de problemen verkeren. Ze zijn vaak het slachtoffer van huisjesmelkers.[231]
4. Mensen zonder papieren: “De term 'mensen zonder papieren' is een verzamelnaam voor alle vreemdelingen die in Gent verblijven zonder wettig verblijfsstatuut.”[232]
“Onwettig statuut” betekent dat deze mensen nergens geregistreerd. Ruwweg wordt deze groep geschat op ongeveer 3000 personen. Voor deze cijfers staat echter niemand garant. Het is trouwens moeilijk om onderscheid te maken tussen de vele niet-Gentse asielzoekers (toegewezen aan OCMW’s van andere gemeenten) en mensen zonder papieren. Beide groepen zijn trouwens constant aan wijzigingen onderhevig.
11.2.Geografische spreiding van de ECM: Een argument pro gebiedsgerichte werking.
De voorbije jaren is er heel wat te doen geweest rond de uitbouw van modellen in het kader van de “nieuwe politieke cultuur”. Ook in Gent heeft dit geleid tot enkele stevige debatten. Na de goedkeuring van een nieuwe wet over de “mogelijkheid tot de installatie van districtraden in gemeenten met meer dan 100duizend inwoners”[233], ontstond al heel snel een pluralistisch platform dat pleitte voor de invoering van deze districtraden. Ondanks de jarenlange inzet voor het verkrijgen van voldoende handtekeningen om een referendum hierover te organiseren - wat uiteindelijk op de valreep is mislukt - heeft de stad Gent beslist deze denkpiste af te voeren. Voor Gent zou dit trouwens een terugkeer naar het verleden betekenen. De installatie van districten is een vorm van gedeeltelijke de-fusionering. Gezien de beperkte grootte van Gent, in vergelijking met bijvoorbeeld Antwerpen, zijn de districten geen oplossing voor het naderbij brengen van de burger. Het zou geleid hebben tot een grote versnippering van middelen en mogelijkheden.
Dit betekent niet dat het Gentse stadsbestuur geen oog heeft voor de vernieuwing van de bestuurlijke vormen. Het Gentse stadsbestuur heeft namelijk gekozen voor gebiedsgerichte werking, waarbij op basis van samenspraak met actoren en burgers een programma voor de specifieke wijk wordt opgesteld.
“De gemeenteraad gaf op 23 juni 2003 het groene licht om voor alle 29 wijken/gemeenten een programma op te maken. Een wijkprogramma geeft de kijk van de Stad op de wijk weer en ontvouwt de plannen voor de komende vijf jaar.”[234]
Dit is een beleidsbeslissing die nog volop in ontwikkeling is en bijgevolg nog niet geëvalueerd kan worden. Hopelijk heeft de stad geleerd uit het verleden. De hoorzittingen van de dienst “Actie Samenspraak”, die nu is omgebouwd tot de dienst “Stedenbeleid en Internationale Betrekkingen”, zijn geen groot succes gebleken. Niettemin is gebiedsgerichte werking de beste keuze.
Ook in het kader van het ECM-beleid biedt gebiedsgerichte werking de beste kansen. Wanneer we de spreiding van de ECM over het grondgebied van de stad Gent bekijken wordt dit overduidelijk. Bij een vergelijking van de kaart “Sociaal Impuls Fonds actiegebied Gent”[235] en de kaart “spreiding ECM Gent”[236] zien we enkele opmerkelijke overeenkomsten.
Nagenoeg het ganse “actiegebied Sociaal Impuls Fonds (SIF)”[237] ligt in de zone met hoge concentraties ECM. Of omgekeerd: het grootste deel van de ECM woont in SIF-buurten. Deze concentraties gaan van +10% tot +60%. Dit betekent dat de overgrote meerderheid van de ECM wonen in de kansarme buurten van de stad. De concentratie van de ECM in deze buurten leidt tot een extra belasting voor de draagkracht van buurten die op heel wat andere vlakken ook al achtergesteld zijn en waar dringende ingrepen nodig zijn.
Deze concentraties geven een extra dimensie aan de maatschappelijke problemen. In het onderwijs is er het fenomeen van concentratiescholen. Op zich is een concentratieschool niet verkeerd maar dan moet ze over de nodige middelen beschikken om de specifieke problematiek van dit fenomeen aan te pakken. De “SIF-buurten” zijn bovendien concentratiewijken van werklozen en leefloontrekkers, op zich geen ideale situatie om een rijk (inter)cultureel samenleven mogelijk te maken. Ook de woonkwaliteit is er heel wat lager, zowel qua infrastructuur als wat betreft de woonhuizen zelf.
Door de specifieke situatie van de deze wijken is het een goede zaak om aan gebiedsgerichte werking te doen. Toch wordt dit een dubbeltje op zijn kant. In deze wijken is er een grote diversiteit aan culturen. Het zal niet evident zijn om de samenspraak zo te organiseren dat ook de diversiteit aan bod komt. De verschillende gemeenschappen zijn dikwijls sterk op zichzelf teruggeplooid.
Een markant voorbeeld: op het “Stadsgesprek” op 15 november 2004[238], georganiseerd door de Vlaamse Gemeenschap in de Vooruit in Gent, waren 187 vooraf ingeschreven deelnemers. Van al deze personen waren er slechts twee deelnemers van vermoedelijk (telling op basis van voor- en familienaam) allochtone afkomst, waarvan één werkzaam in het stadsbedrijf AG SOB (stadsontwikkelingsbedrijf). Slechts één organisatie, die niet behoort tot de stedelijke structuren en duidelijk werkt rond de problematiek van de multiculturele samenleving, was aanwezig, “Divers & Actief”, een organisatie uit de Brugse Poort, die werkt aan een betere communicatie tussen (en samenleven van) de diverse culturen. Uiteraard waren er wel stedelijke organismen en aanverwanten aanwezig zoals het RISO (Regionaal Instituut voor de Samenlevingsopbouw Gent), ING (Intercultureel Netwerk Gent), de Stedelijke Integratiedienst, en enkele andere, maar er was geen vertegenwoordiging van de vele allochtone zelforganisaties.[239] Dit betekent dat deze stadsgesprekken de stem hebben gemist van een belangrijk deel van de bevolking. Bij navraag bij enkele allochtone organisaties naar de reden van die afwezigheid wordt meestal gewezen op een fundamenteel wantrouwen en een gebrek aan motivatie om het debat aan te gaan met buitenstaanders[240]. Het is bijgevolg nodig om nieuwe en/of alternatieve initiatieven te ontwikkelen om een evenwichtige participatie van de diversiteit te garanderen.
Een ander aspect is de ongelijke verdeling van confrontatiemomenten met de multiculturaliteit in de stad. Positieve of negatieve ervaringen hebben een heel andere betekenis en draagwijdte indien men in een concentratiewijk woont of in één van de “witte” buurten. Wie permanent leeft in een buurt met veel allochtonen zal anders aankijken tegen bepaalde problemen en beleidsmaatregelen. Dit maakt het voor de politieke klasse extra moeilijk om een beleid te voeren dat algemeen aanvaard is. Hier kan gebiedsgericht beleid een oplossing bieden. Een functioneel beleid is een beleid dat gedragen wordt door zoveel mogelijk mensen die er belang bij hebben. Hoe dichter bij deze mensen het beleid ontwikkeld wordt, hoe groter de draagkracht ervan zal zijn. Stedelijke subsidiariteit mag niet enkel een verkiezingsslogan zijn maar moet in de praktijk de regel worden.
11.3.De concentratiewijk: stadskanker of microkosmos.
Om te kunnen spreken over concentratiewijken moet men eerst kijken naar de spreidingscijfers voor geheel Gent. Het spreidingsgemiddelde van de ECM in Gent op 01/10/2001 bedraagt 12%[241]; op 31/12/2003 is dit reeds 12.6%.[242] Meer dan 2/3 van het Gentse grondgebied heeft echter een ECM-aanwezigheid lager dan 5%. Dit betekent dat ongeveer 1/3 van Gent boven de 5% scoort, waarbij ongeveer 1/10 boven het gemiddelde, met concentratiewijken van 30% of meer. Deze percentages kunnen nogal eens verschillen, afhankelijk van de gebruikte criteria. Daarom is het belangrijk om even stil te staan bij de definiëring van het begrip “concentratiewijk”.
“Wij definiëren een wijk als concentratiewijk [243]
(a) als in deze wijk het aandeel niet-westerse allochtonen tenminste 10% bedraagt en
(b) als in deze wijk het aandeel niet-westerse allochtonen minimaal een derde groter is dan het aandeel niet-westerse allochtonen in de gemeente waartoe deze wijk behoort. Witte wijken worden gedefinieerd als wijken waar maximaal 10% van de bevolking (niet-westers) allochtoon is en waarin het aandeel allochtonen minimaal een derde onder het gemiddelde van het aandeel allochtonen in de gemeente ligt.”
Deze definitie betekent voor Gent, dat men kan spreken van een concentratiewijk vanaf 16 à 17% ECM en witte wijken indien het aandeel ECM lager is dan 8%. Bijna 3/4 van het Gentse grondgebied bestaat dus uit witte wijken. Bijna 10% kan duidelijk als concentratiegebied beschouwd worden. De rest zijn vooral overgangszones of gebieden rond het gemiddelde.
De bovenstaande definiëring kan als algemeen geldig beschouwd worden, gezien de hoge instapwaarde van 10%. Wat de Gentse situatie betreft, is het toch nodig de definitie ietwat te verfijnen om een beter overzicht te krijgen van de concentratiegebieden. Het gaat hierbij uiteraard niet om punten en komma’s.
Voor Gent kan men spreken over concentratiegebieden indien de aanwezigheid ECM in de wijk boven de 20% uitstijgt en over witte wijken indien de spreiding lager is dan 5%. Waarom deze nuancering. In de gebieden met een spreiding hoger dan 5% en lager dan 20 % zijn grote verschillen merkbaar. Veel van deze wijken kennen een concentratie binnen de wijk zelf, waarbij bepaalde delen van de wijk een hoge concentratie kennen en andere niet. Anderzijds zijn er ook wijken waar de spreiding evenwichtig is verdeeld. Er zijn bijgevolg wijken onder de 10% waar hoge deelconcentraties voorkomen, en wijken boven de 10 % waar een evenwichtige verdeling ervoor zorgt dat men niet echt over concentratiewijken kan spreken. Deze verschillen in verdeling ECM maken het noodzakelijk dat er een gediversifieerd beleid is voor de wijken. Zoals eerder gezegd kan de gebiedsgerichte werking hier in de toekomst een positieve bijdrage leveren.
Een extra belasting voor de concentratiewijken is de spreiding van vluchtelingen, asielzoekers en illegalen. Bij de asielzoekers bijvoorbeeld, met een gemiddelde spreiding van 2.7% over heel Gent, vindt men de hoogste concentraties terug in dezelfde concentratiegebieden als voor de ECM. Duidelijker gesteld: wanneer men de spreidingswaarden van de ECM en asielzoekers vergelijkt[244], is er nauwelijks verschil te zien. Deze concentraties leiden niet alleen tot spanningen tussen autochtonen en asielzoekers maar ook binnen de groep ECM.
Concentratiewijken krijgen meestal een negatieve stempel. In het populistische discours wordt al heel snel een link gelegd tussen de problemen en de grote aanwezigheid van ECM in deze wijken. Dit is echter een problematisering van de concentratie van etnische minderheden in woonwijken van de grote steden[245], die toelaat om de echte problemen onder de mat te vegen. Men zou eerder kunnen spreken over wijken met een “concentratie van problemen”, waardoor de concentratie ECM in diezelfde wijken, als primaire oorzaak wordt aangewezen. Via gebiedsgerichte werking wordt de kans geboden om per wijk de reële problemen in kaart te brengen en aangepaste actieschema’s op te stellen. “Problemen worden niet zozeer veroorzaakt door een bepaald aantal kansarmen of allochtonen, maar door de mismatch tussen de snel veranderende realiteit en bestaande instituties.”[246]
Buurten, die etnisch homogener zijn, hebben het gemakkelijker om te communiceren en om een gemeenschappelijk draagvlak voor beleid en actie te vinden. De gebiedsgerichte werking moet dus primair op zoek gaan naar een gemeenschappelijk draagvlak. Hoe heterogener de buurt, hoe moeilijker de opdracht. Het gevaar bestaat dat de zoektocht te veel beheerst zal worden door vooroordelen en politiek gekleurde of ideologisch getinte meningen en/of doelstellingen. Een goede samenlevingsopbouw moet dit overstijgen en de samenspraak van de burger terugbrengen naar het niveau van de leefbare wijk, het algemene belang en vooral naar de essentie.
Een belangrijke opdracht voor het politieke niveau is het vertrouwen en het geloof herwinnen in de kracht van de samenlevende burgers. Pas wanneer een overheid dat vertrouwen kan en wil uitstralen naar de bevolking, zal die bevolking ongetwijfeld een grotere bereidheid vertonen om te participeren. De overheid moet steeds voor ogen houden dat iedere actie die ze onderneemt, getoetst moet (zijn) worden aan het belang en/of de vooruitgang van de gehele wijk. Waar specifieke acties naar bepaalde doelgroepen nodig zijn, moet het beleid deze acties communiceren naar de andere wijkbewoners, waarbij deze acties duidelijk in het kader van het algemene wijkbelang geplaatst moeten worden of waarbij duidelijk uitgelegd moet worden wat de noodzaak ervan is. De vrees voor een beperkt draagvlak mag geen reden zijn om de burger deze informatie te ontzeggen. Een beleidsmaatregel wordt slechts zinvol bevonden als men ook begrijpt waarom en met welk nut deze is genomen.
Concentratiewijken moeten wijkspecifiek aangepakt worden. Net als deze wijken moet ook het beleid divers zijn. Door actief en participatief wijkbeleid moeten de overheid en burgers werken aan een samenlevingsmodel dat het best aangepast is aan de specifieke problemen van de wijk.
“Het zou echter evengoed kunnen dat buurten waar geen meerderheden voorkomen op de lange termijn instituties kunnen ontwikkelen die het samenleven in de buurt bevorderen. Door de lokale variëteit is het helaas onmogelijk om tot universele succesformules te komen.”[247]
Nieuwe lokale politieke cultuur is een cultuur van politieke diversiteit in beleid en actie. Creativiteit in de probleemgerichte aanpak is een opdracht.
12. De Gentse integratiescène.
12.1 Diversiteit in actoren: de stedelijke organisatie.
Om het beleid te kunnen analyseren is het noodzakelijk om na te gaan via welke organismen het stedelijke beleid wordt uitgevoerd. In het kader van het beleid ECM is er in Gent doorheen de jaren een complexe structuur gegroeid, die zonder gedegen studiewerk onmogelijk te doorgronden is. Het is niet de bedoeling om hier de volledige geschiedenis van het integratie- of het diversiteitsbeleid neer te schrijven. Wel is het noodzakelijk om enkele sleutelmomenten nader toe te lichten. De huidige structuren van het Gentse integratiebeleid zijn immers het gevolg van een lang proces. Doorheen de beschrijving van het beleidsdomein ECM worden bepaalde aspecten geëvalueerd en worden alternatieven besproken.
12.1.1 Van decreet naar beleidsplan.
In het kader van het Vlaams minderhedendecreet van 28 april 1998[248] werd overgegaan tot de erkenning van stedelijke integratiediensten. Er werden tegelijk subsidies voorzien op voorwaarde dat de integratiediensten langetermijnplannen voor het beleid ECM opstelden en deze door de Vlaamse Regering goedgekeurd werden.
In 2000 werd het Gentse Stedelijk Migrantencentrum (opgericht in 1991) erkend als Stedelijke Integratiedienst (SID). Deze dienst stelde in 1999 een beleidsplan op voor de periode 2000-2002 en de Vlaamse Regering keurde het goed. In dit beleidsplan stonden enkele belangrijke bepalingen, die tot op heden de leidraad vormen voor het integratiebeleid.
Wellicht één van de belangrijkste termen in het beleidsplan is de term “inclusief”. “Het minderhedenbeleid wil inclusief zijn. Daarmee wordt bedoeld dat de overheid haar algemene voorzieningen zo toegankelijk mogelijk zal maken voor minderheden, en het aantal afzonderlijke diensten of organisaties voor etnisch-culturele minderheden tot een minimum zal beperken.”[249]
Dit is een voortzetting van het tot dan toe gevoerde beleid. De Stedelijke Integratiedienst of het toenmalige Stedelijk Migrantencentrum werd opgericht om tegemoet te komen aan de specifieke problemen (onderwijs, tewerkstelling, wonen e.a.) van allochtone inwoners. Er werden in dit kader afzonderlijke diensten opgericht, terwijl ook aan een grotere toegankelijkheid van de bestaande diensten werd gewerkt, om deze afzonderlijke diensten op termijn overbodig te maken.[250]
Dit inclusief beleid staat ook duidelijk in het decreet ECM van 28 april 1998. “Het minderhedenbeleid is een inclusief beleid, dit wil zeggen: het beleid ten aanzien van de doelgroepen, dat gerealiseerd wordt in het algemene beleid van de verschillende sectoren, via algemene maatregelen en waar nodig via specifieke acties en voorzieningen.”[251]
Toch is de keuze om inclusief te werken ook een eigen keuze van de stad Gent, gezien de oprichting van het Gentse Migrantencentrum dateert van lang voor het decreet. Het decreet ontstond uiteraard niet op een eiland. Vanuit de ervaring die er in de steden leefde, is er vanaf de uitwerking van het decreet gekozen voor deze vorm van beleid: inclusief met tegelijk ondersteuning door de Vlaamse Gemeenschap, daar waar de oprichting van speciale of bijkomende diensten noodzakelijk is.
12.1.2 De organisatie anno 2000.
Art.36.
§ 1. In de steden Antwerpen en Gent
kan één lokaal integratiecentrum erkend worden.
§ 2. Het lokale integratiecentrum organiseert lokale steunpunten in de
stadswijken, bepaalt hun werkgebied en wijst er personeel aan toe op basis van
de lokale actieplannen. De artikelen 33, § 2, 34 en 35 zijn van overeenkomstige
toepassing.
§ 3. Bij een lokaal integratiecentrum worden cellen voor vluchtelingenwerk en woonwagenwerk opgericht. Artikel 27, § 1, tweede lid tot en met § 4, is van overeenkomstige toepassing.”[252]
Om dit te realiseren werd in Gent één particuliere (ING) en één openbare instelling (Stedelijke Integratiedienst) opgericht. In het decreet, dat van kracht werd op 1 januari 2000, staat duidelijk dat het Lokaal Integratiecentrum (LIC) een vereniging zonder winstoogmerk moet zijn. De bedoeling is er voor te zorgen dat er genoeg kritische impulsen komen op het beleid. In Gent werd het ING (Intercultureel Netwerk Gent vzw) erkend als lokaal integratiecentrum. Daarnaast is er de Stedelijke Integratiedienst (SID) die fungeert als openbare instelling.
Het ING is ontstaan op oude grondvesten, namelijk de vier vroegere LIC’s: De Poort-Beraber, Interculturele Werking De Brug, DHKD (Demokratik Halk Kültür Dernegi) en El Ele/Hand in hand. Deze organisaties hadden een jarenlange ervaring opgebouwd en hun krachten werden van dan af gebundeld in het ING.[253] Zoals zal blijken uit de beschrijving hebben de termen dienst (SID) en centrum (ING) een betekenisvolle inhoud.
In het hiernavolgende kader wordt een beperkte schets gegeven van de grondvesten van het ING. Verder in de scriptie zal aangetoond worden dat het opgaan van deze LIC’s in het grotere ING geen éénduidig gelukkig verhaal is geweest en de gevolgen nu merkbaar en voelbaar worden.
De grondvesten van het ING.
De Poort-Beraber (Gent Noord):
Dit erkende LIC was wellicht één van de bekendste op het Gentse grondgebied. Het ging vooral om eerstelijnswerk (directe dienstverlening): taallessen en lessen basiseducatie, jeugd-, kinder- en vrouwenwerking, jobwerking, studiebegeleiding … Naast de deelwerkingen was er ook participatie in buurtwerkingen zoals de buurtkrant en de buurtoverlegcomités. Na het opgaan in de ING werking, bleef de vzw bestaan, doch enkel als een soort infrastructuur of patrimonium vzw. Uit de werking van de Poort-Beraber is een afdeling van Job & Co[254] gegroeid die werkt vanuit het patrimonium van de vzw in de Sleepstraat. Kadanz is een jeugdwerking en is de verderzetting van een deelwerking. Kadanz is nu opgegaan in de koepel Jong vzw[255].
De Poort-Beraber is op veel vlakken een pionier geweest en heeft als model gestaan voor heel wat beslissingen op Vlaams en op Gents niveau. Bijvoorbeeld: “Het allereerste onthaalproject voor anderstalige nieuwkomers ging pas in 1992 van start. Het Gentse integratiecentrum de Poort-Beraber was de initiatiefnemer en de Turkse nieuwkomers vormden de doelgroep.”[256] Dit onthaalproject werd als voorbeeld gebruikt bij de uitwerking van andere gelijkaardige projecten in Vlaanderen.
Interculturele werking De Brug (Gent Oost).
Ook het LIC De Brug was een buurtgerichte werking. Enkele belangrijke activiteiten waren onder meer de studiebegeleidingsdienst, de speel-o-theek en de jeugdwerkingen. Momenteel is er nog de kinder- en tienerwerking “De Bonte Was”, een meisjeswerking en een speelpleinwerking. Vzw De Brug is nu opgegaan in de koepel Jong vzw.
DHKD (Gent Zuid –Ledeberg)
DHKD is ontstaan uit een zelforganisatie en is een uitzondering in het integratielandschap. Het is een van de weinige keren dat het verenigingsleven van de allochtonen zelf uitgroeide tot een lokaal integratiecentrum. Voor de rest werden de allochtone zelforganisaties gedirigeerd in de richting van het verenigingsleven voor volksontwikkeling. Het gebrek aan aandacht voor deze zelforganisaties, als centrale ijkpunten voor het beleid, is een gemiste kans geweest.[257] DHKD als LIC is met middelen en personeel opgegaan in het ING. DHKD als zelforganisatie is blijven bestaan als socio-culturele verenigi