Een monnikenwerk. Reconstructie van het middeleeuwse kloosterscriptorium. Case study: de laatmiddeleeuwse scriptoria van Ter Doest en Herne. (Thijs Ameye)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

DEEL II. TWEE VLAAMSE SCRIPTORIA: EEN RECONSTRUCTIE

 

INLEIDING

 

Het containerbegrip scriptorium dat als uitgangspunt gold voor Deel I, zal als basis dienen voor de reconstructie en de vergelijking van het scriptorium van de Cisterciënzerabdij Ter Doest[163] en dat van het Kartuizerklooster Herne[164]. In ons onderzoek naar beide scriptoria zullen dan ook dezelfde aspecten van het scriptorium aan bod komen die we in onze werkdefinitie reeds aanhaalden. Hoewel de werkwijze overeenkomt met deze in Deel I, zullen de resultaten afhangen van de beschikbare bronnen en de bestaande secundaire vakliteratuur. Om diezelfde reden zal de analyse van beide scriptoria niet volledig gelijklopen. Het zal immers duidelijk worden dat de overlevering van bronnen betreffende het scriptorium van Ter Doest en dat van Herne sterk van elkaar verschilt.

Voor Ter Doest hebben we ons vooral gebaseerd op de talrijk overgeleverde handschriften uit het eigen scriptorium. In mindere mate kwamen ook de gedeeltelijk geïnventariseerde en uitgegeven charters uit de periode 1106-1499[165], het obituarium van ca. 1500 en de iconografische bronnen aan bod.

Voor Herne zijn de kroniek van Beeltsens en Ammonius en deze van Pede in de uitgave van E. Lamalle de meest nuttige werkmiddelen gebleken[166]. Daarnaast bevatten ook enkele overgeleverde handschriften, het onderzoek van E. Kwakkel naar de productie van Middelnederlandse handschriften te Herne en – in mindere mate – de iconografische bronnen en de rekeningen van de prior (1483-1492) interessante informatie over het Hernse scriptorium uit de Late Middeleeuwen.

Het groot aantal gegevens die deze bronnen en literatuur over het literaire aspect van beide scriptoria beschikken, staat in schril contrast met de geringe informatie over het ruimtelijke en spiritueel/symbolische aspect. Daarbij komt dat we voor Ter Doest vooral beschikken over gegevens betreffende de handschriften (producten) en voor Herne over informatie betreffende de producenten. Het onvermijdelijke gevolg van dit alles is dat bij de reconstructie van het scriptorium van Ter Doest en dat van Herne het hoofdstuk ‘Het scriptorium als literair productiecentrum’ een structureel verschillende invulling zal krijgen.

Rest ons nog te melden dat in we in Deel 2 eerder streven naar een beschrijvende reconstructie van de twee scriptoria, dan naar een vergelijkende synthese van beide scriptoria. Dit comparatief en samenvattend perspectief zal immers het uitgangspunt vormen voor het derde deel van onze verhandeling.

 

 

A. TER DOEST

 

1. Geschiedenis van Ter Doest

 

Willen we het scriptorium van Ter Doest reconstrueren dan kunnen we niet om de algemene geschiedenis van de abdij heen. We zullen het in dit hoofdstuk vooral hebben over de interne, evenementiële geschiedenis, anders gezegd, de grote en kleinere gebeurtenissen die het verloop van Ter Doest hebben bepaald. Hiervoor hebben we vooral beroep gedaan op de kroniek die F. Vandeputte en C. Carton in 1845 opstelden[167].

 

De kapel Thosan (Doest)[168] die zich in de 11de eeuw te Lissewege bevond, werd in 1066 door eigenaar en ridder Lambert van Lissewege tot een priorij omgebouwd en toevertrouwd aan de Benedictijnerabdij van Sint-Riquier (Ponthieu). In 1174 besliste de bisschop van Doornik, Everardus, de abdij over te laten aan de Cisterciënzers van Ten Duinen uit het huidige Koksijde. Het jaar daarop zond Walter I van de Duinenabdij twaalf monniken en drie lekenbroeders naar Lissewege om er een Cisterciënzerabdij te bouwen. Onder deze twaalf bevond zich de eerste abt van Ter Doest, een erudiet man genaamd Haket. Hij was van 1149 tot 1172 deken geweest van het prestigieuze Sint-Donaaskapittel te Brugge. Haket bleef slechts vier jaar in Ter Doest en ging daarna terug naar de Duinenabdij om er als abt tot het einde van zijn leven (†1185) te blijven.

Onder de volgende abten zal de abdij zich naar het noorden toe uitbreiden en reeds op het einde van de 12de eeuw was het grondbezit van Ter Doest strak afgebakend. Het lag grotendeels in Zeeland, het nieuwe machtsgebied van de graven van Vlaanderen. Ter Doest had onder meer bezittingen verworven in Oostdijk, Krabbendijk en Aardenburg[169]. De juiste oppervlakte van de in gebruik genomen velden is moeilijk te schatten. Voor Ten Duinen wordt deze in de bloeiperiode geschat op ongeveer 12.000 ha.[170].

De hoogste welvaartspiek van Ter Doest situeerde zich in de 13de eeuw. Het was een tijd van onstuimig economische groei. Ter Doest had zakenrelaties met de Scandinavische landen, Engeland en Duitsland. Ze verkochten de wol van schapen die ze kweekten op hun zoute weiden. In deze periode werd tevens de nog bestaande monumentale tiendenschuur gebouwd (afb. 12)[171].

 

Afbeelding 12: de tiendenschuur van Ter Doest

 

Dit soort schuren of grangiae, waar het werk onder leiding van de lekenbroeders stond, waren een typisch verschijnsel bij de economisch bedrijvige Cisterciënzerkloosters. Het einde van de 13de eeuw betekende bovendien de bloeitijd van het scriptorium van Ter Doest.

Deze voorspoed werd naast de intense arbeid van de lekenbroeders mogelijk gemaakt door de grote edelmoedigheid van weldoeners. Van deze ‘personnes pieuses’ die in de eeuwen van de kruistochten overvloedig de abdij begiftigden om zich zo van hun zonden te verlossen en de goedzegging van de hemel te bekomen, zoals F. Van de Putte hen beschrijft in zijn inventaris[172], zijn talrijke privilèges en schenkingen bewaard.

 

In het begin van de 14de eeuw kondigde zich een langzaam verval aan. Bij de eeuwwisseling, in 1300, gaf abt Arnold Neyhensys zijn ontslag omwille van financiële moeilijkheden. Ter Doest was betrokken in de oorlog tussen de koning van Frankrijk, Filips de Schone, en Gwijde van Dampierre, graaf van Vlaanderen. De abdij moest het Vlaamse leger bevoorraden en de monniken zagen zich verplicht de opbrengst van hun landerijen te verkopen. Interne spanningen tussen monniken en lekenbroeders, die steeds meer invloed verloren, versterkten de neergaande spiraal. Onder leiding van Willen van Saeftinghe, die een legendarisch figuur werd omwille van zijn deelname aan de Guldensporenslag in 1302, ontstond in 1308 een opstand van de lekenbroeders.

De opeenvolgende abten kampten vervolgens met zware financiële problemen door al te grootschalige projecten en wanbeheer. Deze moeilijkheden zouden niet meer opgelost worden. Illustratief voor het verval zijn de bewaarde ‘bulles pontificales, privilèges et documents divers’ die hoofdzakelijk uit de 13de eeuw stammen en in veel mindere mate uit de eeuwen daarna[173].

 

Na een stil bestaan in de 14de en 15de eeuw – afgezien van de spirituele en intellectuele heropstanding onder de bibliofiele abt Keddekin – werd de 16de eeuw voor de abdij van Ter Doest rampspoedig. De inkomsten waren gering en het aantal monniken was zeer klein. In 1561 werd Ter Doest officieel eigendom van het bisdom Brugge en toen Vincent Doens in 1569 stierf, verdween met hem de abtstitel van Ter Doest. Uiteindelijk werd in 1624 een akkoord bereikt tussen bisschop Christophiori en abt Bernard Campmans van de Duinenabdij waarbij Ter Doest definitief opging in Ten Duinen[174].

Met de stenen van de abdij van Ter Doest werd door Campmans te Brugge de bouw van een nieuwe abdij gestart, die voortaan als refuge voor de Duinenabdij ging dienen. Bij de dood van Nicolaas De Roover, laatste monnik van Ten Duinen, in 1833, kwamen de bezittingen bij testament aan de bisschop van Brugge. Tegenwoordig dient de Brugse Duinenabdij als Grootseminarie en archiefplaats van een groot deel van de overgeleverde handschriften van Ter Doest.

Ter Doest zelf is thans een grote hoeve met restaurant op het grondgebied van Lissewege, een deelgemeente van Brugge. De landerijen (ong. 77 hectare) en gebouwen die nog resten – waarvan de tiendenschuur zonder twijfel nog het meest tot de verbeelding spreekt – zijn eigendom van de kerkfabriek van St. Salvators te Brugge.

 

Uit dit bondig overzicht van de geschiedenis van Ter Doest kunnen we vaststellen dat de sterke band tussen moederabdij Ten Duinen en dochterabdij Ter Doest en de politiek-economische evolutie van Ter Doest, met haar bloei in de 13de eeuw en langzaam verval in de volgende eeuwen, typerend zijn voor respectievelijk de drang naar centralistatie bij de Cisterciënzers en de algemene ontwikkeling van deze orde.

Deze vaststelling heeft ongetwijfeld invloed op onze reconstructie van het scriptorium van Ter Doest. Zo zal de vergelijking met het scriptorium van Ten Duinen moeten worden gemaakt en zal onze aandacht hoofdzakelijk uitgaan naar de twaalfde- en de dertiende-eeuwse scriptoriumactiviteiten.

 

 

2. Het scriptorium als ruimte

 

Van de Cisterciënzerabdij Ter Doest is – buiten de prachtig bewaarde tiendenschuur – archeologisch weinig overgebleven. Het middeleeuwse kloostergebouw en de kerk zijn volledig verdwenen en gingen op in de nieuwe Duinenabdij te Brugge en in de huidige hoevegebouwen die in de jaren 1551-1562 werden opgetrokken[175]. Over de bouw van een scriptorium is noch in geschreven bronnen noch archeologisch iets geweten. Toch wagen we ons hier aan een hypothese omtrent de invulling van de scriptoriumruimte.

 

De Cisterciënzers zijn in onze streken de verspreiders geweest van de gotische bouwkunst. Zo werd de vroeggotische kerk van Lissewege omstreeks het midden van de 13de eeuw opgetrokken naar het voorbeeld van de abdijkerk van Ten Duinen[176]. We mogen dan ook veronderstellen dat men bij de bouw van de abdij van Ter Doest het plan van de moederabdij Ten Duinen heeft gevolgd.

In de kroniek van Ter Doest staan verschillende abten vermeld als bouwheer van de abdij. Jan Smedekin, abt tussen 1243 en 1256, liet aldus “één van de meest magnifieke abdijkerken van het land bouwen”[177]. Willem van Hemme, die in 1279 de kromstaf van Ter Doest aanvaardde, voltooide de zuidvleugel met de eetzaal en liet een nieuwe slaapzaal bouwen boven de kapittelzaal in de oostvleugel. Deze indeling veronderstelt de bouw van een abdij in Ter Doest volgens de karakteristieke Cisterciënzerstructuur (afb. 1, zie bijlage nr. 1). Deze structuur vinden we bovendien terug in Pieter Pourbus’ prachtige schilderij ‘Plan van de Duinenabdij’ uit 1580 (afb. 13).

 

Afbeelding 13: de abdij van Ten Duinen door Pieter Pourbus (fragment)

 

Hoewel de lokalisering van het scriptorium voor Ter Doest noch voor Ten Duinen gekend is, menen we – het karakteristieke Cisterciënzerplan indachtig – de ruimte toch te mogen lokaliseren in een multifunctionele monnikenzaal gelegen in de oostelijke vleugel. De mogelijkheid van de aanwezigheid van schrijfcellen sluiten we hier echter niet uit[178].

 

 

3. Het scriptorium als literair productiecentrum

 

In ons algemene ‘Deel I: Het scriptorium: een reconstructie’ bespraken we het scriptorium, achtereenvolgens op ruimtelijk, organisatorisch, spiritueel en literair vlak. De reeds aangehaalde bronbeperkingen brengen evenwel met zich mee dat deze indeling hier niet meer houdbaar is. Omdat de overgeleverde handschriften de belangrijkste en vaak enige getuigen zijn van wat ooit het scriptorium van Ter Doest was, zullen eerst en vooral deze bronnen centraal staan. Aansluitend bij de belangrijke vraag welke van de overleverde handschriften geschreven werden in het scriptorium van Ter Doest, zullen we in wat volgt tevens de vraag naar de typologie en producenten (kopiisten + auteurs) ervan en – zo mogelijk – de specifieke werkomstandigheden en motivering van de schrijfarbeid trachten te beantwoorden.

 

3.1. Het scriptorium van Ter Doest (1175-1250)

 

3.1.1. Lieftinck en het scriptorium van Ter Doest vóór 1250[179]

 

A. Uitgangspunt

Enkele handschriften van Ter Doest stammen reeds uit de beginjaren van de abdij. Onder deze handschriften bevinden zich zelfs een paar mooi versierde exemplaren. Dit was het uitgangspunt voor de Leidse paleograaf Gerard Isaak Lieftinck om aan te tonen dat er omstreeks 1200 nooit sprake kan geweest zijn van een eigen scriptorium in Ter Doest maar dat de luxueuze handschriften in kwestie geschreven zijn in een andere instelling en aan Ter Doest werden geschonken. Zoals hij het zelf schrijft, vormt het statuut ‘Litterae unius coloris fiant, sed non depictae’ het ‘beruchte’ uitgangspunt van zijn onderzoek. Volgens Lieftinck zijn “een vijftiental met bijzondere zorg, en stellig met hoge kosten vervaardigde Middeleeuwse standaardwerken, die eens deel uitmaakten van de librije van Ter Doest, geschreven en verlucht in het scriptorium van Sint-Donatiaan. De grondslag van de librije van Ter Doest is gelegd door schenkingen van kanunniken van Sint-Donatiaan; de handschriften van Ter Doest zijn kalligrafische werkstukken uit het scriptorium van dat kapittel.” Hij vervolgt dat “zelfs als men omstreeks 1200 in Ter Doest een behoorlijk scriptorium zou willen onderstellen, het onwaarschijnlijk te achten is dat men aldaar over het materiaal beschikt zou hebben om deze grote folianten te vervaardigen. Allereerst vereist het grote formaat en de luxueuze versiering een uitstekend ingericht atelier met eersterangs werkkrachten, die men althans in deze periode van Ter Doest onmogelijk verwachten kan en ten andere strookt dit ook in genen dele met het beeld dat wij ons vormen van deze kleine gemeenschap van monniken, die zich voornamelijk met zware handenarbeid hebben beziggehouden”.

We hebben hier dus te maken met een ophefmakend standpunt dat zondermeer op haar waarheidsgehalte moet worden geverifieerd. Het zal immers duidelijk worden dat Lieftincks vaststellingen steunen op een opeenstapeling van twijfelachtige hypotheses en onwaarschijnlijke gevolgtrekkingen.

 

B. Sint-Donaas – Ter Doest

Het is zijn twijfel aan de herkomst van enkele kostbare luxehandschriften uit het scriptorium van Ter Doest, nog geen kwarteeuw na haar stichting, die Lieftinck op het spoor brengt van een hypothetisch scriptorium in Sint-Donaas te Brugge. Zijn uitgangspunt hiervoor zijn de handschriften Brugge Stadsbibliotheek (St.) 65 en 71, twee schenkingen van kanunnik Hugo van Sint-Donaas aan Ter Doest[180]. Louter hypothetisch beweert Lieftinck vervolgens dat kanunnik Hugo “waarschijnlijk te vereenzelvigen is met Hugo cantor; een meesterschrijver die zowel oorkonden als boeken copieerde in het eind der 12e eeuw” en dat beide handschriften dus wel moeten geschreven zijn in Sint-Donaas[181]. Hij merkt echter niet op dat St. 71 geschreven is door twee kopiisten en dat dit handschrift een convoluut of verzamelband is, zoals ook A. Hoste heeft aangetoond[182].

Lieftinck zet zijn betoog als volgt verder: “Met de vaststelling van het scriptorium dat deze twee handschriften heeft voortgebracht schijnt echter tegelijkertijd de herkomst gedetermineerd van een aantal andere, die alle dezelfde paleografische eigenaardigheden vertonen”. Onder de handschriften die Lieftinck hier op het oog heeft, bevindt zich nog één schenking die zeker vanuit Sint-Donaas kwam. Het ex-libris van handschrift St. 78 vermeldt immers de naam Jozef, deken van Sint-Donaas, als schenker[183]. De overige twaalf handschriften[184] die aldus Lieftinck in Sint-Donaas geschreven en verlucht zijn, vermelden dus géén schenker uit dit kapittel. Lieftinck blijft bovendien op de vlakte als het om de onderlinge band tussen deze handschriften gaat. In ‘dezelfde eigenaardigheden’ waarmee hij de “vorm van de hoofdletters, de bouw van de letters en ook, zij het minder duidelijk het kleurenschema en de tekening van de initialen” bedoelt, ziet hij een onmiddellijk herkenbare Sint-Donaas stijl. Maar desalniettemin geeft hij toe dat het schrift van St. 78 fijner is van kwaliteit en bovendien van een kleiner type. Voorts weet hij over het sluitstuk van zijn bewijsvoering, de Vita Karoli comitis Flandrie door Walter van Terwaan met eigendomsmerk van circa 1500, te zeggen dat dit “het enige handschrift is dat wij kennen uit de librije van Sint-Donatiaan zelf” maar dat “het schrift alle kenmerken van de oorkondestijl van Sint Donatiaan mist”[185]. Ten slotte wijzen we er hier nog op dat van de vijftien handschriften enkel de handschriften St. 140-142, St. 400 en 401, Gs. 119/197 en St. 393 géén eigendomsmerk of anathema van Ter Doest bevatten.

 

Vatten we tot hier toe even samen dan valt op dat Lieftinck door een gevoel van twijfel omtrent de herkomst van een vijftiental opvallend luxueuze handschriften – hoewel de meeste ervan het eigendomsmerk of anathema van Ter Doest bezitten – de productie van deze handschriften toeschrijft aan Sint-Donaas, dit alleen omdat hij een schenker uit dit kapittel meent te mogen identificeren met een bekwaam meesterschrijver. Hoewel van slechts drie handschriften uitdrukkelijk geweten is dat het een schenking betrof van Sint-Donaas, zijn volgens Lieftinck twaalf andere handschriften gezien hun ‘zelfde eigenaardigheden’ – die zelfs niet voor elk handschrift opgaan (cfr. St. 78!) – ‘onmiddellijk herkenbaar’ afkomstig van Sint-Donaas. Aldus komt Lieftinck tot de hoogst twijfelachtige vaststelling dat de schenkingen uit Sint-Donaas aan Ter Doest wel moeten in het kapittel geschreven zijn.

 

Nu is er geen enkel bewijs tegen de stelling dat Ter Doest kort na haar oprichting wel degelijk in staat was om grote handschriften te schrijven. Van A. Wilmart weten we dat de bibliotheek van Clairvaux in de 12de eeuw reeds over 350 handschriften beschikte. A. Bondéelle somt voor een paar andere Cisterciënzerabdijen hun 12de eeuwse bibliotheekschat op: Cheminon telde ongeveer 60 handschriften, Les Vaux-de-Cernay circa 70, Chaâlis 216 en Pontigny 270. [186] Natuurlijk zal niet elk van deze handschriften geschreven zijn in het scriptorium van de abdij zelf. Toch berekende Y. Zaluska dat het scriptorium van Cîteaux 80 handschriften produceerde in de 12de eeuw. De monniken zijn er aan hun kopieerwerk begonnen “aussitôt après leur installation dans le nouveau monastère[187]. We kunnen de twaalfde-eeuwse scriptoriumactiviteiten van Cîteaux echter niet onvoorwaardelijk vergelijken met deze van de het veel kleinere en later opgerichte Ter Doest. Het voorbeeld van Cîteaux kan ons daarentegen wel overtuigen van het feit dat reeds vanaf het prille begin in Ter Doest aan kopieerwerk werd gedaan.

Dat enkele handschriften duidelijk de schenker uit Sint-Donaas vermelden, betekent uberhaüpt niet dat deze daar zouden geschreven zijn. Omdat handschriften voor het eigen scriptorium zeer kostbaar waren, zocht men in Ter Doest meer dan waarschijnlijk naar weldoeners die zo’n boek konden bekostigen, in dit geval kanunniken van Sint-Donaas. Zij zouden aldus als sponsors van boeken zijn opgetreden die in het scriptorium van Ter Doest werden geschreven. Trouwens, van de 35 overgeleverde handschriften uit de 12de eeuw dragen er 22 een uitdrukkelijk eigendomsmerk van Ter Doest.

In tegenstelling tot Lieftinck en zijn visie op het scriptorium te Ter Doest kunnen we ons hier de vraag gaan stellen naar de aanwezigheid van een scriptorium in Sint-Donaas. Bij A. Hoste lezen we immers dat uit de elfde en de twaalfde eeuw niets bewaard is dat naar een scriptorium aldaar zou kunnen verwijzen[188]. In zijn onderzoek naar de oorkonden van de Vlaamse graven tussen 1191 en het begin van 1206 wijst W. Prevenier er bovendien op dat het zeer waarschijnlijk is dat de redactie (en de scriptio) van destinatarisoorkonden van de graaf van Vlaanderen, Boudewijn IX, aan Ter Doest in het scriptorium van de abdij zelf en dus niet in de grafelijke kanselarij te Sint-Donaas hebben plaatsgevonden[189].

 

Enkele andere geschenken van kanunniken van Sint-Donaas aan Ter Doest komen overwegend uit de 13de eeuw[190]. Hun herkomst is meestal onzeker maar volgens Lieftinck staat het vast dat deze niet te Sint-Donaas werden vervaardigd. Ze bevatten enkel het eigendomsmerk van Ter Doest en de naam van de schenker19. Verder heeft Lieftinck het over “een betrekkelijk groot aantal handschriften van onmiddellijk na 1200 tot een heel eind in de 13de eeuw waarvan het eigendomsmerk is geschreven door de copiïst en de fraaiste toegeschreven moeten worden aan het scriptorium van Sint-Donatiaan”. De tegenargumenten die we reeds aanhaalden voor de vermeende twaalfde-eeuwse Sint-Donaas handschriften zijn echter ook op deze stelling van toepassing.

 

C. Ten Duinen – Ter Doest

Wat betreft verschillende 12de-eeuwse en de minder fraaie vroeg-13de eeuwse handschriften kan Lieftinck de gedachte niet van zich afzetten dat deze stammen uit het scriptorium van de moederabdij Ten Duinen. De opvallende gelijkenis die verschillende handschriften, gekopieerd vóór 1250 en zowel uit Ten Duinen als Ter Doest, vertonen met de stijl van Sint-Donaas en de vermeende aanwezigheid van een groot en goed ingericht scriptorium te Ten Duinen doet Lieftinck met onwaarschijnlijke achterdocht besluiten dat al deze handschriften geschreven zijn in Ten Duinen: “Er was in die abdij toen een centrum van cultureel leven, waar men de contemporaine literatuur bestudeerde en afschreef en ook Ter Doest volgde dit leven op een afstand. Er gingen copieën naar Ter Doest of de monniken trokken naar Ten Duinen om handschriften voor hun librije te copiëren.”

Een aantal ongerijmdheden in zijn bewijsvoering doet ons ook op dit punt van mening verschillen. Ten eerste beschikte het overgrote deel van de hier geviseerde handschriften over een eigendomsmerk of anathema van Ter Doest[191].

Ten tweede spreekt Lieftinck zichzelf meermaals tegen. De handschriften die niet meteen in het plaatje passen en pleiten voor een groot scriptorium in Ter Doest reeds vóór 1250 worden gemakkelijkheidhalve als ‘verschillend’ en dus afwijkend beschouwd. Zo is St. 139 volgens Lieftinck niet afgeschreven van een handschrift uit Ten Duinen maar van een exemplaar uit een andere Cisterciënzerabdij[192] en dit zou aldus pleiten voor een eigen scriptorium in Ter Doest. De kopiist van St. 18 (zie boven) signeerde het handschrift met “Liber sce MaRie de thosan scriptus a quodam monacho cuius nomen scribatur in libro vite. Amen.” Volgens ons een duidelijk bewijs dat dit handschrift in Ter Doest werd geschreven. Lieftinck blijft echter argwanend: “Wij hebben derhalve rekening te houden met de mogelijkheid van een scriptorium in Ter Doest in zeer vroege tijd reeds[193], al is het helemaal niet uitgesloten dat deze copiïst het bijvoorbeeld tijdens een verblijf in het moederklooster aldaar geschreven heeft”.

Al even ongefundeerd is zijn visie op de herkomst van St. 74. Volgens Lieftinck “moet dit een handschrift van Ter Duinen zijn en dan gemaakt voor Ter Doest, al draagt het geen eigendomsmerk; bovendien ontbreken alle kenmerken, die wij later zullen leren kennen als karakteristiek voor de librije van Ter Duinen”. De herkomst baseert hij enkel op het feit dat St. 74 een directe kopie van een ouder handschrift van Ten Duinen was. Over St. 247 weet Lieftinck het volgende te zeggen: “Het is een prachtige codex, geschreven in het fraaie, eenvoudige schrifttype van het meergenoemde handschrift 78. Het eigendomsmerk van Ter Doest werd geschreven door de copiïst nà zijn explicit van de Summa en niet een paar bladzijden verder, aan het einde van het boek. Is dat dus een werkstuk van Ter Doest? Dan maakt men daar voortreffelijke handschriften, al vroeg in de 13e eeuw!” Ten slotte nog een woordje over St. 148. Hierover schrijft Lieftinck: “De titel in rode inkt vermeldt Ter Doest als eigenaresse. Alles eigenlijk wijkt af van de bekende Donatiaan-stijl. Weer vragen wij ons af: was dit een geschenk of werkte men in het scriptorium van Ter Doest in de eerst helft van de 13e eeuw zonder vast systeem, al naar men dat in zijn jeugd geleerd had?”. De handschriften St. 18, 74, 139, 148 en 247 zijn volgens ons geen afwijkingen en geschenken maar juist de argumenten voor een werkzaam scriptorium in Ter Doest al vanaf 1200.

Lieftincks bewering dat verschillende handschriften die vóór 1250 de librije van Ter Doest vervoegden, geschreven werden in Ten Duinen mag dus allerminst veralgemeend worden. Enkele onmiskenbare vormelijke en inhoudelijke gelijkenissen tussen handschriften uit de librije van Ten Duinen en deze van Ter Doest vallen nochtans niet te ontkennen maar daarom meteen besluiten dat al deze handschriften in Ten Duinen werden gekopieerd gaat volgens ons te ver[194]. Meer vanzelfsprekend zal Ten Duinen haar dochterabdij in het begin voorzien hebben van een aantal leggers, wat gebruikelijk was in de Cisterciënzerorde.

Daarom menen we ook dat de handschriften St. 119, 127, 130bis, 134, 145, 146, 148, 149, 153, 191 en 254, alle uit de twaalfde eeuw en alle met het eigendomsmerk van Ter Doest en zonder aanduiding van een schenker niet zoals Lieftinck beweert “in Ter Duinen geschreven ten behoeve van de dochterinstelling” maar integendeel werkstukken zijn van het scriptorium van Ter Doest zelf. Een beeld van onze visie op het scriptorium van Ter Doest vóór dringt zich op.

 

3.1.2. Onze visie op het scriptorium van Ter Doest vóór 1250

 

In Ter Doest werd vanaf de stichting een scriptorium opgezet. Misschien was er nog niet van meet af aan sprake van een groot ingericht atelier maar werden de noodzakelijke boeken – de bijbelboeken, de kerkvaders en de boeken voor liturgisch gebruik – geschreven in zogenaamde schrijfcellen.

Een stimulerende rol zal zijn weggelegd voor de eerste abt van Ter Doest, Haket. Als voormalig proost van het Sint-Donaaskapittel te Brugge moet hij de leidende kracht geweest zijn bij het tot stand brengen van een goed uitgerust scriptorium voor het einde van de 12de eeuw. De figuur van abt Haket zal zeker inspirerend zijn geweest om zijn medekanunniken van weleer aan te sporen een handschrift te bekostigen dat, met gul gebaar gegeven en met het vereeuwigen van zoveel mildheid in een colofon, aan beide partijen te goede kwam[195]. Het gaat hier om boeken die kanunniken op hun kosten lieten schrijven, soms in centra die veraf lagen van Brugge[196] maar meer dan waarschijnlijk ook in het Ter Doest-scriptorium zelf. Haket zal als abt en waarschijnlijk ook als scriptoriumverantwoordelijke, gezien de overeenkomst met de oorkondestijl van het Sint-Donaaskapittel, tevens de bepalende factor geweest zijn in de literaire productie van Ter Doest.

We sluiten hier niet uit dat de monniken van Ter Doest bij de stichting enkele noodzakelijke liturgische boeken hebben meegekregen van de Duinenabdij, maar eens de belangrijkste boeken aanwezig waren, zal Ten Duinen haar dochterabdij naar onze mening nog enkel voorzien hebben in leggers om in Ter Doest te kopiëren.

 

Vatten we de scriptoriumactiviteit vóór 1250 samen dan kunnen we stellen dat Ter Doest van bij haar stichting een scriptorium heeft ingericht dat instond voor een groot deel van de noodzakelijke boeken. Bovendien was Ter Doest van meet af aan ingeschakeld in een netwerk van religieuze instellingen, met vooraan de moederabdij Ten Duinen in Koksijde en de kapittelschool en grafelijke kanselarij Sint-Donaas te Brugge. De ‘sponsoring’ van boeken (Sint-Donatiaan) en het leveren van leggers en – meer dan waarschijnlijk – ook enkele boeken vanaf de stichting (Ten Duinen) beïnvloedden bovendien de artistieke productie in het Ter Doest-scriptorium.

 

3.2. Het scriptorium van Ter Doest (1250-1500)

 

In de dertiende eeuw kende het scriptorium van Ter Doest haar artistiek en productief hoogtepunt. Hét toonbeeld van deze bloeiperiode is de kopiist en lekenbroeder Henricus, ook wel Hendrik van Ter Doest genoemd, uit de tweede helft van de 13de eeuw. Van hem zijn zes handschriften bewaard, drie betreffende de bijbel en drie van kerkvader Augustinus. Getuige deze prachtige werkstukken moet hij een uiterst vakbekwaam scriptor zijn geweest. Verder zijn uit dezelfde periode nog twee namen bekend van kopiisten: Johannes de Capella (St. 513) en Petrus Grauwe (St. 182)[197].

Vanaf 1250 was er bovendien een bredere interesse merkbaar. De handschriften met het werk van Vincent van Beauvais (St. 251, 260 en Gs. 160/4) wijzen op een belangrijke scholastieke belangstelling. Uit het einde van de 13de eeuw stamt tevens een catalogus die meer dan waarschijnlijk een gedeelte van de toenmalige bibliotheek van Ter Doest weergaf. Deze boekenlijst, vermeld in St. 55, somt de boeken op ‘van de kleine boekenkast’ (libri de parvo armario) en bevat 25 titels: heiligenlevens, bijbelboeken, liturgische, tijdrekenkundige, filosofische en theologische teksten, zonder enige systematiek (zie bijlage nr. 3)[198]. Deze collectie verraadt duidelijk een bredere interessesfeer in het scriptorium van Ter Doest dan de groep codices met basisteksten die omstreeks 1200 tot stand kwamen.

 

In de veertiende eeuw bleef het scriptorium van Ter Doest actief maar de productie van handschriften lag minder hoog dan in de vorige eeuw. Uit deze eeuw kennen we wel de naam van de belangrijkste auteur die Ter Doest rijk is geweest namelijk abt Willem VI de Smidt uit Bassevelde alias Gulielmus Faber (†1372). Onder de bibliofiele abt Keddekin (1482-1492) kende het scriptorium een laatste heropbloei. De indrukwekkende, gedrukte en vierdelige Latijnse bijbel (1480-81) verworven door Keddekin, toont aan dat Ter Doest moeiteloos de stap zette naar het gedrukte boek. Toen de abdij in 1624 in de Duinenabdij werd geïncorporeerd, betekende dit tevens het einde van één van de belangrijkste Vlaamse Cisterciënzerscriptoria.

 

3.3. Literaire productie

 

3.3.1. Van het scriptorium over de kloosterbibliotheek naar het archief

 

De belangrijkste manier om aan boeken te geraken was bij de Cisterciënzers van Ter Doest ongetwijfeld de eigen productie, al dan niet gesponsord. Een andere manier was de schenking van boeken die elders waren geschreven. De grootste boekenschenking in de geschiedenis van Ter Doest betrof de gift van juridische handschriften in 1291 door de jurist Gervasius, kanunnik en scholaster van Sint-Donaas. Alles samen ging het om zo’n 24 boekdelen, zowel kerkelijk als burgerlijk recht[199]. Een ander soort schenkingen waren de legaten. Deze handschriften werden per testament door een weldoener bij zijn dood aan Ter Doest geschonken. Van vier weldoeners is zo’n schenking van handschriften aan Ter Doest bewaard. Zo gaf Nicolaas van Biervliet, zoon van de gelijknamige schepenklerk van Brugge (†1293) al zijn boeken over de kunst van de geneeskunde, de grammatica en de dialectiek bij testament (10 juli 1300) aan Ter Doest en was het zijn uitdrukkelijke wens aldaar begraven te worden:

 

Item, do, lego omnes libros meos artis medicine, gramatice et dyalectice monasterio de Thosan, eligens in ipsorum habitu et eorum monasterio ibidem sepeliri”.[200]

 

Verder was ook de aankoop van boeken een mogelijke manier om de kloosterbibliotheek uit te breiden. De bibliofiele abt Keddekin kocht onder meer vier handschriften geschreven door de Dominicaan Raynerius van Pisa (†1348)[201]. Ten slotte brachten enkele monniken, die te Parijs hun studententijd hadden doorgebracht, een aantal scholastieke handschriften mee naar Ter Doest. Hiervan vermelden St. 244 en St. 268 de naam van abt De Smidt.

 

Naar het antwoord op de vraag over hoeveel boeken de bibliotheek van Ter Doest op haar hoogtepunt beschikte, kunnen we enkel gissen[202]. Feit is wel dat oorlog, ongedierte, overstroming, plundering, brandstichting en diefstal het boekenaantal van Ter Doest aanzienlijk hebben doen verminderen. Belangrijk voor het boekenbestand van Ter Doest was de incorporatie van de abdij door de Duinenabdij in 1624, waardoor tevens beide bibliotheken fuseerden. In de Franse Revolutie gingen de handschriften beider abdijen over naar de centrale bibliotheek van Brugge (nu Stadsbibliotheek Biekorf). De laatste monnik van de Duinenabdij, Nikolaas De Roover (†1833) had 175 van de meest prestigieuze handschriften heimelijk verborgen. Zijn erfgenamen droegen deze preciosa over aan bisschop Boussen, de eerste bisschop van het pas heropgerichte bisdom Brugge, en deze bracht deze boekenschat onder in het Grootseminarie, eveneens heropgericht in 1833 in de gebouwen van de voormalige Cisterciënzerabdij Ten Duinen[203]. Verder zijn nog een paar handschriften bewaard in andere bibliotheken in binnen- en buitenland. Deze gaan meestal terug op codices die vooral vanaf de 16de eeuw nog door de monniken van Ter Doest zelf werden afgestoten.

 

Qua aantal overgeleverde handschriften per archief komen de verschillende auteurs niet overeen. Nemen we de meest ambitieuze cijfers hieruit dan komt het overgeleverde aantal handschriften uit de bibliotheek van Ter Doest overeen met zo’n 180, waarvan 150 in de Stadsbibliotheek te Brugge, 23 in het Grootseminarie te Brugge en 7 in andere bibliotheken[204]. Het overgrote deel hiervan (>100) – aan een precies getal zullen we ons hier niet wagen – werd geschreven in het scriptorium van Ter Doest.

 

3.3.2. Typologie der handschriften

 

Was het genre handschriften dat in het scriptorium van Ter Doest werd gekopieerd kenmerkend voor de productie in de middeleeuwse Cisterciënzerscriptoria? Met andere woorden, komt de inhoud van de geproduceerde handschriften overeen met deze die we in ons eerste deel als typische Cisterciënzerhandschriften omschreven? Een overzicht moet hier omtrent duidelijkheid scheppen.

 

A. Religieuze literatuur

Het voornaamste boek, de bijbel, werd in vier delen – zoals het de gewoonte was bij de Cisterciënzers – en op een groot formaat, om er luidop uit voor te lezen, gekopieerd door de volleerde kopiist en lekenbroeder Henricus van Ter Doest (deel I: Gs 4/1; deel III: Gs. 5/195 en deel IV: St. 6). Het tweede deel ervan is verloren gegaan. Een grote populariteit in het scriptorium van Ter Doest genoten de bijbelcommentaren of de bijbels met zogenaamde glossa ordinaria. St. 61 behandelt het Evangelie van Matteüs, St. 71 bevat het Evangelie van Lucas en de Handelingen. Beide handschriften uit de dertiende eeuw werden gesponsord door kanunniken uit het Sint-Donaaskapittel. St. 78, eveneens een vroege schenking van Sint-Donaas, is het Commentaar op de Brieven van Paulus door Gilbert de la Porrée (†1154).

Van Stephen Langton (†1228), aartsbisschop van Canterbury vanaf 1206, zijn in Ter Doest drie handschriften gekopieerd: St. 29, 30 en 38. Ze bevatten alle drie commentaren op boeken van de H. Schrift. De handschriften wijzen op de speciale relatie die Ter Doest onderhield met Engeland[205]. Vrucht van de contacten met aartsbisschop Thomas Becket van Canterbury (†1171), die doorheen Vlaanderen reisde en lange tijd in de Cisterciënzerabdij van Pontigny verbleef, was het handschrift met de Miracula sancti Thomae archiescopi (zie handschriftencatalogus in St. 55, bijlage nr. 3 ), dat jammer genoeg verloren is gegaan[206].

Omstreeks 1200 kwam in Ter Doest een brede groep handschriften van kerkvaders tot stand. Van Augustinus werd reeds in de twaalfde eeuw zijn Commentaar op de Psalmen (Enarrationes in Psalmos) in vijf delen gekopieerd[207]. Uit dezelfde tijd dateert Gs. 20/192 met de Sermoenen van Augustinus op het Evangelie van Sint-Jan. Door kopiist Henricus werden in de tweede helft van de dertiende eeuw nog drie werken van Augustinus overgeschreven (St. 13, 112 en 114). Zijn Civitate Dei werd in Ter Doest over twee handschriften verspreid, waarvan deel 1 uit de 13de eeuw (St. 107) en deel 2 uit de 15de eeuw (St. 108).

Van kerkvader Gregorius zijn de Moralia in Job gekopieerd in drie prachtige handschriften (St. 140, 141 en 142). Eveneens een product uit het eind van de twaalfde eeuw was zijn Regula Pastoralis (St. 145), dat bekend stond als “het beste handboek om heilig te worden”[208]

Nog van Gregorius werden de Dialogen met het Leven van Benedictus overgeschreven. Andere kerkvaders die in Ter Doest werden gekopieerd zijn: Ambrosius (St. 101, 1e helft 13de eeuw) Beda (St. 77), Cassiodorus, Hiëronymus (St. 35)[209], Isidorus, Leo en Origines.

St. 218, geschreven door abt Willem de Smidt in de tweede helft van de 14de eeuw, bevat ondermeer extracten van Augustinus, Gregorius, Ambrosius en Cassiodorus. Van kerkvader Cassianus zijn de Instellingen bewaard in een 12de-eeuws handschrift (St. 134). Van latere datum zijn de Collationes (Gesprekken, St. 135).

Typisch voor de (Vlaamse) Cisterciënzerscriptoria was de kopie van het Magnum legendarium Flandrense. Deze collectie heiligenlevens die in middeleeuwse kerken en abdijen van Vlaanderen werd gelezen, rustte in de bibliotheek van zowel Ter Doest, Ten Duinen als in de andere dochterabdij van Ten Duinen, Clairmarais[210]. In Ter Doest bleef een gedeelte bewaard in twee monumentale codices uit de 13de eeuw (St. 403 en 404).[211]

 

Het groot aantal werken van kerkvaders dat uit het scriptorium van Ter Doest is overgeleverd staat in schril contrast met het gering aantal bewaarde handschriften van de vaders van Cîteaux. Het omvangrijke oeuvre van Bernardus is slechts door zes handschriften vertegenwoordigd (St. 32, 126, 127, 130bis en 273) waaronder nog een mooi verlucht Missaal (Gs. 49/18)[212]. Dat er wel degelijk een grote belangstelling was voor het gedachtegoed van Bernardus blijkt overigens nog uit twee mystieke handschriften (Gs. 120/159 en 121/158) met de Vita Christi van Kartuizer Ludolf van Saksen (†1377), waarin de Cisterciënzers terugvonden wat Bernardus gedacht en geschreven had over het aardse leven van Jezus[213]. Verder is er maar één Cisterciënzer uit de gouden twaalfde eeuw die aan bod komt, de Engelsman Gilbertus van Hoyland (†1172) met zijn commentaar op het Hooglied (St. 49). De afwezigheid van de 12de-eeuwse Cisterciënzerauteurs doet vermoeden dat veel handschriften verloren zijn gegaan. Van andere grote 12de-eeuwse auteurs valt vooral de aanwezigheid van enkele werken van reguliere kanunnik Hugo van St. Victor op (St. 153, 223 en 224; alle geschreven vóór 1250).

 

B. Niet-religieuze literatuur

Er werd weinig niet-religieuze literatuur gekopieerd in het scriptorium van Ter Doest. Met de geschetste verwetenschappelijking van de theologie vanaf 1200 sloop het scholastieke gedachtegoed slechts met mondjesmaat in het scriptorium. Van proto-scholasticus Petrus Lombardus is één handschrift van omstreeks 1200 bewaard (St. 184). Het betreft hier een schenking van Hugo de Beer, deken van Sint-Donaas (1187-1197) aan Ter Doest dat het begin van boek 4, waarin de sacramenten en de eschatologie aan bod komen, behandelt. Het werk van de Franciscaan en scholasticus Alexander van Hales (†1245) is in drie handschriften bewaard (St. 209, 210 en 211).

Een bijzondere vermelding verdienen de drie codices van dominicaan Vincent van Beauvais, St. 251 en 252, en Gs. 160/4. Deze originele, omvangrijke encyclopedie bestaat uit drie delen (de Speculum Maius), namelijk een Speculum naturale (St. 252), Speculum doctrinale (St. 251) en een Speculum historiale (Gs. 160/4). Vooral St. 251 valt hier op door zijn rijke verluchting (zie onder, hfdst. 3.3.3.).

Van een specifieke interesse voor de auteurs uit de Klassieke Oudheid was nooit sprake in het scriptorium. Handschriften van Aristoteles en Seneca werden overwegend meegebracht door student-monniken of aangekocht. Door Georgius Reyfan, monnik van Ter Doest en student te Parijs werd een codex uit de dertiende eeuw met natuurwetenschappelijke traktaten van Aristoteles (Metaphysica, Physica, De anima, De caelo et mundo etc., Gs. 102/125) vanuit Parijs overgebracht. In 1350 werd een geleerde collectie (Alghazel en Aristoteles becommentarieerd door Averroës, Aegidius de Roma, Albertus Magnus en Thomas van Aquino) door Ter Doest aangekocht uit de handen van notabelen uit het Brugse platteland[214]. In de dertiende eeuw werd daarentegen wel het werk gekopieerd van de Romeinse filosoof en staatsman Severinus Boëthius (†524). Het gaat hier om St. 528 dat naast een aantal wiskundige en astronomische traktaten enkele extracten uit het Organum musices van Boëthius bevat. Uit het einde van de 13de eeuw stamt de kopie van het Antiquitatum Judaicarum (Gs. 119/197) van de Joods historicus Flavius Josephus (ca. 101).

 

Dit brengt ons bij het luchtiger kopieerwerk in het scriptorium van Ter Doest, de verboden poëzie. In het handschrift Gs. 119/197 vinden we immers naast het werk van Josephus een paar korte Vlaamse minnegedichten uit de dertiende eeuw en geschreven door een anonieme monnik uit Ter Doest. Ze zijn onopvallend op f.1r geschreven in een snelschrift dat het heimelijke karakter van de gedichten verraadt. We hebben getracht de gedichten te parafraseren maar sommige verzen waren te onduidelijk of beschadigd. De eerste drie versregels van het eerste in totaal uit achttien regels bestaande gedicht, zijn representatief voor de toon van beide gedichten[215]:

 

“Dreine wyf ghi doet

mi pine Ghi syt mynre

herten medicine”.

 

Verder bewaart St. 7 vijf versregels over de Guldensporenslag, die tot de vroegste getuigenissen behoren van Vlaanderens overwinning op de Franse ridders. Tenslotte is er een fraai gedicht uit 72 strofen van drie versregels dat het cenobietenleven prijst en bejubelt. Het komt in twee handschriften voor: St. 150 (14de eeuw) en St. 418 (13de-14de eeuw)[216].

 

Wat de typologie der handschriften geschreven in het scriptorium van Ter Doest betreft, mogen we besluiten dat we hier te maken hebben met een karakteristiek Cisterciënzerscriptorium. Ondanks het geringe aantal 12de-eeuwse Cisterciënzerauteurs – dit omdat waarschijnlijk vele van deze teksten verloren zijn gegaan – ging de interesse in Ter Doest vooral uit naar christelijke werken. De bijbel(commentaren), liturgische handschriften en kerkvaders (met voorop de werken van Augustinus, verspreid over niet minder dan 13 handschriften!) in de eerste plaats, maar tevens de heiligenlevens en successchrijvers uit andere ordes (Hugo van St. Victor en Ludolf van Saksen) waren heel geliefd. De niet-christelijke, laat staan de niet-religieuze werken, waren traditioneel ondervertegenwoordigd en werden overwegend aangekocht of uit Parijs meegebracht. Opvallend is de overheersende, gemeenschappelijke cultuur van de latinitas, gekenmerkt door de uitsluitend Latijnse afschriften. De monniken van Ter Doest haalden onder abt De Smidt zelfs het traktaat Die cierheit der gheesteliker brulocht van de Middelnederlandse mysticus Jan van Ruusbroec binnen in een Latijnse vertaling. Typerend voor het conservatieve Cisterciënzerkarakter tenslotte zijn ‘illegale’ teksten in dichtvorm, heimelijk binnengesmokkeld in de vrome handschriften.

 

3.3.3. Artistieke vormgeving

 

In dit hoofdstuk behandelen we het aspect van de handschriften dat, zowel specialist als leek, altijd het meest heeft aangesproken, namelijk de illustraties en de vormen van decoratie. De handschriften uit het scriptorium van Ter Doest zullen echter eerst codicologisch worden benaderd. Anders dan de kleurrijke versiering gaat het bij deze over de minder spectaculaire, materiële aspecten van de codex. Vermelden we eerst en vooral dat de overgeleverde handschriften van Ter Doest zowel codicologisch als decoratief grote overeenkomsten vertonen met deze uit de moederabdij Ten Duinen. Dit was ongetwijfeld het gevolg van de uitwisseling van abten en kennis en van de toenmalige afspraken en normen betreffende de productie van handschriften.

 

A. Codicologische benadering

Wat het formaat van de geproduceerde boeken betreft, kunnen we kort zijn. Het overgrote deel ervan blinkt uit door hun monumentale, soms zelfs reusachtige afmetingen, met bladhoogten die tot meer dan 50 cm meten[217]! Hiervoor zien we enkele redenen. Ten eerste bevatten veel boeken zeer lange teksten, zoals de geglosseerde bijbels. Een andere reden was dat – zoals tijdens het dagelijkse koorgebed – meerdere monniken tegelijkertijd uit hetzelfde boek moesten lezen. In mindere mate ook beschermde het schrijven van grote formaten de handschriften beter tegen verlies door onachtzaamheid of diefstal.

 

De basisstof van de codex was perkament. Daar overwegend grote codices werden aangemaakt werd in het scriptorium van Ter Doest vooral kalfsperkament gebruikt, in plaats van het kleinere schaaps- of geitenperkament. Een uitzondering hierop is St. 218, het handboek van Willem de Smidt, waarvoor rimpelig schaapsperkament met gele haarzijde en witte vleeszijde werd gebruikt. Schaapsperkament was wel gebruikelijk voor goedkopere boeken, zoals de Franse universitaire handschriften die door studenten-monniken werden meegebracht. Verder is een 15de-eeuws voorbeeld bekend van een papieren codex (Brussel II 2758).

Eens het perkament in gereedheid gebracht, werden de kalfsvellen meermaals gevouwen en in elkaar geschoven tot een katern van meestal vier dubbelbladen (quaterniones), wat overeenkomt met acht bladen en zestien bladzijden[218].

Vooraleer men kon beginnen schrijven, moesten de bladen nog gelinieerd worden. Vóór 1200 werd er doorgaans ‘blind’ gelinieerd: op één zijde van het perkament werd een patroon van groeven getrokken die op de keerzijde als uitstulpingen zichtbaar waren. Voor de handschriften van Ter Doest werd vooral loodstift (in de 12de en 13de eeuw) of zelfs inkt (vanaf de 13de eeuw) gebruikt. Deze gebruikswijze kon uitgroeien tot een complex lijnenspel dat bijdroeg tot het esthetisch aspect van de pagina (vb. St. 251 met schrijflijnen en bladspiegel in inkt).

 

Het schrift dat in het scriptorium van Ter Doest werd gehanteerd, was over het algemeen een uiterst verzorgde, gotische littera textualis, zowel in zijn vlotte (currens) als in zijn stijve en meer plechtige (formata) variant. Eveneens gotisch waren de verticaliteit van de bladspiegel in twee kolommen en de horror vacui. Een enkele uitzondering in de textuur van de schrijfletter vormt de Bourgondische bastarda die door de aankopen van abt Keddekin (St. 238-241) Ter Doest infiltreerde en die we terugvinden in St. 108, een product uit het scriptorium van Ter Doest uit de tweede helft van de vijftiende eeuw. Verder schreef Cornelis Heyns als monnik en kopiist van Ter Doest een soort humanistisch schrift dat Gumbert ‘neoromaans’ heeft genoemd, omdat het aansloot bij autochtone schrijftradities van de 12de en 13de eeuw[219].

Het handschrift dat men na het aaneennaaien van de beschreven katernen bekwam, was een kostbaar bezit dat beschermd moest worden door een boekband. De aan elkaar gehechte katernen werden alzo vastgezet in een voor- een achterplat uit eikenhout. Er is, ook in Ter Doest, een evolutie merkbaar van onversierde huiden van herten en reeën naar een bekleding in fijn kalfsleder, gedecoreerd met losse en paneelstempels. Voor het inbinden van de boeken St. 71 en St. 65 werd gebruik gemaakt van afgedankt perkament uit de 12de-eeuwse administratie van het grafelijk kapittel Sint-Donaas. Opvallend aan de laatmiddeleeuwse boekbanden uit het scriptorium van Ter Doest is hun herkenbaarheid, te danken aan een hoornen venstertje (fenestra) op het achterplat van de boekband (vb. St. 113 afb. 15). De boeken lagen dan ook op hun voorplat in de middeleeuwse bibliotheek van Ter Doest.

 

Afbeelding 15: handschrift St. 113 van Ter Doest met fenestra op het achterplat

 

B. Decoratieve benadering

Hoewel de soberheid van Cisterciënzerhandschriften, als uitingen van eenvoud en humilitas, werd voorgeschreven, weken heel wat codices al gauw van deze rigide regel af. De strenge eenvoud vinden we wel nog terug in Augustinus’ Sermones (St. 257)[220]. We zien, conform de voorschriften, letters in één kleur en onversierd (unius coloris, non depictae) (afb. 16, bijlage nr. 5).

 

Afbeelding 16: Handschrift St. 257 met Augustinus’ Sermones, eind 12de eeuw (afb. 16)

 

Al heel wat verwijderd van de oorspronkelijke nederigheid zijn de vier delen van Augustinus’ Enarrationes in Psalmos (Gs. 16/196 tot en met 19/193), vervaardigd rond 1200. Het handschrift 16/196 bijvoorbeeld geeft in zijn geheel nog een heel sobere indruk – dit dankzij de eenvoudige lay-out in twee kolommen en het zeer regelmatige schrift – maar in de opsmuk van de aanvangsletters van iedere psalm valt op hoe handig de verluchters in Ter Doest omgingen met het voorschrift enkel handschriften te produceren in één kleur. We zien immers – de initialen, steeds meerkleurig en versierd met gevlochten blad- en rankwerk, niet meegerekend – dat de unciaalletters in het vervolg ‘(B)eatus vir qui’ inderdaad elk apart verlucht zijn in één kleur, maar dat hiervoor wel drie verschillende kleuren werden gebruikt (afb. 17, bijlage nr. 6, zie bovendien het incipit van Gs. 95/118)[221].

 

Afbeelding 17: Handschrift Gs. 16/198 met Augustinus’ Ennarationes in Psalmos, ca. 1200

 

Tot in de 13de eeuw bleef de versiering hoofdzakelijk in de initialen liggen. Vanaf de 14de eeuw echter boet de initiaalversiering een groot deel van haar belang in ten voordele van de randversiering of marginale decoratie die haar oorsprong heeft in uitlopers van initialen. Het basiselement van de initiaal uit de 12de en 13de eeuw, de plant, vormde echter ook het hoofdmotief in de randversiering. De nadruk ligt vooral op de typisch gotische ranken, blaadjes, bloemen en later ook vruchten. Ook levende wezens ontbreken in vele handschriftdecoraties niet. De monsterachtige verschijningen figureren bij deze als kleine komische, satirische, drollige of morbide scènes[222]. Mooie voorbeelden zijn hier de Bijbel van Ter Doest (Gs. 5/191), geschreven door Henricus aan het eind van de 13de eeuw, en het prachtige handschrift St. 251 met het Speculum doctrinale van Vincent van Beauvais (afb. 18) uit dezelfde periode.

 

Afbeelding 18: bizarre en realistische marginalia in St. 251

 

De bestaande secundaire literatuur betreffende de verluchting van de handschriften van Ter Doest indachtig, zijn we echter genoodzaakt hier een wat genuanceerder beeld te scheppen. Vooreerst worden de gehistorieerde initialen en hun inleidingen aan het begin van de bijbelboeken Gs. 4/1 en 5/191 niét toegeschreven aan de meesterlijke kopiist Henricus of aan een andere kunstenaar uit het scriptorium van Ter Doest, maar aan een wereldlijke verluchter die werkzaam was in een professioneel lekenatelier uit de grensstreek van Vlaanderen en Artesië[223]. Daarenboven beweren M. Smeyers en B. Cardon in verband met de in dekkende verf uitgevoerde initialen in de codex met Augustinus’ Enarrationes in Psalmos, dat deze “niet noodzakelijk door de religieuzen zelf werden uitgevoerd en dat het bekend is dat monastieke scriptoria hiervoor een beroep deden op vreemde, vaak ambulante kunstenaars, meestal leken die voor bepaalde opdrachten in een kloosteratelier werden aangeworven”. In dit geval zou de herkomst desalniettemin toch in het scriptorium van Ter Doest zelf hebben gelegen. Tenslotte vermelden we hier de veronderstelling van R. Vander Plaetse dat de decoratie van het Speculum doctrinale (St. 251) ‘enige invloed’ vanuit Noord Frankrijk zou ondervonden hebben[224].

In hoeverre de artistieke decoratie van de handschriften uit het scriptorium van Ter Doest mag worden toegeschreven aan ateliers en/of verluchters extra muros is in de loop van ons onderzoek niet meteen duidelijk geworden. Toch geloven wij dat het scriptorium niet alleen in staat was de versiering aan te brengen maar dat tevens vooral het penwerk, en waarschijnlijk ook een groot deel van de invulling met verf, uitgevoerd werd in het scriptorium van Ter Doest zelf[225]. Een voortgezet onderzoek hieromtrent kan in de toekomst misschien wat meer duidelijkheid scheppen.

 

3.4. De producenten uit het scriptorium van Ter Doest

 

In dit deelhoofdstuk gaan we op zoek naar de monniken en/of lekenbroeders uit Ter Doest die een belangrijke functie hadden in het scriptorium.Wie was er aan het werk in het scriptorium van Ter Doest? Kennen we kopiisten of auteurs bij hun naam?

We moeten ons hier uit noodzaak beperken tot de beperkte informatie uit de overgeleverde handschriften en tot de vermelding van enkele kopiisten in het obituarium van Ter Doest.

 

3.4.1. Kopiisten

 

Het obituarium van Ter Doest, samen met het martyrologium bewaard in handschrift St. 395, dateert uit ca. 1500 en vermeldt de naam van drie scriptores:

De eerste, Henricus, kan waarschijnlijk geïdentificeerd worden met de reeds vaak vermelde Henricus van Ter Doest. In hetzelfde obituarium komt echter ook de naam Henricus conversus voor, waarmee hij al zijn werken signeerde[226]. Of we hier met dezelfde scribent te maken hebben is niet duidelijk[227].

Zoals gezegd was Henricus de kopiist van zes verzorgde handschriften (drie betreffende Bijbel, Gs. 4/1, 5/191 en St. 6; drie Augustinus, St. 13, 112 en 114). Zijn schrijfwerk maakt zonder meer een grote indruk. Gezien de zuiverheid in lettervorm en de gave en strakke versiering moet hij een uiterst vakbekwaam scribent geweest zijn. Volgens A. Hoste zat Henricus zo’n twee jaar aan een handschrift van circa 340 folio’s (het gemiddelde formaat van de zes overgeleverde handschriften)[228]. Henricus kon bovendien een zekere vorm van humor wel appreciëren daar hij zichzelf in het eigendomsmerk steeds voorstelde met een baard.

 

Zowel A. De Poorter (enkel voor de handschriften bewaard in de Brugse Stadsbibliotheek) als A. Hoste hebben een poging gedaan de scribenten van Ter Doest in de handschriften op het spoor te komen[229]. Hun resultaten tonen veel gelijkenissen. Naast Henricus vermelden beiden Antonius de Deckere (eind 15de eeuw, St. 35), ene Simon waarvan zijn familienaam niet gekend is (14de eeuw, St. 294) en Laurentius Hartoghen (2de helft 14de eeuw, St. 517). Over St. 91 bestaat geen eenduidigheid. De Poorter meent dit handschrift te mogen toeschrijven aan ene Hugo, terwijl Hoste een anonieme kopiist uit de 13de eeuw voor ogen heeft.

Het eigendomsmerk van Gs. 120/159 en 160/4, ‘frater Michael, filius Ryquardi, oriundus de Slusa…’ openbaart een andere scriptor: Michaël, zoon van Rijkaard[230]. Hij was als lekenbroeder afkomstig uit het naburige Sluis, alwaar Ter Doest vele hectaren grond bezat. Hoste vermeldt vervolgens nog twee kopiisten uit de dertiende eeuw die De Poorter over het hoofd zag: Johannes de Capella (St. 513) en Petrus Grauwe (St. 182).

Verder stammen uit de 15de eeuw Antonius Rogiers, die een Liber ordinarius op papier schreef (Brussel KB II 2758)[231], en drie kopiisten die aan de Tragedies van Seneca (Leiden BPL 45A) werkten. Als eerste begon prior Thomas Feye. Na zijn dood werd hij opgevolgd door de monnik Cornelius Heyns en Jacobus Egidii, die de glossen maakte. Het hele werk werd voltooid in 1477.

 

Deze veertien kopiisten vormen een uitzondering. Over het algemeen hadden de schrijvers, net als de verluchters en andere kunstenaars in de Middeleeuwen, een voorkeur voor anonimiteit[232]. Een mooie illustratie hiervan is de colofon van St. 18 waarin de scriptor liever anoniem blijft omdat zijn naam reeds in het levensboek (de bijbel) geschreven staat:

 

«Scriptus a quodam monacho cuius nomen scribatur in libro vite».

 

 

3.4.2. Auteurs

 

Er werden weinig eigen teksten geschreven in het scriptorium van Ter Doest. De bekendste bij naam gekende auteur was evenwel abt Willem de Smidt (†1385). Onder zijn Latijnse naam Gulielmus Faber (abbas) zou abt De Smidt zich volgens Carolus De Visch, zelf een voormalig abt van Ten Duinen (†1666), gewaagd hebben aan een Summa theologiae scholasticae in drie delen, waarvan St. 189 en 218 een deel zouden kunnen zijn[233].

St. 218 handelt over de vier voornaamste bezigheden van een monnik: lezing, overweging, gebed en handenarbeid. Op zijn standpunt rond handenarbeid, in het bijzonder de scriptoriumactiviteiten, komen we nog uitvoerig terug. Het hoornen titelvenstertje van St. 218 vermeldt ‘Volumen secundum magistri Guillelmi abbatis huius domus’. De tekst zelf bevat extracten van diverse gezaghebbende auteurs: Augustinus, Gregorius, Ambrosius, Bernardus, Cassiodorus, Hugo van St. Victor, Guigo I de Charteuse, Thomas van Aquino, Jan van Salisbury, Alexander van Halès. Zelfs de klassieken Sallustius, Dionysius de Pseudo-Areopagite en Cicero zijn vertegenwoordigd. Willem De Smidt had gestudeerd aan het Sint-Bernarduscollege te Parijs en verwierf in zijn studententijd een aantal scholastieke handschriften die hij meebracht naar Ter Doest. Op twee daarvan is zijn naam bewaard: St. 244 en St. 268. Volgens het Monasticon Belge, dat een korte levensbeschrijving van de abten van Ter Doest geeft, was De Smidt geboren te Bassevelde, nabij Eeklo, en schopte hij het tot doctor in de theologie[234].

 

De bijdrages van andere auteurs uit Ter Doest zijn nu eens twijfelachtig en dan weer heel beperkt. Zo vermeldt de kroniek van Ter Doest ene Albéric van Ter Doest, die in 1272 een geschiedenis zou hebben geschreven over de expedities van Vlaanderen in het Heilige Land, getiteld: ‘De expeditione Flandrorum in Terram sanctum’. Hoewel dit werk in Carolus de Visch’ catalogus werd opgenomen is er geen spoor meer van dit boek noch van de auteur. Diezelfde Albéric zou bovendien de Vita geschreven hebben van B. Barthélemi Van der Aa, B. Ermengarde (1e abdis van Maagdendael) en B. Elisabeth (1e abdis van Nazareth). Van deze kloosters zou hij ook de kroniek hebben voortgezet. Monnik Victorius van Ter Doest zou vervolgens het werk van Albéric van Ter Doest hebben verder gezet. Over deze werken, noch over Victorius van Ter Doest hebben we meer informatie kunnen vinden. Het Monasticon Belge geeft als oorzaak hiervoor dat de zogezegde auteurs Albéric en Victorius het product zijn van de fantasie van vervalser Christophe Butkens[235].

Nog volgens de kroniek van Ter Doest zou Walter van Mude (Gautier de Mude), monnik van Ter Doest, in 1284 een biografie in verzen hebben geschreven van B. Torfinn, de Vita Torphimi, vel Torphinni[236]. In de eerste editie van zijn Bibliotheca scriptorium sacri Ordinis cisterciensis vermeldt C. De Visch echter geen naam Gautier de Mude maar heeft hij het enkel over de Anonymus Thosanus[237].

Tenslotte verwijzen we hier naar de reeds genoemde Jacobus Egidii, die verantwoordelijk was voor de glossen in de Tragedies van Seneca (Leiden BPL 45A), en de dichter-monniken van wie we hun dichtwerk bij de typologie der handschriften (3.3.2) reeds bespraken.

 

3.4.3. Overige scriptoriumfuncties

 

Hierover kunnen we kort zijn. Naast het kopiëren van handschriften waren er nog verschillende andere noodzakelijke functies bij de productie van een handschrift in het scriptorium. Van deze verluchters, boekbinders en scriptoriumverantwoordelijken is echter zo goed als niets geweten. We kunnen desondanks Haket beschouwen als scriptoriumverantwoordelijke bij de inrichting van het scriptorium van Ter Doest omdat hij als eerste abt verantwoordelijk is het geweest voor de sponsoring van een aantal boeken door kanunniken van het Sint-Donaaskapittel. Over deze sponsors hadden we het reeds uitvoerig in de bespreking van het scriptorium van Ter Doest vóór 1250. Ook de bibliofiele abt Keddekin had duidelijk zijn zegje in het scriptorium, gezien de afbeelding van zijn wapenschild in handschriften St. 35 en Gs. 49/18.

Er werden vanzelfsprekend ook monniken aangesteld voor de redactie en de scriptio van administratieve teksten. Naast de oorkonden die op initiatief van Ter Doest werden geschreven, mogen aldus Prevenier waarschijnlijk ook de destinatarisoorkonden – op initiatief van de graaf van Vlaanderen aan Ter Doest gericht – worden toegeschreven aan het scriptorium van Ter Doest. Naast de oorkonden vermelden we het obituarium van Ter Doest (ca. 1500) als belangrijkste overgeleverde product uit de administratieve cel van het scriptorium van de abdij.

 

3.5. Getuigenissen uit het scriptorium van Ter Doest

 

We legden reeds de nadruk op de anonimiteit van de kopiist in het scriptorium van Ter Doest. Deze anonimiteit bracht echter ook met zich mee dat er – jammer genoeg – weinig voelbare getuigenissen zijn overgeleverd die ons iets kunnen leren over de werkomstandigheden en de motivering voor de scriptoriumactiviteiten. We zijn hier met andere woorden op zoek naar het kloppend hart van het scriptorium van Ter Doest: een heel interessant en voelbaar aspect in onze reconstructie dat in de bronnen evenwel niet navenant vertegenwoordigd is.

Traditioneel werd in het explicit nu en dan eens een persoonlijke opmerking gemaakt over de zware en eentonige arbeid die de kopiist moest verzetten (zie boven, Deel I). Hiervan hebben we er in de handschriften uit het scriptorium Ter Doest echter geen gevonden. Wel gebruikelijk in Ter Doest was het eigendomsmerk op het einde een afschrift. De eigendomsmerken van Ter Doest toonden vele varianten en een groot deel hiervan stak een dreigende vinger uit naar mogelijke dieven van het handschrift of naar oneerlijke liefhebbers van miniaturen, die zich niet schaamden een folio uit te snijden.

Het meest voorkomende eigendomsmerk van Ter Doest vermeldt enkel de eigenaar:

 

«Liber sancte Marie de Thosan».

 

In een vijftiental handschriften echter wordt hij die het boek zou stelenof er een blad uit losscheurt zelfs vervloekt:

 

«Liber beate Marie de Thosan. Si quis eum abstulerit anathema sit, vel folium ex eo detruncaverit».

 

Een schitterende getuigenis uit Ter Doest is de lofrede van abt en auteur Willem De Smidt op het werk van de kopiist en alle activiteiten die te maken hebben met de productie van een handschrift. Deze tekst komt voor in het afschrift St. 218 uit de tweede helft van de 14de eeuw. Gezien het belang ervan voor ons onderzoek geven we hier de belangrijkste passus, geschreven op folio 37, volledig weer:

 

Hoc quodam modo opus [scribere], opus immortale est, opus, si dicere liceat, non transiens sed manens, opus denique quod inter omnia alia magis decet viros religiosos litteratos. Semper enim viri religiosi litterati, cum ab oratione, lectione, meditatione, et necessitatibus, (quod nequaquam tacendum est), corporalibus, vacant, prout tempus et ratio exegerit, libris utique vel preparandis, vel ligandis, vel emendandis, vel illuminandis, vel intitulandis, vel hiis que ad ista pertinent ordinandis et faciendis et perficiendis sollicite intendere debent. Et istud quidem congruum est viris religiosis ut, si ore non possint, Dei verbum manibus predicent. Quot enim libros scribimus, tot enim nobis veritatis precones facere videmur, sperantes a Domino mercedem pro omnibus qui per eos vel [ab] errore correpti fuerint, vel in catholica veritate profecerint, pro cunctis etiam qui vel a suis peccatis et vitiis [sic] compuncti, vel ad desiderium fuerint patrie celestis accensi.

 

We hebben hier te maken met een prachtig voorbeeld van de spirituele motivering van scriptoriumactiviteiten zoals we deze hebben besproken in het eerste deel van onze verhandeling. In de eerste regels van deze passage vertelt De Smidt, volledig in de stijl van Cassiodorus en Guigo I, dat elke geletterde religieus naast redevoeren, lezen en mediteren zich vooral moet bezighouden met het schrijfwerk, dat van alle werken de hoogste eeuwigheidswaarde bezit. Onder deze arbeid verstaat hij naast het schrijven bovendien het binden, het verbeteren, het versieren en het betitelen van boeken. De Smidt besluit zijn lofrede op de scriptoriumactiviteiten met de woorden van Guigo. Een vergelijking van beide passages leert ons immers dat de zinsneden ‘si ore non possint, Dei verbum manibus predicent vel ad desiderium fuerint patrie celestis accensi’, ongeacht enkele nieuwe foutjes, letterlijk zijn overgenomen uit de Consuetudines van Guigo[238].

 

Ondanks het beperkt aantal getuigenissen uit het scriptorium van Ter Doest, kunnen we toch enkele interessante vaststellingen doen. Vooreerst leren de anathema ons dat men aan de gekopieerde handschriften veel waarde hechtte. Boeken zullen ook voor de monniken van Ter Doest heilige, doch schendbare offers geweest zijn. Het fragment uit De Smidts handboek over de voornaamste bezigheden van de monnik leert ons daarenboven dat niet enkel de boeken heilig waren, maar ook de productie ervan in de scriptoria een taak van onschatbare waarde moet zijn geweest. Daarom mogen we veronderstellen – gezien de voorbeeldfunctie van De Smidt als abt – dat de spirituele betekenisgeving die hij de schrijfarbeid toekende algemeen als hoofdmotivering zal hebben gegolden voor de producenten van het scriptorium van Ter Doest.

 

 

B. HERNE

 

1. Geschiedenis van Herne

 

Net als voor het Cisterciënzerklooster Ter Doest is een inleiding over de geschiedenis van het Kartuizerklooster Herne noodzakelijk willen we een referentiekader scheppen voor de reconstructie van het scriptorium van dit klooster. Hiervoor deden we een beroep op de kroniek van Herne, geschreven door A. Beeltsens en J. Ammonius en in 1932 uitgegeven door Lamalle[239].

 

Herne was in de 13de eeuw een domein onder leiding van de heren van Edingen. In 1250 stonden de graven van Henegouwen het recht van verblijf in leen af aan de heren van Edingen. In 1307 stemde de abt van Sint-Aubertus in met de stichting van een klooster te Herne, dat in 1314 door de testamentenuitvoerders van Walter II van Edingen (†1310) werd opgericht